• Akelig actuele verhalen over mensen in de oorlog

    Akelig actuele verhalen over mensen in de oorlog

    Onlangs draaide in de filmhuizen de documentaire 2000 meters to Andriivka van de Oekraïense regisseur Mstyslav Chernov. De film gaat over de strijd in 2023 om het door de Russen bezette, inmiddels volledig verwoeste, maar logistiek en psychologisch belangrijke dorp, Andriivka. De route ernaartoe gaat door een smalle bosstrook van twee kilometer. Als kijker zit je midden in de oorlog – de beelden komen van bodycams en filmers ter plekke. Links en rechts liggen lijken van gesneuvelde soldaten. Wie Andreas Latzko’s Mensen in de oorlog leest, beseft dat er in ruim honderd jaar nauwelijks iets is veranderd op het slagveld.

    Niemand kent hem meer, maar de Oostenrijks-Hongaarse schrijver Andreas Latzko werd na de publicatie van Menschen im Krieg (1917) een beroemdheid in Europa. Hij had zich als journalist vrijwillig aangemeld voor het leger, hoewel hij daarvoor was afgekeurd vanwege zijn ‘allesbehalve Herculische lichaamsbouw’, zoals (de voortreffelijke) vertaler Marcel Misset in zijn nawoord uiteenzet. Hij citeert uit Latzko’s autobiografische uitgave Levensreis: ‘Terugkeren naar de dadenloosheid? Als door een bliksemstraal kwam ik tot de ontzettende erkenning dat het ging om veel meer dan alleen om de onvermijdelijke onvrijheid voor de duur van de oorlog. (…) Wanneer ik als onbruikbaar zou worden afgewezen, zou ik tot zwijgen gedoemd zijn; ook wanneer de macht van de oorlogscensuur reeds lang zou zijn gebroken, verloor ik voor mijn hele leven het recht, ooit tegen de oorlog te kunnen getuigen.’

    Eigen ervaringen

    Tegen de oorlog getuigen, dat is wat Latzko primair voor ogen had met het schrijven van Mensen in de oorlog. Hij koos daarvoor de vorm van een aantal literaire verhalen. Het boek is geen ooggetuigenverslag, maar lijkt wel gebaseerd te zijn op Latzko’s eigen ervaringen op het slagveld. Die waren zo aangrijpend en afgrijselijk dat hij veertien maanden na toetreding tot de ‘wapendienst’ verworden was tot een geestelijk wrak. Hij gaat naar Zwitserland om te revalideren. ‘Uit noodweer waarschijnlijk, zonder een ogenblik te geloven dat de gloeiende lava zich tot zinnen zal vormen, neem ik een schrijfblok en een potlood in bed, mij door mijn innerlijke pijn plotseling herinnerend dat het eenmaal mijn zelfgekozen levenstaak was, lezers te werven voor mijn gedachten.’

    Het eerste verhaal dat hij ‘met bevende handen’ opschrijft, is Heldendood. Het gaat over de zwaargewonde eerste luitenant der reserve van het veldartillerieregiment Kadar, die in zijn koortsdromen op het lichaam van zijn manschappen geen hoofd ziet, maar een grammofoonplaat van de nationalistische Rákóczi-mars, die ze net nog in hun schuilplaats hadden gedraaid ‘toen plotseling die verdomde granaat kwam aangefloten en alles in een wolk van rook en aarde verdween’. Na Heldendood werkt Latzko verwoed verder aan zijn anti-oorlogsboek, dat op 3 juli 1917 verschijnt. ‘Hij schrijft’, aldus Marcel Misset in zijn nawoord, ‘om de oorlog een halt toe te roepen’. De verhalen zijn geschreven vanuit het directe perspectief van de hoofdpersonen, haast zoals geregistreerd door de bodycams in 2000 meters to Andriivka.

