• Meisje in mijn hoofd

    Meisje in mijn hoofd

    Ik las een kleine roman over de moord op een bedoeïenmeisje in de Negev-woestijn door Israëlische soldaten. In mei 1948 riep toenmalig premier David Ben-Gurion de onafhankelijke staat Israël uit. Daarop vielen omliggende Arabische landen Israël binnen. Israël hield, met zijn net opgerichte leger, stand. In de zomer van 1949 werd de wapenstilstand getekend, de onrust bleef. Op dat moment in de geschiedenis begint Een klein detail van de Palestijnse schrijfster Adania Shibli.
    Op
     9 augustus 1949 slaan Israëlische soldaten hun kampement op in de Negev-woestijn. Vandaaruit wordt dagelijks gepatrouilleerd langs de zuidelijke grenslijn met Egypte. Honden janken in de nacht, soms brullen er kamelen, maar nooit treffen ze iemand. ‘het enige wat het gebied prijsgaf, waren zandstormen en stofwolken, die er enkel op uit leken te zijn hen te achtervolgen en te kwellen. (…) Maar soms zag hij hun tengere, zwarte gedaanten tussen de heuvels heen en weer dansen, maar zodra de jeep ronkend en sputterend in de buurt kwam, waren ze spoorloos verdwenen.’ 

    De ‘hij’ is de legercommandant, een gedisciplineerd man die zijn manschappen op het hart drukt goed voor hun kleding te zorgen, ‘zichzelf elke ochtend te scheren en zich goed te wassen’. In de eerste nacht wordt hij gebeten door een beest dat kriebelend over zijn been bewoog. Hij slaat het van zich af, op zijn dijbeen zitten twee kleine rode puntjes. Het is onduidelijk waardoor hij gebeten is. Ik vermoed een spin, een zwarte weduwe. Die beet is een klein detail.

    Er is geen verhaal over het meisje, of niemand kent haar verhaal, ook de schrijfster niet. Enkel dat ze tijdens een patrouille, waarbij haar Arabische groepsgenoten en hun kamelen werden neergeschoten, gevangen werd genomen. Soms schreeuwt ze van angst, omdat ze is lastiggevallen door soldaten. De legercommandant intrigeert me. Zijn idee was het meisje naar het hoofdkantoor van de legerleiding brengen. Of als ze een Arabische nederzetting tegenkwamen, haar daar achter te laten. Ik dacht niet dat hij het in zich had het meisje kwaad te doen. Is het door het gif van de spin? Hij heeft last van verkrampingen in armen en benen, hartkloppingen, hoofdpijnen. Hij verbood zijn soldaten het meisje lastig te vallen. In de nacht van 12 op 13 augustus gebeurt er iets waardoor hij de volgende ochtend besluit het meisje te laten doden. Dit eerste deel leest als het kijken naar een stomme film.

    In het tweede gedeelte (elk deel beslaat drieënzestig pagina’s) is een Palestijnse vrouw in de stad Ramallah aan het woord in een groot monologue interieur. Op een ochtend leest ze in een krantenartikel, geschreven door een Israëlische journalist, over het vermoorde bedoeïenmeisje op 13 augustus 1949. Wat haar treft, is de datum waarop het incident plaatsvond. Het meisje werd na te zijn verkracht, vermoord op de ochtend waarop zij, exact een kwart eeuw later, in 1974 werd geboren. Het incident vindt ze niet bijzonder. ‘Als je kijkt naar wat er dagelijks gebeurt op plekken als deze, die met veel kabaal door anderen worden bezet en waar de dood altijd aanwezig is. (…) Zelfs verkrachtingen vinden niet alleen plaats in oorlogen, maar ook in het dagelijkse leven. Moord, verkrachting, en soms beide tegelijk.’

    De dag waarop het gebeurde, linkt haar aan die gebeurtenis, waardoor ze het verhaal van het meisje wil leren kennen. ‘Misschien is dit kleine detail wel van doorslaggevend belang als we de volledige waarheid willen achterhalen, want door het verhaal van het meisje achterwege te laten, legt het artikel niet de volledige waarheid bloot.’ Ze belt met de Israëlische journalist, reist door Israelisch gebied, waarbij ze constant pasjes moet tonen om grenzen te passeren. Zeer voelbaar is de beklemming om ergens te zijn waar je niet gewenst bent. Als Adania Shibli iets wilde benadrukken dan is het misschien wel dat zo niet God, dan wel de mens in al zijn daden ondoorgrondelijk is.

    Het is een paar dagen geleden dat ik het boek uit las, maar gisteravond, tijdens de twee minuten stilte, kroop het meisje in mijn hoofd. Wat ik ook probeerde, als legde iemand mij op dat ik anderen moest herdenken, ik zag haar in de Negev-woestijn, het gebied dat sinds mensenheugenis werd bewoond door bedoeïen, dat zij geen weet had van een onafhankelijkheidsverklaring. 

     

     

    Een klein detail / Adania Shibli / vertaling Djûke Poppinga / uitg. Koppernik


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en leest.

     

     

  • Oogst week 12 -2023

    De Zanzibardriehoek

    De boeken van historicus Martin Bossenbroek hebben een vaste insteek: altijd vanuit de standpunten van betrokken hoofdpersonen. Op deze manier heeft hij al een groot aantal toonaangevende boeken over belangrijke perioden uit de hedendaagse wereldgeschiedenis geschreven.

    In zijn waarschijnlijk bekendste boek De Boerenoorlog bijvoorbeeld (dat de Tweede Boerenoorlog van 1899- 1902 behandelt) verplaatst hij zich in alle partijen en volgt hij drie belangrijke personen op de voet: de Nederlandse jurist Willem Leyds, de Engelse oorlogsverslaggever Winston Churchill en de Boerencommando Deneys Reitz.

    In zijn andere boeken, bijvoorbeeld Fout in de Koude Oorlog (Nederland in tweestrijd 1945-1989), en De wraak van Diponegoro (Begin en einde van Nederlands-Indië) gaat hij op eenzelfde manier te werk.

    Met De Boerenoorlog won hij in 2013 de Libris Geschiedenis Prijs. Hij is daarnaast vele malen genomineerd geweest voor verschillende prijzen.

    Onlangs is van hem De Zanzibardriehoek verschenen met als ondertitel ‘Een slavernijgeschiedenis 1860-1900’.
    Het vertelt over de geschiedenis van de Oost-Afrikaanse mensenhandel in Zanzibar die onder Britse dwang in 1873 wordt afgeschaft waarna Zanzibar een Brits protectoraat wordt.
    In dit boek beschrijft Bossenbroek de laatste episode in deze slavernijgeschiedenis, ook weer vanuit direct betrokkenen, in dit geval o.a. David Livingstone, de bevrijde slaaf James Chuma, Sultan Barghash, slavenhandelaar Tippu Tip en de diplomaat John Kirk.

    De Zanzibardriehoek
    Auteur: Martin Bossenbroek
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2023)

    Hoe ik de vissen ontmoette

    De Tsjechische schrijver Ota Pavel, geboren als Ota Popper (1930-1973), was journalist, sportverslaggever en schrijver. Hij wordt geroemd om zijn korte verhalen en autobiografische romans.

    Een bipolaire stoornis betekende het einde van zijn carrière als sportverslaggever en later ook als journalist. Hij zou regelmatig worden opgenomen in een inrichting. Wrang is dat er wordt gezegd dat hij juist in die periodes het meest creatief was en hij toen zijn mooiste boeken geschreven zou hebben.

    In Hoe ik de vissen ontmoette schrijft Ota Pavel aanvankelijk over zijn onbezorgde jeugd in Tsjecho-Slowakije, een tijd waar door de inval van de Duitsers bruut een einde aan komt. Zijn vader en twee broers worden naar het concentratiekamp afgevoerd en Ota voelt zich verantwoordelijk voor de voedselvoorziening van de rest van het gezin en steelt de door de Duitsers gevorderde karpers terug.

    Op de flaptekst omschrijft de uitgeverij het als volgt: ‘De ontroerende verhalen over de strijd van zijn sprankelende vader om voor zijn gezin te zorgen en over de heroïsche vindingrijkheid van de jonge Ota Pavel, zijn boven alles een gepassioneerd en aangrijpend pleidooi voor leven, liefde, vrijheid en vissen.’

    Hoe ik de vissen ontmoette
    Auteur: Ota Pavel
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2023)

    Onder het Luchtspoor

    Jonge, talentvolle kunstenaars kraken in de jaren tachtig van de vorige eeuw samen een leegstaand pand in Rotterdam. Ze leven van de bijstand in een tijd van grote woningnood en jeugdwerkeloosheid. Zij hopen op succes, verwachten dat ook, maar zijn onvoldoende in staat hun talent tot bloei te laten komen. Een van hen is fotograaf Arend Zwart die na een aantal mislukte studies weer is teruggekeerd naar zijn geboortestad.

