• Verloren in virtuele escapades

    Verloren in virtuele escapades

    Heb jij er altijd al van gedroomd hoe het zou zijn om Vladimir Lenin te spreken? Misschien zou je wel een koffietje willen drinken met de Griekse dichter Sappho of wellicht vind je het interessanter om met Marilyn Monroe tussen de coulissen te praten over haar favoriete show. In de VR-wereld van het Elysium-portaal in De lokroep van Elysium van Ilmar Taska kan het allemaal. Dankzij de nieuwste AI-ontwikkelingen, die steeds beter op de behoefte van de gebruiker inspelen, is het mogelijk om overleden artiesten of historische figuren digitaal tot leven te wekken. Voor slechts een klein bedrag kun je deelnemen aan dit spectaculaire avontuur waardoor je voor heel even uit de dystopische realiteit van het alledaagse kunt ontsnappen.

    Ilmar Taska (1953) is een Estse schrijver en filmmaker. Hij is onder andere bekend als co-schrijver en producer van de film Back in the USSR (1992). Zijn boek Pobeda 1946 was een groot succes in Estland en is net als zijn nieuwste boek De lokroep van Elysium, naar het Nederlands vertaald door Frans van Nes.

    De roman speelt zich af in de nabije toekomst waar technologische vooruitgangen in onder andere artificiële intelligentie, overheden en oligarchen machtiger dan ooit hebben gemaakt. Zo worden de emoties van inwoners door speciale camera’s met gezichtsherkenning bijgehouden en opgeslagen in verschillende databases, waardoor de gewone burger op een 1984-achtige manier continu door de overheid en bedrijven in de gaten gehouden wordt. Tegelijkertijd biedt de VR-wereld van Elysium een uitweg uit deze grimmige realiteit.

    Praten met computers

    De beroemde en populaire acteur Robert Rand wordt via zijn manager Daniel gekoppeld aan het Elysium-portaal, waar hij als eerste nog levende artiest een VR-versie van zichzelf zal krijgen. Zijn zoon, Tom Rand, vindt het zowel cool als ongemakkelijk dat zijn klasgenoten met een digitale versie van zijn vader in de VR-wereld kunnen praten. De lerares van Tom, Ester, merkt dat hij moeite heeft met de roem van zijn vader. Wanneer de digitale versie van Robert Rand steeds meer dingen tegen Elysium-gebruikers begint te vertellen die de echte Robert Rand nooit zou zeggen, raken Robert, Tom en Ester achterdochtig. Is het Elysium-bedrijf wel zo neutraal als het zichzelf voorstelt of zijn de macht en invloed van Elysium groter dan ze denken?

    Vrijwel ieder personage in De Lokroep van Elysium spreekt met een digitale versie van een overleden beroemdheid of historisch figuur. Zo ziet lerares Ester regelmatig John F. Kennedy, heeft manager Daniel een aparte relatie met Marlene Dietrich en zoekt Tom Rand toeverlaat bij Marilyn Monroe en zijn digitale vader. Zodoende openen de personages zichzelf en hun onzekerheden bij hun digitale ‘vrienden’. Het verhaal is in korte paragrafen geschreven, waarbij we steeds per paar bladzijdes het perspectief van een van de personages volgen. Hierdoor lijkt het alsof je een filmscenario leest dat in de loop van de tijd is omgevormd tot roman.

    Technologische dystopie

    De wereld in De lokroep van Elysium schuurt tegen de realiteit aan en wekt de interesse van de lezer doordat Taska de implicaties van al deze technologische vooruitgangen laat zien als een plausibele toekomst. Het gros van de ontwikkelingen die hij in zijn boek behandelt, bestaat al of wordt inmiddels, vaak op kleine schaal, geïmplementeerd in de echte wereld. In de wereld die Taska probeert te schetsen gebeurt het toepassen van deze technologische ontwikkelingen veelvuldig, maar de schrijver werkt dit matig uit.

    De technische snufjes worden plausibel weergegeven, maar komen niet realistisch over in de door Taska beschreven praktijk, zoals bij de implicaties van gentechnologie: ‘Met behulp van gentechnologie kon je heel snel heel veel in iemands persoonlijkheid veranderen.’ Er worden vaak termen gebruikt die weinig zeggen zonder context, bijvoorbeeld: ‘Metadata collection tools’, en er zijn talloze statements die doen denken aan de opmerkingen van een stereotype hacker uit een B-actiefilm: ‘We voeren met behulp van statistiek en metadata ook steeds strengere controle uit op het wereldbeschouwelijke materiaal.’ De zinnen impliceren dat er iets spannend op de achtergrond gebeurt, maar de gevolgen op de voorgrond zijn amper voelbaar.

    Show don’t tell

    De personages en het plot zijn enigszins voorspelbaar. Bijna elke stap in de ontwikkeling van het plot wordt haarfijn en bijna robotachtig door een personage uitgelegd, waardoor het voelt alsof je een voorgekauwd verhaal aan het lezen bent en er weinig ruimte is voor verrassingen. Aan het begin van de roman zegt Ester het volgende tegen Robert: ‘”(..) en ik heb de indruk dat het niet alleen maar om een simulatiefout door de kunstmatige intelligentie gaat. Ik heb het idee dat uw VR-personage doelbewust wordt gemanipuleerd of gekaapt is.’’ Ester vroeg zich af of haar woorden wel gezag uitstraalden.’

    Deze overbodige uitleg wordt nog storender wanneer de karakterontwikkelingen van verschillende hoofdpersonen op een zilveren blaadje worden gepresenteerd, zoals bij de karakterontwikkeling van Tom: ‘Tom is slim en hij werkt hard, al is hij een beetje in zichzelf gekeerd. Zou hij een probleem hebben waar hij over wil praten? Als kind van een beroemdheid heeft hij allerlei gedrag van anderen ervaren.’ En: ‘Hij luisterde gewoon naar zijn lerares. Met grote ogen. Misschien hoort hij elke vrouw wel eerbiedig aan. Zou hij zijn moeder missen?’ Er is wel erg weinig vertrouwen in het denkend vermogen van de lezer als je zelfs de meest duidelijke ontwikkelingen meerdere keren herhaalt. Zo slaagt Taska erin om de synopsis van elk personage in één alinea te omschrijven en laat hij weinig aan de verbeelding over. Het begrip “show don’t tell” is voor een boek dat zo filmisch geschreven is, volledig uit het raam uitgegooid.

    Stereotypes

    Bijna alle personages praten min of meer op dezelfde toon en hun karaktereigenschappen bestaan uit een kleine reeks van stereotypes. Zo zijn er in De Lokroep van Elysium ongeveer drie typen vrouwen, namelijk dat van de femme fatale, dat van de zorgzame moeder of een combinatie van deze twee. Het stereotype van de zorgzame moeder wordt onder andere uitgedragen door Ester, die zich over de vader van Tom afvraagt: ‘Waarom is hij eigenlijk niet op zoek gegaan naar een nieuwe moeder voor zijn kind? Misschien heeft hij geen tijd voor een privéleven, met zijn drukke, veeleisende werk… (…) De jongen zou baat hebben bij de energie van een moeder, een tweede zorgzaam paar armen.’ Het is een saai en storend cliché dat de belangrijkste drijfveer van een vrouw het moederschap zou zijn. De femme fatale personages in dit verhaal zijn echter nog vele malen slechter af. Zo wordt de kwaadaardige dokter S. op een bizarre manier geseksualiseerd door oligarch Kim: ‘Ik ben benieuwd, dacht Kim, of ze zich tijdens de seks voorstelt hoe de vreemde schimmels en bacteriën in haar vulva naar binnen dringen, of dat ze nog ergens anders van kan genieten.’ Misschien is het de bedoeling dat de lezer moet walgen van Kims gedachten, maar omdat alle hoofdpersonen inwisselbaar qua toon zijn, voelt het vooral onrealistisch en onnodig ranzig.