    Opgejaagde huisvaders

    De afmars speelt zich af in de tuin van een militair hospitaal in een Oostenrijks provincieplaatsje, achter het front, waar gewonden en een paar van hun echtgenoten in alle rust met elkaar converseren en filosoferen over de oorlog en het leven, totdat de hysterische uithaal van een getraumatiseerde luitenant de idylle wreed verstoort. De vuurdoop is het verhaal over de goedhartige, besluiteloze kapitein Marschner en zijn jonge, fanatieke luitenant Weixler. Hun compagnie staat op het punt de collega’s in de loopgraven af te lossen. Weixler (een ‘twintigjarige ijzervreter’) kan niet wachten tot het zover is en blaft zijn manschappen af. Marschner heeft vooral ‘een gloeiend, grenzeloos medelijden met deze arme, opgejaagde huisvaders, die zich zo gelaten zwijgend voorbereidden, die hun levens als het ware in hun handen namen als een kostbaar vat om naar het slagveld te dragen en de vijand voor de voeten te werpen alsof het iets waardeloos was wat daar in scherven zou vallen!’

    In een dorpje achter het front zijn onder leiding van een niet met name genoemde ‘Zijne Excellentie’ enkele honderden stafofficieren ingekwartierd. Hij is de overwinnaar in het gelijknamige verhaal, omdat hij ooit als opperbevelhebber de slag bij ‘***’ had gewonnen. Nu zit hij zich te verbijten in het gezellige plaatsje, waar in de verte de oorlog te horen is. Hij wil het slagveld op. ‘Wat had een veldheer voor goeds van de vrede te verwachten? Begreep zo’n burger [een journalist die hem had gevraagd wanneer er op vrede gehoopt mocht worden [RL] dan niet dat een commanderende generaal alleen in de oorlog echt commandeerde en werkelijk generaal was, en in vredestijd hooguit een of andere strenge onderwijzer met goudgalon op zijn kraag: een leeghoofd die uit verveling zo nu en dan de longen uit zijn lijf brult?’ Dan eindelijk: het trommelvuur. ‘Godzijdank! Het was nog oorlog.’

    De waanzin van de oorlog

    In De Kameraad – Een dagboek is de ik-figuur met shellshock opgenomen in het hospitaal. Hij mijmert over alle verschrikkingen die hij heeft meegemaakt. Hij wordt als krankzinnig beschouwd, terwijl hij de enige is die de waanzin van de oorlog ziet. Zijn observaties zijn verrassend actueel: ‘Ik zie de hele meute! De schreeuwers, die te hol en te traag zijn om hun eigen ik te ontwikkelen, maar zich koesteren in de glanzende lof die niet hun maar hun kudde toekomt. De schurken, die beschermd en gesteund door de massa schijnheilig opkijken naar een door henzelf opgeroepen spookbeeld dat ze er bij miljoenen brave lieden inhameren tot die massa hart noch verstand meer heeft, alleen nog razernij en een blind geloof.’ het was nog oorlog’

    De thuiskomst is het tragische verhaal van Johann Bogdán, wiens toegetakelde gezicht door zeventien operaties alleen maar afstotelijker is geworden. Voor de oorlog had hij, ‘de mooiste man van het dorp’, een vriendin, de aantrekkelijke Marcsa, en een baan met aanzien als koetsier van het slot. Nu wil niemand meer iets met hem te maken hebben. Ook hier schildert Latzko het lot van ‘mensen in de oorlog’, omdat hij weet dat zijn lezers minder geraakt worden door grote getallen, kille statistieken en uitvoerig beschreven veldslagen, dan door verhalen over mensen als zijzelf, over wat er met hen kan gebeuren zodra ze zelf met de oorlog van doen krijgen. Uitgeverij Jurgen Maas verdient alle lof voor het aan de vergetelheid ontrukken van dit indrukwekkende, akelig actuele document humaine.

     

     

  • Oogst week 3 – 2026

    De Jood Süss

    De roman De jood Süss van Lion Feuchtwanger (München 1884 – Los Angeles 1958) is ruim honderd jaar geleden voor het eerst verschenen. Hij werd indertijd in Duitsland enthousiast ontvangen. Ook in de Nederlandse vertaling was het boek indertijd een succes.
    De Jood Süss vertelt het verhaal over de opkomst en ondergang van de historische figuur Josef Süss Oppenheimer aan het hof van het hertogdom Württemberg. Als hoffinancier had hij een belangrijke en invloedrijke functie, maar hij bleef desondanks ‘maar’ een Jood, met alle narigheid van dien.

    Toen de Nazi’s in ’33 de macht overnamen in Duitsland was Feuchtwanger toevallig in het buitenland. Hij had de machtsovername niet zien aankomen. Hij besloot niet meer naar Duitsland terug te keren maar naar Frankrijk te reizen waar hij in 1940 alsnog gearresteerd werd. Tocht lukte het hem om naar de Verenigde Staten te vluchten.