    ‘Na een kansloos avontuur aan de Faculteit der Aardwetenschappen en twee halverwege afgebroken studies op kunstacademies elders in het land keer ik noodgedwongen terug naar de stad waar ik ben opgegroeid.’
    Zo begint Onder het Luchtspoor. De toon is gezet.

    Peter Swanborn (1963) is vooral bekend als dichter. Onder het Luchtspoor is zijn prozadebuut.

    Onder het Luchtspoor
    Auteur: Peter Swanborn
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium (2022)
  • Het zieligste verhaal ter wereld

    Het zieligste verhaal ter wereld

    Stargate van Ingvild H. Rishøi is een moderne hervertelling van het meisje met de zwavelstokjes. Het is een kerstverhaal dat zich afspeelt in Tøyen, een volksbuurt in Oslo waar Ronja en haar oudere zus Melissa wonen met hun vader. Met de kerstdagen voor de deur wil de tienjarige Ronja voor het eerst een echte kerstboom in huis, maar met een vader die drinkt is dat geen wens die makkelijk kan worden vervuld. Ronja, die haar vader op een voetstuk zet, is blij met elk moment dat ze met haar vader deelt. Met behulp van de conciërge van haar school bezorgt ze haar vader een baantje als kerstboomverkoper. De gedachte erachter: als kerstboomverkoper kan hij zich misschien een kerstboom voor bij hun thuis veroorloven. Met de gedachte dat hij dan vast medewerkerskorting krijgt, neemt Ronja’s vader de baan aan.

    Een paar dagen lang gaat het goed. Ronja en Melissa’s vader verkoopt kerstbomen, komt op tijd thuis en brengt boodschappen mee. Er wordt elke dag spaghetti gegeten, een luxe voor de meisjes. Maar dan begint hun vader weer te drinken als plotseling een van zijn drinkmaten voor de deur staat en hem meevraagt naar de kroeg. Het gaat al snel van kwaad tot erger en tot slot raakt hij zijn baan als kerstboomverkoper kwijt. De zestienjarige Melissa besluit dat het baantje in de familie moet blijven en ze spreekt met de kerstboomverkoper af om voor en na school te komen helpen.

    Een huisje waar ze veilig zijn

    Stargate wordt verteld door Ronja. Zij wordt voornamelijk verzorgd door Melissa. Op avonden dat hun vader van huis is en in een kroeg met de naam Stargate of Vrienden te vinden is, kruipen de zusjes bij elkaar in bed en vertellen ze elkaar geruststellende verhalen. Over een huisje in het bos waar ze veilig zullen zijn en waar een kerstboom staat.

    ‘”Dan gaan we naar de kamer en steken we de kaarsjes in de boom aan,” zei ze. “En ze geven prachtig licht.” “Ja,” zei ik. “Zoals in het meisje met de zwavelstokjes.” “Daar moet je niet aan denken,” zei Melissa. “Dat is het zieligste verhaal ter wereld.” “Maar herinner je je die boom niet?” vroeg ik. “Herinner je je die kerstboom niet als ze naar binnen kijkt?” “Ze ijlt van de koorts,” zei Melissa. “Denk aan iets anders. Want dat meisje gaat op het eind dood.” “Ze gaat niet dood,” zei ik. “Ze gaat naar haar oma.”‘

    De bovenstaande passage haalt niet alleen het verhaal van het meisje met de zwavelstokjes aan om aan te tonen dat Stargate hierop gebaseerd is, maar laat ook het verschil tussen de leeftijden van Ronja en Melissa zien. Melissa is al gekleurd door het leven met haar vader en de hardheid die hierbij komt kijken, terwijl ze Ronja hiertegen wil beschermen en haar kinderlijke onschuld wil bewaren.

    Kerstcadeautjes

    Deze wisselwerking tussen de zussen zorgt voor een ontroerend effect. De cynische blik van Melissa werkt als een versterkende factor voor de onschuld van Ronja, die hoop en dromen koestert maar gelijktijdig zorgen heeft die een tienjarige niet hoort te hebben. Zoals wanneer hun vader laat op de avond zegt kerstcadeautjes te gaan kopen van een voorschot op zijn salaris en Melissa hem confronteert met haar vermoeden dat hij naar de kroeg gaat. Nadat Melissa de discussie verliest, ligt Ronja in bed te piekeren. Ergens voelt ze aan dat haar vader geen cadeaus is gaan kopen.

    ‘Ik had gewoon moeten zeggen maar we willen dit jaar geen cadeaus. Ik had naar Eriksen moeten gaan en moeten zeggen geef onze vader geen voorschot, ik had bij Aronsen moeten aankloppen en moeten zeggen kunt u op de portemonnee van onze vader passen? Maar dat had ik allemaal niet gedaan. Ik was met papa meegelopen naar de gang en had onnozel gevraagd ga je een cadeau kopen? Zal ik dan zeggen wat ik wil hebben?’

    De schrijfstijl van Stargate is simpel, passend bij het perspectief van een tienjarige. Met weinig woorden beschrijft Rishøi treffend hoe het alcoholisme van hun vader het leven van de twee zussen beïnvloedt. Als ook de omgeving zich zorgen begint te maken en buurman Aronsen op een gegeven moment aan Ronja vraagt of ze al ontbeten heeft antwoordt ze: ‘Ja. Maar dat is een tijdje geleden.’

    Herhalende elementen

    De omstandigheden worden langzaam maar zeker steeds erger. Het verkopen van de kerstbomen wordt alsmaar moeilijker voor Melissa omdat ze Ronja bij zich wil houden – Ronja helpt Melissa – en haar baas dat niet wil. Hun vader gaat steeds meer drinken en regelmatig vindt Ronja hem bewusteloos op de vloer in een plas urine. Op een gegeven moment wordt ze boos en confronteert ze hem met alle dingen die haar op dat moment te binnen schieten. Het stinkende appartement, het ontbreken van stofzuigerzakken en de karige inrichting. Wanneer ze alles tegen haar bewusteloze vader gezegd heeft, vertelt ze: ‘[…] moest ik huilen en ik schudde mijn hoofd, want op dat moment begreep ik alles. Ik begreep alles, maar er was niets aan te doen.’

    Door de slechte situatie en het ontbreken van zorg wordt Ronja ziek en Melissa, uitgeput van het sjouwen met de kerstbomen in de vrieskou, kan haar niet meer helpen en schijnt hetzelfde virus te hebben. Samen kruipen de meisjes onder een kerstboom om te schuilen voor een sneeuwstorm en ze denken aan de mooie verhalen die hun vader vroeger vertelde en die ze elkaar uiteindelijk zijn gaan vertellen. Het verhaal over het veilige huisje in het bos biedt de meisjes steun, totdat ze steeds dichter bij het moment komen waarop ze naar een betere plek kunnen gaan.

    Stargate is dankzij het eenvoudige taalgebruik en Ronja’s perspectief een prachtig maar schrijnend verhaal. Het laat een vertelkunst zien die de lezer bij de keel grijpt en niet meer laat gaan. De alternatieve invalshoek van de twee zusjes met een alcoholistische vader geeft een moderne draai aan het bekende verhaal van het meisje met de zwavelstokjes. Daarmee is Stargate een geweldige hervertelling van ‘het zieligste verhaal ter wereld’.

     

     

  • Ingehouden persoonlijke tragiek

    Ingehouden persoonlijke tragiek

    Lange tijd was de Amerikaanse auteur Bette Howland (1937-2017) vergeten, totdat haar debuut W-3 in 2013 werd herontdekt. Deze is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald als Paviljoen 3. In deze autobiografische roman beschrijft Howland de tragische lotgevallen van de bewoonsters van de psychiatrische afdeling van een universiteitsziekenhuis. De ik-verteller is een jonge vrouw met twee kleine kinderen die het in haar eentje moet zien te rooien: ‘Een smerig flatje, rottig baantje, eeuwige geldzorgen.’ De existentiële en economische onzekerheid waar ze alleen voor staat, leidt tot lichamelijke uitputting, langdurige depressie en een zelfmoordpoging waarna ze in het ziekenhuis en uiteindelijk op de psychiatrische afdeling terecht komt. Niet een erg opbeurende leeservaring, zoveel is zeker. Maar weet het boek de lezer ook te raken?

    Het verhaal speelt zich overwegend af in Paviljoen 3 en beschrijft een wereld met verschillende typen medepatiënten, verplegers, de verleende medische zorg en de heersende cultuur. Deze cultuur is sterk bepalend voor de patiënten. De bedoeling is dat de patiënten samen een maatschappij in het klein vormen, dat hun gemeenschap zelfsturend is en over bepaalde zaken beslist. Een voorbeeld van autonome patiëntbeslissingen is het uitdelen van pasjes voor privileges, zoals wandelingen. Er moet eindeloos vergaderd worden met mensen waarvan de ene helft zulke beslissingen niet wil of kan nemen en waarvan de andere helft geestelijk niet aanwezig is. De meeste patiënten krijgen namelijk kalmerende medicijnen voorgeschreven en zijn meestal afwezig en onverschillig.