    Naast het gebruik van stereotype karaktereigenschappen staat er ook een reeks opvattingen en observaties in het boek die compleet uit het niets getrokken lijken te zijn omdat er geen context bij gegeven wordt. Deze citaten bevatten een dubieuze en soms racistische toon: ‘Om die te vinden, moest je naar Borneo gaan, als je tenminste niet bang was om op het menu van kannibalen te belanden.’ Het idee dat er kannibalen op Borneo zouden leven is een racistisch en hardnekkig stereotype.* En: ‘De vogels fladderden met hun vleugels, die nooit eerder geziene kleuren hadden. Zelfs de Japanners kunnen die kleuren, die prachtige halfschakeringen, vast niet benoemen, dacht Daniel.’ Ook deze zin doet zonder context de wenkbrauwen fronsen. De ambigue aannames voelen vooral fout aan om te lezen, en het is onduidelijk wat ze aan het boek toevoegen.

    Grr…RRR!

    De lokroep van Elysium probeert de gevaren van de hedendaagse technologie verhalenderwijs in kaart te brengen, maar weet hieruit niks interessants of vernieuwends te creëren. Zonder een geloofwaardige wereld, interessante personages of fijne dialogen boeit het boek nauwelijks tot niet. Soms staan er staan leuke zinnen in die grappig zijn door de beelden die ze oproepen. Een van deze zinnen beschrijft goed welke emotie het verhaal voornamelijk teweegbrengt: ‘“Grr… RRR!” brulde Robert Daniel toe, en hij spreidde zijn vingers om leeuwenklauwen na te bootsen.’ Het boek is wellicht interessant voor mensen die helemaal niet op de hoogte zijn van hedendaagse technologische ontwikkelingen, maar misschien kunnen zij beter een goede documentaire over AI bekijken of een knap uitgewerkte dystopie als 1984 lezen, of het meer hedendaagse Frankusstein van Jeanette Winterson.

     

    * Adrienne Smith beschrijft in British and Dutch Perceptions of Cannibalism in Borneo, 1882-1964 hoe het stereotype van kannibalisme bij inheemse volken in Borneo tot stand kwam en continu door Westerse media werd gestigmatiseerd. Een interessante toevoeging is het artikel Thinking About Cannibalism van Shirley Lindenbaum, waar het discours over kannibalisme gelinkt wordt aan het vormen van de Westerse identiteit ten opzichte van niet-Westerse landen. Het vooringenomen onderscheid tussen barbaars en civiel was een groot onderdeel in het vormen van het Westerse zelf en het Westerse idee van kennis.

     

  • Alles geschreven…

    Alles geschreven…

    Recensie door Peter Samuel

    De zesde roman van Gerrit Brand draagt als titel Cinemascope. De naamgeving duidt ontegenzeggelijk op de inhoud, die met het produceren van een film heeft te maken. Cinemascope is een in 1953 door de Amerikaanse filmmaatschappij 20th Century Fox geïntroduceerd systeem van extra-brede beelden van een bioscoopfilm. Ook het boekomslag van Sven Schriever tekent het cinemascopische karakter: de gestileerde afbeelding doet denken aan Jacques Tati’s Monsieur Hulot. Zwembad met brunette in bikini op de rand, brede zonnehoed op het hoofd, bruine Porsche nadrukkelijk in beeld, op de achtergrond lichte heuvels van Zuidfrans landschap. De illustratie is in kaarsrechte lijnen geconstrueerd, zoals dit ook het geval is met de omslag van de heruitgave van Een heel nieuw leven (uit 2011), eveneens een roman van de hand van de in 1956 in Zwolle geboren en in Groningen woonachtige schrijver.

    Roadtrip

    Gerrit Brands tweede roman Een heel nieuw leven is een satire op het bedrijfsleven in de economische crisis aan het begin van de 21e eeuw. De heruitgave hiervan en Cinemascope zijn in hardcover door Uitgeverij Nobelman uitgebracht. Eens was er sprake van dat Een heel nieuw leven zou worden verfilmd, hetgeen echter tot nu toe niet is gebeurd. De inspiratie om Cinemascope te schrijven heeft Brand opgedaan in coronatijd, al toerende langs de Côte d’Azur. Hij kwam onder meer in Sanary-sur-Mer terecht, plaats aan de Middellandse zeekust in de Provence, ten zuidoosten van Marseille. In de jaren dertig van de vorige eeuw was Sanary een toevluchtsoord voor veel intellectuelen. Duitse en Oostenrijkse schrijvers, onder anderen Bertold Brecht, Thomas Mann, Stefan en Arnold Zweig, zochten er hun heil om aan Hitlers nationaal-socialisme te ontkomen. Ook Engelse schrijvers verbleven er ooit, waaronder Aldous Huxley en D. H. Lawrence.

    Filmscript

    Cinemascope is geen satire, maar wel een soort vervolg op Een heel nieuw leven. Aan de Rivièra toevend, ontwikkelde de schrijver zijn verhaal, bedoeld als scenario voor de verfilming van Een heel nieuw leven. Met een trits personages is Cinemascope daaruit voortgekomen, zich afspelend in 2020. Hoofdpersoon is Henry, een scenarioschrijver, die van filmproducent George de opdracht krijgt om vanuit diens riante villa met zwembad aan de Franse kust aan het filmscript te werken. Henry’s vroegere vriendin Charlotte blijkt al jaren de echtgenote van George te zijn, zonder dat Henry dit wist. Bovendien heeft zij een dochter, die de verhoudingen nog iets complexer maken. Onder dit gegeven van liefde, verwachtingen en het verstrijken van de jaren ontstaan verwikkelingen, die de afloop voor de lezer spannend houden.

    Bemiddeld

    Cinemascope is een pageturner, waarin de namen van Herman Brood en filmproducent Matthijs van Heijningen, om enkele voorbeelden te noemen, niet ontbreken. Daarbij hadden wellicht die van Willem Duys en Jan des Bouvrie gevoegd kunnen worden, niet direct filmfiguren, wel Nederlanders uit bemiddelde kringen, eens residerend in het zonnige Zuid-Frankrijk, zoals filmmaker George uit het boek daarvan een sprekend voorbeeld is. Hij bezit een chique villa in Frankrijk, woont in Baarn, dat met Paleis Soestdijk en koningin Juliana bekend staat als koninklijke residentie, en rijdt rond in een Porsche. Hij rookt sigaren en nipt graag van een cognacje. Kortom, de man van het goede leven beschikt kennelijk over de nodige pecunia, want zelfs van een eigen Cessna-vliegtuigje om van Frankrijk richting huis in Nederland en vice versa te vliegen, is hij niet gespeend.

    Lezers van de roman Cinemascope van Gerrit Brand kunnen tevreden zijn. De auteur laat zichzelf tegen het einde van zijn boek zeggen, ‘dat hij alles geschreven had wat er te schrijven viel … dat alle romans die hij geschreven heeft op hetzelfde neerkomen’.
    Zouden meer schrijvers dat beseffen, zou de wereld een hoop slechte boeken bespaard blijven. Cinemascope is geen hoogdravende literatuur, maar vlot geschreven, in recht-toe recht-aan stijl, daarmee goed leesbaar. Nederlandse vakantiegangers naar het Franse zuiden – Route du Soleil – zullen zich in beschrijvingen van Arles, St. Tropez en Marseille herkennen, maar of zij zich ook met de leefstijl in de verhaallijn identificeren?

     

     

  • Oogst week 9 – 2023

    De Pool

    Een concertkring in de gotische wijk van Barcelona organiseert maandelijks een recital. Deze keer hebben ze een bekende maar controversiële Poolse Chopinvertolker uitgenodigd, want, zegt een lid van het organisatiecomité dat verstand van muziek heeft en voorstelde de pianist uit te nodigen: ‘Hij heeft een nieuwe generatie Chopinvertolkers in zijn geboorteland de weg gewezen.’

    In zijn nieuwe roman, De Pool, beschrijft de Australische, van oorsprong Zuid-Afrikaanse, veel gelauwerde schrijver J.M. Coetzee de moeizame liefde die volgt. De pianist wordt na het concert mee uit eten genomen door het organisatiecomité, onder wie Beatriz. Zij houdt niet van zijn Chopin-interpretaties, maar de man zelf met zijn lange zilvergrijze haren is een uitgesproken persoonlijkheid die haar wel boeit.

