• Oogst week 3 – 2026

    De Jood Süss

    De roman De jood Süss van Lion Feuchtwanger (München 1884 – Los Angeles 1958) is ruim honderd jaar geleden voor het eerst verschenen. Hij werd indertijd in Duitsland enthousiast ontvangen. Ook in de Nederlandse vertaling was het boek indertijd een succes.
    De Jood Süss vertelt het verhaal over de opkomst en ondergang van de historische figuur Josef Süss Oppenheimer aan het hof van het hertogdom Württemberg. Als hoffinancier had hij een belangrijke en invloedrijke functie, maar hij bleef desondanks ‘maar’ een Jood, met alle narigheid van dien.

    Toen de Nazi’s in ’33 de macht overnamen in Duitsland was Feuchtwanger toevallig in het buitenland. Hij had de machtsovername niet zien aankomen. Hij besloot niet meer naar Duitsland terug te keren maar naar Frankrijk te reizen waar hij in 1940 alsnog gearresteerd werd. Tocht lukte het hem om naar de Verenigde Staten te vluchten.

    Let op: de film die Joseph Goebbels in 1940 liet maken heeft niets te maken met het boek van Feuchtwanger. Goebbels maakte een antisemitische film. Dat is het boek zeker niet.
    De jood Süss is deel 25 in de reeks Kritische Klassieken van Uitgeverij Schokland. De Nederlandse vertaling werd herzien door Hermien Manger en Nils Buis.

    De Jood Süss
    Auteur: Lion Feuchtwanger
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland (2025)

    Mensen in de oorlog

    De Oostenrijks-Hongaarse schrijver en pacifist Andreas Latzko (Boedapest 1876 – Amsterdam 1943) groeide op in Boedapest maar vertrok in 1901 naar Berlijn. Niet omdat hij nou zo graag naar het front wilde maar omdat hij uit eigen ervaring wilde kunnen getuigen, meldde hij zich aan als vrijwilliger. Hij stelde zich ten doel om de oorlog zodanig reëel te beschrijven dat het voor de lezer invoelbaar werd wat oorlog betekent: waanzin, onrecht en menselijk lijden.
    In 1916 moest hij noodgedwongen het front verlaten. Hij was volledig ingestort. Hij herstelde in Davos. Daar begon hij aan het schrijven van Mensen in de oorlog, een anti-oorlogsboek dat in 1917 gepubliceerd werd en daarna in vele talen werd vertaald. In alle oorlogvoerende landen werd het boek verboden.

    In 1920 verhuisde Latzko naar Salzburg, daarna, vanaf 1931 woonde hij in Amsterdam, waar hij in 1943 overleed. Samen met het veel bekendere Van het westelijk front geen nieuws van Erich Maria Rilke is Mensen in de oorlog een van de meest indrukwekkende anti-oorlogsboeken uit die tijd.

    Hij opende zijn boek met de zin: ‘Ik weet zeker dat eens de tijd zal komen waarin iedereen net zo denkt als ik’. Je zou willen dat hij gelijk had gekregen.

    Mensen in de oorlog
    Auteur: Andreas Latzko
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2025)

    Uit tallozen, jij

    Welke boeken hebben je zo geraakt dat je kan zeggen dat ze je gevormd hebben? Het is een uitdagende vraag en kan in menig clubje boekenliefhebbers tot boeiende gesprekken leiden.

    Columnist en schrijver Eric de Rooij maakte er een boek van: Uit tallozen, jij gaat over boeken die hem sinds zijn vroegste jeugd geïnspireerd en geraakt hebben, en hem gemaakt hebben tot wie hij is. En waarom dat zo is.

    De Rooij schreef columns voor Literair Nederland en voor Tzum. Deze en andere stukken bewerkte De Rooij, zij vormen de basis voor Uit tallozen, jij, maar het boek bevat ook veel nieuw werk. Zijn homoseksualiteit is aanwezig in zijn eerdere werk (bijvoorbeeld in De wensvader en Augustus), maar ook weer in de stukken in Uit tallozen, jij.
    Schrijvers die o.a. voorbijkomen in Uit tallozen, jij zijn o.a. Jacques Martin, Edgar Rice Burroughs, Willem Elsschot, Etty Hillesum, Mohammed Mbougar Sarr, Tove Ditlevsen, Louis Couperus, Andrew Holleran, Tom Lanoye, J.J. Voskuil, Didier Eribon, Natalia en Carlo Ginzburg, Ismael Kadare, Joke Hermsen, Hans Warren, Michael Ignatieff, Bart Moeyaart, Bryan Magee, Maaike Meijer.

    Uit tallozen, jij
    Auteur: Eric de Rooij
    Uitgeverij: Uitgeverij Kleine Uil
  • Literatuur als instrument voor zelfontdekking

    Literatuur als instrument voor zelfontdekking

    De essaybundel Hij/hem eindigt met een onjuistheid. ‘Herinneringen veranderen niet, maar mensen gelukkig wel,’ staat er. Als er iets echter veranderlijk is, dan is het de herinnering wel. Deze is allerminst stabiel en verandert keer op keer wanneer we iets proberen terug te roepen in de geest.  Wat schrijver Klaus La Roi vooral wil zeggen is dat mensen kunnen veranderen, ten positieve. Dat kan inderdaad. Mensen kunnen komen tot grotere acceptatie van hetgeen men eerst negatief beoordeelde, daarmee hun intolerantie voor een deel achter zich latend. Tegelijkertijd gaat het boek, met persoonlijke stukken over auteurs van alle letters van het alfabet, ook over iets wat, zo is de (ook wetenschappelijke onderbouwde) communis opinio, niet te veranderen is: iemands geaardheid.

    In dit ‘abc van regenboogboeken’ verdiepen zestien schrijvers zich in korte essays in de kwestie wat een bepaald boek met een expliciete of impliciete homo-thematiek voor hen persoonlijk betekent of heeft betekend en ook wat de functie van het besproken boek voor homo’s in het algemeen is. Zo komen tal van thema’s langs: van de achterhaalde homo-conversie therapie tot de gruwel van aids in de jaren tachtig en van homoseks tot mannenvriendschap.

    Spijker op de kop

    Doeke Sijens slaat de spijker op de kop in zijn stuk over Gore Vidals The city and the pillar: ‘Vidal had met zijn boek willen laten zien hoe normaal homoseksualiteit was, maar ook dat dé homoseksueel niet bestaat- het woord was volgens hem een beschrijving van een seksuele handeling, niet van een zelfstandig naamwoord voor een vaststaand type.’ Omwille van deze waarschijnlijk juiste constatering wringt het samenbrengen van deze stukken in de bundel een beetje; het is in zekere zin een allegaartje van auteurs die een bepaalde toevalligheid delen: hun geaardheid. Het is de vraag in hoeverre deze geaardheid hen zou verbinden, of dat deze groep zo divers is dat er van een overkoepelende term nauwelijks sprake kan zijn. Alle kleuren van de regenboog komen voorbij. De mens, ongeacht geslacht, geaardheid of etniciteit is om zijn diversiteit interessant en de leesherinneringen van de auteurs tonen dat binnen hun toevallige groep mensen net zo’n diversiteit bestaat als binnen de mensheid als geheel. Het is de vraag of het zinvol is om mensen tot een bepaalde essentie terug te brengen.

    Voor alle beschouwende auteurs in deze bundeling geldt echter dat hun geaardheid een belangrijk onderdeel van hun identiteit uitmaakt. Looi van Kessel maakt duidelijk waarom literatuur voor homo’s bij het vormen van deze identiteit een belangrijke functie vervult: ‘Omdat de meesten van hen in een heteroseksuele gezinssituatie geboren worden, krijgen LHBT’ers niet vanzelfsprekend de geschiedenis en culturele referenties van hun eigen seksuele subcultuur van huis uit mee. Ze zijn aangewezen op generaties die voor hen kwamen om te vertellen over de strijd die zij hebben moeten leveren voor gelijke rechten en om te leren over de kunst en cultuur waarmee vele homoseksuelen, lesbiennes en transpersonen hun eigen taal ontwikkelden.’ 

    Geschreven taal en zelfontdekking

    Voor hun vorming zijn boeken van belang geweest, die ze in tijden voor het internet, raadpleegden in de bibliotheek of kochten in de boekhandel. Het is de functie binnen de ontwikkeling van een ‘zelf’ die literatuur kan hebben, die duidelijk uit de verf komt in deze bundeling. In de meestal goed geschreven essays laten de auteurs zien dat neergeschreven taal een rol kan spelen bij zelfontdekking. 

