Italo Calvino (Cuba, 1923) is één van die schrijvers die de oorlog niet slechts beschrijft vanaf de veilige zijlijn: tijdens de Tweede Wereldoorlog zit hij daadwerkelijk in het Italiaanse verzet. Na de val van Mussolini studeert Calvino literatuurwetenschappen in Turijn en sluit hij zich aan bij de Italiaanse communistische partij, die hij in 1957 weer verlaat. Ondertussen blijkt hij een productief schrijver. Nagenoeg alle romans die uit zijn pen vloeien, vallen op door magisch-realisme enerzijds en door een grote maatschappelijke betrokkenheid anderzijds. In 1960 verschijnt Calvino’s trilogie ‘I nostri antenati’, Onze voorouders.
Pas in 1986, een jaar na Calvino’s heengaan, publiceert Bert Bakker eindelijk de Nederlandse vertaling. Heinrich Heine merkte niet voor niets ooit op: ‘In Holland passiert alles erst dreissig Jahren später.’ Het is een drieluik van Calvino’s vroegere novellen De gespleten burggraaf, De baron in de bomen en De ridder die niet bestond. Uitgeverij LJ Veen Klassiek geeft het nu opnieuw uit, na Calvino’s werken De onzichtbare steden, Als op een winternacht een reiziger en Waarom zou je de klassieken lezen? LJ Veen Klassiek wil Nederland laten ontdekken waarom het Calvino zou moeten lezen!
Auteur: Italo Calvino
Uitgeverij: LJ Veen Klassiek
Uitzicht van dichtbij
In een artikel voor Vice schrijft Megan van Kessel (1989): ‘Ik ging na waarom het schrijven van mijn boek inmiddels al net zo lang duurt als het leven van een gezonde cavia.’ Deze plompverloren nuchterheid had zo uit de koker van Paulien Cornellisse kunnen komen. Het alledaagse dat tegelijk het bijzondere daarvan benadrukt, valt onder Nieuwrealisme. Van Kessels debuut, Uitzicht van dichtbij, maakt het leven op het platteland, moederschap en tuinieren tot iets uitzonderlijk gewoons. De wat paradoxale titel is behalve een uitzicht van dichtbij, eveneens een zeer lezenswaardige focus van veraf. Maar waarop?
Bij het eerder aangehaalde stuk in Vice schampert Van Kessel over haar eigen werk: ‘… wat ik op papier zette [was] niet veel spannender dan een gemiddelde gebruiksaanwijzing van aspirine.’ Op deze zelfkritiek valt een hoop af te dingen. Talloze auteurs gingen haar voor in het schrijven over banaliteiten. Het kan haast niet anders of Van Kessel is een begenadigde stilist. Het medium Papieren helden omschrijft haar werkethiek als volgt: ‘Toen ze moeder werd en nooit meer tijd had, ging het beter met schrijven.’ Dit heeft dus geleid tot Uitzicht van dichtbij. Het wordt hoog tijd de schrijfkunsten van de Waalse van dichtbij te bewonderen.
Auteur: Megan van Kessel
Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar
Schrikkeljaar
Als de titel van Anka Hashins literaire debuut, Schrikkeljaar, een voorbode is voor haar productiviteit, zitten we voorlopig geramd. In dit boek geeft Hashin (1980) volgens de Oost-Europese traditie en tóch in geheel eigen stijl een kleurrijk beeld van haar inmiddels niet meer bestaande vaderland: de Sovjet-Unie. De nostalgie voor haar geboortegrond gaat wel wat dieper dan de ‘industrieel-dus-gaaf-lampje’-fabriekshallenromantiek. Hashin is naast auteur beeldend kunstenares. Ze interesseert zich bovenmatig voor het spanningsveld tussen het vergane en het moderne, conservering en verwaarlozing.