    Let op: de film die Joseph Goebbels in 1940 liet maken heeft niets te maken met het boek van Feuchtwanger. Goebbels maakte een antisemitische film. Dat is het boek zeker niet.
    De jood Süss is deel 25 in de reeks Kritische Klassieken van Uitgeverij Schokland. De Nederlandse vertaling werd herzien door Hermien Manger en Nils Buis.

    De Jood Süss
    Auteur: Lion Feuchtwanger
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland (2025)

    Mensen in de oorlog

    De Oostenrijks-Hongaarse schrijver en pacifist Andreas Latzko (Boedapest 1876 – Amsterdam 1943) groeide op in Boedapest maar vertrok in 1901 naar Berlijn. Niet omdat hij nou zo graag naar het front wilde maar omdat hij uit eigen ervaring wilde kunnen getuigen, meldde hij zich aan als vrijwilliger. Hij stelde zich ten doel om de oorlog zodanig reëel te beschrijven dat het voor de lezer invoelbaar werd wat oorlog betekent: waanzin, onrecht en menselijk lijden.
    In 1916 moest hij noodgedwongen het front verlaten. Hij was volledig ingestort. Hij herstelde in Davos. Daar begon hij aan het schrijven van Mensen in de oorlog, een anti-oorlogsboek dat in 1917 gepubliceerd werd en daarna in vele talen werd vertaald. In alle oorlogvoerende landen werd het boek verboden.

    In 1920 verhuisde Latzko naar Salzburg, daarna, vanaf 1931 woonde hij in Amsterdam, waar hij in 1943 overleed. Samen met het veel bekendere Van het westelijk front geen nieuws van Erich Maria Rilke is Mensen in de oorlog een van de meest indrukwekkende anti-oorlogsboeken uit die tijd.

    Hij opende zijn boek met de zin: ‘Ik weet zeker dat eens de tijd zal komen waarin iedereen net zo denkt als ik’. Je zou willen dat hij gelijk had gekregen.

    Mensen in de oorlog
    Auteur: Andreas Latzko
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2025)

    Uit tallozen, jij

    Welke boeken hebben je zo geraakt dat je kan zeggen dat ze je gevormd hebben? Het is een uitdagende vraag en kan in menig clubje boekenliefhebbers tot boeiende gesprekken leiden.

    Columnist en schrijver Eric de Rooij maakte er een boek van: Uit tallozen, jij gaat over boeken die hem sinds zijn vroegste jeugd geïnspireerd en geraakt hebben, en hem gemaakt hebben tot wie hij is. En waarom dat zo is.

    De Rooij schreef columns voor Literair Nederland en voor Tzum. Deze en andere stukken bewerkte De Rooij, zij vormen de basis voor Uit tallozen, jij, maar het boek bevat ook veel nieuw werk. Zijn homoseksualiteit is aanwezig in zijn eerdere werk (bijvoorbeeld in De wensvader en Augustus), maar ook weer in de stukken in Uit tallozen, jij.
    Schrijvers die o.a. voorbijkomen in Uit tallozen, jij zijn o.a. Jacques Martin, Edgar Rice Burroughs, Willem Elsschot, Etty Hillesum, Mohammed Mbougar Sarr, Tove Ditlevsen, Louis Couperus, Andrew Holleran, Tom Lanoye, J.J. Voskuil, Didier Eribon, Natalia en Carlo Ginzburg, Ismael Kadare, Joke Hermsen, Hans Warren, Michael Ignatieff, Bart Moeyaart, Bryan Magee, Maaike Meijer.

    Uit tallozen, jij
    Auteur: Eric de Rooij
    Uitgeverij: Uitgeverij Kleine Uil
  • Alledaagse situaties in Gaza

    Alledaagse situaties in Gaza

    De genocide in Gaza laat niemand onberoerd. In de zomer van 2023, enkele maanden voor het uitbreken van de oorlog, werd het project Stemmen uit Gaza opgezet, een initiatief van uitgeverij Jurgen Maas in samenwerking met de Nederlandse Hope Foundation. Dit project heeft als doel jaarlijks het werk van een Palestijnse auteur uit Gaza uit te geven in het Nederlands. De Hope Foundation wil onder andere via kunst, cultuur en onderwijs Palestijnse kinderen en jongeren in Gaza perspectief, verwerking van trauma en creatieve expressie bieden.

