• De kiem van De wand

    De kiem van De wand

    De Oostenrijkse Marlen Haushofer (1920-1970) is bij het grote publiek vooral bekend geworden vanwege haar weergaloze roman De wand (1963). Haar debuutroman uit 1955, Een handvol leven, is onlangs ook in het Nederlands vertaald (door Anne Folkertsma), met een nawoord van Charlotte Remarque. Zij ziet in Een handvol leven al een kiem van De wand, in die zin dat in beide romans sprake is van een vrouwelijk hoofdpersonage dat zich afzondert. Ze heeft daarmee zeker een punt.

    In Een handvol leven keert een vrouw met de naam Betty Russel terug naar het huis waar ze ooit gewoond heeft. De huidige bewoners hebben het te koop gezet en zij is een geïnteresseerde koper, die van ver komt. Ze heeft iets bekends voor de verkopers, maar ze kunnen niet helemaal thuisbrengen wat dat bekende precies is. Betty biedt zonder omwegen de vraagprijs voor het huis en blijft vanwege praktische redenen overnachten in het huis dat binnenkort het hare zal zijn. In haar oude kamer vindt ze een doos met ansichtkaarten en foto’s. Aan de hand van die spullen wordt via allerlei flashbacks duidelijk wie deze Betty in werkelijkheid is en hoe ze tot de keuze is gekomen om het leven dat ze vroeger in dit huis leidde achter zich te laten.

    IJzig koud klooster

    Het leven van Betty begint met een beschrijving van de jonge Lieserl, die op haar vijfde naar familie op het platteland werd gestuurd omdat haar moeder zou gaan bevallen. Het eenzelvige meisje leeft in een wat magisch realistische fantasiewereld en is enorm onder de indruk van een slager die een koe komt slachten. Later heet hetzelfde meisje Elisabeth en zit ze intern op een school bij de nonnen. In het klooster is het vaak ijzig koud (Elisabeth zal de rest van haar leven een afkeer van kou houden) en de nonnen verwijten het nieuwsgierige meisje dat dol is op lezen dat ze een schepsel boordevol fouten is. ‘Ze wist niet precies wat ze had misdaan, maar dat voortdurende schuldgevoel maakte haar ellendig. Een tijdlang probeerde ze zich ervan te bevrijden door zo vaak mogelijk te biechten. Dat zorgde echter slechts even voor verlichting.’

    Na verloop van tijd begint ze bepaalde situaties uit de weg te gaan om conflicten te vermijden. Ze sluit een soort vriendschap met twee andere meisjes, de vrolijke en vriendelijke Käthe en de broodmagere Margot, die godsdienstwaanzinnig wordt en met wie het uiteindelijk slecht afloopt. De driehoeksverhouding tussen de meisjes kost Elisabeth veel energie, ook omdat Margot haar voor zichzelf wil opeisen.

    Vreemdgaan uit pure verveling

    Ook wanneer ze ouder wordt, is het voor Elisabeth moeilijk om zich tot anderen te verhouden. Ze verlooft zich, verbreekt die verloving, trouwt uiteindelijk met Anton (Toni) Pfluger en krijgt een zoon. Ze voelt weinig liefde of waardering voor haar echtgenoot en voelt zich überhaupt ontheemd in het leven: ‘Met het stille cynisme van een vrouw observeerde ze hoe de ene helft van de mensheid stiekem maar onverstoorbaar alles saboteerde wat de andere helft buitengewoon belangrijk vond. Toch wilde ze ook in geen geval in een vrouwenwereld leven, waar nut en verstand regeerden en waar dan wel geen enorme oorlogen of honger waren, maar er ook niets meer te lachen viel.’

    Uit pure verveling begint Elisabeth een verhouding met een zakenpartner van Toni, een man die ze eigenlijk niet eens aantrekkelijk vindt. Na een jaar en drie maanden maakt ze een eind aan de relatie. Ze kijkt naar zichzelf in de spiegel terwijl ze huilt en dan gebeurt er iets bijzonders: Ze voelde een heel onpersoonlijk medelijden met die huilende vrouw en fluisterde iets troostrijks terwijl ze haar tranen droogde. Tegelijkertijd stond achter haar een derde Elisabeth, zij keek bijna een beetje geamuseerd naar de huilende vrouw en dacht: maak er niet zo’n drama van, lieverds.’

    Wanneer ze begint te fantaseren over de dood van haar echtgenoot, kind en minnaar, beseft Elisabeth dat er echt iets moet veranderen in haar leven en neemt ze een ingrijpende beslissing: ze verdwijnt en haar naasten wanen haar dood.

    Stroef personage

    Maar hoe boeiend deze levensloop ook is, het personage Lieserl/Elisabeth/Betty blijft opvallend op afstand. Ze is stroef en eenzelvig, waardoor je moeilijk met haar gedachten en gevoelens kunt meebewegen. In De wand is de eenzaamheid van het hoofdpersonage beter invoelbaar, alhoewel Een handvol leven qua opbouw zeker ook mooie vondsten heeft. Alhoewel sommige delen van het leven van Elisabeth uitgebreid uit de doeken worden gedaan, blijft de periode tussen haar ingrijpende beslissing en de terugkeer naar het huis dat ze ooit verliet in nevelen gehuld. Haushofer laat deze periode bewust onvermeld; dat levert spanning op, maar voelt ook onbevredigend. Wanneer je haar biografie bestudeert, valt op dat ook zij worstelde met zingeving en de geringe invloed die vrouwen indertijd hadden op hun eigen leven. In die zin is Een handvol leven dan ook zeker een feministisch boek te noemen.

    Al met al is het debuut van Marlen Haushofer vooral interessant om te lezen voor wie heeft genoten van De wand. De thematiek van eenzaamheid, het gevoel van de zinloosheid van het leven en de machteloosheid die iemand kan voelen ten aanzien van het bestaan worden fraai beschreven. Het taalgebruik is rijk en beeldend en veel zinnen nodigen uit om nogmaals gelezen te worden. Een handvol leven is geen meesterwerk à la De wand, maar een intrigerend en thematisch rijk debuut dat veel verraadt over Haushofers latere kracht.

     

  • Ontworteld in het vooroorlogse Parijs

    Ontworteld in het vooroorlogse Parijs

    Nachtwoud is geen toegankelijk boek. Het wordt de lezer niet gemakkelijk gemaakt, maar ook de vertaler niet, zoals vertaler Engels-Nederlands Erik Bindervoet in het begin van zijn ‘nachtwoord’ (dus geen ‘nawoord’) stelt. Een beetje zelfingenomen wel die constatering, en tikje valse bescheidenheid maar geloofwaardig is het ook.

    Nachtwoud van de Amerikaanse bohémien journaliste en auteur Djuna Barnes (1892-1982) is een boek dat je enerzijds niet loslaat maar anderzijds ook moeilijk te volgen is. Het vertelt het verhaal van een aantal zoekende, ontwortelde mensen in het kosmopolitische Parijs van de jaren twintig van de vorige eeuw tijdens hun vooral nachtelijke belevenissen en ontmoetingen. De kern van het boek, de hoofdthese, is de mythe van de romantische liefde. In het boek ‘de vleesgeworden leugen van ons tijdsgewricht’ genoemd, ‘de liefste leugen van ons allemaal’. Het dichtstbij komt nog de liefde tussen vrouwen, maar ook die schiet in de ogen van Barnes uiteindelijk tekort.

    ‘De liefde, dat erge ding!’

    Uit een – uiteraard nachtelijke –  scène in een rijtuig van drie personen, hoofdpersoon Robin, een vrouw die zoekt naar liefde maar ook gezocht wordt, met Jenny en de (mannelijke) dokter; ‘Ach zei hij, de liefde, dat erge ding!’. Ze (Jenny) begon op de kussens in te beuken met haar dubbele vuist. ‘Wat weet jij daar nou van? Mannen weten er nooit iets van, waarom zouden ze ook? Maar een vrouw moet er wel van weten – zij zijn fijngevoeliger, heiliger, mijn liefde is heilig en mijn liefde is groots!’. Maar hoofdpersoon Robin maakt er korte metten mee: ’Hou je mond, zei Robin en legde haar hand op haar knie. ‘Hou je mond, je weet niet waar je het over hebt. Je praat de hele tijd en je weet nooit iets. Dat is zo’n afschuwelijke zwakte van je. Jezelf identificeren met God, hou ermee op!’. De scène eindigt in een gevecht tussen de twee vrouwen, waarna Robin uit het rijtuig springt, kort daarna gevolgd – toch – door Jenny. De twee vrouwen vertrekken daarna per boot naar Amerika. Hun relatie, een groot woord voor een ingewikkelde omgang met elkaar, eindigt met een hysterische Jenny. Robin trekt nu weer naar een van de andere vrouwelijke hoofdpersonen, Nora, maar ook dat loopt niet goed af. Een gewelddadige nachtelijke scène in en bij een kapel buiten New York waarbij èn Nora èn een hond het leven laten is het einde van het boek.

