• Oogst week 45 – 2020

    De jaren

    De Franse schrijfster Annie Ernaux is afkomstig uit een eenvoudig milieu van kleine middenstanders waar arbeiders met hun verhalen de voornaamste klanten waren. Ernaux leerde en studeerde, werd docente en schrijfster waardoor ze een stuk hoger op de sociale ladder terechtkwam. Haar boeken hebben alle een autobiografisch karakter, al streeft Ernaux naar een objectieve wijze van vertellen. In De jaren (2008) beschrijft ze ruim een halve eeuw – de periode 1941-2006 – aan maatschappelijke gebeurtenissen en ervaringen. Ze doet dat chronologisch en becommentarieerd aan de hand van voorwerpen, foto’s, haar dagboeken, kranten en tijdschriften, nieuwsfeiten en haar geheugen.

    Ernaux probeert het verleden te vangen, bespreekt politieke aangelegenheden, culturele gewoonten, gedrag van mensen, taalgebruik, liedjes, radio en tv, reclames, modeverschijnselen, de vooruitgang, en vermengt het persoonlijke met het algemene. Het is een mix van autobiografie, sociologie en geschiedenis geworden, een vorm die door haar is uitgevonden. In het leven van één vrouw wordt een stukje Franse historie weerspiegeld. Het boek, dat haar magnum opus wordt genoemd, won tientallen literaire prijzen.

     

    De jaren
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het licht is hier veel feller

    Een eens gevierde bestsellerschrijver is over alles de controle kwijt. Zijn vrouw is opgestapt, zijn kinderen ziet hij nauwelijks en zijn inspiratie is verdwenen, er komt geen boek meer uit zijn handen. Het enige wat Maximilian Wenger nog kan opbrengen is op de bank hangen in een appartement waar hij de verhuisdozen nog moet uitpakken, en bedenken hoe hij zichzelf te gronde richt. Maar dan ontdekt hij bij zijn post een brief die is geadresseerd aan de vorige bewoner: ‘Wenger heeft de leeftijd waarop een brief nog betekenis heeft, omdat het een echt geschrift is, met het weefsel van iemands woorden, dat dagen in plaats van seconden nodig heeft om aan te komen.’

    Hij opent en leest de brief, net als de volgende brieven die van dezelfde afzender komen, en raakt in de ban van de hartstochtelijk schrijvende vrouw. Wat hij niet weet is dat zijn dochter Zoey de brieven ook inziet. ‘Tot aan mijn tanden is mijn mond met woede gevuld.’ leest de zeventienjarige. De woorden van de onbekende helpen haar bij het nemen van een vergaand besluit wanneer ze geen hulp krijgt als ze in een MeToo-achtige situatie terechtkomt. Ook voor Wenger heeft het lezen van de brieven ingrijpende gevolgen.

    Het licht is hier veel feller
    Auteur: Mareike Fallwickl
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Waar woont de haat?

    Hongarije kent een lange literaire geschiedenis. Al eeuwenlang zien veelgeprezen gedichten en prozastukken van Hongaarse schrijvers het licht. Vandaag de dag denken we bij Hongarije al gauw aan kleingeestig nationalisme, verval van de democratie en de rechtstaat, vreemdelingenhaat en een neergaande lijn in de persvrijheid. In de beste literaire traditie laten 21 van hedendaagse Hongaarse schrijvers in de bundel Waar woont de haat? een ander geluid horen. Via verhalen en essays nemen ze hun land onder de loep, bekritiseren de intolerantie, het cultiveren van haat en de sociale ongelijkheid en pleiten ze voor mededogen en ruimdenkendheid.

    Ze onderzoeken de Hongaarse identiteit, nemen historische gebeurtenissen als de slachting onder Hongaars joden en Roma in 1944 door en behandelen de hedendaagse omgang met minderheden. Het boek houdt de Hongaren een spiegel voor waarin ook Nederlanders zich zouden kunnen herkennen.

    Waar woont de haat?
    Auteur: Samenstelling: Mari Alföldy & Viacheslav Sereda
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas
  • Ramen open

    Ramen open

    Het liefst houden we vast aan oude gewoonten, ventileren we meningen die net zo vastliggen als een voorgeschreven computerprogramma. Al kent een computerprogramma zijn update’s die het geheel bijwerken naar een nieuw functioneren. Een computer blijkt veranderlijker van aard dan de mens. De mens laat zich moeilijk dwingen. Deze en meer gedachten over de beperkingen van de mens, werden aangezet door de Gutmensch scheurkalender 2021. Een scheurkalender over vluchtelingenbeleid, de opkomst van extreem rechts. Ik wil niets weten van extreem rechts, ik ben zo iemand die denkt dat als je het er steeds over hebt, het werkelijkheid wordt. Struisvogelpolitiek, daar ben ik goed in. Zo’n kalender schudt de boel dan flink door elkaar. De eerste dagen van het jaar op de scheurkalender zijn vrij onschuldig. Adriaan van Dis opent het jaar op vrijdag 1 januari met, ‘Mijn bijbel kent maar één zin: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Zo’n mantra maakt voor hem het leven dragelijk. En wat Van Dis doet als er weer en boreale wind opsteekt? Dat leest u maar als u de scheurkalender in huis heeft.

    Op woensdag 13 januari, de dag dat Emile Zola zijn open brief ‘J’accuse…!’ gepubliceerd zag, tekst en uitleg op de keerzijde van het kalenderblaadje. Op 26 maart een tekst over menselijkheid, van een dochter wier vader tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zat, desondanks niet wilde dat zijn dochter, toen de verslagen Duitse troepen door de straten liepen, zij ze uitjouwde. En dan ga je door, want deze scheurkalender is toch zoiets als een boek, er zit een lijn in. En die lijn is heftig, over mensenrechten, klimaatbewustwordingen, uitgezet worden. Elke dag iets om over na te denken, dingen binnen te laten komen. Er is een ‘Wereld Emoji Dag’, met ‘emoji’s voor de typische migrantenervaring’ zoals een overlopend toilet, kapotte slipper, pot met eten op kampvuur, doorzakkende tent in de regen, zakje rijst,… En de vermelding dat vluchtelingen eigenlijk geen mobiel behoren te hebben, want: minder sympathie vanWesterse burgers. Jaja, doordenkertjes over hoe we in elkaar steken.

    Voor vrijdag 25 juni een West-Aziatische fabel, over hoop, dat gaat zo,

    ‘Het bos werd steeds kleiner,
    maar de bomen bleven op de
    bijl stemmen. Want de bijl was
    slim. Zijn steel was van hout.
    Met dat argument wist hij de
    bomen ervan te overtuigen dat
    hij een van hun was en aan hun
    kant stond.’

    Zondag 28 november wordt de geboortedag van Stefan Zweig gememoreerd. Ook dat Zweig een wetmatigheid benoemde, dat ‘mensen in hun eigen tijd op aarde niet in staat zijn om het begin van grote, bepalende historische bewegingen te herkennen’. Toch zou je denken dat het onderhand eens tijd wordt dat uit al die vluchtelingen ervaringen een les te leren is. En dat je de dingen die belangrijk zijn, dingen die je nìet mag vergeten dagelijks onder ogen moet krijgen om enige verandering teweeg te kunnen brengen. Daar is een scheurkalender uitermate geschikt voor. Elke dag een gedachte, een argument, feiten en context voor een menswaardig leven. Kom maar op 2021, met deze Gutmensch Scheurkalender zetten we deuren en ramen open, weg met de angstvalligheid. 