    Momenten van medemenselijkheid

    Er zit weinig lijn in de therapieën op de afdeling, hetgeen soms leidt tot extreme situaties en reacties. Een voorbeeld vormt Cootie: zij weigert te spreken met of anderszins te reageren op haar omgeving. Mede-patiënte Simone wordt aan haar gekoppeld als maatje. Cootie geeft lange tijd het zwijgen niet op maar Simone houdt niet op met communiceren en aandacht aan haar besteden. Hun verhouding dreigt uit te lopen op een patstelling, maar uiteindelijk begint Cootie toch te praten. Snel daarna verlaat zij na twaalf dagen, ‘gezond en lachend’ het ziekenhuis. De verteller merkt over Simone het volgende op: ‘De trouwe aandacht waarmee ze Cootie omringde had […] iets oprechts en zorgzaams’. Dit heeft haar waarschijnlijk geholpen om beter te worden. Zo schemeren er door de wereldvreemdheid van de omgangsvormen, veroorzaakt door de mentale problemen van patiënten en hun medicatie in Paviljoen 3, toch momenten van (mede)menselijkheid. 

    De verteller beschrijft gebeurtenissen op een nauwkeurige, bijna wetenschappelijke, maar daardoor ook afstandelijke manier. De cultuur in Paviljoen 3 is gericht op uiterlijkheden en de vertellersstem beschrijft vooral het oppervlak: ‘We besteedden in Paviljoen 3 veel tijd aan ons uiterlijk […]. Dit alles omdat zorg voor je uiterlijk algemeen wordt opgevat als een blijk van geestelijke gezondheid, een van de levenstekenen.’ Feministisch redenerend kun je constateren dat het perspectief van de verteller  dat van de mannelijke blik is: ze bekijkt en beoordeelt vrouwen op basis van hun uiterlijk. Dit lijkt overeen te komen met de opvatting van de moeder van de verteller over wat het betekent om vrouw te zijn: ‘Je bent je ervan bewust dat er iets ontbreekt, iets nodig is; (…) je moet een medicijn zoeken voor het leven en je noemt die bedwelmde toestand “liefde”. Dat is het antwoord […] je hebt alleen een man nodig. […] Maar waar vind je die man? Wie is hij? En trouwens, wat heeft hij eraan?’ Het einde van dit citaat zou kunnen getuigen van een subtiel ironiserend feministisch bewustzijn bij de verteller dat de heersende genderrollen relativeert. Evengoed kan het echter een bevestiging zijn van de stelling dat de vrouwelijke ik-verteller het mannelijke perspectief op haar eigen sekse volledig heeft geïnternaliseerd.

    Nadruk op uiterlijkheden

    Tegelijkertijd is de nadruk op uiterlijkheden een onderscheidend aspect van de roman omdat de rake observaties van de kleinste details in het gedrag, uiterlijk en gewoontes van de medepatiënten af en toe amusant en doeltreffend zijn. Toch is het juist deze overwegende nadruk op het uiterlijke waar het boek een kans heeft laten liggen. Het verhaal was veel aangrijpender en ontroerender geweest als de verteller meer focuste op haar eigen positie en emoties. In dit opzicht is de roman niet zo gedurfd als de omslag beweert, omdat Howland van deze diepere tragische laag weinig gebruik maakt en het persoonlijke grotendeels uit het boek heeft gehouden. De meest aangrijpende scènes zijn degene waarin Howland haar rol van moeder en haar verhouding tot haar zoontjes beschrijft. Dat gebeurt echter maar twee keer door de roman heen.

    Uiteindelijk stelt de ik-verteller na afloop van haar verblijf in Paviljoen 3 zelf haar diagnose, namelijk dat ze een zenuwinzinking heeft gehad. Dat dit gedeeltelijk te wijten is aan het falen van het systeem (armoede, gebrek aan sociale contacten of netwerk, geen gezondheidsverzekering), blijft door de verteller onderbelicht. In dit verband dient zich de vraag aan of de roman als geheel opgevat kan worden als een aanklacht op de staat van de Amerikaanse psychiatrie. Het beschrijven van de steeds uitgestelde gesprekken met psychiaters, studenten-behandelaars die maar passanten zijn en de cultuur op de afdeling zouden op die manier gelezen kunnen worden. De roman heeft als geheel echter niet een geëngageerde, aanklagende toon.

    Aan het eind van het boek wordt de ik-verteller door een kennis opgepept om uit het pathologische wereldje van Paviljoen 3 te stappen, hetgeen zij snel doet. Haar leven lijkt verder te gaan, zij is genezen. Maar wat ze in Paviljoen 3 heeft geleerd of hoe ze zich verder ontwikkelt, blijft onduidelijk. Ondanks de tragiek en het autobiografisch element weet de roman niet echt te raken of te ontroeren omdat een diepere persoonlijke laag weinig aangeboord is.

     

     

  • Oogst week 7 – 2023

    De Netanyahu’s

    Onlangs is de roman De Netanyahu’s verschenen van de Amerikaanse schrijver Joshua Cohen. De lange ondertitel luidt: Een verhaal over een onbetekenende en uiteindelijk zelfs verwaarloosbare episode in de geschiedenis van een zeer beroemde familie.

    Het werd vertaald door Janine van der Kooij.

    Joshua Cohen is een van de snelst rijzende literaire sterauteurs van Amerika. Met The Netanyahu’s won hij in 2022 de Pulitzer Prijs en de National Jewish Book Award for Fiction. Met zijn boeken kwam hij voor in gerenommeerde top-zoveel-lijsten, maar De Netanyahu’s is pas het eerste boek dat van hem in het Nederlands vertaald werd. Als het hier net zo positief ontvangen wordt als in Amerika, zullen vertalingen van zijn andere boeken wel snel volgen.

    De loftuitingen vliegen je om de oren als je informatie opzoekt over dit boek, op de flaptekst wordt bijvoorbeeld de The New York Times geciteerd ‘Pakkend, verrukkelijk hilarisch, adembenemend en een van de beste en relevantste boeken die ik in wat wel een eeuwigheid lijkt heb gelezen.’

    En de jury van de Pulitzer Prize schrijft: ‘Een bijtende, taalkunstige en historisch onderlegde roman over de ambiguïteiten van de Joods-Amerikaanse beleving.’

     De Netanyahu’s
    Auteur: Joshua Cohen
    Uitgeverij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar (2023)

    Dans Panfilo dans

    Op zijn website noemt Kyian Esser (Amsterdam 1992) zich acteur, auteur en artiest. Maar kroegbaas is hij ook. Van Café de Richel in Amsterdam.

    Als acteur is hij verbonden aan De Theatertroep en De Spelersfederatie. In het najaar van 2023 gaat Wie de fuk is Alice in premiere, een komedie die Esser geïnspireerd op het werk van Greta Gerwig -speciaal schreef voor de Theatertroep.

    In 2017 won hij met zijn verhaal Grote lijnen, kleine mannen de finale van WriteNow! Het juryrapport schreef over zijn verhaal: ‘Hier is een schrijver aan het woord die ambitieus schrijft, maar nergens pretentieus wordt […]

    Dans, Panfilo, dans is zijn debuutroman. Het vertelt het verhaal over een ontluikende liefde tussen twee jonge jongens. Het is een vakantieliefde maar een die ze nooit vergeten en waarnaar ze als ze volwassen zijn, op zoek gaan.

    Dans Panfilo dans
    Auteur: Kyrian Esser
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2023)

    ZamZam

    Anne Vegter was gedurende de jaren 2021 en 2022 stadsdichter van Rotterdam, de stad waar zij al dertig jaar woont.

    Tijdens Gedichtendag, de aftrap van de Poëzieweek, in januari jl. is in die hoedanigheid afscheid van Vegter genomen. Het was tevens de dag waarop ZamZam werd gepresenteerd, een bundel met al Vegters Rotterdamse gedichten.

    Ze heeft daarvoor niet stilgezeten. Zij heeft de afgelopen twee jaar alle hoeken van de stad bezocht, met inwoners gesproken en beschreven wat ze zag en hoorde. Afhankelijk van wat ze aantrof schreef ze er uiteenlopende gedichten over.

    Met het fotoverslag van beeldend kunstenaar Kamiel Verschuren en een essay van compagnon Xandra Nibbeling krijgt Rotterdam er een bundel van eigen klasse voor terug.

    Schrijver, theatermaker en performer Elfie Tromp is de nieuwe stadsdichter van Rotterdam.

