• De strijd om het bestaan in koloniaal Marokko

    De strijd om het bestaan in koloniaal Marokko

    Ik kan niet met een kristallen pen schrijven. Voor mij is schrijven een protest, geen parade’ (Mohamed Choukri).

    Het verhaal achter het ontstaan van het autobiografische debuut van de Marokkaanse schrijver Choukri is opmerkelijk genoeg om er even bij stil te staan. Hij schreef het boek in 1973 op aandringen van de Amerikaanse emigrant Paul Bowles. Samen zetten ze de Arabische tekst gelijktijdig om in het Engels, hoewel Bowles het Arabisch niet beheerste. Onder de titel For bread alone verscheen het boek datzelfde jaar nog bij een Londense uitgever, terwijl de Arabische versie aanvankelijk door diverse uitgevers geweigerd werd. Een kleine tien jaar later werd het boek pas in de originele taal gepubliceerd, op kosten van Choukri zelf. Daarmee is het verhaal nog niet afgelopen, want het boek had in Marokko tot het jaar 2000 te maken met censuur vanwege de onomwonden seksscènes. Pas na geruime tijd kwam ook in eigen land de erkenning dat de autobiografie van Mohamed Choukri een belangrijk commentaar vormde op de erbarmelijke omstandigheden in het koloniale Marokko van halverwege de 20e eeuw.

    Een verloren jeugd
    Hongerjaren werd recent voor de vierde maal in het Nederlands uitgegeven, in een herziene vertaling. Wereldwijd zijn er meer dan een miljoen exemplaren verkocht. Blijkbaar is de aantrekkingskracht van het boek op een internationaal lezerspubliek groot. En dat terwijl Hongerjaren barstensvol ellende staat. Het boek valt meteen met de deur in huis en alleen al in de eerste alinea komen woorden als huilen, slaan, dood, honger en oorlog voor.

    Mohamed Choukri groeit op bij een gewelddadige vader en een machteloze moeder. Hij moet al vroeg allerlei werk doen om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Hierdoor komt hij op jonge leeftijd in aanraking met alcohol en hasj (kif genoemd, nog steeds een belangrijk exportproduct van Marokko). Ook met zijn seksuele verlangens moet de jongen zelf maar leren omgaan. Dit leidt tot voyeurisme, uitspattingen en veel prostitutiebezoek, terwijl de verteller bijvoorbeeld pas op veel latere leeftijd ontdekt dat vrouwen menstrueren. Hij moet kortom volwassen zijn zonder het eerst te kunnen worden.

    Een toekomstperspectief heeft de ongeletterde ik-persoon niet, een geschiedenis nauwelijks. Afkomstig uit de noordelijke bergstreek de Rif zwerft hij, nadat hij zich heeft losgemaakt van zijn ouders, jarenlang als een nomade door de verschillende steden van Marokko. Hij leeft van het ene moment in het andere.

    Deze ontheemdheid in tijd en plaats wordt in Hongerjaren prachtig vormgegeven doordat het boek op dezelfde manier verloopt. Je wordt als lezer middenin de situatie geplaatst. Van context is nauwelijks sprake. Uit het niets duiken personen op die vervolgens ook weer volkomen verdwijnen, uit het blikveld van de verteller. Telkens veranderen de omstandigheden en in het tijdsverloop zitten gaten die niet worden aangeduid of verklaard. Zo is er ineens een hoofdstuk waarin peseta’s niet langer het betaalmiddel zijn, zoals in de rest van het boek, maar franken. Blijkbaar is Mohamed Choukri hier in een streek beland die onder Franse invloed staat. Op een ander moment raakt hij min of meer per ongeluk betrokken in een volksopstand. Zijn achtergrondkennis bestaat uit wat hij net in een café heeft opgevangen en meteen daarna zit hij er middenin, om het oproer aan het einde van het hoofdstuk ook weer helemaal achter zich te laten. Zo ervaar je als lezer iets van de beperkte blik en de desoriëntatie van de hoofdpersoon, die aan zijn eigen strijd om te (over)leven genoeg heeft.

    Toch is het boek meer dan enkel miserie. De toon van Hongerjaren is neutraal en open. Het boek is direct, confronterend, maar eigenlijk nooit klagend. Choukri laat zichzelf aan de ene kant als analfabeet zien zonder enige opleiding maar ook als iemand met oog voor schoonheid en met het vermogen van reflectie, al is het nog zo kort. Juist te midden van deplorabele omstandigheden komen regels als deze bijvoorbeeld sterker binnen: ‘Op de dag van ons vertrek dacht ik aan het graf van mijn broer. Zijn graf zou niet meer begoten worden, zonder bloemen en zonder steen zou het achterblijven. Het graf van mijn broer zou langzaam verdwijnen, zoals al het kleine tussen de grote dingen verloren gaat.’

    Honger naar een beter leven
    Het is verleidelijk om een relatie te leggen tussen het geschrift van Choukri en de actualiteit, zoals ook wel gebeurt. Zegt Hongerjaren iets over de volksaard van Marokkanen, of over de Arabische wereld in het algemeen? Zeker is dat deze autobiografie uitstijgt boven het ervaringsverhaal van één persoon. Het heeft zeggingskracht als het aankomt op de situatie in Marokko ten tijde van de overheersing door de koloniale machten Spanje en Frankrijk.

    Maar aan Hongerjaren wordt geen recht gedaan wanneer het wordt beschouwd als munitie voor hen die menen dat de waarden en de cultuur van moslims onverenigbaar zijn met het leven in de Westerse wereld. De Islam speelt nauwelijks een rol in het Marokko dat Choukri beschrijft. Het verhaal gaat niet over primitieve moslims of vermeende religieuze achterlijkheid. Het boek is een opstand tegen een samenleving waarin complete generaties geen uitzicht hebben op een waardig leven in hun eigen land. Dát is inderdaad nog steeds actueel. Tussen de regels door schetst Chourki hoe er vanuit die sociale onvrede een voorzichtig nationaal besef ontstaat en, hand in hand daarmee, een nog voorzichtiger hang naar een religieuze identiteit. Het zijn kiemen van verzet tegen Europese machtshebbers die het land niets te bieden hebben.