    De pianist valt als een blok voor Beatriz en maakt avances die zij, getrouwd, afweert. Hij vliegt terug naar Berlijn, maar als hij later weer naar Spanje komt om er een masterclass te geven, doet hij een nieuwe poging en nodigt Beatriz uit. Zij neemt de uitnodiging twijfelend aan. Coetzee, bekend om grote thema’s als liefde en geluk, goed en kwaad, dierenleven, angst en eenzaamheid, tekent in De Pool een ongemakkelijke liefde. Beatriz is twintig jaar jonger dan de pianist en ook taal en cultuur belemmeren moeiteloos spontaan contact.

     

    De Pool
    Auteur: J.M. Coetzee
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee 2023

    Het laatste voorjaar

    Lerares Duits Ese besluit in Het laatste voorjaar van Minke Douwesz nogal plotseling tot een fietstocht vanuit Nederland naar Jalta om daar het huis van Tsjechov te bezoeken. Nadat ze op school in conflict kwam met een directeur en een onderwijsvernieuwer die met trendy ideeën bevoorrechte leerlingen wil doen excelleren, heeft ze haar baan opgezegd. Ze is tegen de plannen, maar geen van haar collega’s steunt haar. Bovendien is haar geliefde, Martie, overleden.

    Deze gebeurtenissen hebben Ese doen besluiten tot de afmattende fietstocht door Duitsland, Polen en Oekraïne. Kou, regen en malende gedachten over de gebeurtenissen op school, over de relatie met Martie, over het hedendaagse leven met het ongelimiteerd consumeren van velen en de achteloze omgang met de natuur drukken op Ese’s toch al eenzame tocht.
    Lange tijd laat Douwesz onvermeld wat er precies met Martie is gebeurd. Gaandeweg wordt duidelijk waarom Ese – behalve om het ontslag en Martie’s overlijden – nog meer besloot tot de plotselinge en niet bepaald voor de hand liggende stap.

    Met veel details tekent Douwesz Ese’s dagelijkse werkelijkheid en wisselt ze haar kleine beslommeringen af met overpeinzingen over wereldomvattende onderwerpen.

     

    Het laatste voorjaar
    Auteur: Minke Douwesz
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot 2023

    De Liefdader

    In De Liefdader van Stasio Komar werkt de Nederlandse Julian bij een liefdadigheidsorganisatie en reist hij naar Brazilië om te onderzoeken met welke goede doelen aldaar kan worden samengewerkt. Hij ontmoet er Arnold Burgers, eveneens een Nederlander, die een grote organisatie voor hulp aan straatkinderen leidt. De organisatie is populair, evenals Burgers, maar deze directeur is ook gevreesd in de favela’s van Rio. Julian komen geruchten over zijn seksuele avontuurtjes met minderjarigen in de sloppenwijken ter ore. Hij onderzoekt het verleden van Burgers, stuit ook op gesjoemel met donaties en valse medische titels en gaat vragen stellen. Behalve Burgers zelf is ook niemand in zijn omgeving daarvan gediend, want de achterban is afhankelijk van de financiën van de organisatie. Julian wordt door Burgers monddood gemaakt en uiteindelijk sluit de hele Braziliaanse hulpsector hem buiten.

    Voor Burgers’ gedrag zijn bewijzen noch beschikbare getuigen, tot er compromitterende foto’s opduiken van Burgers en zijn kliek in gezelschap van kinderen. Dan zijn er twee getuigen, die echter worden omgebracht. Burgers gaat op zoek naar de foto’s, wat slecht voor hem afloopt. Helaas raken ook de foto’s verloren.
    De roman laat zien hoe één man zijn gang kan gaan dankzij zijn macht en dankzij degenen die koste wat het kost goed doen voorop willen stellen.

    Stasio Komar (1947) studeerde Frans en had verschillende werkzaamheden waaronder ontwerpen en vertalen. Hij was muzikant, publiceerde zes dichtbundels en werkte als ontwikkelingswerker waardoor hij uit de eerste hand een inkijk in de hulpverleningswereld kan geven. Hij is nog steeds betrokken bij Braziliaanse hulpprojecten. De Liefdader is zijn eerste roman.

     

     

    De Liefdader
    Auteur: Stasio Komar
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman 2022
  • Oogst week 4 – 2023

    Verstild voorjaar

    De biologe Rachel Carson (1907–1964) waarschuwde als een van de eersten voor de gevolgen van het gedrag van de mens op het ecologisch evenwicht van de aarde. Haar boeken zijn inmiddels ook ‘verplichte kost’ voor iedereen die zich actief wil inzetten voor het milieu.

    Carson kreeg van huis uit de liefde voor de natuur mee. Het bleek de basis voor haar keuze om biologie te gaan studeren. Haar voorliefde was de zee, daarover publiceerde ze in 1941 Under the Sea Wind dat lovend werd ontvangen door critici, maar commercieel weinig succesvol was. Mogelijk als gevolg van het feit dat ze een vrouw was en daarom niet voldoende serieus werd genomen. Haar tweede boek The Sea Around Us uit 1951 werd ook positief ontvangen maar wèl goed verkocht, mede dankzij het feit dat het zo goed en voor de niet-wetenschappelijke lezer geschreven was.

    Later begon ze zich enorme zorgen te maken over het toegenomen gebruik van pesticiden en het effect daarvan op het milieu. Ze publiceerde daarover in 1962 in Silent Spring (Dode lente, 1964). Dit begint met een fabel over een stadje waar al het leven verdwijnt en mens en dier vreemde ziekteverschijnselen krijgen, maar dat de opmaat is voor de inhoud over de schadelijke gevolgen van overmatig gebruik van pesticiden. Dit boek werd ondanks kritiek en tegenwerking van de pesticidefabrikanten een bestseller. Het heeft de discussie over het gebruik van deze bestrijdingmiddelen op gang gebracht waardoor sommigen zelfs verboden werden. Silent Spring is onlangs onder de titel Verstilde lente opnieuw uitgebracht door uitgeverij Athenaeum. Het geldt nog steeds een van de meest zinvolle en goed leesbare titels op dit gebied.

    Verstild voorjaar
    Auteur: Rachel Carson
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2022)

    Kwaad geluk

    Tove Ditlevsen (1917 – 1976) is een Deense schrijfster die in Nederland nog niet zo lang bekend is. Zij had een moeilijk leven. Ze groeide in grote armoede in Kopenhagen op bij ouders die samen ongelukkig waren, moest al jong voor inkomsten zorgen, kreeg te kampen met verslavingen en trouwde vier keer, en elke keer was het geen succes. Veel van haar levenservaringen komen terug in haar boeken. De thematiek in haar boeken mag dan zwaar zijn, haar manier van schrijven allerminst. Daarom vindt men haar in Denemarken waarschijnlijk nog steeds een van de grootste auteurs van het land.

    Internationaal wint zij nu aan bekendheid. Aanleiding daarvoor is mogelijk haar plek op een jubileumlijst uit 2020, uitgebracht door haar uitgeverij die dat jaar 250 jaar bestond. Ze eindigde met haar roman Straat van de kindertijd op basis van de stemmen van zo’n 40.000 lezers, in de top tien van de beste boeken uit het fonds van deze uitgeverij. Sinds 2020 verschijnt haar werk in Nederland bij Uitgeverij Das Mag.

    Na Straat van de kindertijd kwam in een periode tussen ’67 en ’71 een trilogie van Ditlevsen uit Kindertijd, Jeugd en Afhankelijkheid.
    Over deze trilogie schrijft vertaalster Lammie Post: ‘Het is bijzonder hoe het verhaal van een meisje dat opgroeit in de jaren tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog zoveel mensen weet te raken, en hoe herkenbaar haar verhaal nog steeds is.’

    Kwaad geluk uit 1963 is de eerste verhalenbundel die van Ditlevsen in Nederland verschijnt. Daarin schrijft ze vanuit geobsedeerde hoofdpersonen en komen haar bekende thema’s aan de orde: onbereikbaar geluk, ongelukkige huwelijken en dominante moeders. De verhalen uit deze bundel vormen de basis voor de titels uit de zogenoemde Kopenhagen-trilogie.

