• Speelse (ver-)taalvondsten en goedlopende teksten

    Speelse (ver-)taalvondsten en goedlopende teksten

    Recensie door Sheila van Rheenen

    Voor Nederlandse klassiek geschoolde zangers is het zingen in vreemde talen aan de orde van de dag. Juist het zingen in het Nederlands is voor de meesten van hen een exotische bezigheid.
    In Meesterwerk zijn de vele Nederlandse ver- en hertalingen gebundeld die Jan Rot gedurende tien jaar maakte van klassieke liederen, opera-aria’s en natuurlijk de Mattheüs Passion. Aanvankelijk hertaalde hij voor zichzelf, pas later in opdracht van anderen.

    Dat zingen in zijn moedertaal stelt de Nederlandse zanger voor een behoorlijke uitdaging. In het Nederlands zijn vooral de diftonen berucht, de dubbelklanken zoals au en ei, of zelfs ee. Zing je te nadrukkelijk op beide delen van de dubbelklank, dan krijg je algauw een ander genre: Ik zit hier hee-jul allee-jin Kerstfeest te vieren.
    Stel je het tweede gedeelte van de dubbelklank zo lang mogelijk uit  – een gebruikelijke techniek in de klassieke zang omdat hiermee de klank homogener blijft – dan klinkt het lied al snel bombastisch, zoals de bariton Maarten Koningsberger ook opmerkte na een repetitie van de Nederlandse Winterreise. Dat bombastische komt niet alleen door de klankkleuren maar ook door de nauwgezette articulatie van onze taal die inmiddels nogal afwijkt van het Nederlands dat we doorgaans met elkaar spreken.

    Verstaanbaarheid en klankwijdte

    Voor de verstaanbaarheid van klanken worden de resonanties in het spraakkanaal (het akoestische pad dat van de stemspleet naar de neus/mondholte loopt) gemanipuleerd. Hoe hoger een zanger zingt, hoe meer taal er sneuvelt. Bij een klassieke zanger is ‘de klank die taal is’ het gevolg van een geavanceerde resonantiestrategie: zijn klinkergebruik staat in dienst van de schone klank en in het gunstigste geval levert zijn arbeid een grotendeels verstaanbaar verhaal op. Bij het beluisteren van een aantal Nederlandse zangers die de teksten van Rot zongen (op You Tube is aardig wat materiaal te vinden), bleken sommigen hier en daar toch te kiezen voor verstaanbaarheid ten koste van de klankwijdte. Kort gezegd: zij zongen minder klassiek.

    De belangrijkste drijfveer voor Jan Rot bij zijn hertalingen was het ‘slopen van de barrière van tijd en taal’, zo staat er in de inleiding van zijn boek. Maar uiteindelijk zijn het vooral de zangers die met een aantal vocaal-technische aanpassingen hun uiterste best doen verstaanbaar hedendaags Nederlands te zingen zonder het oorspronkelijke kleurenpalet van de composities onrecht te doen. Daarmee zijn er niet zozeer barrières geslecht als wel verschoven.

    Eigenlijk komen de hertalingen van Jan Rot nog het meest tot zijn recht in de interpretaties van Jan Rot zelf.  Zichzelf begeleidend op een beduimelde gitaar zag ik hem een Schubertlied zingen, waarbij hij de melodie ondergeschikt maakte aan de tekst. Het Schubertgehalte nam navenant af en er bleef vooral veel Jan Rot over, maar zijn ongegeneerdheid veroorzaakt geen plaatsvervangend ongemak, wat bij sommige van de klassieke zangers nog wel eens kan gebeuren.

    Buitengewoon veel meesterwerken

    In De Mattheus Passie deed de mezzo-sopraan Tania Kross met haar aandeel verreweg de minste concessies. Ze klonk schitterend en was heel af en toe verstaanbaar, eigenlijk precies zoals de luisteraar het meemaakt wanneer hij luistert naar de oorspronkelijke Duitse versie. Tenor Marcel Beekman zong in een uitzending van Vrije Geluiden liederen uit Schuberts Die Schöne Müllerin, door Rot vertaald als Zomerreis. Hij deed dat erg fraai en vaak goed verstaanbaar in keurig jaren vijftig Nederlands. Ik hoorde hem zingen over een afgelikte boterham en moest opeens aan Ronnie Tober denken. Daarmee gebeurde het tegenovergestelde van wat Jan Rot beoogde: je werd juist teruggeworpen in de tijd.