    Op zoek naar de liefde

    Nachtwoud
    laat zich niet of nauwelijks lineair navertellen, je moet je erin onderdompelen zonder dat je je voortdurend afvraagt wat er gebeurt, wie waarom handelt en wat de preciese uitkomst is van de nachtelijke voorvallen. Het verhaal meandert rond een handjevol hoofdpersonen die allen nogal bijzonder zijn. Wat hen bindt is een gevecht rond hun identiteit, ze zijn uitgestoten, en proberen via de ander zichzelf beter te leren kennen. Dat lukt steeds niet en dan is de enige remedie daartegen gewoon maar verder leven en zonodig een verleden ‘stelen’.  Een ‘wandelende Jood’ Felix Volkbein, de echtgenoot (op afstand) van Robin, dokter Matthew O’Connor, en de al genoemde vrouwen, hoofdpersoon Robin, en Nora en Jenny; ze zwerven door de nacht, op zoek naar elkaar, maar de echte liefde is onbereikbaar. Ze zoeken allen vooral naar de liefde van Robin, de meest identiteitsloze in het boek. Maar bij dat zoeken naar de liefde van Robin, zoeken en dienen ze vooral zichzelf. Nora: ‘Mijn God, wat is liefde? De mens op zoek naar zijn eigen hoofd?’

    Proza

    Intussen geniet je wel van het uiterst knappe en beeldende proza van Barnes. Zoals over het huis van Jenny, ‘volgepropt met tweedehands transacties met het leven’. Ze draagt de trouwring van een ander om haar vinger, vult haar bibliotheek met door anderen gekozen boeken en haar woorden ‘leken haar te zijn uitgeleend’. Nog een voorbeeld, ook over Jenny. De verteller (in het tweede deel van het boek de dokter, in het eerste deel is er een soort voice-over) zegt over haar: ‘Zij heeft de kracht van een onvolledig ongeluk – je wacht de hele tijd op de rest, op de laatste vuiligheid om het geheel af te maken; ze werd geboren op het randje van de dood, maar helaas zal ze niet bejaard worden als jongere – wat een ernstige vergissing van de natuur is’. Nog een voorbeeld, exemplarisch voor het hele boek. Felix (Volkbein) is in gesprek met de dokter. ‘Bent u bekend met Wenen informeerde Felix. “Wenen,” zei de dokter, “het bed waar het gewone volk in klimt, tam van de arbeid, en waar de adel zich uitgooit, wild van waardigheid”’. Niet echt makkelijk leesbaar, zeer barok, maar beeldend en ook wel unheimisch. De plaatsen waar de hoofdpersonen elkaar ontmoeten zijn ook bijzonder, een circus en een groot bed, beide dus weer nachtelijke plekken. Het circus wordt beeldend beschreven, maar ook nogal abstract. Felix komt er regelmatig. ‘De emotionele spiraal van het circus, ontsprongen aan de gigantische ontluistering van het publiek, afgeketst van zijn onbegrensbare hoop, bracht in Felix verlangen en onrust teweeg. Het circus was een geliefd object dat hij nooit kon aanraken, derhalve nooit kon kennen’.

    Djuna Barnes

    Deze zoektocht naar de ander en naar de liefde is misschien wel exemplarisch voor het leven van de schrijfster, Djuna Barnes. Zij groeide tijdens de overgang van de 19e naar de 20e eeuw op in upstate New York in een onsamenhangend gezin (voorwoord Xandra Schute: ‘een kakelbont gezin’). In 1912 vestigde zij zich als journaliste in de stad New York, met in haar vak en haar leven een fascinatie voor het ontuchtige, vreemde en bizarre. Daaronder het circus. Ze was een, zeker voor die tijd, onafhankelijke, geëmancipeerde vrouw met een toen nieuwe stijl van schrijven, die van de participerende journalistiek. Het leven in Parijs in de jaren twintig, de stad van Hemingway, Gertrud Stein en vele andere Amerikaanse bohémiens/kunstenaars paste haar. Daar stopte ze met de opdracht journalistiek voor bladen als McCalls en ging schrijven, poëzie, korte verhalen, toneelstukken, een lesbische sleutel-almanak, en uiteindelijk in 1936, en inmiddels verhuisd naar Engeland, Nachtwoud. Daarbij geholpen door T.S. Eliot, eindredacteur bij uitgeverij Faber & Faber, die veel zag in dit boek. Hij suggereerde een andere, ook wel passende, titel: Bow down, the Anatomy of Night. Vertaler Erik Bindervoet tekent nog aan dat de uiteindelijke titel Nightwood wel eens zou kunnen slaan op de grote liefde van Djuna Barnes, Thelma Wood: ’Nigh T Wood’, bijna T. Wood. Barnes ontkende dit en sprak van ‘night-shade, poison and night and forest. Nachtschaduw, vergif en nachtelijk woud. Bijzonder om nog te vermelden is dat zij het boek schreef in het Engelse landhuis van de toen jonge beroemde Amerikaanse kunstverzamelaarster Peggy Guggenheim. In 1940 ontvluchtte ze het brandende Europa, terug naar de VS, waar ze tot 1982 een kluizenaarsbestaan leidde, vaak ziek en veelal verslaafd aan de alcohol. Bijna niemand liet ze nog toe in haar leven.

    Als poëzie

    Het is mooi dat dit cultboek over nachtelijke dromen drinken in het artistieke Parijs van de jaren twintig in een nieuwe, sprankelende vertaling is verschenen. De vorige dateert uit 1963, herzien in 1979. Bindervoet heeft als vertaler zijn sporen verdiend tot en met de Beatles. Aan Nachtwoud wordt nu, anno 2025, wel de term ‘Queerklassieker’ gehangen. Dat is het ook wel met die nadruk op de homoseksuele liefde, maar het is vooral een boek dat over je heen golft en dat je het beste als poëzie kunt ondergaan. Advies: lees het in één keer uit, en raadpleeg daarna vooral het nawoord van Xandra Schutte en het nachtwoord van vertaler Erik Bindervoet. Dat helpt enorm om het boek op de juiste waarde te schatten. Die waarde is groot, zeker als je het moment van verschijnen in 1936 in ogenschouw neemt. Nederland moest lang op een vertaling wachten, maar heeft nu een schitterende herkansing.

     

     

  • Triest verhaal in zeer goed geschreven roman

    Triest verhaal in zeer goed geschreven roman

    In 1937 tekende Salvador Dali L’arc hystériqye, de Hysterische boog. Een gedetailleerde pentekening van een vrouw in een ongemakkelijk positie, steunend op handen en voeten met haar buik hoog in de lucht. Ze is strak ingebakerd in doeken, die haar nauw omsluiten. Bij Dali en andere surrealisten was hysterie een terugkerend thema. Voor hen was het een verheven middel van expressie. Dat deze voorliefde van de culturele elite in de jaren dertig geen gemeengoed was, blijkt duidelijk uit Het luik van sneeuw, de eerste en enige roman van Emily Holmes Coleman (1899-1974, geboren in Californië). In deze roman beschrijft Coleman hoe Marthe Gail in het Gorestown State Hospital, een psychiatrische kliniek voor vrouwen, wordt behandeld aan de gevolgen van kraamkoorts. Een behandeling die door de ogen van tegenwoordig bezien, ontluisterend wreed is.

    Coleman beschrijft op indringende wijze hoe bij Marthe alle houvast wordt weggenomen. Net als de andere patiënten wordt Marthe gestaag ontmenselijkt. Als ze in bad gaan worden de patiënten strak ingezwachteld in stroken stof, van elke bewegingsvrijheid beroofd. En als ze gaan slapen worden ze vastgebonden onder een strakgespannen canvaslaken, beroofd van elke identiteit. Voor Marthe is het alsof ze in een ‘spiraalkist’ in bad moet. Maar ze is er de vrouw niet naar zich te laten kisten en bevrijdt zich als het strakke windsel haar onder water te warm wordt. Als de verpleegster terugkomt vertelt ze dat ze zich bevrijd heeft. ‘Het is hemels zonder dat ding.’ De verpleegster snapt er niets van. Geen van de patiënten had zich ooit los weten te maken.

    Onmondig zieke vrouw

    Het is Marte te voeten uit. Van het begin af aan probeert ze zich te bevrijden. Ze kan niet accepteren dat ze behandeld wordt als onmondige zieke vrouw. Door de verpleegsters, de artsen, maar uiteindelijk ook door haar man. Alhoewel die zijn best doet om het haar wat aangenamer te maken. Bijvoorbeeld door haar potlood en papier te bezorgen, zodat ze haar ervaringen kan boekstaven. Coleman’s beschrijving van hoe Marte dat doet is kenmerkend voor haar schrijfstijl. Rijke zinnen, vol beeldend taalgebruik, die om elkaar heen dansen als de losgetrokken windsels in een warm bad.
    ‘De woorden ontvouwden zich en ontstonden op het papier. Ze gleden omhoog en zweefden en landden en stonden op een rij. Zij vormde ze, ze zei dingen met een potlood op een klein vel geel papier. Het was een brief aan haar vader en daar waren de woorden, woorden die ze uit het rode licht plukte en vastprikte onder haar potlood als wriemelende motten. De motten hadden gele staarten en probeerden wanhopig aan het potlood te ontkomen.’

    Het luik van sneeuw is geen plezierig boek om te lezen. Daarvoor is de situatie waarin Marthe zich bevindt te triest, te onmenselijk. Maar het is wel een goed geschreven boek, dat in zijn grillig proza het denken van een psychotische vrouw perfect weergeeft. Coleman kon zich daar ook als geen ander in inleven. Zelf was zij gedurende twee maanden, kort na de geboorte van haar zoontje ook op vergelijkbare, choquerende wijze behandeld. Het luik van sneeuw is dan ook een autobiografische roman te noemen en het schrijven ervan was voor Coleman naar alle waarschijnlijkheid een therapeutische daad. En een aanklacht.