     

     

    Gutmensch Scheurkalender 2021 / samenstelling Linda Polman / met medewerking van zo’n honderd auteurs / Illustraties en vormgeving Saskia Kunst en Saskia Pfaeltzer / uitgever Jurgen Maas


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, werkt aan een goed verhaal.

     

     

     

  • Oogst week 40 – 2020

    De overvloed

    De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard (1945) selecteerde voor de bundel De overvloed haar beste en beroemdste essays – waaronder het magistrale stuk over een zonsverduistering. Dillard staat bekend om haar diepgaande, vrijmoedige denken waarin de verwondering over wat ze waarneemt tot op het bot wordt uitgeplozen. In De wezel gaat ze tijdens een wandeling op een boomstam om zich heen zitten kijken en ontwaart naast zich op de grond een wezel. Zij ziet hem en hij ziet haar. ‘Ik heb een minuut lang in die wezenloze hersens gezeten, en hij in die van mij,’ schrijft ze over de ontmoeting. Dillard is iemand die kijkt en kijkt, nadenkt en ongeremd schrijft over dat wat ze waarneemt. In een hotelkamer ziet ze een reproductie van een tronie in fruit, het bekende schilderij van Arcimboldo: ‘Zo’n afbeelding waar je eigenlijk niet naar wilt kijken maar die je tot je chagrijn niet uit je hoofd krijgt. Ze wordt je opgedrongen door een of ander van smaak gespeend pratend fatum: ze wordt onderdeel van de complexe innerlijke meuk die je overal met je meesleept.’ De taal waarin ze haar bespiegelingen weergeeft is intens, krachtig en toch licht van toon, niet zonder humor. Maar niet geschikt voor luie lezers.

     

     

    De overvloed
    Auteur: Annie Dillard
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Gemeente zegt ik Nederlands leren

    Saïd El Haji is schrijver, columnist en publicist. Hij studeerde in Leiden Nederlandse taal en letterkunde. In 2000 won hij de El Hizjra-aanmoedigingsprijs voor De kleine Hamid, een kort verhaal dat hij uitwerkte tot zijn debuutroman De dagen van Sjaitan (2000) waarmee hij roem oogstte. In dit boek rekent hij af met zijn strenge, gelovige vader tegen wie hij al jong in opstand kwam. Als NT2 docent geeft El Haji les aan vluchtelingen en andere anderstaligen. Daarover gaat Gemeente zegt ik Nederlands leren. El Haji stelt zijn leerlingen vrijpostige vragen als: Spreken Marokkanen beter Nederlands dan Turken, Waarom moet je nog steeds Nederlands leren als je al dertig jaar in Nederland woont, en Wie ben jij? El Haji’s leerlingen zijn soms weinig of niet naar school geweest, of al op oudere leeftijd. Maar hij stimuleert ze allemaal om ook vragen te stellen, want van vragen stellen word je wijzer en van nieuwsgierigheid ga je praten. De soms wrange resultaten tekent hij op met humor en mededogen. Gemeente zegt ik Nederlands leren is Saïd El Haji’s vijfde boek.

     

     

    Gemeente zegt ik Nederlands leren
    Auteur: Said El Haji
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Duel

    In Duel, het dertiende boek van Eduardo Halfon (Guatemala, 1971) reist de schrijver behalve van de Verenigde Staten naar Guatemala en van Polen naar Italië af naar zijn geest. Overal waar hij komt stuit hij op zijn eigen onbeantwoorde vragen, over wat het is om mens te zijn in de wereld, en wie hij zelf eigenlijk is. De verteller is net als de schrijver ingenieur en heeft dezelfde familieachtergrond. In zijn autofictie komen mysteries uit zijn jeugd bovendrijven en schrijft hij over broers en zussen en Joodse voorouders uit Egypte, Syrië, Polen en Libanon. Geworstel met de eeuwige herinneringen aan de holocaust ontbreken niet. De ingewikkelde familiegeschiedenis vormt voor Halfon een bron voor de zoektocht naar zijn eigen identiteit. In een van de verhalen meent hij de ooit gestolen ring van zijn grootvader te ontdekken aan de vinger van een douaneambtenaar. Verlies is een terugkerend thema; in de mix van journalistieke verhalen en een speurtocht naar de betekenis van zijn persoonlijke ervaringen kan alles en iedereen plotseling verdwenen zijn. Eduardo Halfon won vele literaire prijzen en wordt gezien als een van de beste Latijns Amerikaanse schrijvers van het moment.

     

     

    Duel
    Auteur: Eduardo Halfon
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Het lucide nietsdoen – een wijze levensles?

    Het lucide nietsdoen – een wijze levensles?

    De luiaards in de vruchtbare vallei van Albert Cossery is een ideaal boek om te lezen tijdens een pandemie, waarin het leven vertraagd is en veel mensen noodgedwongen een groter deel van hun dagen binnenshuis slijten. Het verhaal uit 1948 gaat over de kunst van het nietsdoen, over luiheid en dagenlang slapen – alles om je maar af te keren van de buitenwereld, die gevuld is met narigheid in allerlei vormen. 

    De jonge Siraag woont met zijn broers Rafiek en Galaal, zijn vader en zijn oom in een groot huis in een voorstad van Caïro. De vrouwelijke bediende Hoda zorgt voor het huishouden en leeft een ondankbaar bestaan tussen de luiaards. De familie heeft een afkeer jegens de buitenwereld, ze zijn als de dood dat hun rust wordt verstoord en ze willen niks liever dan de hele dag slapen – en daar slagen ze vrij goed in.
    Het boek begint met Siraag die uit nieuwsgierigheid af en toe buiten de deur komt en het idee heeft opgevat om te gaan werken omdat hij genoeg heeft van het alsmaar niks doen. Hij heeft een baan in een fabriek in de buurt op het oog. Dit leidt tot verbijstering en woede bij zijn familie, die hem probeert te laten inzien wat een absurd idee dat is: ‘Toen ik voor ingenieur studeerde, moesten we fabrieken bezoeken. Het waren grote, ongezonde, troosteloze gebouwen. Ik heb er de naarste momenten van mijn leven doorgebracht. Ik heb de mensen gezien die in de fabriek werkten; dat waren geen mensen meer. Het ongeluk stond hun allemaal op het gezicht geschreven.’

    Om vier uur opstaan om te gaan werken

    Wanneer Siraag van zijn broer hoort dat er landen zijn waar mensen om vier uur ’s nachts opstaan om in de mijnen te gaan werken, kan hij zijn oren al helemaal niet geloven. Hij besluit om ook eens te proberen zo vroeg wakker te worden, maar komt na een paar pogingen tot de conclusie dat het onmogelijk is. Weifelend vraagt hij zich af of het wel echt waar is dat mensen dit doen, in het holst van de nacht wakker worden om te gaan werken.
    De onbevangen blik van een wereldvreemde jongen als Siraag op mensen die hun leven slijten met werken in erbarmelijke omstandigheden, kan bijna niet anders dan resulteren in schrik en ontzetting. Het leven behelst zoveel meer dan noeste arbeid en wanneer je niet hoeft na te denken over de praktische kant van het leven is het niet vreemd dat je het concept van werken met argusogen bekijkt. 