    Los van deze observaties is het buitengewoon hoeveel meesterwerken Rot door de jaren onder handen heeft genomen. Er zijn vertaalde aria’s van Puccini, cycli van Mussorgsky en Mahler en zelfs een hele opera van Mozart, De Toverfluit. Iedere componist waarvan Rot werken vertaalde, krijgt een apart hoofdstuk dat begint met een korte introductie of  anekdote. Vooral die anekdotes over de totstandkoming van sommige vertalingen bieden gezellig leesvoer.

    Niet alle tekstdichters waren even begaafd als Heine en Goethe, en niet alle componisten maalden om literair hoogstaande teksten. Hierdoor is bijvoorbeeld de grootste attractie van Bellini’s Casta Diva vooral de hertaling van die aanhef: ‘Arme Diva’ maakt Rot ervan en het is grappig hoe zo’n operahit door dat ene woord direct van zijn heilige sokkel valt. Erg leuk is de vertaling van Mussorgsky’s Kinderkamer. Het Nederlands moet het helaas doen zonder die lekkere molligheid van de Russische taal, maar in deze versie blijft de oorspronkelijke knusheid van de tekst wel bewaard:

    Njanja, njanjushka, moet je horen!
    Njanja luister nou
    Zat ik net nog lief te spelen
    Bij de glasbak lief te spelen
    Hutje bouwen lege limonadekratjes
    Echt, mocht van mama
    Mamma’s Gamma bouwprogramma
    Koekjeskikkers koekjeswinkel
    “Koekjeskikkertjes, koop bij mij je koekjes!”

    ( uit: Hommeles)

    ‘Winterreis’ in eigentijds jasje

    Voor zijn hertaling van Die Schöne Müllerin koos Rot een nieuw decor. De zanger is niet langer een molenaarsknecht maar staat bij de draaimolen op de kermis in de Jordaan. Dat levert luchtige, goedlopende teksten op die nog maar lichtjes tegen het origineel aanschurken. Wat blijft is de strekking: Man wordt verliefd, wordt afgewezen, is boos.

    Wat raas je nou, mijn waterval
    Mijn schuimbekbeek?
    Je wilt dat ik die hartenjagers benen breek
    Bedwing! Bedwing!
    En licht eerst je prinsesje in
    Dat zoete liefde meer is dan een suikerspin
    Bedwing! Bedwing! Bedwing!

    Uit: Trots en Nijd, oorspronkelijk: Eifersucht und Stolz

    Ook de Winterreis van Rot draagt een eigentijds jasje. ‘Vergeet die hoed en die zwarte jas’, spoort hij de zanger Maarten Koningsberger aan bij de eerste repetitie. ‘Het is een winterreis in bomberjack, met een muts van de Unox op. Maar het verdriet is er niet minder om!’ De cultuurpessimist die met heimwee terugdenkt aan de nieuwjaarsduik van vóór de grote worstenmaker zal misschien geen behoefte hebben aan de verzamelde hertalingen van Jan Rot. Maar voor liefhebbers van speelse (ver-)taalvondsten is Meesterwerk een leuk boek om in te grasduinen.

     

    Alle genoemde zangers en stukken zijn op You Tube te beluisteren. Voor de uitleg over de werking van de zangstem heb ik veel gehad aan Analyse van de zangstem: geluiden in beeld (Koen Eneman en Tom Francart, KUL 2008).

     

  • Volwassenheid is eenzaamheid

    Volwassenheid is eenzaamheid

    Recensie door Anne Margriet van Dam

    Renske Jonkman behandelt in haar debuutroman Zo gaan we niet met elkaar om de psychose vanuit filosofische gedachten over tijd en ruimte. Onderdeel van veel psychoses zijn namelijk de ongewone verbindingen in tijd en ruimte. Het normale denken over ruimte en tijd is verstoord; wat overigens niet wil zeggen dat de ruimte en tijd in een psychose zonder interne logica zijn.

    We leren Hazel kennen als kind in een burgerlijk gezin, met vader, moeder, oudere broer en (gehandicapte) oudere zus in Heerhugowaard waar de uiterlijke schijn zeker niet onbelangrijk is. Hazel heeft een speciale band met haar oudere broer Jaris. Ze hebben een eigen spreek- en leestaal en geven elkaar geheime tekens. Terwijl alle personages in het boek langs elkaar heen praten – wat hilarische dialogen tot gevolg heeft – hebben Hazel en Jaris echt contact.