    Hongerjaren verdient het nog steeds om gelezen te worden, hoewel zij die niet al te veel narigheid kunnen hebben gewaarschuwd zijn. Het boek is een eerlijk en rauw relaas maar biedt tegelijk meer dan een kale registratie van wat er is voorgevallen. De manier waarop Choukri zijn verhaal brengt laat de weldoorvoede Westerse lezer iets ervaren van wat het betekent om een uitzichtloos bestaan te leiden in armoede. Juist het ontbreken van de gebruikelijke schets van setting en achtergronden, van een literaire opbouw, van uitgewerkte personages, van duidelijke oorzaken en gevolgen, is hier de vorm waarmee de schrijver zijn protest tot leven brengt. Het resulteert in een aantal intense passages en een boek dat je moeiteloos in zijn greep houdt.

    Tegen het einde van Hongerjaren wordt de ik-persoon geraakt door enkele versregels van een Tunesische vrijheidsdichter: ‘Als op een dag het volk het leven wil, dan kan het Lot niet weigeren, en zal de nacht zeker verdreven worden, en de boeien verbroken...’ (Abou El Kacem Chaabi).

    Hij begrijpt de woorden niet maar voelt ze wel. Langzamerhand ontwaakt in hem het verlangen om te leren lezen en schrijven. Om zodoende zelf zijn geschiedenis te kunnen vormgeven en meester te worden van zijn eigen verhaal.

  • Recht op drie orgasmen en zes keer hoofdpijn

    Recht op drie orgasmen en zes keer hoofdpijn

    ‘Misschien wel het moeilijkste van vertellen over het leven in het AZC is om de tijd te laten bewegen’.
    Met die zin begint hoofdstuk 58 van Hoe ik talent voor het leven kreeg, een schrijnend, maar ook wonderlijk relaas van een verblijf van negen jaar in een Nederlands asielzoekerscentrum. Auteur Rodaan Al Galidi weet waar hij het over heeft. Hij is een bouwkundig ingenieur die in 1998 in Nederland asiel vroeg nadat hij Irak ontvlucht was om te ontkomen aan de dienstplicht onder Saddam Hoessein. Zijn verzoek werd afgewezen, maar hij mocht uiteindelijk toch blijven omdat hij in 2007 kon profiteren van het generaal pardon. Dat werd in 2007 verleend aan asielzoekers die geen strafblad hadden en sinds 1 april 2001 (op die datum was een nieuwe Vreemdelingenwet ingevoerd) ononderbroken in Nederland verbleven.

    De genoemde data en feiten kloppen met die van de hoofdpersoon uit Hoe ik talent voor het leven kreeg. Toch noemt Al Galidi zijn boek nadrukkelijk een roman: ‘De verteller in dit boek ben ik niet zelf. Het is iemand die ik Semmier Kariem heb genoemd. Zo kon ik de schrijver blijven, zonder hoofdpersoon te zijn. Misschien zal mij gevraagd worden of dit mijn verhaal is. Dan zeg ik: nee. Maar als mij gevraagd wordt: Is dit ook jouw verhaal? Zeg ik volmondig: ja.’

    Semmer Kariem verbleef alles bij elkaar negen jaar in een Nederlands AZC. Daarvóór had hij er al een jaar omzwervingen door Zuidoost-Azië op zitten. Die zijn in flashbacks door het AZC-verhaal geweven.

    Wachten
    Inderdaad: ‘de tijd te laten bewegen’ is een heksentoer in negen jaar wachten, wachten, wachten. Dagelijks wachten op de tijd dat je aan de beurt bent om je te melden; wachten, soms jaren lang, op post van de Integratie- en Naturalisatie Dienst (IND) die beslist of je asiel krijgt. En dat wachten dan met drie anderen op een klein kamertje. Het wachten is je hoofdbezigheid, want werken mag je niet. Nederlandse les volgen evenmin. Daarom leerde Al Galidi zichzelf de taal door kinderboeken te lezen. Het heeft intussen geleid tot diverse gedichtenbundels, romans en verzamelingen van columns, waarin hij er blijk van geeft een scherpe observator te zijn van Nederland en zijn bevolking. Des te wonderlijker is het dat hij, kort na in 2011 te zijn gelauwerd met de Literatuurprijs van de Europese Unie, zakte voor zijn inburgeringstoets.

    Evenzeer verwonderlijk is dat Hoe ik talent voor het leven kreeg geen zwaarmoedig boek is. Integendeel: het is in al zijn tragiek van miscommunicatie, verlies van identiteit en zin van het leven, vernederingen en onvermogen tot werkelijk contact óók een erg licht en humoristisch boek.

    Post
    Om met die tragiek te beginnen: onmiddellijk bij binnenkomst in ons land is er al de cultuurclash die de asielzoeker in zekere zin een kunstmatige identiteit opplakt. Zo krijgt Kariem zijn naam van de IND tijdens het eerste verhoor (Al Galidi gebruikt de term ‘gehoor’). Er wordt hem naar zijn achternaam gevraagd, maar in Irak heet iemand naar zijn vader en grootvader; in dit geval Semmier Hamza Kariem (respectievelijk zijn voornaam, de naam van zijn vader en die van zijn opa). Daar maakt de IND dan de achternaam Kariem van. Ook zijn geboortedag krijgt hij toegewezen door de IND (geboortedagen worden in Irak niet geregistreerd; wel is er een ‘officiële verjaardag’). Maar het kan erger. Kariem vertelt in de roman het verhaal van een medebewoner van het AZC die al jaren lang elke ochtend controleert of er post is van de IND. Voortdurend is er een ‘nee’ van de postkamer. Zonder toelichting. Ten prooi aan twijfel begint hij na te vragen of zijn naam nog wel ‘in het systeem’ staat. Maar er is niemand van het AZC-personeel die op onderzoek uit gaat. Hij moet gewoon geduld hebben. Geduld. Wachten. Wachten tot je zelfs begint te twijfelen of je voor de overheid nog wel bestaat.

    Tandarts
    Zoals gezegd: de roman staat ook bol van de humor. Zoals de kromme conversaties in wat Kariem ‘het Asielzoekers’ noemt, een brabbeltaal die een mix is van begrippen en woorden die men van elkaar opvangt en van krakkemikkig Nederlands en Engels: ‘een AZC is namelijk één groot misverstand tussen de asielzoekers onderling en tussen de asielzoekers en de Nederlanders die er werken.’

    Humoristisch verteld zijn ook de trucjes die asielzoekers onderling uithalen om de verveling te verdrijven of te ontsnappen uit Nederland. Inderdaad: ‘ontsnappen’, want als je hier geregistreerd bent kun je niet meer naar een ander land waar asielprocedures sneller werken.

