• Heruitgave mist extra hoofdstuk

    Heruitgave mist extra hoofdstuk

    In een essay in De Groene van 27 maart jl. analyseert Daan Heerma van Voss hoezeer de haat tegen vrouwen in de politiek is toegenomen. Ook mannelijke politici krijgen bakken met haat over zich heen, maar ze worden nooit veracht om hun gender: ‘Dat voorrecht gaat over het algemeen aan vrouwelijke politici voorbij: zij worden expliciet gepakt op hun vrouw-zijn’.
    Het is vervreemdend om met dat verhaal in het achterhoofd Het persoonlijke is politiek van Hedy d’Ancona te lezen. Dit jaar verscheen van haar boek uit 2003 de tweede druk. ‘Onverminderd actueel’ roept de achterflap. Het boek is nog even lezenswaard als in 2003, maar dan toch vooral als een geschiedenis van het feminisme in Nederland in de periode van de jaren zestig tot de verschijning van het boek in 2003, vervat in een autobiografie van de auteur.

    Framing

    Het vervreemdende is dat je je realiseert hoezeer de resultaten van hard werken aan een betere maatschappelijke positie van vrouwen tot begin 2000 weer lijken te zijn teruggedraaid nu femicide, tradwives, verboden op abortus, enzovoort zeer regelmatig de kranten halen en gelijke beloning voor vrouwen nog steeds ter discussie staat. Nieuw aan de tweede druk van Het persoonlijke is politiek is alleen een uiterst kort woord vooraf. Daarin noemt d’Ancona de recente ontwikkelingen waarin politici opstappen vanwege racistische bejegeningen en de framing van Amsterdam als antisemitisch na de rellen rond Ajax-Maccabi Tel Aviv. ‘Mijn beide klompen braken’, schrijft ze, de ene om de beledigingen en de andere ‘omdat de mensensoort vrouwen en ook meisjes’ in dit hele verhaal niet lijken te bestaan’. Ze hadden geen tijd om te rellen, maar ‘ze zaten braaf te blokken voor hun profielwerkstuk’.

    Het is een wat magere reflectie op haar boek uit 2003. Interessanter zou een nieuw hoofdstuk zijn geweest over hoe zij terugkijkt op haar carrière in het licht van deze nieuwe ontwikkelingen: voelt ze haar werk ongedaan gemaakt? Wat is de staat van het feminisme nu? Is er hoop?

    Persoonlijk

    Dat wil allemaal niet zeggen dat herlezing van d’Ancona’s boek 22 jaar later niet interessant is. De stelling van de auteur dat het persoonlijke politiek is blijft geldig. Vrouwen kunnen nog zoveel meer in staat zijn persoonlijke keuzes te maken, er verandert pas werkelijk iets als de politiek dat in wetgeving en beleid vertaalt.
    Het was de reden dat Hedy d’Ancona van haar feministische acties, zoals de oprichting van Man-Vrouw-Maatschappij (MVM), overstapte naar de Partij van de Arbeid om vervolgens Kamerlid, staatssecretaris, Europees parlementariër en daarna Minister te worden. Haar boek getuigt ervan hoe moeizaam die weg was. Het onbegrip kwam niet alleen van mannen, maar ook van vrouwen. D’Ancona beschrijft bovendien levendig hoe ze zelf meerdere keren voor valkuilen stond in relaties en in de verhouding tussen werk en opvoeding. Ze doet dat in een heel eerlijk persoonlijk relaas doordat ze veel aandacht geeft aan de verhouding tussen haar moeder en haar en die van haarzelf tot haar kinderen, vooral haar dochter Hadassah.
    Aangrijpend zijn de passages waarin ze beschrijft hoe ze langzaamaan ontdekt wat er met haar vader, waarvan ze aanvankelijk alleen weet dat hij is gestorven in februari 1945, werkelijk is gebeurd.

    Hoop

    Het persoonlijke is politiek is opgebouwd uit min of meer losse stukken die op verschillende momenten zijn geschreven. Daardoor kom je nogal eens herhalingen tegen. Dat het boek een (op het Voorwoord na) ongewijzigde uitgave is van dat uit 2003, werkt af en toe bovendien verwarrend, vooral als in een zin het woordje ‘nu’ wordt gebruikt. Geldt dat voor 2003 of voor 2025?
    Anderzijds zet zoiets je ook aan het denken, zoals wanneer d’Ancona een lang citaat van Joke Smit uit 1971 (ze verliet toen teleurgesteld de politiek die volgens haar steeds weer terugvalt in oude patronen) laat volgen door haar eigen opmerking: ‘Die laatste regels van Joke blijken na al die jaren, nog niet veel aan actualiteitswaarde te hebben ingeboet’. Dat gold in 2003. Maar dat het ook in 2025 geldt, kun je als lezer wel bedenken. Het is zelfs nog erger geworden.
    Is er toch nog hoop?

     

     

  • Suikerklontje in een glas heet water

    Suikerklontje in een glas heet water

    In Ik zeg geen vaarwel, het meest recente boek van de Koreaanse schrijfster Han Kang vloeien personages in elkaar over, krijgen dialogen geen leestekens, worden handelingen zeer gedetailleerd beschreven, dringen dromen zich in de werkelijkheid en speelt de natuur een hoofdrol. Vooral sneeuw domineert het boek. Kang beschrijft eindeloos veel variaties van vlokkende, smeltende en verblindende sneeuwval.

    Sneeuw is ‘iets wat zichzelf al smeltend verliest en zacht wordt’. Vallende sneeuwvlokken absorberen geluid. In die stilte is het vanzelfsprekend om onbelangrijke en belangrijke zaken van elkaar te onderscheiden. Beide metaforische eigenschappen van sneeuw zijn van toepassing op Kangs hoofdpersonages Gyeong-ha en Inseon, vriendinnen van vergelijkbare leeftijd (rond de veertig), de een schrijfster, de ander beeldend kunstenaar, maar naarmate het boek vordert steeds nadrukkelijker elkaars spiegelbeeld.

    Trauma’s

    Ze verliezen zich in de bloedige en wrede geschiedenis van een burgeropstand die van 1948 tot 1954 op het Koreaanse eiland Jeju heeft plaatsgevonden, maar tientallen jaren in de doofpot is gestopt. Tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen zijn toen afgeslacht. Hun lijken vormden massagraven in mijnschachten, op schoolpleinen en stranden. Inseons moeder heeft vrijwel haar hele leven naar haar verdwenen broer gezocht; ze heeft nooit vaarwel willen zeggen. Inseons vader heeft die episode overleefd, maar is gruwelijk gemarteld. Het trauma van haar ouders heeft zich in Inseon vastgezet.

    De schrijfster en vertelster Gyeong-ha heeft een vergelijkbaar trauma opgelopen door een non-fictie boek te schrijven over eenzelfde bloedbad. Nachtmerries teisteren haar. Haar leven is ‘uit elkaar gevallen als een suikerklontje in een glas heet water’. Ze houdt zich alleen nog op de been omdat ze elke dag een betere zelfmoordbrief wil schrijven. In die staat reist ze naar Jeju, waar ze te maken krijgt met een levende dode vogel, een ongeschonden gewonde vriendin, de een zojuist begraven, de ander 1000 kilometer verderop in een ziekenhuis, maar beide ook aanwezig in het landhuisje waar ze tijdens een sneeuwstorm terecht komt.

    Mooie zinnen

    Hoe prachtig de taal van Kang in de vertaling van Mattho Mandersloot ook is, toch is het jammer dat de schrijfster zich vooral bedient van secundair beschreven gebeurtenissen via herinneringen, brochures, getuigenissen, krantenknipsels en foto’s. Die indirecte ervaringen bemoeilijken identificatie met het leed van de protagonisten. Voor een doorsnee Nederlandse lezer is het bovendien soms moeilijk precies te begrijpen wie er kort na de Tweede Wereldoorlog tegen wie streden in Korea en wie ‘goed’ en ‘fout’ waren.

    Dat neemt niet weg dat het boek indrukwekkende zinnen bevat. Bijvoorbeeld: ‘Zodra ze mijn wangen, zo nat van het huilen dat het leek alsof ik net uit het zwembad kwam, aanraakte, rolde ik op mijn andere zij en dacht na’. Of: ‘Wolken die ieder moment sneeuw konden spuwen hingen laag boven de betonnen gebouwen aan de overkant van het ziekenhuis die stonden te verkleumen in de koude, vochtige wind’.