    Maar zoals Jonkman lijkt te willen zeggen, bij volwassenheid hoort alleen zijn en langs elkaar heen praten – en dus groeien broer en zus uit elkaar. Jaris is een paar jaar ouder, gaat puberen en vindt hun geheime codes niet meer zo cool. Hij heeft het als klassieke puber moeilijk met de grote vragen. Hij gaat op kamers in Groningen wonen, tot groot verdriet van Hazel. Maar als Jaris na enige maanden weer intrekt in zijn ouderlijk huis is Jaris onbereikbaar geworden en kan Hazel niet blij zijn met zijn thuiskomst. Hij leest alleen nog de bijbel en steeds duidelijker wordt dat wat normale pubervragen leken het begin van psychotische concepten zijn geweest. Toch doet Hazel er alles aan om mee te kunnen gaan in de gedachtenwereld van haar grote broer. Hij heeft altijd ingewikkelde gedachten gehad, die ze niet helemaal kon begrijpen. Zij samen waren altijd origineler, dichter bij de waarheid dan de mensen om hen heen. Helemaal zeker weet ze dus niet wiens logica ze wil volgen.

    Jonkman vertelt haar verhaal in twee tijdzones, die elkaar afwisselen. De ene is de tijd dat Hazel een volwassen individu aan het worden is en Jaris in zijn psychose terecht komt. De tijd gaat vooruit, en ze heeft een vriend op wie ze smoorverliefd is. De andere tijdzone is de stilstaande tijd na de dood van Jaris, waarin ze filosofie studeert in Amsterdam, terug probeert te komen bij Jaris, waarin ze weigert volwassen te worden, waarin ze heen en weer reist tussen het Heerhugowaard van vroeger en het Amsterdam zonder Jaris. Overdag slaapt ze, ’s nachts slikt ze pillen, rookt ze en gaat ze vreemd.

    Het door elkaar lopen van deze tijdzones moet de verbeelding zijn van het onvermogen van Hazel om na de dood van Jaris vooruit, de toekomst in, te gaan. Met deze stilstand in de tijd komt Hazel dicht bij de logica van haar psychotische broer: in psychoses worden ongewone verbanden gelegd, waarbij de normale kaders van ruimte en tijd niet meer gelden. Ruimte en tijd zijn in een psychose wellicht niet zonder logica, maar hebben in ieder geval een andere logica. En dat onderzoekt Hazel aan den lijve, niet met haar studie filosofie, want die verwaarloost ze, maar door een psychose ‘na te leven’.

    De structuur van het boek levert inderdaad de desoriëntatie van een psychose op, maar gaat ten koste van de spanning. We weten al te vroeg dat Jaris dood gaat en dat Hazel hem probeert terug te vinden door het leven in een psychose van binnenuit te begrijpen. Op een bepaald moment is alles al gezegd en kunnen de mooie dialogen niet de verhaallijn van het hele boek overspannen. Jonkman schrijft snel en humoristisch, maar misschien had ze met de keuze voor deze opzet meer moeten weglaten. Als het verhaal een aantal hoofdstukken korter was geweest had ik waarschijnlijk mijn sympathie voor de nieuwsgierige jonge Hazel ook voor de Hazel als lamlendige twintiger gevoeld. Nu is ze met haar eenzaamheid en slechte communicatie ook voor de lezer onbereikbaar. Het lukt me niet om na te voelen waarom Hazel zo destructief doet. Maar het is Jonkman wel gelukt mij op verstandelijk niveau uit te leggen waarom sommige mensen niet vooruit willen, maar de stilstand in de chaos zoeken: want dan wordt tijd vloeibaar en kun je je terug wanen bij wat je verloren hebt.

     

  • Het leven van een onsympathieke man

    Recensie door Rosalien Koster

    Als jong meisje ontmoette Corine Nijenhuis de markante figuur Cees Slootwijk. Geïntrigeerd door zijn verschijning en verhalen wordt Corine steeds dieper zijn bizarre wereldje ingezogen. Met gevaar voor eigen leven vliegt ze met hem mee in afgekeurde vliegtuigen die Slootwijk gebruikt om over de hele wereld dieren te vervoeren. In het boek Luchtcowboy blikt Nijenhuis terug en tekent ze onderwijl het bijzondere levensverhaal op van de avonturier Slootwijk.

    Op een dag belt Slootwijk de schrijfster op. Of ze mee wil. Zonder lang na te denken pakt ze wat spullen in en gaat mee. De lading bestaat uit een groot aantal koeien die naar Cairo gebracht moeten worden. Eenmaal weer thuis droomt ze wekenlang over vliegtuigongelukken. En ook de verzameling foto’s op haar kamermuur van wrakstukken van neergestorte vliegtuigen groeit met de dag. Toch weerhoudt haar angst haar niet. Niet veel later vliegt ze opnieuw met Slootwijk en een lading vee, naar een ander exotisch oord.