    De regels van het AZC werken al evenzeer op de lachspieren. Zo word je met een ontstoken tand pas naar een tandarts gestuurd als er tenminste drie patiënten zijn. Dus zoekt de man met kiespijn een lotgenoot en nog een derde. Iemand met een puik gebit die niettemin bereid is een pijnlijk gezicht te trekken maakt het trio compleet.

    In het AZC wordt overigens paracetamol verstrekt als een panacee tegen alle klachten. Er geldt een rantsoen voor, net als voor condooms: drie condooms per dag en twee paracetamol per acht uur. Wat Kariem tot de cynische conclusie brengt: ‘Dat houdt dus in dat een asielzoeker het recht heeft op drie orgasmen per dag en zes keer hoofdpijn.’

    Jezus
    In de roman maken we uiteraard ook kennis met de handel in mensen en paspoorten, vooral als we Kariem volgen op zijn weg door Azië. Maar de handel is er ook voor de poort van het AZC. Daar worden voetbaltalenten en prostituees geronseld. En er is de hilarische passage van het kerkgenootschap dat Bijbels in alle talen slijt om de asielzoekers tot Jezus te brengen, waardoor bij veel van hen het idee ontstaat dat bekering je sneller aan een verblijfsvergunning helpt.

    Tussen de regels door krijgen we als Nederlanders in Hoe ik talent voor het leven kreeg ondertussen een spiegel voorgehouden. Over onze gewoontes (ook de goedaardige trouwens) en over onze vermeende tolerantie en hulpvaardigheid. Een mooie passage daarover: ‘Laat de Hollander zelf bedenken wat je nodig hebt. Dan doet hij zijn best het voor je te regelen en heeft hij het gevoel dat hij jou gered heeft. Dat hij het opgelost heeft voor jou. Als je hem vertelt wat je wilt, dan wordt hij geïrriteerd dat hij voor jou werk moet doen en twijfelt hij of je eerlijk bent of niet.’ Al Galidi heeft niet alleen een inkijk in een AZC gegeven, maar ook een leerzaam boek geschreven.

     

     

  • Marokkaanse portretten

    Marokkaanse portretten

    Is dit een roman? Dat staat weliswaar nadrukkelijk op de omslag vermeld, maar het boek laat zich moeiteloos lezen als een reeks losse schetsen. De inhoudsopgave oogt als de opsomming van een reeks verhalen.
    Wat hen bindt is in de eerste plaats de wereld waarin ze zich afspelen: Tanger, en dan meestal de zelfkant van die Marokkaanse stad pal tegenover Gibraltar, en in de tweede plaats de verteller, de ‘ik’ (in op één na alle hoofdstukken), en dat is Mohamed Choukri zelf. Of is dat laatste te kort door de bocht? Literatuurtheoretici willen niet dat we de auteur en de verteller gelijkstellen, ook al komen alle gegevens die de laatste over zichzelf presenteert, en dat zijn er in dit geval nogal wat (zelfs titels van gepubliceerd werk), overeen met wat we weten van de eerste.

    Gezichten is het laatste deel van een trilogie. Eerder verschenen al Hongerjaren (o.a. in 2007, Rainbow-pockets) en Jaren van dwaling. In april 2016 zal in de Berberbibliotheek een heruitgave verschijnen van Hongerjaren, Choukri’s debuut, dat in 1973 in het Engels en pas later in het Arabisch verscheen. In Marokko, het land van herkomst van Choukri, werd het verboden. Internationaal werd het een bestseller. Gezichten is het laatste boek dat Choukri publiceerde. Het verscheen in 1996.

    Verloren paradijs
    Ongetwijfeld is Gezichten voor hen die de andere delen van de trilogie kennen een ander boek dan voor iemand die onvoorbereid begint te lezen. De laatste treft in dit boek veertien verhalen aan vol drank en armoede, vol levensmoed en berusting. Verwacht geen Carmiggelt. Daar is de verteltrant te meedogenloos voor. We ontmoeten overlevingskunstenaars, verslagenen, hoeren, junkies, thuislozen en criminelen. In hun midden de verteller, tegelijk één van hen en buitenstaander. Het is ál desillusie en uitzichtloosheid wat de klok slaat.
    Alleen het laatste hoofdstuk, ‘Mijn gezicht in de jaargetijden’, wijkt af. Daarin geeft de verteller een soort apologie van zijn bestaan, of laten we zeggen: een uiteenzetting van zijn levenshouding. Of is het een samenvatting van een door schade en schande verworven levenswijsheid? De moed der wanhoop; de weigering om het verleden te betreuren; de vervulling van het schrijverschap; het leven van een poète maudit. Nogal wat gemeenplaatsen, maar wel doorleefd.

    Wat alle verhalen, dus ook dat laatste, gemeen hebben, is het grimmige levensgevoel van mensen die weten dat ze weinig te verliezen hebben en dat dat weinige toch nog veel is – vergeleken bij wat hun te wachten staat indien ze zelfs dat weinige kwijt zouden raken. De blik waarmee de verteller de geportretteerden én zichzelf beschouwt, doet soms denken aan de tegelijk genadeloze en empathische blik van de verteller van Céline’s Reis naar het einde van de nacht. De burgerman huivert.

    Misschien moeten we Tanger als hoofdpersoon van dit boek beschouwen. ‘Tussen haar verleden en haar heden ligt een verloren paradijs’, zegt de verteller en die gedachte verklaart misschien de melancholie die hier en daar uit de verhalen spreekt en die de hardheid van de verhalen verzacht.

    Literatuur
    Choukri’s biografie wordt getekend, aldus alweer het voorwoord, door zelfdestructie, verblijf in psychiatrische inrichtingen, een arme, ongeletterde jeugd en de vriendschap met Paul Bowles. Uit de verhalen en de door de auteur zelf toegevoegde voetnoten blijkt ook zijn grote liefde voor de literatuur. De toewijding van de autodidact.