    Hierbij doen de essayisten zich niet beter of slechter voor dan heteroseksuele mensen. Zo citeert Coen Peppelenbos instemmend een passage uit  een gesprek tussen mannen uit de oudheid dat wordt weergegeven door Xenophon: ‘Ik zou zeggen: geef mooie jongens hoge militaire functies-ik zou zelf voor Kleinías [blijkbaar een mooie jongen] – door het vuur gaan, en jullie ook, ontken het maar niet.’ Peppelenbos voegt eraan toe: ‘Je verlangt echt terug naar de tijd waarin de Griekse beginselen werden uitgevonden, als je deze passages leest.’ Nou nee. Mensen beoordelen en belonen op basis van uiterlijke eigenschappen is iets dat van alle tijden is, van alle geaardheden ook, maar dat heeft weinig met ethiek te maken. Er gaat geen voorbeeldfunctie vanuit. De auteurs tonen stuk voor stuk aan waarom literatuur in algemene zin belangrijk kan zijn voor iemands ontwikkeling en zelfontdekking en de beste stukken weten de homoseksuele ervaring goed invoelbaar te maken voor heterogene lezers.

     

     

  • Oogst week 50

    Hoog water ; laaglands leven

    Hoog water ; laaglands leven van de Haagse schrijver Karel Feenstra gaat over Nederland en het water. Het is een serie korte, poëtische verhalen over ons ku(n)stland. Als je het uit hebt kijk je met andere ogen naar al die rivieren, dijken, kustlijnen, havenstadjes en deltawerken.
    Alle verhalen staan op zichzelf, en samen vormen ze een geheel.

    Op 1 december 2023 werd dit boek bij Panorama Mesdag ten doop gehouden.
    Daarbij zei de auteur: ‘We moeten het over water hebben! Miljoenen mensen wonen meters onder zeeniveau in Nederland. We weten het, maar staan er niet bij stil. En toch is Nederland een uniek staaltje mensenwerk. Wonen op een oude zeebodem, dat doen ze nergens anders op de wereld. Droge voeten, dat is élke dag hard werken! En dat wordt alleen maar meer. Voor dit boek reisde ik een jaar lang door heel Nederland, om te laten zien hoe bijzonder, mooi en wonderlijk ons land is.’

     

    Hoog water ; laaglands leven
    Auteur: Karel Feenstra
    Uitgeverij: Uitgeverij Kleine Uil (2023)

    Alleen maar hartstocht

    Nadat zij de Nobelprijs voor Literatuur gewonnen had in 2022, is de aandacht voor Annie Ernaux (1940) in Nederland alleen maar toegenomen.

    Alleen al bij De Arbeiderspers zijn dit jaar drie titels van haar verschenen.

    In januari verscheen De jonge man en in oktober ’23 verschenen De plek en Alleen maar hartstocht. In 2022 verscheen Meisjesherinneringen.

    Haar roman De jaren werd vorig jaar onder regie van Eline Arbo op de planken gebracht door Het Nationale Toneel en gaat volgend jaar in reprise. (Een aanrader!)

    Ernaux werd geboren in een middenstandsmilieu en schreef daarover. Haar werk is sterk autobiografisch (jeugd, adolescentie, huwelijk, abortus, dood), scherp, en politiek en sociaal bewust.

    Alleen maar hartstocht gaat over een liefde die voorbij is tussen een bijna zestigjarige schrijfster en een dertig jaar jongere man.

    De vrouw leeft in een roes en geeft zich volledig over aan haar hartstocht. Heel haar zijn staat in het teken van deze ene aanbeden man. Dan slaat alles om: achterdocht en jaloezie verdrijven de liefde.

     

     

     

    Alleen maar hartstocht
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2023)

    Familielexicon. Herinneringen

    Als 326e deel uit de serie Privé Domein is Familielexicon van Natalia Ginzburg (1916 -1991) verschenen. Voor dit boek ontving ze in 1963 de belangrijke Italiaanse literatuurprijs, de Premio Strega.

    In Familielexicon beschrijft Natalia Ginzburg haar Italiaanse familie in het geassimileerd-Joodse milieu van Turijn waarin ze opgroeide in de jaren twintig tot vijftig van de vorige eeuw. Ze staat stil bij de routines en rituelen, grappen en beledigingen die het familieleven kenmerken en schetst een intiem portret van haar ouders.

    Familielexicon lijkt een roman, maar is het niet: ‘Alle plaatsnamen, gebeurtenissen en personen in dit boek zijn werkelijk. Ik heb niets bedacht. Steeds wanneer ik heb gefantaseerd, zoals ik dat als schrijfster gewend was, voelde ik me onmiddellijk verplicht die fantasie weg te werken,’ waarschuwt Ginzburg in haar voorwoord.
    Familielexicon wordt gezien als het hoogtepunt in haar œuvre.

    Deze uitgave wordt begeleid door kenners van haar werk: vertaler Cesare Segre, schrijver Domenico Scarpa en literatuur- en theatercriticus Cesare Garboli. Jan van der Haar vertaalde Familielexicon.

    Familielexicon. Herinneringen
    Auteur: Natalia Ginzburg
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2023)
  • Kan Icarus zijn val voorkomen?

    Kan Icarus zijn val voorkomen?

     

    De laatste klanken van Icarus, verschenen bij Uitgeverij kleine Uil, is de tweede roman van Arjen van Meijgaard. Het is de nostalgische weerslag van de tijd waarin hij na zijn eindexamen in Parijs woonde, een tijd die hij inmiddels koestert. Hij is van Parijs gaan houden en komt er nog vaak. ‘Parijs is echt mijn tweede stad geworden. Het is heerlijk om een andere, buitenlandse stad als je eigen te ervaren. Daarom was het schrijven van deze roman zo leuk, want dan zat ik daar weer.’


    Waar gaat het boek over?

    ‘Het is een herinnering van een Nederlandse man die na zijn eindexamen een jaar in Parijs woont en daar op straat viool speelt. Hij denkt met weemoed terug aan die periode en maakt zijn herinneringen groter en mooier, en buit ze uit. Iedereen gaat daarin mee. Hijzelf uiteindelijk ook. Tot er een kaart uit Parijs in de bus valt. Die kaart komt van Julie, zijn Parijse geliefde uit die tijd. Zij kondigt haar bezoek aan. Hij schrikt ervan, zijn herinneringen beginnen te wankelen en hij vraagt zich af: Klopt het eigenlijk wel wat ik verteld heb? Wat klopt er van mijn verhalen?

    Fantaseren kan lang goed gaan, tot er iets gebeurt en iemand je wijst op inconsistenties. Hij besluit halsoverkop om terug te gaan naar Parijs. Achter zijn herinneringen aan en op zoek naar Julie.’


    Het boek heeft een bijzondere constructie. Daar kan je eigenlijk nauwelijks iets over vertellen omdat dat te veel zou weggeven, maar zeker is dat de lezer vaak op het verkeerde been wordt gezet. Waarom heb je dat gedaan?

    ‘Op basis van mijn eigen herinneringen was het boek oorspronkelijk een rechttoe-rechtaan verhaal, maar ik vind het zelf leuk als je als lezer op het verkeerde been wordt gezet. En was het niet Hermans die beweerde dat alleen een interessant leven niet genoeg is als basis voor een goede roman; dat daar altijd nog iets bij moet?
    Wat er in De laatste klanken van Icarus bijkomt is de vraag waarin de herinnering verschilt van de verbeelding? Wat is er nog waar van de verhalen die je vertelt over je ervaringen? Waarin verschillen jouw herinneringen met die van anderen die hetzelfde hebben meegemaakt? Het fijne van schrijven is dat je alles kunt vertellen zoals jij dat wilt.’

    Van Meijgaard weet zelf ook niet meer precies wat hij wel en niet beleefd heeft. ‘Ik weet niet meer hoe ik daar gekomen ben. Die villa van het au pair-gezin bijvoorbeeld, waar ik in het begin au pair was en woonde klopt wel, tenminste dat denk ik, maar hoe ik daar gekomen ben…? Ik weet het niet meer.
    Het geheugen, dat vind ik interessant. Waarom je sommige dingen nog wel en andere niet meer weet. Zelf vertel ik het verhaal ook al dertig jaar. Kloppen mijn herinneringen nog?
    De plaatsen waar ik viool gespeeld heb weet ik nog wel zeker, maar dat is dankzij een plattegrondje waarop ik die heb aangekruist.’


    Denk je dat mensen vaak de neiging hebben om de dingen mooier voor te stellen dan ze zijn?