    En daar blijft het niet bij. Keer op keer kruipt ze aan boord als onbetaalde knecht.
    Wat bezielde haar? Hoewel we iets van haar kunnen begrijpen, want Nijenhuis weet de spanning tijdens de vliegreis en de opluchting van het weer veilig landen voelbaar te maken, blijft het opmerkelijk. Ook Nijenhuis zelf vraagt het zich keer op keer af. Was het enkel de zucht van een naïef meisje naar avontuur? Of speelde er meer? Met een duidelijk antwoord komt ze niet. Want begrijpen doet ook Nijenhuis het waarschijnlijk niet.

    Toch blijft het vreemd. Maar vreemder is echter misschien nog wel de vraag wat Nijenhuis zo aantrok in de persoon Slootwijk. Want dat hij een onsympathiek persoon is, wordt al snel duidelijk. De verhalen van de mensen die hem van heel dichtbij hebben gekend liegen er niet om. Zijn geliefden, directe medewerkers en zijn dochter maken duidelijk dat hij als geen ander wist hoe hij de mensen die hij ontmoette voor zijn karretje moest spannen. En wanneer hij genoeg had van hen liet hij ze even gemakkelijk vallen.

    Een niet bepaald aanbiddelijk man dus deze Slootwijk. Toch probeert Nijenhuis dit weinig rooskleurige beeld ook te nuanceren door een andere kant van hem te laten zien. Want was Slootwijk niet vooral een dromer met als grote manco zijn oprechte geloof in zijn eigen ideeën? Misschien. Duidelijk is wel dat hoewel zijn leven leest als een spannend avonturenboek de werkelijkheid heel wat minder romantisch was. De ene mislukkeling volgt op de andere. Door eigen toedoen valt zijn droom, het bestieren van een paardenranch, in duigen. Slootwijk laat zich echter niet kennen en stort zich telkens opnieuw in een ander avontuur.

    Om zijn doorzettingsvermogen zouden we Slootwijk kunnen bewonderen. Helaas spreekt echter verder alles tegen hem. Zelfs de dappere pogingen van Nijenhuis om toch een integer portret van hem te neer te zetten, helpen niet het vernietigende beeld te verzachten. Dat neemt niet weg dat Nijenhuis erin is geslaagd om een interessant, boeiend en vakkundig verhaal te schrijven. Haar talent schuilt met name in haar fijne schrijfstijl: losjes, duidelijk en oprecht, al weet ze soms met vlagen ook literair uit de hoek te komen. Om vervolgens weer precies op het juiste moment het evenwicht te herstellen en verder te gaan waar ze is gebleven: het leven van Cees Slootwijk zo eerlijk mogelijk op papier te zetten.

     

  • Biecht van de tap

    Biecht van de tap

    Op de voorkant van Wees Gegroet staat een afbeelding van Flycatcher, een installatie uit 1976 van Lois Weinberger, bestaande uit een groot kruis van vliegenplakkertape dat bezaaid is met (dode) vliegen.

    Wie over een dergelijk beeld heenkijkt, kan wellicht onbevangen beginnen aan de tweede roman van Hans van der Beek, die op de achterflap gepresenteerd wordt als ‘een tragikomische roman over de botsing tussen gelovigen en atheïsten.’

    Als de moeder van Jannes Notenboom (barman en stevige pimpelaar) sterft aan de gevolgen van kanker markeert dat het begin van het einde van een gezin. Jannes onderwerpt zich alleen nog met Kerst aan het stroeve gezelschap van zijn eveneens zwaar drinkende vader.
    Met zijn broer Henri, pater bij de Zwitserse geloofsgemeenschap van de Nieuwe Christenen, is hij gebrouilleerd sinds deze zich gedurende het sterfbed van hun moeder nauwelijks heeft laten zien en zich liever in de kapel verschanste.
    Tien jaar na de dood van zijn moeder belandt Jannes in een existentiële crisis als zijn grote liefde Marianne hem heeft verlaten. Op doorreis naar Spanje komt hij in Lourdes terecht waar hij, gedreven door eenzaamheid, besluit zijn broer in Zwitserland op te zoeken.

    Op de website van Hans van der Beek wordt Wees gegroet een ‘mix van autobiografie en fictie, van tragedie en komedie’ genoemd. Het autobiografische element van de roman is goed voelbaar in de bozige toon van de schrijver die nogal opdringerig in tegenspraak is met zijn ironische en afstandelijke verteltrant.