    Kritiek op systeem

    Siraags ongeloof bij de verhalen van zijn broer over het leven van arbeiders zet ook de lezer aan het denken. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat het alternatief van de hele dag niks doen – iets waar auteur Cossery zelf erg bekwaam in was – ook geen ideale leefstijl is. Siraag gaat immers niet voor niks op zoek naar werk, en ook Rafiek worstelt met verlangens uit zijn verleden toen hij zich nog niet rigoureus van de wereld had afgekeerd. Van oom Mustafa hoeft het luieren eveneens allemaal niet zo, maar het is lastig om te ontsnappen uit het leven dat je hebt.
    Daarmee is De luiaards in de vruchtbare vallei niet alleen een vermakelijk boek over een paar Egyptenaren in een buitenwijk van Caïro die liever lui dan moe zijn, het zet de lezer ook aan het denken over de leefwijze en de verheerlijking van werk die we als maatschappij heden ten dage omarmd hebben. De afkeer van de buitenwereld is niet alleen gebaseerd op de onzekerheid en hartzeer die iemand kunnen overkomen bij een stap buiten de deur, maar is ook gestoeld op kritiek op het (economische) systeem: arbeiders brengen hun dagen door in fabrieken en mijnen en leven een kleurloos bestaan. 

    Actuele vertelling

    Hoewel de werkomstandigheden van veel werknemers inmiddels een heel stuk beter zijn dan in de jaren vijftig, zijn er parallellen te trekken met het nu. Wereldwijd slijten nog veel mensen hun bestaan in fabrieken en mijnen – of in kantoren. Siraag zou ongetwijfeld met dezelfde verbijstering luisteren naar de verhalen over ons moderne kantoorleven, met lean-trajecten, vergadertijgers en scrummasters. Cossery schreef De luiaards in de vruchtbare vallei ruim zeventig jaar geleden, maar de vertelling is nog onverminderd actueel. 

    Het boek is vertaald door Mirjam de Veth, die eveneens een prachtig nawoord heeft geschreven. Albert Cossery, geboren in Egypte, woonde het grootste deel van zijn leven in Parijs. Hij overleed in 2008. Zijn oeuvre, bestaande uit tien boeken, kenmerkt zich door personages die buiten de maatschappij staan en de wereld om zich heen wantrouwend gadeslaan.  

     

  • Oogst week 22 – 2020

    De verhalen die we onszelf vertellen

    De verhalen die we onszelf vertellen is een verzameling essays van Joan Didion (1934) over Californië, New York en de jaren zestig. De keuze maakte Joost de Vries uit haar eerder gepubliceerde werken als Slouching Towards Bethlehem, The White Album en Where I Was From. Joan Didion schrijft al sinds de jaren zestig over het leven in Amerika op onconventionele wijze. Haar overdenkingen lezen alsof je je onder de huid van een samenleving en haar persoonlijke leven bevind. Eerder verscheen van haar Het jaar van het magisch denken (2006 Prometheus), over het verlies van haar man, en Blauwe nachten (2012 Bezige Bij) over het verlies van haar dochter. Boeken die integendeel treurig zijn, of adviezen bevatten om verlies van geliefden te overleven. Het is essayistisch proza wat Didion schrijft.

    Haar essays gaan over het vrije leven in de jaren zestig, revolutionaire politiek, beroemdheden en persoonlijke reflecties. Haar stijl en observaties oefenen doorgaans een grote aantrekkingskracht uit op de lezer.

     

     

    De verhalen die we onszelf vertellen
    Auteur: Joan Didion
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het failliet

    Dichter Arnoud van Adrichem (1978) debuteerde in 2008 debuteerde hij met de dichtbundel Vis, die bekroond werd met de Hugues C. Pernathprijs 2009 en het Charlotte Köhler Stipendium 2009. In 2010 verscheen een bundeling essays, gedichten en vertalingen onder de titel Stemvork, in samenwerking met Jan Lauwereyns maakte. In 2015 publiceerde hij zijn derde dichtbundel, Geld. Zijn nieuwe dichtbundel Het failliet. Dichten over een faillissement, ervandoor gaan, op de vlucht voor schuldeisers. Wisselend vind je de dichter terug op een eiland, aan zee, opgesloten in zijn atelier. Maar waar hij zich ook bevindt, imaginair gaat hij gewoon naar kantoor en neemt plaats achter zijn bureau, dat overigens allang geveild. Ondertussen wordt alles waargenomen.

    Het eerste gedicht ‘Schelp’ begint zo, ‘Een open einde? / Nee, het is net begonnen /met een hondse grom.’

    Het failliet
    Auteur: Arnoud van Adrichem
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf

    Dichter Lamia Makaddam is geboren in Tunesië waar ze Arabische taal en letterkunde studeerde. Ze publiceerde drie dichtbundels in het Arabisch en won in 2000 de El Hizjra literatuurprijs. Op twintig jarige leeftijd kwam ze naar Nederland. Haar derde dichtbundel is nu naar het Nederlands vertaald is door Abdelkader Benali en kreeg de intrigerende, haast strijdlustige titel mee, Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf. Naast dichter is Makaddam ook journalist en vertaler.

    In de poëzie van Lamia Makaddam worden rauwe beelden opgevolgd door opwellingen van tederheid. Geliefden en minnaars worden vastgehouden, weer losgelaten en ten grave gedragen. In haar poëzie is niemand onschuldig in de liefde. Lamia Makaddams poëzie raakt aan haar sentimentele gevoelens maar gaat evenzeer om wraak, wraak als sentimentele aangelegenheid.

    Het is nog even wachten op deze bundel, verschijnt 5 juni.

    Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf
    Auteur: Lamia Makaddam
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas
  • Oogst week 47 – 2019

    Alleen de bergen zijn mijn vrienden

    Deze week in de oogst een boek dat een ongewone geschiedenis verbeeldt, van schrijver Behrouz Boochani, de tweede roman van documentairemaakster Coco Schrijber en een nieuwe roman van de Franse schrijver Cristophe Botanski.

    Behrouz Boochani behaalde een master in de politieke wetenschappen, als journalist zette hij zich in voor de rechten en de cultuur van de Koerden in Iran. Toen er voor hem gevangenschap dreigde, besloot hij enkele maanden onder te duiken en in 2013 vluchtte hij naar Australië waar hij tegen alle verwachtingen in gevangen werd gezet op het eiland Manus, een uithoek van Papoea-Nieuw-Guinea. Op een naar binnen gesmokkelde mobiel beschrijft hij het leven in het kamp waar honderden mannen in veel te krappe ruimtes verblijven. Hoe beveiligers hun geweld te pas en te onpas gebruiken, de mannen vernederen. De uitzichtloosheid, de wanhoop en de zelfverminking. Alleen de bergen zijn mijn vriend is een Koerdisch gezegde en als boek een aanklacht tegen het onmenselijke vluchtelingenbeleid, geschreven op een mobiel. Nadat zijn boek door Australiërs massaal gelezen werd, ontvangt hij begin dit jaar de Australische Victorian Award, de jury heeft het over: ‘een mooi en precies schrijven dat literaire tradities uit de hele wereld door elkaar weeft’. Ondertussen wacht Boochina nog steeds op zijn papieren om als vrij man door het leven te gaan.

