• Oogst week 28 – 2024

    Aangrenzende kleuren

    De nieuwe roman van de Poolse schrijver Małecki gaat volgens de flaptekst over moed, vergelding en onmogelijke liefde. En over de vraag of je kunt sterven van verlangen. Door die vraag raakt de hoofdpersoon in Aangrenzende kleuren gefascineerd als hij werkt aan een doodskist voor iemand bij wie dat gebeurd zou zijn.

    Jakub Małecki (1982) is een schrijver die in eigen land veel succes heeft en die al voor verschillende literaire prijzen is genomineerd. ‘Małecki schrijft geestig en toegankelijk’ aldus Thomas van Houwelingen in april 2023 in zijn recensie over Saturnin, het tweede boek dat van Małecki in Nederlandse vertaling is verschenen, na het eerder goed ontvangen Roest.

    Karol Lesman die in 2017 de Martinus Nijhoff Vertaalprijs ontving voor zijn vertalingen uit het Pools, tekende voor de vertaling van Aangrenzende kleuren.

    Aangrenzende kleuren
    Auteur: Jakub Małecki
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2024)

    Een tuin voor verloren benen

    ‘Stemmen uit Gaza’ is de naam van een serie Palestijnse literatuur die Uitgeverij Jurgen Maas gaat uitgeven samen met de stichting Hope. De eerste titel uit deze serie is Een tuin voor verloren benen van Mahmoud Jouda. Het plan voor de serie ontstond enkele maanden voordat de oorlog in Gaza uitbrak. Ook de keuze voor het boek van Jouda was van vóór die tijd. Vertaalster Djûke Poppinga is een van de raadgevers bij de keuze voor de titels uit de serie.

    Een tuin voor verloren benen grijpt terug op de Mars van de Terugkeer uit 2018 en 2019 toen duizenden Palestijnen die in het verleden door de Israëliërs uit het gebied verdreven waren demonstreerden om te mogen terugkeren naar de plek waar ze vandaan kwamen. Op enig moment schoten Israëlische soldaten op de demonstranten. Velen Palestijnen werden gedood, nog meer werden ernstig verwond. Sinds die tijd werd het straatbeeld in Gaza bepaald door mannen en vrouwen op krukken en in rolstoelen. In Een tuin voor verloren benen zoekt de verteller de gehandicapten op, gaat met ze in gesprek en tekent hun ervaringen op.

    Mahmoud Jouda (1985) is psycholoog en schrijver/journalist. Begin 2024 ontvluchtte hij Gaza. Hij woont nu in Egypte.

    Een tuin voor verloren benen
    Auteur: Mahmoud Jouda
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2024)

    Strijdtonelen

    Naar aanleiding van de trilogie van de Engelse schrijver en oorlogsdichter Siegfried Sassoon raakte Paul Moeyes gefascineerd door de Eerste Wereldoorlog. Hij realiseerde zich naar eigen zeggen toen pas wat the Great War in Engeland had aangericht en werd daardoor ook nieuwsgierig naar Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog en naar de rol van Nederland als neutraal buurland.
    Sindsdien leest, schrijft en praat Moeyes over de Eerste Wereldoorlog.

    In Strijdtonelen, De Eerste Wereldoorlog in de Nederlandse pers en literatuur 1914-1918 gaat Moeyes in op de manier waarop door de Nederlandse kranten verslag werd gedaan van de strijd en hoe dat er uiteindelijk voor zorgde dat de Nederlandse pers onbedoeld partij werd in de propagandaoorlog.

    Strijdtonelen
    Auteur: Paul Moeyes
    Uitgeverij: Uitgeverij de Arbeiderspers (2024)
  • Almadhoun brengt lezer weer in contact met de werkelijkheid

    Almadhoun brengt lezer weer in contact met de werkelijkheid

    Dit is geen poëzie om bij achterover te leunen. Dit zijn gedichten die bijten en pijn doen en je dwingen om je blik niet af te wenden. De teksten en kanttekeningen van de Palestijns-Syrische dichter Ghayath Almadhoun drukken je met de neus op de vreselijke gevolgen van een wereld die in brand staat. Zijn gedichten zjn zo indringend dat het onmogelijk is om ze schouderophalend te vergeten. Almadhoun is geboren als zoon van een Palestijnse vader en een Syrische moeder in het grote vluchtelingenkamp Yarmouk in Syrië. Sinds 2008 woont hij afwisselend in Stockholm en Berlijn. Eerder vertaalde bundels van hem zijn Weg van Damascus en de bundel die hij samen met Anne Vegter schreef, Ik hier jij daar. Alle keren verzorgde Djûke Poppinga de vertaling uit het Arabisch. 

    Zijn gedichten gaan net als in eerdere bundels nog steeds over politiek, oorlog, vluchtelingen, discriminatie en uitzichtloosheid, maar hij is de liefde en de hoop daarbij niet uit het oog verloren, hoewel die nooit zonder bitterheid zijn.  Almadhoun houdt Europa een spiegel voor waarin het zichzelf niet durft te herkennen, zoals in ‘Ode aan het verdriet’: ‘We houden van je, Europa, o oud continent, ik weet niet waarom ze je oud/ noemen, want je bent jong vergeleken met Egypte en het land van Eufraat en Tigris. […] // We houden van je, Europa, en we houden van de vrijheid die je ons hebt/ gebracht toen we als vluchtelingen naar je toe kwamen en het racisme negeerden/ dat jij onder het tapijt probeert te schuiven als je de woonkamer aanveegt. […] // Jij, die de vernietiging van de Joden hebt/ bedacht, de Endlösung die ertoe heeft geleid dat ik als vluchteling ben geboren / in het Yarmouk-kamp voor Palestijnse vluchtelingen in Damascus, omdat je in/ al je schaamteloosheid met Palestina, mijn land, compensatie hebt betaald, als/ de oplossing voor de Holocaust die jouw witte inwoners, die geloofden in het zuivere arische ras, hebben uitgevoerd.’

    Choqueren vereist

    Almadhoun waarschuwt voor de parallel die getrokken kan worden tussen het racisme tegen de Joden in de Tweede Wereldoorlog en dat tegen de hedendaagse vluchtelingen: ‘Niemand wil ze hebben’. Hij is in deze bundel rechtstreekser dan in eerdere bundels, onverbloemder ook, met de bedoeling te choqueren omdat er anders niet geluisterd wordt. Hij schudt de mensen wakker die gezapig zijn ingedut bij de gruwelijke beelden die het journaal laat zien en waar niemand meer van opkijkt. De oorlog in Syrië, de talloze vluchtelingen en nu de oorlog in Gaza: Almadhoun zorgt ervoor dat de afstand van de lezer tot die gruwelijke gebeurtenissen wordt verkort. Het is zijn persoonlijk verhaal dat hij meedeelt. Het is poëzie die je als lezer beschaamd maakt omdat je dacht dat je met één knop het wereldleed kon uitschakelen. 

    Ook zijn liefdespoëzie is intens, als een verhaal uit ‘Duizend en een nacht’, de Arabische raamvertelling uit het Midden-Oosten, maar altijd wordt verdriet en bitterheid erdoorheen verweven: ‘Ik schrijf liefdesgedichten in de vorm van nachtmerries;’ zegt de dichter, zoals in het gedicht

    ‘Het blauwe marmer 

     Kom, het eten is klaar, de wijn staat kouden het bed is warm. Ik heb een paar
    bloemen langs de straat gedood, zodat mijn kamer tot leven komt. Hier ben ik, klaar om me voort te planten. Laat de bloem van
     het leven niet verwelken.
    Liefhebben is moeilijk als we niet weten hoe het moet, maar nog moeilijker als
    we het wel weten. Kom, misschien zullen we ons niet herinneren wat er in de
    toekomst gaat gebeuren en misschien zullen we, na al deze oorlogen, sterven van
    liefde.’ 

    Even indringend als zijn gedichten over de liefde voor een vrouw zijn de gedichten die vertellen over zijn liefde voor de stad Damascus. Voor de beschoten en afgebrokkelde stad van nu, maar ook voor de stad uit zijn herinneringen die met niets anders te vergelijken is. Steden als Berlijn en Stockholm kunnen de vergelijking met Damascus niet doorstaan. Vooral Stockholm moet het daarbij ontgelden vanwege de koude winters, de hypocrisie van de Zweedse staat: ‘Stockholm, Zweed als ze de belastingen innen, migrant als ik gelijkheid eis.’
    Met zwarte humor beschrijft Almadhoun zijn verblijf in Stockholm, het land waar hij toch de liefde heeft gevonden. Hij wil ‘om klimatologische redenen asiel in een warm land aanvragen.’ Het gedicht ‘Het barre land’ is een litanie van opsommingen die één voor één aangeven waarom de dichter zich ongelukkig voelt in dit voor hem vreemde land, waar hij nooit zal wennen en waar hij ook nooit echt deel van uit zal maken. Hij beschrijft het lot van de migrant die altijd tussen verleden en heden zal blijven dwalen, tussen het land van herkomst en het land van zijn keuze en die zich in geen van beide thuis weet.