    Zijn jolige J’accuse – er is weinig wederkerigs aan de botsing tussen Jannes en de gelovigen- bezet een groot deel van het boek dat is opgebouwd uit hoofdstukken met de liturgische elementen van een eucharistieviering als ondertitel.
    In het negende hoofdstuk wordt het verhaal over Nikolaus Schneider, de zelfverklaarde Zwaard-Bisschop van de Nieuwe Christenen (Hij bestaat echt, op de website van de Nieuwe Christenen is zijn levensverhaal te lezen.), voortdurend onderbroken door weinig urgente fragmenten over Jannes’ liefdesverdriet:

    ‘Waarom neemt Marianne eigenlijk niet op? Hoeveel gemiste
    oproepen moet een mens krijgen voordat hij denkt, weet je wat, ik
    laat toch maar iets van me horen.
    (…)
    Zo moet een geamputeerd been zich voelen. Dat been heeft
    daar ook niet om gevraagd en opeens is hij wel zijn basis kwijt, zijn thuis.’

    Doordat de verhaallijnen van Jannes’ persoonlijke drama’s (het verlies van zijn moeder, het verlies van zijn geliefde) behoorlijk zijn versnipperd en ogenschijnlijk willekeurig in het boek zijn uitgestrooid, komen deze thema’s niet goed tot hun recht. Daar komt bij dat Van der Beek niet altijd over een adequaat instrumentarium lijkt te beschikken om van zijn personages interessante, of op zijn minst geloofwaardige mensen te maken:

    ‘Zijn God, wat hield hij van Marianne. Haar vrolijkheid, haar
    pretogen, haar eeuwige jennen. Hij noemde haar altijd ‘eikel’,
    hetzelfde koosnaampje dat zij voor hem had.’

    De relatie van Jannes en Marianne loopt stuk omdat zij geen barman wil als vader voor haar kind. Eerder in hun relatie heeft Jannes haar al gewaarschuwd dat ze met een eventuele kinderwens bij hem sowieso niet aan het goede adres is.
    Wanneer Jannes in de kast van zijn overleden moeder de knuffels vindt die zij ooit maakte voor haar toekomstige kleinkinderen, wordt duidelijk waar Jannes’ onwil om voor nageslacht te zorgen vandaan komt:

    ‘Knuffels.
    Voor zijn kind ooit.
    Het kind dat hem zou veranderen in zijn vader.’

    Het zijn de spannendste regels in het boek. Het is jammer dat dit mooie gegeven slechts vluchtig wordt aangestipt.

    Beter op zijn gemak lijkt Van der Beek bij de discussies van Jannes met de mannen wiens vermeende hypocrisie en nalatigheid breedvoerig worden gelaakt: broer Henri en de Zwaard-Bisschop.
    Henri was niet alleen afwezig bij het sterfbed van zijn moeder, hij vreest ook dat zij gedoemd is vele jaren in het vagevuur te verblijven.
    Dat de Zwaard-Bisschop zijn bijzondere gaven (Hij heeft onder andere een doodzieke hond beter gemaakt) niet heeft ingezet om zijn moeder van kanker te genezen vindt Jannes onverteerbaar.
    De dialogen tussen de mannen werken echter vaak vervreemdend, niet in de laatste plaats door de wat belegen thematiek (Wat is dat voor een God die mensen laat lijden?) en misplaatste lolligheid :

    “(…)
    ‘En nee, God straft niet.’
    Niet?
    ‘De mens straft zichzelf.’
    ‘U kent de vraag: Waar was God in Auschwitz?’
    Het is eruit voor Jannes er erg in heeft.
    De Zwaard-Bisschop meteen: ‘Maar nu moet ik het toch steeds weer opnieuw zeggen: Wat is er dan met Jezus gebeurd? En wat er is met de martelaren gebeurd, die vreselijk…’
    Ditmaal maakt Jannes het stopteken. Hij kent dit verhaal ook
    langzaam wel. Auschwitz, aids, de kanker van zijn moeder, het
    zijn uiteindelijk allemaal dezelfde verkeersregels en overigens rijdt ook Jannes zonder gordel.”

    Wanneer Jannes op het punt staat weer naar Nederland af te reizen, belt zijn ex-geliefde eindelijk terug. Op dat moment wordt hij getroffen door een zware beroerte en kan hij haar niet meer te woord staan.
    Met dit zwaar geschut eindigt Wees Gegroet dat zowel komisch als tragisch wil zijn en uiteindelijk geen van beide is. Hoewel ik nog nooit Boy Lit heb gelezen, kan ik mij voorstellen dat Van der Beeks werk aardig in de buurt komt. Grote jongens geloven niet in God, maar drinken bier. En hun vriendin noemen ze altijd eikel.

     

  • Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    We waren je al vergeten Max, we hadden je in de doofpot gestopt. Die zelfde doofpot waar jij al je teleurstellingen en verdriet in hebt weggestopt. Je lachte, naar eigen zeggen, om niet te huilen. En nu komt Jan Luitzen je levensverhaal vertellen. Ooit had je jezelf voorgenomen om je biografie te schrijven maar je bent daar nooit aan toe gekomen.