    Eerdere boeken van Kang zoals De vegetariër en Mensenwerk zijn vanuit het Engels vertaald. Ik zeg geen vaarwel is het eerste boek van de schrijfster dat rechtstreeks vanuit het Koreaans in het Nederlands is omgezet. Vertaler Mattho Mandersloot heeft meerdere problemen het hoofd moeten bieden. Zo kent het Koreaans woorden die een gevoel of een situatie via hun klank tot uiting brengen. In dit boek is bovendien een rol weggelegd voor het Jejuaanse dialect. Het bleek volgens het nawoord van de vertaler lastig om een taalkundige variatie toe te passen zonder te vervallen in een bestaand Nederlands dialect. Toch doet de gekozen oplossing met woorden als buuten en kieken sterk aan het Sallands denken. Dat komt geforceerd over, waardoor vereenzelviging met het verhaal er niet makkelijker op wordt. Misschien had Mandersloot dit aspect van het oorspronkelijke boek beter onvertaald kunnen laten.

     

     

  • Sms-taal relativeert zelfmedelijden

    Sms-taal relativeert zelfmedelijden

    Nederlandse literatuur wil wel eens wat zwaar op de hand zijn. Vaak ligt dat aan de ik-ben-zielig-toon die de auteur hanteert. In het debuut Uitzicht van dichtbij valt het ook op, ware het niet dat Megan van Kessel haar zelfmedelijden relativeert met een droge onderkoelde stijl. Het is een beetje als sms-taal, zegt ze tegen Annemieke Bosman in een radio-interview van Opium. De zinnen zijn kort en staccato.

    Een jong stel met een baby gaat in een verbouwde pistachegroene kerk onder de rook van de stad op het platteland wonen. Vanuit het ene raam hebben ze uitzicht op de witte pastorie met rozen en lavendel, waar de keurige buren wonen die ze de Lords noemen. Het andere raam biedt uitzicht op Mireille, een verzuurde alleenstaande dame met geel haar en grote borsten. Zij beheert het terrein met dictatoriale hand. Het buitenleven gaat het stel moeizaam af. Ze voelen vijandigheid en investeren niet echt in hun buren. Buurvrouw Mireille wordt afgeschilderd als een bitch. Ze plaatst overal verboden-toegangborden en spreekt het stel erop aan als ze de regels schenden. Ze komt enigszins ongeloofwaardig over omdat ze niet echt wordt uitgediept. Hetzelfde geldt voor de Lords, waar Maggie’s moeder een pakje boter leent. Ook zij komen niet echt tot leven.

    Fleur uit Almere

    Het terrein waarop ze wonen wordt als een Ü verbeeld. ‘De kerk en de pastorie zijn de puntjes, het midden van de U is het verboden terrein. Het kommetje is de camping met het meer. Boven de puntjes is de drukke weg. Aan de overkant van die weg wonen de perfecte buren. Zij zijn bevriend met de Lords. De perfecte buren hebben perfect gras.’

    Ik-persoon Maggie probeert een tuintje te maken op een plek waar eerst stoeptegels lagen en is teleurgesteld dat niets groeit en de planten bruin worden. Iedere sukkel weet dat je geen planten in straatzand zet en er dan de potgrond over uitstrooit. Het zal humoristisch bedoeld zijn, maar mist de pointe een beetje. Met vijandige buren, de mislukkende tuin, de lawaaierige pick-uptrucks die langsrijden en de vermoeidheid rond het pasgeboren zoontje, lukt het Maggie niet om gelukkig te zijn. ‘Ik voel me een Fleur uit Almere. Niks mis met Fleur, of Almere, maar ik moet er gewoon even aan wennen dat ik dat nu ben.’

    Het verhaal gaat over Maggie’s afwezige vader. Het vreet aan haar dat ze niets van hem hoort na de geboorte van haar zoontje. En dat brengt haar terug naar gebeurtenissen uit haar jeugd. ‘Waar is dat meisje dat niet bang was? […] Het meisje dat deed alsof ze niks voelde en zich in slaap huilde omdat ze zoveel voelde.’ Maggie was stoer, een durfal en een buitenbeentje en deed heel erg haar best om haar vader te bereiken. Ze verlangde naar zijn aandacht, terwijl hij een kinderlijke en hoogst egocentrische man was, die dacht dat hij overal mee weg kwam en ze nam aan dat voor haar hetzelfde gold. Maar zij verloor haar stoere zelfverzekerdheid door een verontrustende gebeurtenis die haar nog steeds achtervolgt.

    Vakantie aan zee

    Het verhaal meandert van het heden, het wonen op een dorp met baby en partner Alfons, naar haar jeugdherinneringen. Vooral een vakantie op een camping aan zee met haar vader en stiefmoeder, oudere zus en stiefzusje Karin beleeft ze opnieuw. De overgangen naar vroeger gaan vloeiend en hangen steeds aan de kapstok van de oorzaak waarom haar vader niets van zich laat horen. Haar ouders gingen uit elkaar toen ze vier was. Ook haar vader en stiefmoeder zijn uit elkaar en Maggie heeft het contact met haar verloren. Langzaam wordt het drama van haar jeugd duidelijk en is het begrijpelijk waarmee Maggie worstelt.

    Als er dan toch contact met de vader is, komt er een kentering in het verhaal. Zijn verhaal moet verteld worden en de dorpsbeslommeringen raken op de achtergrond. De onderkoelde toon verdwijnt ook enigszins. Maggie zoekt naar genoegdoening, haar vader heeft haar in de steek gelaten. Tegelijkertijd voelt ze zich schuldig, want haar vader verwijt haar en haar zus hetzelfde. Zij hebben hem in de steek gelaten. Haar bezorgdheid neemt de overhand over de gezondheid van haar vader, die hard achteruit gaat. Hij moet opgenomen worden in een verpleeginstelling.
    In het laatste hoofdstuk zijn we terug in het dorp. Na maanden wordt het pakje boter bij de Lords teruggebracht en heeft Maggie nog een onderonsje met Mireille, maar echt overtuigend is het einde niet van dit dunne, maar zeker niet magere debuut dat deels autobiografisch is.

    Megan van Kessel studeerde af aan de Gerrit Rietveld academie,  is moeder van twee zoontjes en schrijft onder andere voor Het Parool. Zelf ervaarde ze een afwezige vader en een verbroken relatie met haar stiefmoeder. Van Kessel stelt zich kwetsbaar op, met de nodige zelfspot waar het gaat om de aanleg van de tuin en soms is ze onhandig en gewoon lui. Dat haar relatie met Alfons warm is en ze samen liefdevolle ouders zijn vormt een mooie tegenstelling met Maggie’s kille jeugd.

     

  • Oogst week 7 – 2023

    De Netanyahu’s

    Onlangs is de roman De Netanyahu’s verschenen van de Amerikaanse schrijver Joshua Cohen. De lange ondertitel luidt: Een verhaal over een onbetekenende en uiteindelijk zelfs verwaarloosbare episode in de geschiedenis van een zeer beroemde familie.

    Het werd vertaald door Janine van der Kooij.

    Joshua Cohen is een van de snelst rijzende literaire sterauteurs van Amerika. Met The Netanyahu’s won hij in 2022 de Pulitzer Prijs en de National Jewish Book Award for Fiction. Met zijn boeken kwam hij voor in gerenommeerde top-zoveel-lijsten, maar De Netanyahu’s is pas het eerste boek dat van hem in het Nederlands vertaald werd. Als het hier net zo positief ontvangen wordt als in Amerika, zullen vertalingen van zijn andere boeken wel snel volgen.

    De loftuitingen vliegen je om de oren als je informatie opzoekt over dit boek, op de flaptekst wordt bijvoorbeeld de The New York Times geciteerd ‘Pakkend, verrukkelijk hilarisch, adembenemend en een van de beste en relevantste boeken die ik in wat wel een eeuwigheid lijkt heb gelezen.’

    En de jury van de Pulitzer Prize schrijft: ‘Een bijtende, taalkunstige en historisch onderlegde roman over de ambiguïteiten van de Joods-Amerikaanse beleving.’

     De Netanyahu’s
    Auteur: Joshua Cohen
    Uitgeverij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar (2023)

    Dans Panfilo dans

    Op zijn website noemt Kyian Esser (Amsterdam 1992) zich acteur, auteur en artiest. Maar kroegbaas is hij ook. Van Café de Richel in Amsterdam.

    Als acteur is hij verbonden aan De Theatertroep en De Spelersfederatie. In het najaar van 2023 gaat Wie de fuk is Alice in premiere, een komedie die Esser geïnspireerd op het werk van Greta Gerwig -speciaal schreef voor de Theatertroep.

    In 2017 won hij met zijn verhaal Grote lijnen, kleine mannen de finale van WriteNow! Het juryrapport schreef over zijn verhaal: ‘Hier is een schrijver aan het woord die ambitieus schrijft, maar nergens pretentieus wordt […]

    Dans, Panfilo, dans is zijn debuutroman. Het vertelt het verhaal over een ontluikende liefde tussen twee jonge jongens. Het is een vakantieliefde maar een die ze nooit vergeten en waarnaar ze als ze volwassen zijn, op zoek gaan.