    Niet menswaardige behandelingen

    Alhoewel Marthe deels duidelijk psychotisch is (zo denkt ze dat ze God is), probeert ze zich voortdurend te onttrekken aan de behandelingen die volgens haar niet menswaardig zijn. ‘Dr. Brainerd’ zei Marthe ernstig, ‘dat ik toevallig een toxische uitputtingspsychose heb is dat de enige reden om me als een hond te behandelen?’ Het is een discussie met haar behandelaren (of haar man) die ze niet wint. Ze realiseert zich dat. ‘Vanavond zal er sneeuw op mijn glazige vingers liggen … en een luik van sneeuw op mijn graf’, zegt ze tegen haar man, terwijl ze met haar neus tegen de ruit gedrukt naar buiten kijkt. 

    Coleman zelf zou uiteindelijk het ziekenhuis verlaten en met haar man en zoon naar Parijs vertrekken. Ze zou er een succesvolle carrière als editor opbouwen, met een rijk sociaal leven, onder andere in de kringen van de anarchiste Emma Goldman en kunstverzamelaarster Peggy Guggenheim. Ze zou nog vele artikelen, gedichten en korte verhalen schrijven. Maar nooit meer een roman. Dat luik was blijkbaar echt dicht.



  • Hedendaags liefdesverhaal gebaseerd op een mythe

    Hedendaags liefdesverhaal gebaseerd op een mythe

    In Meisje ontmoet jongen laat de Schotse auteur Ali Smith urgente zaken aan bod komen. Zoals de macht van multinationals, gender fluïditeit, familiebanden, seksisme en grensoverschrijdend gedrag. Met veel humor verweeft Smith de verschillende onderwerpen door elkaar, met als basis het mythologische verhaal van Iphis en Ianthe.

    Anthea en Imogen zijn twee jongvolwassen zusjes die er samen alleen voor staan. Hun ouders zijn uit elkaar en hun grootouders zijn op een zeilboot de oceaan opgevaren en waarschijnlijk verdronken. De zusjes wonen in het ouderlijk huis en zijn beiden creatief en intelligent. Imogen werkt bij het zeer succesvolle Pure, een bedrijf dat water bottelt, maar daarnaast een dubieuze dubbele agenda heeft. Anthea zoekt nog naar haar eigen identiteit, maar Imogen zorgt ervoor dat ze ook bij Pure kan werken. Niet geheel volgens de wens van Anthea, die kritisch is op een cultuur van prestatiedwang en grensoverschrijdend gedrag. 

    Eerste levensbehoefte in een fles

    De kracht van de verhaallijn van het bedrijf Pure dat Smith erin verweven heeft, is dat we allemaal wel eens water in een fles kopen. Dat vinden we heel normaal. Maar bij de gedachte dat water een eerste levensbehoefte is, zou niemand daar eigenlijk zoveel aan mogen verdienen. Keith, de CEO van Pure, zoekt naar een verkoopslogan en vraagt in een brainstormsessie aan zijn mensen: ‘Hoe bottelen we de verbeelding?’ Met andere woorden, hoe perken we iemands verbeelding in. Het is Anthea die dat doorziet en gefrustreerd naar buiten rent. Op dat moment ziet ze een jongen met krullen en een kilt aan op een ladder met een spuitbus de gevel van het gebouw van Pure bekladden. ‘’t Was de mooiste jongen die ik ooit had gezien. Maar hij zag er uit als een meisje. Zij was de mooiste jongen die ik ooit gezien had.’

    Dat is Robin, ze zat vroeger bij Anthea in de klas en op het moment dat Robin zich soepel langs de ladder naar beneden laat glijden, weet Anthea dat ze voor elkaar bestemd zijn. En ze worden geliefden. Robin vertelt Anthea ‘De mythe van Iphis’ geschreven door Ovidius. Nog voor Iphis geboren is, zegt haar vader tegen haar moeder, dat als het een meisje wordt, ze dat niet zal overleven. Hij wil een zoon. Het wordt een meisje, maar de moeder houdt dat geheim en voedt haar kind op als een jongen. Tot Iphis met Ianthe wil trouwen, dat is een probleem, maar de moeder verzint met behulp van godin Isis een list, zodat Iphis verder als man door het leven kan. Het is de metafoor voor hun eigen leven, al is het in deze tijd wel anders. In deze tijd moet je alert blijven en vechten voor je eigenheid. 

    Statements als kunst

    Robin en Anthea vereenzelvigen zich met Iphis en Ianthe en Robin gebruikt voor haar activistische werk Iphis07 als pseudoniem. Door de hele stad kalken ze tamelijk schokkende feministische statements op de gevels van gebouwen. Zoals: ‘Wereldwijd worden 2 miljoen meisjes bij hun geboorte gedood, omdat ze geen jongen waren. Dat is officieel. Tel daarbij op de officieuze schatting dat nog  eens 58 miljoen meisjes gedood werden omdat ze geen jongen waren, dat maakt 60 miljoen meisjes.’ En leuzen die ingaan op andere ongelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen. Zoals ongelijk loon en dat slechts 2 procent van de vrouwen wereldwijd topfuncties bekleden. Statements die de gemoederen aanwakkeren en uiteindelijk als kunst gezien worden.

    Het boek, eerder een novelle, is verdeeld in vier hoofdstukken. Het eerste deel, ‘Ik’ wordt vanuit Anthea’s perspectief verteld; in ‘Jij’ volgen we Imogen, haar gedachten staan tussen haakjes, wat bijzonder effectief werkt. Ze heeft er moeite mee dat haar zus lesbisch zou zijn. ‘(O god, mijn zus is EEN POT.)’ Ze geeft alles en iedereen de schuld daarvan: de Spicegirls, het songfestival of haar gescheiden ouders. ‘(Maar als dat zo is, ben ik misschien ook een pot.)’ Imogen is graatmager, laat zich koeioneren door seksistische collega’s en haar baas. Ze wil behagen, cijfert zichzelf weg en heeft er grote moeite mee dat ze misschien haar zus kwijtraakt. Totdat ze, op een zeer onaangename manier, op het hoofdkantoor van Pure een topfunctie aangeboden krijgt. Dan valt ook bij haar het kwartje, (wat een tikkeltje snel gaat). Ineens komt ze voor zichzelf op en durft de man van haar dromen, (die ietwat uit de lucht komt vallen) te confronteren met haar gevoelens.           

    Ali Smith schreef dit boek als onderdeel van de serie ‘Canongate Myth Series’, een serie novellen uitgegeven door de Schotse uitgever Canongate Books, waarin oude mythen uit verschillende culturen opnieuw worden bedacht en herschreven. Een project dat in 1999 ontstond. Smith koos voor Ovidius’ Metamorfosen, en specifiek voor de mythe van Iphis en Ianthe. Meisje ontmoet jongen is een verhaal in een verhaal en een ode aan de jeugd. Aan hun verlangens, hun verbeelding en hang naar vrijheid om zichzelf te mogen zijn.

     

     

  • Absurd maar niet onmogelijk

    Absurd maar niet onmogelijk

    Rinske Bouwman (1988) is een Utrechtse theatermaker en schrijver. Zij maakte diverse voorstellingen, luistertochten en audiotours. Een soort eelt is haar debuutroman. De Nederlandse Sarlag is grotendeels in Mongolië opgegroeid en keert als studente terug naar Utrecht. Ze neemt letterlijk afstand van haar ouders en het land waarin ze groot is geworden. Ze hoopt alles daar achter te laten. Ze draagt een groot verdriet met zich mee, waarvan de oorzaak pas veel later in de roman duidelijk wordt. ‘Weggaan is moeilijker als er duidelijk iets is om achter te laten.’ Ondertussen doet ze er alles aan om dat verdriet uit de weg te gaan.

    Ze vindt een baantje op de koel-vriesafdeling van een supermarkt, want, vinden ze bij de supermarkt ‘jij bent gewend aan de kou’. Naast haar dagelijkse werkzaamheden brengt ze haar dagen door met het boetseren van half gesmolten diepvriesproducten tot vleesbeeldjes. Ze probeert zichzelf te kalmeren door haar favoriete feiten op te noemen, bijvoorbeeld ‘Iemand die zijn hond uitlaat en dat als de hond poept dat dan de baas wegkijkt en hij alvast klaarstaat met om zijn hand een roze plastic zakje’.

    Ze begint een soort verhouding met Kalle, een collega, maar weet niet hoe ze met hem om moet gaan en hij ook niet met haar. Hij is wel lief, maar ook een beetje vreemd. ‘Hij vroeg of ik zijn vriendinnetje wilde zijn. Ik zei: ”Oké”.’ Gaandeweg wordt duidelijk wat er gebeurd is in het gezin waar ze vandaan komt en wat de reden is dat ze min of meer gevlucht is naar Nederland.

    Verdriet uit Mongolië

    Bouwman neemt ons in mee in het leven op het platteland van Mongolië, het leven in een grote tent (een ger), de jaks waar het gezin zijn inkomsten uit haalt. Ze vertelt over haar lievelingsjak Batraa en wat ze met haar vriendinnetje en haar broertje allemaal met dat beest kan en meemaakt. We maken kennis met haar ouders. Haar vader is brandweerman en redt mensen. Als hobby jaagt hij op wolken om ze te beschieten en zo voor regen te zorgen. Haar moeder houdt thuis de boel gaande, haar broertje Yul is acht jaar jonger. Sarlag zorgt op haar manier voor hem en leert hem van alles. Van haar vader leert ze wijsheden als ‘Je moet weten waar je bent, dan weet je wie je bent’.