Volgens Uitgeverij Vrijdag is Schrikkeljaar een verhalenbundel die de grens tussen mens, dier en andere schepsels vervaagt. Het motto bij één van Hashins verhalen komt van Günter Grass: ‘De vogelverschrikker is gemaakt om op de mens te lijken.’ Weliswaar niet als een vogelverschrikker, maar als een piloot in alwetend perspectief beziet Hashin de teloorgang van de Sovjetrepubliek. Het literaire maandblad waarvoor Hashin schrijft, Znamya, betekent bovendien ‘spandoek’. Daarom zou Schrikkeljaar weleens de perfecte luchtreclame kunnen zijn voor de eersteling van Anka Hashin.
Sneeuwwitje. Ze is nog te herkennen aan haar ebbenhoutkleurige haar en huid zo wit als sneeuw, maar afgezien daarvan bezit Donald Barthelme’s Sneeuwwitje geen archetypische kenmerken meer. Te intelligent en té bijdehand is ze nog steeds op zoek naar haar droomprins, maar of de mannen kunnen voldoen aan de vele eisen die ze stelt?
Donald Barthelme’s Sneeuwwitje is enigszins vervreemdend. Verwacht geen simpele hervertelling van het sprookje, want dan kom je bedrogen uit. Begin dit werk te lezen zonder verwachtingen en leer dit werk waarderen. Dan zie je in dat je een waar kunstwerk in handen hebt.
Het gehele boek is een soort van hink-stap-sprong spel. De personages gaan op in hun filosofische mijmeringen over taal of kapitalisme, en uiten zonder een blad voor de mond te nemen hun kritiek op de maatschappij en op elkaar. Ze doen dit in mooi bloemrijk taalgebruik vol van sarcasme en woordspelingen met hier en daar een Franse term om hun scherpzinnigheid te versterken. Zonder waarschuwing gaan deze weloverwogen verhandelingen over in een scheldpartij, een serie van uitingen in slang of absoluut onnozele opmerkingen. Het kan verwarrend werken, maar het geeft de personages een prachtig complex karakter. Van de archetypes uit het sprookje blijft niets over. Het zijn multi-dimensionale personages met ieder hun eigen taalgebruik, die met hun deelname het verhaal verrijken en kleur geven.
Sneeuwwitje is een mooie jonge Amerikaanse vrouw die samenwoont met zeven mannen.
‘Met zijn zevenen vormen ze slechts het equivalent van ongeveer twee echte mannen zoals we die kennen uit films en uit onze jeugd, toen er nog reuzen op aarde waren. Het is natuurlijk ook mogelijk dat er op deze bol van halve waarheden, de aardkloot, helemaal geen echte mannen meer zijn. Dat zou een teleurstelling zijn. Dan moet je je tevredenstellen met de subtiele onechtheid van kleurenfilms over ongelukkige liefdes, geschoten in Frankrijk, met muziek van Mozart eronder.’
Deze mannen wassen ramen, maken Chinees babyvoedsel en houden van drugs, alcohol en Sneeuwwitje. Door haar opleiding en kennis is Sneeuwwitje boven hun niveau uit gestegen en zoekt ze wanhopig naar haar ruimdenkende prins die haar kan inspireren. Ze heeft haar hoop gevestigd op buurman Paul, die blauw bloed heeft. Maar ook Paul is niet haar man. Barthelme weet het karakter van deze naïeve sul die in alles mislukt zo goed te beschrijven, dat je het alleen maar eens kan zijn met Sneeuwwitje. Zij valt voor Hogo (de Bergerac), een bedorven wreedaard die een relatie heeft met de jonge, gemene Jane. Jane laat zich haar man niet zomaar afpakken en bedenkt een list.
Sneeuwwitje is een sprookje, maar niet het zoetsappige verhaal vol archetypes die je zou verwachten. Barthelme schept hier een kunstwerk vol personages die voor je ogen tot leven komen, door hun acties maar vooral door hun heerlijke humor en prachtige observaties.
Ton Rozeman schreef twee verhalenbundels en een novelle. In de aanloop naar Het weekeind van Het Korte Verhaal, Hotel van Hassel, een uniek internationaal literair gebeuren in De Balie in Amsterdam, interview ik hem over zijn korte verhalen.
Je hebt een site, ShortStory.nu, met als ondertitel: omdat korte verhalen geweldig zijn. Wat is er zo geweldig aan het korte verhaal?