    ‘Ja, als je dingen hebt meegemaakt die niet zo leuk waren, bijvoorbeeld zo’n au pair-ervaring waarover je klasgenoten zeggen: “Wow, die zit lekker in Parijs.” Terwijl het in werkelijkheid enorm tegenviel, dan maak je dat soms mooier. Je wilt je eigen leven betekenis geven en wel zodanig dat je er zelf in gaat geloven. Uiteindelijk gaat zoiets een eigen leven leiden. Hoe langer geleden, hoe meer je vasthoudt aan de hoogtepunten. En dan kunnen details hoogtepunten worden. Op den duur weet je niet meer wat waarheid, herinnering of inbeelding is.’


    Viel het tegen?

    ‘Ja. Het begon al anders dan ik had gewild. Ik wilde na mijn eindexamen naar Bordeaux maar daar wilde niemand een jongen als au pair. Het werd daarom Parijs. Ik nam mijn viool mee, maar niet met de opzet om ermee op straat te gaan spelen.
    Het was vreselijk in het begin, daar in mijn eentje. Ik ging wel op Franse les, leerde daar mensen kennen, maar uiteindelijk ben ik van pure ellende op straat gaan spelen. Ik raakte uiteindelijk min of meer verslaafd aan het zoeken naar goede plekken om te spelen. Het boek Le solitaire van Ionesco dat de hoofdpersoon van zijn Franse docent krijgt met de mededeling “Lees dit maar, het kan altijd eenzamer, houd je daar maar aan vast” was heel toepasselijk.’


    Kon je zo goed viool spelen?

    ‘Ik was daar in ieder geval goed genoeg voor, ik had jarenlang in een jeugdorkest gespeeld en speelde mee tijdens concerten. Voor die optredens was ik altijd heel zenuwachtig, maar daar in Parijs op straat niet. Daar verwacht niemand iets van je en valt het altijd mee. Al snel kreeg ik complimenten en verdiende ik goed.’


    Op straat ontmoet de hoofdpersoon Milan, een fagottist, hij is de koning van de straatmuzikanten. Hij speelt een belangrijke rol in het boek.

    ‘Milan is de man met de regie over vrijwel alle straatmuzikanten. Hij bepaalt wie wanneer waar mag optreden. Hij heeft contacten bij de parkwachters die hij inzet als hij dat nodig vindt, bijvoorbeeld als de bedelaars de inkomsten van de artiesten inpikken door te doen alsof ze bij elkaar horen. Dat is gebaseerd op iets wat ik zelf heb meegemaakt. Ik had mijn plekje drie uur voor de openingstijd bij het Grand Palais ingenomen, er stond een lange rij en ik had mijn plekje tactisch gekozen. Die profiteurs posteerden zich ruimschoots later ook bij die rij en wel zodanig dat het leek alsof ze bij mij hoorden. Daardoor ontvingen zij soms mijn verdiensten. Toeristen zijn gul, maar ze geven maar één keer.’

    Milan – in werkelijkheid heette hij anders en speelde hij klarinet – had door dat ik goed kon spelen en gaf me een kans. Ik heb veel van hem geleerd. Hij eiste wel van me dat ik nooit zou praten over alle trucjes – de tien gouden regels van Milan – die hij met me deelde. Met de publicatie van De klanken van Icarus klap ik dus eigenlijk uit de school.
    Zelf kon hij leven van het spelen op straat. Zijn vrouw had een ‘baantje’ zodat ze verzekerd waren. Tegelijkertijd waren ze ook bezig met de bouw van hun tweede huis.
    Hij adviseerde me overigens om niet in zijn voetsporen te treden: “Ga studeren, anders sta je op je 40e nog op straat.”’

    Dat advies heeft Van Meijgaard ter harte genomen. Hij is Nederlands gaan studeren en geeft nu onder andere les op het conservatorium in Den Haag.
    ‘Dat ene jaar in Parijs, waarin alles anders liep dan verwacht heeft me zoveel gebracht. Zo’n jaar, de dingen die je rond die leeftijd meemaakt, de mensen die je ontmoet, maken veel indruk. Wat ik toen gedaan heb had ik nooit van mezelf verwacht, maar iets wat je niet plant brengt vaak meer dan een uitgestippeld pad. Maar ik ben een nostalgisch mens. Misschien is mijn boek wel een uitnodiging aan de jongeren van die leeftijd om te gaan reizen en bijzondere dingen mee te maken.’

    Icarus komt in het boek niet voor. Hij was hoogmoedig en kwam ten val. De muzikant uitDe laatste klanken van Icarusis misschien bij tijd en wijle wel ijdel, maar is vooral op zijn hoede voor wat de komst van Julie, vijfentwintig jaar na dato, teweeg zal brengen. Maar waarom eigenlijk? Waarom wil hij Julie kost wat kost terugvinden voordat zij naar Nederland komt? Dat is waar het in dit boek om draait en wat niet vooraf onthuld moet worden.

     


     

     

  • Kauwde, slikte door

    Kauwde, slikte door

    Een goed boek houdt je na lezing nog bezig. Eind zomer las ik een boek waarin de ik-verteller briefjes met contactgegevens opeet, als werkte hij voor de geheime dienst. ‘In een reflex stopte ik de prop in mijn mond, kauwde, proefde inkt en de goedkope zompige structuur van kladpapier.’ Het boek speelt in de maand augustus van 1988. In die maand komt alles in het leven van Erik Poelman bij elkaar. De oudere neef Kaj, die zijn vrouw verliet voor een man, ziek werd, stierf aan aids, voorheen al doodgezwegen door zijn familie. Een christelijke vriend uit zijn schooltijd wordt vermoord. Met zijn vriend Maurits, een Couperus adept, bezoekt hij in de weekenden homobars in Amsterdam. Tegen elkaar zeggen ze hetero’s te zijn die spelen dat ze homo zijn. Wordt het niet eens tijd er voor uit te komen dat hij echt op mannen valt? Maar hoe doe je dat. Die zomer gaan Maurits en Erik naar Den Haag, nemen een hotel, er broeit iets, maar ze zijn hetero, toch? Na een uitgaansavond, belanden ze bij elkaar in bed, vrijen. Waarna de draad van hun vriendschap dunner wordt.

    Daarbij is Erik bang om ziek te worden, met iets besmet te raken. ‘Dat iets was elke avond en nacht in Amsterdam aanwezig. het wandelde mee, in de Reguliersdwarsstraat, bij het DOK aan het Singel, vergezelde me naar de andere cafés en disco’s in het centrum waar mannen kwamen, en waar wij dus ook kwamen. Het kon me elk moment aanraken.’
    In een poging zijn leven richting te geven, besluit hij naar Maastricht af te reizen. Hij heeft een briefje waarop telefoonnummers van mannen die reageerden op de contactadvertentie die zijn vriend Maurits voor de lol in de krant plaatste. Erik hield de telefoonnummers van het stapeltje ‘Nee’ voor zichzelf.

    Had hij niet samen met zijn moeder televisie zitten kijken naar een uitzending van Sonja Barend, waar een man was uitgenodigd die zei dat het voor homo’s gewoon was om seks te hebben met honderden mannen? ‘(…) soms wel een paar kerels op een avond. Een schok ging door de zaal bereikte de huiskamer,’ Dat zijn moeder snuivend zei, ‘Wat smerig, Niet gek dat je dan ziek wordt en doodgaat.’ Durf dan nog maar eens te vertellen dat jij op mannen valt.

    Als Maastricht mislukt, bezoekt hij de dichter Hans Warren in Zeeland. Warren woont samen met een jongeman. Door zijn dagboeken die in de jaren tachtig verschenen, is hij iemand om naar uit te reiken, bij te willen horen. Als Erik bij het huis van de dichter komt aanfietsen, rijdt deze net in een volvo met zijn jonge vriend aan het stuur het pad af.
    Dat je de wereld in wilt, dat je steeds als het erop aankomt, niet durft, of miskleunt. Iemand opbellen, een afspraak maken bij een van de mannen van het papiertje, het komt er niet van. Daarvoor is zijn dialogue intérieur eenvoudigweg te sterk, praat hij zichzelf alles uit het hoofd, gaat onverrichter zake naar huis. Zijn moeder die zegt, Hé, ben je weer thuis?

    Als hij van de man die met zijn neef Kaj is geweest, zijn visitekaartje krijgt, scheurt hij het later in drie stukken, steekt ze in zijn mond, ‘kauwde, slikte door’. No way, dat hij hem eens gaat opzoeken. De briefjes die hij in zijn mond vermaalt, alsof hij er de werkelijkheid mee wil uitwissen. Ingegeven door de berichtgevingen uit die tijd, was het gewoon geen goed idee om homo te zijn. Ook het kaartje van een bejaard artsenechtpaar dat hem in de trein naar Goes conversietherapie aanraadt, verdwijnt meteen in zijn mond. ‘kauwde, slikte door’.