    Deze hoofdstukken worden afgewisseld met die over haar leven in Utrecht. Ze beschrijft daarin vooral de verveling op haar werk en alle mogelijke manieren om maar niet aan haar rouw te hoeven denken. Bovendien worstelt ze nog met het feit dat ze haar ouders alleen met hun verdriet heeft achtergelaten. Ze heeft vaak heimwee en toch weer niet en weet niet wat ze wel of niet moet doen en waarom. ‘Ik bedacht dat niet denken aan dat je weggegaan bent veel moeilijker is dan het weggaan zelf.’

    Ondertussen heeft het onverwerkte verdriet zich vastgezet in Sarlags lichaam. Rouw kan zich in je nestelen en voor een onverwachte en onvermoede (en absurde) metamorfose zorgen. Ook daarin neemt Bouwman de lezer mee in deze roman: stukje voor stukje wordt niet alleen duidelijk wat er gebeurd is in Mongolië, maar ook hoe zich dat uit in en door Sarlags lichaam. Er was een ongeluk. Haar vader was erbij betrokken, maar die is helemaal dichtgeklapt en kan en wil er niet over praten. Haar moeder is door haar verdriet onbereikbaar. Op het moment van het ongeluk woont Sarlag voor haar studie in Ulaanbaatar, de hoofdstad van Mongolië. Ze gaat terug naar huis, maar daarna vertrekt ze al snel naar Nederland.

    Jak

    Na een tijdje merkt Sarlag in Utrecht dat er van alles met haar lichaam gebeurt: ze krijgt lange witte haren op haar hele lichaam, haar botten en daarmee haar houding verandert, ze gaat anders eten, kan zich minder gemakkelijk bewegen. Ze zorgt ervoor dat haar lichaam helemaal bedekt is, zodat niemand kan zien wat er gebeurt, ook haar vriend Kalle niet. Uiteindelijk stormt ze als jak het conservengangpad van de supermarkt door en eindigt ze in de diepvriesruimte. Haar hart bevriest. ‘Met mijn bevroren hart sta ik voor de gesloten Dirk. In de grote glazen winkelpui kan ik voor het eerst mijn hele weerspiegeling zien, ik ben het echt.’

    Een soort eelt is een roman over rouw en de verwerking daarvan, of eigenlijk de niet-verwerking. Bouwman is erg overtuigend in haar beschrijvingen van al het verdriet en op indrukwekkende wijze beschrijft ze een macabere gebeurtenis. Maar daarnaast is ze heel licht en luchtig in haar zinnen: niets is raar, niets is zwaar. Dat komt door haar humoristische taalgebruik, de onverwachte beelden, de beschrijving van haar transformatie tot jak. Natuurlijk absurd, maar door de wijze van vertellen zeker niet ondenkbaar of onmogelijk.

    Wat overblijft na het lezen van deze roman is vooral hoop. Hoop op een beter leven, hoop op een leven zonder rouw, hoop op een leven zoals haar beste vriendje uit haar jeugd, haar lievelingsjak. Haar ideale wereld is grazen tussen de andere jaks in het weiland: ‘Ik wil alleen zijn, maar het liefst wel met anderen om me heen.’ Dat ze dan als jak te zijner tijd geslacht en opgegeten wordt, aanvaardt ze als iets wat erbij hoort. Een mateloos intrigerende roman.

     

     

  • Verslag van een kleurrijk leven

    Verslag van een kleurrijk leven

    Van haar vader leert de kleine Bep uit Waar kleur is, is leven al op zesjarige leeftijd dat met de drie primaire kleuren rood, blauw en geel alle kleuren te maken zijn die je wilt. Tineke Hendriks heeft in deze roman over leven en werk van kunstenares Bep Rietveld kleur gegeven aan ‘de dochter van’ en haar daarmee een podium gegeven dat ze meer dan verdient. Hendriks volgt de feiten van Bep Rietvelds turbulente leven nauwgezet tegen de achtergrond van de twintigste-eeuwse politieke en culturele context met wereldoorlogen en modernistische vernieuwingen.

    Bep Rietveld is geboren in 1913. In de gefictionaliseerde beschrijving van haar leven tekent ze van jongs af graag en veel. Als klein meisje mag ze af en toe haar vader ‘helpen’, droomt ze ervan net zo’n ‘tovenaar’ als hij te worden en maakt ze zelf tekeningen in kantlijnen en op achterkanten van enveloppen. Op de lagere school blijkt de invloed van nieuwe kunstenaars als Bart van der Lek als Bep tot afschuw van haar juf poppetjes tekent met rechthoekige ogen en ‘haren (…) als vakjes’. Eenmaal op de middelbare school heeft de eigenzinnige scholiere nog maar één interesse: ‘tekenen en dénken aan tekenen’. Dat is wat haar verlost van ‘het afstompende schoolbestaan’. De schoolse tekenles kan haar gestolen worden, zij oefent zich in het natekenen van foto’s van filmsterren uit tijdschriften en in het bestuderen van gezichten, waarmee ze de kiem legt voor haar latere portrettenoeuvre. En als ze na de derde klas de school wil verlaten flapt ze er tot haar eigen verbazing uit: ik ga schilderen, ‘portretten en zo’. Ze realiseert zich dan dat deze beslissing ‘richting geeft aan haar onvrede’. Bij de gratie Gods mag ze van haar vader lessen gaan volgen bij Charley Toorop.

    Opvallende keuzes

    Deze roman is alleen al belangrijk doordat hij een krachtige en belangwekkende 20e-eeuwse kunstenares een podium geeft. Als het aan vader Gerrit Rietveld had gelegen, was dat niet gebeurd. Hij vindt dat schilderen zijn tijd heeft gehad: ‘Na Mondriaan is de schilderkunst overbodig geworden.’ Bovendien ziet hij niet dat zijn dochter talent heeft. Charley Toorop neemt Bep en haar werk wel serieus. ‘Er zullen altijd talenten opstaan die nieuwe dingen maken, (…) die iets toevoegen aan wat er al is’ zegt zij in reactie op de afwijzing van Beps beroemde vader. De jonge Bep leert veel van Charley, niet alleen wat betreft het schilderen. Ze ziet ook dat Toorop een zelfbewuste kunstenares is die boven alles voor haar werk kiest.

    De keuzes van Bep Rietveld maken dat de roman van het begin tot het eind blijft boeien. In het gezin waarin ze opgroeit voert ze een ingewikkelde strijd met haar vader met name vanwege zijn ontrouw. Ook zelf leidt ze een veelbewogen leven. Ze laat zich op jonge leeftijd inpalmen door de aandacht van de veel oudere pianist Guus Seyler, eerder minnaar van Charley Toorop, en raakt zwanger van hem. Ze besluit vol overtuiging en eigenzinnig dat eerste kindje te houden en moet dus trouwen. Niet lang daarna volgt de scheiding van Guus, haar strijd met hem om de voogdij, de beslissing naar Nederlands-Indië te gaan voor Dennis Coolwijk, die haar op afstand ten huwelijk vraagt, en een volgende scheiding.

    Wennen in Nederlands-Indië betekent voor Bep ook dat ze eerst niet aan het schilderen raakt. Ze mist ‘de nuances en kleuren van het diffuse Hollandse licht’. Als ze korte tijd later vat krijgt op het tropische licht, haar penselen weer oppakt en langzaam maar zeker tevredener wordt over haar schilderresultaten ‘[weet] ze weer wie ze [is]: Schilder én moeder’ – anders dan haar leermeesteres Toorop dus, voor wie de kinderen vaak hinderen waren. Inmiddels is het 1945. In Nederlands-Indië is Dennis opgepakt en niet lang daarna worden ook Bep en haar (dan) drie kinderen geïnterneerd en in steeds erbarmelijker omstandigheden ondergebracht. In het kamp houdt het schilderen en tekenen van portretten van met name kinderen Bep letterlijk en figuurlijk overeind. Haar werk is ruilmateriaal voor eten en het schilderen is voor haar een manier om zich af te sluiten voor de ellende en zo mentaal overeind te blijven.

    Tijdsbeeld

    Het kampleven is een van de vele actuele gebeurtenissen die een rol spelen in de roman. Het boek beslaat bijna de hele twintigste eeuw en geeft een tijdsbeeld door de ogen van Bep Rietveld. De Olympische Spelen komen naar Amsterdam, ze wordt zich door demonstraties in Amsterdam bewust van ‘mot in Palestina’, bevindt zich midden in de modernistische vernieuwingsbewegingen in de beeldende kunstwereld met onder andere haar vader en Mondriaan en een kleurrijk Dadaoptreden bij Charley Toorop thuis, maakt kennis met koloniaal Nederlands-Indië en ondergaat aan den lijve de verschrikkingen van de Pacifistische Oorlog, zoals de Tweede Wereldoorlog in Azië wel wordt genoemd.

    Tineke Hendriks zegt in haar nawoord dat ze ervoor heeft gekozen Bep Rietveld in een roman ‘tot leven’ te wekken onder andere omdat er ‘nauwelijks persoonlijke bronnen’ zijn overgeleverd en er dus te weinig materiaal is voor het schrijven van een biografie. Helaas is de beschrijving van de binnenwereld van de hoofdpersoon en zijn haar dilemma’s, beslissingen, twijfels, verdriet en kracht soms summier beschreven, waardoor de roman meer naar creatieve of geromantiseerde non-fictie neigt, dan naar fictie die de lezer meesleept en inzicht geeft in diepe zielenroerselen.