    Dans Panfilo dans
    Auteur: Kyrian Esser
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2023)

    ZamZam

    Anne Vegter was gedurende de jaren 2021 en 2022 stadsdichter van Rotterdam, de stad waar zij al dertig jaar woont.

    Tijdens Gedichtendag, de aftrap van de Poëzieweek, in januari jl. is in die hoedanigheid afscheid van Vegter genomen. Het was tevens de dag waarop ZamZam werd gepresenteerd, een bundel met al Vegters Rotterdamse gedichten.

    Ze heeft daarvoor niet stilgezeten. Zij heeft de afgelopen twee jaar alle hoeken van de stad bezocht, met inwoners gesproken en beschreven wat ze zag en hoorde. Afhankelijk van wat ze aantrof schreef ze er uiteenlopende gedichten over.

    Met het fotoverslag van beeldend kunstenaar Kamiel Verschuren en een essay van compagnon Xandra Nibbeling krijgt Rotterdam er een bundel van eigen klasse voor terug.

    Schrijver, theatermaker en performer Elfie Tromp is de nieuwe stadsdichter van Rotterdam.

    ZamZam
    Auteur: Anne Vegter
    Uitgeverij: uitgeverij Querido (2023)
  • Oogst week 51 – 2022

    Grijze bijen

    Andrej Koerkov (Leningrad, 1961) is de beroemdste schrijver van Oekraïne. Niet omdat de Oekraïners zo veel lezen maar omdat Koerkov regelmatig op tv verschijnt en buitenlandse media hem interviewen over de huidige toestand van zijn land. Koerkov schrijft in het Russisch, wat hem door Oekraïners wel werd verweten. Zelf zegt hij daarover in een interview in Trouw: ‘Ik spreek beter Oekraïens dan veel Oekraïenstaligen. Toen Oekraïne nog een Sovjetrepubliek was, redigeerde ik Oekraïense vertalingen van buitenlandse romans.’ Inmiddels is hij opgehouden te publiceren in het Russisch.

    Toen pro-Russische separatisten de oblasten Loehansk en Donetsk in de oostelijke Donbass tot volksrepublieken verklaarden begon daar de oorlog al. Koerkov, die enkele reizen maakte in het gebied, schreef zijn roman Grijze bijen in 2018. Op de frontlijn, de grijze zone tussen Oekraïne en Donetsk, woont in een klein dorp de imker Sergej Sergejitsj. Stroom is er niet meer, voedsel nauwelijks en het is bitterkoud. Met een vroegere jeugdvijand, de enige andere menselijke aanwezige, drinkt Sergej wodka. De twee voeren gesprekken vol zwarte humor, opgetekend in Koerkovs ironiserende stijl. Sergej voelt zich verantwoordelijk voor zijn bijen. Hij is bang dat het oorlogsgeweld hen verjaagt en in de lente verlaat hij met zes bijenkasten het dorp, richting de Krim waar het dan nog veilig is. Onderweg krijgt hij te maken met strijders aan weerskanten van de gevechtslinies: loyalisten, separatisten, Russische bezetters en Krim-Tataren, en met evenzovele paspoortcontroles. Bij een ervan nemen de Russen één van Sergejs bijenkasten in beslag. Als hij de kast terugkrijgt, zijn de bijen grijs geworden.

    Het lezen van Grijze Bijen biedt een mogelijkheid om iets te gaan begrijpen van de waanzin die de oorlog in Oekraïne beheerst. De licht absurdistische stijl van de schrijver voorkomt dat het een zwaar boek is.

    Grijze bijen
    Auteur: Andrej Koerkov
    Uitgeverij: Uitgeverij Prometheus

    Pose – Over hoe we kijken en wie we spelen

    Basje Boer wil meer vrouwelijke sukkels in films. De schrijver en filmessayist publiceerde recent Pose – Over hoe we kijken en wie we spelen, een bundel met essays over hoe vrouwen worden neergezet in films, verhalen en ander cultuuruitingen, en hoe ze zich gedragen in de werkelijkheid: als vrouw, moeder, femme fatale, slachtoffer of bitch, clichébeelden die even stereotype als hardnekkig zijn.

    Aan de hand van oude en nieuwe films, popidolen, personages en persona’s onderzoekt Boer in Pose welke vrouwenrollen ons worden voorgeschoteld en hoe ze worden bekeken. Ook vrouwen kijken volgens Boer met de male gaze naar andere vrouwen. Zij worden nog te veel gezien als een passief wezen. Zo is schoonheid, mooi zijn, een rol die vrouwen macht geeft, maar wel een die vaak door de kleding die ze draagt passiviteit uitstraalt. Mooie kleding wekt geen actieve indruk.

    Boer schrijft ook over haar persoonlijke ervaringen wanneer dat relevant is voor het onderwerp van het desbetreffende essay. Bijvoorbeeld in een stuk over gekke vrouwen in films gaat ze in op haar eigen weg naar therapie. Ze heeft het over jeugdidolen en over films waarin vrouwen geen fouten maken. Film staat dicht bij de werkelijkheid, de vrouwen erin zijn voorbeelden waaraan we ons spiegelen. In films komen wel mannelijke sukkels voor, betoogt Boer, maar geen vrouwelijke. Zij zou zich graag eens met een vrouwelijke sukkel willen identificeren. Wordt het tijd ons tegen de clichés te gaan verzetten?

    Pose - Over hoe we kijken en wie we spelen
    Auteur: Basje Boer
    Uitgeverij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

    Na de bevrijding – Aantekeningen over de Goelag, 1944-1956

    De Poolse Barbara Skarga (1919-2009) moest haar manuscript van Na de bevrijding- Aantekeningen over de Goelag, 1944-1956 geregeld langere tijd wegleggen omdat tijdens het schrijven haar nachtmerries terugkwamen. Toch vond ze het haar plicht om haar herinneringen aan de gebeurtenissen in de strafkampen de wereld in te sturen.

    Skarga studeerde filosofie, waarmee ze stopt vanwege de Tweede Wereldoorlog. Ze gaat bij het Poolse verzet. Onverwacht wordt ze in september 1944 door het Russische leger gearresteerd. Vanaf 1946 zit ze met honderdduizenden landgenoten in verschillende goelags, onderworpen aan meer dan acht jaar dwangarbeid in een ziekenhuis, een steenfabriek en aan een spoorlijn.
    Als ze na tien jaar ‘vrij’ komt wordt ze nog verplicht in een kolchoz te werken. In 1956 pakt ze, terug in Polen, haar studie weer op, promoveert, werkt haar hele leven als hoogleraar en schrijft vele filosofische werken. Ze mengt zich in het publieke debat en is betrokken bij de Poolse solidariteitsbeweging Solidarność.
    Na de bevrijding publiceerde ze pas in 1985, onder pseudoniem. Haar aantekeningen over haar ervaringen in de goelagkampen zijn gegroepeerd rond thema’s als het dagelijks leven, ziekenhuis, werk en zelfs de liefde.

    Er zijn meer boeken verschenen over de Russische strafkampen, zoals het invloedrijke De Goelag Archipel van Aleksandr Solzjenitsin, Berichten uit Kolyma van Varlam Sjalamov en Goelag, een geschiedenis van Anne Applebaum, waarin de verschrikkingen van de gevangenkampen beschreven worden.
    Wat Na de bevrijding hiervan onderscheidt zijn de spot en humor waarmee Skarga vertelt over de kamphiërarchie, de honger, het vuil, het geweld, de misdaden. En over de angst voor verkrachtingen. Het boek is een mix van memoir, filosofische gedachten, essay en geschiedschrijving en toont de werking van het Sovjetsysteem aan.

    Na de bevrijding - Aantekeningen over de Goelag, 1944-1956
    Auteur: Barbara Skarga
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Waarom we feminisme nog steeds nodig hebben

    Waarom we feminisme nog steeds nodig hebben

    ‘Wanneer worden vrouwen onvermijdelijk? Wanneer worden ze urgent?’ schreef auteur Stella Bergsma (1970) vier jaar geleden in De Volkskrant. Het antwoord op deze vragen geeft ze in het manifest Nouveau Fuck, een pleidooi voor een nieuwe stroming met diezelfde naam: ‘Dit manifest is bedoeld voor iedereen die geen zin heeft in de performance van een persoonlijkheid, het suffe script wil herschrijven. Voor iedereen die mens wil zijn in plaats van beeld. Iedereen die haar handtekening wil achterlaten. Kortom, dit manifest is bedoeld voor iedereen.’ 