    Max Tailleur groeit uit tot Neerlands grootste ‘geinponem’ eigenlijk omdat hij nergens anders geschikt voor is. Hij is korte tijd werkzaam als diamantzager in Antwerpen maar het ontbreekt hem aan geduld en nauwkeurigheid. Hij probeert zijn gebrek aan vakmanschap te verdoezelen door de werkplaatschef te imiteren en de laatste moppen te vertellen hetgeen hem mateloos populair maakt bij zijn collega’s. Hij probeert zijn brood te verdienen als zanger in een operettekoor, maar dat lukt maar matig omdat hij zoals hij dat zelf omschrijft, lijdt aan ‘muzikale bronchitis’. Iets beter gaat het met het spelen van kleine toneelrollen hoewel die soms maar uit één zinnetje bestaan. Voor serieuze rollen is hij minder geschikt, hij heeft daar eenvoudig het smoel niet voor. Het publiek begint al te schateren als hij alleen maar zijn gezicht vertoont.
    Later, terug in Mokum, trekt hij het land in als handelsreiziger voor de lijstenfabriek van zijn vader met matig succes want door het vertellen van moppen brengt hij wel overal vrolijkheid maar kan hij de omzet niet vergroten.

    Nadat hij getrouwd is met Sophia Wijnschenk (zijn Vic) keert hij terug naar Antwerpen als diamantzager maar veel liever treedt hij in zijn vrije tijd op als humorist. In 1940 pakken donkere wolken zich samen boven Nederland maar ook boven België. Niet veel later wordt het dragen van een Jodenster verplicht en vinden de eerste deportaties plaats. Het lukt Max, door veel brutaliteit en een grote dosis geluk, te ontkomen naar Zwitserland waar Vic zich na enige tijd bij hem voegt. Gedurende de oorlogsjaren weet hij in de Nederlandse kolonie de moed erin te houden door zijn onnavolgbare humor en zijn grote organisatietalent. Wel komen er uit Nederland heel slechte berichten. Later zal blijken dat vrijwel al hun familieleden zijn weggevoerd naar concentratiekampen en daarvan niet zijn teruggekeerd.

    Na de geallieerde landingen in Normandië treedt de soldaat Tailleur in dienst van het Nederlandse leger en wordt in een tijdsbestek van twee dagen bevorderd tot sergeant. Max blijkt van alles en nog wat te kunnen ‘organiseren’. Dit organiseren, ook wel ritselen genoemd, in buitengewoon moeilijke omstandigheden kan worden omschreven als: kopen zonder te betalen, lenen met of zonder toestemming van de eigenaar, zich toe eigenen van ‘gevonden’ voorwerpen en gewoon meenemen van dingen die van levensbelang waren voor hem en zijn dienstmaten. Het mocht echter nooit ontaarden in ordinair stelen. Probeer het verschil maar te ontdekken.

    Tijdens de naoorlogse jaren weet Max Tailleur zich na een periode van armoede en sappelen, een bestaan op te bouwen als exploitant van het cabaret De Doofpot. Er verschijnen boekjes (met een gaatje) en grammofoonplaten met moppen van Max Tailleur. In samenwerking met de PTT exploiteert Tailleur een telefoonlijn, de zogenaamde Geinlijn. In totaal maakt Max 14 grote wereldtournees.
    Uit joodse intellectuele kringen klinkt vaak kritiek. Men vindt dat joodse mensen belachelijk worden gemaakt en zelfs wordt Tailleur beticht van antisemitisme. Het klinkt als een gotspe. Toch wordt De Doofpot vooral bezocht door Gojim (niet-joden).

    In latere jaren wordt de geinponem Tailleur steeds chagrijniger omdat hij wordt geplaagd door reuma. Wel richt hij een stichting op Geef Max de zak waarmee hij geld inzamelt om zijn lotgenoten een onbezorgde vakantie te kunnen bezorgen.
    Zijn nalatenschap gaat naar Beth Shalom, een zorgcentrum voor joodse ouderen waar ter zijner nagedachtenis een ‘Max en Vic-zaal’ wordt ingericht.

    In acht hoofdstukken geeft Jan Luitzen een duidelijk chronologisch overzicht van het bewogen leven van een buitengewoon gecompliceerde man. In de bijlagen zijn stambomen opgenomen waaruit nog eens duidelijk blijkt welk een treurig lot de familie van Max Tailleur en zijn vrouw Vic ten deel is gevallen. Een bibliografie en een discografie completeren het geheel.