    Deze maand kwam het boek uit bij Uitgeverij Jurgen Maas in vertaling van Irwan Droog.

    Alleen de bergen zijn mijn vrienden
    Auteur: Behrouz Boochani
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    De voyeur

    De voyeur is de tweede roman van journalist en schrijver Christophe Boltanski (1962). Met zijn debuut De schuilplaats schreef Christophe Boltanski een monument voor een familie en de huizen waar ze woonden, hij won er verschillende prijzen mee. In De voyeur probeert een zoon het leven van zijn overleden moeder te reconstrueren aan de hand van haar troosteloze appartement waar ze van alles bewaarde en nooit schoonmaakte. Dan blijkt ook dat ze schreef, op een Olivetti-typemachine. Hij vindt het manuscript, over een voyeur. Dan blijkt dat zijn moeder haar eigen leven beschreven heeft en het vermoeden dat ze werd gadegeslagen. Over haar studententijd in de jaren vijftig aan de Sorbonne, tijdens het hoogtepunt van de Algerijnse oorlog. Is het werkelijk zijn moeder die in cafeetjes droomde van een heroïsch leven en zich aansloot zich bij de onafhankelijkheidspartij FLN? Ook in deze tweede roman schetst Boltanski, die niet voor niets journalist is, met veel details een levendig beeld van een Frankrijk ten tijde van radicale sociale verandering.

    De voyeur
    Auteur: Christophe Boltanski
    Uitgeverij: Cossee

    Ola en de dingen

    Coco Schrijber (1961) is documentairemaakster en publiceerde in 2015 haar eerste boek, De luchtvegers, een existentiele zoektocht. In haar tweede boek, Ola en de anderen, gaat het ook om een zoektocht, vanuit het perspectief van een kind. Verder is er geen vergelijk tussen haar debuut en deze roman. Ola is een explosief meisje, onverschrokken, meedogenloos. Ze is vol vuur, een vuur alsof dat bepaalde dingen uit haar hoofd moet verdrijven. Ze is steeds onderweg, rennend, zoekend, dwingend. Het ontwikkelingsverhaal van een kind, dat zich ergens van los moet maken, wat, is niet direct duidelijk. Maar gaandeweg het boek bedaart ze, vindt haar gelijke in een vriend. Een met vaart geschreven boek.

    In 2016 plaatsten we een interview met Coco Schrijber, door Carolien Lohmeijer.

    Ola en de dingen
    Auteur: Coco Schrijber
    Uitgeverij: Querido
  • Waar kleine dieven groot in zijn

    Waar kleine dieven groot in zijn

    De in Cairo geboren schrijver Albert Cossery (1913-2008) schreef een klein oeuvre waarvan Grote dieven, kleine dieven zijn laatste roman is. Het verscheen in 1999 en is nu in het Nederlands vertaald.
    Begin jaren dertig ging hij naar Parijs om te studeren maar daar kwam weinig van terecht: de verleidingen van de grote stad waren te groot en zijn vader haalde hem terug. Na de Tweede Wereldoorlog vertrok hij definitief naar Parijs, nam zijn intrek in een hotel waar hij tot zijn dood is blijven wonen.

    Het verhaal is gauw verteld. De hoofdpersoon, Oesama schuimt als een moderne Robin Hood dure wijken van de duizend jaar oude stad al-Kahira af, op zoek naar rijke mensen die hij geld afhandig kan maken. Om geen argwaan te wekken kleedt hij zich als een dandy en kan zich zo in rijke kringen bewegen. Het geeft Cossery de gelegenheid zijn weerzin tegen wat hij legale dieven noemt te spuien: zakenlieden, speculanten, bankiers, projectontwikkelaars, politici etc.
    Het mooie aan het verhaal is, dat het om meer gaat dan alleen het stelen van de rijken om te geven aan de armen. Oesama komt namelijk door het rollen van een portefeuille niet alleen in het bezit van geld maar ook van een belastende brief van een projectontwikkelaar aan een politicus. Hoe hij die projectontwikkelaar, samen met zijn leermeester in zijn greep krijgt is hilarisch, met een prachtig eind.

    Cossery was een zeer nauwgezet schrijver, ieder woord werd zorgvuldig gekozen en gewogen, moest op zijn plaats staan; iedere zin moest kloppen. Zijn bijnaam is niet voor niets ‘de Voltaire van de Nijl’. Ook deze roman voldoet aan die grote zorgvuldigheid. Zo omschrijft hij Oesama: ‘Hij was een jongeman van een jaar of drieëntwintig die, al was hij geen fatale schoonheid, niettemin een innemend gezicht had met zwarte ogen waarin eeuwige pretlichtjes glommen, alsof alles wat hij om zich heen zag en hoorde steevast enorm komisch was. Losjes en met zwier droeg hij een beige linnen pak en een ecru zijden hemd, opgeluisterd door een felrode das, en bruine suède schoenen. Deze niet aan de hitte aangepaste kledij kwam niet voort uit persoonlijke rijkdom of ijdelheid, maar uitsluitend uit de noodzaak om de risico’s die aan zijn vak kleefden te verminderen. Oesama was een dief, geen legale dief (…); hij was een bescheiden dief met wisselende inkomsten wiens activiteiten (…) in alle tijden en overal ter wereld beschouwd werden als een aanslag op de morele wet van de rijken.’
    Een roman die met veel precisie en humor geschreven is, zeer onderhoudend en vol spotlust. Voor liefhebbers van taal een must om te lezen.

     

  • Oogst week 12 – 2019

    Ware aard gedichten

    In de oogst van deze week twee dichtbundels en twee vertaalde romans.

    Jan-Willem Anker (1978) debuteerde in 2005 met de bundel Inzinkingen. In de daaropvolgende vier jaar verschenen er nog twee dichtbundels. En daarna was het stil. Tot in 2012 Anker kwam met zijn romandebuut Een beschaafde man. Die zeer goed ontvangen werd. In 2017 verscheen de roman Vichy en nu zijn nieuwste dichtbundel Ware aard.

    In Ware aard maakt de dichter de balans op. Er lijkt een bepaalde leeftijdsgrens te zijn bereikt waardoor mogelijkheden beperkt blijken. In deze bundel vraagt Anker zich af wat hij nog kan worden en vooral hoe hij (voorwaarts) zou moeten leven. In zijn poëzie probeert hij antwoorden te formuleren. Hij doet dat langs de weg van kleine autoriteiten als de Vader, de Europeaan, de Weesper, de Dichter. Maar ook door zijn verontrusting uit te spreken over het klimaat en de verrechtsing in de politiek. Een bundel die na deze laatste verkiezingen wel eens de vinger op de zere plek zou kunnen leggen.

     

    Ware aard gedichten
    Auteur: Jan-Willem Anker
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De Jacobsboeken

    De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk (1962), won vorig jaar de Man Booker International voor de Engelstalige uitgave van haar roman Flights. De Man Booker International is een prijs voor Engelstalige literatuur waar Tommie Wieringa met zijn vertaalde De heilige Rita dit jaar ook voor genomineerd staat.
    Tokarczuk schreef twaalf romans, en wordt sinds 2011 bij De Geus uitgeven. Niet alles van haar werd nog vertaald maar De rustelozen (2007) wel. Een boek over vluchten, thuisloos zijn en de op zoek zijnde mens en voor de goede lezer lijkt het een voorbode te zijn van  het omvangrijke De Jacobsboeken dat deze maand verschenen is. Het gaat over een historische sekteleider, Jakob Frank (1726-1791) die  duizenden joden bekeerde tot het ‘frankisme’. Het is een allesomvattend boek geworden over het leven, religie en de mens.

    In Polen werd het enerzijds ontvangen als het literaire meesterwerk dat het is (Tokarczuk won er de belangrijkste Poolse literaire prijs mee en werd een bestseller). Maar het ontketende ook een ware hetze jegens Tokarczuk, vooral nadat zij op tv sprak over de zwarte bladzijden in de Poolse geschiedenis en dat het land deze onder ogen moest zien. Het werk haar niet in dank afgenomen, ze werd met haat overladen en moest een tijdlang beveiligd worden.

    De Jacobsboeken
    Auteur: Olga Tokarczuk
    Uitgeverij: De Geus

    Vallende tijd

    Het tiende deel van de Berberbibliotheek is een poëziebundel. De Berberbibliotheek werd in 2007 geïnitieerd door schrijver Asis Aynan en vertaalster Hester Tollenaar. Hoewel het een proza reeks was, werd het nodig geacht – om een volledig beeld van de Marokkaanse literatuur maar ook een politiek beeld van Marokko te vangen – poëzie toe te voegen. Vallende tijd is een bloemlezing van gedichten die in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw geschreven zijn. Voor wie de gedichten leest en weet heeft van de situatie in Marokko moet wel vaststellen dat er in het land weinig veranderd is in de afgelopen decennia.

    Vallende tijd bevat een selectie uit het werk van de vier grootste dichters uit de Rif, in het noorden van Marokko. De dichters Mohammed Chacha (1955-2016), Ahmed Ziani (1954-2016) , Fadma el Ouariachi (1957) en Mimoun el Walid (1959) hebben hun leven gewijd aan de poëzie, op het gevaar af gevangen genomen te worden of verbannen. In de gedichten wordt de liefde bezongen, de migratie verfoeid en om emancipatie geschreeuwd. Stemmen uit de vorige eeuw die nu nog steeds weerklinken; luid en duidelijk.
    In een verklarend nawoord beschrijft Asis Aynan het ontstaan en het afsluiten van het Berberbibliotheek project.

    Vallende tijd
    Auteur: Mohammed Chacha ; Ahmed Ziani ; Fadma el Ouariachi ; Mimoun el Walid
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    De Poolse bokser

    Van de Spaanstalige schrijver uit Guatemala Eduardo Halfon (1971) de roman De Poolse bokser.
    Halfon schreef zo’n twaalf romans waarvan De Poolse bokser een eerst kennismaking is met zijn werk voor de Nederlandstalige lezers.

    Op het eerste gezicht lijkt De Poolse bokser net een verhalenbundel maar het is in werkelijkheid een web van vertellingen die op allerlei manieren met elkaar verbonden zijn. De vertellingen vloeien uit elkaar voort en beïnvloeden elkaar – voor wie na het laatste verhaal opnieuw begint, leest de eerste bladzijden alsof het een ander boek betreft.
    Al vertellend brengt Eduardo Halfon de lezers steeds dicht bij een antwoord, om ze er vervolgens weer van weg te voeren. Een boek om niet meer weg te leggen.

    In de buitenlandse pers werd Halfon geprezen als ‘Een ongelooflijk goede schrijver, (…) zijn woorden zijn droog als kiezelstenen.’

    De Poolse bokser
    Auteur: Eduardo Halfon
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Een messcherp zelfonderzoek

    Een messcherp zelfonderzoek

    Bij de mooie kleine Uitgeverij Jurgen Maas, gespecialiseerd in Arabische letterkunde, kwam de vijfde bundel uit van de Palestijnse dichteres Fatena Al-Ghorra, die haar geboortegrond ontvluchtte en nu in Antwerpen woont. Zij maakte veel indruk met haar vorige bundel God’s bedrog waarin ze in persoonlijke, en heftige gedichten verslag deed van haar worsteling met haar afkomst. In Neem dit lichaam gaat ze nog een stap verder en kruipt ze letterlijk binnen in haar huid.

    Het is de eerste bundel die ze in haar nieuwe vaderland schreef. Uiteraard in het Arabisch, ook al heeft ze de ambitie te kennen gegeven ooit in het Nederlands te schrijven. De vertaling is opnieuw van Nisrine Mbarki. Opmerkelijk is dat Mbarki zich bij de vertaling de nodige vrijheden heeft gepermitteerd. In haar nawoord schrijft ze dat ze titels veranderde en zelfs gedichten heeft herschreven. Dit deed ze overigens wel in samenspraak met Al-Ghorra. Hierdoor is het een andere bundel geworden dan het origineel. Omdat Mbarki zelf ook gedichten schrijft, was dit haar wel toe te vertrouwen. Al blijf je met deze kennis in het achterhoofd, toch nieuwsgierig naar die veranderingen.

    Eerder werk

    Opvallend is dat er drie gedichten uit Gods’ bedrog in zijn opgenomen, ook nog eens gedichten die enkele pagina’s beslaan: ‘Vader’, ‘Wat de verteller zei’ en ‘Meisjes breng mijn lief terug’, alle in een herziene vertaling. Ook is het gedicht ‘Een marmeren gezicht’ uit de bundel Ellay uit 2010 toegevoegd. Waarom deze gedichten zijn opgenomen is onduidelijk. Waren de vertalingen niet goed genoeg? Of waren ze nodig om op een mooi afgerond getal van twintig gedichten uit te komen? Of anders om duidelijk te maken dat de nieuwe gedichten in de lijn van de oude liggen. In ieder geval is er wel sprake van een homogeen geheel.
    De twintig gedichten zijn evenredig verdeeld over twee delen. Het zijn beschrijvende, pagina vullende gedichten die vaak uit korte regels bestaan en in een kale, rudimentaire stijl geschreven. Het is poëzie die direct binnenkomen:

    ‘Een cel van verroest ijzer is mijn hart
    het hele jaar door gekleed in zwart
    mijn hart lijkt op een granaatappel
    gewikkeld in stevig zijde
    gesmeten in een cel met uitzicht op een berg
    aan de voet van de berg een stromende rivier
    tjilpende vogels, dartelende herten, sluipende tijgers
    de geur van nat gras doordrenkt alles
    mijn hart is daar in de roestende cel.’

    Afstandelijke waarnemingen

    Al-Ghorra neemt de lezer in haar gedichten mee op een ontdekkingsreis door haar lichaam en geest. Ze heeft de bundel zelfs hieraan opgedragen: ‘[Aan] mijn lichaam en geest/die mij over hun geheimen leerden’. Langzaam geven ze in de gedichten deze geheimen prijs.’ De dichter bekijkt zichzelf steeds van een afstand. In het gedicht ‘Dans’ neemt ze haar hoofd letterlijk in handen en bekijkt het alsof het een aparte wereld is. Ze schrijft: ‘mijn stem gilt’ in plaats van ‘ik gil’.

    ‘Ruis van wezens in mijn hoofd
    een stilte waarin alle woorden zitten
    mijn stem gilt
    in een begrijpelijke taal
    ik speel met mijn hoofd in mijn handen
    bekijk het bijzondere ding.’

    De gedichten beschrijven vaak een problematische verhouding met de buitenwereld, die de ‘ik’ niet kan bereiken. Het kan om een geliefde gaan, maar ook over de onmacht iets aan de onrechtvaardigheid van de wereld te kunnen doen. Het hart is gevangen, ‘gekleed in zwart’. Het is ‘bewust van alles om zich heen/bewust van alles wat niet is’, maar ‘geeft niet om de drenkelingen op de stranden/of om de zwerende lichamen van gevangenen […]/of de hongerstakers/die vrijheid eisen’.
    De ellende is te groot geworden om er nog iets bij te kunnen voelen. Voor de lezer wordt deze er alleen maar beter voelbaar door. Na haar hart beschrijft Al-Ghorra in ‘Motten’ haar geest: ‘Mijn geest is bezorgd/bezorgd als de hengel die ergens op steunt gedurende de dag […] zijn haak machteloos’. De geest van de dichter maakt zich zorgen over oorlog of over de letterlijk aangevreten cultuur (‘Een boek/de motten hebben het hart opgevreten’). De situatie in het Midden-Oosten gonst in deze poëzie steeds op de achtergrond mee.

    Effectieve beelden

    Al-Ghorra onderwerpt zich voortdurend aan een messcherp zelfonderzoek. Voortdurend is er de spanning tussen de afstandelijke beschrijving van haar lichaam en de heftige emoties die haar geest doormaakt. Zo beschrijft ze haar bloed: ‘Rood zoals het hoort/stromend […] trekt aan de draden van mijn ziel/als mijn lichaam beeft van zijn schreeuw’. Ze probeert de pijn te bevatten: ‘Ik houd ervan mijn twee vingers/op de kleine snee te leggen/om het stromen te stoppen/of misschien zodat ik weet hoe het komt/waarvandaan, dat robijnrood/en zijn pijn die mijn ziel niet kan omvatten/alleen verdoving kan mij redden’. Een andere keer is ze wel stellig: ‘Niets meer dan een gat in mijn borst/helpt mij om elke ochtend op te staan/dezelfde vraag/de eentonigheid/de dagelijkse gebeurtenissen zoals ze zijn’. De metafoor van gaten en holtes in haar hart of lichaam komt vaak in de bundel terug. Er spreekt een enorme eenzaamheid uit de gedichten.

    ‘Neem dit lichaam
    voorzichtig
    bedek het
    dekens zijn niet nodig
    twee handen voldoen
    zodat alles kan beginnen
    je zult veel gaten en holtes vinden
    maak je geen zorgen en laat je niet storen
    kleine kooltjes vielen erop
    niemand raapt ze op
    misschien lijkt het wat koud en kil
    maar dat zijn de gevolgen van de aanhoudende herfst.’

    Isolement en wereldleed

    Andere beelden die terugkeren zijn het stof waaronder ze is bedolven en dat moet worden weggeveegd, of de spiegels waarin ze zich gereflecteerd ziet. Weinig originele beelden, maar wel effectief. Steeds wordt er het gevoel van isolement mee aangegeven, dat alleen doorbroken kan worden door een geliefde.

    Neem dit lichaam is een intense leeservaring. Soms wat veel van het goede, want wil je als lezer wel zo afdalen in het lichaam en de ziel van de ander. Gecombineerd met de grote emoties (er wordt geschreeuwd, gegild, gejankt) is het voor de lezer paradoxaal genoeg moeilijk om afstand te nemen. Je kunt je alleen met haar vereenzelvigen. Daarvoor moet je bijna over dezelfde ervaring beschikken. Soms is het wel erg van dik hout zaagt men planken: ‘ik steek mijn hand uit naar passanten/niemand ziet mij/ik heb stront gegeten/volgens een traditioneel en volks recept/ik heb tussen adders geslapen/ik heb geijld van de koorts/ik heb besmet spuug gedronken/met mijn nagels heb ik lagen van mijn huid verwijderd/je gaf geen kik.’

    In het laatste gedicht, ‘Welkom’, fantaseert de dichter over een vrijage met de dood: ‘Als de dood naar me toe komt/wil ik me voorbereiden/als een geliefde voor haar lief’ […] ‘Zoals een prostituee zich voorbereidt bereid ik me voor’, ‘Ik zal de dood verwelkomen als een echtgenote […] ligt midden op bed/klaar voor haar plicht’. De bizarre apotheose van een intieme en krachtige bundel.

     

  • Revolutie en taalrijkdom

    Revolutie en taalrijkdom

    Uitgeverij Jurgen Maas heeft een Turkse klassieker op een prachtige manier vormgegeven en uitgebracht: het politieke Epos van sjeik Bedreddin. Nâzim Hikmet, die de eerste moderne Turkse schrijver wordt genoemd, leefde van 1902 tot 1963. Hij wordt door velen gezien als een van de belangrijkste dichters van de 20e eeuw. Door zijn studie in Rusland kwam hij in aanraking met het futurisme, dat onder andere door Majakovski bekend werd, en wat veel invloed op zijn poëzie had.

    Hikmet was een revolutionair in de Turkse wereld. Een deel van zijn leven bracht hij door in gevangenissen door zijn communistische ideeëngoed. Hij zag het als zijn taak via literatuur propaganda te voeren voor het revolutionaire, lees communistische/socialistische gedachtegoed. Het epos van sjeik Bedreddin is in 1936 in de gevangenis ontstaan en is een raamvertelling. Hikmet beschrijft zichzelf in de gevangenis waar hij het visioen krijgt om het verhaal van sjeik Bedreddin, een historische figuur uit de 15e eeuw in de Turkse wereld, te vertellen. Hij doet dat in dichtvorm, gebruik makend van historische gegevens, vertaald naar de tijd waarin hij leeft. Hij trekt zo parallellen met de tijd waarin hij zelf leeft.
    Sjeik Bedreddin is een bekende figuur in de Osmaanse geschiedenis en staat symbool voor de opstand tegen het gezag. Hij leidde een boerenopstand in Anatolië in 1416. Die opstand werd meedogenloos neergeslagen en de sjeik werd samen met een aantal kompanen opgehangen.

    Raamvertelling

    Hikmet kiest voor een raamvertelling om enerzijds een aantal feitelijke gegevens over de sjeik naar voren te brengen, anderzijds door het epos zelf in de vorm van een gedicht, of zoals hij het zelf schrijft: ‘Het schouwspel van geluiden, kleuren, bewegingen en vormen dat ik op deze reis zag, zal ik stukje bij beetje proberen in grotendeels – volgens een oude gewoonte – geordend lange en korte regels, nu en dan op rijm.’
    Hikmet is een waarachtig dichter: hij maakt de boodschap steeds ondergeschikt aan de vorm, wat leidt tot prachtige poëzie, waarin inderdaad allerlei fysieke en mentale ervaringen prachtig worden beschreven in de bloemrijke taal van Turkije en dan met name van de volkstaal, waarin Hikmet schrijft. Op deze manier kan iedereen in de Turkse maatschappij zijn verhaal begrijpen. Hij wisselt proza en poëzie met elkaar af, waardoor het een historisch verhaal is maar ook een deel van zijn dagboek en een heldendicht, een waar epos dus.

    Een voorbeeld:
    ‘Vrienden,
    Zeg niet: Niet doen!
    Zeg niet: Niet doen! Het is vergeefs.
    Dit is niet de peer die van zijn tak valt,
    dit is geen peer,
    ook al is hij gewond, hij valt niet van zijn tak;
    dit hart
    dit hart lijkt niet op een musje,
    niet op een musje!’

    Het epos van sjeik Bedreddin is uitgebracht in een voorbeeldige tweetalige uitgave, voorzien van een uitgebreide en zeer heldere inleiding door vertaalster Sytske Sötemann, die erin is geslaagd een prachtige tekst af te leveren.

    De lezer kan zich afvragen wat de achtergrond van deze heruitgave is; in de tijd waarin in Turkije tienduizenden mensen worden gearresteerd, waar een dictatoriale alleenheerser alles in het land (en vaak ook nog daarbuiten: de lange arm van Erdogan) bepaalt. Het kan daarmee aangeven dat er in al die eeuwen parallellen te trekken zijn: er waren, zijn en blijven revolutionairen, mensen die opkomen voor de mensenrechten.
    Het lezen van dit boek is een feest, een genieten van de rijkdom van de taal.

    Tegenwoordig wordt Hikmet in Turkije erkend als een van de belangrijkste dichters van zijn tijd; hij werd in 2009 officieel gerehabiliteerd door de Turkse regering.

     

  • Van kwaad tot erger in originele beeldspraak

    Van kwaad tot erger in originele beeldspraak

    Toen Rodaan Al Khalidi uit zijn geboorteland Irak vluchtte en uiteindelijk in Nederland terecht kwam, leerde hij zichzelf de Nederlandse taal en begon te schrijven: in 2002 verscheen zijn eerste werk, een bundeling van zijn columns. Onder de naam Rodaan Al Galidi heeft hij inmiddels negen romans geschreven en acht gedichtenbundels, waarvoor hij diverse literaire prijzen mocht ontvangen.

    Neem de titel serieus is zijn negende bundel, opgedragen aan Begoña, die een al dan niet fictieve geliefde blijkt te zijn geweest. We maken kennis met deze geliefde uit vroeger tijden in de eerste helft van de gedichten. Een gemakkelijke relatie lijkt het niet te zijn geweest, ook al wordt er nog liefdevol aan teruggedacht:

    ‘Weet je nog, Begoña? Die verre zomer,
    toen jij en ik op het dak
    de sterren telden
    die zwoele nacht in april.’

    De problemen waaraan de relatie met Begoña ten onder ging en waaronder de ik-persoon nog steeds gebukt gaat, worden doorgetrokken tot op mondiaal niveau. Ruzies worden oorlogen, onbehagen gaat over in ziektes, alles wat elke dag in het nieuws komt, vindt zijn weerslag in de gedichten die volgen op de bitterzoete berichten aan Begoña. Meedogenloos trekt Al Galidi de pessimistische lijn door die zo bedachtzaam werd ingezet, al ontbreekt het daarbij niet aan humor. Soms wordt het  ironisch en zelfs cynisch. Zoals in het eerste van twee gedichten die elkaars pendant vormen: Liefhebbers en Een voor een. Daarin wordt de kruisiging van Jezus aangekondigd, ‘jouw unieke kans om deze tragedie live te volgen’, hoewel de opstanding niet kan doorgaan wegens gebrek aan belangstelling. In het tweede gedicht wordt het publiek dat komt kijken aan het kruis getimmerd.

    Geleidelijk aan wordt de toon van de gedichten grimmiger en de onderwerpen akelig actueel: terrorisme, Amerikaans presidentschap, verkeersslachtoffers. Het taalgebruik van Al Galidi is eenvoudig, maar zo beeldend dat hij ogenblikkelijk zonder veel uit te hoeven leggen een herkenbaar tafereel oproept:

    ‘Een ambulance roept een andere.
    Ik daalde de berg af en zag zijn tenen naar boven.
    Een vrouw riep Pedro! Pedro!’

    Zoals de bundel is samengesteld, zo zijn ook de gedichten opgebouwd. In het begin zorgen frisse versregels voor een argeloze opgewektheid, om dan met een klap een einde te maken aan het geluksgevoel. Want de wereld mag dan wel mooi lijken, Al Galidi weet beter. De wereld is ziek en wordt bevolkt door zieke mensen.

    Op twee derde van de bundel belandt de dichter bij een onderwerp dat van belang lijkt te zijn: psychische ziektes. Ze kwamen al eerder ter sprake in een enkel gedicht, maar nu worden ze gepersonifieerd alsof het levende entiteiten zijn, metgezellen van de dichter in het dagelijkse leven:

    ‘In de oorlog
    gebruikt de mens zijn psychische ziektes.
    In vrede
    gebruiken zijn psychische ziektes hem.’

    Niet alleen de dichter is psychisch ziek, maar iedereen: de hele wereld, zelfs vogels kunnen psychisch ziek zijn. In verschillende versvormen brengt Al Galidi dit aan het licht. Via aforismen, een parlando gedicht en een gedicht in de vorm van een dialoog laat hij de lezer zien dat de hele wereld voor hem een geestelijke nachtmerrie is geworden. De psychische ziektes worden gehanteerd als een metafoor voor alles wat er mis is in het leven.

    Helaas verliest dit gedeelte aan kracht als acht, negen opeenvolgende gedichten een of twee keer de zinsnede ‘psychisch ziek’ bevatten en als het nergens anders over gaat: het wekt ergernis als die woorden alwéér als kleine insecten over de bladzijden kruipen en uit het gedicht naar voren springen. Alsof de dichter bang is dat de strekking de lezer zou ontgaan, zo nadrukkelijk worden deze woorden opgevoerd, maar juist daardoor verliezen ze hun zeggingskracht.