    Stella Bergsma schrijft over vrouwen, omdat ze daar naar eigen zeggen het meeste vanaf weet, maar de thema’s die ze behandelt sluiten aan bij iedereen die zich buiten de norm bevindt. Door middel van de vijf ‘wezen’ geeft ze handvatten voor een ongeremder leven:  ‘wees slecht’, ‘wees woedend’, ‘wees onbeschaamd’, ‘wees onbescheiden’ en ‘wees gevaarlijk’. Voor een manifest met de titel Nouveau Fuck is de inhoud echter verrassend genuanceerd: de ‘wezen’ kunnen worden samengevat als  ‘wees jezelf’. Aan de hand van wetenschappelijk onderzoek en haar eigen ervaringen schetst Bergsma een wereld waarin (witte) mannen de macht hebben, maar dit manifest is geen aanval op deze mannen. Het is een aanval op de manier waarop de maatschappij in elkaar zit. Als vrouwen die macht zouden hebben, zou dat niet per se beter zijn.

    Bergsma kaart de problemen helder en zonder omwegen aan: ‘Uit een wereldwijd, zes jaar durend onderzoek blijkt dat kinderen vanaf hun tiende jaar gaan geloven in de stereotypen over hun geslacht. Tot hun zesde denken meisjes hetzelfde over zichzelf als jongetjes. Ze menen alles te kunnen en te mogen, maar eenmaal op schoolgaande leeftijd gaat het snel bergafwaarts.’ Een paar regels later: ‘Wisten jullie dat Mozart een briljant zusje had, Fuckers? Nee, dat dacht ik al. Dan weet je het nu.’

    De manier waarop Bergsma ons aanspreekt

    Het woord ‘Fuckers’ komt vaak voor, soms meerdere keren op één bladzijde, het is namelijk de manier waarop Bergsma de lezer aanspreekt. Dit past bij de woede waar ze voor pleit, maar je vraagt je af waarom het zo vaak moet terugkomen. Na een paar pagina’s is het schokeffect verdwenen en wordt het bijna komisch, wat niet strookt met de inhoud van Nouveau Fuck, dat een sterk betoog over ongelijkheid in de samenleving is. Het te vaak gebruiken van ‘Fuckers’ dreigt de boodschap uit te dragen dat we dit betoog niet serieus hoeven te nemen. En dat is jammer, want Bergsma zet precies uiteen waarom we feminisme vandaag de dag nog steeds nodig hebben.

    Naast het bekende glazen plafond en salarisongelijkheid geeft ze alledaagse voorbeelden om problemen mee aan te kaarten. Zo koppelt ze het feit dat mannen graag wijdbeens in het openbaar vervoer zitten aan zich groot maken, een plaats in de wereld innemen. Dit terwijl vrouwen, die in het openbaar vervoer vaak met hun benen over elkaar zitten, zichzelf binnen de maatschappij kleiner moeten maken en bescheidener moeten zijn: ‘Dit zijn ongeschreven wetten, die pas opvallen als je ze overtreedt.’       

    Lachen en dronken worden

    Naast de vijf ‘wezen’ geeft Bergsma ook praktische tips voor ‘een hemels dwars leven’, zoals meer lachen, nergens bij horen, dronken worden en met verve falen. Hoewel deze adviezen oppervlakkig klinken, bevatten ze verrassend veel inhoud, bijvoorbeeld in dit citaat over dronken worden. ‘Verlies jezelf. Verliezen betekent: je niets aantrekken van de meningen van anderen en vooral die van jezelf. (…) Dronkenschap is een van de vele manieren om die stem tot stilte te manen.’ 

    Deze innerlijke criticus komt ook terug in het indrukwekkendste gedeelte van dit manifest, waarin Bergsma een ‘anti-selfie’ maakt: twee-en-halve pagina lang somt ze haar angsten en verlangens op, haar paradoxale gedachten, boosheid en lelijkheid, zo rauw en zo mooi dat je de blik niet kunt afwenden: ‘Het meest moederlijke wat ik ooit gedaan heb voor mijn kind, is het niet krijgen.’ Ze daagt de lezer uit om ook een ongefilterde tirade te schrijven en die naar haar te mailen, daarvoor geeft ze haar e-mailadres.

    Kwetsbaarheid tot kracht maken

    De stroming Nouveau Fuck heeft zeven stellingen. Enkele ervan zijn: niet klagen maar constateren, op taal letten en scherp zijn op de inhoud in plaats van op de persoon. Dat is precies wat Bergsma in dit manifest doet en dat maakt de tekst toegankelijk en redelijk. Feministen worden er regelmatig van beschuldigd mannenhaters te zijn, maar Bergsma bewijst dat deze twee woorden weinig met elkaar te maken hebben. In een passage over ‘hufters’ klaagt Bergsma niet dat mannen hufters zijn, ze vraagt zich juist af: ‘Waarom zouden alleen mannen hufters mogen zijn?’

    De oplossing voor een wereld waarin mannen en vrouwen gelijk zijn ligt bij deels vrouwen zelf, zoals  blijkt uit de vijf ‘wezen’. Bergsma gebruikt wetenschap, betogen, ideeën, stellingen, leestips, kijktips en luistertips om vrouwen een oplossing te bieden. Zo raadt ze bijvoorbeeld het korte verhaal The Lottery van Shirley Jackson aan en het nummer ‘Mama was een klootzak’ van Roxeanne Hazes. Ook heeft Bergsma een lijst met ‘voorbeeldfuckers’ in het manifest opgenomen, waarin ze onder meer David Bowie, Marie Curie, Ada Lovelace, Sylvia Plath en Oscar Wilde noemt. 

    Nergens wordt de verteltoon dwingend: iedereen die dit leest zal zichzelf ergens in dit manifest kunnen herkennen en er iets nuttigs uithalen. Bergsma schrijft overtuigend, goed onderbouwd en urgent. Ze pleit voor menselijkheid, een universeel thema, en dat kracht en kwetsbaarheid moeten worden gevierd in plaats van dat we ons ervoor schamen. Iedereen zou Nouveau Fuck moeten lezen, dit betoog zou je blik op de maatschappij voor altijd kunnen veranderen.

     

  • Hommeles in de Zweedse Academie

    Hommeles in de Zweedse Academie

    Even recapituleren. U herinnert zich misschien nog dat de Nobelprijs voor Literatuur in 2018 niet werd toegekend als gevolg van een intern schandaal bij de Zweedse Academie, die elk jaar een winnende schrijver moet selecteren. Achteraf ging hij alsnog naar Olga Tokarczuk, maar het leed was geschied en de reputatie van het Nobelprijscomité kreeg een lelijke knauw. In feite ging het om de nasleep van een MeToo-schandaal dat aan het licht werd gebracht door de jonge Zweedse journaliste Matilda Gustavsson (1987). Zij schreef een boek over de hele affaire: Het bolwerk.

    Terug naar het begin. We schrijven 2017, de affaire Weinstein is aan het licht gekomen en ook komiek Bill Cosby wordt beschuldigd van ernstig misbruik. Journaliste Matilda Gustavsson werkt bij de Zweedse krant Dagens Nyheter en beseft dat er iets aan het veranderen is: ‘Zolang ik me kan heugen werden de ervaringen die nu onder de noemer “seksuele intimidatie en seksueel misbruik” worden samengevat, behandeld als een vrouwenaangelegenheid. Of als een weerbarstige en taaie arbeidsomstandighedenkwestie. Of als iets wat eigenlijk in de privésfeer thuishoort.’ Met andere woorden: MeToo betekent voor haar dat klachten over seksueel wangedrag verschuiven van de privésfeer naar het openbare terrein.

    Spin in het web

    Dat besef brengt Gustavsson op het spoor van een zaak waarover ze al langer hardnekkige geruchten opvangt. De spin in het web is ene Jean-Claude Arnault, een Fransman die al sinds de jaren zestig in Zweden woont, met de vooraanstaande dichteres Katarina Frostenson is getrouwd en uitbater is van Forum, een bekend kunstencentrum in Stockholm waar tentoonstellingen, voordrachten, concerten enzovoort plaatsvinden. In het culturele milieu van de Zweedse hoofdstad was het een publiek geheim dat Arnault zijn handen niet kon thuishouden. Wanneer Gustavsson de geruchten natrekt, komt ze via via in contact met een aantal vrouwen die haar weifelend beginnen te vertellen over schokkend misbruik. Nu is MeToo een zeer ruime parapluterm geworden voor allerlei vormen van grensoverschrijdend gedrag die kunnen variëren van ongewenste aanrakingen of stalking tot nog veel erger, maar in het geval van Arnault was er maar een geschikt woord om de feiten te beschrijven: verkrachting.

    Hoe komt het dat hij in een progressief land als Zweden, met een aangepaste wetgeving voor seksuele misdrijven, zo lang ongestraft zijn zin kon doen? Gustavsson haalt daarvoor meerdere redenen aan in haar heldere analyse. Ten eerste was Arnault een spilfiguur in het Zweedse culturele milieu. Hij had contacten tot op het hoogste niveau en de macht om iemands carrière te maken of te kraken. Daar maakte hij gretig gebruik van om zijn slachtoffers te intimideren: een jonge schrijfster of kunstenares kon haar carrière wel op haar buik schrijven als ze durfde te klagen. Het is helaas een terugkerend fenomeen: MeToo gaat eigenlijk veeleer over machtsmisbruik dan over seks.