    ZamZam
    Auteur: Anne Vegter
    Uitgeverij: uitgeverij Querido (2023)
  • Oogst week 40 – 2022

    Kroniek in steen

    Ismail Kadare (1936) is Albanië’s meest beroemde schrijver. In 1963 kreeg hij internationale bekendheid met zijn roman De generaal van het dode leger waarin een Italiaanse generaal twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog opdracht krijgt om in Albanië de stoffelijke resten van Italiaanse militairen op te sporen die daar omgekomen zijn bij gevechten met Albanese partizanen, Grieken en Duitsers. Kadare schreef daarna nog tientallen andere verhalen en romans, waarvan uitgeverij Atheneum nu Kroniek in steen uitgeeft in een vertaling van Hans de Bruijn. Kadare schreef het in 1971 en onder de titel Kroniek van de stenen stad verscheen het tweemaal eerder in het Nederlands.

    Het werk van Kadare heeft vaak een historische context, waarbij wraak, geruchten, afgunst en een koude omgeving met sneeuw, regen en kilte de belangrijkste ingrediënten zijn. In Kroniek in steen vertelt een jongetje van rond de tien jaar de lotgevallen van een niet bij naam genoemde oude stad in Albanië. Hij zwerft rond door stenen straten, markten en pleinen met waterputten. Hij komt in abattoirs en bezoekt salons waar oude vrouwen de toekomst voorspellen. De magie van het alom tegenwoordige bijgeloof wordt ruw verstoord door de Tweede Wereldoorlog en de werkelijkheid wordt afwisselend bepaald door Italiaanse, Griekse en Duitsers bezetters. Met een onbevangen kinderblik vertelt het jongetje wat hij waarneemt van communisten, fascisten, zigeuners, een vluchtende bevolking en uiteindelijk de partizanen, wier komst een nieuw begin inluiden. Ondertussen heeft hij een van zijn grootvader gekregen boek gelezen waardoor hij de betoverende kracht van taal heeft leren kennen.

    Kroniek in steen
    Auteur: Ismail Kadare
    Uitgeverij: Atheneum 2022

    In het labyrint – Nagelaten verhalen

    De literaire aantrekkingskracht van Franz Kafka (1883-1924) behoeft geen betoog. Zijn wereldberoemde Het proces heeft talloze lezers bekoord en weinig schrijvers kunnen erop bogen dat hun naam een bijvoeglijk naamwoord is geworden. “Kafkaësk” is zo ingeburgerd geraakt dat menigeen zich er wel een situatie bij kan voorstellen.
    De meester van de vervreemding, het beklemmende en het absurde heeft veel ongepubliceerde teksten nagelaten. Deze zijn allemaal verzameld in de Nachgelassene Schriften und Fragmente, waaruit In het labyrint – Nagelaten verhalen is samengesteld.

    De Franse literatuurcriticus Roland Barthes maakt een onderscheid tussen ‘leesbare’ en ‘schrijfbare’ teksten. De leesbare teksten zijn duidelijk, de lezer hoeft niet te gissen naar de betekenis van de woorden en zinnen. Bij de schrijfbare teksten is de betekenis multi-interpretabel waardoor er weinig zinnigs over gezegd kan worden. De teksten in In het labyrint zijn volgens de uitgever leesbare stukken. Het boek bevat een vrijwel afgerond verhaal plus andere, onaffe verhalen, maar ook losse uitgewerkte scènes en afzonderlijke zinnen waarmee Kafka een idee opschreef. Hoe kort of lang ook, de beelden die Kafka met zijn woorden oproept tonen altijd weer zijn fantastische, absurde en toch herkenbare wereldbeeld, waarin de humor niet ontbreekt.

    In het labyrint - Nagelaten verhalen
    Auteur: Franz Kafka
    Uitgeverij: Koppernik 2022

    Boekhandel in de bergen

    De Italiaanse Alba Donati (1961) maakte naam als dichter en literair criticus. Met haar werk won ze verschillende Italiaanse poëzieprijzen. Ze werkte voor tv en radio, vertaalde poëzie en had poëziecolumns in diverse kranten. Het Regionaal Orkest van Toscane zette haar gedicht Het lied voor de vernietiging van Beslan op muziek.

    Woonachtig in Florence neemt Donati het besluit om een nieuw project te starten. In haar geboortedorp Lucignana, waar 170 mensen wonen, opent ze een boekhandel. In Boekhandel in de bergen, het dagboek waarin ze haar werk in de boekhandel en het leven in Lucignana beschrijft, tekent ze op: ‘Het idee van de boekhandel kwam op een nacht kant-en-klaar, ingepakt en wel, bij me aankloppen. Het was 30 maart 2019. (…) Ik had weinig geld: ik moest iets verzinnen.’

    Na een paar weken al breekt er brand uit in Donati’s boekhandel, maar met hulp van haar dorpsgenoten en jeugdvrienden komt ze er bovenop. ’s Nachts leest ze, overdag runt ze de winkel. ‘De pakketjes voor de vrouw in Salerno en haar twee dochters zijn bijna klaar. Dit is hoe ik op het idee ben gekomen om een boekhandel te beginnen in een dorpje in de Toscaanse bergen tussen de Prato Fiorito en de Apuaanse Alpen. Ik ben erop gekomen zodat een moeder in Salerno haar dochters twee dozen vol Emily Dickinson kan geven,’ schrijft ze in het dagboek. Haar Libreria Sopra la Penna wordt een toevluchtsoord voor gelijkgestemden. In beeldrijke taal noteert Donati haar gedachten over de beste boeken, bezielde auteurs en memorabele personages, gelardeerd met dorpsverhalen en beschrijvingen van de Toscaanse natuur.

    Boekhandel in de bergen
    Auteur: Alba Donati
    Uitgeverij: Cossee 2022
  • Eén groot levenswerk in vierentwintig verhalen

    Eén groot levenswerk in vierentwintig verhalen

    In 1989 schreef J.F. Vogelaar in een lang essay in De Gids: ‘Voor sommige boeken is het dodelijk wanneer met het signaleren van de auteur volstaan wordt, menig auteur leert men immers pas na meerdere boeken echt kennen. Dat geldt zeker ook voor Ingeborg Bachmann die, achteraf gezien, met haar gedichten, verhalen, hoorspelen, essays en romans aan één groot werk bezig is geweest’.
    Vorig jaar gaf Uitgeverij Koppernik Verzamelde verhalen van deze Ingeborg Bachmann (1926-1973) uit. Ze zijn vertaald door Paul Beers, die alles wat van Bachmann in Nederland te verkrijgen is op zijn naam heeft staan. In de inleiding van deze bundeling van alle verhalen bekent hij nog maar eens hoe zeer hij al sinds 1983 gefascineerd is door de Oostenrijkse auteur. Met Verzamelde verhalen krijgt de lezer een inzicht in de ontwikkeling van de ideeën van Bachmann gedurende haar werkzame leven. Het oudste verhaal dateert uit 1945, het laatste uit 1972.

    In deze uitgave zijn vierentwintig verhalen ondergebracht in vier delen. De cyclus van zeven verhalen waarin Bachmanns denken het meest geprononceerd is is vervat in het tweede deel, Het dertigste jaar. Opnieuw Vogelaar in De Gids: ‘De zeven verhalen drukken in allerlei variaties het verlangen naar én de onmogelijkheid van een niet door de taal ingevulde en ingedeelde wereld uit, wat een verzet inhoudt tegen de taal waarmee mensen tot eigenschappen, tot hanteerbare en manipuleerbare hoedanigheden worden gereduceerd (…) “Geen nieuwe wereld zonder nieuwe taal”’.

    Vrijheid verwerpen

    Het eerste van deze bedoelde zeven verhalen (Jeugd in een Oostenrijkse stad) vertelt hoe de herinnering aan de kindertijd in het stadje K. (Klagenfurt, waar Bachmann werd geboren) wordt bepaald door de oorlog. De jeugdjaren worden niet zozeer feitelijk beschreven maar meer als het effect dat ze hadden op de kinderziel. Als een madeleine van Proust zet het zonlicht op een boom in de stad de herinneringen in gang. De kinderen hebben als ze jong zijn hun fantasieën, maar verliezen die al snel op school. Ze ‘leggen oude woorden af en leren nieuwe aan’. In de bioscoop mogen ze de film Romanze in Moll niet zien: ‘De jeugd werd niet toegelaten, maar daarna [het is 1943] wel bij het grote sterven en moorden een paar dagen later en alle dagen erna’.
    Niet alle zeven verhalen uit dit deel zijn zo duidelijk als dit eerste. Het titelverhaal van deze cyclus is veel hermetischer. Daarin volgen we de beschouwingen van een naamloze man gedurende het jaar dat hij dertig wordt. Hij ontdekt als hij op een morgen wakker wordt ‘het vermogen zich te herinneren’ en gaat na wat er van hem geworden is. In dit verhaal zet hij twee levensopvattingen tegenover elkaar die ook nog eens in een metafoor van een reis naar Rome worden verbeeld. Hier duikt de figuur van de opportunist Moll op, die de lezer nog vaker zal tegenkomen. De tekst vraagt om geconcentreerd lezen en herlezen door de wisselingen van perspectief en stijl (verhalend, dan weer zinnen zonder hoofdletters en interpunctie, dan weer dagboekfragmenten). De conclusies zijn somber: ‘Ik hou van de vrijheid, die ik ook duizendmaal moet verraden. Deze onwaardige wereld is het resultaat van een ononderbroken verwerpen van de vrijheid’.