    De grote Gerrit Rietveld ziet niet direct dat zijn dochter talent heeft. Hij bevindt zich met die instelling in goed gezelschap. Als we de geschiedschrijving moeten geloven zijn er millennia lang bijzonder weinig getalenteerde vrouwen geweest. De laatste decennia is er meer en meer aandacht gekomen voor tot dan toe vrij onbekende vrouwelijke kunstenaressen zoals Suze Robertson (de ‘vrouwelijke Van Gogh’) en Jeanne Bieruma Oosting, beiden met exposities in 2022. Bep Rietveld is ook zo’n kunstenares. Van haar vader leert ze al jong over namen en herkomst van ‘exotische’ kleuren als sienna, oker en scharlaken, dankzij de lessen van Charley Toorop onderzoekt ze ‘turkoois, magenta, ultramarijn, cadmium’. Ze ontwikkelt zich tot een (portret)schilder die het ‘wezen van de dingen’ kan vangen. Haar werk was in 2020 geëxposeerd in Amersfoort en tot en met 12 mei van dit jaar is er een vervolg op die tentoonstelling in hetzelfde museum Flehite. De roman Waar kleur is, is leven is een waardevolle aanvulling bij de aandacht voor het werk van deze getalenteerde kunstenaar.

     

  • Schrijvend aan haar zuster Virginia

    Schrijvend aan haar zuster Virginia

    Susan Sellers schreef in 2009 de historische roman Vanessa & Virginia, een roman over de zusters Vanessa Bell en Virginia Woolf. Het boek verscheen vorig jaar in Nederland in een vertaling van Lucie van Rooijen. Het is een prachtig geconstrueerde roman waarin Sellers Vanessa na de zelfmoord van haar zuster Virginia een boek laat schrijven aan haar, waardoor de lezer inzicht krijgt in beider levens.  

    Het boek toont vanuit het perspectief van Vanessa hoe belangrijk de zusters voor elkaar zijn geweest, al was het niet altijd pais en vree. Hun relatie doorloopt alle schakeringen van afgunst, troost, mededogen, liefde, haat, trots, verdriet, verlangen en bewondering. Ze geven elkaar warmte en laten elkaar soms in de kou staan. Warmte bijvoorbeeld als Vanessa haar zuster bezoekt in het rusthuis waar ze vanwege overspanning verblijft en ze naast elkaar in bed kruipen: ‘De muren van het rusthuis verdwijnen en we keren terug naar de tijd dat wij tweeën de meisjesslaapkamer deelden. Jij bent mijn geitje, mijn wombat, mijn muis, Ik streel je zijdezachte vacht en voel je neus over mijn wang wrijven.’ Kou bijvoorbeeld als blijkt dat Virginia flirt met Vanessa’s man Clive Bell als Vanessa een kind gebaard heeft. Vanessa is vaak jaloers op haar zus die als kunstenaar meer succes heeft. Maar uiteindelijk kunnen ze niet zonder elkaar, in ieder geval niet voor lange tijd. 

    Ontstaan Bloomsburygroep

    Virginia en Vanessa leefden in een periode van enorme sociale verandering. Ze maakten het einde van het Victoriaanse Tijdperk mee, Eerste Wereldoorlog, de opkomst van de nazi’s en behoorden tot de eerste generatie vrouwen die mochten stemmen. In deze context speelde hun leven zich af. Het boek bestaat uit korte hoofdstukjes: scènes uit een zusterschap. Zusters die samen ontsnappen uit een laat-Victoriaans gezinsreservaat met alle conventies en seksuele geremdheid van dien. Vanessa is de oudste, de minst bekende, de serieuze en meest conventionele, niet intellectuele. Virginia (koosnaam Billy) is de extreme en briljante schrijfster die tot op de dag van vandaag gelezen wordt. Virginia heeft diepe depressies gekend, had een groot gevoel voor humor en deed baanbrekend werk als vrouwelijke auteur. 

    Samen kopen ze, na het overlijden van hun ouders, een huis in Bloomsbury (Londen). Dat huis wordt de pleisterplaats van een groep geleerden en kunstenaars die bekend is gebleven als de Bloomsburygroep. Bekenden in deze groep zijn de econoom John Maynard Keynes, schrijver en criticus Lytton Strachey en de schrijfster Vita Sackville West. Relativerend is hoe Sellers Vanessa in deze roman laat terugkijken op de aankoop van dat huis. Het huis was voor hen betaalbaar en lag ver genoeg af van hun tantes die na het overlijden van hun ouders toezicht op hen wilden houden. Achteraf was het huis een keerpunt in Vanessa’s leven. In de roman zegt ze: ‘Hier kan ik zeggen en doen wat ik wil. Het hele bouwwerk van conventies is met de grond gelijkgemaakt. Ik zal de grenzen van mijn kunst opzoeken.’ De inzet is veelbelovend, maar in de loop van haar leven wordt het Vanessa vaak onmogelijk gemaakt zich volledig aan de schilderkunst te wijden.

    Schilderen versus schrijven

    Schilderen is voor Vanessa even belangrijk als schrijven voor Virginia. Als ze een dag niet geschilderd heeft voelt ze zich ontevreden. Het is echter niet altijd bevredigend, af en toe, zoals alle kunstbeoefening, is het ook een hel. De herinnering aan het samen schrijven en schilderen in hun jeugd geeft haar dan de kracht om door te gaan. De herinnering aan hun jeugd, samen met hun jongere broertje Thoby, is in het boek een vast punt van terugkeer voor Vanessa. 

    Ze ergert zich aan haar man Clive Bell, – van wie ze overigens nooit zal scheiden – een slapjanus die geen zitvlees heeft en op kunstzinnig gebied nergens toe komt terwijl hij zo talentvol is. Na hun eerste kind verliest Clive zijn belangstelling voor Vanessa. Ze geeft het schilderen er een tijdje aan en troost zich met de gedachte dat haar zus Virginia als schrijfster wel succesvol is. Ze beseft dat ze Clive niet mag verstikken als ze hem wil behouden. De schilder en kunstcriticus Roger Fry dingt naar haar liefde en trekt haar bij de afgrond weg als ze een miskraam heeft, maar ze geeft hem niet echt een kans.

    Een eigen huis

    Als ze twee kinderen hebben, onttrekt ze zich wat meer aan haar man Clive en koopt ze Charleston. Een prachtig huis in de provincie waar ze volgens haar eigen ritme gaat leven. Ze beschildert alle vertrekken van het huis. Het bestaat nog steeds en is een bezoek meer dan waard. Het huis werd een nieuw centrum voor de leden van de Bloomsburygroep. Maar een eigen ritme is ook hier moeilijk te vinden voor Vanessa. Ze raakt namelijk hevig verliefd op de schilder Duncan Grant, de geliefde van haar broer Adrian. Duncan voeltt zich aangetrokken tot mannen. Dat misgunt ze hem niet, maar ze is halfdood van verlangen naar hem. De vrijheid die ze hem wil geven gaat ten koste van haar eigen vrijheid en kunstbeoefening.

    Ze is verantwoordelijk voor de opvoeding van Angelica, het meisje dat uit haar verhouding met Duncan wordt geboren. Ze wil Duncan niet al te veel op zijn verantwoordelijkheden wijzen: ‘Ik ben bang dat als Duncan het gevoel krijgt dat er iets van hem wordt verwacht als vader, hij helemaal niet meer komt.’ De angst om hem te verliezen, maakt haar tot een sloof. Ze is niet in staat om de conventionaliteit van haar jeugd volledig overboord te gooien. Virginia troost haar dan vaak en roept haar op zich niet in te graven in haar rol als moeder.

    Kloof tussen kunst en biografie 

    Vanessa wordt door Sellers in deze roman beschreven als een vrouw die in staat is om tegenslag en pijn zo te verwoorden dat het navoelbaar is voor de lezer. In deze roman spreekt ze alles uit: haar angst om alleen te komen staan, om afgewezen te worden. Ze is bang als schilderes niets voor te stellen. Vanessa’s angsten zijn in dit boek invoelbaar door de prachtige schrijfstijl die Susan Sellers imiteert van Virginia Woolf. Alsof Sellers daarmee wil laten zien hoezeer Vanessa zich inleefde in haar zuster, na haar zelfmoord.

    Sellers is de editor van het werk van Virginia Woolf bij Cambridge University Press. In deze roman geeft zij aan Vanessa de aandacht die zij verdient. Deze historisch roman is een poging de kloof tussen kunst en biografie te overbruggen. Sellers zegt: ‘As a novelist I want to do justice to the real-life figures I am writing about, but I am also telling a story, with all that this implies in terms of world and character building, drama, a sense of puzzles solved or mysteries unravelled.’ Een biografie geeft haar niet de mogelijkheden die een roman haar wel geeft, namelijk vragen niet alleen te stellen, maar ook te beantwoorden door te speculeren en in te vullen. Daardoor kan zij lijn aanbrengen in het leven van beide zusters. Hiermee wil ze laten zien dat de relaties tussen kinderen onderling vaak belangrijker is dan die van ouders met hun kinderen. Waarmee zij haar twijfel over de psychologie van Freud kenbaar maakt.

    Vanessa beweert in de roman een paar keer dat haar zuster veel mooier schrijft dan zij. Maar Sellers laat Vanessa na Virginia’s dood de schrijfstijl van haar zuster gebruiken. Het is haar manier om verbinding te zoeken, waardoor ze definitief afscheid van haar kan nemen.