    Kwaad geluk
    Auteur: Tove Ditlevsen
    Uitgeverij: Das Mag (2023)

    De lokroep van Elisium

    Tot slot aandacht voor De lokroep van Elisium van de Estlandse schrijver en filmmaker Ilmar Taska (1953), een heel ander boek dan zijn roman Pobeda 1946 dat handelt over de onderdrukking van Estland door de Sovjet-Unie.

    In De lokroep van Elisium gaat het om de mogelijkheid om in een virtuele wereld, het Elysium-portal, historische bekendheden te ontmoeten. Met behulp van kunstmatige intelligentie is bestaand materiaal zoals films en interviews ingezet om de digitale karakters ‘authentiek’ te maken.
    De hoofdpersonen gaan in die virtuele wereld in gesprek met bijvoorbeeld Marlene Dietrich, Marilyn Monroe, John F. Kennedy en Vladimir Lenin. Maar niet alles blijkt te zijn zoals het lijkt.

    Pobeba 1946 werd op deze site besproken door Huub Bartman: ‘Ilmar Taska heeft een boek geschreven dat je ademloos leest. De spanning wordt prachtig opgebouwd met een filmische directheid. Hier verraadt Taska zijn eigenlijke stiel van scenarioschrijver en filmmaker. Die is af te lezen aan de opbouw en vormgeving van het verhaal. De verwikkelingen waarmee de hoofdrolspelers geconfronteerd worden volgen elkaar in korte scènes en in hoog tempo op zonder dat dit ten koste gaat van de psychologische en filosofische diepgang.’

    De lokroep van Elisium
    Auteur: Ilmar Taska
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman (2023)
  • Tekeningen van het naakte leed

    Tekeningen van het naakte leed

    Recensie door Melchior Vesters

    Via fictie de waarheid van de ervaring overbrengen: de Catalaanse auteur Joaquim Amat-Piniella (1913-1974) koos ervoor nadat hij kamp Mauthausen had overleefd. Hij meende ‘door middel van de weergave van een aantal al dan niet bestaande personages een juister en levendiger beeld [te] kunnen geven dan wanneer we ons beperken tot een objectieve beschrijving’. Amat-Piniella voltooide de eerste versie van zijn verhaal in 1948. Wie het toen had kunnen lezen – de eerste uitgave verscheen overigens pas in 1963 – zou, als tijdgenoot van de auteur en dus ook van de oorlog, vermoedelijk onder de indruk zijn geweest. De vraag is of driekwart eeuw later die ‘waarheid van de ervaring’ nog steeds overkomt. Wat is nog levendig?

    Kampobjecten

    K.L. Reich vertelt het verhaal van de Catalaan Emili – het alter ego van de auteur – die in de Spaanse burgeroorlog voor de Republikeinen heeft gevochten en daarna het Franse leger heeft gediend. Als stateloze gevangene is hij naar Mauthausen gedeporteerd, evenals duizenden andere Catalanen. Het kampbestaan is slopend door het zware werk in een steengroeve, systematische ondervoeding en willekeurige martelingen door SS’ers. In deze plek van verval, waar naar schatting 95.000 mensen zijn gestorven, weet Emili te overleven doordat hij lichter werk krijgt: hij tekent pornografische prenten voor SS-officieren en werkt verder in het kledingdepot. Op al het materiaal van het concentratiekamp staat Konzentrations Lager Reich. Het alomtegenwoordige K.L-Reichlogo drukt op de gevangenen mentaal een stempel: zij zijn kampobjecten. De roman, met logo op de kaft, is dat ook.

    De centraal staande menselijke ervaring is ontmenselijking: gereduceerd worden tot bezit, in dit geval van het Derde Rijk. Een literaire verwerking van zo’n ervaring is niet uniek, denk aan beroemde voorbeelden zoals de memoires van Frederick Douglass (1845) en de Aantekeningen uit het dodenhuis (1862) van Dostojevski. Stijl speelt bij het invoelbaar maken van ervaringen een grote rol. Dostojevski hanteerde bijvoorbeeld de ik-vorm en beschreef de smerigheid van het Siberische kamp waar hij van 1849-1853 dwangarbeid verrichtte op uitgebreid realistische wijze, waardoor de extremiteit ten volle aankomt. Samen met uitvoerige psychologische schetsen, niet gespeend van ironie, heeft Dostojevski een stijl vol tijdverdichting die de lezer werkelijk zijn ervaring in trekt.

    Persoonlijke vertelling

    Amat-Piniella heeft andere stilistische keuzes gemaakt. Het meeste wordt personaal verteld en beoordeeld vanuit Emili. Van tijdverdichting is weinig sprake: de lezer krijgt soms alleen de uitkomst van een innerlijk proces te zien, zoals wanneer Emili zich realiseert dat hij zich zal verzetten: ‘Het nazisme trachtte zijn vijanden fysiek te vernietigen, en voor het geval het daar niet helemaal in slaagde, schiep het een atmosfeer die hen in moreel opzicht voor eens en voor altijd moest slopen. Emili zou proberen beide tests te doorstaan. Toen hij die avond ging slapen sloeg hij het bed onbezwaard open (…). Die avond zou hij erop gaan liggen in de zekerheid van de kracht die in zijn binnenste groeide.’ Het was interessant geweest om meer emoties mee te krijgen in de aanloop naar zijn uiteindelijke innerlijk besluit. 

    Aan het eind van het boek, wanneer de gevangen bevrijd zijn door de Amerikanen, is Emili’s innerlijke reflectie ook weer kort: ‘De grote vrede in de wereld kan slechts bestaan als iedereen in zijn binnenste de kleine vrede in zijn ziel voelt. (…) Men hoeft zich alleen maar waarlijk en heel nederig een deeltje te voelen van die beklagenswaardige mensheid, zoals Emili zich nu voelt. Alle andere genoegens die het leven te bieden heeft, zullen daaruit voortvloeien.’ Het zijn bijna de slotwoorden; mooi, maar Emili’s overgang van verschrikkingen naar hoop gaat wel heel snel. Misschien is het de absurde omslag van de levenssituatie, van ten dode opgeschreven naar vrij, die moeilijk uit te drukken is. Anderzijds is Emili elders prima in staat om excessen te beschrijven: een kracht van het boek ligt in de optekening van martelscènes. De lezer wordt ooggetuige gemaakt van het meest naakte leed. Via uitgemergelde, mishandelde lijven wordt de ‘beklagenswaardige mensheid’ voluit voelbaar.

    Bonte stijl

    Het taalgebruik in K.L. Reich schommelt tussen vloeiend in dialogen tot soms merkwaardig formeel bij vertellerscommentaar. Woorden als ‘daarenboven’ en ‘reeds’ voelen ouderwets en weinig levendig; ze zorgen voor een lichte bevreemding. De in totaal toch wat bonte stijl wordt gespiegeld in de uitgave als geheel: na het verhaal zelf volgen een kort nawoord van Amat-Piniella, een langere en zeer lezenswaardige analyse van literatuurwetenschapper Marta Marín-Dòmine, een briefwisseling tussen de auteur en zijn uitgever en tot slot een notenapparaat. Deze informatie over het boek zelf maakt van de uitgave een tweetrapsraket die vooral voor academici/historici van belang is.

    Wie zoekt naar een oorlogsverhaal door een getuige, kan gedesoriënteerd raken door het ontbreken van de ik-vorm en de soms afstandelijke stijl. Wie echter interesse heeft in de genese van een boek ten tijde van Franco’s censuur, of in de overlevingsgeschiedenis van Catalaanse communisten in Mauthausen, of ten slotte in een literatuurwetenschappelijke analyse van hoe een verhaal effect sorteert op de lezer, kan in K.L. Reich een verrassende vondst doen.

     

     

  • Dichten geeft je vleugels

    Dichten geeft je vleugels

    Op de achterkant van Jane Leusinks zesde bundel Kraanvogels staat een verklaring van de titel: ‘Kraanvogels staan voor waakzaamheid. In de Chinese traditie dragen ze op hun rug de zielen van de doden. Bij Plinius plaatsen kraanvogels schildwachten als ze tijdens de trek uitrusten. Op een poot staand, met een steen in de andere, weten ze zeker waakzaam te zullen blijven.’ Dat doet denken aan een lied van de Dagestaanse dichter Razul Gamzatov uit 1969, Zhuravli, dat door Willem Wilmink vertaald werd als Kraanvogels. In dit lied zijn gesneuvelde soldaten kraanvogels geworden, die als ze voorbij vliegen ‘roepen uit lang voorbije tijden’ en die in hun midden een plaats voor ieder van ons vrijhouden.