    Slachtoffers en wraak

    Een tweede oorzaak van het probleem is veeleer psychologisch van aard en verklaart ook waarom seksueel misbruik zo vaak onder de radar blijft. Veel slachtoffers voelen immers schaamte en vinden het te pijnlijk om aangifte te doen van de feiten, laat staan om ze voor een volle rechtbank te herhalen: ‘Die ideeën maken van een verkrachting een aanval op de essentie van de vrouw. Ze raakt tot in het diepst van haar wezen bezoedeld en de dominante emotie achteraf is in de meeste culturen dan ook schaamte. In fictie zint het slachtoffer soms op bloedige wraak. Maar meestal staat ze onder de douche en probeert ze zich vergeefs schoon te schrobben.’ Gustavsson komt zo ook in contact met vrouwen die met hun traumatische ervaring leerden leven door de feiten voor zichzelf te minimaliseren (‘Ik had gewoon een slechte onenightstand meegemaakt’).

    Daar komt nog bij dat slachtoffers vaak met onbegrip worden geconfronteerd en vernederende, irrelevante vragen krijgen over de kleren die ze op het moment van de feiten droegen, de drugs of alcohol die ze hadden gebruikt en hun eigen seksuele voorgeschiedenis of vermeende promiscuïteit. Sommige slachtoffers van Arnault zochten bijvoorbeeld aanvankelijk zelf toenadering, of stemden zelfs in met seks – tot hij gewelddadig werd. Nog steeds worden MeToo-zaken geminimaliseerd, terwijl er echt geen enkel geval is dat alleen maar over vervelende knipoogjes of enigszins misplaatst geflirt gaat.

    In het verlengde hiervan ligt ook een juridisch probleem waar de slachtoffers in dit boek zich maar al te goed bewust van waren. In westerse rechtssystemen ben je onschuldig tot het tegendeel is bewezen, en de moeilijkheid met verkrachtingszaken is dat die schuld vaak erg moeilijk hard te maken is. Meestal zijn er namelijk geen onafhankelijke getuigen en ontbreken er materiële, forensische bewijzen. Zelfs een lichamelijk onderzoek biedt lang niet altijd uitsluitsel, omdat slachtoffers zich in een paniekreactie vaak passief, zelfs afwezig opstellen tijdens een verkrachting en niet actief weerstand bieden. Kortom, het is jouw woord tegen het zijne, zoals blijkt uit de vele anonieme getuigenissen in dit boek.

    Meerdere keren buiten zijn boekje gegaan

    Maar Gustavsson zette door en verzamelde genoeg getuigenissen om Arnaults positie aan het wankelen te brengen. Na een zeer spraakmakend artikel kwam de hele zaak in een stroomversnelling, waardoor zelfs de nobele Zweedse Academie op haar grondvesten ging daveren. Omdat zijn echtgenote, die hem tot de laatste snik bleef verdedigen, lid was en bovendien bleek dat Arnault ook in andere opzichten zijn boekje te buiten was gegaan – bijvoorbeeld door de naam van de Nobelprijswinnaar meermaals op voorhand te lekken – verzeilde het onaantastbare instituut in een diepe crisis en namen meerdere leden ontslag. Het probleem werd zo groot de Nobelprijs voor de Literatuur in 2018 niet kon worden uitgereikt.

    Of dat laatste nou zo erg was, valt misschien nog te betwisten. De prijs gaat doorgaans toch naar oudere successchrijvers die hun schaapjes allang op het droge hebben en vaak zelfs al wat op hun retour zijn. Daar komt nog bij dat de selectie op zich toch eigenlijk een farce is. Hoe kan zo’n comité een objectieve winnaar kiezen uit de hele wereldliteratuur, zelfs als het zich laat adviseren? Eigenlijk is het jammer dat dit schandaal niet meteen de gelegenheid was voor een verstrekkende hervorming. Zou het bijvoorbeeld niet beter zijn om het prijzengeld elk jaar te verdelen onder een aantal veelbelovende auteurs die het geld hard nodig hebben, en de selectie daarvan toe te vertrouwen aan regionale subcomités die tenminste de kandidaten gelezen hebben?

    Arnault zit ondertussen een gevangenisstraf van twee jaar uit omdat een aantal slachtoffers dankzij het moedige doorzettingsvermogen van Gustavsson, die nooit is gezwicht voor de pogingen tot intimidatie van Arnault en diens omgeving, alsnog aangifte deden. Wel rijst er na het lezen van dit boek nog een prangende vraag: hoe kan je in de toekomst verhinderen dat machtige mannen hun positie misbruiken om hun seksueel misbruik toe te dekken? Op dat gebied is er duidelijk nog veel werk aan de winkel.

  • Barbara Stok in het basispakket!

    Barbara Stok in het basispakket!

    Alle kunst begint bij de waarneming en zeker de beeldende kunst. Bij de striptekenaar Barbara Stok valt dat wel heel erg op. Ook in haar nieuwe boek, Toch een geluk, weet ze in elke tekening feilloos wat de essentie is. Die tekent ze. Ze kan een emotie terugbrengen tot een blik, de stand van een mond, een gebaar, en altijd weet je precies wat het personage voelt.
    Daardoor doen de tekeningen van Stok simpel aan: al het overbodige is immers weggelaten. Een argeloze lezer zou kunnen denken dat het eenvoudig is om zulke tekeningen te maken. Die vergist zich. Je moet heel goed zijn als je zoveel niet hoeft te tekenen.

    Die scherpe waarneming zien we bij Stok niet alleen terug in het beeld. Ze weet ook de verhouding en de interactie tussen mensen scherp te treffen, ook door de teksten die ze gebruikt. Een enkele opmerking maakt vaak alles duidelijk.
    Vooral ook kijkt ze scherp naar zichzelf. Daarbij ontziet ze zichzelf niet. Ze durft haar schaamte en haar kwetsbaarheid op te zoeken, ze durft zichzelf in situaties te brengen waarin ze bepaald geen heldenrol speelt. Daardoor durft de lezer dichterbij te komen. Hij herkent zijn eigen onvolmaaktheid, zijn klunzigheid. Hij kan die alleen niet zo scherp onder woorden brengen en niet in zulke rake beelden treffen.

    Succes
    Wat hierboven staat, geldt voor veel uit Toch een geluk, maar eigenlijk voor nagenoeg al het werk van Barbara Stok, dat in brede kring gewaardeerd wordt. Niet voor niets heeft ze al in 2009 de Stripschapprijs voor haar hele oeuvre gekregen. Ze was in de vijfendertig jaar dat de prijs toen bestond de eerste vrouw in de rij laureaten. De tweede vrouw won hem in dit jaar: Maaike Hartjes, wier naam in 2009 al in het jury-overleg werd genoemd.
    Wat de prijs met haar deed en welke vermoeiende drukte het gevolg was, liet Stok al zien in een vorig boek, Lang zal ze leven! (2013). In Toch een geluk beschrijft ze een ander succes, haar getekende biografie van Vincent van Gogh, die wereldwijd goed verkocht werd. Stok vertelt waar dat boek haar heen voert, maar ook hoe het wennen is als je niet meer aan zo’n project hoeft te werken. Natuurlijk is het mooi als een grote opdracht af is, maar het is ook een leegte.

    Over Van Gogh schrijft Barbara Stok in proza. Blijkbaar had ze meer tekst nodig dan gebruikelijk. Natuurlijk is haar tekst wel rijk geïllustreerd. Het verslag over Van Gogh brengt lijn aan in het boek. Daartussendoor staat kort werk, soms maar één tekening lang, soms een pagina lang, soms enkele pagina’s. We zijn dat gewend uit haar vorige boeken, die ook vaak een kleurige lapjesdeken van getekende verhaaltjes waren.

    Fans
    Zou er iemand zijn die niet houdt van het werk van Barbara Stok? Waarschijnlijk niet. Dat heeft niet alleen te maken met de kwaliteit van dat werk, maar ook met het optimisme dat eruit spreekt. Stok schuwt de moeilijke dingen in het leven niet, maar hoe het ook tegenzit, ze ziet in het donker altijd wel een straaltje licht. Ze zoekt het kleine geluk op en geniet van dingen waar een minder opmerkzaam persoon aan voorbij zou leven. En dan is er natuurlijk haar humor, die je vaak breed doet grijnzen.
    Het lijkt erop dat iedereen beter wordt van het lezen van het werk van Stok. Aangezien het niet ongebruikelijk is alternatieve geneeswijzen te declareren zijn bij de ziektekostenverzekering, ook als de werking ervan niet bewezen is, is dit een pleidooi voor het opnemen van het werk van Barbara Stok in het basispakket. De werking is evident. Dagelijks een beetje Barbara is een probaat middel tegen een veelheid aan kwalen.