    Grimmig

    De hierop volgende verhalen in dit tweede deel maken het gemakkelijker je in concrete situaties te verplaatsen, al dwingt Bachmann je wel tot zorgvuldige lezing om echt contact te krijgen met de personages. De magie van haar taal maakt dat je die bereidheid opbrengt. De toon intussen blijft even grimmig. In Alles bijvoorbeeld lezen we zo over het schuldgevoel van de vader van Fipps die de ontwikkeling van zijn kind ziet verlopen langs de wegen van de taal waartegen hij hem juist had willen beschermen en in Onder moordenaars en gekken is het een groep nazi’s die kort na de oorlog in een kroeg herinneringen ophaalt en wordt geprovoceerd door een dertigjarige man die zich geroepen voelt te moorden, maar dat nog nooit deed. De ontmoeting kent een gruwelijke afloop. Ook in dit verhaal weer de scherpzinnige dialogen die in het hoofd van de lezer naijlen, zoals: ‘Ik denk dat we allemaal met elkaar moeten leven en niet met elkaar kunnen leven. In elk hoofd zit een wereld en een pretentie die elke andere wereld, elke andere pretentie uitsluit. Maar we hebben elkaar allemaal nodig, wil er ooit iets goed en gaaf worden’.

    Eerbetoon

    In bijna alle verhalen, ook die in de andere drie delen van de Verzamelde verhalen, treffen we personages die in een diepe crisis verkeren. Toch zijn er ook opvallende verschillen. In het derde deel, Simultaan, dat vijf verhalen bevat, zijn – na de mannen uit Het dertigste jaar – de prominente personages juist vrouwen. Maar vooral is hierin de toon wat luchtiger en af en toe humoristisch. De vrouwen die we tegenkomen zijn soms lastig te typeren. Aan dit deel is een zeer verhelderend essay toegevoegd van de Vlaamse Ingeborg Dusar; zij schreef in 1993 haar proefschrift over dit deel. In haar bijdrage noemt zij Simultaan een eerbetoon aan de vrouwen. Maar ook de mannen zijn in Simultaan niet meer de sadisten uit de vroegere verhalen ‘maar eerder zwakke figuren die even hulpeloos tegenover het leven staan als de vrouwen die op hun beurt geen willoze slachtoffers maar veelal overlevers zijn’.
    Dusar haalt tevens een uitspraak aan van Bachmann dat Simultaan overwegend gaat over het ‘kleine’ ongeluk dat exemplarisch is voor het ‘grote’ ongeluk van een tijdperk. Lezing van de verhalen uit de andere delen maakt echter duidelijk dat die karakteristiek opgaat voor bijna alles in deze Verzamelde verhalen, zij het wat minder in die uit het eerste deel, Het veer.

    De delen 2, 3 en 4 van deze uitgave verschenen in Nederland al eens eerder in afzonderlijke bundels. Het deel Het veer is voor Nederland nieuw. Daarin staan de vroegste verhalen van Bachmann die door hun beknoptheid en hun soms sprookjesachtige sfeer weer heel andere aspecten laten zien.
    Zo biedt Verzamelde Verhalen een compleet palet van de literaire gedaante van Ingeborg Bachmann tijdens haar hele leven: ze zijn zowel dramatisch als humoristisch, zowel ernstig-filosofisch als luchtig, zowel afstandelijk als empathisch. Ook in die zin kunnen we Vogelaar bijvallen dat Bachmann met alles wat ze schreef ‘aan één groot werk bezig is geweest’.

  • Over de pijnlijke kanten van de liefde

    Over de pijnlijke kanten van de liefde

    Er is over geen onderwerp vaker geschreven dan de liefde. Je moet als schrijver of dichter van goeden huize komen om aan al het geschrevene wat toe te voegen. Liefde is het hoofdthema van de Portugese dichteres Maria do Rosário Pedreira. Ze publiceerde tot nu toe drie dichtbundels en een dichtbundel met eerder afzonderlijk verschenen gedichten. Vertaler Harrie Lemmens maakte hier voor deze bloemlezing een keuze uit die in 2020 verscheen onder de titel Scherven. Het betreft een tweetalige editie, die smaakvol is vormgegeven. Do Rosário Pedreira (1959) studeerde letteren, gaf een paar jaar les op een middelbare school en werkt op de afdeling fictie van één van de grootste boekenconcerns van Portugal, Leya. Ze schrijft haar hele leven al gedichten, maar publiceerde vrij laat. Lemmens schrijft in zijn nawoord dat ze door haar collega-uitgevers werd overgehaald om gedichten in te zenden voor een prijsvraag, die ze won. De eerste prijs was een uitgave in boekvorm. Het kenmerkt haar bescheidenheid die je terugziet in het ingetogen karakter van de gedichten. 

    Narratief karakter

    In de vijfendertig opgenomen gedichten komen verschillende facetten van de liefde aan bod en dan vooral de pijnlijke kanten ervan: de hunkering naar de ander, de verlatingsangst en het gemis. De gedichten hebben een narratief karakter. Hoewel ze zijn ingedeeld in strofes lopen de zinnen vaak door op de volgende regel. Het is makkelijk verstaanbare poëzie met een grote ritmische kwaliteit.  Do Rosário Pedreira is duidelijk gepokt en gemazeld in de literatuur. Menig overbekend romantisch thema komt voorbij, maar tegelijkertijd weet de dichteres goedkoop sentiment te vermijden. Dat doet ze door het hanteren van een heel persoonlijke, aardse stijl. Naast de verheven en subtiele gevoelens zet ze de nuchtere feiten van de alledaagse werkelijkheid:

    ‘De wind zegt dat het hoogtij vannacht niet slaapt.
     Ik wacht bang op je terugkeer: de golven hebben
     het kleinste strand al opgeslokt en algen gemorst
     in de bloempotten op het balkon. En naar het heet
     herbergden de pleinen in de stad vanmiddag tientallen
     meeuwen die pikkend achter de duiven aan zaten.’

    Verder zijn de Portugese saudade en fado sterk aanwezig – Do Rosário Pedreira schrijft ook liedteksten voor onder andere fadozangeres Ana Moura. De regels ademen gevoelens van heimwee en verlangen; het noodlot (fatum) ligt altijd op de loer:

    ‘Het was de slaapkamer van geen van ons,
     maar we keerden er telkens naar terug met de haast
     van wie hunkert naar de oude warme geuren van het
     bekende huis; van wie hoopt dat iemand op hem wacht.

     ik vermoedde echter dat ik het niet was op wie je wachtte:
     en ik vroeg je om een extra deken in plaats van om je arm.’

    Deze regels weerspiegelen zowel het verlangen naar de geborgenheid van de liefde – gesymboliseerd door ‘oude warme geuren’ en ‘het bekende huis’ – als het verraad dat op de loer ligt. Deze tegenstelling komt meerdere malen terug. 

    Persoonlijke en eeuwige

    Behalve in besloten huizen en kamers – decors van geluk en eenzaamheid – spelen haar gedichten zich ook vaak in de natuur af: op het strand, aan zee. Het persoonlijke en het eeuwige vallen dan mooi samen:

    ‘We hielden allebei van de kliffen, de uitgesneden rotsen,
     het grillige verloop van het voorgebergte; alle plekken die
     net als eilanden afgesleten worden door de wind en de zee.

     Er hing die nacht geen mist. Er was alleen het doffe licht
     van een vuurtoren dat de sterren tergend doofde. Je zei
     bijna niets om geen overdonderende innerlijke stilte
     te schenden. En je streelde voor het eerst mijn borsten
     alsof je daar voor altijd bang voor zou zijn.

     Je verliet het strand zodra de eerste visser kwam:
     de eerste lantaarn,
     het eerste net.’

    Do Rosário Pedreira weet de teerheid en kwetsbaarheid van de liefde heel precies te beschrijven. De tijd die erdoor verdwijnt of ondraaglijk lang wordt. Het geluk kan zo weer voorbij zijn. Door de orginaliteit en authenticiteit komen de gedichten fris en nieuw over. Het zijn de trefzekere beschrijvingen van gevoelens en de precieze keuze van haar beelden, die de gedichten schoonheid verlenen. 

    ‘Nu is het lichaam meer een boot die losraakt.
     Eerst varen de ogen en de angsten erin weg.
     Pas daarna geeft het vlees van de vingers, op
     drift, de golven van die zee hun smaak.’