    Het eerste werk, de roman Een tuin voor verloren benen van Mahmoud Jouda werd goed ontvangen. Communicatie moeilijkheden door de oorlogshandelingen zorgden ervoor dat er tot dit jaar gewacht moest worden voor het tweede werk verscheen. Dat werd de verhalenbundel De man die achteromkeek. Dit werk van Amer Almassri biedt een uniek venster op het leven in Gaza. Almassri, een Palestijnse schrijver uit Gaza, richtte zich al vroeg op literatuur naast zijn ingenieursstudie. Hij beschrijft menselijke gevoelens en dagelijkse ervaringen tegen de achtergrond van een samenleving die gebukt gaat onder conflict, tradities en sociale beperkingen.

    Verhalen

    Acht verschillende verhalen die elk op hun eigen manier een inkijk bieden op het leven in Gaza. Telkens gebruikt de auteur een andere stijl en onderwerp, maar ze hebben gemeen dat de menselijke emoties en alledaagse worstelingen centraal staan. Zo is er het verhaal van Hazim, een voormalige welgestelde man die nu aardappelrooier is, en die geconfronteerd wordt met zijn vroegere geliefde, inmiddels getrouwd en moeder. Of Zainab, een jonge vrouw gevangen in een huwelijk en onder druk van familieverwachtingen, die uiteindelijk een belangrijke keuze maakt over haar eigen leven. En Wagon 10 naar Caïro waarin een bende jonge schoolmeisjes de trein neemt naar Caïro om te ontsnappen aan de beklemmingen van Gaza.

    Dat die trein allang niet meer bestaat, maakt het verhaal des te  pakkender. Andere verhalen spelen in op sociale conventies, genderongelijkheid, traditie versus verlangen, herinnering en verlies. Soms komt de dreiging van geweld en oorlog impliciet naar voren zoals in ‘Verjaardag in een schuilkelder’, of in de achtergrond van eengebeurtenis, maar zelden als direct politiek statement. De verhalen creëren een sfeer waarin alledaagse situaties – een trein die stilvalt, een vrouw die vastloopt in haar dagelijkse leven – worden doorspekt met betekenis en reflectie.

    Mensen

    Almassri’s stijl kenmerkt zich door een subtiel evenwicht tussen ernst en lichtheid. Zijn taalgebruik is concreet en beeldrijk, maar zonder veel overbodige woorden. Hij werkt vaak met symboliek en onverwachte, soms absurdistische wendingen. Humor, ironie en absurditeit worden afgewisseld met verdriet, heimwee en frustratie, waardoor de lezer zowel wordt geraakt als aan het denken gezet. De toon is niet moraliserend; het verhaal ontwikkelt zich door observaties, dialogen en de gedragingen van de personages. Vaak  zien we pas aan het einde wat de implicaties zijn van hun keuzes en omstandigheden.

    De personages in De man die achteromkeek zijn geen klassieke helden; het zijn gewone mensen, vaak arbeiders, moeders, geliefden, mensen die proberen hun waardigheid te behouden binnen sociale structuren die hen beperken. Ze worstelen met verlies, verplichtingen en verlangens, en hun menselijkheid en veerkracht worden zichtbaar in kleine handelingen, herinneringen en reacties op hun omgeving. Almassri gebruikt hen om universele thema’s te verkennen: verlies en herinnering, identiteit, sociale verhoudingen en genderrollen, en de veerkracht van het menselijk leven. Humor en absurditeit gebruikt hij om het contrast tussen het alledaagse en de soms harde realiteit van Gaza te benadrukken. De verhalen reduceren de werkelijkheid van Gaza niet tot oorlog of politiek, maar tonen hoe gewone mensen hun leven leiden temidden van beperkingen, dreiging en sociale druk. De bundel is een mooie illustratie van de gewone menselijke ervaring, waarin empathie en herkenning bij de lezer centraal staan.