‘Het korte verhaal biedt ontzettend veel mogelijkheden. Het is een speeltuin waarin je kunt experimenteren. De vrijheid is groot, je hebt geen schema nodig, je hoeft geen lijnen uit te zetten, je kunt to the point zijn. Net als met poëzie kan je heel veel kanten op en je tegelijkertijd toch tot de ziel beperken. Dat ongeplande openstaan voor gewone dingen die zich zomaar aandienen, het alledaagse bijzonder maken, dat vind ik heel boeiend. Bovendien kent het korte verhaal maar nauwelijks een tijdverloop. Je hebt geen overbruggingen, ook niet in plaats, wat je in een roman vaak wel hebt. Je hoeft nergens naar toe, je bent er al. Het korte verhaal is echt iets van deze tijd, ik begrijp die voorkeur voor dikke romans niet helemaal.’
Maar het korte verhaal heeft in Nederland, anders dan in Amerika, toch maar weinig aanzien?
Ik vind de status van het korte verhaal in Nederland heel positief. De kritiek bespreekt het en uitgeverijen durven hun nek uit te steken met verhalenbundels, ook als ze weten dat ze er maar een paar honderd van zullen verkopen. Joost Zwagerman heeft zich ingespannen met zijn bloemlezingen, er staat een nieuw literair tijdschrift KortVerhaal op stapel, Hotel van Hassel, een internationaal weekeind in Amsterdam rond het korte verhaal, dat zijn toch allemaal mooie en hoopvolle ontwikkelingen. De status is in orde maar de lezers kopen vooral die dikke romans.
En daar ga jij met jouw site wat aan doen?
Ik wilde het korte verhaal promoten. Ik kan wel zielig doen, roepen dat er te weinig aandacht voor is, hoewel dat achteraf erg meevalt, maar ik kan ook iets doen, proberen een bijdrage te leveren. Vandaar.
En blijkt het zinvol?
Zeker. Het kan natuurlijk altijd actiever, beter, maar ik ben zeer tevreden. Ik krijg veel aandacht. Uitgeverijen sturen en masse hun verhalenbundels toe, ze werken mee aan het verloten van bundels via mijn site, schrijvers en vertalers zijn graag bereid om hun werktijd te geven aan interviews. Ik heb veel bezoekers en ben blij met alle aandacht en tijd die mensen eraan geven.
Hoeveel tijd ben je er zelf aan kwijt?
Zes tot acht uur per week, meer nog… ik loop weer achter met mijn e-mails. Al die boeken lezen, dat kost veel tijd, al krijg ik zo nu en dan hulp met intensieve besprekingen van verhalen.
Terug naar het korte verhaal. Wat is naar jouw idee een kort verhaal precies? Waaraan moet het voldoen?
Dat is gelukkig niet te definiëren. Studenten vragen me vaak hoe lang een verhaal mag zijn. Dan roep ik maar iets omdat ze een antwoord willen. 10.000 woorden, maar dat slaat nergens op. Het korte verhaal is allerminst een korte versie van een roman. Maar ook daarop zijn weer uitzonderingen, als ik denk aan de verhalen, de miniromans, van Alice Munro: tijdverloop, sprongen… Ook op andere terreinen zou ik het niet kunnen definiëren. Niets ligt vast. Hoewel… soms, als ik lees, vraag ik me af: ‘Is dit eigenlijk wel een kort verhaal?’ Dan word ik dus geconfronteerd met het feit dat ik wel degelijk een sjabloon heb. Maar hoe dat er precies uitziet?
Mijn verhalen laat ik zeer op tijd ophouden, en ook pas heel laat in het proces beginnen. Waar mensen zeggen, het is dringend, het is vijf voor twaalf, daar zou ik willen beginnen en niet eerder. Van vijf voor twaalf tot een voor twaalf is mijn korte verhaal. En al die ellende die ervoor is geweest waardoor het vijf voor twaalf-gevoel is ontstaan krijg je vanzelf wel mee.
Een kort verhaal is voor mij het uitdelen van een klap. Een sympathieke, goedbedoelde, leerzame klap. Niet altijd leuk maar het moet wel gebeuren.