    Spiegels en scherven

    De zomer speelt in de zinnelijke gedichten een belangrijke rol. Het jaargetij waarin de zintuigen het meest bediend worden. Ze roepen de typisch mediterrane sfeer op van lome warmte en genot. De volgende regels zullen voor lezers heel herkenbaar zijn: 

    ‘De zomer maakt mijn ogen trager boven de boeken.
     De middagen herhalen zich op het terras, waar de woorden
     kleine geheugenplekken zijn. Ik ben gescheiden van de
     anderen door de tijd tussen deze regels – ver van huis
     heb ik dromen die ik niemand vertel […]’

    Het is niet vreemd dat boeken in de gedichten van deze beroepslezeres en uitgeefster een belangrijke rol spelen. Ook andere elementen komen meerdere malen in de gedichten terug en geven eenheid aan haar poëzie: spiegels die de pijn weerkaatsen, aan scherven vallen (zie de titel van deze verzamelbundel), schaduwen, wonden, kamers, kleding, boten. De herinnering, die de liefde vaak is geworden, is een belangrijk motief. Ook de dood komt in enkele gedichten aan bod: geen gemis pijnlijker dan door de dood. De taal is daar kaler dan ooit: ‘Ik voel/de pijn op de herinnering aan/jouw lichaam in het bed liggen dat/open is gebleven als een wond. En/zonder reden herhaal ik voortdurend/met mijn vermoeide lippen die naam/die ik nog altijd bij haast alles mis.’

    Het blijft moeilijk om liefdesgevoelens in gedichten te vangen, zegt Do Rosário Pedreira ergens: ‘Mijn liefde past niet in een gedicht – er zijn van die dingen / die zich niet overgeven aan de geometrie van deze wereld; / ze zijn als de delen van een geheel die niet bij elkaar passen / of slaapkamers die niet worden ingevuld door de gebaren.’ Toch slaagt zij er hier glansrijk in. De herkenbare thematiek en de persoonlijke toon maken haar poëzie sympathiek. Vertaler Harrie Lemmens heeft haar precieze taal even trefzeker in het Nederlands omgezet.

     

     

  • Kwijnhuizen en tingeltangels

    Kwijnhuizen en tingeltangels

    In Knapen en moordenaars zijn twee verhalen te lezen van Hermann Ungar (1893-1929): ‘Een man en een dienstmaagd’ en ‘Verhaal van een moord’. Ungar werd geboren in Moravië (tegenwoordig onderdeel van Tsjechië) en schreef in het Duits. Beide verhalen worden verteld door een naamloze ik-figuur die opgroeide zonder moeder en ze zijn doortrokken van een diepe naargeestigheid. Ungar publiceerde zijn verhalen in 1921, vijf jaar nadat hij als soldaat in de Eerste Wereldoorlog gewond raakte. Na honderd jaar zijn ze nu in het Nederlands vertaald door Huub Beurskens. Verder publiceerde Ungar in zijn korte leven twee romans, die in een Nederlandse vertaling verschenen als De verminkten (1991) en De klas (2022).

    Menselijk tekort

    In ‘Een man en een dienstmaagd’ staat wrok centraal. De vertellende ik-figuur groeit als wees op tussen oudere mannen in een ‘kwijnhuis’ (Siechenhaus), een soort tehuis waar zieken wegkwijnen. Als puber zoekt de verteller toenadering tot de dienstmaagd van het tehuis, maar zij wijst hem hardhandig af. De rest van het leven van de verteller staat in het teken van de wraak die hij op de dienstmaagd wil nemen. Als zij sterft, projecteert hij zijn wraak vervolgens op haar zoon.
    In ‘Verhaal van een moord’ draait alles om haat. De eveneens moederloze ik-figuur in dat tweede verhaal voelt een intense afkeer van bepaalde mensen, en het doet er eigenlijk niet toe of die afkeer gerechtvaardigd is. Hij weet zelf heel goed waar de oorzaak ligt en formuleert de retorische vraag: ‘Is het niet veeleer waar dat je niets zo uit de grond van je hart kunt haten als jezelf of je spiegelbeeld?’ Omdat hij zijn opgekropte haatgevoelens niet kwijt kan, viert hij ze bot op onschuldige dieren.

    In beide verhalen hebben we te maken met zeer onsympathieke vertellende personages, die zich in al hun eenzaamheid volkomen bewust zijn van hun tekortkomingen. De gevoelens van wrok of haat beheersen hun hele leven. Dat kan onmogelijk goed aflopen. Als weerloze slachtoffers van hun eigen misantropische gevoelens voeren ze zichzelf naar de slachtbank. Ook dáárvan zijn ze zich volkomen bewust. Ze maken de lezer voortdurend deelgenoot van al hun overwegingen, motieven, twijfels, angsten en keuzes.

    Het is het geëtaleerde zelfbewustzijn van de vertellers dat hen, ondanks of juist dankzij hun tekortkomingen, menselijk maakt. Als lezer voel je paradoxaal genoeg een zeker medelijden of een vleug sympathie voor de personages. Wie zijn eenzame bestaan slijt in kwijnhuizen en tingeltangels (bordelen), moet toch bijna wel aan een gemankeerd gevoelsleven lijden? En in hoeverre ben je een slecht mens, als je je volop bewust bent van je innerlijke verdorvenheid, maar je je daartegen met geen mogelijkheid kunt verzetten?

    Mokerslag

    Ungars verhalen tellen elk zo’n vijftig pagina’s, maar hadden in hun rijkdom aan verwikkelingen evengoed tot een roman bewerkt kunnen worden. Ungar heeft zich in de omvang van zijn vertellingen beperkt door al het overbodige weg te laten, zijpaden en uitweidingen zul je bij hem niet vinden. Zijn schrijfstijl is zakelijk en karig, maar tegelijkertijd meeslepend. Doordat hij zijn verhalende proza in ruimte en tijd heeft ingedikt, is alleen de bittere essentie overgebleven. Daardoor komt elke gebeurtenis en elke zin bij de lezer aan als een mokerslag. Vrolijkheid is er in de verhalen niet te vinden en het lijkt aan te bevelen Ungars proza met mate tot je te nemen.

    Is dit boek van Ungar te lezen als een tegenhanger van Rutger Bregmans De meeste mensen deugen? In zijn nawoord gaat vertaler Huub Beurskens in op de paradoxale sensaties die de verhalen bij de lezer oproepen. Het suggereert de vertellingen te ‘etiketteren als psychopathologische studies’, die ons niet alleen inzicht geven in het gevoelsleven van ziekelijke misdadigers, maar ook in de donkere kanten van onszelf. Beurskens ziet in Ungars beklemmende proza ‘een zwartgalligheid met artistieke brille’. Laten we het daar maar op houden.

     

  • Ontreddering in de sneeuw

    Ontreddering in de sneeuw

    De flaptekst van deze novelle verraadt een bijzonder verhaal waarin bijna alles lijkt te worden weggegeven. Niets is minder waar. Klein en fijn roept de Italiaanse auteur Claudio Morandini in Sneeuw, hond, voet een poëtische droomwereld op versus realistische wreedheid. Hij laat zien hoe je met weinig ingrediënten een rijk verhaal kunt vertellen. De ingrediënten bestaan uit Adelmo Farandola, een verwarde oude man; een pratende hond die een vleug humor aanbrengt; de sneeuw in de Italiaanse Alpen als setting. En dan is er als vierde element nog de jachtopziener, die we leren kennen door de ogen van de oude man. In het hele verhaal zitten we sterk in het hoofd van Adelmo Farandola. Hij ziet de jachtopziener als een hem bespiedende vijand die bestreden moet worden en dat levert verwarrende dialogen op.

    Adelmo Farandola leeft als een kluizenaar in een berghut. Hij heeft zich al jaren niet gewassen of verkleed en gaat schuil onder een korst van vuil en stank. Zoals zo mooi wordt getoond zonder het te benoemen in: ‘Laat de deur maar open, alsjeblieft.’ Dat zegt de vrouw in de winkel in het dorpje waar Farandola een paar keer per jaar komt om zijn voorraden aan te vullen. In het eerste hoofdstuk is hij op weg naar het dorp, wat een moeizame tocht is langs een stijl pad naar beneden. In het dorp reageert hij schichtig, hij is geen mensen gewend. Dan wordt ook duidelijk hoe verward hij is, want de vrouw in de winkel zegt dat hij er vorige week ook al was. Daar heeft Farandola geen enkele herinnering aan. Pas als hij met een gevulde rugzak weer omhoog sjouwt, komen vage beelden terug van zijn nog maar onlangs gemaakte barre tocht.