    Veerkracht

    De verhalen in  De man die achteromkeek zijn aangrijpend, maar worden nooit sentimenteel. Almassri gebruikt een zeer toegankelijke, maar beeldrijke stijl en kan emoties en situaties overbrengen die anders moeilijk voor te stellen zijn. Sommige verhalen zijn wat kort en bieden daardoor te weinig ruimte voor diepgaande psychologische ontwikkeling van personages of duidelijke motivatie. Ook het gebrek aan expliciete (historische of politieke) achtergrondinformatie maakt het soms moeilijk om de verhalen volledig te kunnen plaatsen. Desondanks is de bundel geslaagd in het bieden van een authentieke stem uit Gaza.

    Verhalen over mensen die hun veerkracht tonen onder moeilijke omstandigheden. Een zowel emotioneel als intellectueel sterk geschreven verhalenbundel die de lezer toont over hoe mensen hun leven (moeten) leiden in moeilijke omstandigheden in het Gaza van vandaag en in conflictgebieden in het algemeen.

     

  • Voorwaarts en lezen

    Voorwaarts en lezen

    Zondagochtend stond ik in de keuken sinaasappelen te persen, radio aan op Vroege vogels. Bibi Dumon Tak las een column voor, over lezen en boerenburgerbeweging leider Caroline van der Plas. Die nooit een boek leest. Daar had ze geen tijd voor (hoor). Je zult het weten ook. Dat iemand het zich kan veroorloven niet te lezen. In mijn wereld struikel ik over boeken. Waar je kijkt, vind je er een, of meer. Weet je niet welke richting je op moet? Lees maar. Met elk boek, begrijp ik de wereld om me heen een beetje meer. Een boek als inspirator, een schrijver als voorbeeld.

    Ik dacht aan de kinderen (als die er waren) van Van der Plas. Ze lijkt me een stoere moeder die haar kinderen aan de oren bij de dingen van de dag zou houden. Maar, als zij niet leest, zou ze haar kinderen, (als ze die dus had) dan hebben voorgelezen? Zou ze anders naar de veestapels van nu hebben gekeken als ze haar kinderen had voorgelezen uit (bijvoorbeeld) Het koeienboek van Dumon Tak? Hoe zouden de dingen zich dan ontwikkeld hebben.

    Toen dacht ik aan Monica Keijzer. Leest zij wel eens een boek, en die verongelijkte man met zijn geblondeerde haren. Zou hij wel eens een goede roman of een andersdenkende openslaan? Aan de mate van zelfingenomenheid is de niet-lezer te herkennen. Aan de toon van het grote gelijk.

    Noem niet de naam van degenen die de samenleving schade berokkenen, de wereld als hun eigendom (lees dan toch een boek) zien. Hun denkbeelden, evenals zijzelf zullen als verdorde zaden uit het gemeenschappelijk gedachtegoed verdwijnen. Let op, geef het geen water. Maar dan, nederigheid.

    Eens zong ik in een strijdkoor (waar zijn ze gebleven). We zongen het Solidariteitslied van Bertolt Brecht op muziek van Hanns Eisler. Zangadvies: hard en vals. ‘Voorwaarts en niet vergeten / bij honger en bij eten / de solidariteit!’ Hoe dat voelde. Brecht toont waar het rafelt tussen rijk en arm en de angst voor het vreemde. Verzet om te bevrijden wat is vastgelegd.

    In Gesprekken tussen vluchtelingen zijn dialogen tussen twee mannen in exil begin jaren veertig. De uit Duitsland gevluchtte mannen, een intellectueel en een arbeider, ontmoeten elkaar in de stationsrestauratie van Station Helsinki.De tegenstelling van denken bij de intellectueel en de arbeider is essentieel in deze gesprekken.

    Mijn instemmigheid onderstreepte ik met potlood. Dingen als ‘Orde heb je tegenwoordig meestal waar niets is. Het is een teken van gebrek.’ te onderstrepen. Na elke ontmoeting (19 gesprekken) volgt steeds als een refrein: ‘Toen namen ze afscheid en vertrokken ze, ieder naar zijn eigen plek.’

    Ik omcirkelde in zijn geheel wat de arbeider aan de intellectueel vertelde. ‘Toen ik een jaar of zeven was, moest ik sogges vroeg voor school kranten rondbrengen, da’s vlijt – en het geld pakten pa en ma me af, da’s gehoorzaamheid. Als pa lazarus thuiskwam, had hij er de pest in dat hij zijn halve weekloon had opgezopen, en dan kregen we een pak rammel, zo hebben we pijn leren verdragen, en als we aardappels kregen en ook nog eens te weinig, moesten we dank u wel zeggen, uit dankbaarheid, geloof ik.’ En wat me daarin aanspreekt.