  • Oogst week 7 -2024

    De wachters

    In reactionaire tijden delven intelligentsia als eerst het onderspit. Sinds 1989 rust er een fatwa op Salman Rushdie, die een aanslag in 2022 ternauwernood overleeft. Anderen vergaat het slechter: Tahar Djaout (1954) wordt vóór zijn veertigste levensjaar geliquideerd door Algerijnse extremisten. Deze schrijver – tevens dichter, journalist en wiskundige – had immers het lef seculiere zinnetjes in zijn oeuvre te stoppen. Schrijver en werk hoeven niet per se dezelfde ideeën te uiten, maar bij fanaten van de Schrift vindt die stelregel geen weerklank. Djaout moest dood.

    Eén van zijn boeken die tegen fundamentalisme ingaan, luidt De wachters (Les vigiles, uit 1991). Centraal staat de geharde, verzuurde veteraan Menouar Ziada. Deze lepe opportunist scant zijn omgeving als een woestijnvalk. Ook de goedaardige uitvinder Mahfoudh Lemdjad verliest hij geen moment uit het oog. Druk bezig met bureaucratische klusjes, formulieren en patenten vormt Lemdjad een levensgevaarlijke dreiging voor Ziada en andere oud-veteranen. Althans, dat geloven zij. En die overtuiging doet rare dingen met hen. Tahar Djaout zou het later zelf ervaren.

    De wachters
    Auteur: Tahar Djaout
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Het boek van de zwaan

    Zwanen inspireren niet alleen Tsjaikovski en Aronofsky tot kunst. Alexis Wright schrijft in 2013 The Swan Book, dat tien jaar later in Nederland verschijnt onder de titel Het boek van de zwaan. In Australië geniet Wright grote vermaardheid: haar fictie en non-fictie winnen vele prijzen. Haar literaire bijdrages aan het erfgoed van de Aboriginalcultuur (waar zij zelf een afstammeling van is) leveren zelfs de Lifetime Achievement of Literature op. In Het boek van de zwaan volgen we het meisje Oblivia. Zij leeft in een dystopisch Australië dat ten onder dreigt te gaan aan klimaatverandering.

    Klimaatfictie is actueel. Klimaatfictie vanuit het perspectief van tweedegraads onderdrukten, zoals vrouwelijke Aboriginals, is nog actueler. Achtergestelde bevolkingsgroepen wereldwijd ondervinden immers al decennia de fatale gevolgen van global warming. Wright combineert traditionele verhaalelementen met magisch-realisme, orale verteltraditie en passages over zwarte zwanen, aan Oblivia verteld door de Europese vluchteling Bella Donna. Deze zwanen inspireren de getraumatiseerde Oblivia tot een vlucht die ze nooit voor mogelijk hield. En dat is nodig ook, na een brute ontvoering.

    Het boek van de zwaan
    Auteur: Alexis Wright
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando

    Moet het zo

    Tegenwoordig lijkt ieder onderwerp een podcast te verdienen in plaats van andersom. Voor een goede poëziepodcast kun je gelukkig terecht bij dichter, vertaler en performer Daan Doesborgh (1988). Sterker nog: hij maakte er al vijf! Vijf jaar lang was hij bovendien stadsdichter van Venlo (2006 – 2011). Daarnaast trad hij op bij diverse festivals en werden zijn gedichten door onder meer NRC en Het Parool geprezen. Ilja Leonard Pfeijffer en Gerrit Komrij reserveren zelfs plek voor Doesborghs gedichten in hun bloemlezingen van de 21ste-eeuwse poëzie. Moet het zo is de recentste bundel van de Tirade-redacteur.

    De titel Moet het zo klinkt als een spagaat tussen experimentele en traditionele dichtkunst. Hoe zelfverzekerd Doesborghs verzen ook lijken, zijn twijfel is nooit ver weg. Zowel thematisch als stilistisch wisselt de dichter dan ook regelmatig van benadering. Nu eens ouderwets, strak en klassiek, dan weer avant-gardistisch, vrij en associatief. Bovendien blijkt Doesborgh verfrissend geëngageerd: gedichten mogen heus wel ergens over gaan. Een dichter hoeft niet alleen maar ijdel doch wereldvreemd te navelstaren. Moet het zo gechargeerd? Geen idee. We mogen het eind februari ontdekken!

    Moet het zo
    Auteur: Daan Doesborgh
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot
  • Verrassend moderne verhalen die de honderd zijn gepasseerd

    Verrassend moderne verhalen die de honderd zijn gepasseerd

    De verhalen van de Nieuw-Zeelandse schrijfster Katherine Mansfield (1988-1923) zijn nagenoeg tijdloos. Toegegeven, af en toe duikt er een feestelijk bal, een bediende of een stoomtrein in op. Vergeleken met haar tijdgenoot James Joyce en zijn verhalenbundel Dubliners, die sterk de stempel van tijd en plaats dragen, wijken deze aspecten in Het tuinfeest en andere verhalen voor de uitbeelding van relaties en het innerlijke leven van de personages. Dit zorgt ervoor dat deze verhalen, honderd jaar na publicatie, nog steeds als relevant aanvoelen.

    In de korte verhalenbundel van Hanna Bervoets, Een modern verlangen die precies honderd jaar later werd gepubliceerd, gebruikt Bervoets een vergelijkbare strategie van focus op het emotionele leven en aangegane relaties. In tegenstelling tot Mansfield is bij Bervoets de setting van veel verhalen honderd jaar in de toekomst geplaatst, bijvoorbeeld in de futuristische setting van een ruimteschip. Het resultaat is echter hetzelfde: de ware aard van menselijke relaties wordt onthuld in zijn universaliteit. De relaties en het gevoelsleven van haar personages worden door Mansfield indirect beschreven. De meeste verhalen worden verteld vanuit een positie buiten het verhaal en scherp gesteld via de personages.

    Gebruik van indirecte rede

    Dit scherp stellen, gecombineerd met een slim gebruik van de vrije, indirecte rede, verschuift echter zo onopvallend dat bij sommige zinnen niet met zekerheid gezegd kan worden wiens perspectief ze weergeven. Bijvoorbeeld in het verhaal ‘Het tuinfeest’ wordt het gevoel van een van de dochters van de burgerlijke familie Sheridan, Jose, als een dekkende laag over de gevoelens van de bedienden gelegd. ‘Jose vond het heerlijk opdrachten aan het personeel te geven en zij vonden het heerlijk haar te gehoorzamen. Ze gaf hun altijd het gevoel dat ze deelnamen aan een drama.’ Maar wie zegt dat het personeel het heerlijk vond om haar te gehoorzamen. Is dat Jose? Het personeel zelf? Beweert Mansfield dit? Op subtiele wijze besteedt de schrijfster hier aandacht aan de klassenverschillen en hoe die doorwerken op het gebied van emoties. De gevoelens van het personeel vallen hier niet te achterhalen, ze worden overweldigd door de opgewonden Jose of kunstgrepen toepassende Mansfield.

    De verhalen ‘De kamenier’, of ‘Het leven van Ma Parker’, worden beschreven vanuit personages uit een sociaal lagere klasse. Zoals de lijfmeid van een groep oudere welgestelde dames, of in het verhaal van Ma Parker, een schoonmaakster bij een intellectueel. Over de schoonmaakster is algemeen bekend dat ze een ‘hard leven’ heeft gehad. Hoe hard en hoe ver haar hardheid reikt op emotioneel gebied, wordt duidelijk na de begrafenis van haar enige geliefde kleinzoon. Zij wordt overmand door rouwgevoelens en staat het zichzelf toe om een keer in haar leven te huilen. Zij bevindt zich echter in het huis waarin ze schoonmaakt en kan niet naar haar jongste dochter die bij haar thuis zit. ‘O was er dan nergens een plekje waar ze zich kon verstoppen en alleen kon zijn en zo lang kon blijven als ze wilde, zonder iemand te storen en zonder dat iemand haar lastigviel?’ Het verlangen om haar emoties te uiten wordt weergegeven in aandoenlijk simpele bewoordingen. Het is het meest aangrijpende en trieste verhaal van de bundel dat eindigt met de woorden: ‘En er was nergens een plekje.’

    Randfiguren en wanhopige mensen

    Veel verhalen gaan over randfiguren, eenzame, oude, of wanhopige mensen. ‘De zeereis’ gaat over Fenella, wiens moeder is gestorven. Zij onderneemt een boottocht met haar oma omdat ze bij haar gaat wonen. Mansfield laat op een bewonderenswaardige manier zien hoe eenzaam Fenella is in het midden van de drukte op een passagiersboot. Hetzelfde gebeurt in ‘De vreemdeling’ bij meneer Hammond – in de menigte op de kaai, wachtend op zijn vrouw die terugkomt van een zeereis voelt hij zich minder eenzaam en op afstand dan toen hij met haar eindelijk alleen is in de hotelkamer, en zij op zijn schoot zit. Juffrouw Brill voelt zich in het gelijknamige verhaal een actrice die samen met alle andere mensen in de Jardines Publiques een toneelstuk opvoert, opgenomen in het interessante, beweeglijke, schitterende leven, totdat de gefluisterde woorden van een jongeman haar duidelijk maken dat ze er volgens hem niet bij hoort. De pijn van buitensluiting die deze woorden bij Juffrouw Brill veroorzaken wordt door Mansfield opnieuw indirect weergegeven: ‘Maar toen ze de deksel erop deed, meende ze iets te horen huilen.’. 