    Max Tailleur, mijn leven was geen mop

    Auteur: Jan Luitzen
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh en van Ditmar
    Prijs: € 19,95

  • Recensie door: Rosalien Koster

    Recensie door: Rosalien Koster

    Wie nog steeds denkt dat strips uitsluitend voor kinderen bedoeld zijn, heeft het mis. De graphic novel, oftewel de striproman, herinnert in niets aan de strips van weleer. De strip van nu is uitgegroeid tot volwaardige literatuur. Dit bewijst ook Jummie! Het ware leven van een adoptieprinses van Pam Emmerik, waarin we het verhaal lezen van de door seks geobsedeerde puber Marita.

    Net als elke andere tiener worstelt Marita met typische puberproblemen: pukkels, een vervelend jonger broertje en een moeder die niets van haar lijkt te begrijpen. Maar anders dan het leven van de gemiddelde tiener is het leven van Marita niet bepaald zorgeloos te noemen. Vastklampend aan de gedachte dat ze eigenlijk een geadopteerde prinses is, weet ze zichzelf echter staande te houden in een leven dat gekenmerkt wordt door seks, geweld en de dood.

    Bewust van de zwaarte van haar leven lijkt Marita zelf niet te zijn. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, vertelt ze in geuren en kleuren over de liefdeloze seks die ze  met haar beste vriend Joseph heeft. Dat ze in werkelijkheid doodsbang voor hem is, laat ze zich pas later ontglippen. Maar dan nog weet Marita de schijn op te houden dat het allemaal één grote grap is en we het vooral niet serieus moeten nemen.

    Het is deze argeloosheid van Marita en haar cynische blik op alles wat ze meemaakt dat zorgt dat het verhaal bladzijde na bladzijde steeds dieper onder de huid nestelt. Er is geen ontkomen aan: de lezer wordt bij zijn strot gegrepen en meegezogen in de bizarre wereld van Marita. Zonder gene fantaseert ze over seks met het hoofd van de school, een priester die het in zijn vrije tijd met jongentjes houdt. En even gemakkelijk doet ze op luchtige toon verslag van de wilde seks die ze heeft met vreemde jongens die ze oppikt in de plaatselijke koffietent.

    Maar het is niet alleen Marita’s verhaal dat indrukt maakt. De schrijfster, en tevens beeldend kunstenaar, heeft met grote verbeeldingskracht de tekeningen naadloos laten aansluiten bij de belevingswereld van Marita. De simplistische, kinderlijke zwart-wit tekeningen, die lijken op wat elke puber tijdens een saaie les in zijn agenda kladt, laten een ogenschijnlijke vrolijkheid zien die past bij een meisje van veertien. Maar verhullen daarnaast ook in eerste instantie treffend wat de roman werkelijk is: een rauw relaas van een getroebleerde jongere.

    Toch is de roman niet alleen een tranentrekkend verhaal van een jong meisje dat de weg kwijt is en geen idee heeft wat ze met haar leven aan moet. Want zielig is Marita niet: haar grote dosis zelfspot en de rake typeringen van de mensen om haar heen, laten zien dat zij uiteindelijk wel door heeft hoe het leven in elkaar zit. Maar zoals elke puber is ze ook nog steeds kind en nog niet in staat om weloverwogen haar leven in te richten zoals zij dat wil.

    Maar ook dat komt goed. Net zoals het goed gekomen is met de schrijfster. Want met de bijzondere combinatie tussen beeld en verhaal, laat Emmerik zien dat ze een groot talent is. En dat Jummie! Het ware leven van een adoptieprinses meer is dan alleen een stripverhaal. Het is literatuur zoals literatuur bedoeld is. Vervreemdend, prikkelend en overdonderend waarbij niet duidelijk is wat nu een geoorloofde reactie is: huilen of lachen.

    Jummie! Het ware leven van een adoptieprinses

    Auteur: Pam Emmerik
    Verschenen bij: UItgeverij Nijgh en Van Ditmar
    Prijs: € 24,95

  • Een biografie van de gemene deler

    Een biografie van de gemene deler

    Hoewel de ondertitel ‘De levenskracht van een Indische familie’ luidt, gaat dit boek vooral over de levenservaringen van Asta Hoyer (1917-2002), dochter van een rijke blanke en een arme Indo-Europese vrouw. Ze groeit op als Indo meisje in Nederlands Indië, trouwt met de vrolijke maar losbandige George, vormt samen met hem een groot gezin, vertrekt na diens dood naar Nederland, groeit uit tot een matrone – of matriarch zoals de schrijfster dat noemt –  met een grote kinderschare en overleeft uiteindelijk drie echtgenoten. Asta is een sterk meisje met een doordringende blik in haar diepzwarte ogen, die elke man weten te biologeren, schrijft Eveline Stoel, die zelf nooit met haar heeft gesproken. Ze kwam in de familie als een vriendinnetje van een kleindochter en baarde later een achterkleinkind Hoyer. Er is dus sprake van een persoonlijke band met de familie.