Je noemde Alice Munro, wie zijn je voorbeelden?
Ik heb het schrijven geleerd via Raymond Carver. Dat alledaagse, prachtig. Tot die tijd leefde ik in tweestrijd: literatuur was voor mij Jan Wolkers, heel vitaal, heel mannelijk. Ik was zijn tegenpool, daar zat ik mee. Wolkers is groots, meeslepend, geen geneuzel. In Carver ontdekte ik geneuzel op het hoogste niveau. Geen mensen uit een stuk, geen hoofdpersonen zoals in Turks Fruit, en toen dacht ik: hé, er is voor mij ook een markt.
Nu lees ik bijvoorbeeld Lydia Davis’ korte verhalen, net ontdekt. Vlak voor je neus gebeuren er dingen en ik heb het niet gezien. Ontwrichtende verhalen zijn het. Ze is heel confronterend. Ze ziet dingen die ik achteraf ook wel zie maar ik heb ze nooit opgeschreven. Zij is veel verder en veel beter dan ik ben.
Wat ziet ze dan bijvoorbeeld?
Ze zit in de bus Foucault te lezen maar ze begrijpt er eigenlijk niks van. Af en toe streept ze toch maar iets aan en ze vraagt zich dan af of ze dat doet omdat het belangrijk is of omdat dat het enige is dat ze snapt. Dat herken ik. Ik heb dat ook, maar ik heb het nooit opgeschreven. Daarom is ze verder, zij schrijft het wel op. Ze is op een aangename manier ontluisterend. Ze weet me keer op keer te confronteren met dingen die ik ook al had gezien.
En dichter bij huis?
Sanneke van Hassel. Zij kan ook zo goed kijken. In die zin is ze een voorbeeld voor mij. Bij elk verhaal dat je van haar leest lijkt het alsof het autobiografisch is, maar dat kan niet. Heel goed vind ik dat. Toen ik haar interviewde vroeg ik haar: wat heb je vandaag gezien? Wat je dan hoort, heel mooi, ze doet veel met decor en omgeving. Dat komt door dat oog dat ze heeft. Heel leerzaam. Ik laat haar altijd aan mijn studenten lezen.
Nu jouw werk. Je verhalenbundels zijn zeer goed ontvangen. Je debuut, Intiemer dan seks (2001) werd genomineerd voor de Debutantenprijs en bekroond met het Charlotte Köhler Stipendium 2003. In 2004 verscheen Misschien maar beter ook, dat genomineerd werd voor de longlist van zowel de AKO- als de LibrisLiteratuurprijs en de Dif/BNG Prijs. Hoe was dat, die aandacht?
Ik kon er toen niet zo goed mee omgaan, ik vond het erg verwarrend ook al was het positief. Opeens was er een buitenwereld waar je rekening mee moet houden. Je hoeft natuurlijk helemaal niks maar ik dacht, daar ga je je toch toe verhouden, heel moeilijk om naast je neer te leggen. Ik voelde het ook als een soort verplichting, om verhalen te schrijven, om een bepaald genre te schrijven, om bepaalde thematiek te hanteren.
En bij mijn tweede boek vroeg ik me af: ben ik de kritiek wel voldoende aan het negeren? En als je je dat afvraagt ben je er natuurlijk mee bezig.
Hoe gaat dat nu?
Ik heb nu het idee, als ik me niet vergis, dat ik mijn eigen weg aan het gaan ben, los van het feit of ik de kritiek aanvaard of negeer. Maar misschien zijn het alleen maar wijze woorden en voelt het uiteindelijk toch nog anders.
Heb je het gevoel dat er mensen over je schouder meelezen, voel je je vrij te schijven wat je wilt?
Ja, ik voel me vrij. Ik heb de schrijversvakschool gedaan, daar heb ik al zoveel dingen gebruikt uit mijn privé-leven -en dat ook aan mensen laten lezen- dat ik die vuurdoop wel heb gehad. Ik heb toen al mensen dusdanig verward en tegen me het harnas ingejaagd dat ik sindsdien verlost ben van mijn privé-omgeving. Ik vrees niets meer en kan alles gebruiken. Het kan ook niet anders, als je bepaalde dingen niet durft op te schrijven kan je niet werken.