    De boodschap van Gamzatov past wonderwel bij deze indrukwekkende bundel van Leusink, waarin aandacht wordt geschonken aan de doden van lang geleden, maar ook aan die van recentere datum, want ‘gebeurtenissen en verdriet vallen wonderlijk genoeg niet altijd samen’, zoals Leusink in de verantwoording achter in de bundel schrijft. In acht afdelingen, die cirkelen rond de thema’s geheugen, herinnering en de gestorvenen, staan korte en langere gedichten die met elkaar samenhangen. Voor een dieper begrip van de verwijzingen in Leusinks gedichten naar plaatsen, mensen en gebeurtenissen is veel achtergrondkennis en historisch besef noodzakelijk.

    Opdat wij nooit vergeten

    Zo bevat de eerste afdeling Dat we hier op aarde zijn, niet in het paradijs acht gedichten over het leven en de dood van Russisch-Poolse-Joodse voorouders ten tijde van de Pools-Russische oorlog van 1919-1921. Zij moesten vluchten voor het geweld en de pogroms. De gedichten zijn nadrukkelijk als een requiem geschreven, zoals de dichter aangeeft in de laatste versregels. Maar naast de dood gaat het ook hier om de herinnering, zoals immigranten haar vormgeven: ‘[…] En toch altijd / elders zijn, bijvoorbeeld aan de overkant. / het zijn in feite hopeloze hopers / die ook in de toekomst slechts herinneringen zien […]’.

    Deze afdeling is een aanloop tot de herinnering aan de doden die recenter overleden zijn en dus een ‘vers’ verlies voor de dichter betekenen. Leusink is weduwe, ‘[…] klampige weduwe / met dat hart, doorboorde spier die zich maar / niet trainen liet’, maar verloor ook een van haar dochters aan kanker. Deze dochter, Roos, hoedde een kudde schapen in de Pyreneeën waarbij de dieren steeds verplaatst werden. In De weg naar Andorra wijdt de dichter negen gedichten aan haar dochter, waarin ze het leven van haar dochter in Frankrijk probeert te reconstrueren.

    Zij trokken dat niet

    ‘De jongen sprak en zei, zich plechtig tot het dal wendend
    “Goedemorgen allemaal, ik stel u graag onze Noorse Victor
    voor, een blonde Fjord, naast hem ziet u Rodja, een blauwzwarte
    pony uit Mongolië, naast Rodja Roos uit Nederland
    ikzelf ben Chiel, wij heten u hartelijk welkom en dito
    vaarwel, u moet weten: nooit keren wij weer”.
    Samen duwden zij met kracht het stelletje moeders opzij, grote
    borsten, dikke billen stonden het uitzicht op deze roadtrip
     te belemmeren. Zij trokken dat niet –

    In het eerste gedicht van deze afdeling, Proloog, is er voor het eerst sprake van kraanvogels, die zien hoe de dochter als laatste metgezel aanhaakt bij hun vlucht, maar weer loslaat ‘boven de lokkende bergen vol beloftevolle kuddes / blijft van zichzelf’; haar vrijheidsdrang is gebleven. Ook de volgende afdeling, Wij, is een eerbetoon aan de gestorven dochter, maar nu is het de kudde die in negen gedichten een requiem zingt voor ‘haar om ons te leiden’. Het is ontroerend om vanuit het perspectief van de schapen te kunnen lezen hoe sterk de band tussen mens en dier kan zijn: ‘zij de herder onze honden wij de kudde rouwen / om onszelf om ieder van ons: verloren prooien’. Mooi.

    In de afdeling Natuur pakt ons op onze zwakste plek reserveert Leusink ruimte voor anderen: na voorvaderen en dochter te hebben opgevoerd, bezingt Leusink haar broer, vader, moeder en echtgenoot, met niets minder dan haar herinnering. Hoewel beeldmateriaal – zoals foto’s – helpt de herinnering levend te houden, staan de woorden vooral in dienst van het lichaam, dat nog altijd lijdt onder het verlies:

    Epiloog

    ‘Uit mijn kindertijd weet ik nog precies de zwanen in de vijvers van
    kasteel Biljoen, het brood dat mijn handen verkruimelden, het zout
    voor de schapen, wat mijn oma zei, mijn moeder, wat ik droomde
    er zijn ogenblikken dat het lichaam zo ontvankelijk is voor woorden
    dat het zeer doet.’

    Tempo doeloe?

    Het vasthouden van herinneringen domineert vele gedichten, maar ook de dood is sterk aanwezig. Die wordt doorgetrokken in de afdeling De kunst van het sterven op Bali, waarin de dichter refereert aan de strafexpeditie van het Nederlandse leger in 1906 in Denpasar op Zuid-Bali. De gouverneur-generaal Van Heutz eiste schadevergoeding van de vorst van Badung omdat de lading van een gestrande schoener door de bevolking geroofd zou zijn. Toen de vorst weigerde, dreef Van Heutz de zaak op de spits en op 19 september trok het leger op. De heilige tradities van Balinese vorsten schreven voor om jezelf nooit aan de vijand over te geven. Daarom besloten de vorsten met hun hele familie en volgelingen ritueel zelfmoord te plegen door de vijand tegemoet te gaan. Ze werden door Nederlandse leger onder vuur genomen nadat het bevel halt te houden werd genegeerd. Leusink leest hierover als ze op Bali verblijft en schrijft er een cynisch gedicht over:

    Wij en zij

    ‘Na een vroeg ontbijt van geurige, chewy, fluffy
     rijst las ik Bali verder over adat, gewoonterecht:
    de weigering van de vorsten te betalen voor
    het plunderen, het jutten, ja voor de totale
    kolonisatie door ja ons Nederlanders, ach ja
    onze gedegen door goud en geld gedreven tradities.
    Wie kent ze nog, wij kennen ze nog en delven, delven.
    Ik las daarna over die eeuwenoude hindoeïstische
    traditie: de schoonheid van het sterven (door je eigen
    krissen en lansen) boven de oneer van de dood
    door de kolonisator (met z’n geweren en vodjes
    papieren woorden waar niets in wilde trekken).
    Kon het romantischer?
    Zagen wij toen de tijd aan het werk, het onuitsprekelijke of
    Ik dacht aan een nieuwe staat van zijn.
    Ik vroeg: hoe kregen ze de rijen gesloten’

    Er gaat niets boven…

    Niet alle gedichten zijn doortrokken van de dood. De grote liefde die de dichter koestert voor taal komt tot uitdrukking in het gedicht Want in de taal ligt het hart van een volk over het Gronings en over K. (Kornelis) ter Laan, de samensteller van diverse woordenboeken en encyclopedieën. Taal is Leusinks passie, maar vooral lijkt de taal een instrument om afstand te kunnen nemen van de gebeurtenissen. Ze schrijft bedachtzaam en associatief, met een ‘taal van kleine woorden’. Toch is haar woede over zo veel doden, zowel verwante gestorvenen als onbekenden, voelbaar door de taal heen. Soms met ironie, soms met bitterheid lijkt zij naar aanvaarding te zoeken, waarbij haar gedichten zich uitstrekken door de tijd heen in een poging de herinneringen vast te houden. Haar parlando-achtig taalgebruik is beeldend en overdacht, ook daar waar zij bewust de regels van de grammatica links laat liggen en zinnen, zelfs het complete gedicht, plotseling afbreekt:

    ‘wij zoeken ons kroost en andersom een jong schaap
    weet de weg nog niet behoeft een kudde om te volgen
    zij behoeft een kudde als wij zien onze dag nu geheel
    ten einde zij ons flessenlam vanavond trakteert
    op warme opgeloste poedermelk in slaap valt
    tussen ons in onze stront in als we allemaal
    allemaal samen de schuur in in’

    Om ons vervolgens als ‘flessenlammeren’ te laten smachten naar meer van haar woordkunst. Leusinks verzen zijn als het leven, dat abrupt onderbroken wordt door de dood. Juist daarom leeft haar poëzie des te meer.