    ‘Ik vind dat ik niet uit de kast hoef te komen, dat ik moet zeggen ‘ik bén homo’, want dat ben ik niet, ik bén Wobie, en Wobie valt misschien op mannen.’ schrijft Splinter Chabot in Confettiregen. Als dit boek in de jaren tachtig was verschenen, had het de verteller uit Augustus zeker aangezet zichzelf te omarmen. Augustus is een indringend auto-fictie boek, over een jeugd in de jaren tachtig. Hoe er in die tijd volstrekt afkeurend over afwijkende geaardheid werd gedacht, hoe vernietigend dat was. Goed geschreven, een doordenker, een aanrader.

     

     

    Augustus / Eric de Rooij / blz. 224 / Uitgeverij kleine Uil (2022)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

     

  • Ongefrankeerde brieven

    Ongefrankeerde brieven

    Als Max Niematz op 20 februari 2020 Anton Dautzenberg per mail benadert met het voorstel een correspondentie te starten in de vorm van Ongefrankeerde brieven met als oogmerk deze ‘in een volgend leven nog eens onder die noemer te publiceren’, reageert Dautzenberg enthousiast. Deze correspondentie krijgt uiteindelijk zijn weerslag in Zonder schrammen vaart niemand wel. Deze gepubliceerde briefwisseling zou wel eens de geschiedenis in kunnen gaan als een van de laatste in zijn soort in de Nederlandse literatuur. Wie schrijft er immers nog brieven?

    Max Niematz is een wat oudere schrijver van gedichten, verhalen en romans. Geboren in Tilburg is hij woonachtig in Oost-Groningen. Financieel redelijk onafhankelijk leeft hij voornamelijk voor het schrijven en is hij wars van veel publiciteit. Anton Dautzenberg is 25 jaar jonger. Hij publiceert regelmatig korte verhalen, romans, toneelstukken en publicaties over hard-rockmuziek alsmede geëngageerde pamfletten. Hij geniet een zekere bekendheid als voorvechter van het vrije woord, wat hem niet altijd door iedereen in dank wordt afgenomen. Beiden zijn geen ‘sellers’ zoals Dautzenberg opmerkt. Zij schrijven voor een klein publiek. Terwijl Niematz geen veelschrijver is en jaren over een boek kan doen, schrijft Dautzenberg veel sneller. Het werk van Niematz draagt een sterk dramatisch-psychologisch karakter en balanceert op het snijvlak van verbeelding en werkelijkheid. Dautzenberg experimenteert veel met vorm en inhoud. Gemeenschappelijk hebben ze hun relatie met Tilburg. Niematz is daar geboren en getogen. Hij heeft een nogal ambivalente haat/liefdeverhouding tot die stad. Dautzenberg woont daar al jaren en is zelfs ooit gekroond tot stadsdichter van Tilburg.

    Wie ben ik eigenlijk?

    In hun boek Zonder schrammen vaart niemand wel bewijzen Niematz en Dautzenberg hoe betreurenswaardig het verdwijnen van de briefwisseling is als medium om met elkaar van gedachten te wisselen. Grote thema’s waarvoor schrijvers zich gesteld zien passeren de revue.  Zij bestrijden de gedachte van Gerbrand Bakker dat de schrijver in zijn dagboek eerlijker is dan in zijn romans. Taal vervormt de gedachten sowieso en beiden zijn het erover eens dat het onderbewustzijn ‘eerlijker’ is dan het bewustzijn en dat daarom aan de verbeelding ontsproten verhalen te prefereren zijn boven realisme. Alleen gaat het Niematz niet zozeer om eerlijkheid tegenover de buitenwereld, maar om het  spel van avontuur en verleiding, de lezer in verwarring te brengen door meer vragen op te roepen dan te beantwoorden. Het gaat hem om eerlijkheid tegenover zichzelf. De focus van Niematz ligt veel meer op zichzelf dan die van Dautzenberg. In het klein wordt deze kwestie zichtbaar in de soms hoogoplopende discussie waarin Dautzenberg zich afvraagt waarom Niematz zichzelf ‘verbergt’ in een pseudoniem. Zijn ‘werkelijke naam’, aldus Dautzenberg, is toch Jan Hombergen? Niematz daarentegen wenst zijn eigen werkelijkheid te creëren en niet overgeleverd te zijn aan een toevallige naam die hij bij zijn geboorte heeft gekregen. Zo wordt een groot thema persoonlijk gemaakt en daardoor invoelbaar en leesbaar.

    Een evenwichtig duet

    De briefwisseling geeft ruimte aan het uiten van persoonlijke gevoelens over eenzaamheid, gezondheid, gram ten aanzien van uitgevers en recensenten, geldgebrek, maar ook aan bespiegelingen over gelukkige momenten van liefde, empathie ten aanzien van relaties, mooie boeken en wandelingen in de natuur. Het bijzondere van deze briefwisseling is dat je Niematz en Dautzenberg niet alleen leert kennen door hun eigen bril, maar ook door die van de ander. Dat geeft een absolute meerwaarde aan het genre. Zo lijkt Dautzenberg meer in de actualiteit van het moderne leven te staan, is zijn schrijfstijl korter, directer en soms vlijmscherp. Hij heeft de behoefte zijn vinger aan de polsslag van de tijd te houden. Dit maakt hem controversiëler. Dit zie je ook terug in deze briefwisseling. Zo verwijt Niematz hem te willen shockeren door te koketteren met het feit dat hij nog wekelijks de Donald Duck leest als een ‘opgestoken middelvinger naar het intellectualisme van de Oek de Jongen en Robert Ankers onder ons’. Dit leidt tot een felle woordenwisseling en een discussie over hoogcultuur en laagcultuur. Als in een evenwichtig duet dagen Niematz en Dautzenberg elkaar voortdurend uit door te provoceren en te reageren. Soms is het Dautzenberg die het voortouw neemt en dan weer Niematz. Niematz leeft veel meer teruggetrokken, schrijft breedvoeriger, maar zijn stilistische bekwaamheid geeft zijn argumentatie soms de kracht van schijnbare onontkoombaarheid. Het gevolg is een liefdevol gevecht in woorden. De briefwisseling heeft een prachtige spanningsboog, waarbij het wederzijds respect altijd zorgt voor een fijne inbedding. Natuurlijk is dit niet zomaar een mooie briefwisseling tussen twee mensen. Beiden zijn schrijver. Voortdurend zijn zij bezig elkaar en dus zichzelf te bevragen over hun verhouding tot hun schrijverschap. Waarom schrijven wij? Waarom schrijven wij zoals we schrijven? Voor Niematz gaat het om de relatie kunst-leven. Misschien is het leven alleen dragelijk door bezig te kunnen zijn met kunst. Hij ontleent zijn identiteit aan de kunst van het schrijverschap. Voor Dautzenberg is dit te benauwend, hij zou zich te veel een gevangene voelen van een constructie, verdwaald in een zelfontworpen literair labyrint. Dautzenberg ziet zijn schrijverschap veel meer in relatie tot de wereld.

    ‘Ik ben een gevoelsmens, Anton, het beetje verstand dat me is gegeven, zet ik in om niet te verzuipen in sentimenten.

    Zonder schrammen vaart niemand wel is een prachtig boek. De titel geeft al aan dat het gaat om een gesprek tussen twee mensen, die zich gesterkt voelen door wat ze hebben gezien in- en ervaren hebben aan het leven. Hoewel het een boek is, waarin de schrijvers niet schromen zich bloot te geven in persoonlijke ontboezemingen, overstijgt het ontegenzeglijk dit niveau. Het gaat over universele waarden waarmee iedereen op zijn eigen manier te maken krijgt, ook al ben je geen schrijver. Door zich kwetsbaar op te stellen krijgt het boek een innemend en soms zelfs ontroerend karakter. Het is een boek om zorgvuldig te lezen, lekker langzaam, en dan nog een keer te herlezen.

     

  • Woorden doen ertoe

    Woorden doen ertoe

     

    Hilversum, augustus ’88. Binnen één week staat het leven van hoofdpersoon Erik Poelman volledig op zijn kop. Hij heeft voor het eerst seks met een vriend van de middelbare school, Maurits, en zijn jeugdvriend Johannes wordt vermoord. Beide gebeurtenissen hebben een enorme impact op hem. In Augustus vertelt hij in een terugblik over deze twee, zo totaal verschillende vriendschappen tijdens zijn middelbareschooltijd, een tijd waarin hij, als menig jongvolwassene, worstelt met van alles en nog wat – niet in het minst met zijn seksuele geaardheid. Hij is onzeker, een denker en een twijfelaar, wordt moe van zijn dialogue intérieur over vriendschap, geloof en seksualiteit, en verloochent zichzelf met enige regelmaat.