    Bijna elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door een gedicht. Of is het een notitie in de trant van het slothoofdstuk? De vorm is vrij, dus dat valt niet goed uit te maken. Deze inleidende opmerkingen zijn moeilijk te doorgronden. Een kleintje als voorbeeld: ‘Ik gok / om te winnen, al is het niet veel. / Dat is mijn verdienste. / De zee. Wat een zee! / zijn we er niet uit geboren en keren we er niet naar / terug? / De zee is onze moeder, niet onze vader.’ Dit is de proloog tot ‘Hammadi de gokker’, waarin een compulsieve gokker aan een droevig einde komt. De zee speelt daar geen rol in.
    Zijn deze gedichten soms ’typisch Arabisch’? Ontoegankelijk voor een West-Europese lezer? Geen beter hulpmiddel om de verwarringen van de multiculturele samenleving de baas te worden dan de literatuur. In dit boek ervaren we dat de condition humaine voor deze Marokkaanse schrijver niet anders is dan voor wie dan ook.

  • Mira Feticu over haar nieuwe roman Tascha

    Het klinkt als een scène uit een spannende film: zeven schilderijen gestolen uit de Kunsthal van Rotterdam, de waarde van de werken ligt boven een miljoen euro. Lang zijn ze zoek, tot het spoor naar Roemenië leidt. Daar zou de moeder van één van de vermeende daders de kunstwerken in het vuur geworpen hebben. Maar of de schilderijen daadwerkelijk tot as zijn vergaan, nog ergens begraven liggen of aan iemands muur pronken – het is nog steeds een raadsel.

    Mira Feticu (Breaza, Roemenië, 1973) hoort het nieuws vol verwondering en volgt de ontwikkelingen nauwgezet. Ze is vooral geraakt door de vriendin van hoofdverdachte, Natascha, in de roman afgekort tot ‘Tascha’: door de Kunstroof kwam haar leven in een stroomversnelling. In zekere zin was het haar redding uit de prostitutie, het moment dat haar de ogen opende. Tascha legt een verborgen en pijnlijke wereld bloot. Maar voor Feticu is het duidelijk: dit verhaal moest verteld worden.

    Feticu debuteerde in 1993 als dichter, maar legde zich daarna toe op het schrijven van proza. In Roemenië werkte ze als programmamaker bij de nationale radio en verrichtte literair onderzoek aan de Roemeense Academie van Wetenschappen. Na haar verhuizing naar Nederland, tien jaar geleden, verscheen in 2012 een eerste Nederlandse verhalenbundel, Lief kind van mij, en in 2013 de roman De ziekte van Kortjakje.

    ‘De werkbeurs die ik voor Tascha gekregen heb, heeft mijn leven veranderd. Ik, een Roemeense, heb erkenning gekregen. Het Letterenfonds ziet mij, ik ben niet zomaar een stem die niemand hoort. De beurs heeft me iets van mijn identiteit teruggegeven. Niet alleen ik wil Nederland, maar Nederland wil mij ook!’

    En dat is een beloning waar Feticu hard voor heeft moeten werken. Want het was zwaar om een nieuwe taal te leren maar vooral om haar eigen taal achter zich te laten.

    ‘Het was zelfmoord,’ legt ze uit, ‘maar tegelijkertijd was er geen andere mogelijkheid. Ik kon niet met één been in mijn verleden blijven staan, ik moest schrijven in de taal waarin ik voortaan ook communiceerde. De Roemeense filosoof Emil Cioran, die ook veel in het Frans schreef, drukte het heel treffend uit: “ik liet een gebed achter, en kreeg er een contract voor terug.” Zo is dat voor mij ook precies. Ik heb met mezelf een contract dat ik in het Nederlands schrijf. Ik ben een andere Mira geworden, ik ben anders naar dingen gaan kijken. Ik begrijp ook niet alles in meer in Roemenië.’

    Dat gevoel van versplintering lijken meerdere schrijvers, die in een andere taal zijn gaan schrijven, te ervaren. Al snel komt het gesprek op Herta Müller, die tussen het Roemeens en het Duits laveert. In Roemenië interviewde Feticu haar voor de radio toen vrijwel niemand nog interesse in haar had.

    ‘Ik bewonder Herta Müller niet alleen om haar schrijverschap, maar om haar hele persoon. Zij is een van de weinigen die tegen het systeem, tegen de Securitate [de Roemeense geheime staatsveiligheidspolitie t.t.v. het communistisch regime], durfde te vechten. Zij heeft me geïnspireerd, zij heeft benadrukt hoe belangrijk karakter is. Zij durfde de waarheid te spreken op een moment dat vrijwel niemand dat deed. Ik heb een zwak voor mensen die naar zichzelf durven te luisteren, en anders durven te zijn.’

    In Tascha gaat het ook over iemand die zich aan de rand van de maatschappij bevindt. Op de vraag of ze een idee heeft waar die voorkeur voor zulke ‘outcasts’ vandaan komt, hoeft Feticu niet lang na te denken.

    ‘Ik houd niet van clichés. Je moet altijd naar je eigen stem luisteren. Ook ik heb me afgevraagd waar die obsessie met de waarheid vandaan komt, want ik doe er anderen pijn mee. Maar het heeft er mee te maken dat ik ben opgegroeid in een internaat, en daar verschrikkelijke dingen heb meegemaakt. Misbruik. De waarheid spreken, voor jezelf opkomen, was de eerste stap naar genezing. Je komt nergens als je alles onder het tapijt schuift. De geschiedenis heeft mij geleerd dat waarheid het allerbelangrijkste is. Daarom speelt het ook zo’n belangrijke rol in dit boek; Tascha moet voor zichzelf de waarheid boven tafel krijgen om haar leven op de rit te krijgen. Zoals Ortega y Gasset over Don Quichote zei: “de schellen moesten hem nog van de ogen vallen”. Zo is het met Tascha ook.’

    Wanneer Tascha met haar vriend Radu naar Nederland komt, is ze behoorlijk naïef. Ze gelooft Radu wanneer hij zegt dat ze zullen leven als koningen, dat zij – met haar mooie lichaam – gemakkelijk snel geld kan verdienen.

    ‘Of ik Tascha sympathiek vind? Dat weet ik niet. Maar ik heb een zwak voor slachtoffers, ik vind het belangrijk om in hun naam te spreken. Ik weet niet eens of Tascha doorhad dat ze een slachtoffer was, ze was zo arrogant en zo dom om te zeggen dat ‘de school van het leven’ haar leerschool was. Naar mijn gevoel heeft zij de roof nodig gehad om tot inzicht te komen. Ze was een meisje dat het leven niet begreep en dacht dat schoonheid de sleutel tot geluk was. Ik voelde me verplicht in haar naam te spreken. Om mij heen, op Facebook, zie ik nichtjes en andere vrouwen uit Roemenië die constant met hun uiterlijk bezig zijn. Ze zijn afhankelijk van anderen voor hun geluk. Dat vind ik zo jammer!’