     

     

  • Oogst week 18 – 2022

    K.L. Reich

    Niets ten nadele van de ontwerper van het omslag, maar het wekt afkeer op. Dat komt omdat er gebruik is gemaakt van het beeldmerk dat op tal van zaken stond die afkomstig waren uit het nazikamp Mauthausen. De letters K.L. Reich staan voor Konzentrationslager Reich. Voor de auteur van K.L. Reich, de Catalaanse schrijver Joaquim Amat-Piniella (1913 – 1974) was het een afbeelding die hij dagelijks zag tijdens zijn gevangenschap in Mauthausen.

    In deze semi-autobiografische roman verhaalt Joaquim Amat-Piniella over zijn ervaringen als gevangene in bijna vijf jaar naziconcentratiekampen. Hij doet dat aan de hand van diverse personages, van wie een aantal gebaseerd is op zijn vrienden.

    Het alter ego van de schrijver overleeft door pornografische tekeningen te maken voor de SS. Door zijn ogen zien we hoe de kampen werken: het corrupte netwerk van de kapo’s, de statusverschillen onder de gevangenen, het uitroeiingssysteem van de nazi’s, de systematische ondervoeding.
    Ondanks deze mensonterende omstandigheden proberen de Spanjaarden in kamp Mauthausen zich te organiseren in een verzetsbeweging die als voornaamste doel heeft de gruwelen van het concentratiekamp te overleven en zich te wapenen tegen de ‘kampgeest’, het morele nulpunt van het naziconcentratiekampsysteem waarnaar de gevangenen voortdurend dreigen af te zakken.

    Voordat hij in juni 1940 door de Duitsers in Frankrijk gevangengenomen werd en naar Mauthausen werd gedeporteerd studeerde Joaquim Amat-Piniella rechten. Die studie brak hij bij het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog af om in dienst te treden van het leger van de Republiek. Hij vocht aan diverse fronten en stak aan het einde van de burgeroorlog met een heleboel andere Spanjaarden de Franse grens over. Met zijn arrestatie tot gevolg.

     

    K.L. Reich
    Auteur: Joaquim Amat-Piniella
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman

    Honger

    Deze maand verscheen bij uitgeverij Oevers een nieuwe vertaling van de Noorse klassieker Honger van Nobelprijswinnaar Knut Hamsun. Honger staat op de lijst van de honderd belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur. Dat is een lijst die in 2002 werd samengesteld op initiatief van de gezamenlijke Noorse boekenclubs op basis van de inzendingen van honderd schrijvers uit 54 landen. Het is overigens een wat gedateerde lijst, de meest recente boeken op die lijst komen uit 1995 (De stad der blinden van José Saramago) en 1985 (Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Márquez).

    In deze autobiografische roman schrijft Hamsun over de bittere armoede, honger en wanhoop van een jonge schrijver die vanaf 1880 een aantal jaar in Kristiania (Oslo) woonde.
    Het is niet alleen de honger die de hoofdpersoon kwelt, maar ook de mentale pijn die hij ervaart bij zijn gevecht om een plaats in de maatschappij en in de liefde. Hamsun verwerkt in Honger zijn eigen ervaringen uit een aantal zeer koude winters.

    Honger verscheen in 1890. In Nederland verscheen het voor het eerst in 1905 in een vertaling door Jeanette Gorter-Keyser, daarna in 1976 in een vertaling door Cora Polet. Nu, in 2022 is een vertaling verschenen door Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders.

    Honger
    Auteur: Knut Hamsun
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    Wit op wit

    Op de website van uitgeverij Kievenaar is te lezen dat ze boeken uitgeven ‘van vreemde vogels van onvaste bodem, van dames- en herenschrijvers die eigen werelden hebben geschapen omdat die juist iets draaglijker zijn dan de al bestaande.’
    Dat belooft wat!

    Een van hun titels is het onlangs verschenen Wit op wit van de Turkse schrijfster Ayşegül Savaş. In 2020 verscheen van deze auteur Lopen op het plafond waarin een bijzondere vriendschap ontstaat tussen een jonge Turkse vrouw en een wat oudere Britse schrijver. Beiden zijn openhartig in de talrijke persoonlijke gesprekken die ze hebben.

    Ook in Wit op wit krijgen we een beeld van de hoofdpersonen door de gesprekken die zij samen voeren. Een jonge studente gaat in de grote stad wonen om er onderzoek te doen. Ze huurt een appartement bij Agnes die kunstschilder is en er vaak niet zou zijn. Dat pakt anders uit. Agnes is er heel vaak en beiden hebben uitvoerige gesprekken. Over haar achtergrond, haar familie, haar huwelijk en haar kunst. Het begint erop te lijken dat Agnes kwetsbaarder is dan ze zich voordoet en het wordt duidelijk dat stabiliteit in een leven heel betrekkelijk en teer is.

    Van is Ayşegül Savaş is eerder werk verschenen in The New Yorker, The Paris Review, Granta, The Guardian, The Dublin Review. Ze woont en werkt in Parijs. Momenteel werkt ze aan een bundel essays’s.

    Wit op wit
    Auteur: Ayşegül Savaş
    Uitgeverij: Uitgeverij Kievenaar
  • Een rond verhaal vanuit alle hoeken verteld

    Een rond verhaal vanuit alle hoeken verteld

    Een boer die in het Spaanse deel van de Pyreneeën sterft nadat hij is getroffen door een bliksemschicht, vormt het beginpunt van het verhaal dat zich ontvouwt in Ik zing en de berg danst. Een rond verhaal dat vanuit verschillende, vaak bijzondere, perspectieven wordt verteld. Het is een roman met een grote hang naar poëzie die eigenlijk voorgedragen en niet gelezen zou moeten worden.

    Ik zing en de berg danst is de tweede roman van Irene Solà (1990). Eerder verschenen de dichtbundel Bèstia en haar eerste roman Els dics. Met haar werk won ze verschillende prijzen. Ook Ik zing en de berg danst werd met prijzen bekroond, waaronder de European Prize for Literature. Dat Solà ook poëzie schrijft, is direct te merken in haar tweede roman. De pagina’s staan bol van de metaforen, zinnen die in eerste instantie gebouwd zijn op ritme en dan pas op inhoud en lange passages vol herhalingen. Het zorgt voor een dwingend en voortstuwend gevoel bij het lezen.

    Tragische gebeurtenissen

    Het ritme van de taal is ook precies hetgeen dat ervoor zorgt dat je door blijft lezen. Het verhaal zelf wordt namelijk op zo’n unieke manier benaderd dat het gefragmenteerd raakt. In het begin van Ik zing en de berg danst sterft een boer als hij wordt geraakt door de bliksem. Hij laat zijn vrouw Sío achter, zijn bejaarde vader Ton en zijn twee kinderen, Mia en Hilari. De kinderen zijn bevriend met het reuzenkind Jaume en trekken altijd met hem op. 

    Hier komt echter verandering in als Jaume, Hilari per ongeluk vermoordt bij het jagen. Jaume gaat de gevangenis in en Mia blijft alleen met haar zieke moeder Sío achter in hun huis in de bergen, wachtend op de dag dat Jaume vrijkomt. Maar na zijn vrijlating durft Jaume niet terug te keren. Zowel hij als Mia wordt altijd herinnerd aan Hilari en hoe met zijn dood alles uit elkaar viel. 

    Mythisch verhaal

    Het bovenstaande is een zeer geconcentreerde samenvatting van Ik zing en de berg danst. Hoewel de gebeurtenissen rond Mia, Hilari en Jaume de basis van de roman vormen, zijn die alles behalve de essentie van het verhaal. De essentie is het leven zelf, in alle opzichten. In de vertelling hiervan overlappen realiteit en fictie elkaar moeiteloos. Via allerlei perspectieven wordt er een steentje bijgedragen aan het verhaal van de drie kinderen. Van de reebok die niet stierf dankzij het jachtongeluk van Jaume en Hilari tot de bergen die het constante toneel vormen van het verhaal, van de paddenstoelen die in de natte aarde groeien tot de heksen die weg van de samenleving verscholen in grotten wonen: alles en iedereen krijgt een stem in Ik zing en de berg danst. In de Spaanse Pyreneeën leeft bij Solà namelijk alles en zijn de mythes van heksen en reuzen springlevend.