    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. Hij debuteerde in 2020 met De wensvader. We spreken elkaar in Leiden naar aanleiding van het verschijnen van Augustus. Zowel Augustus als De wensvader verschenen bij uitgeverij kleine Uil.

    Augustus ademt de sfeer van de jaren tachtig, er zijn telefooncellen waar je met kwartjes moet betalen, mensen zitten op zaterdagavond thuis voor de buis voor een spelshow, aids maakt homo’s bang en zet anderen aan tot de meest walgelijke uitspraken. Holly Hobby is ‘hot’ bij de meisjes, voor lp’s ga je naar de Free Record Shop en op straat kun je sannyasins tegenkomen, de in oranje geklede volgelingen van Bhagwan.


    Johannes en Maurits

    Erik wordt op de middelbare school door zijn jeugdvriend en kerkganger Johannes bij diens vrienden geïntroduceerd: ‘wees goed voor Erik, hij is een kerkeloze gelovige’. Het groepje blijkt te bestaan uit ‘bleke pubers die er ’s nachts nooit op uitgingen, alle avonden thuisbleven en ’s zondags naar het Woord luisterden’. Erik voelt zich voor het eerst thuis bij een groep: ‘Ik hoorde bij hen omdat ze niemand op voorhand uitsloten.’

    Met de komst van Maurits in zijn klas verandert er veel voor Erik. Maurits gaat gekleed in giletjes, strakke, witte of lichtroze overhemden, draagt lakschoenen, gebruikt eyeliner en bleekt zijn haar. Hij is veel spannender dan Johannes en neemt Erik mee naar de gaycafé’s en -disco’s in Amsterdam. Ze maken er een spel van om af te geven op bijna alle mannen daar: ‘Jongens waren we, maar geen aardige jongens.’

    Als kind wil Erik een tijdje ook gelovig zijn, net zoals Johannes, want dat lijkt zekerheid te bieden, maar dat gaat over. Als ze wat ouder zijn bidt Johannes voor zijn zielenheil, niet omdat Erik homo zou zijn, maar omdat hij niet gedoopt is en verbonden aan een kerk. Johannes was ‘zonder dat hij het wist mijn geitenpaadje naar God.’
    Johannes is daarnaast ook schijnheilig, doet van alles wat God verboden heeft en zit vervolgens ’s zondags met een kater in de kerk. Als zijn vriendin zwanger blijkt komt de dominee op de proppen. In niet mis te verstane woorden krijgt het stel te horen wat ze moeten doen. Trouwen en geen seks meer tot het huwelijk. Erik snapt niet waarom Johannes de kerk trouw blijft.


    Augustus
    gaat over twee levensbepalende vriendschappen. Je noemt het autofictie, net als De wensvader. Maar er is een groot verschil. Augustus is veel woester, het lijkt erop dat je dit moest schrijven, klopt dat?

    ‘Die moord op een vriend is iets wat ik van nabij heb meegemaakt en dat hakte erin. Een paar jaar daarna, begin jaren negentig heb ik al eens 20 à 30 pagina’s geschreven, over de tragiek van het gebeurde en de woede die ik toen voelde. Ik heb ze nooit herlezen.
    In het boek dat er nu ligt, zit meer afstand en minder woede en de personages zijn minder eendimensionaal. Ik begrijp Johannes nu ook beter. Ik vroeg mij toen steeds af waarom hij bij die kerk bleef waar iedereen hem veroordeelde. Maar die kerk was de enige plek waar hij, ondanks alles, veiligheid voelde, hij wist niet beter.’

    Maurits zet op een gegeven moment een contactadvertentie in De Telegraaf. De advertentie is niet ondubbelzinnig alleen op mannen gericht, maar het zijn wel uitsluitend mannen die reageren. Maurits is op zoek naar spanning, niet zozeer naar contact met een man, maar wil vooral ‘geen saai leven’. Hij wil gewoon eens kijken wat er gebeurt. Erik laat zich meeslepen.
    De jongens maken een selectie en dat brengt hen bij Freddy in Scheveningen, een veertigjarige homoseksuele man tegen wie ze stug volhouden dat ze geen homo zijn. Freddy haalt Indisch eten in huis voor de jongens en zoekt toenadering, maar Maurits en Erik komen niet met eerlijke bedoelingen en maken hem achteraf vooral belachelijk. Freddy voelt zich terecht gebruikt door de jongens. Zijn vraag ‘waarom?’ snijdt door merg en been.

    ‘Freddy staat voor de ouder wordende homoseksueel. Iemand die net als ieder ander behoefte heeft aan vriendschap, liefde en seks. Voor jongens als Maurits en Erik waren mensen boven de dertig oud. Zij konden hen niet zien als mensen met verlangens en een eigen leven. Ze hadden een kille blik op ouderdom. Je kan je afvragen wat moet een veertigjarige met jongeren van begin twintig, maar dan kijk je ook met een gekleurde bril. Freddy hunkert naar iets, maar het is de tijd van aids en iedereen is bang.’
    Bij hun overhaaste vertrek valt het Erik op dat Freddy alleen hem de woorden van Frederik van Eeden influistert: ‘De enige manier om een vriend te hebben, is er een te zijn.’ ‘Eigenlijk zegt Freddy daarmee: Homo’s delen de schrammen die het leven hen heeft gegeven, zij weten hoe uitsluiting werkt, wees daarom zo solidair mogelijk met elkaar.’


    Een ontroerend personage in
    Augustus is neef Kaj. Hij is al dood. Hij had aids en werd verstoten door zijn familie. 

    ‘Neef Kaj neemt een belangrijke plek in. De angst voor aids was enorm in die tijd. Hij hoorde bij de generatie jongens die net op de drempel van hun seksuele leven stonden. Hoe moesten ze met aids omgaan? Hoe konden ze een relatie aangaan, hoe konden ze experimenteren? Die angst is wel veranderd, maar in die tijd stond aids voor doodgaan op een verschrikkelijke manier.’


    Alleen bij zijn grootmoeder bleef hij welkom. Dat is mooi. 

    De taal die zijn eigen familie voor hem gebruikt is veroordelend en uitsluitend. Maar uitsluiten gebeurt nooit voor de volle honderd procent, er is ook instinct, de bijna dierlijke kant van familieliefde die de verstotene weer terughaalt, in de hoop op herstel, een terugkeer in de kudde, in de familie of in de (kerk)gemeenschap. Die dubbelheid past bij het leven.’


    Erik is gevoelig voor taal

    ‘Inderdaad. Voor de afwijzing in taal. Die doet hem zich onveilig voelen. Niet alleen zijn familie, maar ook binnen zijn vriendengroep en op televisie wordt op botte en denigrerende wijze gesproken over homoseksualiteit. Door te benoemen wat taal met anderen doet hoop ik dat de lezer zich afvraagt “gebruik ik inclusieve taal of sluit ik mensen uit door mijn taalgebruik?”. Daarom ben ik misschien wel geestelijk begeleider geworden, een vak waar goed gekozen woorden ertoe doen.’


    Een van de helden van Erik is Hans Warren. Hij gaat zelfs onaangekondigd naar Zeeland om hem op te zoeken. Waarom is hij zo belangrijk? 

    ‘Omdat Hans Warren voor mij persoonlijk heel belangrijk was, zeker in de jaren tachtig. Als dichter, maar ook als openlijk homoseksueel en samenwonend met een man.’ Eric de Rooij is een keer bij Warren op bezoek geweest. Erik, de hoofdpersoon uit Augustus loopt de grote dichter echter net mis.

    ‘Die scène heeft een functie, want daarin krijgt Erik het gevoel dat hij alles net niet meemaakt.’
    Het net missen van iets komt vaker voor in de roman. De Rooij kent dat gevoel, hij was in de buurt toen zijn vriend werd vermoord, hij had op dat moment ook kunnen besluiten om bij hem langs te gaan, maar deed dat dus niet. Niet alleen de moord, maar ook het net ‘missen’ daarvan heeft hem nog lang beziggehouden.
    De Rooij noemt in dit kader ook het werk van Kavafis, de Griekse dichter van het ‘net niet, van het verlangen dat net niet tot bloei komt’ over wie Hans Warren en Mario Molegraaf de essaybundel Ik ging naar de geheime kamers schreven. Erik in Augustus, kan zich het boek niet veroorloven, maar gaat veelvuldig naar de boekhandel om erin te kunnen lezen.