In al mijn boeken zijn privé-elementen aan te wijzen, niet dat het helemaal autobiografisch is, maar ik heb vaak zonder enige terughoudendheid materiaal uit mijn omgeving gebruikt.
De enige die ik uitleg heb gegeven is mijn moeder. Zij vindt het lastig te zien dat privé-elementen opduiken maar dat de verhalen tegelijkertijd niet kloppen met de werkelijkheid. Nu is ze eraan gewend en weet ze dat haar zoon allerlei dingen opschrijft die wel met ons gezinsleven te maken hebben maar toch ook weer anders zijn. Ze kan er nu mee omgaan, ze kan het aan haar vriendinnen uitleggen.
En je vader?
Mijn vader had er niet zoveel mee. Hij las eigenlijk nooit. Ik vraag me opeens af of hij mijn werk wel heeft gelezen. Misschien heeft hij een poging gedaan. Hij was wel trots maar op een nogal ‘onbruikbare’ manier. Inhoudelijk kon ik er niet met hem over spreken. Hij had ooit een radio interview voor me opgenomen waarin ik veel over mijn privé-leven vertelde en ook over wat er daarvan in mijn verhalen terecht is gekomen. Zijn reactie: ‘prachtig, het paste precies op een bandje’.
Na jouw twee verhalenbundels heb je een novelle geschreven, Nu gaat het gebeuren. Is het korte verhaal voor jou via de novelle een opstap naar die dikke roman?
Nee, zeker niet. Tjechov bleef naast zijn korte verhalen altijd toneel schrijven. Carver schreef naast zijn verhalen gedichten. Ik denk trouwens dat het korte verhaal eerder een opstap zou kunnen zijn naar poëzie.
Is poëzie iets voor jou?
Ja, zeker, ik houd erg van poëzie. Ik lees het niet dagelijks maar ik heb er wel degelijk iets mee. Ik schrijf zo nu en dan gedichten, in Tirade heeft eens een prozagedicht van me gestaan. Maar of er ooit een bundel komt, ik weet het niet, ik sluit het in elk geval niet uit.
Heb je een verschil ervaren tussen het schrijven van een verhaal en een novelle?
Dat vind ik lastig om te beantwoorden. In elk geval vind ik het moeilijker om een kort verhaal te schrijven dan een novelle. Het is veel ‘ongeplander’, grilliger. Het moeilijke is dat je een moment als een bliksemflits probeert te doorgronden, het kan leven of niet. Als het eenmaal leeft is het oké, anders moet ik het wegleggen en het later weer oppakken, of helemaal opnieuw beginnen.
Een van de verhalen uit mijn debuut heb ik in twee dagen tijd met migraine geschreven, andere verhalen weer in maanden. Ik kan wel gedisciplineerd zijn maar dat dóórschrijven is bij korte verhalen soms erg lastig terwijl ik heb ervaren dat me dat bij het schrijven van de novelle goed afging.
Waar komen je verhalen vandaan? Hoe begin je?
Mijn thematiek is altijd aanwezig, van daaruit hoef ik niet te denken, dat is hoe ik ben en hoe ik kijk, mijn oog moet ergens op vallen. En ik gebruik graag bekende decors. Mijn vader lag veel in het ziekenhuis. Ik ken de omgeving van het ziekenhuis dus goed en kan het als decor voor mijn verhalen goed gebruiken. Dat vind ik makkelijk, dan hoef ik er niet zo over na te denken. Ik gebruik ook vaak huizen die ik ken, dan weet ik waar alles ligt. Dan kan ik erdoor heen lopen en beweeg ik me gemakkelijk, dan hoef daar in elk gaval geen energie meer in te steken.
Ik schrijf van het begin naar het eind, altijd, en ik weet niet waar ik naar toe ga. In mijn debuut dacht ik het eind telkens te weten maar het klopte nooit. Bij mijn tweede boek dacht ik, het komt wel, en dat was ook zo. Ik vergelijk het wel met plakplastic, daar kaftte ik vroeger op school mijn boeken mee. Je moet het vanaf het begin heel goed gladstrijken, als je in het begin bubbeltjes hebt dan kun je beter maar ophouden, dan wordt het ellende.