    Sommige kunstgrepen die Mansfield toepast om haar personages weer te geven hebben een lange geschiedenis. De schetsen van het menselijke emotionele leven zijn echter op zich al de moeite waard, afgezien van de uiterst subtiele en kunstzinnige manier waarmee ze de ware materie van deze verhalen presenteert. Dankzij haar verfijnde vertelkunst kom je tijdens het lezen dichter bij de kern van het menselijke leven en bent getuige van zijn innerlijke geheimen.

     

     

  • Ode aan een daadkrachtige vrouw

    Ode aan een daadkrachtige vrouw

    In 1967 ontving de Franse verzetsstrijder en neurofysioloog Annette Beaumanoir (1923-2022) de Yad Vashem voor het redden van twee Joodse tieners tijdens de Tweede Wereldoorlog. Later streed ze mee tegen de Franse bezetting van Algerije. Met Annette, een heldinnenepos schreef de Duits-Franse Anne Weber een ode aan haar boeiende bestaan. 

    Het verhaal begint in het heden. Annette ‘is heel oud, en (…) / tegelijk nog ongeboren.’ Want, zo stelt Weber als een ware poëet, Annette zal opnieuw ter wereld komen ‘op dit witte blad.’ Ze gaat terug naar het prille begin van een leven waar verzet als een rode draad doorheen loopt. Annette is van eenvoudige komaf. Ze wordt geboren in een vissershuisje aan het einde van een doodlopend straatje waar ze opgroeit bij liefdevolle, sociaal bewogen ouders en grootmoeder van moederskant. Na een moeilijke start van hun relatie – met een huwelijk beneden zijn stand heeft haar vader alles op moeten geven  – bezorgen haar ouders Annette een gelukkige en stabiele jeugd.

    Dromen van heldendaden

    Annette is zeventien wanneer de Duitsers Frankrijk bezetten. Door een toevallige ontmoeting en kort daarop door haar lidmaatschap van de Franse communistische partij, raakt ze betrokken bij het verzet. Ze studeert medicijnen maar droomt van een ‘lotsbestemming, van offers en heldendaden’ en kan niet wachten om in actie te komen. ‘Kan volwassen-worden misschien ook een tandje / sneller? Hoelang blijft alles nog zo saai en / naar haar smaak veel te dadeloos / doorgaan?’ Op een lentedag in Parijs gaat haar wens in vervulling. Als in een scène uit een film wacht haar mentor, zogenaamd krant lezend, haar op buiten een kiosk. Hij heet Roland. In hem ontmoet Annette haar tegendraadse, non-conformistische evenknie; tegen de strikte regels van de partij in krijgen de twee een relatie. 

    Naast onderlinge relaties is eigen initiatief ook ten strengste verboden, iets wat Annette ook in de wind slaat. In een spontane, risicovolle actie redt ze twee Joodse tieners, broer en zus. In zwierige zinnen sleept Weber de lezer mee in het relaas van ‘drie zwijgende schimmen’ die met bonzend hart op zoek gaan naar veiligheid. Hoewel geslaagd, wordt haar actie niet geaccepteerd; Annette en Roland worden uit de partij gezet, waarna een tragedie op de loer ligt.

    Na de oorlog krijgt Annette kinderen en werkt ze als arts. Haar leven loopt op rolletjes maar voor Annette is een rustig, voortkabbelend bestaan dodelijk. Een vakantie naar Algerije brengt verandering. In de ogen van de bevolking ziet ze haat voor de Franse bezetter. Ze keert huiswaarts met de overtuiging dat ‘Frankrijk binnenkort nog een kolonie / armer zal worden.’ Haar hele leven wordt Annette voortgedreven door een allesoverheersend gevoel van rechtvaardigheid en een hang naar spanning. Dus wanneer ze kans ziet weer in verzet te komen, ditmaal tegen haar vaderland, zegt ze geen nee. Ook al betekent het dat ze voorlopig haar twee kinderen niet zal zien. 

    In nevelen gehulde toekomst

    Weber voerde gesprekken met Annette Beaumanoir en las haar memoires. Bewondering voor haar onderwerp steekt ze niet onder stoelen of banken, toch schuwt ze Annette’s zwakheden niet. Vaak blijkt Annette een naïeve en impulsieve heldin die zich schuldig maakt aan zwart-wit denken. De voor vrijheid vechtende Algerijnen zijn goed; de onderdrukkende, bezettende Fransen zijn slecht. Dat het Algerijnse FLN (Front de libération nationale) zich net zo goed als de Fransen schuldig maakt aan foltering en onderdrukking, komt niet in haar op. Evenmin dat sommigen de Algerijnse zaak financieren vanuit duistere motieven. Maar, zo houdt Weber de lezer terecht voor, achteraf is het makkelijk praten. Vanuit het verleden is de toekomst immers in nevelen gehuld. Soms roept ze vanuit het heden de jonge Annette waarschuwend toe.  ‘Het FLN wil / onafhankelijkheid én het socialisme en islam, / maar dat laatste is in het begin nog niet iedereen / duidelijk. Waarom doe je daaraan mee, Annette, / waarom zet je je leven voor deze mensen op het spel? (…) Annette! Het doel / is slechts een mooi groot hersenspinsel en het heiligt / zeker niet de middelen.’ Met een spreekwoordelijke engel op haar schouder is het ook makkelijk voor Annette om onbevangen te blijven. Altijd blijft ze ongedeerd, observeert haar chroniqueur haast ongelovig, altijd ontspringt ze de dans, is ze net de hoek om als de bom ontploft. 

    Verheffende vorm

    Strak en geraffineerd houdt Weber het verhaal in de hand. Af en toe legt ze het verhaal stil om de lezer te wijzen op het schrijfproces: ‘Maar ho, niet zo snel, anders breekt de spanningsboog.’ Soms neemt ze een zijpaadje, waarvoor ze zich dan weer excuseert. Op gedurfde en bijzondere wijze heeft ze haar heldin vereeuwigd in dit epos, wat haar de Deutsche Buchpreis opleverde. Een epos is een genre dat we vooral kennen uit de oudheid. Odysseus wordt dan ook meerdere malen aangehaald wanneer Weber verhaalt over de uitputtingsslag van Annettes zwerftochten door Frankrijk tijdens de oorlog. Al is de vorm verheffend, de taal die Weber hanteert houdt de lezer stevig verankerd in het alledaagse. Zo krijgt Annette na een donkere periode weer ‘feeling met het leven,’ is iets wel of niet ‘oké’, en kent een huwelijk ‘ups en downs.’ Dit wordt afgewisseld met poëtische taal die mooie beelden oproept, zoals dit over de landing van de geallieerde troepen op het strand van Normandië: ‘Aan parachutes / dalen, stil en zacht als in een droom, duizenden soldaten / op de kuststrook neer, een sprinkhanenzegen, waarop / de meeste hier met smart hebben gewacht.’ Historisch, biografisch, literair: met Annette, een heldinnenepos heeft Anne Weber zowel qua vorm als inhoud een rijke tekst geschreven, die recht doet aan het boeiende leven en wandel van haar onderwerp. Een tekst waaruit bij herlezing ongetwijfeld nog heel veel verborgen pareltjes opduiken. 

     

     

  • Een vrouw aan wie niets werd gevraagd

    Een vrouw aan wie niets werd gevraagd

    Een gelaten leven is een familieroman die goed past in de traditie van Engelse literaire familiegeschiedenissen zoals De Jaren (1937) van Virginia Woolf of De Forsyte Sage (1922) van John Galsworthy. Maar ook romans van Louis Couperus als De boeken der kleine zielen (1901) of Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… (1906) spelen in op dit genre van melancholieke zelfbespiegeling.

    Een gelaten leven, in het Engels All passion spent, is de toepasselijke titel van de roman die Vita Sackville-West in 1931 schreef. De achtentachtigjarige Lady Slane is net weduwe geworden na een lang huwelijk met Henry Holland. De kist is nog niet onder de grond, maar haar zes kinderen, ook allemaal oud, bespreken het lot al van hun arme, wereldvreemde moeder. Hun vader was onderkoning van India in de 19e eeuw, diplomaat, prime minister en ambassadeur in vele landen. Lady Slane trouwde met hem omdat hij verliefd was op haar. Zij niet op hem, dacht ze. Ze had geen idee in welk leven ze zich begaf. Ze wilde liever kunstenares worden. Maar zij had hem te volgen, haar werd niets gevraagd en ze kreeg zes kinderen. Met de oudste vier had ze hoegenaamd niets. Die aardden eerder naar hun vader en werden sociale hypocrieten die met moeder in hun maag zitten nu vader dood is. De jongste twee, Kay en Edith, zijn milder, eigenzinniger, meer zoals hun moeder en accepteren haar zoals ze is. 

    Kinderen en kleinkinderen niet welkom

    ‘Een heel indrukwekkende familiebijeenkomst – een stel oude, zwarte raven, dacht Edith, de jongste, die altijd geïrriteerd was en altijd probeerde de dingen in de vorm van een frase te gieten, net alsof ze water in een kan schonk, maar altijd klotste er grote gutsen betekenis en bijgedachten over de rand, stroomden alle kanten op en gingen verloren.’

    Wanneer Lady Slane voor de tijd die haar nog rest geheel onverwacht haar recht in eigen hand neemt en alleen nog maar wenst te doen waar ze zelf zin in heeft, zijn haar kinderen geschokt. Ze huurt een huisje in Hampstead Heath, toen nog een dorpje aan de hei net buiten Londen, waar ze met Genoux, haar twee jaar jongere Franse kamenierster, gaat wonen. Genoux, die nog altijd Frans spreekt, kwam als jong meisje bij haar in dienst en verzorgt en bewaakt Milady, als een kind. 