    Op de vraag of ze denkt dat ze zelf ook in dezelfde valkuil had kunnen vallen, is Feticu stellig.

    ‘Eerlijk gezegd, nee. Ik weet dat de grens tussen iets van je leven maken en afhankelijk blijven in Roemenië erg dun is. Maar ik ben iemand die heeft geleerd om te overleven en te vechten. Gelukkig was mijn vader erop gebrand dat ik ging studeren, dat zorgde ervoor dat ik niet in allerlei rare situaties belandde. Ik ben trouw gebleven aan wie ik ben. Maar daarnaast heb ik ook kansen gekregen, heb ik geboft met de mensen op mijn pad. Ik kreeg de kans voor de radio te gaan werken. Ik bofte met mijn docent aan de universiteit van Boekarest, die bij me langskwam toen ik ziek was en mijn verwarming voor het hele jaar heeft betaald. En hier in Nederland net zo, de bibliotheek in Den Haag redde mij. Mijn Nederlands was nog niet zo goed, maar zij namen me aan. Ik was weer thuis, tussen de boeken. De literatuur gaf mij een nieuwe kans. Literatuur is troost, is redding, fantastisch, het is hoop, de toekomst, bijna een religie.’

    Literatuur is de grote constante in het leven van Feticu, schrijvers staan op een voetstuk. Hoe kijkt zij aan tegen haar eigen schrijverschap en de verantwoordelijkheid die het met zich meebrengt?

    ‘Ik ben vooral heel dankbaar dat ik mensen kan helpen door mijn verhaal te vertellen. Dat ze er troost uit putten. Ik geloof in mijn woorden, ik geloof dat ze een doel hebben. Mijn verhaal zoekt het woord in jou.’ Ze denkt even na, en zegt dan: ‘Ik kon Tascha’s verhaal niet onbesproken laten. Dan zou ik over alles moeten zwijgen: over Ceauşescu, over de honger, misbruik, alles! In Roemenië heerst eigenlijk zo’n zelfde drang om overal open over te spreken. Het verhaal van de Kunstroof werd in de Roemeense kranten breed uitgemeten. Compleet met namen en toenamen. De daders werden scherp veroordeeld, hun daad werd bestempeld als gebrek aan beschaving. In Nederland hield men zich meer op de vlakte, werd er minder een oordeel uitgesproken. Maar misschien zijn ze in Roemenië ook gewoon doorgeslagen in vrijheid na de Revolutie.’

    Dat het niet allemaal beter werd voor de generatie van na de Revolutie, in 1989, blijkt wel uit Tascha. Geen gouden bergen, maar een leven vol strijd. Is Tascha inderdaad een product van een tijdperk?

    ‘Dat heeft nog niemand aan me gevraagd, maar ik denk het wel. In het boek zegt de vader van Tascha tegen haar dat alles goed zou komen, omdat ze na de Revolutie geboren is. Want na de Revolutie heb je opeens vrijheid, je kunt vrij praten, hebt mogelijkheden. Maar zo was het niet, want revolutie is niet alleen vrijheid, maar ook chaos. Uit zo’n hausse komt Tascha voort – geen waarden meer, geen normen. Haar dorp was verlaten, de helft van de huizen stond leeg. Iedereen kwam er alleen maar om weer weg te gaan. Tascha komt niet uit een normaal gezin, ze is een erfgenaam van het communisme. En dat weegt in een mensenleven.’

    Dat het in het derde boek van Feticu over veel meer dan de Kunstroof gaat, moge duidelijk zijn. Toch wordt daar in de presentatie van het boek juist flink de nadruk op gelegd, in plaats van op mensenhandel, prostitutie. Is die ondertitel (‘De roof uit de Kunsthal’) een marketingstrategie?

    ‘Nee hoor. Ik heb mijn boek nu eenmaal geschreven met een staart in de werkelijkheid, waarom zou ik die ongenoemd laten? Die roof brengt het leven van Tascha aan het licht. Maar het is wel waar dat die ondertitel ervoor zorgde dat mijn boek veel aandacht kreeg, iedereen herinnert het zich nog. Ik heb er wel kritiek op gekregen – het boek zou te weinig over de Kunstroof gaan. Dan denk ik: misschien heb je de essentie niet begrepen.’

    Wat raadt Mira Feticu – behalve haar eigen boek natuurlijk – voor deze zomer aan?

    ‘Allereerst een paar klassiekers, die altijd met me meegaan: Marguerite Yourcenar, Jorge Luis Borges, Witold Gombrowicz. Van die laatste moet je vooral zijn dagboek lezen, prachtig! Ook heb ik Teju Cole ontdekt: een Amerikaan met Nigeriaanse ouders, die het helemaal gaat maken. En wat betreft Nederlandse literatuur? Ik lees heel veel vrouwen, Rascha Peper, Connie Palmen, Marja Pruis – de manier waarop zij biografieën schrijft! Daar kan ik nog veel van leren. De Nederlandse literatuur vind ik zo stoer, alleen al het feit dat de eerste briefroman werd geschreven door twee vrouwen in 1782, door Betje Wolff en Aagje Deken. Mooi dat ik daar nu ook deel van uitmaak.’

     

    Tascha. De roof uit de Kunsthal.
    Mira Feticu
    Uitgeverij Jurgen Maas
    pagina’s: 192
    Prijs: € 17,95

  • Oogst week 21

    Door Carolien Lohmeijer

    … Het vliegtuig zat tjokvol, ze zaten op de vierde rij. De twee politiemannen brachten haar voor de tweede keer in drie maanden naar Roemenië. Misschien dat ze nu een spoor zouden vinden van de gestolen schilderijen. Tascha was hun enige hoop om de doeken terug te vinden, begreep ze inmiddels. Maar had ze de vorige keer niet al de plek laten zien waar ze samen met de moeder van haar vriendje de doeken had begraven?…’

    De roman Tascha gaat over ‘de kunstroof van de eeuw’, de diefstal van zeven topwerken uit de Rotterdamse Kunsthal in 2012, maar ook over Tascha, de vriendin van de hoofdverdachte, die in Nederland haar lichaam verkoopt.
    Schrijfster Mira Feticu, Roemeense van geboorte heeft voor het schrijven van Tascha een werkbeurs van het Nederlands Letterenfonds ontvangen.