    Behalve van Asta en haar gezin wil Eveline Stoel ook een beeld schetsen van de Indische Nederlanders die in de jaren vijftig massaal naar Nederland kwamen. De aankomst van de Hoyers is een van de meest beeldende hoofdstukken in het boek met het benauwde pension in Oss waar het gezin gehuisvest wordt, de kouwelijke oma Troel die bij de kachel zit, de kille Hollandse sfeer en de Juliana – of Wilhelminasoep die de pensionhoudster hen voorzet en die zij meteen door de gootsteen spoelen.

    De Indo’s werden tijdens de Japanse bezetting niet geïnterneerd zoals de Europeanen, maar stonden als zogenaamde buitenkampers tamelijk geïsoleerd in de maatschappij. Na de capitulatie van Japan maakte men de Bersiap mee: tijdens een machtsvacuum pleegden nationalisten veel gewelddadigheden tegen de oude bezetter. Uiteindelijk zat er voor de Indische Nederlanders weinig anders op dan naar het vaderland te vluchten.

    De Indische bevolking is hier snel geassimileerd. Ook Asta was gedecideerd in haar opvattingen over de ingroei in de maatschappij. Ze vond dat haar kinderen zich zo geruisloos mogelijk moesten inpassen en ze verbood hen om Maleis te spreken.

    Volgens Ernst Jansz had de schijnbaar rimpelloze integratie ook een keerzijde, namelijk een verlies van identiteit, maar Asta en haar gezin kunnen volgens de schrijfster als voorbeeld dienen voor huidige nieuwkomers.

    Eveline Stoel probeert een verhaal uit één stuk te schrijven. Het nadeel van deze werkwijze is dat het soms teveel een platte familiegeschiedenis wordt, waarbij het erom gaat hoe de kinderen terecht zijn gekomen. Door een hoog tante-gehalte wordt de biografie opsommerig en mist ze diepgang. Stoel probeert aan het eind van een hoofdstuk spanning op te wekken door alvast vooruit te lopen op moeilijkheden, bijvoorbeeld die George ondervindt tijdens werkzaamheden op de Nederlandse suikerplantage in Pandji, waar Asta met de jongere kinderen naar toe verhuisde terwijl de oudsten in Soerabaja bleven.

    De laatste twee huwelijken van Asta waren niet bijster interessant en leverden acceptatie-problemen op bij de kinderen. Over haar uitstapjes met haar derde man Jan vermeldt Eveline Stoel het volgende: ‘Stad en land struinden ze af op zoek naar een blauwe jas die Jan graag wilde hebben. Zo helder als het uniform van de conducteurs van de Nederlandse Spoorwegen moest het kledingstuk zijn en ze vonden het nog ook.’

    Af en toe klinken de vraaggesprekken die Eveline Stoel hield met de kinderen van Asta door de tekst heen, zoals tijdens bombardementen in de schuilkelder. ‘”Stil, stil,stil!” zeiden de volwassenen dan tegen de aanwezige kinderen. Klein als ze waren, lazen ze de angst in de ogen van de ouders.’

    Tegen het eind komt Geen gewoon Indisch meisje van Marion Bloem ter sprake. Dochter Shelley herkent zich in de hoofdpersoon, maar vindt geen gehoor bij haar oudere zussen. De zes jaar jongere Debbie, in Nederland geboren uit het huwelijk met de tweede man van Asta, heeft aan de andere kant geen affiniteit met Indië.

    Tijdens het lezen moest ik af en toe denken aan Het zwijgen van Maria Zachea. Judith Koeleman ondernam een vergelijkbare exercitie door een eveneens zwijgzame Zaanse matrone te portretten op basis van interviews met haar kinderen. Het was misschien interessanter geweest om ook in Asta’s ogen de kinderen zelf aan het woord te laten, waardoor ze een eigen stem zouden krijgen. Buddy bijvoorbeeld werd in Nederland zeeman uit schuldgevoel over de moord op zijn vader, toen die speciaal naar Soerabaja kwam om diens verjaardag te vieren. Buddy vond dat hij na zijn schooltijd niet zijn eigen weg kon gaan, maar geld in het laatje moest brengen. Door de verschillen tussen de kinderen te laten zien zou ongetwijfeld een kleurrijker boek ontstaan zijn.