    Daarmee heeft deze roman een soort Droste-effect. In elke scène wordt er ingezoomd op één element dat weer het onderwerp wordt voor het volgende hoofdstuk. Het resulteert in hetzelfde effect als bij twee spiegels tegenover elkaar: het verhaal trekt zich oneindig breed uit maar kan ook in één keer samengevouwen worden tot een geheel. 

    Taal overschaduwt het verhaal

    De schoonheid van Ik zing en de berg danst komt pas echt tot uiting wanneer je een hoofdstuk voorleest. Pas dan hoor je ten volste hoe zorgvuldig alle woorden gekozen zijn waaruit de zinnen zijn opgebouwd, waarbij er ongetwijfeld ook credits naar vertaler Frans Oosterholt horen te gaan. Irene Solà heeft een unieke pen en weet met een grote verscheidenheid aan metaforen en herhalingen een kunstwerk te scheppen. 

    Daarin ligt echter ook het gevaar. Met vlagen overschaduwt de taal het verhaal dusdanig dat alleen de zinnen overheersen. In het enthousiasme van het ritme gaat soms de boodschap van hetgeen verteld wordt verloren. Een voorbeeld hiervan is het hoofdstuk ‘De beer’ waarin Solà bijzonder veel omschrijvingen gebruikt om de beweegredenen van de beer weer te geven. Dit zorgt er echter juist voor dat deze enigszins verloren gaan in het geweld van het hoofdstuk: ‘Alleen laffe beesten doden wat ze niet eten. Ik brul harder en harder, ik zie, achter in de vallei, het dorp. Beef, bange beesten. Kuddebeesten. Vijanden. Laffe en moordlustige kudde. Jullie kijken me doodsbang aan, boven op jullie kasteel, samengedromd. Jullie rennen heen en weer, stelletje kippen. Ik spring en brul en gooi een man op de grond als een schaap.’

    Dit soort golven van woorden zorgen ervoor dat je geen band opbouwt met Mia, Hilari en Jaume. Hun belevenissen dienen puur als kapstok voor alle perspectieven en invalshoeken van waaruit het verhaal wordt verteld. Hoewel de esthetische waarde van elk hoofdstuk te waarderen is, neemt het verhaal je niet bij de hand en sleurt het je niet mee. Je zult als lezer zelf hard moeten werken om alle puzzelstukjes in elkaar te laten passen. 

    Verrassende afwisseling

    Soms worden de hoofdstukken met een meer mythische insteek – vaak verteld vanuit een plant of een dier – afgewisseld met een hoofdstuk dat wordt verteld vanuit het perspectief van een mens. Deze hebben vaak een verfrissende toon waarin met humor wordt bijgedragen aan het verhaal. Zoals in het hoofdstuk ‘Het tafereel’, waarin een stadsbewoner het bergdorp opzoekt voor een ‘authentieke beleving’ maar kwaad wordt als alle winkels in het dorp dicht zijn vanwege de uitvaart van Hilari. Solà hanteert een sarcastische toon en weet hiermee scherp weer te geven hoe ver dit stadsmens van enige authenticiteit verwijderd is. 

    Want ook de mensen hebben natuurlijk iets te vertellen in Ik zing en de berg danst. Solà geeft elk mens dat aan het woord komt, net als de planten en dieren, een eigen toon. Voor het perspectief van de bergen speelt ze zelfs met visuele aspecten en geeft ze onder andere met tekeningen het ontstaan van de Pyreneeën weer. Door deze bijzondere afwisseling blijf je je toch afvragen wat er in het volgende hoofdstuk gaat gebeuren. 

    Ik zing en de berg danst is een prachtige en poëtische vertelling over het leven, over ál het leven op het toneel van de Pyreneeën. Waar de dood in het verhaal komt, wordt ook direct ruimte gemaakt voor nieuw leven. Daarmee is het verhaal rond. De vele verschillende perspectieven zorgen voor een bijzonder en verrassend geheel over veelgebruikte onderwerpen zoals het leven en de dood. Hiermee heeft Solà een gedurfd risico genomen dat zeer succesvol heeft uitgepakt. 

     

     

  • Oogst van de Week 21

    Door Carolien Lohmeijer

    Het is goed nieuws dat er in deze tijd, tegen het tij in, nog mensen zijn die hun nek durven uitsteken en een uitgeverij oprichten! Een mooi voorbeeld daarvan is natuurlijk Uitgeverij Schokland die inmiddels met haar reeks Kritische Klassieken haar bestaansrecht meer dan heeft bewezen.

    En nu is daar ook uitgeverij Koppernik, die sinds half december 2013 bestaat. Op hun website is te lezen wat zij willen uitgeven: ‘de eigenzinnige boeken, de buitenbeentjes van de literatuur, boeken die gedurfd zijn en uitdagen, in ieder geval afwijken van de momenteel overheersende cultuur van het midden.’ Op dit moment gaat dat nog maar om één titel, Zeer helder licht. Maar dat is wel gelijk een boek van Wessel te Gussinklo, winnaar van o.a. de Anton Wachter- en F. Bordewijkprijs. En een boek dat je meteen het verhaal intrekt. Het boek begint als de iets aan lager wal geraakte 31-jarige Wander zijn nog geen 20 jarige vriendinnetje – een meisje uit een keurig, welgesteld gezin – thuisbrengt. Veel te laat echter naar de zin van haar moeder. Hoe keurig ook: mama, gekleed in roze kamerjas, stormt de straat op, begint te vloeken en te tieren, slaat en bespuugt Wander en molesteert zijn toch al krakkemikkige auto. Het is een begin waarna je dóór wilt lezen.
    Zeer helder licht, Wessel te Gussinklo, Uitgeverij Koppernik, € 17,50

    Verhalen uit Istanbul

     

    Wie met Turkeye en Istanbul kennis wil maken moet Verhalen uit Istanbul van Sait Faik Abasıyanık (1906-1954) lezen. Deze auteur geldt als een van de grondleggers van het korte verhaal in Turkije. Door zijn grote inlevingsvermogen en beeldende observaties zijn de verhalen van Sait Faik Abasıyanık verrassend tijdloos. Sait Faik Abasıyanık vertelt indringende verhalen over menselijke verlangens en frustraties. Zijn mooiste verhalen werden voor deze bundel vertaald door Hanneke van der Heijden.
    Verhalen uit Istanbul, Sait Faik Abasiyanik, Uitgeverij Podium, vertaling door Hanneke van der Heijden, € 19,50

    OnschuldVeel dichter bij huis, gewoon op het schoolplein in Alphen aan den Rijn leren Dennis Captein en Martine de Bruin elkaar kennen. Er onstaat een vriendschap. Na verloop van tijd komt Martine bij Dennis op bezoek met de vraag of hij een boek wil schrijven over haar. Martine blijkt het slachtoffer van incest, ze vertelt dat ze jarenlang door haar grootvader is misbruikt. Ze heeft tot dan gezwegen. Eerst uit angst, later uit schaamte. Onschuld is het resultaat van dit verzoek. Het is een roman geworden, gebaseerd op feiten, maar aangevuld met fictie.
    Dennis Captein studeerde Journalistiek en Rechten, is in het dagelijks leven uitgever en daarnaast actief als columnist voor het AD. Onschuld is zijn eerste roman.
    Onschuld, Dennis Captein, Uitgeverij Nobelman, 320 pagina’s, €19,90

    De zangbrekerTot slot is er een nieuwe roman van de van oorsprong Uruguaanse schrijfster Carolina Trujillo (40) (De terugkeer van Lupe García) verschenen. De schrijfster woont al zo’n 20 jaar in Nederland, schrijft ook in het Nederlands, maar daarmee is het Nederlandse er wel af en nemen Zuid-Amerikaanse taferelen het over.
    Trujillo is een rasverteller. In De zangbreker neemt zij de lezer mee naar haar geboortestad Montevideo voor een ‘onvergetelijke ontmoeting met onalledaagse personages.’
    De zangbreker,, 320 pagina’s, € 19,95

     

     

     

  • Lezenswaardig en veelbelovend Frans debuut

    Lezenswaardig en veelbelovend Frans debuut

    Braaf blijven (Rester Sage) is de titel van de debuutroman van de Franse schrijver Arnaud Dudek. Een aansprekende titel die meteen doet vermoeden dat het met die braafheid wel zal meevallen. En inderdaad…

    Hoofdpersoon Martin Leroy is op z’n 32ste de basis onder zijn bestaan kwijtgeraakt. Zijn vriendin heeft hem verlaten en hij is zijn baan kwijt. Maar niet zijn levenslust. Of beter gezegd: zijn wraakzucht. Want hij is vast van plan zich te verzetten tegen zijn ontslag en dat op geheel eigen wijze. Met hamer in een rugtas gaat hij op zoek naar zijn voormalige werkgever. Tijdens deze zoektocht ontmoet hij veel verschillende mensen en uiteindelijk ook zijn jeugdvriend met wie hij al jaren geen contact meer heeft.