    Tascha. De roof uit de Kunsthal, Mira Feticu, Uitgeverij Jurgen Maas, presentatie 26 mei 19.00 uur, Paagman, Frederik Hendriklaan 217, Den Haag, 192 pagina’s, € 17,95

     

    LizzyEen bijzondere samenwerking tussen regisseur, schrijver en vertaler Martin Michael Driessen en dichteres Liesbeth Lagemaat, beiden auteur bij uitgeverij Wereldbibliotheek. Onder het pseudoniem Eva Wanjek hebben zij samen een roman geschreven over een kunstenaar en zijn muze die zich afspeelt in het bruisende Londen van de 19de eeuw, met zijn culturele elite, zijn bohémiens en zijn zelfkant. Lizzie ‘biedt zowel kostuumdrama en ‘Gothic horror’ als erotische en indringende psychologische scènes.’

    Lizzie, Eva WanjekUitgeverij Wereldbibliotheek, 464 pagina’s, € 24,95

     

    ZupheulHet nieuwe boek van Mike Boddé is er één voor de liefhebber. Het is voor Boddé zelf een reactie op zijn vorige boek Pil waarin hij schreef over de zwarte periode in zijn leven waarin hij depressief was. Zupheul, Febbo en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan heeft hij geschreven om zichzelf aan het lachen te maken. Of zoals hij het zelf schrijft: ‘Hij werd lijfsgewijs omvangrijk, huwde een rondborstige joopdraagster, plantte zich genoegzaamlijk voort, en tekende een kroniek op met betrekking tot zijn zwartgalligheid: Pil. Dit foliant ging vijftigduizend malen over de kooptoog.
    Zupheul, Febbo en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan is het tweede gewrocht van zijn hand.’
    Lachen, gieren, brullen? Dat is aan u. In ieder geval een aanstekelijk omslag!

    Zupheul, Febbo en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan, Mike Boddé, Uitgeverij Brandt, 196 pagina’s, € 15,-

  • ‘Het was alsof hij een muur kuste’

    ‘Het was alsof hij een muur kuste’

    ‘Het was alsof hij een muur kuste’

    Componist en schrijver Paul Bowles (1910 – 1999) werd wereldberoemd toen Bertolucci zijn roman The sheltering sky verfilmde. Hij speelde zelf een klein rolletje, als zichzelf: een oude westerling in Tanger. Naast zijn eigen werk legde hij in meer dan tien boeken de verhalen vast van de Marokkaanse verteller (en kunstschilder) Mohammed Mrabet (1936). Liefde met een lok haar (1967) was het eerste daarvan: een moderne roman gevoed door de orale traditie.

    Ooit werden verhalen verteld, door mensen van vlees en bloed, die ze uit hun geheugen opdiepten en op smaak brachten met fantasie en actualiteit. Literatuur was een verzameling gedeelde ervaringen. Dat is het soms nog, maar meestal gaat het om vastgelegde teksten, gestold op papier en bijgezet in boeken. En soms denken we dat daarmee iets verloren is gegaan, dat we willen terugvinden in culturen waar de orale traditie nog leeft. Bijvoorbeeld in Marokko. Bowles was een tamelijk ideale figuur om een brug te slaan tussen stem en schrift, oost en west. Hij woonde vanaf 1947 in Tanger, was geschoold componist en had dus oor voor verhalen. Bovendien keek en luisterde hij onbevooroordeeld naar uitingen van andere culturen – hij beschouwde zichzelf als reiziger: ‘Een belangrijk verschil tussen toerist en reiziger is dat de eerste zijn eigen beschaving accepteert zonder vragen; maar zo niet de reiziger, die hem vergelijkt met andere, en die elementen die hem niet bevallen verwerpt.’

    Tovervrouw
    Liefde met een lok haar is een roman, door Mohammed Mrabet verteld aan Paul Bowles en door hem opgetekend. Bowles was, geheel in lijn met zijn eigen werk, meer gefascineerd door het karige leven en de leegte van de woestijn, dan door Duizend-en-een-nacht-achtige sensualiteit en exotisme. Liefde met een lok haar is een sober verteld verhaal. Het speelt in Tanger en gaat over de 17-jarige Mohammed, die als barman werkt en woont in het hotel van de Engelsman Mr. David, met wie hij ook het bed deelt. Mohammed wordt echter verliefd op zijn overbuurmeisje Mina. Omdat hij er van overtuigd is dat de gevoelens niet wederzijds zijn, neemt hij zijn toevlucht tot een tovervrouw, die een haarlok van de aanbedene verwerkt tot een magisch middel dat de liefde ook van de andere kant op gang brengt. De twee betrekken een huisje en sluiten een huwelijkscontract bij de notaris. De wederzijdse families en Mr. David plus vriendenkring vieren het feest mee, maar tot een echt huwelijk komt het niet. Maar Mohammed betwijfelt of de met toverij verworven liefde wel echt kan zijn en Mr. David adviseert hem keer op keer om bij Mina weg te gaan voordat hij er gek van wordt. Drankmisbruik, achterdocht, overspel en valse beschuldigingen zijn het gevolg, en een scheiding is het resultaat. Mina vertrekt met haar kind en ‘Mohammed bleef bij Mr. David in het hotel, waar hij in de bar hielp, en ze waren allebei gelukkig’. Zo begint het laatste hoofdstuk, dat eindigt met de beschrijving van een ontmoeting, jaren later, tussen Mohammed en Mina. Een wrang slot.

    Bioscoop
    Liefde met een lok haar wordt verteld in kort aangebonden taal, verdeeld over 61 scenische hoofdstukken. Geen melodrama of talige arabesken, maar karige zinnen en stugge dialogen. Terwijl ze bij voorbeeld in de bioscoop zitten realiseert Mohammed zich hoeveel hij van Mina houdt, maar ook ‘dat ze nooit echte liefde voor hem kon voelen, omdat de toverspreuk die had vervangen door nepliefde.’ Als Mina later op de avond zegt: ‘Mijn hart houdt van jouw hart, Mohammed, en ik weet niet waarom,’ ziet hij daarin een bevestiging van zijn angst. Hoe hij dat ter sprake brengt? ‘Denk er niet over na, zei hij. Ze kusten elkaar en hielden elkaar stevig vast. Mohammed deed het groenige licht uit, waarna ze gingen slapen.’ Zo dus. Soms is de tekst zo droog dat het komisch wordt. ‘Die avond, toen Mohammed thuis kwam, kuste hij Mina, maar het was alsof hij een muur kuste.’