  • Voer voor discussie

    Voer voor discussie

    ‘Het woord multicultureel bestond gelukkig nog niet’, zo zegt tv-persoonlijkheid Chazia Mourali over haar jeugd in het interviewboek Kaaskoppen van Robert Vuijsje. Wat er precies mis is met deze term legt ze niet uit. Het is een feit dat het begrip multiculturalisme besmet is geraakt in het maatschappelijk debat. Maar in dat debat wordt nooit duidelijk waarom deze term eigenlijk niet goed zou zijn. De argumentatie van multiculti-haters komt meestal niet verder dan: ‘ik ben blank, dus andere mensen moeten ook blank zijn.’

    Waarom zou je tegen een cultuurdiverse samenleving zijn? Wat is er precies mis met het samenleven met mensen met een achtergrond die van die van de meerderheid afwijkt? Wat is hun maatschappelijke zichtbaarheid eigenlijk? Wat zijn hun de kansen op succes? Dat zijn vragen die de geïnterviewden bezig houden in dit boek. Vuijsje vat in zijn bundeling van meningen van ‘allochtonen’ de problematiek zo samen: ‘Hoe leven wij met elkaar samen in dit land, met alle verschillende soorten mensen die hier wonen?’ (63) In dat licht was het misschien goed geweest als er ook wat meer ‘autochtonen’ dan nu het geval is aan het woord waren gekomen, volgens het journalistieke principe van ‘hoor en wederhoor.’

    Vuijsje had zijn boek mogelijk een programmatische ondertitel als ‘Over multiculturalisme in Nederland’ mee kunnen geven, maar hij deed dat nadrukkelijk niet. In zijn inleiding geeft hij aan dat hij niet ‘politiek correct’ wil zijn maar ‘realistisch’. (11) Dat ‘politiek correct’ maar een ‘frame’ is, bedacht door mensen die wrevel voelen omdat ze op het morele gehalte van hun taal en gedrag worden aangesproken, meldt Vuijsje niet. Vuijsje werd zelf, zoals hij in Kaaskoppen ook opmerkt, overigens door sommigen als politiek incorrect neergezet na het verschijnen van zijn boek Alleen maar nette mensen. In de hoedanigheid van zowel (vermeend) politiek correct als incorrect lijkt hij een ideale gids langs de problematiek.

    Robert Vuijsje is een literator, geen wetenschapper. Hij biedt geen diepgravende analyse, maar zijn boek met fragmenten uit interviews (uit onder meer de Volkskrant) met ‘nieuwe kaaskoppen’ (mensen levend in Nederland die wel ‘allochtonen’ worden genoemd) bevat veel discussiemateriaal en zou niet misstaan op de leeslijsten van middelbare scholen.

    Vuijsje betoont zich in het eerste deel van het boek een voorzichtige commentator. Hij laat de meningen van de geïnterviewden vooral voor zich spreken. Een studie van de oorzaken van racisme in Nederland is dit boek niet. Vuijsje gaat bijvoorbeeld niet in op de cultus van ‘het benoemen van problemen.’ Het benoemen, uitvergroten en concretiseren van problemen maakt deze problemen doorgaans veel erger, zo wijst de geschiedenis uit. Bepaalde zaken worden ‘zegbaar’ omdat de taal ervoor voor handen is, zou Michel Foucault opmerken. Dit terwijl in plaats van de problemen op de spits te drijven en vast te leggen, pragmatisch doormodderen misschien beter zou zijn. Met bepaalde ‘benoemende’ termen wordt de werkelijkheid versimpeld. Denk aan begrippen als ‘allochtonen’, ‘islamisering’, ‘kutmarokkanen’, ‘massa-immigatie’ en ‘niet-westerse migranten.’ Wat is precies de heilzame werking van het gebruik van deze termen (geweest)?

    Neem de laatste term: ‘niet-westerse migranten’ (of ‘niet-westerse allochtonen’). Waarom zou je zo’n categorie gebruiken? Wil men daarmee misschien uitdrukken dat sommige migranten niet lijken op Westerlingen en dat dat een probleem is? Moeten deze migranten hun haar soms blonderen en blauwe contactlenzen dragen, zoals een van de geïnterviewde Nederlands-Turkse vrouwen doet? Opiniemakers die een term als ‘niet-Westerse migranten’ gebruiken worden geprezen omdat zij dingen ‘bespreekbaar’ maken. Het blijft vooralsnog onduidelijk waarom racisme bespreekbaar maken eigenlijk lovenswaardig is. Het gebruik van een dergelijke term draagt bij aan het scheppen van een basisvoorwaarde voor racisme, oftewel het creëren van een klimaat waarin de angst voor ‘het vreemde’ wordt begrepen of zelfs gevierd, in plaats van dat er geprobeerd wordt deze angst te verhelpen.

    Waar is links?
    Het politieke debat in Nederland (en eigenlijk in bijna heel Europa) wordt gevoerd tussen rechts en extreemrechts. De verwonderde waarnemer van het politieke midden mist een krachtig en effectief tegengeluid van de linkerzijde. Een democratie is gebaat bij pluriformiteit, daarom is het nodig dat linkse intellectuelen vlammende essays schrijven. Waarom is er in een landelijk medium nog geen stuk met de titel ‘Het extreemrechtse drama’ verschenen, een verlate reactie op Paul Scheffers ‘Het multiculturele drama’? Waarom zijn er bijna geen politiek geëngageerde schrijvers die durven te schoppen tegen de schenen van de tijdgeest? Waarom uit Robert Vuijsje zich bijvoorbeeld niet meer bevlogen? Hij maakt nu vooral zijn eigen ambivalente positie duidelijk. Dat is literair gezien geslaagd, maar een debat win je er niet mee.

    Mogelijk vererger je het probleem door een artikel de net genoemde titel mee te geven, door het probleem dus te ‘benoemen’, door te polariseren ook, maar een alternatieve aanpak is er niet. Naar gematigde mensen wordt immers niet meer geluisterd in een maatschappij van Nieuwe Hufterigheid. Appeasementpolitiek, zo weten we uit de geschiedenis, werkt niet. In het huidige ‘debat’ wordt extreemrechts naar de mond gepraat omdat men bang is anders niet populair te zijn. In de jaren negentig gold Bolkestein als uiterst rechts, aan het begin van het nieuwe millennium was die rol voor Fortuyn en nu zitten we met Wilders. Met andere woorden: rechts wordt steeds extremer, vooral ook omdat er geen tegengeluid is. In een goed functionerende democratie zouden links en rechts elkaars extremiteit moeten temperen.

    Niet alle vormen van ‘benoemen’ zijn overigens even laakbaar. Aan de ene kant zijn er diegenen die een ‘probleem’ aankaarten dat voortkomt uit intolerantie, een verbloemd ‘eigen volk eerst’-verhaal dus. Terwijl er aan de andere kant ook mensen zijn die (en dat is minder laakbaar) een probleem aankaarten omdat men kritisch is over precies die intolerantie (intolerantie niet alleen van extreemrechts, maar ook van moslimextremisten). In die zin is een debat over een onderwerp als dit oneerlijk. Men strijdt op moreel vlak niet met gelijke wapens. Men zou compassie moeten hebben met mensen, gehaaide debaters soms, die uiteindelijk niet in de geschiedenisboeken zullen komen als ‘de grootste Nederlander’, maar als mensen die simpelweg geen heilzame visie hadden, mensen die niet met het maatschappelijk belang maar met hun eigen egotrip bezig waren.

    Je gunt een man als Wilders klein levensgeluk: dat hij in zijn volkstuintje een vlag mag planten en ‘minder minder minder’ tegen zijn tuinkruiden kan roepen, maar hij kan de politiek beter aan verantwoordelijke mensen overlaten. Niet dat zijn terugtreden uit de politiek uiteindelijk veel zal helpen, als Wilders uit beeld verdwijnt zal een type als Rita Verdonk weer opduiken vanuit het Rijk der Vergetelheid. Dat geeft aan dat het probleem structureel geworden is. De maatschappij is verziekt, er is na de Fortuyn-revolutie geen normalisering opgetreden. Voor een dergelijke analyse van structurele problemen kun je niet terecht in Kaaskoppen, dat vooral heel veel citaten bevat, niet altijd met duiding. Vuijsje komt in het eerste deel van Kaaskoppen niet veel verder dan te stellen dat ‘dit land boos is, en in de war.’ (63)

    In het boek komt actrice Jasmine Sendar (1977) aan het woord. Ze vertelt dat ze in haar jeugd in Dordrecht gepest is: ‘Ik kwam daar in aanraking met pesten, het heeft tien jaar geduurd. Ze wachtten me op, scholden me uit voor Zwarte Piet, gingen met hun hand in mijn gezicht om te zien of ik af zou geven. Op school deed ik vaak alsof ik buikpijn had om naar huis te kunnen.’ (41) Politici die, nadat uit kiezersonderzoek is gebleken dat er racisme leeft onder het electoraat, dit racisme gaan aanzwengelen, zijn als docenten die meedoen met het pesten van leerlingen: zij maken uit eigen belang gebruik van slechtheid, in plaats van ervoor te kiezen deze slechtheid te bestrijden.