    Man en hond worden één

    Terug in zijn berghut is er ineens een uitgehongerde hond die waarschijnlijk zijn schaapskudde is kwijtgeraakt. Farandola is niet van gezelschap gediend en schopt hem weg. Maar de hond is volhardend, bedelt om eten en blijft. Vervolgens wil de oude man de hond van zijn teken ontdoen, wat hij met een verontrustend leedvermaak probeert. Uiteindelijk ontstaat er een voorzichtig verbond tussen man en hond. Het doet er niet toe wie smeriger is, of dat ze allebei onder de teken zitten.

    Na enkele voor Farandola verwarrende gesprekjes met de jachtopziener treedt de winter in. ‘Binnen is de berghut het benauwende schemerduister van de winter ingegleden.’
    Tijdens de maandenlange opsluiting in de ingesneeuwde hut worden man en hond één. Samen gaan ze dubbelhard door de voedselvoorraad heen en aan het eind van de lange winter zijn ze op sterven na dood. Ondertussen voeren ze hilarische gesprekken met onderkoelde humor van de hond. De stem van de hond is de stem die de man in zijn hoofd hoort, wat van Adelmo Farendola een rijker personage maakt en het verhaal een mooie extra laag geeft.
    ”Maar al snel kruipt Adelmo Farandola met zijn neus over de grond, zoekend naar kruimels. ‘Hm, ben je iets kwijt,’ vraagt de hond. ‘Kruimels.’ ‘O, die. Ik ben bang dat ik ze al naar binnen heb gewerkt,’ zegt de hond. ‘Als ik het had geweten had ik er wat voor je laten liggen.”

    Dooi en dier

    Uiteindelijk treedt de dooi in. De alles bedekkende sneeuw begint te smelten en legt bloot wat meegesleurd is door een lawine. Puin en modder en kadavers, bijvoorbeeld van gemzen en herten. In ieder geval is er weer genoeg te eten. ‘Het komt voor dat een dier op zoek naar voedsel dat uit het ijs tevoorschijn komt plotseling wordt geconfronteerd met de resten van een soortgenoot. Dan snuffelt hij er op een andere manier aan, alsof hij er een vriend of familielid in herkent, en hij geeft hem tikjes met zijn snuit, alsof hij hem wil wekken uit een te diepe winterslaap. Hij proeft er niet van, als de honger hem tenminste niet al te zeer heeft versuft of onverschillig heeft gemaakt voor de simpele maar hardnekkige taboes der natuur. Soms lijken die aanrakingen van snuit en neus net gesprekken tussen oude vrienden die elkaar al een hele tijd niet hadden gezien.’

    De voet

    Dan ontdekken man en hond een voet. Die schrikt hen behoorlijk af, vooral als de kraaien erop aanvallen. Dagelijks draaien Farandola en de hond om de voet heen tot de weggesmolten sneeuw de identiteit van het lijk blootgeeft. Wie dat is, was voor de lezer al meteen duidelijk, ware het niet dat:
    ‘Naarmate hij dieper in zijn geheugen graaft, in dat armzalige geheugen dat hem is toebedeeld en dat alles door elkaar haalt, weet hij flarden herinneringen op te diepen. Hij weet niet of het echte herinneringen zijn of juist overblijfselen van denkbeeldige herinneringen die we creëren wanneer we opeens in een situatie terechtkomen die we al eerder hebben meegemaakt, en dan kijken we verschrikt om ons heen en begrijpen niet waar en wanneer dat wat we ons herinneren heeft plaatsgevonden, maar die onzekerheid is zo levensecht dat het ons bijna de adem beneemt.’

    Adelmo Farandola weet maar al te goed hoe het komt dat hij zo verward is en dat maakt hem steeds menselijker en wanhopiger. Hij geeft de schuld aan de hoogspanningskabels die over het dorp van zijn jeugd liepen. Het zoemen en trillen van die kabels dreef iedereen tot waanzin, tot de mensen elkaar uiteindelijk aanvielen. En daarmee krijgt het verhaal ook maatschappelijk betekenis.
    Sneeuw, hond, voet is het zesde boek van Morandini. Het werd in Italië in 2015 gepubliceerd, stond in de bestseller top vijf en is in vele talen vertaald. In dit juweeltje van menselijke eenvoud en dierlijke rijkdom staat geen woord te veel.

     

     

  • Wie dolt hier met de dood?

    Wie dolt hier met de dood?

    Er zullen weinig boeken zijn die de lezer zo gepreoccupeerd openslaat als Zelfmoord van Édouard Levé. Kort nadat de auteur het manuscript van deze persoonlijke reflectie op de suïcide van een vriend aan zijn uitgever had gestuurd, hing hij zichzelf op. Met die wetenschap, die in flapteksten bij het origineel en in vertalingen wordt vermeld, ontkomt de lezer er niet aan het verhaal te willen interpreteren in het licht van die daad van de schrijver zelf. Was het boek een bewuste voorbereiding op zijn eigen zelfmoord? Ontstond zijn doodswens pas door wat hij opschreef? Of kwam die pas op toen hij de pen had neergelegd?
    Zelfmoord kent tal van passages die het verleidelijk maken er antwoorden in te lezen. Maar ook wie probeert dat niet te doen heeft een intrigerend boek in handen.

    Levé valt in Zelfmoord met de deur in huis: ‘Op een zaterdag in augustus kom je in tennistenue met je vrouw het huis uit. Halverwege de tuin geef je te kennen dat je je racket bent vergeten. Je gaat het halen, maar in plaats van naar de wandkast in de hal, loop je naar de kelder. Je vrouw merkt er niets van, het is mooi weer, ze geniet van de zon. Een paar tellen later hoort ze een schot’. De vroegere vriend heeft zich twintig jaar geleden doodgeschoten. Hij was 25 jaar.
    Drie dagen nadat Levé het manuscript op 5 oktober 2007 had ingeleverd belde de uitgever om een afspraak te maken voor de 18de. Drie dagen vóór die datum hing de auteur zich op. Hij was 42 jaar.

    Knikkers

    Toen de vrouw van de protagonist van Zelfmoord hem vond lag een stripboek geopend op tafel. Ze stootte het per ongeluk dicht, zodat het een raadsel bleef of dat open boek misschien als een laatste boodschap was bedoeld.
    Levé richt zich tot zijn vriend in de tweede persoon: ‘Je weet nu meer over de dood dan ik’. Hij doet dat in één lange, heen en weer springende, terugblik op diens omgang met het leven en de dood: ‘In mijn hoofd kom je tot leven in toevallige details, als knikkers die we uit een zak graaien’. Zo kunnen we al lezend geleidelijk een portret van de man krijgen: hij hield zich altijd afzijdig, was afstandelijk, somber, traag, immobiel, slim, kunstzinnig, lichtvoetig. De afstandelijkheid blijkt bijvoorbeeld uit hoe Levé over de entourage van zijn vriend schrijft. De enige namen die in het boek worden genoemd zijn die van een lid van een vroegere schoolband en van een kennis die een barbecue geeft. Hoe de vriend zelf heet komen we niet te weten. Zijn ouders, broer en zus, zijn vrouw en andere intimi krijgen geen naam en blijven daarmee anonieme figuren.

    Omgekeerd lijken zijn naasten evenmin goed te weten hoe ze met zijn dood moesten omgaan. Tijdens de begrafenis krijgt zijn broer een zenuwtoeval en valt zijn zus flauw: ‘Twee verwilderde dieren in het verdriet van je uitvaart’. De moeder kan niet ophouden met huilen en de vader, door wie de vriend zich vernederd voelde, vlucht in schuldgevoel: hij prent maniakaal de hele tekst van het stripboek in zijn hoofd op zoek naar de geheime boodschap die er wellicht in lag.

    Verzamelingen

    Levé tekent zijn vriend aan de hand van korte scènes uit de tijd dat hij hem gekend heeft. Ze vertonen enkele steeds terugkerende trekken. Liever dan over zichzelf te vertellen is hij toehoorder: ‘de vragen die je stelde, dienden om je achter het luisteren te verschuilen’. Er zijn diverse toespelingen op de omgang van de vriend met verleden, heden en toekomst: ‘het heden was je tot last’. Veelvuldig is er het gedrag waarmee hij grip wil krijgen op wat er gebeurt en op de werking van het geheugen. De vriend verzamelde achternamen, bewaarde al zijn agenda’s en herlas die, in een boekje hield hij bij wat hij allemaal had kunnen doen (wie iets meer van Levé weet moet onmiddellijk denken aan zijn Oeuvres, waarin hij ideeën voor meer dan vijfhonderd werken opsomt die nooit zijn gerealiseerd) en zelfs had hij een agenda waarin hij de dagen tot zijn dood alvast invulde. En vooral zijn er de verwijzingen naar zelfmoord. Hij bezocht een concert waarin de zanger zijn polsen doorsneed, hij kocht tweedehands schoenen die van een zelfmoordenaar blijken te zijn geweest, en hij ontwierp zijn eigen grafzerk die hij voorzag van een sterfdatum als een bizar spel met degene die de zerk zou zien: ‘Niemand anders dan jij haalde het in zijn hoofd om te dollen met de dood’, schrijft Levé.