    De ene ramp voor de andere

    Almadhoun brengt de lezer weer in contact met de werkelijkheid. Bij alle brandhaarden die nu zijn aangestoken op de hele wereld, lijkt het vaak alsof dat de ene ramp de andere uitwist of doet vergeten. De oorlog in Oekraïne, de burgeroorlog in Jemen, het geweld in Ethiopië, Nigeria, Myanmar: steeds als er één dodelijk conflict onder de aandacht wordt gebracht in de media, zijn we geneigd te vergeten dat het wapengekletter elders gewoon doorgaat. Dat geldt ook voor de oorlog in Gaza, in heel Palestina. 

    Almadhoun vestigt onze aandacht op alle geweld, alle oorlogen. Het feit dat hij de kans heeft gehad om naar Zweden te vertrekken, doet niets af aan het verdriet en het heimwee. ‘Jij zegt dat ik aan de oorlog ben ontsnapt. Nee, liefste, niemand ontsnapt aan/ de oorlog. Het is alleen zo dat ik niet ben gestorven. Ik ben blijven leven, dat is/ alles.’

    Het is de kracht van de poëzie van deze dichter dat hij de lezer dichterbij zichzelf weet te brengen, bij zijn verleden, zijn trauma en zijn verdriet. Heel even weten we weer wat oorlog aanricht, ook al hebben we het niet zelf meegemaakt. Het is wat we voelen bij de twee minuten stilte op de vierde mei. En als we de bundel dichtslaan, moeten we proberen dat gevoel vast te houden om ervoor te zorgen dat we niet vergeten. Dat is de boodschap die deze dichter brengt.

     

     

  • Literatuur in dienst van de strijd

    Literatuur in dienst van de strijd

    Drie Palestijnse mannen, drie generaties, één doel: een nieuw bestaan in Koeweit. Ze vinden elkaar in de verzengende hitte van een watertank, achterop een roestige vrachtwagen. In 1963 schreef Ghassan Kanafani (1936-1972) zijn beroemde roman Mannen in de zon. We zijn zestig jaar ‘verder’, en nog altijd – misschien wel meer dan ooit – kreperen overal in de wereld vluchtelingen bij hun zoektocht naar een beter, menswaardig bestaan.

    Ghassan Kanafani werd in 1936 geboren in het toenmalige Palestina. In 1948, na de ‘Nakba’, de ‘catastrofe’ – de verdrijving uit hun land na de stichting van de staat Israël – vluchtte zijn familie naar Libanon en vervolgens naar Syrië waar hij leraar werd in Koeweit. In 1960 keerde hij als journalist, schrijver en politiek activist terug naar Libanon. Hij schreef essays, korte verhalen en romans over de situatie van de Palestijnen in de jaren vijftig en zestig. Tot zijn dood in 1972 (vermoord door de Israelische geheime dienst) was Kanafani woordvoerder van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina. 

    Geëngageerd

    In haar nawoord schrijft vertaalster Djûke Poppinga dat volgens Kanafani literatuur in dienst moest staan van de strijd van de Palestijnen, ‘enerzijds om de gemeenschappelijke culturele identiteit te behouden en anderzijds om de geest van verzet onder de bevolking te verspreiden’. Die geëngageerde signatuur zien we beslist ook in Mannen in de zon. Het is een prachtig, compact verhaal over drie Palestijnen die vanuit Irak een illegale, levensgevaarlijke en kostbare sluipreis naar Koeweit ondernemen. De jongste is Marwaan, een adolescent die is opgegroeid in een vluchtelingenkamp en in Koeweit geld voor zijn familie wil verdienen. As’ad is qua leeftijd de middelste van de drie. Hij heeft de Nakba als kind bewust meegemaakt en zit vol opgekropte woede. Anders dan de oudste vluchteling, Aboe Kais, die zich bij de situatie heeft neergelegd en gelaten probeert er het beste van te maken. 

    Onafhankelijk van elkaar benaderen ze in Basra (Irak) ‘de dikke man’, een sluwe, cynische, sinistere vluchtelingenmakelaar met dollartekens in de ogen. En telkens is het diens graatmagere tegenpool, Aboe al-Khaizoeraan, die het vertrouwen weet te winnen van de vluchtelingen. Of hij dat vertrouwen waard is, komen we nooit te weten. Maar zijn prijs is beter en zijn verhaal klinkt goed: met een lege watertankwagen de grens over, waarbij ze alleen maar van een paar honderd meter vóór, tot een eindje na de grens in de tank hoeven te kruipen. In de smorende hitte van de Iraakse woestijn natuurlijk, dat wel. Maar dat is te overzien. Totdat de formaliteiten bij de grensovergang meer tijd in beslag blijken te nemen dan de smokkelaar had gehoopt. 

    Virtuoos

    Kanafani jongleert virtuoos met flashbacks en -forwards, waardoor de roman veel meer wordt dan een eenvoudige constructie van drie verhaallijnen, samenkomend in het gezamenlijke relaas van de smokkeltocht in de tankwagen. We leren de drie mannen kennen vanuit hun tragische verleden en uiteenlopende ambities. De naïeve Marwaan, die zich verantwoordelijk voelt voor zijn familie en zijn oudere broer wil navolgen, van wie zijn familie evenwel al tijden niets meer heeft gehoord. De strijdbare As’ad, die zich vernederd voelt. Niet alleen als Palestijn door de zionisten, maar ook door zijn familie, die hem tot een ongewenst huwelijk wil verplichten. En ten slotte de bedaagde, passieve Aboe Kais, die zich tegen wil en dank heeft laten opstoken door zijn vriend Saad ‘die als chauffeur in Koeweit had gewerkt en was teruggekomen met zakken vol geld’. Die hem verwijt dat hij ‘de afgelopen tien jaar niets anders heeft gedaan dan wachten’. 

    Je zou kunnen zeggen dat Kanafani in de gedaante van de drie mannen verschillende sentimenten symboliseert die kenmerkend zijn voor de Palestijnse diaspora. Als politiek activist zal hij zich het meest verwant voelen met de weerspannige generatiegenoot As’ad. Maar hij zal ook sympathie koesteren voor, en hoop vestigen op de optimistische veerkracht van de jonge Marwaan. En misschien zelfs begrip hebben voor de lusteloosheid van de door het leven murw gebeukte Aboe Kais. Volgens de vertaalster lijkt het erop dat Kanafani zijn lezers wilde voorhouden ‘dat het Palestijnse volk moest beseffen dat het alleen stond en daarnaar handelen’. Volgens Poppinga is de roman ook bedoeld als kritiek op ‘de gelatenheid waarmee de Palestijnen hun lot ondergaan’. Na de verschijning van Mannen in de zon in 1963 is het conflict tussen Israël en de Palestijnen alleen maar groter, grimmiger en uitzichtlozer geworden. Na de verschijning van deze nieuwe vertaling was de aanslag van Hamas, oktober 2023, op Israël het begin van een tragedie die alle voorgaande ellende lijkt te overschaduwen. 



  • In cartoons kan alles

    In cartoons kan alles

    ‘Snap je elke tekening tot nu toe?’ Dit vraagt Robert Schuit middenin zijn tekeningenbundel Er komt altijd een ei uit. Antwoordt de lezer met ‘ja’, dan moet hij alles opnieuw lezen. Luidt zijn antwoord ‘nee’, dan mag de lezer lekker verdergaan en heeft hij het blijkbaar begrepen: het gáát niet om snappen. Sterker nog, wie het snapt, snapt het juist helemaal niet. Absurdisme speelt vaker met onmogelijke interpretaties, waarmee het onder meer hoogdravende kunst en literatuur bekritiseert. Ook Schuit heeft kritiek op van alles en nog wat. Althans, als je zijn afbeeldingen denkt te begrijpen. Foei! Dus vooruit, ondergetekende volgt het gebod en heeft het boek inderdaad opnieuw gelezen.

    Het dilemma waarmee Schuit ons opzadelt (of je snapt mijn cartoons wel of je snapt ze niet), is een vals: sommige zijn hartstikke duidelijk, andere zijn totaal willekeurig en onpeilbaar. Daarmee houdt de cartoonverzameling het midden tussen vervreemdende illustraties en humoristische schetsen. Echt controversieel of ‘alles-of-niets’ wordt Er komt altijd een ei uit geen moment. Absurdisme verliest namelijk al snel zijn verrassingselement. Als alles kan, verbaast niets meer. Vooral wanneer de begrijpelijke cartoons tussendoor de ronkende belofte op een ‘naïef, onbevangen Universum’ niet inlossen. Met andere woorden: voor zover Schuit wel te volgen valt, deelt hij op zijn best buitenissige hersenspinsels en aardige grappen. Grappen die we bovendien al kennen van andere kunstenaars, tekstdragers en vervreemders. Leuk, maar voor buikpijn en lachsalvo’s is zwaarder geschut nodig.