    De meeste mensen in Kaaskoppen kunnen hun mening vrij goed verwoorden. Waarbij opvalt dat de hoogst opgeleiden niet altijd de meest zinvolle dingen zeggen. Zo komt de in 2015 overleden arabist Hans Jansen aan het woord. Volgens hem gaat het politieke debat over ‘de vraag hoe je belastinggeld het beste kunt verdelen. De meeste mensen realiseren zich dat niet. Besteed je het belastinggeld aan de verzorging van ouderen of aan Marokkaanse gezinshereniging en allerlei onduidelijke gesubsidieerde clubs? Dat is waar politiek over gaat. Ik vind dat belastingpenningen moeten gaan naar de mensen die ze hebben opgebracht.’ (153). Met andere woorden: de rijken moeten worden gesubsidieerd, terwijl de sociaal zwakkeren het zelf maar uitzoeken. VVD-politica Samira Bouchibti (oud-PvdA) stelt: ‘Wie je ook bent en waar je vandaan komt: in dit land kun je iets van je eigen leven maken.’ (154-155) Dergelijke meningen zien we meer terug in dit boek: men neemt dan het eigen succes als norm en redeneert: als ik het kan, kunnen alle anderen dit ook. Dat is eenvoudigweg niet altijd (of eigenlijk: meestal niet) waar. Sommige politici hebben te weinig oog voor wat er allemaal mis kan gaan in een mensenleven, of voor het feit dat met het leven worstelende sociaal zwakkeren ook rechten hebben.

    Het tweede deel van Kaaskoppen is sterker dan het begin. Vuijsje behandelt erin heikele thema’s als het Zwarte Piet debat, moslimextremisme en de vluchtelingenproblematiek en komt met de volgende conclusie: ‘discriminatie en racisme bestaan in Nederland.’ (261) Hij stelt ook dat als men om zich heen kijkt men een land in ontwikkeling ziet. ‘Of dat nu als positief of negatief wordt gezien, het ís zo.’ Tegelijkertijd ziet men ‘dat veel autochtone landgenoten, bewust of onbewust, blijven doen alsof deze ontwikkeling niet bestaat. Alsof dit hetzelfde land is als vijftig jaar geleden.’ (261). Vuijsjes visie klopt, zo lijkt het: mensen die cultuurdiversiteit niet accepteren steken hun kop in het zand, het zijn mensen met een kinderlijke visie op de maatschappij, de geschiedenis en de onveranderlijkheid van de eigen cultuur daarin: zij accepteren de realiteit niet, namelijk dat streken, landen, continenten, zich nu eenmaal ontwikkelen en dat er altijd een wisselwerking zal zijn met mensen uit andere culturen. Grow up and deal with it.

     

     

  • ‘Erfgoed van iedereen’

    ‘Erfgoed van iedereen’

    ‘Erfgoed van iedereen’

    Wie de eerste roman van Ellen Ombre (1948, Paramaribo), Negerjood in moederland (2004) kent, zal in haar tweede roman, Erfgoed (2014) veel bekends tegenkomen. Niet alleen wat betreft de thematiek, herinneren of vergeten, gegoten in de vorm van een familiegeschiedenis, maar ook qua problematiek: integratie of assimilatie, liefde en wederzijdse vooroordelen tussen blank en zwart.
    De tweede roman doet erg aan de eerste denken. Ging het in Ombres debuutroman over Hannah Dankerlui, die in therapie was, in de tweede roman gaat het over Lakshmi Kanhai, die psychotherapeute is. Ook de techniek, het werken met flashbacks, komt overeen. Maar er zijn ook saillante verschillen: perspectief, tijd en plaats van handeling zijn verschoven.

    In de eerste roman heet het, met de woorden van Gertrude Stein, die Hannah citeert: ‘Het vergeten of negeren van de eigen identiteit is een voorwaarde tot het scheppen van kunst. Het besef van identiteit vernietigt het ervaren van de wereld …’.
    Het vergeten of negeren van de eigen identiteit ligt in Erfgoed anders. Meteen aan het begin van het boek wordt al duidelijk stelling genomen: Vermeers schilderij Meisje met de parel in het Haagse Mauritshuis, is ‘erfgoed van iedereen.’ Niet alleen van de witte Nederlander, ook van de nieuwe Nederlander.

    In het museum ontmoet de 32-jarige, alleenstaande Lakshmi Kanhai ‘een wat oudere man’, Hans Peters, uit Amsterdam. Hij neemt zijn opvatting dat kunst verbroedert letterlijk, gaat een klein jaar een relatie met Lakshmi aan en maakt haar zwanger. Hij is zwijgzaam, net als Lakshmi’s moeder, die niet antwoordt op de vraag waarom ze eigenlijk geen familie hebben.

    De lievelingsschrijver van Lakshmi’s moeder Káliká is F. Bordewijk, die volgens Káliká van alle tijden is, net zoals Vermeer, een designtafel en een Mart Visserbank van iedereen zijn. Niets in dit huis van Lakshmi doet Hans aan India denken, behalve het eten. En dat is wat hij van een Hindoestaanse familie verwacht, dat ze hem aan India doet denken.

    Een verwijdering en een breuk blijven niet uit, en nadat Hans een illegale winti-aanhangster heeft leren kennen vertrekt hij naar Suriname. ‘Hij verliet ons even makkelijk als de regen die wegtrekt met de wind’, aldus Lakshmi.

    Op hetzelfde moment raakt Lakshmi geïnteresseerd in haar vader, die nog in Suriname woont. Ze zoekt hem, Hans, en haar halfzuster op. Zo reist ze terug naar haar verleden, terwijl haar moeder, met de zorg voor Lakshmi’s en Hans’ dochtertje Aisja, op de toekomst is gericht. Hans lijkt eerder aan het verleden, aan Suriname en plaatselijke gebruiken vast te willen houden. Tekenend is, dat Lakshmi haar camera met alle foto’s van de familie in Suriname kwijt raakt, en daarmee eigenlijk ook het beeld over hoe het in Suriname was. De roman loopt hiermee op zijn eind.

    Erfgoed is een sterke roman, sterker nog dan de debuutroman, die vaak in een essayistische stijl bleef hangen. De personages ontwikkelen zich op een knappe manier. Jammer is wel dat de symboliek die uit het boek spreekt vaak wordt verklaard, zodat de invulling die je er als lezer aan zou willen geven bij voorbaat al is ingevuld.

    Net als in Ombres verhalen (Valse verlangens uit 2000 bijvoorbeeld) leven de personages als het ware twee levens: één in Nederland, en één in Suriname, één in het heden, en één in het verleden. Maar de levens komen in de tweede roman wel steeds dichter naar elkaar toe. De eigen identiteit is niet vergeten of genegeerd, zoals Gertrude Stein voorstelde, maar de wereld blijkt één geheel, zoals ook cultureel erfgoed van iedereen is. Of je het erfgoed daarmee ook meteen begrijpt, is een ander verhaal.

     

    Erfgoed

    Auteur: Ellen Ombre
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar
    Aantal pagina’s: 221
    Prijs: € 19,99 (gebonden met stofomslag)

  • Een anatomie van verlies

    Een anatomie van verlies

    Het gaat alleen maar over Salinger’. Dat zijn de woorden waarmee Joanna Rakoff Mijn jaar met Salinger afsluit. Maar niets is minder waar. Meer dan Salinger staat Rakoff zelf centraal in deze coming of age roman. Haar jaar met Salinger toont vooral haar eigen ontwikkeling van schoolmeisje tot jonge vrouw.

    Rakoff begint haar jaar met Salinger met een garderobe bestaande uit ruitjesrokken en instappers. Volgens haar moeder in New York anno de jaren negentig dé sleutels tot succes voor een pas afgestudeerde jonge dame die het wil maken. En succes is wat Rakoff najaagt. Ze heeft er na haar studie zelfs haar universiteitsvriendje voor verlaten en is naar New York getrokken om als schrijver door te breken.