    In de week dat dit gesprek plaatsvond stond er in de krant dat onder invloed van een conservatieve, christelijk rechtse wind in Amerikaanse staten in korte tijd ruim 2.500 boeken in de ban zijn gedaan. Van The Catcher in the Rye tot Harry Potter. Het zijn boeken over seks, gender, racisme, geestesziekte, abortus en magie. Augustus zou die lijst zeker halen. Dat zou zonde zijn geweest want het is een zeer lezenswaardig boek.
    De Rooij schetst prachtige scènes en is in staat met weinig woorden veel te zeggen en direct de juiste sfeer en emoties op te roepen. Bijvoorbeeld, in de kerk tijdens de begrafenis van Johannes: ‘Ik vroeg me af waarom ik hier was. Voor Johannes. Johannes in de kist zonder bloemstuk.’ Deze kerkdienst weet De Rooij huiveringwekkend te beschrijven, om over de woedende reactie daarop van Eriks moeder nog maar te zwijgen.

     

    Fotograaf: Alfred Oosterman


     

     

     

     

     

     

    Augustus, Uitgeverij kleine Uil (2022)

  • Oogst week 11 – 2021

    Ik zeg Emily

    De poëziebundel Ik zeg Emily is het debuut van Yentl van Stokkum, waarin een jonge dichter een bezoek brengt aan het graf van Emily Brönte (1818-1848, de middelste van de gezusters Brönte, die onder andere Wuthering Heights schreef). De verteller raakt bezeten door de vroeg gestorven Emily, haar leven en werk, en lijkt een verbond aan te willen gaan met de ziel van de dode dichter.

    ‘het verlangen naar Emily is simpel
    en ik wil de associatie vermijden met woorden als
    kwetsbaar ode oprecht liefdevol romantisch romantiek (…)’

    Daartoe reist de verteller naar het graf van Emily Brönte in Scarborough (‘mag ik zeggen dat het graf tegenvalt’). Het ‘hier en nu’ klinkt door in hoe de reis wordt beschreven: de verteller raakt niet alleen aan Emily en haar historische belang, maar ook aan hoe het is om nu vrouw te zijn, bijvoorbeeld in ‘advies voor een jonge alleen reizende vrouw’.

    Yentl van Stokkum (1991) is toneelschrijver en dichter. Ze schreef al voor Hard//hoofd, er is werk van haar opgenomen in de bundel NYX van de feministische uitgeverij Chaos en ze begon tijdens het Slow Writing Lab waaraan ze deelnam met het schrijven van poëzie over Emily Brönte.

     

    Ik zeg Emily
    Auteur: Yentl van Stokkum
    Uitgeverij: Hollands Diep

    Een Alpenroman

    Goed nieuws voor degenen die verzuchten dat er tegenwoordig nog maar zo weinig Vestdijk wordt gelezen: Een Alpenroman is heruitgegeven. De roman deed bij verschijning in 1961 nogal wat stof opwaaien: Vestdijk beschrijft in zijn roman de lesbische liefde tussen de Nederlandse Lucie Ebbinge en Duitse Anna Brandner, die serveerster is in het hotel, in feite kuuroord, waar Lucie verblijft te Oberstdorf. Vestdijk beschrijft hun liefde zeer gedetailleerd, wat hem op onbegrip bij recensenten kwam te staan. Er werd geschokt gereageerd op de lesbische liefde van Lucie en Anna: ‘Dit boek is ziek, zo ziek.’ (Algemeen Handelsblad);  ‘verboden vorm van geslachtelijke liefde’ (Trouw). Maar niet enkel die liefde analyseert Vestdijk: maatschappelijke tegenstellingen en religieuze waarden en belangen spelen eveneens een belangrijke rol.

    Een Alpenroman verscheen voor het eerst bij De Bezige Bij, en is nu door Uitgeverij kleine Uil opgenomen in de zogenoemde Regenboogreeks, met daarin ‘klassiekers uit de lhbt-literatuur’.

    Een Alpenroman
    Auteur: Simon Vestdijk
    Uitgeverij: Kleine Uil, Uitgeverij

    Klara en de Zon

    In Klara en de Zon van Kazuo Ishiguro is het titelpersonage een ‘Kunstmatige Vriendin’, ofwel: een robot, nauwelijks van een echt mens te onderscheiden, met dezelfde zachtheid en toewijding. Dat Klara de wereld anders waarneemt – technisch gesproken – maakt niet dat ze niet naar menselijk contact smacht en wacht tot iemand haar meeneemt om deel te laten uitmaken van het eigen gezin. Dat laatste gebeurt: ze komt terecht bij de ziekelijke tiener Josie. Wanneer Josie zelf niet in staat is om haar rol binnen het gezin te vervullen, wordt Klara zo geprogrammeerd dat zij dat voor haar kan doen. Daarmee worden thema’s als genetische manipulatie, A.I. en big data aangesneden. Over de verhouding van Klara en de Zon tot de tijd waarin we leven, stelde Ishiguro in een recent interview met The Guardian het volgende:

    ‘“What happens to things like love in an age when we are changing our views about the human individual and the individual’s uniqueness?” he asks. “There was this question – it always sounds very pompous – about the human soul: do we actually have one or not?”’

    Ishiguro won in 2017 de Nobelprijs voor de Literatuur. Zijn The Remains of The Day werd bekroond met de Booker Prize en verfilmd met Anthony Hopkins in de hoofdrol.

    Klara en de Zon
    Auteur: Kazuo Ishiguro
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Zwaluwen op de verbindingslijn

    Zwaluwen op de verbindingslijn

    Dat Eric de Rooij een veelzijdig schrijver is, blijkt uit zijn debuutroman De wensvader, dat afsluit met een van zijn gedichten, dat eerder werd gepubliceerd in zijn bundel Hongerklop (2018) onder de titel Jouw hartslag in mijn lies.
    Van zijn hand verschenen onder meer literaire wandelingen (door het Zeeland van Hans Warren en het Gooi van Frederik van Eeden), boeken over de geschiedenis van Hilversum, zijn geboorteplaats, naast Hongerklop nog een dichtbundel en enkele kinder- en leerboeken. De wensvader is zijn romandebuut.

    Drie opties
    De roman begint met drie opties. Leonie wil een kind van Kees de timmerman, van teamleider Joop of van de ik-figuur, Erik Poelman, een oud-collega, geestelijk verzorger en ouderenconsulent bij het verzorgingshuis De Tijdstroom.
    Hoewel, Leonie ziet Erik ‘toch niet als een echte optie’, want ze verdenkt hem ervan, dat hij wil gaan vaderen en ze ‘wil een donor en meer niet’. Erik heeft een man, Aad en een poes, Mia. Alle verlangens zijn vervuld. Maar nu wil hij ook een kind. Aad niet. Hij heeft allerlei praktische bezwaren: Erik werkt maar drie dagen en is de rest van de tijd zondagsdichter en -tekenaar. Een vriend raadt aan dat het díe dromen zijn, die hij moet najagen. Niet die van zaaddonor worden. Een vriendin adviseert om het niet te doen, omdat het zoveel heisa geeft. Waarom eigenlijk? ‘Uit eenzaamheid en de angst voor ouderdom, de gebreken, het stille appartement met drie keer in de week thuiszorg voor mijn steunkousen’?

    Het is een vooruitzicht dat rijmt op het dagelijks werk van Erik in het verzorgingshuis. Met de problemen van mevrouw Van de Heuvel, die elke avond tot God bidt met de bede ‘Neem me. Neem me. Zo red ik het niet meer.’ Van mevrouw Toortelboom, die telkens vergeet of haar broer nog leeft of van mevrouw Bosker, die euthanasie wil; ‘hoogste tijd dat de lichtjes uitgaan’, zegt ze. Of meneer Kleiman, die als een grammofoonplaat telkens herhaalt: ‘Amerika wil eerst weten wat er met zijn jongens is gebeurd’.
    Erik verlangt naar jeugd, leven, frisse adem. Aad naar ‘een eenvoudig, overzichtelijk bestaan. Bescheiden. In harmonie.’ Dat staat op gespannen voet met elkaar, temeer daar Aad ook nog eens jaloerse trekken vertoont.