    Het heden wordt ondertussen ingehaald door kijkjes in Martins verleden. We lezen over Martins moeder die als jonge en alleenstaande moeder alle zeilen moest bijzetten om op de been te blijven. Iets dat haar niet lukte. Ze werd opgenomen in een psychiatrische inrichting en zou deze nooit verlaten. De jonge Martin werd opgevoed bij een opa en oma die het goed met hem voorhadden maar niet meer waren ingesteld op een jong kind.

    De roman is fragmentarisch opgebouwd met veel flashbacks, perspectiefverschil en af en toe een alwetende verteller. In een aantal hoofdstukken wordt het verhaal verteld vanuit de tweede persoon. Dit maakt dat je er onder het lezen goed het hoofd moet bijhouden anders bestaat de kans dat je niet meer weet wie er aan het woord is. Het is de lichte en speelse toon waarop Dudek zelfs de meest pijnlijke situaties beschrijft die het boek tot een bijzondere roman maakt. Ook de plot is origineel en verrassend. Uiteindelijk overwint de vriendschap en dat is geen cliché in een tijd waarin menselijk contact steeds meer wordt gereduceerd tot een digitaal circus.

    Braaf blijven stond in Frankrijk op de shortlist van de Prix Goncourt voor de beste debuutroman in 2012 en is voorgeselecteerd voor de Prix Méditérranée de Lycéens 2012-2013. Geen wonder gelet op de frisse en speelse schrijfstijl en de precisie waarmee de tijdsgeest wordt neergezet. Zeer lezenswaardig en veelbelovend.

     

    Braaf blijven

    Auteur: Arnaud Dudek
    Vertaald door Lysbet Lok
    Verschenen bij: Uitgeverij Nobelman
    Aantal pagina’s: 120
    Prijs: €14,95

  • Alles hangt met alles samen

    Al in de eerste zin van Een heel nieuw leven geschreven door Gerrit Brand, gaat het mis: ‘Vanaf de grenzen van het heelal de Melkweg onzichtbaar.’ De trend is gezet. Deze uitgave staat vol zetfouten: letters op verkeerde plekken, woorden die weggevallen zijn en zinnen die daardoor niet lopen. Het kleine lettertype en de veel te volle bladspiegel dragen niet bij aan de leesbaarheid van het ook al moeizame plot. De typografie verspringt af en toe naar een nog kleiner lettertype. Dit alles samen maakt dat deze eerste druk erg slordig en afgeraffeld overkomt. Daarnaast wordt zowel in de flaptekst als in de uitgebreide tekst op de binnenflap de plot grotendeels uit te doeken gedaan. En dat is jammer: het maakt de eerste helft van het boek erg voorspelbaar. Al met al flink wat punten van kritiek op het werk van Uitgeverij Nobelman. Helaas is ook op het werk van auteur Gerrit Brand nogal wat aan te merken: variërend van een kabbelend plot, eindeloze herhalingen tot een betweterige alwetende verteller en archaïsch taalgebruik.

    Hoofdpersoon in Een heel nieuw leven is juwelier/horlogemaker Tadema. Hij is ontevreden met het leven, net als zijn vrouw Adèle. Ze zijn uitgepraat en weten niet hoe ze verder moeten. Het is tijd voor verandering, maar beiden zitten vastgeroest in een sleur.  ‘Alvorens de winkel binnen te gaan wierp hij een blik in de spiegel. Trots was hij niet op wat hij zag, twee fletsblauwe ogen in een roodachtig gezicht, een norse trek om de mond. Zo ziet een ontevreden mens er dus uit, dacht hij en streek zijn dunne haar glad.’ Dan bestelt Theo baron van Echten een duur horloge. Een Grande Complication, een zeer gecompliceerd mechanisch uurwerk met allerlei functies zoals een eeuwig durende kalender met dag-, datum-, maand- en maanstandaanduiding. Kostprijs: zo’n twee ton. Adèle begint een verhouding met de baron en eigenlijk kan dat Tadema niet eens zoveel schelen. Ze doet maar, denkt hij. Als Tadema’s zaak 100 jaar bestaat, regelt zijn zakelijke netwerk, de Industrieele Club, het predikaat ‘hofleverancier’ voor hem. Dit luidt ironisch genoeg het begin van het einde in. Als Adèle er op het jubileumfeest definitief met de baron vandoor gaat, wordt het Tadema pijnlijk duidelijk: ‘die baron had het evenwicht in zijn leven op grove wijze verstoord’. Als de baron dan ook nog eens weigert om zijn dure horloge te betalen, raakt de juwelierszaak in grote financiële problemen. Geleidelijk aan neemt het idee van wraak bezit van Tadema. Binnen een paar weken staat zijn leven volledig op zijn kop en loopt het raderwerk vast.

    Vanaf het eerste hoofdstuk is de rode draad van het boek helder. ‘Alles hing met alles samen, als alle onderdeeltjes van het horloge perfect in elkaar grepen, liep het klokje probleemloos. Maar o wee als er ook maar iets aan mankeerde.’ Het horloge als metafoor voor de ordening in de wereld. Een prima rode draad, een goed gevonden vergelijking, ware het niet dat deze boodschap wel heel vaak herhaald wordt in allerlei vormen van beeldspraak. Een paar pagina’s verder lezen we: ‘Al die radertjes grepen in elkaar. Elk onderdeel had een functie binnen het grotere geheel. Dit horloge was als een universum, alles had zijn plek, alles bestond dankzij het feit dat iets anders ook bestond. Het ene kon niet draaien zonder de ander.’ De auteur geeft de lezer nauwelijks ruimte. Hij blijft het maar herhalen en halverwege het boek spelt hij het nog maar eens uit: ‘… de Grande Complication, het perfecte raderwerk, als metafoor voor het menselijk leven…’. Alsof de lezer dat na al die herhalingen nog niet door had.

    De alwetende verteller is in het hele verhaal erg nadrukkelijk aanwezig, soms op het storende af. Hij geeft regelmatig extra informatie of commentaar op het gebeurde, tussen haakjes door de lopende tekst heen. Hij geeft zelfs aan hoe de lezer naar een scène moet kijken. ‘Je zou het in een split screen moeten zien. Links op het scherm Tadema die zijn motorfiets op de Grote Markt parkeert en aan de praat raakt met Hermens de postbode en rechts Adèle die met een grote zonnebril op in haar rode sportwagentje bij een plattelandsstationnetje komt aanrijden.’ De lezer krijgt weinig ruimte om te ademen of het verhaal zelf te beleven. Alles wordt genadeloos dichtgetimmerd. Als de lezer toch weet door te zetten (en met de vermoeiend volle bladspiegel is dat een flinke klus), wordt hij beloond met een goed gevonden wending en een onverwacht einde.

    Communicatieadviseur en uitgever Gerrit Brand geeft zich in Een heel nieuw leven over aan een overdaad aan beeldspraak en overbodige zijwegen en gedachten. Ook het achterhaalde taalgebruik en de expliciete verwijzingen naar W.F. Hermans dragen niet bij aan een prettige leeservaring. En dat is jammer, want de laatste paar hoofdstukken zijn erg goed. En zoals gezegd: uiteindelijk wacht de lezer dan toch nog een verrassend einde.