    De cartoons die we snappen: leuk

    Er komt altijd een ei uit roept herinneringen op aan Gummbah, Kakhiel en Wim T. Schippers. Een groot glas pindakaas, je moet er maar op komen. Maar ook gezelschapsspellen inspireren Schuits pen en potlood. In het spel Cards against humanity moeten spelers een zin waar een lege plek staat, afmaken. Degene die de lege plek met de grappigste woordgroep invult, wint de ronde. Een absolute kanshebber bij dit spel zijn dode baby’s. Schuit tekent een zwart vlak en laat een onzichtbaar personage uitbrengen: ‘Doe maar even een lichtje aan. Het ligt hier bezaaid met babylijkjes. krak krak krak.’ Van kinderen moet de cartoonist überhaupt weinig hebben. ‘De ouders: Wij zijn dolblij met de geboorte van Milan. De buren: Wij niet.’ En waarom zou je Disney niet wat zwartgalliger maken? Overreden door een raceauto betreurt Donald Duck dat zijn handen en voeten bloedend naast zijn romp liggen. Hij zegt: ‘Naast het ravotten met de neefjes ga ik rukken denk ik het meest missen.’

    Nee, Schuit bedrijft bepaald geen kinderhumor. Maar is kindonvriendelijk – en dus grof – per se grappig? Soms wel. Grotendeels voelt Er komt altijd een ei uit als schieten met hagel. Gewoon zo gek en absurd mogelijk uit de hoek komen in de hoop bij iemand een lach te ontlokken. Hetgeen dan ook sporadisch lukt. Zo heeft Ieniemienie in een dronken bui de naam Paula op haar onderlip laten tatoeëren, stuurt Schuit in een officieel bericht de letter P op ‘zwangerschasverlof’ en maakt hij een ‘groesfoto’ van alle 25 overgebleven letters. Mannen met grote inhammen of een lelijke haargrens adviseert hij: ga heel dicht tegen anderen aanstaan, dan zien ze niet dat je kalend bent. Met de ‘WC-borstelsapdrinkers’ knipoogt Schuit naar Vincent van Gogh en zijn Aardappeleters. Waarom? Geen idee. En – waarschijnlijk – wederom de verkeerde vraag van een recensent die doodvermoeiend hermeneutisch te werk wil gaan. Schuit doet het gewoon. Waarna de lezer zijn schouders ophaalt.

    De cartoons die we niet snappen: die snappen we niet

    Bestond het woord ‘random’ nog niet, dan was het speciaal voor Schuits schetsen bedacht. De zee verdient geen medaille. Wat heeft zij ooit gepresteerd? En soep… is dat nou je vriend of je vijand? Handig trouwens, dat wolken, waterkranen, peren en duiven een berenpak kunnen aantrekken. Kijk bovendien uit met je natte boterham. Plak die nooit op je buik, maar altijd op je voorhoofd, zoals iedereen. ‘We leven van stoel naar stoel en ergens onderweg sterven we.’ Bindt Schuit hier nu de strijd aan met de oprukkende zitziekte? Het zou kunnen. Het zou ook niet kunnen. Naarmate de absurde tekeningen zich opstapelen, verliezen ze aan verrassingseffect. ‘Kleur de patat in alsof het friet is’, aldus een plaatje met witte patat. Schuit lijkt zich het meest te ergeren aan de veronderstelde tegenhanger van absurdisme: pretentie. ‘Op internet gevonden quotes als eigen wijsheid presenteren is als een dikmaakpak voor de ziel.’ Want dikdoenerij, daar houdt Schuit niet van. Toch?

    Eén valkuil van het absurdisme ligt echter voortdurend op de loer. Ook Er komt altijd een ei uit trapt erin. Wie zijn onbegrepenheid cultiveert en sublimeert, maakt zijn werk onbedoeld dweepzuchtig, navelstaarderig en richtingloos. Wie continu afgeeft op alledaagse kunst en literatuur, wekt de indruk hier geen feeling voor te hebben. Of, waarschijnlijker, er niet door te zijn erkend. De makkelijke remedie? Erop afgeven met ironische, absurdistische sneren die het publiek natuurlijk ab-so-luut niet serieus moet nemen. ‘De kunstenaar heeft aan de ene kant van de lijn een ei geplaatst en aan de andere kant de afwezigheid van iets. Een fascinerend werk.’ Dan zijn Schuits tragische tekeningen toch geslaagder, omdat ze het menselijk tekort vangen. Zo zegt een hondenbezitter tegen een ander: ‘Lijkt me echt niks om in de gevangenis te zitten. Dan maar geen mensen vermoorden, denk ik dan.’ Simpel, kort en veelzeggend, in plaats van complex, vaag en nietszeggend.

    Scharrel of legbatterij?

    Er komt altijd een ei uit, die titel verwoordt perfect de scheppingsdrang van Schuit. Linksom of rechtsom, hij moet en zal iets maken. Daarom maakt de bundel geen onderscheid tussen doordachte en ondoordachte tekeningen. Aangezien Robert Schuit te boek staat als een nihilistische en zelfs anarchistische schrijver, is dat volkomen logisch. Toch maken sommige tekeningen veel meer los dan andere. En het zijn niet de absurdistische die het meest blijven hangen. Absurdisme wordt nu eenmaal al heel gauw een onnodig ingewikkelde zoektocht naar waanzin, terwijl echte waanzin iemand gewoonweg overvalt. En dat maakt absurdisme dus per definitie gekunsteld. Onecht. Schuit excelleert in zijn eenvoudige tekeningen, met droge humor. De droogste grap speelt zich af, hoe kan het ook anders, op de oceaan. De laatste zonnestraaltjes verdwijnen nog net achter het opkomende water: ‘De stijgende zeespiegel had nu ook de zon te pakken.’

    Er komt altijd een ei uit. Het ene ei wordt een prachtig kuikentje, het andere eindigt in de pan met een klontje boter, reepjes bacon en een schijfje tomaat.

     

     

  • Oogst week 12 – 2024

    Verzet

    In Verzet schrijft Chris Keulemans (Tunis, 1960) over de strijders, de denkers, de slachtoffers en de leiders die hij ontmoet. ‘Het moment dat mensen tot verzet overgaan fascineert me. Wanneer klikken ze wakker? Wanneer kookt het onrecht over? Wat hebben ze nodig om in actie te komen – en wie? Wie worden de leiders, wat kenmerkt ze en heeft de beweging ze nodig?’ En: ‘hoe ontstaat de verbeelding van een wereld waarin de vijand niet bestaat?
    Overal zie ik mensen in verzet komen. Het onrecht valt ze van alle kanten aan. Ze weten niet waar ze moeten beginnen. Van een betere toekomst durven ze niet eens te dromen. Maar ze komen overeind. Ze zoeken bondgenoten. Grimmig verzet is het vaak, ontstaan uit wanhoop, woede en lijfsbehoud. Gedoemd te mislukken. Onmogelijk te weerstaan. Zoals in mijn geboortestad.’

    Keulemans schrijft al jaren over kunst, engagement, migratie, muziek, cinema en oorlog in boeken, kranten en tijdschriften (o.a. de Volkskrant, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer). Voor zijn publicaties reisde hij de hele wereld rond. In 2021 kwam zijn boek Gastvrijheid uit bij Uitgeverij Jurgen Maas waarin hij op zoek gaat naar de kunst van de gastvrijheid. Deze week verscheen bij dezelfde uitgeverij Verzet. Het boek wordt op zondag 24 maart a.s. gepresenteerd bij Boekhandel van Noord op het Buikslotermeerplein in Amsterdam. Daar zal hij geïnterviewd worden door Massih Hutak. Hutak is rapper en schrijver, zet zich in voor leesbevordering en geeft rap- en schrijfworkshops.

     

    Verzet
    Auteur: Cris Keulemans
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Nu in november

    Met haar roman Nu in november die oorspronkelijk in 1934 in de Verenigde Staten verscheen won Josephine Johnson een jaar later de Pullitzer Prijs voor fictie. Ze was toen 24 jaar.

    Nu in november is het verhaal van een gezin – vader, moeder en drie dochters – dat van de stad naar het platteland verhuist om een nieuw leven op te bouwen.

    […] ‘We verhuisden onze bedden mee in de huifkar. De auto was verkocht, evenals het leeuwendeel van onze inboedel. We hadden ons andere leven achtergelaten alsof het nooit had bestaan. Alleen wat we vanbinnen met ons meedroegen, de dingen die we hadden gelezen en in ons geheugen hadden opgeslagen, reisde met ons mee, samen met de boeken die we drie generaties lang hadden verzameld maar niet konden verkopen omdat de aarde al tot haar knieën in de boeken waadde. We verruilden een wereld die in de knoop zat, in de war was en zichzelf overschreeuwde voor een omgeving die even hard was en mensen net zo goed kon dwarsbomen of verjagen, maar waar je er ten minste iets voor terugkreeg. Dat gold voor de oude dan weer niet.’ […]

    Het leven op het platteland is zwaar, en er breekt een tijd van grote droogte aan.
    Nu in november is niet alleen het verslag van die moeilijke tijd door de ogen van een van de dochters, maar vertelt ook over klasse, ras, en klimaat en is daardoor nog steeds actueel.

    Nu in november
    Auteur: Josephine Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    De Parelduiker, 2024/1

    In het eerste nummer van dit jaar van De Parelduiker is het de beurt aan Julien Ignacio (Goudjakhals) om antwoord te geven op de door De Parelduiker aan jonge schrijvers gestelde vraag welke boeken of schrijvers op hen van invloed zijn (geweest), en op welke manier.