    Twee verhaallijnen
    Er zijn twee verhaallijnen waartussen telkens wordt geswitcht. Van de huiselijke, vertrouwde geluiden en gewoonten bij Erik en Aad thuis, naar de gebeurtenissen in De Tijdstroom. Beide sferen worden raak getroffen, en de personages maken een ontwikkeling door. De gebeurtenissen in De Tijdstroom worden vermeld, zonder dat er al te diep wordt ingegaan en de roman een ideeënroman over leven en dood wordt.
    Er zitten veel komische elementen in het boek, die de sfeer niet al te zwaar maken, en eerder luchtig houdt. Neem bijvoorbeeld de scène waarin Poelman met het Medisch Centrum Kinderwens belt. De mevrouw die de telefoon aanneemt, is verbaasd: een oudere man, een anoniem telefoonnummer, geen 06-nummer, die kan ook wel eens ‘een kuladres in Amsterdam opgeven’. Om te bevestigen, dat hij geloofwaardig is, vraagt Erik of Aad even vanuit hun huisadres wil bellen. Hij doet dit en grijpt daarna de telefoon om Erik ervan te verwittigen. ‘De telefoon. Aad. Met overslaande stem. “Wil je dit nóóit meer vragen. Ik ben nog nooit zo uitgelachen!”’
    Of de scène met mevrouw Bosker, die in hongerstaking is gegaan, in de veronderstelling dat dit een voorwaarde van de Levenseindekliniek is. Maar als ze hoort, dat dit niet zo is, maakt ze zich alsnog op om naar het kerstdiner te gaan, dat echter is afgelast omdat het norovirus is uitgebroken.

    De taferelen bij Erik en Aad thuis geven het gewone gangetje van het dagelijkse leven weer, die worden doorbroken door de gedachtenspinsels van Erik: wel of geen zaaddonor worden, kind wel of niet zelf opvoeden, stoppen alvorens het hele traject in te gaan, en de reacties van Aad en uiteindelijk Leonie daarop, waarbij de praktische bezwaren die Aad eerst had op Leonie lijken te zijn overgaan, en hij zich steeds liefdevoller toont.

    Leonie stopt het traject met Erik, waarna Sonja met hetzelfde verzoek komt. ‘We kenden elkaar al zo lang, we mochten in herhaling vervallen’ is dan een zinnetje met een dubbele lading. Alleen zou het nu een co-ouderschap worden met Erik en Aad als vaders en Sonja als moeder. Reactie van Aad: ‘Begint het weer’, maar in tegenstelling tot de vorige keer, met Leonie, is hij nu ‘heel enthousiast’ en zegt: ‘Nooit gedacht, en toch gekomen!’

    Er komt echter iets tussen: een knobbeltje op Eriks testikels, dat wijst op aderverkalking en lui zaad. Aad schiet weer in de modus dat het voor hem niet meer zo hoeft, een baby. Ook Erik lijkt opgelucht, als blijkt dat Sonja inmiddels een vriend heeft. Ze raakt snel zwanger.

    Beeldende taal
    Het boek is geschreven in een mooie, beeldende taal: ‘Ik sprak met een stem die niet bij mij hoorde, onpersoonlijk en politiek, alsof er zwaluwen zaten op de verbindingslijn tussen mijn hersenen en de spieren van mijn tong.’ Of: ‘een lijf dat in haar rolstoel eruitzag als een stapel slordig opgevouwen handdoeken’.
    Deze omschrijvingen raken de sfeer in het verzorgingshuis trefzeker, zoals ook details als het geborduurde landschapsschilderij naast een kamerdeur op de gang, of de gewoonte die sommige oude(re) mensen hebben om hun hand boven de hoorn van een vaste telefoon te houden en hem zeven keer over te laten gaan; denk niet, dat ik het niet druk meer heb …

    Tegenover het nieuwe leven waar aldoor over wordt gesproken, staat de dood in De Tijdstroom. De dood sluipt overigens ook hun huis en buurt binnen: poes Mia sterft, de buurman (loert hij nu op ze, of Erik op hem?) overlijdt – en dat laatste is misschien een beetje te veel van het goede; alsof hij het verhaal wordt uitgeschreven, zoals een personage uit een film.

    Al met al kunnen we spreken van een geslaagd, tragikomisch debuut dat soms doet denken aan de boeken van Kees ’t Hart.

     

     

  • Het zijn de mensen

    Het zijn de mensen

    Dit is een mensenboek; een boek over de bevolking, geschiedenis, kunst en literatuur van Iran. ‘De warmte en zachtheid van de Perzen heeft me vanaf mijn eerste bezoek diep geraakt’, noteert schrijver, fotograaf en reiziger Alexander Reeuwijk (1975) in zijn inleiding. In 2003 reisde hij voor ’t eerst naar Iran, tien jaar later ondernam hij de reis weer. Nu vanuit Istanbul naar Teheran, Isfahan, Shiraz, Persepolis, Bam en het hart van het land: Yazd. Op een kaartje voor in het boek kun je de reis volgen, foto’s van de auteur zelf in het hart ervan laten het je zien.

    Er is veel gebeurd in de tussentijd tussen de eerste en de laatste reis. Het valt Van Reeuwijk op dat de Iraniërs door de ogen van de ander, bijvoorbeeld een Nederlandse reiziger zoals hij, naar zichzelf kijken. De auteur ervaart dit als ‘misschien wel het toppunt van beschaving’. En, klinkt het uit de mond van een Iraniër zelf: ‘Iran is mooi en je zult echt versteld staan van de mensen’. Weer die mensen.
    Mensen die, zoals Van Reeuwijk stelt, een groot bewustzijn hebben ‘van de plaats van Iran in de wereld en hun plaats in Iran’. Al kun je het als lezer niet nalaten soms diepere lagen te vermoeden onder wat hij sec noteert. Zouden bijvoorbeeld bij neuscorrecties niet alleen esthetische, maar ook antisemitische ressentimenten wel eens een rol kunnen spelen? Hoewel Van Reeuwijk niet verheelt dat mensen voor de zekerheid willen weten of hij ‘echt niet uit Amerika of Israël komt’. Zo diep zit het.

    Verfijnde cultuur
    Niet alleen naar mensen zelf, maar ook wat zij voortbrengen aan kunst en cultuur gaat Van Reeuwijks aandacht uit. Naar ‘de rijke geschiedenis die terug te vinden is op iedere hoek van de straat, de relaxte theehuizen in combinatie met de verfijnde hoogtepunten van islamitische architectuur’. Hoewel de theehuizen onder invloed van de religieuze politie steeds vaker worden gesloten, zoals hij elders schrijft. En hoewel op deze manier alleen de elite aan het woord komt.
    Ook de poëzie passeert in het boek de revue. Met name die van mystici als Roemi, Omar Khayyam en Hafez. Het valt Van Reeuwijk op, ‘dat in de gedichten veel wordt gedronken, gezongen, de liefde bedreven en verlangd. Niet de meest voor de hand liggende activiteiten die ik in eerste instantie verwacht in islamitische poëzie’. Maar dat geldt natuurlijk ook voor andere oosterse literatuur, zoals het Bijbelboek Hooglied.

    Niet dat de mystieke literatuur Van Reeuwijk direct heeft beïnvloed. Daarvoor is hij toch eerder te rade gegaan bij het werk van V.S. Naipaul en, wat de filosofie betreft, Edward Saids boek Orientalism. Bij het luisteren naar Mahlers derde symfonie, op tekst van onder andere Nietzsche, trekt nog een keer een maand Iran aan Van Reeuwijks geestesoog voorbij: ‘De moskeeën van Isfahan, de Meden en Perzen van Persepolis, de geïmplodeerde citadel van Bam, de lemen stad hier aan mijn voeten en de mensen … Ja, het zijn de mensen. Even ben ik volmaakt gelukkig’.

    Een land als alle andere
    Van Reeuwijk is haast oosters hoffelijk tegen zijn gastheren en –vrouwen, maar spreekt wel een medegast in een hostel tegen, wanneer deze meent dat Iran een sterke leider nodig heeft. De auteur behoort niet tot de categorie mensen die in de ban is van de As van het Kwaad, waartoe Iran wordt gerekend. Slechts een enkele keer overvalt hem een zekere angst.
    Hij beschrijft zowel de lofzang op Iran als zijn – bescheiden – kritiek in raak getroffen woorden. Dan weer bewonderend, dan weer met humor. Vol overgave, met een zekere gelatenheid ook. Het boek brengt de lezer dichter bij het dagelijks leven van een land dat de meeste lezers vreemd zal zijn of ze zouden het moeten kennen uit een boek als Standplaats Teheran van Carolien Omidi. Het zijn deze schrijvers die laten zien dat Iran ook een land is als andere landen.

     

     

     

  • Oogst week 23

    Wat kwam er binnen op de redactie van Literair Nederland? In de Oogst elke week een kort overzicht.