    Geest of handlanger
    Op één plek wekt de auteur de suggestie dat Mr. David probeert de werking van de toverij teniet te doen. Als Mohammed na de geboorte van zijn zoon dronken bij zijn hotel aankomt en uitgeput in bed valt, vertoont zich aan hem een verschijning – en of dat een geest is of een handlanger van Mr. David wordt in het midden gelaten: ‘Een helemaal in het wit geklede figuur kwam naar hem toe en zei: dat je altijd gezond moge blijven, Mohammed. Allah heeft je behoed voor veel kwaad. Binnenkort zul je een ander leven hebben.’

    Je kunt Liefde met een lok haar lezen als een verhaal over liefdespaniek in een samenleving die met liefde en hartstochten niet goed weg weet en veel bedekt met zwijgen. Je kunt het lezen als het verslag van een loyaliteitsconflict: trouw aan de westerse rijke relaxte Mr. David of de Oosterse arme verwarde Mina. Of je leest het als een tegenhanger voor alle rijk gestoffeerde exotische liefdesverhalen waar westerlingen zo graag bij weg zwijmelen: betaalde toverij brengt de magie van de liefde om zeep. Maar misschien kun je Liefde met een lok haar het beste lezen als een moderne roman, waarin de premoderne magische opvatting van liefde als een fatale macht in het hoofd van de hoofdfiguur botst met de moderne visie op liefde als een economische uitruil van geld, genegenheid en genot tussen weldenkende en calculerende burgers. In dat boek geeft de auteur Paul Bowles het woord aan vertelinstantie Mohamed Mrabet, die toevallig ook in de werkelijkheid rondliep en deels samenviel met zijn eigen hoofdpersoon. Ooit dan toch.

     

    Liefde met een lok haar

    Verteld door: Mohammed Mrabet
    Opgetekend door: Paul Bowles
    Vertaald door: Hester Tollenaar
    Voorwoord door: Asis Aynan
    Verschenen bij: Uitgeverij Jurgen Maas (2014)
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 14,95 (deel 5 in de Berberbibliotheek, onderdeel van de Schwob-reeks)

  • Opgesloten vogel

    Opgesloten vogel

    Via haar contactpersoon bij Vluchtelingenwerk komt de Iraanse hoofdpersoon in Postvogel in contact met de eigenaar van een architectenbureau. Hij biedt haar een stage aan en als ze die goed volbrengt, maakt ze kans op een vast contract. Als vluchtelinge is een vast contract de enige manier om een verblijfsvergunning te krijgen en ze probeert haar werk zo goed mogelijk te doen, maar dit is niet makkelijk.

    Het kost haar moeite om zich te concentreren op haar werk. Alles doet haar denken aan Iran. De herinnering aan haar kindertijd komt in flarden. Al die stukjes bij elkaar vormen een verhaal en tonen de reden waarom zij gevlucht is uit Iran. Haar herinneringen voeren terug naar haar vrouwelijke familieleden die in het verzet tegen de sjah zaten. Zij zelf had een bijzondere taak gekregen van haar tante, de vrouw naar wie ze het meeste opkeek. Als postvogel droeg ze in het diepste geheim berichten en afspraken over aan andere leden van de verzetsbeweging. Maar ze was nog jong en alles om haar heen beangstigde haar. Een oude winkelier gaf aan haar te willen helpen. Hij kon haar familie beschermen, maar in ruil hiervoor wilde hij alle informatie over de verzetsbeweging. Ze vertrouwde hem niet, maar kon er niets aan doen dat hij toch bepaalde dingen te weten kwam. Op een avond werd er bij haar thuis op de deur geklopt. Gewapende mannen op zoek naar haar tante drongen het huis binnen en verwoestten alles wat ze op hun weg vonden. Na de inval was niets meer hetzelfde.

    ‘Ik vluchtte weg van een leven dat zwarter was dan de dood. Het voelde alsof ik met mijn eigen handen mijn navelstreng doorknipte. Ik dacht aan een oplossing maar de navelstreng zat om mijn nek, er was geen verlossing. Ik dacht, als ik vlucht, ben ik vrij. Vrij van alles wat mij gevangen hield. Maar niets is minder waar. Ik voel me nog steeds een gevangene. Eerst dacht ik dat ik iets zocht, maar nu weet ik dat ik ben verdwaald.’

    Ze woont nu al enige tijd in Nederland als vluchtelinge, maar voelt zich hier niet veilig. Ze is continu op haar hoede en houdt zich gedeisd, bang om te worden teruggestuurd. Haar angst is terecht, op haar werk op het architectenbureau lijkt alles zich tegen haar te keren. Haar baas ontloopt haar en wil niet praten over de mogelijkheid van een vast contract. Haar stagebegeleider moet niets van buitenlanders hebben en hitst al haar collega’s tegen haar op. Hij intimideert haar en maakt racistische opmerkingen. Zij zegt er niets van, omdat hij haar stage moet beoordelen. Een negatieve beoordeling betekent dat ze geen vast contract krijgt. Jacob, een introverte, oude collega is de enige die haar lijkt te begrijpen. Hij voelt met haar mee en geeft aan dat hij samen met een bevriende advocaat andere asielzoekers heeft geholpen bij hun asielaanvraag. Hij belooft haar dat hij ook haar aanvraag zal tonen aan zijn vriend, zodat die kan bepalen of de pardonregeling op haar van toepassing is.
    Wanneer hij, kort voor het einde van haar stageperiode een hartaanval krijgt, is zij ten einde raad. Haar dossier ligt nog niet bij de advocaat en haar enige steun en toeverlaat ligt in coma in het ziekenhuis.

    De introductie over schrijfster Firoozeh Farjadnia op de achterflap van de roman maakt nieuwsgierig. Net als de hoofdpersoon in haar boek is zij een Iraanse vluchtelinge in Nederland en werkzaam bij een architectenbureau. Meteen vraag je je af of dit werk autobiografisch is. In een interview bij OBA live op 4 oktober jongstleden gaf de auteur te kennen dat Postvogel inderdaad autobiografische elementen bevat. Het relaas, zo meent ze, is echter niet alleen dat van haar, maar van vele generatiegenoten. Nergens in Postvogel wordt de hoofdpersoon bij naam genoemd. Deze anonimiteit versterkt het effect dat het verhaal niet slechts dat is van een enkel persoon, maar van vele anderen, vluchtelingen en generatiegenoten.

    Postvogel beslaat twee perioden uit het leven van een Iraanse vrouw. In afwisselende hoofdstukken vertelt de roman over de huidige situatie waarin de hoofdpersoon zich bevindt en over haar leven in Iran. De hoofdstukken uit het heden sluiten qua thema naadloos aan op een hoofdstuk uit het verleden. Nadat een persoon, object of situatie haar doet herinneren aan een gebeurtenis uit haar verleden, wordt het hoofdstuk over het heden afgesloten. Die herinnering uit haar Iraanse kindertijd wordt dan opgepakt en uitgewerkt in een volgend hoofdstuk.

    Deze roman geeft een indringend beeld van het leven in Iran en het leven als vluchtelinge in Nederland. Het is een zwaarmoedige roman die je bijblijft. Iedere pagina van Postvogel ademt een sfeer van wantrouwen. Ieder woord ondersteunt het gevoel van benauwdheid en bijna koortsachtig zoek je naar ruimte, een punt in het verhaal waar je even op adem kunt komen. Je leest verder en verder, net als de hoofdpersoon op zoek naar een sprankje hoop. De roman eindigt met een open einde, dat niet erg hoopvol lijkt en je blijft, net als de hoofdpersoon verslagen achter.

     

  • Leven in twee culturen

    Leven in twee culturen

    De schrijver van Gebed zonder eind, Asis Aynan is in Nederland geboren uit Marokkaanse ouders. Toen zijn moeder in 1980 uit Marokko vertrok met haar vier zoons om zich te herenigen met zijn vader, was zij in verwachting van hem.
    Aynan debuteerde in 2007 met het autobiografische Veldslag en andere herinneringen, in 2010 gevolgd door een feuilleton in NRC Handelsblad dat hij samen met Hassan Bahara schreef, Ik, Driss.

    Dit jaar verscheen Gebed zonder eind, een bundel korte verhalen over zijn tijd op school, over zijn reizen naar steden in Europa en Marokko, over zijn broers en zijn vader, over muziek, over de islam. Het zijn mooi geschreven impressies van zijn leven. Het boeiende in die verhalen is zijn zoektocht naar wie hij is, en waar hij zich thuis voelt.  Als jongen met een Marokkaanse achtergrond die opgroeit in Nederland, is hij zich al vroeg bewust van het feit, dat hij in en niet tussen twee culturen leeft. Hij moet zich zien te verhouden tot die twee culturen en in de bundel staan daarover enkele prachtige verhalen, zoals het titelverhaal Gebed zonder eind, Thuis, Vreemdeling, Loslaten en Al-Hoceima.

    Het verhaal Thuis gaat over zijn identiteit: dat hij zich niet vanzelfsprekend thuis voelt in het land waar hij woont en waarvoor hij niet gekozen heeft. Hij voelt zich geen buitenstaander maar wel ‘anders dan de anderen’ en illustreert dat met een mooi voorbeeld:
    ‘Mijn moeder draagt tatoeages. Berbertatoeages in het gezicht. Drie stuks markeren haar gelaat. Ze symboliseren een van de oudste beschavingen die onze wereld kent. Als ik met mijn moeder over straat liep dan bleef er niets over van die beschaving. In de ogen van voorbijgangers was mijn moeder een clown. Ik voelde de blikken ook op mij gericht. En ik schaamde me voor mijn moeder en voor mezelf. Het gevolg was dat mijn moeder en ik het  hoofd bogen. De blik gericht op de grond, dat was onze rol.’

    In Vreemdeling schrijft hij expliciet over zijn worsteling met zijn identiteit, zijn zoeken naar een plek waar hij zich thuis zou kunnen voelen, zijn tegenstrijdige loyaliteiten, zijn culturele ambivalenties en het diepe verlangen naar houvast. Dat houvast krijgt hij wanneer hij beseft dat deze levensvragen niet specifiek voor een migrant zijn, maar voor iedereen gelden. Hij besluit  met een ‘En sindsdien is niets menselijks mij meer vreemd’.

    Behalve zijn moeder is zijn vader van grote betekenis voor zijn zoektocht naar zijn Marokkaanse wortels. In het verhaal Loslaten vertelt hij er over. Hij ziet zijn vader vereenzamen wanneer het gezin herenigd is; het enige dat hetzelfde blijft is de drieploegendienst in de hondenbrokkenfabriek waar zijn vader werkt. Kroeg, vrienden en vertier, muziek maken werden vervangen door de islam. Die leefstijl hield hij vol tot het moment dat de kinderen op eigen benen konden staan. Toen ging hij weer muziek maken, maar ook tuinieren en verre reizen maken. De islam was niet langer de maat der dingen.

    In de laatste jaren van zijn leven hadden vader en zoon veel gesprekken over het leven. Daaruit bleken geen botsende visies. Hoewel de schrijver ‘een bidfrequentie van nul heeft’, neemt zijn vader hem dat niet kwalijk. Zijn vader maakte hem duidelijk dat hij zijn eigen keuzes moest maken en zich niet moest spiegelen aan hem. Dan volgt een mooie passage, tevens het slot van de bundel: ‘Vader duwde mij uit liefde met zijn woorden van zich af. Het leven in. Hij had het op zijn manier gedaan en nu was het mijn beurt. Lang heb ik gedacht dat ik zijn levensboom moest omhakken om verder te kunnen. Ik weet nu beter. Mijn boom staat in de buurt van zijn boom. Sommige van onze wortels zijn in elkaar gevlochten en anderen zoeken hun eigen weg.’

    De bundel begint met een motto van koning Hassan II van Marokko, die hij uitsprak tijdens een televisietoespraak tot zijn volk: ‘Jullie beesten, jullie wilden’. En als eindmotto een eerbetoon aan het Zuiderbad: ‘jouw water is als inkt voor mij’. Tussen deze twee uitersten staan negenentwintig verhalen die getuigen van zijn onvermoeibare zoektocht naar zijn identiteit in twee culturen. Stuk voor stuk mooi geschreven verhalen.