    Zoals veel andere jonge vrouwen hoopt ze haar schrijverscarrière een kick-start te geven door bij een literair agentschap te gaan werken. En dat lukt: ze wordt snel aangenomen bij het Agentschap, een niet nader omschreven maar gerenommeerd agentschap dat de zakelijke belangen van vooral dode auteurs blijkt te regelen. En van een paar levende auteurs, waaronder J.D. Salinger, Jerry voor de intimi van het Agentschap. Salinger is de onbetwiste ster van het Agentschap, alhoewel hij sinds 1965 niets nieuws meer heeft gepubliceerd. Zijn belangen worden behartigd door de bazin van Rakoff, een wat chagrijnig doorrookte agent, die niet meer van deze tijd lijkt. Zoals overigens ook het agentschap zelf dat nogal Dickensiaans blijkt te zijn. Zo wordt alle correspondentie nog met typemachines afgehandeld en wordt de komst van de eerste computer door enkele vooruitstrevende collega’s gevierd als overwinning op het verleden.

    Rakoff vindt in het begin moeizaam haar weg bij het Agentschap, maar ontpopt zich uiteindelijk tot veelbelovende assistente, die haar baas schijnbaar moeiteloos vervangt als deze voor langere tijd is uitgeschakeld. En dat alles tegen de achtergrond van een groeiend contact met Salinger. In het begin is dat contact nog non-existent; Rakoff wordt niet geacht enig woord met hem te wisselen als hij belt, maar hem direct door te schakelen naar haar bazin. Maar langzamerhand krijgt ze contact met de gevierde schrijver, ook al blijft dat beperkt tot vriendelijkheden aan de telefoon en zijn interesse voor haar schrijversambities.

    Naast de directe contacten met Salinger ontstaat ook op een ander vlak een band met Salinger: Rakovv begint zich steeds meer met hem te vereenzelvigen. Dat is het gevolg van haar taak om zijn fanmail te beantwoorden. Eerst doet ze dat nog met de standaardafwijzingen, van het kaliber ‘dank u voor uw brief, maar de heer Salinger gaat niet op fanmail in’. Maar gaandeweg probeert ze in Salingers geest te antwoorden en worden haar brieven inhoudelijker.

    Toch is het vreemd dat Rakoff meent dat ze zich goed in Salinger kan inleven. Zo uitvoering zijn haar gesprekken met hem nou ook weer niet. En ze heeft nog nooit iets van hem gelezen, ook al stonden veel van zijn werken bij haar ouders in de kast. Er was iets dat haar ervan weerhield zijn boeken te lezen. Ze meende dat zijn werk aanstellerig en nostalgisch was, vol wonderkinderen die door New York slenterden. Een mening die ze later, toen ze in korte tijd het oeuvre van Salinger las, zou bijstellen. Uiteindelijk viel ze als een blok voor hem, in literaire zin dan welteverstaan: ‘Salinger leek in niets op wat ik gedacht had. In niets. Salinger was wreed. Wreed en grappig en nauwgezet. Ik hield van hem. Ik hield van alles.’

    Mijn jaar met Salinger biedt veel voor hen die geïnteresseerd zijn in het reilen en zeilen van een literair agentschap. Of in de ontwikkeling van een schoolmeisje tot zelfbewuste vrouw. Of voor de fans van Salinger. Het is vlot geschreven, vol leuke anekdotes en inkijkjes in de sterallures van een gevierde auteur én zijn hofhouding op het Agentschap. Hier en daar bevat het ook een uitglijder, vooral als Rakoff haar eigen leven en belevenissen op de voorgrond plaatst, vol kritiek op haar ouders en relatie. Het zijn onnodige passages die de titel van het boek geweld aan doen. Maar het zij haar vergeven, want er staan ook ontroerende passages in het boek, die het jaar dat ze beschrijft toch echt tot haar jaar met Salinger maken. Bijvoorbeeld als haar man haar dertien jaar later vertelt dat Salinger is overleden. Het emotioneert haar zeer, tot tranen toe. Het is het moment waarop Rakoff Salinger het dichtst nadert. Ze realiseert zich dat met het verscheiden van Salinger de wereld in rouw is, en zij met de wereld. ‘Om er nooit meer bovenop te komen,’ wat ook op en top des Salingers is. Want Salingers verhalen zijn – zo betoogt Rakoff  ‘stuk voor stuk anatomieën van verlies, elke vierkante centimeter, van begin tot eind.’ Wat uiteindelijk ook geldt voor Rakoffs boek. Ook dat is een anatomie van verlies. Van onschuldige idealen, vriendschappen en een inspirerend schrijver.

     

     

  • Geen behoefte aan zichzelf

    Geen behoefte aan zichzelf

    Het verdwijnen van Robbert van Robbert Welagen (1981) gaat over een schrijver die lijkt op de auteur en die ook dezelfde naam heeft. In de roman schetst Welagen een alternatief leven dat hij geleefd had kunnen hebben na het verschijnen van zijn debuut Lipari toen hij 25 was. Het verhaalgegeven is intrigerend: de hoofdpersoon wil ‘onzichtbaar’ of ‘leeg’ worden, verdwijnen uit zijn oude bestaan en zijn vrienden en familie achter zich laten.

    Robbert heeft te maken met zijn onbeantwoorde liefde voor Chloe, mogelijk de voornaamste reden van zijn vertrek. Chloe, inmiddels getrouwd met een ander, ‘had de benijdenswaardige karaktereigenschap genoegen te nemen met het middelmatige leven dat men na de jeugd gedwongen is te leiden.’ (p. 11) Robbert kan dit niet. Hij is bang dat hij later door zijn familie en vrienden verstoten zal worden en wil dit voor zijn door zijn oude bestaan achter zich te laten.

    Robbert is teleurgesteld in het leven tot nu toe. Het publiceren van een boek heeft niet het verwachte effect op zijn innerlijk gehad: ‘Als er eenmaal een boek van me is uitgegven, zal het geluk dichterbij zijn, meende ik. Ik was vierentwintig jaar en opgetogen dat mijn leven een vorm ging krijgen. Maar toen het boek in de winkel lag veranderde er niets. Ik had me wat in mijn hoofd gehaald. Gedagdroom in de schaduw. Een streepje zonlicht van de werkelijkheid en weg was  het.’ (p. 16) Het is een mooi geformuleerde passage die de ontgoocheling van de schrijver toont, de betrekkelijkheid ook van bepaalde vormen van succes, zoals het publiceren van een boek.

    Robbert verkoopt al zijn spullen, laat zijn appartement leeg achter en vertrekt naar Duitsland. Hij vestigt zich in de stad Rohen, die hij willekeurig op de kaart prikt. Hij huurt daar een eenkamerwoning met bad, nog voor hij een baan heeft gevonden, wat enigszins onwaarschijnlijk is, want de verhuurder zal er van verzekerd willen zijn dat hij een inkomen heeft, alvorens iets te verhuren. Na een tijdje vindt hij toch werk in een fabriek en begint hij een relatie met de oudere vrouw Traudl, die hij in de lift van de flat was tegen gekomen.

    Uiteindelijk biedt ook dit bestaan hem geen voldoening. Robbert wil niet daadwerkelijk leven, maar ook niet dood zijn, al overwoog hij als puber ooit zelfmoord te plegen. Hij vraagt zich het volgende af: ‘hoe moest ik het gat overbruggen dat ligt tusen de jeugd (nog niets doen) en ouderdom (niets meer doen), het gat dat men volwassenheid noemt?’ (p. 121) Robbert wil niet volwassen zijn en kent niet de ambities die het leven van ‘gewone’ mensen bepalen. Hij is een zeer ongewone jongeman met een ongebruikelijke kijk op het leven. Sommige lezers zullen zich aan zijn onwil om echt te leven storen. Toch weet de ikfiguur sympathie op te wekken. Je leeft met hem mee. Interessant is ook het gegeven dat de ik zijn ervaringen uiteindelijk toch te boek heeft gesteld. Hij deelt zijn belevenissen, of het gebrek daaraan, met de lezer die hij keurig met ‘u’ aanspreekt. Blijkbaar heeft hij later toch iets van ambitie terug gevonden.

    Het verdwijnen van Robbert is een dun boek, maar het heeft precies de goede lengte. Het gegeven leent zich misschien niet voor een langer werk, dan zou er waarschijnlijk minder begrip voor  de hoofdperson bij de lezer overblijven. De stijl is sterk met veel citeerbare passages, zoals: ‘geluk is als een verfrissende regenbui die niet doorzet: nu gaat het komen, denk je, maar er vallen een paar druppels en daar blijft het bij. (p. 119) Het boek toont op zeer bevredigende wijze hoe het leven onbevredigend kan zijn. Robbert denkt veel na over zichzelf, over hoe hij overkomt, zijn relatie tot anderen. Hij stelt: ‘met mensen die anders zijn dan ik, kan ik me niet identificeren.’ En ook: ‘Aan mensen die hetzelfde zijn als ik heb ik geen behoefte, want aan mezelf heb ik al geen behoefte.’ (p. 147) Het is knap dat Welagen je met een personage dat zo in het leven  staat, laat meeleven.

     

    Het verdwijnen van Robbert

    Auteur: Robbert Welagen,
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
    Aantal pagina’s: 160
    Prijs: € 17,50