    Reinjan Mulder beschrijft de Amsterdamse jaren van de Duitse exilschrijfster Grete Weil: haar pijnlijke ervaringen als fotograaf in de Beethovenstraat, en haar onderduik in de stad. Nu de Hollandse Schouwburg, waar zij bij de Joodse Raad werkte, weer als gedenkplaats zijn deuren opent, vraagt Mulder zich af: hoe heeft Grete Weil zich twaalf jaar lang in Amsterdam staande gehouden?

    Voorts o.a.:
    – Als je geen toekomst hebt, stem je op het verleden’. Bulgaarse dichters en een nabije oorlog in Sofia (Jan Paul Hinrichs)
    -‘Huizen storten in, liefde verbleekt’. Rolland, Zweig en Martin du Gard boven het strijdgewoel (Bart Slijper)
    – In de rubriek De Laatste pagina: John Albert Jansen, 1954-2024 (Anton de Goede)
    – In de rubriek ‘Schoon en haaks’: Jan Paul Hinrichs bespreekt marginale uitgaven van en over Hein van der Hoeven & Diederik Gerlach, Harry Mulisch, Frieda Koch & Lucebert, Thomas Rosenboom, Ramón Gómez de la Serna, Hans Kleiss, Maurice Gilliams en F.C. Terborgh.
    – En nog veel meer.

    De Parelduiker, Tijdschrift over schrijvers, literatuur en hun geschiedenis
    Uitgever Van Oorschot
    Losse nummers €14,50
    Jaarabonnement €59,50 (digitaal: €36,75).

     

    De Parelduiker, 2024/1
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Oogst week 7 -2024

    De wachters

    In reactionaire tijden delven intelligentsia als eerst het onderspit. Sinds 1989 rust er een fatwa op Salman Rushdie, die een aanslag in 2022 ternauwernood overleeft. Anderen vergaat het slechter: Tahar Djaout (1954) wordt vóór zijn veertigste levensjaar geliquideerd door Algerijnse extremisten. Deze schrijver – tevens dichter, journalist en wiskundige – had immers het lef seculiere zinnetjes in zijn oeuvre te stoppen. Schrijver en werk hoeven niet per se dezelfde ideeën te uiten, maar bij fanaten van de Schrift vindt die stelregel geen weerklank. Djaout moest dood.

    Eén van zijn boeken die tegen fundamentalisme ingaan, luidt De wachters (Les vigiles, uit 1991). Centraal staat de geharde, verzuurde veteraan Menouar Ziada. Deze lepe opportunist scant zijn omgeving als een woestijnvalk. Ook de goedaardige uitvinder Mahfoudh Lemdjad verliest hij geen moment uit het oog. Druk bezig met bureaucratische klusjes, formulieren en patenten vormt Lemdjad een levensgevaarlijke dreiging voor Ziada en andere oud-veteranen. Althans, dat geloven zij. En die overtuiging doet rare dingen met hen. Tahar Djaout zou het later zelf ervaren.

    De wachters
    Auteur: Tahar Djaout
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Het boek van de zwaan

    Zwanen inspireren niet alleen Tsjaikovski en Aronofsky tot kunst. Alexis Wright schrijft in 2013 The Swan Book, dat tien jaar later in Nederland verschijnt onder de titel Het boek van de zwaan. In Australië geniet Wright grote vermaardheid: haar fictie en non-fictie winnen vele prijzen. Haar literaire bijdrages aan het erfgoed van de Aboriginalcultuur (waar zij zelf een afstammeling van is) leveren zelfs de Lifetime Achievement of Literature op. In Het boek van de zwaan volgen we het meisje Oblivia. Zij leeft in een dystopisch Australië dat ten onder dreigt te gaan aan klimaatverandering.

    Klimaatfictie is actueel. Klimaatfictie vanuit het perspectief van tweedegraads onderdrukten, zoals vrouwelijke Aboriginals, is nog actueler. Achtergestelde bevolkingsgroepen wereldwijd ondervinden immers al decennia de fatale gevolgen van global warming. Wright combineert traditionele verhaalelementen met magisch-realisme, orale verteltraditie en passages over zwarte zwanen, aan Oblivia verteld door de Europese vluchteling Bella Donna. Deze zwanen inspireren de getraumatiseerde Oblivia tot een vlucht die ze nooit voor mogelijk hield. En dat is nodig ook, na een brute ontvoering.

    Het boek van de zwaan
    Auteur: Alexis Wright
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando

    Moet het zo

    Tegenwoordig lijkt ieder onderwerp een podcast te verdienen in plaats van andersom. Voor een goede poëziepodcast kun je gelukkig terecht bij dichter, vertaler en performer Daan Doesborgh (1988). Sterker nog: hij maakte er al vijf! Vijf jaar lang was hij bovendien stadsdichter van Venlo (2006 – 2011). Daarnaast trad hij op bij diverse festivals en werden zijn gedichten door onder meer NRC en Het Parool geprezen. Ilja Leonard Pfeijffer en Gerrit Komrij reserveren zelfs plek voor Doesborghs gedichten in hun bloemlezingen van de 21ste-eeuwse poëzie. Moet het zo is de recentste bundel van de Tirade-redacteur.

    De titel Moet het zo klinkt als een spagaat tussen experimentele en traditionele dichtkunst. Hoe zelfverzekerd Doesborghs verzen ook lijken, zijn twijfel is nooit ver weg. Zowel thematisch als stilistisch wisselt de dichter dan ook regelmatig van benadering. Nu eens ouderwets, strak en klassiek, dan weer avant-gardistisch, vrij en associatief. Bovendien blijkt Doesborgh verfrissend geëngageerd: gedichten mogen heus wel ergens over gaan. Een dichter hoeft niet alleen maar ijdel doch wereldvreemd te navelstaren. Moet het zo gechargeerd? Geen idee. We mogen het eind februari ontdekken!

    Moet het zo
    Auteur: Daan Doesborgh
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot
  • Helemaal alleen in een mistige stad

    Helemaal alleen in een mistige stad

    De Oeigoerse auteur Perhat Tursun (1969) werd in 2018 door de Chinese autoriteiten opgepakt. Sindsdien is er niets meer van hem vernomen. Hij zou tot zestien jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld. De details van zijn veroordeling en gevangenschap zijn nooit openbaar gemaakt. Wellicht was een vroege versie van zijn roman De achterstraten die eerder op internet verscheen de aanleiding. Tursun schreef zijn boek in 1990-1991. In 2005 heeft hij de roman herzien en in 2015 voltooid. In een lange inleiding legt de Amerikaanse antropoloog Darren Byler uit dat hij lang gewacht heeft met het publiceren omdat aandacht voor het werk van Tursun de kans op arrestatie van Tursun en zijn anonieme Oeigoerse vertaler zou vergroten. Maar nu er al zo lang niets meer van hen is vernomen, heeft hij besloten tot publicatie over te gaan. Byler: ‘Ze verdienen het te worden gehoord.’

    De achterstraten speelt zich af in de Oeigoerse stad Ürümqi, een stad die bekend staat om zijn zware industrie en luchtvervuiling. Tursun laat zijn naamloze hoofdpersoon door deze vieze stad dwalen: ‘Het zou nog even duren voordat de zon onderging, maar in Ürümqi komt de zon nooit echt op. Hij lijkt altijd weg te vallen in een allesoverheersende duisternis.’ Eindeloos dwaalt de man door de stad met dichter wordende mist: ‘Ik keek aandachtig naar silhouetten van mensen in de mist. Sommige van hen, gekleed in het wit en één of twee meter bij mij vandaan, leken te flikkeren als weerspiegelingen in troebel, stromend water, alsof ze op lucht liepen. De mensen die in het zwart gekleed waren zag je pas als ze recht voor je stonden.’

    Vriend of vijand

    De hoofdpersoon vindt na zijn studie in Beijing in Ürumqi een baantje met een proeftijd op een stinkend en slecht verlicht gemeentekantoor, geleid door Han-Chinezen. Een sleutel krijgt hij niet. En een woonplek hoort niet bij de functie, ondanks dat er meerdere ruimtes in het gebouw leeg staan. Zijn collega’s kijken niet naar hem om. Zijn leidinggevende voelt zich ver boven hem verheven: ‘Met mij praten was niet alleen zonde van zijn eigen tijd, maar was eigenlijk een misdaad, omdat hij de tijd van zijn volledige etnische nationaliteit verdeed (…) Hij vroeg me uit te leggen waar ik goed voor was.  Ik zei hem dat ik in staat was te leven. Want ja, het mooiste ter wereld is leven. Er is niets mooiers dan leven! Wat hem het meest dwarszat, was dat ik leefde.’

    Als hij niet op kantoor zit, dwaalt hij door de mistige stad. ‘Vanuit het niets rende er een rat voor me uit, hij verdween als een kogel in het vuilnis. (…) Zoals de rat door het afval schoot, zo bewoog ik me door de stad. Net als hij was ik zoek naar eten, en als mijn maag gevuld was, wilde ik niets anders dan slapen.’

    De behandeling als tweederangsburger maakt dat de hoofdpersoon zich alleen voelt. Ontmenselijking is het thema van het boek. Op meerdere plaatsen komt de volgende bezweringszin terug: ‘Ik ken niemand in deze vreemde stad, dus ik kan onmogelijk iemands vriend of vijand zijn.’ De leidinggevende Han-Chinees beschouwt hem als inferieur door zijn uiterlijk en de taal die hij spreekt. Zo leeft hij in een sociaal isolement. Hij is helemaal op zichzelf aangewezen. Toch lukt het hem om te overleven in smogstad Ürümqi, door gebruik te maken van soms irreële, maar voor hem belangrijke en doelmatige overlevingstechnieken.