    Een synoniem of omschrijving voor ‘psychisch ziek’ zou al veel goedmaken; in ieder geval meer variatie. Nu voelt het als een opluchting wanneer er een gedicht volgt dat over iets geheel anders gaat.
    In de laatste gedichten overheerst de onmacht om iets aan de wereld te veranderen. De dichter wil zich niet neerleggen bij deze onmacht, maar ziet zichzelf niet in staat om er daadwerkelijk iets aan te doen. Het laatste gedicht heet dan ook Het spijt me en is een verontschuldiging aan zijn geliefde Begoña. Niemand en niets kan gered worden, zelfs Begoña niet:

    ‘Het spijt me dat ik, zelfs
    met al de liefde die ik voor je voel, je niet
    kan laten bestaan.’

    Van liefde tot ruzie en geweld, van kwaad tot erger voeren de gedichten naar een climax van eenzaamheid en hulpeloosheid, waarin de dichter zijn ‘mislukking’ moet erkennen.
    Vrolijk word je niet van deze bundel, maar de originele beeldspraak en de verrassende, directe wijze waarop de dichter iets visueel weet op te roepen, maken veel goed.

     

  • Onbezorgde zwerftochten door het Istanbul van toen

    Onbezorgde zwerftochten door het Istanbul van toen

    C. werd op straat gepasseerd door een vrouw die hem bits aankeek. Hij loopt haar achterna.

    De lantaarnpalen in de straat waren aan. Onder de rij bomen was het desondanks schemerig.  Ze bleef onder een boom staan en draaide zich naar hem om. ‘U moet weggaan’, zei ze, ‘Ik ben bijna thuis. Bovendien ben ik verloofd’. Ze stak haar hand uit om hem de ring te laten zien. Maar hij greep die hand. Ze stonden in het donker, hij duwde haar tegen de boomstam en boog zich naar haar toe. Hij legde zijn mond op haar lippen. Onder de dunne stof had ze stevige borsten. De lippen van het meisje begonnen te zwellen, haar lichaam werd zachter.

    Hij maakte zich uit de voeten, terwijl hij de smaak van haar lippenstift uitspuugde en een sigaret opstak. Onderweg zag hij veel vrouwen. Hij dacht: Er waren meer vrouwen op de wereld dan nodig was.

    Dylan Thomas en Faulkner
    C. is de hoofdpersoon van Yusuf Atilgans De lanterfanter, voor het eerst verschenen in 1959 en nu alsnog in het Nederlands vertaald. Het boek wordt aangeprezen door Orhan Pamuk: Atilgan is een van mijn helden, ik ben romanschrijver geworden door naar hem te kijken. C. is zonder twijfel een opmerkelijke figuur. Atilgan volgt hem een jaar lang op zijn zwerftochten door de Europese wijken van Istanbul. Sommige tochten kun je nauwgezet volgen omdat de schrijver wijken, straten en zelfs huizen en huisnummers noemt. Maar het is Atilgan niet om de stad te doen, de omgeving is alleen decor, de naam Istanbul wordt niet eens genoemd. Het boek gaat over de zielenroerselen van C. en ondanks diens opvatting over de overbodigheid van vrouwen, borrelen die vooral op uit zijn ontmoetingen met vrouwen en zijn fantasieën daarover. Je dringt in de ziel van C. via interne monologen en het kan geen toeval zijn dat hij korte verhalen van Dylan Thomas leest en dat de naam Faulkner valt–het surrealisme van A Portrait of the Artist as a Young Dog en de ‘binnenwereld’ van The Sound and the Fury klinken duidelijk door op de bladzijden van De lanterfanter. In het laatste hoofdstuk van ‘Herfst’ denkt C. dat hij een oude geliefde heeft gezien; hij rent om haar in te halen. Vergeefs, ze stapt op een bus en verdwijnt in de verte. Hij botst tegen een taxi en veroorzaakt een opstootje. Een politieman vraagt wat er gebeurd is. Hij zweeg. Praten was nergens voor nodig. Hij wist het wel, ze zouden het niet begrijpen. 

    Flaneur
    Yusuf Atilgan noemt zijn hoofdpersoon een lanterfanter, maar je vraagt je af of C. daarmee niet tekort wordt gedaan. Hij heeft weliswaar geen werk of verplichtingen en leeft van een erfenis, maar zijn tochten door de stad kun je moeilijk zien als een vorm van straatslijperij of leegloperij, daarvoor is hij te bezeten. C. is eerder te beschouwen als een typische flaneur–de financieel onafhankelijke jongeman, kunstenaar of schrijver, die door de stad wandelt om te dromen, te begeren en te genieten van de sfeer. C. is omringd met kunstenaarsvrienden en koopt hun schilderijen, hij is een fanatiek bioscoopbezoeker en een gretig lezer. Hij speurt naar mooie vrouwen en om met ze in contact te komen, spendeert hij soms weken om informatie te verzamelen en ontmoetingen te arrangeren. Niet verbazend dat hij ergens zegt:

    Lanterfanten was het moeilijkste werk dat er was. Elementen van de flaneur vind je terug in klassieke meesterwerken als Ulysses, Berlin Alexanderplatz of Bartleby the Scrivener.

    C. wijst erop hoe lachwekkend en onecht de waarden in de samenleving zijn, iedereen loopt over een slingerende brug zonder balustrade. Hijzelf is op zoek naar het enige houvast dat niet lachwekkend is: ware liefde. Een vrouw die denkt dat we genoeg hebben aan elkaar, die denkt, voelt, bemint net als ik. 

    Obsessie
    Dat klinkt misschien simpel, maar C.’s houding tegenover vrouwen is complexer dan hem lief is, zijn vriendinnen en de hoeren die hij bezoekt, hebben het er ook moeilijk mee. Hij is geobsedeerd door vrouwenbenen. Vriendin Ayse vraagt: Waarom kus en streel je altijd mijn benen? C. denkt dat zelfs mensen die van elkaar houden niet op hetzelfde moment dezelfde gevoelens hebben: als ik haar benen had gestreeld, had ik haar deel kunnen laten uitmaken van mijn eigen gevoeligheid. De obsessie met benen is terug te voeren op een Urszene uit het boekje van Freud: C. betrapt als jongetje zijn vader met een tante.

    Ik boog me voorover en keek door de half openstaande deur. Mijn vader had met één hand de rok van mijn tante opgeschort en zijn arm om haar heen geslagen, met zijn andere hand streelde hij haar blote benen. ‘Zehra, wat heb je me toch een benen’, zei hij.

    Het jochie stort zich op het paar en bijt zijn vader in de hand. Hij wordt aan zijn oor weggetrokken, het oor scheurt. Een onblusbare haat tegen de vader is het gevolg en C. zal altijd zijn oor voelen jeuken als hij aan vrouwenbenen denkt. Van Gogh is zijn favoriete schilder, tja.

    De lanterfanter heeft sfeer en is mooi geschreven (en prima vertaald). Misschien is de psychoanalyse van C. een speciale reden voor Atilgans populariteit in Turkije. Toch doet het Oedipuscomplex van C. gedateerd aan, eerder een formule dan een levensecht geval. Zoals omgekeerd ook het stadsleven van Istanbul niet meer van deze tijd is. Onbezorgd rondzwerven, willekeurige vrouwen aanspreken en zoenen… wie kan zich dat nog voorstellen in een stad van terroristische aanslagen, hoofddoekjes, islamitische revival en dictatoriale vrijheidsbeperkingen? Zelfs de toeristen blijven weg.