    Alter ego?

    Wat de vertelstijl betreft valt op hoe veel Levé van Georges Perec heeft opgestoken. De keuze voor de tweede persoon (‘je’) en de willekeurige wandelingen door de stad doen erg sterk denken aan Perecs Een man die slaapt; de behoefte om verzamelingen en inventarissen aan te leggen zou zo in diens Ik ben geboren kunnen staan. En Levé gebruikt voor verlaten, vervallen plekken zelfs letterlijk de term non-lieu (door Vandenberghe enigszins hybride vertaald met ‘non-plaats’) die Perec bezigde voor de restanten van de immigratiegebouwen op Ellis Island.

    Zoals in het begin al opgemerkt is het lastig Zelfmoord te lezen zonder er verwijzingen in te willen zien naar Levé’s eigen einde. Daarover is in de kritiek veel gespeculeerd. Een interessante gedachte – maar ook niet meer dan een idee – is die dat allerminst zeker is dat de vriend echt geleefd heeft; hij zou een fictief personage kunnen zijn, een alter ego van Levé (onder andere in de op internet beschikbare studie Une analyse des jeux narratologiques dans l’œuvre troublante d’Édouard Levé). In dit verband is opvallend dat Levé, die fotograaf was, zichzelf ooit portretteerde als tweeling.

    Ook zonder het beslissende antwoord is Zelfmoord een boeiende vertelling waarin menige verwijzing naar Levé’s eigen leven en werk zijn te vinden. Het begint al op de omslag van het boek: een door hemzelf gemaakt pointillistisch portret. Zelfmoord maakt nieuwsgierig naar meer van hem, zoals zijn Homonymes waarin hij gewone mensen portretteert die dezelfde naam hebben als een beroemdheid, of zijn Pornographie waarin hij mensen fotografeert in scènes uit pornografische films met dien verstande dat ze hun dagelijkse werkkleding dragen. Op Google zijn diverse afbeeldingen te vinden.

     


    Als u behoefte heeft om te praten over zelfdoding kunt u bellen met de landelijke hulplijn 113 Zelfmoordpreventie. Telefoon 0800-0113 of kijk op www.113.nl.

     

  • Hinken op twee (of meer) gedachten

    Hinken op twee (of meer) gedachten

    Wanneer een boek tot de favorieten behoorde van Franz Kafka, dan zijn verdere aanbevelingen zo goed als overbodig. Inderdaad lopen er diverse lijntjes van De bediende naar het werk van Kafka. De Zwitserse schrijver Robert Walser laat in deze roman uit 1908 de binnenwereld van de hoofdpersoon, Joseph, voortdurend conflicteren met de buitenwereld.

    Vroeg in het modernisme

    Joseph komt als nieuwe werknemer onder dak bij ingenieur/uitvinder Tobler, een man van grote ideeën. Een zogenaamde ‘reclameklok’ moet de melkkoe worden van zijn zelfstandige onderneming, gevestigd in een statige villa op een heuvel. Ook het gezin Tobler woont daar.

    De manier waarop Walser het verhaal begint, is vanuit een klassieke romanopvatting gezien nogal merkwaardig. In de derde zin verwondert de hoofdpersoon zich erover dat hij een paraplu bij zich heeft, een gebruiksvoorwerp dat hij in zijn vroege jaren nooit bezeten heeft. Voordat hij aanbelt neemt hij een korte pauze ‘om over iets vast heel onbelangrijks na te denken’ en na het overschrijden van de drempel wordt het alleen maar gekker. Vooral vervreemdend is de manier waarop Joseph constant peinst over zichzelf en zijn eigen handelen. De romansetting lijkt normaal: een jongeman krijgt een nieuwe betrekking. De handelingen van de hoofdpersoon zijn eveneens niet bijzonder: hij maakt kennis, heldert een misverstand op en neemt de beleefdheidsvormen in acht. Maar de binnenwereld van de protagonist die je als lezer tegelijk betreedt, is warrig en soms ronduit absurd. Op de algemene welkomstwoorden van de vrouw des huizes volgen bijvoorbeeld deze zinnen: ‘Ja, kom maar op jij. Heel leuk. Goh, kijk ‘ns aan, wat aardig. We zullen wel zien.” Op deze wijze achtte Joseph het raadzaam bij zichzelf over deze welwillende woorden te denken.’

    Blijkbaar is de wereld om hem heen voor Joseph listig terrein. Hij zoekt steun in zijn eigen waarneming. De werkelijkheid wordt zo opgevat als een subjectieve en persoonlijke voorstelling. Dit is een typisch kenmerk van modernistische literatuur, waarmee Robert Walser vroeg in deze brede stroming wortelt. Maar Joseph is geen nuchtere observator van het leven om hem heen; hij ziet zich heen en weer geslingerd tussen aanpassing aan dat wat van buitenaf komt en een zich terugtrekken in zijn binnenwereld, die dromerig en onbestemd is.

    Niets is wat het lijkt

    De setting van De bediende lijkt aanvankelijk nog normaal, maar is dat bij nadere beschouwing toch ook niet. De Tobler-villa blijkt een luchtkasteel. Tegenover de vele uitvinders- en ondernemersideeën staan even zoveel onbetaalde rekeningen. Het hele huishouden leeft op de pof en Walser maakt dat al vroeg duidelijk met omineuze, kleine opmerkingen. De belangrijkste taak van Joseph bestaat eruit om schuldeisers per correspondentie af te poeieren. Verder wordt hij ingezet voor allerlei klusjes, waardoor zijn positie niet die van werknemer is maar van loopjongen of, inderdaad, bediende. Soms echter ook die van gezelschapsheer. Dit alles tegen kost en inwoning, uitbetaling van het salaris blijft stilzwijgend achterwege. Terwijl de zakelijke aspiraties van Tobler geen enkele opbrengst genereren, laat de ondernemer nog een ‘sprookjesgrot’ aanleggen in zijn tuin. Een raadselachtige vorm van landschapsarchitectuur, even nuttig als de reclameklok. Men zit er welgeteld één keer.

    Dit alles wordt naar voren gebracht door een alwetende verteller, die een fijnzinnig-ironische en relativerende toon aanslaat. Deze verteltoon doet denken aan het werk van José Saramago (hoewel het dan uiteraard andersom is). Vooral de zinnen waarin enige spot doorklinkt zouden zo kunnen voorkomen bij de Portugese Nobelprijswinnaar, oordeel zelf:
    De Bärenswiler of Bärenweilers zijn een goedhartig, maar tegelijk ietwat achterbaks, of, zoals misschien de juiste uitdrukking luidt, huichelachtig slag mensen. Ze hebben het allemaal min of meer flink achter de elleboog, ze bezitten allemaal, de een wat meer, de ander wat minder, ergens iets geheimzinnigs of heimelijks […].’

    Ook is het proza heel vrij: soms wordt de lezer aangesproken met ‘je’, om een pagina later naar een ‘we’ te verspringen. Andere keren wordt een algemeen punt van zorg een ‘hij’ of de sneeuw een ‘jij’.

    Parallelle werelden

    Walser blijft de hele roman door vormen van gespletenheid naar voren brengen. De schone schijn van de villa op de heuveltop tegenover de financiële afgrond die erachter schuilgaat. Het idyllisch ogende gezinsleven, waar in werkelijkheid de jongste dochter hardvochtig verwaarloosd wordt. Joseph als een vertrouweling enerzijds die tegelijk een buitenstaander blijft. Enkele keren uit hij lang opgekropte kritiek richting de Toblers, om dat de volgende dag weer te herroepen. En dan is er nog de gespletenheid in de gedachtewereld van de protagonist zelf, die niet weet hoe hij het met zichzelf heeft en hoe de wereld tegemoet te treden. Joseph verlangt naar een ‘richtinggevende gedachte’, maar deze smelt weg in gewaarwordingen. Was het beleven en meebeleven dan niet de gedachte die het meest gecultiveerd diende te worden?

    De bediende is interessante literatuur, een boek dat soms tot onderdrukt gegniffel leidt, soms tot opgetrokken wenkbrauwen. Geslaagd is de vervreemding ten opzichte van het moderne leven die Robert Walser oproept. Tegelijk houdt de schrijver alles klein en ingehouden. Joseph wordt niet van zijn bed gelicht door een geheimzinnige rechtsinstantie, noch verandert de protagonist op een ochtend in een insect. Walsers werk is onspectaculair. Het laat veel over aan de lezer, sommige passages zijn het waard om nog eens te lezen. Er is geen ontknoping of afronding, de verhaalwereld komt simpelweg tot een einde en de hoofdpersoon wandelt het kader uit, terwijl hij nog maar eens een goede sigaar uit huize Tobler opsteekt.