    Ontmenselijking

    In de inleiding vertelt Byler hoe de Chinese autoriteiten al jaren bezig zijn de Oeigoeren te ontmenselijken. Sinds 2017 zijn er honderdduizenden Oeigoeren ‘verdwenen’ in interneringskampen in Noordwest China – een gebied dat in het Chinees bekend staat als de provincie Xinjiang, of ‘Nieuw Grensgebied.’ De eveneens verdwenen Perhat Tursun schreef vijftien jaar aan De achterstraten. Hij observeerde hoe de beeldvorming van Oeigoeren als lagere diersoort ontstond, zoals religieuze Oeigoeren afbeelden als ratten die door mensenmassa’s achterna gejaagd worden. Byler vertelt over zijn gesprekken met Tursun. In de roman treedt de mist in de stad op als een soort personage. De mist zorgt voor een verstikkende sfeer. In zijn boek wil Tursun uitleggen hoe vervreemding verbonden is aan mentale gezondheid en etnisch nationalisme. Hij vertelt ook dat hij graag Albert Camus las: ‘Ik ben heel erg beïnvloed door De pest. Ik las het steeds opnieuw en nog steeds voelt het alsof elke zin iets belangrijks zegt.’

    Dit boek maakt invoelbaar hoe Tursun zich gevoeld moet hebben. In De achterstraten beschrijft hij een leven in de marge en een gebrek aan medemenselijkheid. In breder perspectief vraagt het boek aandacht voor het lot van duizenden verdwenen Oeigoeren. Dat we niet weten hoe het met de schrijver is, maakt het lezen van deze roman zeer intens.

     

     

  • Slechts een bezoeker?

    Slechts een bezoeker?

    Er staat een man voor de deur die het toneelstuk Droefheid der dingen van Erhan Aksoy maar liefst 157 keer heeft gezien. Daarmee begint het boek De laatste voorstelling van de Turks-Nederlandse schrijver Şaban Ol. Aksoy, de ik-figuur in de roman, noodt de man die voor zijn deur in Istanbul staat binnen voor een kop koffie. Koffie is in Turkije onder andere het symbool voor vriendschap. Maar Aksoy wil hem vooral ontfutselen wat het geheim is om 157 keer naar een opvoering van hetzelfde stuk te gaan. 1 + 5 + 7 = 13, denkt de lezer, net als koffie ook een symbool, in dit geval het ongeluksgetal.

    Met die symbolen wordt aan de lezer meteen al veel weggegeven: (vermeende) vriendschap en ongeluk spelen dus een rol in deze debuutroman. Maar pas op: Aksoy is een wat naïef personage, dus of hij door heeft dat het die kant op gaat, is nog maar de vraag. Wat hij uit de mond van de bezoeker, Ender (Zeldzaam), wil horen zijn eerder toverachtige woorden over wat de toeschouwer van het toneelstuk in de ban houdt. In plaats daarvan plaatst deze – ‘slechts een bezoeker’ zoals de stalker zichzelf onschuldig omschrijft – allerlei kanttekeningen bij het toneelstuk: meer visuele elementen zou het stuk goed doen, geen pauze óók. Dan wordt het nog epischer, zegt de man die Droefheid der dingen omschrijft als ‘een mijlpaal in de geschiedenis van het Turkse theater’. Theater dat een synthese is van episch theater, traditioneel Turks theater en storytelling. Toch is het stuk dat al zo lange tijd wordt opgevoerd niet de redding van het theater in Turkije, meent hij. Dat moet iets anders zijn.

    Ender, Aksoy en Cafer

    Wat dan wel? Ender lacht op momenten dat andere bezoekers dat niet doen. Hoe komt dat? Het is een van de vele absurdistische trekjes in de roman. Zou stiltes inlassen inderdaad helpen? Dat werkt niet, denkt Aksoy – dat is iets voor Westers regisseurstoneel. Actuele grappen dan? Die zijn er genoeg. Om te beginnen gaat dan de pauze er maar uit, tot groot ongenoegen van Cafer, de uitbater van het theatercafé, die zo niets meer verkoopt. Ook Cafer begint met het geven van adviezen: drankjes in de pauze verkopen geeft ‘een perfect Verfremdungseffekt’ zoals vroeger in de openluchtbioscopen werd gedaan. Bedoeld om je niet al te zeer te kunnen inleven in de personages. Volgens Ender is het immers ook ten aanzien van toneel en andere kunsten de bedoeling dat het nationale bewustzijn over de werkelijkheid in de maatschappij wordt verscherpt.

    Cafer verkoopt – nog weer zo’n mooi detail – alleen maar nationale producten. ‘Leve de lokale producten! Leve de onafhankelijke kunst!’ Twee tegenstrijdige uitlatingen, want de (toneel)kunst in Turkije is verre van nationaal en onafhankelijk. Waarop Cafer op het toneel (!) een heel vertoog houdt over Turkije dat geen identiteit meer heeft, geplet tussen Europa, Azië en Amerika als het is. Aksoy gaat er heftig tegenin en voelt zich een figurant zonder inhoudelijke rol op zijn eigen podium. Een enorm boegeroep is zijn deel.

    Of heeft hij gedroomd, van die lokale, Turkse koffie? Cafer heeft het de volgende dag namelijk opeens over Nescafé Gold en Coca-Cola. Net zoals er volgens Aksoy zoiets bestaat ‘als open theater en theatrale werkelijkheid’. Dat laatste blijkt wanneer hij in een inmiddels als louche bekend staande nachtclub in de kosmopolitische wijk Beyoglu van Istanbul belandt. De voorloper van deze club, enkele decennia geleden, speelt een rol in Droefheid der dingen. Aksoy wordt beroofd en geslagen. Op het politiebureau doet hij aangifte. De politie herkent hem niet als een bekend schrijver, houdt hem voor dealer, beticht hem van verboden wapenbezit en stopt hem in een cel. Het absurdisme ten top. Een misverstand, een nachtmerrie, een slecht toneelstuk, een spel dat wordt gespeeld, meent Aksoy.

    Het eind is nog niet in zicht. Van het Ministerie van Cultuur krijgt Aksoy een lijst van gedeeltes uit het toneelstuk die hij wegens vermeende slang en scheldwoorden moet aanpassen. Als hij dit niet doet, volgt een boete. Er wordt ook gedreigd met sluiting van het theater. Aksoy wordt verweten dat hij sprookjes vertelt die tot de verbeelding spreken, weg van de werkelijkheid. Het theatergebouw wordt inderdaad gesloten. Aksoy krijgt een gevangenisstraf van twaalf jaar en drie maanden en vraagt zich af waarom de politie zo bang is voor een clown als hij, die de mensen alleen maar wil vermaken en niets meer dan dat.

    Saban Ol, Turkije en Nederland

    De tijd waarin de roman van de Turkse schrijver Şaban Ol (1962) speelt, wordt in het midden gelaten, al komen er gebouwen en dergelijke in voor die niet meer bestaan. Het is aannemelijk dat het om de periode voor 1978 gaat, toen Ol Turkije verliet en naar Nederland emigreerde. In Nederland studeerde hij in 1989 af als regisseur aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. In 2000 richtte hij Theater RAST op, het huisgezelschap van Podium Mozaïek in Amsterdam.
    Hij schreef ook toneelteksten, vertaalde Nederlandstalig toneel in het Turks en maakt nu zijn debuut met een geslaagde roman die zich onder meer laat lezen als een absurdistische allegorie op de repressieve toestand in Turkije.

    Je kunt het verhaal dan ook haast een-op-een op de recente(re) Turkse politieke geschiedenis leggen. Neem bijvoorbeeld de vraag wie de ‘echte’ Ender is. De naam Ender doet zowel aan Erdogan denken als aan Ergenekon, de naam voor een schimmige groep die de APK-regering ten val zou willen brengen. Maar het is ook de stalker die uiteindelijk met zijn idool, Aksoy, zou willen samenvallen. Net zo dubbel dus als de uitlatingen van Cafer.
    Het zijn deze lagen die de absurdistische roman rijk maken. Ol schreef zijn boek in het Turks dat door Erhan Gürer in mooi Nederlands werd vertaald. Een roman over de vraag voor wie Aksoy nu eigenlijk zijn Droefheid der dingen schreef: voor het publiek, voor zijn land of primair voor zichzelf? Een roman over verbeelding en werkelijkheid, clowns, sprookjes en de rol van onafhankelijke kunst in onze tijd. Of het nu in Turkije of in Nederland is.

     

     

  • ‘Liegen is de laatste brug naar redding zonder hoop’

    ‘Liegen is de laatste brug naar redding zonder hoop’

    In Ten oosten van de Middellandse Zee schetst Abdelrahman Munif een deprimerend beeld van het leven in, vermoedelijk, Saoedi-Arabië. Hoewel zijn boek al in 1975 is verschenen, heeft het niets aan actualiteit ingeboet. Het is dan ook zonder meer prijzenswaardig dat het boek in Nederland werd uitgegeven, niet alleen vanwege de beschrijving van het ijzingwekkende karakter van een politiestaat, maar vooral ook vanwege de literaire schoonheid van het boek. Het is werkelijk prachtig.