    Door Carolien Lohmeijer

    Els Launspach geeft les aan de Theaterschool in Amsterdam. Tekstanalyse, dramatische structuur, opbouw van de personages, dieptewerking en historische achtergronden. Ook schrijft zij (jeugd)romans en essays. Jonker gaat over de succesvolle architect Jonker Duivendal die plots merkt dat belangrijke opdrachtgevers zijn eigenzinnige aanpak niet langer waarderen en zijn familie hem laat vallen. Gealarmeerd gaat hij op onderzoek uit. Hij begint brieven te lezen die zijn moeder Beth heeft bewaard, in de hoop iets te vinden waardoor hij de situatie gaat begrijpen. Langzaam wordt hem duidelijk dat het familieconflict een gevolg is van de politionele acties in Indonesië. Hij kan die ontdekking echter niet met zichzelf verbinden.
    Jonker, Els Launspach, Uitgeverij In de Knipscheer, 336 pagina’s, € 19,50

     

    Viva l'ItaliaIn zijn inleiding van Viva l’Italia schrijft Italiëliefhebber Johannes van der Sluis over de grote aantrekkingskracht van Italië op toeristen. Maar: ‘Dat de realiteit soms de fantasie logenstraft, wordt vooral door buitenlanders voor lief genomen of genegeerd, het is immers Italië. De corruptie, de georganiseerde misdaad – geromantiseerd in films –, de xenofobie, de vervuiling, de kitsch van de Italiaanse televisieprogramma’s, de schaamteloze lelijkheid en letterlijke en figuurlijke duisternis van de stedelijke periferie; de charme wint het van de schaduwzijden.’

    Verderop vertelt hij: ‘In korte misdaadverhalen in Viva l’Italia, waarbij ‘misdaad’ ruim moet worden opgevat, en die zich afspelen in de twintig regio’s van het land, komen bekende facetten van Italië voorbij, maar het is vooral een onderzoek naar het eigene van de verschillende regio’s, het onbekende, het perifere en soms duistere. De schaduw in plaats van de zon dus.’
    Viva l’Italia, Johannes van der Sluis, Uitgeverij Kleine Uil, € 15,-

     

    Een volstrekt nutteloos mensOok in de verhalenbundel van Jori Stam zijn ogenschijnlijk onschuldige situaties niet altijd wat ze lijken: van absurde taferelen in polderdorpen tot misantropie en waanzin in de stad.

    Jori Stam (1987) schreef met Een volstrekt nutteloos mens zijn debuut. Eerder publiceerde hij verhalen in verschillende literaire tijdschriften. Hij groeide op in de polder en studeerde Nederlandse taal en cultuur in Amsterdam. Zijn verhalen verschenen in verschillende literaire tijdschriften.
    Een volstrekt nutteloos mens, Jori Stam, Uitgeverij Atlas Contact, €19,99

  • Recensie door: Margo Zuidema

    Recensie door: Margo Zuidema

    De roman Blauw gaat over relaties in een mannengemeenschap. ‘Je hebt literatuur waarin homo´s voorkomen, en je hebt homo-literatuur waarin homo’s voorkomen. Literatuur waarin geen homo’s voorkomen heb je ook, maar homo-literatuur waarin geen homo voorkomt, bestaat niet.

    Homo-literatuur gaat over homo’s, richt zich tot homo’s en wil ? ondanks alle goede bedoelingen ? maar niet loskomen van homo’s. Die homo-literatuur heeft de neiging alles tot in de nauwste bilspleet expliciet te maken’, aldus Max Pam in HP/De Tijd, 17 mei 2007.  

    Blauw, debuutroman van Doek Sijens voldoet aan de omschrijving van Max Pam van homo-literatuur. Enkele voorbeelden van expliciete omschrijvingen in Blauw:

     ‘Hij was net uit bed en stond naakt voor de computer. Zijn prachtige volle billen, die hij lichtelijk gespreid had, leidden mij af. Ik overwoog ook op te staan en mijn vinger in zijn anus te duwen, zoals ik een keer eerder had gedaan. Het was voor hem een totaal onbekende sensatie, waar hij zich nog niet aan durfde over te geven.’

     ’Ik had het eerst met een vinger geprobeerd, daarna met twee. Simon riep voortdurend dat hij er klaar voor was en dat ik door moest gaan. Hij lag op zijn buik met gespreide benen. Over zijn schouder keek hij toe hoe ik een condoom omdeed. Ik gebruikte ongeveer een halve fles glijmiddel voordat ik begon aan wat al spoedig een hopeloze missie bleek. Hij schreeuwde van de pijn zodra ik enige druk zette en moedigde me vervolgens aan om verder te gaan.’

    Wouter, een veertiger, hoofdpersoon in  de roman Blauw tobt met relaties. Zijn vriend Nick is 6 maanden geleden voor een promotieonderzoek naar Italië vertrokken. Sinds die tijd bestaat hun contact uit één oppervlakkig mailtje per week.  Wouter heeft ondertussen na een paar tijdelijke contacten Simon ontmoet, een getrouwde man met twee kinderen, die voor zijn vrouw verborgen houdt dat hij verliefd is geworden op een man.

    Simon vertelt Wouter dat hij van hem houdt. Deze voelt zich gevleid, maar beseft tegelijkertijd dat  hij  nooit verlost zal zijn van het thuisfront van Simon…

    Simon leidt nu een dubbelleven, maar Wouter vindt niet dat hij daar verantwoordelijk voor is. De prille relatie belemmert Wouter niet om een one night stand met student Eric te hebben en kort daarna tegen Simon te zeggen: ‘Ik wil je voor mezelf hebben. Het kan me niet schelen hoe je het aanpakt, maar als je met mij door wil gaan, moet je bij haar weggaan.’

    De roman wordt vanuit Wouter verteld; gevoelens worden meegedeeld, maar niet invoelbaar gemaakt. Sijens doorspekt zijn verhaal met opmerkelijke conclusies, bijvoorbeeld over wat hij ziet: ‘De grafzerken waar ze (de kippen) over liepen, waren gebroken. Dichtbij de deur zag ik een brokstuk waarop ik het woord ‘eeuwig’ kon ontcijferen. Deze man was in de negentiende eeuw overleden in de verwachting dat het bestaan pas na zijn dood perfect zou worden.’  En over zichzelf: ‘Luisterend naar de vogelgeluiden herkende ik ook de wielewaal. Mogelijk was het toch beter me op een hobby te storten of een studie te beginnen in plaats van relaties gaande te houden.’

    Tijdens een fietstocht met vriend Jonas breekt onweer uit. De twee mannen zoeken een schuiladres: ‘Tussen het groen zagen we rode dakpannen uitsteken ‘Daar moet een huis staan,’ riep ik opgetogen. De schuilplaats nodigde uit tot bezinning; ik moest echt meer voor mezelf opkomen, mijn leven zelf ter hand nemen.’

    Relatieproblemen als verhaalthema, of het nu om homoseksuele of heteroseksuele relaties gaat, kan een boeiende roman  opleveren. Maar in Blauw raak je als lezer snel geïrriteerd door de egocentrische Wouter die zich voortdurend afvraagt: Hoe kom ik over? Het uiterlijk telt, het karakter speelt geen rol. Wouter toont geen empathie. Na een vrijpartij met Simon overdenkt Wouter de complicaties van een relatie met Simon. ‘Zijn zonen zouden hem haten omdat zij wisten dat ik hun ouders uit elkaar had gedreven. Bovendien voelde ik er niet voor om hen met Simon te moeten delen en met ze naar de dierentuin te gaan of naar een voetbalwedstrijd.’

    ‘Toen het tot mij doordrong dat Simon niet snel zou scheiden, dat hij de zorg voor zijn vrouw bleef houden, begreep ik dat ik naar Nick terug moest gaan. Ik zag het als een juiste stap, een stap die ik al veel eerder had moeten zetten. Met Simon was ik in een moeras beland. Ik liet hem in de steek, juist nu hij in zo’n moeilijke positie verkeerde, maar ik kon niet anders.’

    Wouter reist af naar Italie. Daar krijgt de liefdesgeschiedenis een onverwachte wending. Het laat je  als lezer echter koud. 

    Blauw is de debuutroman van Doeke Sijens (’55). Samen met Coen Peppelenbos schreef Sijens twee gay-soaps. Eerder verscheen van Sijens  de verhalenbundel Friese Jongens. Ook publiceerde hij in het Fries een essaybundel en een biografie. 

    Blauw

    Auteur: Doeke Sijens
    Verschenen bij: Uitgeverij Kleine Uil
    Prijs: € 16,50