Een eerste pagina moet visionair zijn. Als ik tevreden ben met een eerste pagina dan zit het DNA er al in, dan komt de rest wel. Het verhaal groeit. Je kunt niet iets máken, je kunt het alleen laten groeien. Ik houd er niet van als je ergens naar toe moet, als er iets opgelost moet worden, als er iets groots te gebeuren staat, iets dramatisch. Ik merk bij mijn studenten dat ze vaak aan het eind iets prachtigs willen laten gebeuren. Dat ergens naar toe werken, dat wil ik niet, het is het kind met het badwater weggooien. Je bent al ergens, je bent al iemand. Van daaruit gebeuren er dingen, vaak wordt dat veronachtzaamd.
Het niet durven weten, dat is belangrijk. Als je dat erkent dan levert dat veel mooi materiaal op.
Je thema’s zijn herkenbaar, je schrijft over relaties, de breuk daarin, goede bedoelingen, ouders…
Ja, dat zijn de stier en de rode lap, ik duik erin, dat zijn dingen die me heel erg aantrekken. Ik ben gefocust, ik ben er gevoelig voor, het is zelfonderzoek. Soms vergroot ik angsten uit, dan denk ik, stel je voor dat ik dat zou doen, ik doe het niet maar stel je voor… Dat vind ik interessant.
Mijn thematiek is zeer autobiografisch. Mijn term daarvoor is thematisch-autobiografisch. Vervolgens geef ik er wel mijn eigen draai aan.
Het slotverhaal van mijn tweede bundel, Alsof ik met vakantie ga, waarin een echtpaar met kind uit elkaar gaat, is het meest autobiografische. Pas veel later heb ik het op kunnen schrijven. Ik leg niet uit waarom ze uit elkaar zijn, dat vind ik niet zo interessant. Dat leer ik ook aan mijn studenten: maak het niet te logisch. Ik vind het niet spannend als een stel uit elkaar gaat omdat ze niet meer van elkaar houden. Maar als ze nog wél van elkaar houden maar toch uit elkaar gaan, is dat voor mij psychologisch gezien heel interessant. Dat ambivalente heb ik ook bij het overlijden van mijn vader gevoeld, wat zowel een tragisch gemis is als een grote opluchting. Ik wil hem in die ambivalentie durven zien en niet de ongemakkelijk kant maar wegstoppen. Dat zijn mooie dingen om als schrijver te onderzoeken en te vergroten. Die onhandige, onduidelijke gevoelens waarvan je eigenlijk niet wilt dat je ze hebt, daar wil in wroeten. Met die ambivalentie ben ik nog lang niet klaar. Dat is een bron.
Wat doe je verder?
Ik zit in het bestuur van de Vereniging voor Letterkundigen en ik geef les aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. En mijn site natuurlijk.
Maar ik ben ook weer aan het schrijven en dat doet me goed. In de tijd dat ik veel andere dingen doe voel ik me onzeker. Als ik niet schrijf voel ik me overgeleverd.
Er komt dus weer een nieuw boek.
Ja.
Een bundel?
Dat laat ik graag in het midden. Ik vind het griezelig om te praten over werk dat nog in wording is maar ik ben, zoals ik net zei, gelukkig weer goed bezig na er een tijdje uit te zijn geweest.
Wanneer?
Ik ben traag maar ik denk wel dit jaar. Ja, zeker, dit jaar!
Ton Rozeman (1968) is docent aan de Schrijversvakschool en hoofdredacteur van de website ShortStory.nu.
Van Ton Rozeman verschenen bij LJ Veen de bundels Intiemer dan Seks (2001), bekroond met het Charlotte Köhler Stipendium 2003 en genomineerd voor de Academica Debutantenprijs 2002, en Misschien maar beter ook (2004), genomineerd voor de BNG Nieuwe Literatuur Prijs en longlisten AKO Literatuurprijs en Libris Literatuur Prijs
In 2007 verscheen bij Nieuw Amsterdam de novelle Nu gaat het gebeuren.