    ‘Feest’

    Na vijf jaar de meest afschuwelijke martelingen te hebben ondergaan die zijn gezondheid hebben verwoest, breekt Radjab. Zijn laatste ankers zijn weggeslagen. Zijn moeder, ‘een rots harder dan alle andere rotsen’, is overleden en zijn vriendin, ‘zijn hoopvolste verbinding met de vrije wereld’, gaat trouwen met een ander. Radjab, opgepakt tijdens een demonstratie, bekent en tekent een verklaring waarin hij zich bereid verklaart te spioneren onder studenten. In ruil daarvoor wordt hij vrijgelaten en mag hij zich in Frankrijk door een arts laten behandelen. Na twee maanden moet hij terugkomen en zal hij zijn eerste opdracht krijgen. En, ‘denk erom, ook in het buitenland weten we je te vinden’, wordt hem helder duidelijk gemaakt. Hij is nu een verrader, niet alleen in de ogen van zijn kameraden in de gevangenis, die vermoeden dat hij getekend heeft, en in de ogen van de buitenwereld, maar vooral in zijn eigen ogen.

    De nacht na zijn vrijlating zal het, zoals de gewoonte is, ‘feest’ zijn in de gevangenis. ‘Feest’ betekent in het jargon van de bewakers dat zijn vroegere maten ongelimiteerd gemarteld zullen worden om hen te bewegen het ‘goede’ voorbeeld te volgen van Radjab. Gebroken komt Radjab aan in het huis van zijn zus, Aniesa, voortaan zijn enige venster op de wereld. Na een verblijf bij haar van een paar dagen, vertrekt Radjab met de Aischylos, een Grieks schip, naar de vrije wereld ten westen van de Middellandse Zee. Hij heeft zijn geheime aantekeningen over zijn verblijf in de gevangnis aan Aniesa in bewaring gegeven en haar moeten beloven brieven te schrijven.

    Ten westen van de Middellandse Zee

    Munif voert de Aischylos op als een levende entiteit met wie Radjab voortdurend in gesprek is. De Aischylos is vernoemd naar de beroemde Atheense tragedieschrijver uit de klassieke Oudheid, die de strijd van de vrije Griekse wereld (d.i. het Westen) tegen de tirannieke Perzen (d.i. het Oosten) in een tragedie heeft vervat. Op de Aischylos reflecteert hij op zijn leven, zijn jeugd, zijn moeder, zijn vernederingen en martelingen in de gevangenis, het lot van zijn kameraden en van Aniesa en haar man en kinderen. Radjab speelt met de gedachte een boek te schrijven over het leven in de gevangenis, en naar Genève af te reizen om internationale aandacht voor zijn ervaringen te vragen. Dat lijkt hem het enige dat hij kan doen om in het reine te komen met zijn verraad. In Frankrijk ondergaat hij een medische behandeling bij een arts, die, als Radjab zijn hart bij hem uitstort, lijkt te begrijpen wat hij in de gevangenis heeft doorgemaakt. De arts blijkt echter meer met de verwerking van zijn eigen verdriet bezig te zijn als hij vertelt dat hij zelf zijn hele familie verloren heeft in de oorlog en hem adviseert zijn verdriet om te zetten in haat. Na drie maanden is Radjab nog steeds niet terug. Via een tussenpersoon hoort hij dat zijn zwager inmiddels is opgepakt. Aniesa smeekt hem naar huis terug te keren. Kennelijk is zijn bekentenis door het regime inmiddels doorgespeeld aan de pers, want als een student hem vraagt: ‘Heb jij niet in de bak gezeten en ben je niet vrijgelaten nadat je in de pers hebt verklaard dat ….?’, antwoordt Radjab stamelend: ‘Ze hebben me vrijgelaten omdat ik ziek was. Ze hebben me met geweld gedwongen te bekennen.’ Hij wist echter dat hij loog. Er kwam helemaal geen geweld aan te pas toen hij tekende. Ze waren voorkomend en vriendelijk geweest. Ze hadden zelfs tegen hem geglimlacht. ‘Liegen is de laatste brug naar redding zonder hoop’, raast het door het hoofd van Radjab. Een voor een verlaten de studenten dan de zaal.

    Aantekeningen uit het dodenhuis

    Radjab besluit naar huis terug te gaan. Hij blijkt opnieuw te varen met de Aischylos. Nu is het echter geen vriend die hem de vrijheid brengt, maar een stom schip dat hem terugvoert naar de kerkers. Terug in het liefdevolle huis van zijn zus Aniesa en haar kinderen stort hij zich op het lezen van Aantekeningen uit het dodenhuis van Dostojevski. In deze aangrijpende roman doet Dostojevski verslag van zijn verblijf in een Siberisch strafkamp. Al snel wordt Radjab opnieuw gearresteerd, gemarteld en uiteindelijk, meer dood dan levend, blind afgeleverd bij zijn zus, die hij wil dwingen zijn papieren met aantekeningen te verbranden. Kort daarna komt hij te overlijden.

    ‘Tranen zijn de laatste korrels aarde waarmee een dode wordt geëerd.’

    Munif vertelt het verhaal afwisselend vanuit het perspectief van Radjab en van Aniesa. Het wordt daardoor geplaatst in een tedere en liefdevolle context en verzacht het beklemmende karakter ervan. Bovendien wordt de solidariteit met Radjab nog eens versterkt door de onvoorwaardelijke steun van het gezin van Aniesa, zijn zwager Hamid voorop. De solidariteit van Aniesa gaat zelfs zover, dat zij, tegen de uitdrukkelijke wil van haar broer in, zijn papieren niet verbrandt, maar bewaart en het land uit smokkelt om ze in het buitenland in hun oorspronkelijke staat te publiceren ter nagedachtenis aan Radjab.

    Door de Aischylos zo’n prominente rol te geven in het verhaal als aanspreekpunt voor Radjab krijgt het verhaal een meer filosofische diepgang door zijn worsteling met begrippen als verraad en eigenwaarde.

     

  • Driewerf rosé!

    Driewerf rosé!

    Welk menselijk orgaan komt het vaakst voor in Nederlandse muziek- en filmtitels? Wie denkt aan het mierzoete Hart van mijn gevoel, Mannenharten, Hartenstraat en Vechtershart, weet dat slechts één antwoord klopt. Ook in boektitels komt het terug, bijvoorbeeld in Een hart van steen van Renate Dorrestein en De zwarte met het witte hart van Arthur Japin. Onlangs verscheen Flessenhart van Robert Schuit, alias Joubert Pignon. In deze korteverhalenroman probeert een naamloze ik-persoon de rosé eeuwig te laten staan, de liefde te vinden en zijn vader bij te staan in zijn stervensproces. Gerda Blees merkte ooit op met Schuit te willen trouwen, puur vanwege zijn goede verhalen. Steelt de schrijver met dit boek ook de harten van andere lezers?

    In Flessenhart blijkt Schuit de Herman Brusselmans van het korte verhaal. Hij zuipt zich een ongeluk, verprutst liefdesrelaties en maakt zijn eigen schrijverschap belachelijk door één bewuste stijlfout, het pleonasme, consequent toe te passen. Daarmee verklaart hij zijn schrijverschap bijna als overbodig. Tegelijk vormt zijn zelfkritiek helaas een slap excuus om iedereen de maat te nemen. Uiteraard lopen daarbij feit en fictie continu door elkaar heen. Hoe grappig, subtiel en welbespraakt hij de satire zo nu en dan ook opdist, het cliché van de meelijwekkende navelstaarder verrast onvoldoende. Het sterkst blijven zijn bondige, simpele grappen en oprechte hartenkreten. Tegen zijn nog ongeboren kind zegt hij: ‘Mijn zoon, mijn zoon, mijn zoon, vergeef me alles en neem pas wraak als ik niet meer weet wat ik allemaal deed, ik vergeef jou nu al alles.’

    Writer’s slok

    De titel van het eerste hoofdstuk luidt Klok klok. Dan weet iedereen hoe laat het is, behalve de hoofdpersoon, die half in een delirium verkeert. Rick Honings noemt Herman Brusselmans in zijn biografie de ‘Majoor van het Menselijk Leed’. Daarbij vergeleken is Robert Schuit eerder de ‘Soldaat van het Sombere Leven’. Met zijn drankzucht en depressieve aanleg is hij niet bepaald aantrekkelijk huwelijksmateriaal: ‘Ga ik liggen, dan lig ik meteen twee weken.’ Uit het hoofdstuk De vrouw die blijkt dat vierentwintig vrouwen hem reeds verlieten: ‘De vrouw die walgde van mijn lichaam. De vrouw die net zo lang tegen me zweeg totdat ik ging. De vrouw in wier gezicht ik een gymtas smeet.’ Met één dame, die hij naar schrijver Klaas Knooihuizen noemt, lijkt het eindelijk te lukken, ondanks zijn zelfhaat: ‘Ik begon te huilen, midden op straat, uit schaamte dat ik besta en ruimte inneem.’