    Lady Slane weigert haar kinderen en kleinkinderen te ontvangen, maar krijgt wel regelmatig bezoek van drie oude, zonderlinge heren: de eigenaar van het huis, Bucktrout, die alleen aan haar wilde verhuren; de klusjesman Gosheron, en de vrekkige maar steenrijke kunstverzamelaar Mr. FitzGeorge. Hij is ook bevriend met haar jongste zoon Kay en beweert Lady Slane vroeger in India ontmoet te hebben. Mr. FitzGeorge deelt herinneringen met haar die ze allang vergeten was. Herinneringen die als verbleekte foto’s terug op haar netvlies verschijnen en een beeld van zichzelf geven als jonge vrouw met verlangens en haar eigen gedachten.

    Inzichten

    Onder de perzik in haar tuintje mijmert Lady Slane over haar voorbij gegane leven en accepteert haar lot gelaten. Ze heeft geen spijtgevoelens over haar keuzes, die vooral door anderen voor haar werden gemaakt. Toch, als ze het zelf voor het zeggen had gehad, zou ze zich een ander leven hebben gewenst. Nu ze eindelijk de rust heeft om na te denken komt ze tot inzichten over haar kinderen, die meer in de rigide voetsporen van hun vader zijn getreden. Over haar beschermde en verwende leven, ze heeft nooit iets zelf hoeven te doen. En ze heeft een uitgebreide mening over het huwelijk waarin ze zelf verstrikt raakte. Ze hield van Henry, maar mist hem niet, evenmin mist ze het sociale leven van grandeur en buitenkant. 

    ‘O, wat een drukte, dacht ze, maken vrouwen toch over het huwelijk! Maar wie kan ze dat ook kwalijk nemen, was haar volgende gedachte, als je bedenkt dat het huwelijk – en de gevolgen ervan – het enige in hun leven is waarover vrouwen drukte kunnen maken? En ook als die opwinding een ander gold, was het een heerlijk verzetje. Zijn ze tenslotte niet enkel en alleen voor deze functie gevormd, gekleed, uitgedost, opgeleid – als je bij een dergelijke eenzijdige aangelegenheid ten minste van een opleiding mag spreken – beschermd, overal onkundig van gehouden, met toespelingen omgeven, apart gehouden, onderdrukt: alles met het doel dat zij op een gegeven ogenblik kunnen worden afgeleverd, of dat zij hun dochters afleveren, aan een Man die zij dan voortaan moeten Dienen?’

    De bezoekjes van de zonderlinge maar openhartige ‘oude mannetjes’ vermaken haar, zonder dat ze zich realiseert dat ze heimelijk verliefd op haar zijn. Voor het eerst heeft ze gesprekken en bespiegelingen met mensen die haar interesseren. Mensen die anders zijn, door gewoon zichzelf te zijn. Naast dat dit ontroerend is, is het ook luchtig en amusant. Ze realiseert zich dat ze nooit echt interesse heeft getoond in Genoux die haar zo trouw verzorgt en ze vindt zichzelf egoïstisch. Zo zijn er heel veel inzichten die Lady Slane aan het einde van haar leven heeft verworven en haar de gelaten wijsheid geven van een oude vrouw. Vita Sackville-West was zelf achter in de dertig toen ze dit boek schreef en heeft zich goed ingeleefd in iemand van vijftig jaar ouder.

    Werk als schrijver had voorrang

    Sackville-West is bekend van de bijzondere tuinen rondom Sissinghurst Castle in het Zuid-Engelse Kent, nu eigendom van The National Trust en nog altijd open voor publiek. Zij was getrouwd met de diplomaat Harold Nicholson en heeft samen met hem veel gereisd. Het boeiende huwelijk, waarin beide echtelieden (homoseksuele) relaties hadden, wordt heel goed beschreven door hun zoon, Nigel Nicholson in de biografie uit 1973, Portrait of a Marriage.

    In tegenstelling tot Lady Slane heeft Vita zich nooit onderworpen aan haar man en het huwelijk. ‘Door haar huwelijk wordt Lady Slane ‘een aanhangsel’ van haar man en schikt zich altijd naar zijn wensen, een manier van leven die Vita Sackville-West in haar eigen huwelijk afwees. In tegenstelling tot haar romanheldin hield Vita haar eigen achternaam, en hoewel ook zij getrouwd was met een diplomaat, Harold Nicholson, gaf ze haar werk als schrijver altijd voorrang.’ Aldus Joanna Lumley in het nawoord dat verder niet zoveel toevoegt.

    Een gelaten leven is bijna een eeuw geleden geschreven en verrassend actueel. Vita Sackville-West was haar tijd ver vooruit en naast de boeiende bespiegelingen is het verhaal ook ontroerend en amusant. 

     

     

  • Oogst week 22 -2022

    Moeder wist niet beter

    Journalist en schrijver Paul Teunissen is geïnteresseerd in mensen. Dat blijkt uit zijn onderwerpkeuze voor zijn artikelen die hij schreef voor o.a. Het Parool en Vrij Nederland. Het zijn allemaal betrokken artikelen die ingaan op het verdriet, de worsteling en het leven van individuen. Verhalen over o.a. een thuisloos meisje, over ouders van omgekomen kinderen, zijn ouder wordende vader (ook verfilmd) en over het jongenmeisje Juul.

    Ook zijn eerder verschenen boeken gaan over echte mensen. In In de beste kringen kruipt hij in de huid van mensen die hun dierbaren zien lijden aan ziektes als dementie, depressie, schizofrenie en borderline. En in Extreme overlast schetst hij ‘Portretten van op drift geraakte levens’.

    Zijn derde boek, de onlangs verschenen roman Moeder wist niet beter wijkt echter af omdat het autobiografisch is. Het is een boek over rouw en berouw, over jezelf verliezen en uiteindelijk hervinden, over hoe de liefde ook na de dood blijft voortbestaan.

    Moeder wist niet beter is het verslag van een zoon die niet met de teloorgang van zijn eens liefdevolle moeder kan omgaan. Hij besluit haar een laatste brief te schrijven en verbreekt vervolgens het contact. Kort daarna overlijdt zijn moeder en verliest de rouwende zoon de grip op zijn bestaan. Twintig jaar later schrijft hij haar opnieuw, in een ultieme poging te doorgronden waarom hun ooit intens verbonden levens zo wreed uiteenvielen.

     

    Moeder wist niet beter
    Auteur: Paul Teunissen
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium

    School voor zotten

    In hetzelfde jaar dat de Russische schrijver Sasja Sokolov, in 1975, de Sovjet Unie voorgoed mocht verlaten werd zijn manuscript van School voor zotten de Sovjet-Unie uit gesmokkeld en in het westen gepubliceerd.
    Sokolov werd in 1943 in Canada geboren, als zoon van een hooggeplaatste diplomaat maar groeide sinds 1946 op in de Sovjet-Unie.

    School voor zotten gaat over een jonge bewoner van een inrichting voor geestelijk gehandicapten. De jongen probeert in het reine te komen met de dood van zijn dierbare mentor en met zijn onbeantwoorde liefde voor zijn lerares. Zijn herinneringen aan jeugdzomers vallen samen met het heden, de doden zijn nog in leven en de geliefde is alom aanwezig.

    School voor zotten laat zich eveneens lezen als een metafoor voor het leven in de toenmalige Sovjet-Unie. Maar ook voor het leven in het huidige Poetin-Rusland waar nog steeds outsiders en dissidenten in psychiatrische inrichtingen of kampen worden opgesloten.

    Het boek werd vertaald door Gerard Cruys. Maxim Osipov, auteur van De wereld is niet stuk te krijgen schreef een nawoord.

     

    School voor zotten
    Auteur: Sasja Sokolov
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Het gele behang

    Vorige week werd Moederland in deze rubriek genoemd, een van de ‘vergeten literaire werken’ die uitgeverij Karakters terug onder de aandacht van het lezend publiek wil brengen.
    De schrijfster daarvan, de sociologe Charlotte Perkins Gilman (1860-1935) wordt wereldwijd beschouwd als een (weliswaar niet onomstreden) belangrijke feministische schrijfster. Haar opvattingen en ideeën verwerkte ze in haar romans en verhalen, en Moederland en Het gele behang zijn daarvan de meest bekende.

    Bij uitgeverij Orlando is onlangs Het gele behang verschenen. Het titelverhaal is gebaseerd op de eigen worsteling van de auteur met een postnatale depressie. In het verhaal raakt een jonge moeder in de ban van het gele behangpatroon op haar kamer, waarin ze een verplichte rustkuur ondergaat, en verliest langzaam haar verstand. De publicatie van ‘Het gele behang’ in 1892 veroorzaakte indertijd grote opschudding in de literaire en medische wereld.
    De andere verhalen in de bundel gaan over de traditionele plaats van de vrouw in de maatschappij. Voor Perkins Gilman stond vast dat niet alleen vrouwen maar ook mannen en kinderen zouden profiteren van het doorbreken van de vaste rolpatronen. Leidraad in al haar verhalen is de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw.

    De verhalen voor deze bundel zijn geselecteerd, vertaald en van een nawoord voorzien door Tjadine Stheeman.

    Het gele behang
    Auteur: Charlotte Perkins Gilman
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando