• Persoonlijk noodlot en een vallende granaatappel

    Persoonlijk noodlot en een vallende granaatappel

    Als je het Alhambra in Granada bezoekt kan je in het winkeltje vlakbij de hoofdingang het boek Tales of the Alhambra van Washington Irving aanschaffen. Het ligt er zelfs in Nederlandse vertaling (met de foutieve titel Vertalingen van het Alhambra op het omslag). Enkele van de verhalen gaan over de lotgevallen van Boabdil, de laatste Moorse vorst in Spanje tijdens de Reconquista, die eindigde in 1492.

    Het is prikkelend om je voor te stellen dat Louis Couperus precies 100 jaar geleden net als jij zelf in de lentezon op de opstapjes voor het winkeltje zat, bladerend in hetzelfde boek van Irving. Het is zelfs waarschijnlijk dat het zo was, want in het Nawoord bij de heruitgave van Couperus’ De Ongelukkige verhaalt literatuurcriticus Mark Cloostermans dat de schrijver in 1913 een Spanjereis maakte waar hij geen plezier aan beleefde. Tot hij in Andalusië belandde en daar in aanraking kwam met de overblijfselen uit de Moorse tijd. Hij las in Granada het boek van Irving en bereisde de plaatsen waar het leven van Boabdil zich had afgespeeld. Het wakkerde zijn schrijverschap weer aan, dat hij net had losgelaten: zijn romans verkochten nauwelijks nog en hij verdiende er amper nog wat aan. Bovendien twijfelde hij of hij voldoende historische kennis bezat om een nieuw project aan te durven. In december van dat jaar kwam hij niettemin al met een voorpublicatie. De roman zelf kwam in 1915 op de markt (vertraagd vanwege de Eerste Wereldoorlog), maar het werd geen bestseller. In december 1915 kwam bovendien nog een kort verhaal uit, De dood van den Dappere, een staartje aan De Ongelukkige.

    In het Couperusjaar 2013, waarin wordt herdacht dat de auteur 150 jaar geleden werd geboren, heeft L.J. Veen, ook destijds al uitgever van het meeste werk van de Hagenaar, De Ongelukkige opnieuw uitgegeven. Dezelfde Veen, die Couperus in 1913 niet het gevraagde honorarium wilde betalen waardoor de schrijver naar een andere uitgever liep.

    Honderd jaar later zet Veen op het omslag: ‘De herontdekking van Couperus’ betoverende avonturenroman’. Daar valt wel wat op af te dingen. Eerder lijkt het eeuwfeest van het ontstaan van de roman de invalshoek om hem in het Couperusjaar nog eens uit te brengen. Dat de sympathie van de schrijver bij de verliezer lijkt te liggen en dat De Ongelukkige dus geen anti-moslimroman is, zoals Cloostermans schrijft, lijkt een wat mager argument om te spreken van de herontdekking van een eigenzinnige kijk op de clash van katholicisme en islam. Er straalt zelfs enige gemakzucht af van deze heruitgave. Het is gewoon een reprint van de editie uit 1994 op goedkoop papier, zonder (op het Nawoord na) annotaties. Die hadden de herdruk een meerwaarde kunnen geven, want je kunt je tevens afvragen wat voor hoger doel wordt gediend met het op zo’n sobere manier uitgeven van een roman die toch al digitaal op internet te vinden is (www.dbnl.org).

    Het betekent allemaal niet dat een (hernieuwde) kennismaking met de roman (in de spelling van 1913) verloren tijd is. Couperus vertelt de geschiedenis van Boabdil (de Spaanse naam voor Aboe-Abdallah) als een sprookje in een taalgebruik en stijl die we van zijn beroemdste romans zoals Eline Vere, De stille kracht, en Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan niet gewend zijn. Het sprookjesachtige wordt meteen duidelijk. In de eerste 12 regels duiken al vier samenstellingen met het woorddeel ‘toover’ op. Ook het taalgebruik draagt daaraan bij. Couperus is in deze roman bijna een dichter, die zwelgt in poëtische zinsconstructies, binnenrijmen, alliteraties en andere klankverwantschappen. Je moet er 100 jaar later misschien maar net van houden, maar, toegegeven, er zitten fraaie voorbeelden tussen. Zoals in de beschrijving van de ongeruste breekbare vrouw van Boabdil in haar sluier: ‘Hare teedere leden vertengerden nog in de getrokkene doorzichtigheid van het dunne gaas, dat spinneweefde om hare lichte gestalte’. Of deze over de strijdlustige pubers in het Spaanse leger: ‘Hunne spieren smachtten zich te ontspannen, terwijl nauwelijks hun snorretjes donsden’. Maar soms weet Couperus geen maat te houden, zoals in ‘…de drie witte Wijzen, die wandelden langs de wallen, waren de onwezenlijkheid ervan…’.

    Af en toe lijkt het zelfs of Homerus een gevecht aan het beschrijven is:

    Hij zag in de zon het wapengeflits, dat naderde langs den heuvelenden weg. En hij herkende de lange lansen, die schoten de gouden bliksems, de ronde schilden, die schoten de gouden sterren. Hij herkende de ronde helmen; zij straalden de flapperschaduwen door, die neêr sloegen de wappere vanen. De flikkerende maliënruiten der rustingen omgordden de ruiters en verforschten hunne fiere, rechte torsen, die torsten de aantrappelende rossen, wie de roode hoezen omhuifden; roode pluimebossen wuifden. Kromme klingen kletterden met, de van email en gesteente schitterende, kromme scheeden, hangende met koorden en kwasten om de nekken der ridders, die naderden; de ruiterij volgde machtig en zwaar. En er was geklater van koperen trompetten en schel geschetter van fel schitterende fluiten en dwars door àl bommende trommen, die daverende rommelden.

    Je hoort er met wat goede wil zelfs de homerische hexameters in.

    Er klinkt inderdaad nogal wat wapengekletter in de roman, niet alleen tussen Spanjolen en Moren, maar ook binnen die partijen. Boabdil, die zelf aan de macht is gekomen door zijn vader aan de kant te zetten, betwist op zijn beurt later weer de macht met zijn oom El Zagal, de broer van zijn vader. Als zij hun strijd uitvechten in de straten van Granada – El Zagal bewoont op dat moment het Alhambra en Boabdil zit met de laatste getrouwen, opgesloten in het Alcazar – grijpen ineens de Drie Wijzen in die op meer beslissende momenten in de roman opduiken. Ze overtuigen beiden ervan dat ze samen moeten staan voor een islamitische toekomst en gezamenlijk dienen op te treden tegen de katholieke Spanjaarden. De onderlinge machtsstrijd was overigens door diezelfde katholieken aangewakkerd. Zij hadden Boabdil verslagen in een gevecht bij Loxa, maar hem goed behandeld en vrijheid en steun beloofd als hij hun vazal wilde worden. Ze stelden hem het koningschap in het vooruitzicht over alle gebieden die Spanje op El Zagal zou veroveren.

    Maar ook in het katholieke kamp is er verdeeldheid tussen de fanatiekelingen die de Moren het liefst zo snel mogelijk afslachten en het koninklijke paar Ferdinand II van Aragón en Isabella I van Castilië. Vooral de laatste ziet liever dat de Moren worden bekeerd dan dat er bloed vloeit.

    De Ongelukkige uit de titel is Boabdil. De drie Wijzen hebben zijn ouders bij zijn geboorte al voorspeld dat hij tijdens het leven van zijn vader zal regeren, dat hij ongelukkig zal zijn en dat hij de Granaatappel zal verliezen en anderen de pitten zullen plukken. De roman draait vooral om die tweede voorspelling, die mede leidt tot vervulling van de derde.

    Boabdil is een weifelmoedige koning, die steeds tussen twee vuren zit. Enerzijds heeft hij zijn macht te danken aan het Spaanse koningspaar waarvan hij de vazal is en dat zijn enige zoon in Córdoba gegijzeld houdt. Anderzijds komt hij voortdurend in conflict met zijn geloofsgenoten die hem verwijten dat hij zijn hoogste opdracht, het verslaan van de Ongelovige (de niet-moslim), verzaakt. Zijn positie loopt enkele keren gevaar als de Moorse bevolking lijkt te kiezen voor El Zagal, die wel driest ten strijde trekt en de ander als Koning laat regeren in Granada. Boabdil ziet zich voortdurend als speelbal van het Noodlot, als de Ongelukkige.

    Dat wordt hij in zijn ogen des te meer als hij zijn vrouw onterecht beschuldigt van overspel, een trauma dat hij de rest van zijn leven mee zal dragen. Couperus is in de beschrijving van deze persoonlijke geschiedenis tussen de twee echtelieden op zijn best. Hij wendt hierin zijn rijke scala aan schilderingen van noodlottigheden, angsten en wantrouwen aan in een opbouw die het boek – ondanks zijn voor ons wat bombastische taalgebruik – bijna tot een thriller maakt.

    De derde profetie van de Wijzen gaat onontkoombaar in vervulling als aan het eind van de strijd de stad Granada (de Granaatappel) in handen van de Spaanse vorsten valt. Ongelukkiger kon Boabdil niet meer worden. Hem rest nog slechts een aftocht onder een vrijgeleide van Isabella van wie hij zijn gegijzelde zoon terugkrijgt.

    En hoe verging het El Zagal verder? Ook hij overleefde de strijd, maar daar blijft het bij in de roman. Couperus had voor de beschrijving van diens tragische oude dag en levenseinde het toetje nodig dat in deze uitgave is opgenomen: De dood van den Dappere. Wie is er nu gelukkiger geweest, lijkt Couperus in deze appendix op te werpen: Boabdil of El Zagal?

     

     

     

  • Een wijs raafje

    Een wijs raafje

    Een 18e-eeuwse Russische edelman schijnt te hebben gezegd: ‘Despotisme getemperd door sluipmoord, dat is onze Magna Charta’. Voor het huidige Rusland dient deze bon mot aangepast te worden, tot ‘autoritarisme gedempt door volkswoede’.

    Kremlin-ideoloog Vladislav Soerkov bedacht hier zelfs een term voor. Hij noemde het ‘soevereine democratie’. In essentie betekent dit ‘dat de baas beslist en dat het volk door verkiezingen aan kan geven dat het instemt met wat de baas beslist.’ Zolang de economie groeide en de verkiezingen niet al te openlijk vervalst werden namen de Russen zowel dit democratische tekort als de mediapropaganda, het hoge sterftecijfer, de zwakke gezondheidszorg, het terrorisme etc. voor lief. Maar de verkiezingsfraude bij de meest recente verkiezingen bleek te openlijk, waardoor de volkswoede de Russische onverschilligheid overtrof.

    Voor een verklaring van waarom de soevereine democratie kon werken, lijkt het vooral nodig om naar de geschiedenis te kijken. Ideologische excessen, eerst het communisme en daarna de kapitalistische ‘shocks’, hebben de Russen murw gebeukt. Het nu tien jaar durende autoritaire president- en premierschap van Vladimir Poetin – sinds 7 mei 2012 is hij weer president – bracht de Russen de orde waarnaar ze zo verlangden. Opmerkelijk is dat zelfs tijdens de protesten de (onvervalste) goedkeuringspercentages voor Poetin rond de 50% bleven schommelen. Er zijn dus genoeg mooie vragen te stellen. In De Poetinshow. En het Rusland voor de Russen probeert NOS-correspondente Kysia Hekster tot een antwoord te komen op één daarvan, namelijk: hoe kijken de Russen naar Poetin?

    De Poetinshow verwijst naar de regelmatig in de Russiche tv-journaals uitgezonden beelden van bijvoorbeeld de vitale, half onblote president te paard op de toendra. Of van Poetin die zogenaamd twee antieke amforen uit de Zwarte Zee opvist. Maar de Poetinshow is ook de naam van een jaarlijks terugkerende tv-show waarin Poetin vragen beantwoordt die zijn ingestuurd door gewone burgers. De show houdt de façade hoog, kanaliseert wat van de maatschappelijke onrust en speelt en passant in op een aloude Russische reflex: ‘De bojaren plegen bedrog, de tsaar is onschuldig.’

    Maar Hekster richt zich vooral op de Russische burger. Ze is journaliste, en als zodanig gaat ze te werk. Ze bespreekt opmerkelijke nieuwsfeiten van de afgelopen jaren, en interviewt betrokkenen: van de agent die in een populair filmpje op RUtube (de Russische variant van) de alomtegenwoordige corruptie beklaagt – Rusland moet de 154e plaats op de index van Transparancy International delen met Guinee-Bissau – tot de Oezbeekse immigrant die probeert te overleven in het xenofobe Russische klimaat.

    Zeer sporadisch gebruikt Hekster andere middelen, en de lezer wenst dat ze dat veel vaker had gedaan. Neem de volgende Poetinverklarende fabel: ‘Een raaf zit in een boom met een groot stuk kaas in zijn bek. Een vos zit beneden aan de stam te wachten en vraagt: “Ga je op Poetin stemmen, raafje?” “Ja!” roept de raaf uit, en het stuk kaas valt naar beneden. De vos gaat ermee aan de haal. De raaf denkt bij zichzelf: wat nou als ik nee gezegd had? Had het iets uitgemaakt?’

    Beter het kwaad dat je kent, dan het onbekende kwaad: het Russische volk wil bovenal de onzekerheid vermijden. Daarbij denken de patriottische Russen nog altijd vol schaamte terug aan Poetins voorganger, de alcoholist en kapitalistenpaaier Boris Jeltsin. In zijn show wordt Poetin dan ook gepresenteerd als de absolute tegenhanger van zowel Jeltsin als van de gemiddelde Russische man – die voornamelijk als gevolg van drankmisbruik op zijn 62e overlijdt. Daarentegen drinkt Poetin niet en presenteert hij zichzelf als de grote patriot, als gedisciplineerd en plichtsgetrouw. Poetin maakt de Rus weer trots op zijn land. Het belangrijkste van alles: hij bracht stabiliteit. Allereerst economisch. Desondanks is de economie van BRIC-land Rusland nog te zeer – Hekster noemt voor 60% van de staatsinkomsten – afhankelijk van de belastingen op energie-export.

    En, zoals het raafje al dacht, wat is het alternatief? Zo voert Hekster als ‘grote held’ van de oppositie Aleksej Navalny op. Navalny maakte naam als corruptiebestrijder, en wordt getipt als mogelijke toekomstige presidentskandidaat. Maar tegelijkertijd pleit hij er ook voor om alle arbeidsmigranten het land uit te zetten. Dit pleidooi is niet alleen wanstaltig en potentieel inhumaan, maar ook vanuit economisch opzicht heel erg dom. Want uit VN-berekeningen blijkt dat de Russische economie, als gevolg van de negatieve verhouding tussen het geboorte- en sterftecijfer, de komende decennia 36 miljoen arbeidsmigranten nodig zal hebben.

    Vreemd genoeg trekt Hekster niet de voor hand liggende conclusies. Om die lacune gedeeltelijk te vullen: de meeste Russen demonstreren voor eerlijker verkiezingen. Wanneer Poetin die op een geloofwaardige manier weet te bieden, en onderwijl aan de macht kan blijven, dan is er geen enkele reden om aan te nemen dat de soevereine democratie niet voortgezet kan worden. Dit betekent ook een continuering van het van overheidswege toegestane (vaak letterlijke) monddood maken van journalisten, of het opsluiten van de lastige oligarchen. Hekster citeert een Russin die zegt: ‘Onze wet is als een deur die in het midden van een open veld staat. Je kúnt door de deur gaan, als je dat wil.’

    Hekster somt karakteristieken op, en daarvan weer voorbeelden. Het onoverkomelijke probleem van haar boek is dan ook dat iedereen die structureel de krant leest al deze tendensen al kent. Hekster beschrijft niets nieuws, en de manier waarop ze het bekende te berde brengt is al evenmin bijzonder. Afzonderlijk zouden de hoofdstukken niet misstaan als achtergrondverhaal in de meeste kranten, maar boekwaardig is De Poetinshow, ondanks de potentie die het onderwerp herbergt, simpelweg niet.

    Haar stijl is in orde, hoewel soms slordig en nergens sprankelend. Enkel een paar scherpe zinnetjes doen de lezer opveren – zoals op het einde, in haar beantwoording van de vraag of de Poetinshow nu afgelopen is: ‘De toeschouwers kijken een andere kant op, naar de werkelijkheid.’ En waarom put ze niet wat meer uit die ontzettende, tot de verbeelding sprekende Russische cultuur en geschiedenis? Dat doet ze domweg niet, enkele obligate verwijzingen naar Lermontov en Dostojevski daargelaten.

    Er verschijnen teveel boeken die na een half jaar alweer vergeten zijn. Maar De Poetinshow is eigenlijk nu al oud nieuws, in dezelfde zin als de krant van vorige week dat is. Hekster heeft niet meer gedaan dan een journalistiek stuk verlengd tot 190 pagina’s. En waarom er niet wat meer raafjes in opgenomen? Want die maakt wel wat goed. Bovendien geeft de fabel van deze kaasetende vogel impliciet het antwoord op de vraag of Rusland zal evolueren tot een volwaardige democratie: nee, voorlopig niet.

     

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Leendert van der Valk en zijn vriendin Winnifred Wijnker fietsten in de zomer van 2010 een maandlang door de Deep South, van Memphis langs de Mississippi Delta naar New Orleans en deden daarvan verslag in Duivelsmuziek. De tekst van Leendert is aanschouwelijk gemaakt met prachtige foto’s van Winnifred, aan het begin van elke reisdag krijgen we een soundtrack mee en aan het eind van de dag vaak nog een zakelijke tekstblokjes over de blues. Dat laatste was ook de reden van hun tocht. Ze wilden zoeken naar de wortels van de blues, de oude muziek die door de negerslaven uit Afrika was meegenomen naar de katoenplantages. De blues diende vooral om de eigen ellende te vergeten, te bezingen en uit te houden, en het lot te delen.

    Het lijkt erop dat de fietstocht een middel is om de ellende weer op te roepen, om aldus helemaal in de sfeer van de blues te kunnen doordringen. Het Hollandse stel zwoegt door de extreme hitte, over snelwegen die ze moeten delen met vrachtwagens, tegen de wind in, aangevallen door honden, aangestaard, toegeschreeuwd en ongetwijfeld voor gek verklaard door lieden die zich nooit buiten wagen, in het veilige stalen karkas van hun auto. ‘Als mijlen toch eens kilometers waren,’ verzucht Leendert op een dag.

    Het is fantastisch het dappere stel door het arme Zuiden te volgen, hun zoektocht naar de blues mee te maken, zestig jaar te laat, zoals Leendert met ironische toon opmerkt. Overal speurt hij naar een gerimpelde neger die op het balkon van zijn huis de blues zingt (‘Liefst blind. Welja joh.’), maar hij vindt hem pas in een sushibar met Belgisch bier in New Orleans, niet oud en gerimpeld, maar jong en blank.

    In Memphis is het niet pluis, ze slapen later in een shack, een hutje van negerslaven, bezoeken het graf van folksong zanger Mississippi John Hurt, realiseren zich op een dag dat de Delta kaal is, omdat de mensen eruit zijn verdwenen. Ze zien in The 7th ward de gevolgen van  orkaan Katrina en vermaken zich in sin city New Orleans, de meest noordelijke stad van de Cariben, dat bruist van de brass bands. Ze lopen mee in een optocht achter de muziek aan, die vertraagd Just a closer walk with thee speelt als ze een begraafplaats passeren.

    ‘Wat ís the blues? had Sonny Page gister gevraagd.’ Voor Leendert is het een lastige vraag. De muziek van de Blues Brothers is bluesrock. Anders dan de religieuze gospelmuziek is de blues duivelsmuziek, vaak geassocieerd met voodoo. Jazz is stedelijk, de blues komt van het platteland. Een blues onderzoeker ging het liefst naar gevangenissen om daar het authentieke geluid op te nemen. In New Orleans werden allerlei stijlen door elkaar gemengd.

    Af en toe deed het boek me denken aan een muziekdocumentaire waarin in korte tijd heel veel spraakmakende muzikanten de revue passeren. Leendert heeft een losse manier van vertellen. Je hoort hem bijna praten. ‘Hondenliefhebbers moeten hun smoel houden’, laat hij zich een keer ontvallen. Het was een heerlijke ervaring om vanuit de luie stoel en met The Blind Boys op de achtergrond hun fiets- en zoektocht mee te maken.

    Tenslotte nog wat filmpjes van enkele in het boek genoemde bluesmuzikanten, zoals Howlin’ wolf over wat de blues is, Sonny Boy Williamson met veel gevoel in Nine below zero, Robert Johnson met Crossroad. Een lied van Johnson is meegegaan de ruimte in om bewoners op andere planeten iets van ons te laten horen. Johnson was een gevaarlijk man, zegt Muddy Waters die Mississippi Delta blues ten gehore brengt. The Blind boys of Alabama tenslotte zingen Motherless child. Hier meer over dit nummer en andere vertolkingen.

     

    Duivelsmuziek
    Op de fiets van Memphis naar New Orleans

    Auteur: Leendert van der Valk
    Foto’s:  Winnifred Wijnker
    Verschenen bij: Uitgeverij L.J. Veen
    Aantal pagina’s: 192
    Prijs: € 24,95

  • Een mensenmens in geteisterde gebieden

    Een mensenmens in geteisterde gebieden

    Recensie door Sheila van Rheenen

     

    Het getuigt van lef om zonder spoor van ironie de door een verbouwing van je riante randstedelijke huis veroorzaakte ‘lijdensdruk’ een plek te geven in een boek waarin je ook getuigenissen van slachtoffers van honger, verkrachtingen en martelingen optekent uit hoofde van je functie als ambassadeur voor het Nederlandse Rode Kruis.

    ‘Alom aanwezige stress veroorzaakt door vijf Tsjechen die vanaf halfzeven door je huis stampen en je plee bevuilen met hun bierlucht en slechte eten. Met z’n vieren op vijftien vierkante meter wonen gaat je niet in de kouwe kleren zitten na een paar maanden. En dan je liefste met bouwstofhaar en twee kinderen met natte ogen en een slaapplek in de rotzooi achterlaten om te vertrekken naar het diepste van het diepste echte ‘donkere’ Afrika, voelt heel vreemd en onaardig.’

    Eric Corton, een Nederlandse radio en tv-maker, komt er aardig mee weg en dat zegt waarschijnlijk wat over zijn kwaliteiten als schrijver. Jaarlijks reist hij naar Afrika om reportages te maken. In zijn debuut Wilde Wereld doet hij verslag van zijn reizen naar onder andere Darfur, Congo en Kenia. De verhalen hebben weinig tot geen journalistieke waarde. Veel van de gruwelijkheden die hij beschrijft zijn geen nieuws meer en Corton waagt zich niet aan een analyse van de Afrikaanse cultuur en problematiek. Zo beschrijft hij in het verhaal ‘Geloof 1’ zijn ontmoeting met de Canadese Marcel die zich van telefoonpalenbouwer liet omscholen tot water- en sanitairspecialist en diep in de jungle een kapotte waterpomp repareert. Materiaalkosten: 0,75 eurocent. Van een oude vrouw die hij bij de waterpomp ontmoet begrijpt Corton dat zij vanwege de defecte pomp dagelijks twintig kilometer heen en weer heeft moeten lopen voor schoon water.

    Marcel zet een systeem op om het onderhoud van de pomp in handen te geven van de dorpelingen zelf, begeleid door plaatselijke vrijwilligers van de hulporganisatie. Dit voorbeeld roept veel vragen op. Waarom is de plaatselijke bevolking niet al vanaf het begin, dus bij het installeren van de pompen, betrokken bij het project? Waarom moeten Westerse hulporganisaties naast het bieden van scholing, ook helpen bij het initiëren van de organisatie voor het onderhoud? Was er eigenlijk een hulpvraag?
    Corton hoeft het niet te weten. In plaats daarvan schrijft hij een uiterst beeldend poep- en plasverslag over een tot de rand gevulde wc waar hij bijna op gaat zitten. Lachen, gieren en brullen met Marcel die vergeten is hem tijdig te waarschuwen. Op zulke momenten lijkt het sluiten van vriendschap voor Corton belangrijker dan het stellen van kritische vragen.

    Soms werkt Cortons emotionaliteit op. De kindsoldaten, de groepsverkrachtingen, het is allemaal al vaker beschreven, in een bredere context, of gewoon beter. Maar voor Corton is de noodzakelijkheid van zijn verhalen evident, zoveel is duidelijk.
    Dat hij daarbij redelijk goed schrijft, maakt dat dit enigszins overbodige boek het particuliere wel degelijk overstijgt. En een boek over Afrika is altijd goed om onze eigen sores te relativeren, zelfs als die sores bestaat uit stinkende Tsjechen op je wc.

     

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Feelgoodpoëzie met plaagstootjes

    De debuutbundel van Bianca Boer (1976) kent veertig, niet al te lange en in een begrijpelijke taal gestelde gedichten, die ook al vanwege de bladspiegel duidelijk als poëzie herkenbaar zijn. Hoofdletters en interpunctie zijn opvallend gemeden. Haar prozadebuut maakte ze een paar jaar geleden met de verhalenbundel Troost en de geur van koffie die o.a. genomineerd werd voor de Selexyz Debuutprijs. Een alleszins vriendelijke titel, waarbij die van haar poëziedebuut zich makkelijk kan voegen. Het is een poëziedebuut dat, ik verklap het maar meteen,  het Nederlandse poëzielandschap niet een ander aanzien bezorgt. Daarvoor voegt de meerderheid van de gedichten zich te gedwee in het reeds bekende spoor. Ik ga eerst een minpuntje van dit debuut noemen, om met een duidelijk pluspunt te kunnen eindigen.

    Veel gedichten van Boer maken een min of meer montere indruk en geven van een anekdote net genoeg mee om die te begrijpen. Maar dat net genoeg kan vaak al iets te veel zijn voor poëzie. 

    Ze graven soms ook niet diep genoeg om een blijvend litteken achter te laten. Neem het gedicht:

    Middelbareschoolreünie

    ‘een buik vol bubbelgum
    tussen oranje linoleum en gevulde koeken
    als ik hem weer zie

    ruik ik verschaalde schoolfeesten
    kus hem eindlijk drie keer
    hij prikt door mijn gedachten

    woorden van toen wuiven
    helium in mijn longen
    ik piep lege spreekballonnen

    hij neemt ademloos zijn plek
    weer in mijn lichaam’

    Dit gedicht gaat nergens schuren of uit zijn voegen barsten, waarschijnlijk omdat het te direct herkenbaar is wat hier staat. De hele anekdote had even goed onderdak kunnen vinden in een column in de Flair. Het blijft braaf tussen de lijntjes van de goedaardige gevoelens.

    Of in Vroeger is een huis:

    ‘de eerste kleurenfoto’s
    waarop de echte wereld minder groen is
    dat huis ben jij

    van iedereen die je kende nam je iets mee
    het hangt aan de muren
    het staat in de kamers
    ik ben je vrouw

    ik krijg één nacht de bemoste bruidssuite
    waar wij het kind zullen maken
    dat nooit het huis uit gaat

    ik tuur zolang naar de foto
    dat ik zijn gezicht ? we hadden een jongen  gekregen ?
    achter een van de ramen zie

    het is de eeuwige zonneschijn
    die in de ruiten blikkert
    hem verjaagt’

    Ook hier wordt de werkelijkheid te weinig ontdaan van haar alledaagsheid.

    In dit soort gedichten mag een regel misschien een enkele schijnbeweging maken,  maar daarmee wordt de lezer meestal niet op het verkeerde been gezet, daar het gedicht daarvoor te weinig te raden laat.

    En toch hoef ik Boer niet aan te raden de oppervlakte te verlaten, want ze is in staat met schijnbaar oppervlakkige beelden tot een wat meer verontrustend geheel te komen.

    Dat levert een gedicht op als:

    nog een geluk dat het terras daar niet stond

    ‘van de Martinitoren stapt een jongen
    zijn val vanaf 56 m vanaf de tweede trans
    wordt vlak bij de grond gebroken
    door een lezende toerist

    in de toren loopt een meisje omhoog
    traptreden te tellen’

    Dit is een prachtig gedicht waarin op geslaagde wijze de collagetechniek is toegepast. Het suggereert meer dan het feitelijk prijsgeeft en dat werkt al meteen veel beter. Juist de triviale mededeling dat een meisje omhoog loopt, zet de tragiek van de val van de jongen des te meer aan. Dat is knap gedoseerd.
    In een ander collage-achtig gedicht komt een ander opvallend kenmerk van Boer tot uiting. Haar speelsheid
     

    zichzelf verklarend

    ‘de man met de radiostem
    heeft wenkbrauwen die bewegen op de maat van zijn lippen
    hij geeft de verklaring voor het spelen van rummikub
    als je oud wordt en lang samen bent

    er is het overleven van de winter door de langpootmug
    er zijn dagen waarop je moet uitslapen
    je neus te ruste leggen naast je hoofdpersoon

    vandaag is er een moment dat ik mooi meegenomen zal zijn
    ik maak een lijst van wensen
    op één staat het onderzoeken van een haastig hert
    eronder steltlopertjes zoemen leren’

    Dit is zonder meer een fraai feelgood-gedicht. De verhaallijn erin is te volgen, maar de toegevoegde waarde komt niet van het begrip, maar van de overrompelende inval aan het einde, die zijn eigen ‘logica’ ertegenover stelt.

    Als lezer stuit je in haar bundel veelvuldig op speelse invallen, zoals: ‘knalgroen is een groen woord/ gek genoeg want het woord groen / is grijs zoals rood blauw is.’ Of in een strofe van een gedicht dat verslag doet van een telefoongesprek: ‘we gaan elkaar binnenkort weer zien / voor die tijd denk ik niet aan de naakte vrouw / die op handen en knieën door het gras kruipt / of andere zaken die hun weerga niet kennen ‘. Die bevallen mij goed. Het zijn even zovele plaagstootjes tegen de braafheid van de verstaanbaarheid.

    Ik zou die speelsheid in een vervolgbundel daarom wat meer aangelengd willen zien met bizarre, ietwat vervreemdende invallen. Laat die twee om voorrang strijden. Er mag wat mij betreft iets meer afgedreven worden van de anekdote, om de speelsheid wat ongeremder te laten ontluiken.

    Vliegen en andere vogels

    Auteur: Bianca Boer
    Verschenen bij: Uitgeverij L.J. Veen (2010)
    Prijs: € 15,-