    Samen bezoeken ze een Brussels museum, waarover Schuit droogjes en pleonastisch opmerkt: ‘We zien kunst van kunstenaars die kunst maken die over kunst gaat.’ Later zegt hij: ‘Een schrijver die over schrijven schrijft, het is ondenkbaar.’ Toch barst Flessenhart van dit soort metafictie. In Ach ja overziet hij de ijdelheid van zijn leven: ‘Er was liefde, er waren nederlagen, ik maakte wat dingen, maar deed vooral meestal niets.’ Omdat er in het boek amper iets interessants gebeurt, dreigt de bundel zelf overbodig te worden. Wie echter kijkt naar de talloze pleonasmen, ontdekt dat Schuit juist de overtolligheid viert: ‘eeuwigdurende lemniscaat’, ‘Als je poëzie leest in de trein komt niemand naast je zitten. Ik zit in de trein, lees een poëziebundel en niemand zit naast me’, ‘Naast me ligt een natte theedoek. Zelf ben ik ook nat. Met de theedoek kan ik me niet afdrogen. De theedoek is nat.’

    Ironiet zo origineel

    Er is iets opvallends aan de hand met schrijvers die zichzelf verachten. Wie continu slachtoffer is van smaad, mag blijkbaar onbeperkt uitdelen. Schuit doet dit veelal met ironische plaagstootjes. Met name succesvollere collega’s Anton Dautzenberg en Anne-Fleur van der Heiden moeten het ontgelden. Sowieso bestaat het hele literaire circuit volgens hem uit ijdeltuiten, zoals bij een poëzieavond: ‘Een dichter die nog vaker het woord ‘ik’ gebruikt dan ik zorgde ervoor dat hij op iedere foto te zien is.’ Ook over een vrouw die niet kan lachen om een racistische mop – zo flauw – heeft hij een mening. Wanneer Schuit dronken in Enkhuizen belandt, omdat hij pas bij de allerlaatste halte van de nachttrein uit zijn roes ontwaakt, treft hij een zwerver aan bij een speeltoestel: ‘Omdat ik niet racistisch wil overkomen zal ik zijn huidskleur niet vermelden.’ Uiteraard is dat allemaal “satirisch”. Toch?

    Het spel tussen feit en verzinsel in Flessenhart verwordt tot een uren durend potje Monopoly, waar eigenlijk maar één iemand plezier aan beleeft: Robert Schuit zelf. Om dit pijnlijke gegeven te omzeilen, ridiculiseert hij het trucje maar weer in een geforceerde dialoog met vriend Harold: ‘Maak je je het jezelf niet te lastig, Joubert, door fictie en werkelijkheid zo door elkaar te laten lopen? Ik: Robert. Ik: Ik heb mezelf wel een beetje in een hoek geschilderd. Ook nu weer, door dit gesprek in dialoogvorm weer te geven. Nu niet bepaald mijn sterkste punt. Harold: En het is allemaal wel erg zelfverwijzend geworden. Geen idee of je verhalen nog wel voor iemand anders dan jezelf leuk zijn. Of denk je daar nooit over na?’ Vermoedelijk heeft Schuit hier juist te veel over nagedacht. Waar hij dit vermoeiende spel loslaat, houden de eenvoud, warmte en humor Flessenhart leesbaar.

    Bottleneck

    Gelukkig bevat Flessenhart genoeg korte verhalen die de eenheid van één grap of één mooi gevoel eerbiedigen. Op het moment dat Schuit verneemt vader te worden, draait hij compleet door. Deze onheilspellende zinsherhaling, die doet denken aan The Shining (‘All work and no play makes Jack a dull boy’), vult een halve pagina: ‘Ik google niet op ‘babygevechten organiseren’. Ik google niet op ‘babygevechten organiseren’. Ik google niet op ‘babygevechten organiseren’. Ik google niet op ‘babygevechten organiseren’. Ik google niet op ‘babygevechten organiseren!’’

    Wanneer Robert een familiefoto erft van zijn recent overleden grootouders, zegt hij: ‘Nog even en dan zijn alle mensen op de foto dood en weet niemand dat we ooit bestonden. De foto zal op een rommelmarkt worden gekocht door iemand die op zoek is naar een ironisch cadeau, waarna we op een verjaardag zullen worden uitgelachen om onze kleding.’ Sterven was nog nooit zo luchtig… Ook het besef dat Schuit spoedig zijn vader zal verliezen aan kanker, wordt even simpel als schitterend beschreven: ‘En ik zal altijd van mijn vader houden, en hij van mij, en we hebben dit tegen elkaar gezegd. (…) Als een zoon tegen zijn vader ‘Ik houd van je’ kan zeggen en een vader tegen zijn zoon ‘Ik houd van je’ heeft kunnen zeggen, dan is dat perfect. Perfect.’

    Robert Schuit overtuigt het meest als hij zijn motto van Kasey Anderson in praktijk brengt: ‘…you might as well just say it.’ Zegt hij gewoon wat hij op zijn lever heeft, dan is het boek perfect. De grote ambities van Flessenhart rondom metafictie en satire vormen echter een moeilijk te negeren bottleneck.

     

     

  • Grappen maken behoort tot de essentie van de Egyptische cultuur

    Grappen maken behoort tot de essentie van de Egyptische cultuur

    Vragen als ‘Wie ben ik?’ en ‘Waar hoor ik eigenlijk bij?’ zijn natuurlijk van alle tijden. Alleen in sommige tijden dringen ze zich meer op, vooral in tijden van grote beroering en het wegvallen van vaste structuren. Zo zijn in Gelderland historici zich gaan bezinnen op hun eigen Gelderse geschiedenis, omdat de vaste structuur van de indeling van de geschiedenis van Nederland ter discussie is komen te staan. Zo was de Gouden Eeuw voor de inwoners van Gelderland absoluut niet van goud. Dit is een gevolg van de groeiende bewustwording van de kloof tussen stad en platteland. Afstammelingen van tot slaaf gemaakten zien in de geschiedenisboeken bitter weinig terug van de geschiedenis van hun voorouders. Een gevoel van vervreemding is steeds vaker een sleutelwoord in het leven van veel mensen. Bier in de snookerclub is helemaal gewijd aan dit soort identiteitsvragen.

    Bevlogenheid en liefde

    De hoofdpersoon in het boek, Ram, is een koptische Egyptenaar van rijke komaf, al heeft zijn vader door foutieve speculaties op de beurs zijn vermogen grotendeels verloren. Hij heeft een goede, dat wil zeggen, Britse opleiding genoten. Hij adoreert grote moderne Britse schrijvers en instituten als Shaw en The Fabians en deelt hun vooruitstrevende gedachtegoed. Als de aartsconservatieve koning Faroek wordt afgezet tijdens een militaire coup door Nasser, zijn Ram en zijn vrienden enthousiast, zeker als Nasser het Suezkanaal nationaliseert, dat in handen is van de Engelsen. Nasser bepleit een soort Arabisch socialisme. In het conflict rond het Suezkanaal verliezen Ram en zijn vriend Font bij gevechten met de Britten een paar goede vrienden. Dat het streven van Nasser verder ten koste gaat van de rijkdom en macht van de zittende elite, waartoe ook zijn eigen familie behoort, vindt Ram vanzelfsprekend. Zijn vriend Font verklaart zich solidair met de armen en heeft zelfs zijn studie opgegeven en is in een arme wijk gaan wonen waar hij op straat werkt voor de kost als sinaasappelverkoper. Zover gaat Ram niet. Font wordt hiervoor door Ram uitgelachen. Hoewel Ram voortdurend de draak steekt met zijn tante, zijn moeder en zijn neef Mounir, vanwege hun domheid en benepen schraapzucht, profiteert hij wel van hen. Als een echte klaploper leeft hij op de zak van zijn tante en brengt een groot deel van zijn tijd door met gokken, kletsen met vrienden en drinken in snookerclub Groppi. Als ook de revolutie van Nasser op sociaal gebied niet veel anders weet te brengen dan in dure auto’s rondrijdende militaire bobo’s, die steeds meer de chique clubs in Caïro frequenteren, wordt de desillusie over mogelijke veranderingen alleen maar groter. Ram zakt steeds verder weg in een perspectiefloos cynisme. Er is slechts één persoon die hem daaruit weet te tillen en dat is zijn grote liefde Edna.

    Edna is de enige dochter van een steenrijke Egyptische, Joodse zakenman met bedrijven over de hele wereld. Als een echte kosmopoliet met Engelse opvoeding hoort Edna eigenlijk nergens thuis. Zij is een ontwikkelde vrouw met dezelfde literaire belangstelling als Ram. Zij stimuleert hem zich verder te ontwikkelen in politieke zin. Zij houdt van de onbevangen scherpzinnigheid van Ram en zijn spottende humor. Ook voor haar speelt de vraag: ‘Wie ben ik en waar hoor ik bij’, zeker na het uitroepen van de staat Israël in 1948. Oude Joodse gemeenschappen die al eeuwenlang in Egypte gevestigd waren, worden voortaan geassocieerd met de vijandige staat Israël. Discriminatie en vervreemding gaan hand in hand.

    Wie zijn wij?

    De vervlechting van grote thema’s als ‘de zoektocht naar de eigen identiteit’ en de ‘zoektocht naar de liefde’ levert een prachtige roman op, ontroerend, soms grotesk, maar ook formidabel met een afloop, die typerend is voor de hele roman van Ghali. Als een echte schelm weet hij Edna af te troggelen van zijn rijke neef Mounir, die voortdurend door Ram als een grote onbenul wordt weggezet. Edna en Ram zijn verwante zielen. Er ontwikkelt zich een onmogelijke liefde tussen beiden. Hoewel zij niets met Israël van doen heeft, raakt Edna steeds meer vervreemd van haar Egyptische roots, waarnaar ook Ram tevergeefs op zoek is. In een gesprek met zijn boezemvriend Font staat de volgende dialoog die typerend is voor de levenshouding van Ram, waaraan hij niet weet te ontsnappen en waarin hij uiteindelijk wordt meegezogen, zelfs in de liefde:

    ‘Font: “Ons grote probleem is dat we zo Engels zijn dat je er ziek van wordt. We hebben geen eigen cultuur.” Ram: “Je zult jezelf bedoelen. Ik kan grappen maken met het puikje der Egyptenaren.”
    Font: “Misschien heb je gelijk. Misschien bestaat onze cultuur alleen maar uit grappen maken.”
    Ram: “Nee, Font, dat is ’t niet. ’t Komt doordat we nooit fatsoenlijk Arabisch hebben geleerd.”
    Font: “Wat bedoel je met die opmerking dat grappen vertellen cultuur is?”
    Ram: “Ik bedoel dat voor Egyptenaren grappen net zozeer cultuur zijn als de Calypso dat is voor de mensen in West-Indië of spirituals en jazz voor de Amerikaanse zwarten. In feite is het niet minder cultuur dan orgel spelen.”’

    Universele thema’s

    Ghali heeft een betekenisvol boek geschreven vol spitse dialogen, scherp en humoristisch en vaak met een bittere ondertoon. Het boek speelt zich weliswaar af in een andere tijd en een andere wereld, maar de grote thema’s zijn universeel en zeker ook in onze tijd herkenbaar. Voor een goed begrip van het boek is het wel aanbevelenswaardig iets van de Suezcrisis te weten. Het nawoord van Jamal Mahjoub is dan ook een belangrijke bijdrage aan het boek.

     

     

  • Herinneringen aan Isolatie

    Herinneringen aan Isolatie

    Triest genoeg bewijst Stanislav Aseyev met zijn boek Het concentratiekamp in de Paradijsstraat dat de literaire categorie van de kampliteratuur, zelfs na Auschwitz en de goelag, nog steeds actueel is. Als Oekraïense journalist zat hij, tussen mei 2017 en december 2019, bijna duizend dagen gevangen in gevangenissen van de zelfverklaarde volksrepubliek Donetsk. Terwijl de meeste westerlingen een nieuwe Russische invasie nodig hadden om zich opnieuw om de Donbass te bekommeren, zijn de martelingen en ontberingen aan het front sinds 2014 nooit opgehouden.

    Het merendeel van Aseyevs boek beslaat zijn verslag van de folterpraktijken, die hij meemaakte in de gevangenis Isolatie. Dat inferno op aarde, gelegen in het centrum van Donetsk, dankt zijn naam aan een bedrijf in wiens oude fabrieksgebouwen het is gevestigd. Al is ‘gevangenis’ misschien een verkeerde term en dekt ‘concentratiekamp’ beter de lading van een plaats, waar krijgsgevangenen onderworpen werden aan gruwelijke praktijken. In zijn voorwoord benadrukt Aseyev het onmenselijke karakter van Isolatie door te stellen dat ‘Isolatie buiten alles valt wat betekenis heeft, inclusief vergeving.’ Die intrieste relevantie, de pakkende anekdotes en de mengeling van suïcidale wanhoop en literaire moed zorgen voor een confronterende leeservaring.

    Bibberen voor de camera

    In korte hoofdstukken beschrijft de auteur telkens een ander facet van Isolatie. Elektrische stroomstoten, dwangarbeid en ander onmenselijk leed vormen hierbij de macabere rode draad. Iets wat Isolatie onderscheidt van eerdere kampen is het alomtegenwoordige cameratoezicht. Dit biedt niet enkel vergevorderde controle – als de gevangenen fluisteren in hun cel, dan krijgen ze onmiddellijk daarna een pak slaag – maar is ook een bron van sadistisch entertainment. Zo beschrijft Aseyev het feit dat de bewakers expres de verschillende kasten, gaande van ‘kelderoudsten’ tot het uitschot van de ‘besmetten’, tegen elkaar opzetten. Ze laten de nieuwelingen een bak vol uitwerpselen dragen in de hoop op gemors, waardoor de andere gedetineerden hen zullen beschimpen. De leiding, stelt Aseyev, ‘slaat het glunderend gade.’

    Door de gewelddadige leefomstandigheden in Isolatie dringt de vraag uit Primo Levi’s gelijknamige boek zich op: ‘Is dit een mens?’ Deze vraag is niet alleen van toepassing op de beulen, die naast martelkamers ook een eigen moestuin en pluimvee bijhouden. Waar we bij hen van op mogen kijken als ze nog enige gevoeligheid bezitten, zijn de slachtoffers juist opvallend apathisch geworden. Het is een gegeven dat Aseyev dit zelf aan den lijve heeft ervaren, want hij kan enkel nog ‘eten en bibberen van angst.’ Naarmate zijn verblijf in Isolatie vordert, slinken zijn bestaanshorizon, verlangens en verwachtingen. Volgens hem is het grote verschil tussen nieuwkomers en ervaren gevangenen onder andere merkbaar in hun taalgebruik, want “de laatsten gebruikten uitsluitend de verleden tijd. Zo iemand ‘had’ een kennis en ’hield’ ergens van.”

    Suïcidale emancipatie

    Die concrete anekdotes maken het lezen van Het concentratiekamp in de Paradijsstraat zeer confronterend en laten je achter zonder illusies. Eén van de meest onthutsende verhalen betreft de zelfmoord van Aseyevs kelderoudste die psychisch door het ijs zakt. Nadat hij zich eerst met een lepel in het gezicht had gesneden, probeert hij in de strafcel zijn polsen door te snijden. Op een registrerende en bijna laconieke toon vertelt Aseyev het vervolg: ‘de bewakers hebben zijn hand direct verbonden, zijn gezonde hand aan de celdeur geboeid en hem een week in zijn eigen vuil laten zitten, waarna ze hem onder veel hilariteit naar het huis van bewaring brachten.’ Zelfs ongedierte wordt doorgaans beter behandeld. Toch waren er volgens Aseyev achteraf twee zaken die de gedetineerden in Isolatie onderscheidden van dieren: humor en zelfmoord.

    Na de tragedie met die kelderoudste zijn suïcidale gedachten ironisch genoeg de enige vrijplaats voor Aseyev als gevangene. Dit tegenstrijdige inzicht maakt het boek in het licht van de authentieke anekdotes nóg interessanter. In Isolatie zijn zelfmoordgedachten het enige wat ze hem niet kunnen ontnemen. Het idee dat Aseyev zich elk moment van het leven kan beroven blijft buiten het bereik van de camera’s. Hij ervaart daarbij ‘het bevrijdende gevoel dat mijn recht op zelfbeschikking me zelfs daar niet kon worden ontnomen.’ Eenzelfde verhelderend inzicht verschaft hij over het gebruik van humor. De galgenhumor onder de gevangenen verheft hen boven de bewakers. En het paradoxale aspect erachter is dat de opzichters het gelach van de gevangenen niet met geweld kunnen onderdrukken, want in Isolatie geldt het motto: ‘hoe meer ontberingen hoe meer humor’.

    Literatuur na Isolatie

    Net als bij andere kampliteratuur stopt Aseyev niet bij zijn vrijlating, maar vertelt hij hoe Isolatie blijft voortleven in hem. Ondanks clichés als ‘je plek vinden’ of ‘niet meer aan denken’ krijgt hij paniekaanvallen op de metro van Kiev en worden slapeloze nachten de norm. Wanneer hij naar Praag reist voor een mensenrechtenconferentie en daar in een hotelkamer een bad neemt, verblijven anderen nog steeds in Isolatie. Zo absurd kan het menselijk bestaan zijn.

    Om die absurditeit te bekampen is Stanislav Aseyev blijven voortschrijven, ook in Isolatie. In het laatste hoofdstukje ‘Isolatieproza’ staan een paar van die teksten. Naast een toneelstukje bevat het veelal korte essays. Ze verschaffen de eerdere hoofdstukken context en winnen daardoor zelf aan urgentie. Dan besef je dat Aseyevs ode aan de literatuur niet bij loze woorden is gebleven. Zijn liefde voor de literatuur is letterlijk van levensbelang geweest. In die ode verklaart hij hoe hij energie putte uit het verzinnen en memoreren van fragmenten en verzen, terwijl hij liep te ijsberen in zijn cel. Misschien vindt die hoop in de literatuur haar oorsprong in de gave van woorden om onze gedachten te bestendigen. Door het publiceren van Het concentratiekamp in de Paradijsstraat heeft hij namelijk zijn geheugen voor ons kunnen ontvouwen. Tevens is ons geheugen het antwoord op Primo Levi’s vraag. Volgens Aseyev zijn het onze herinneringen die ons tot mens maken. Geef hem maar eens ongelijk.