    Meesterlijke, maar ook wrange gesprekken over armoede, Hegel, leiderschap, verbanning en ja, alles is politiek. Ik onderstreepte, ‘Emigratie is de beste leerschool voor dialectiek. De scherpste dialectici zijn vluchtelingen.’ Hoe je de logica van het leven ontdekt wanneer je geen thuis hebt. Er wordt gesproken over Hitler als ‘hoeheetienou’, en Mussolini als ‘Dinges’.

    Ik omcirkelde waar ze voor het eerst over fascisme hoorde. En over Hoeheetienou dit: ‘Als rijkskanselier had hij bevolen dat we hem (…) niks mochten betalen, allemaal liefdewerk oud papier natuurlijk, maar meteen daarna heeft hij bevolen dat we zijn boek Mein Kampf van hem moesten kopen, zodat zijn strijd nog een bestseller werd ook. Van de opbrengst heeft hij de Reichswehr en de rijkskanselarij gekocht en kon hij er nog aardig van leven.’ Meesterlijk, zei ik het niet.

    Waarop ze afscheid namen en vertrokken, ieder naar zijn eigen plek. Zie dit boek als een mustread tijdens het kerstreces. Voorwaarts en lezen maar.

     

     

    Gesprekken tussen vluchtelingen / Bertolt Brecht / 167 blz. / Uitgeverij Jurgen Maas (2025)


    Inge Meijer schrijft op het snijvlak van literatuur en het gewone leven.

     

     

     

  • Oogst week 43 – 2025

    Gesprekken tussen vluchtelingen

    In 1933, één dag nadat de Reichstag in vlammen opging, ontvluchtte de politiek geëngangeerde dichter en (toneel) schrijver Bertolt Brecht (1898-1956) zijn vaderland. Hij vertrok in eerste instantie naar Denemarken, woonde daar 5 jaar en verbleef achtereenvolgens in Zweden, Finland, Rusland, de Verenigde Staten en Zwitserland.

    In die jaren tot 1945 schreef hij ‘Exilliteratur’ waarin hij zich verzette tegen de nationaalsocialistische en fascistische bewegingen.
    In Gesprekken tussen vluchtelingen verwerkte hij zijn eigen ervaringen als balling en legde hij de anti-immigratiepolitiek bloot. Hij schreef het in 1941, het verscheen postuum in 1956 en was tot nu toe nog niet in het Nederlands vertaald. Uitgeverij Jurgen Maas heeft daar nu verandering in gebracht.

    In dit boek gaan in Helsinki twee Duitse vluchtelingen met elkaar in gesprek, ze bespreken de staat van de wereld en hun eigen situatie daarin. Het zijn de intellectueel Ziffel en de arbeider Kalle, twee totaal verschillende mannen met uiteenlopende meningen en ervaringen die elkaar toch in de ballingschap weten te vinden.
    Gesprekken tussen vluchtelingen wordt door de uitgeverij omschreven als ‘een roman in dialogen vol humor en absurdisme’.

    In de NRC noemt Michiel Krielaars het verschijnen van dit boek in deze tijd ‘als geroepen’.

     

    Gesprekken tussen vluchtelingen
    Auteur: Bertolt Brecht
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2025)

    Nastya in Charkiv

    Eén dag al na de invasie raakt Jaap Scholten betrokken bij de oorlog in Oekraïne, zo valt te lezen in Nastya in Charkiv, Scholtens nieuwste boek. Omdat hij in Hongarije woont wordt hem gevraagd of hij een gezin met kleine kinderen kan helpen dat de gebombardeerde stad heeft verlaten en op weg is naar de grens.

    Vrij snel daarna richt Scholten samen met een aantal anderen de stichting Protect Ukraine op en komt hij in contact met Oekraïense burgers en buitenlandse vrijwilligers die met (meestal niet militaire) middelen het land helpen verdedigen. De stichting Protect Ukraine bevoorraadt het Oekraïense leger met uiteenlopende zaken. Daarover verscheen in 2024 het boek Spullen brengen van Jelle Brandt Cortius die zich aansloot bij de stichting.

    Een van de vrijwilligers is Nastya, een Bulgaars-Nederlandse studente uit Den Haag. Zij vertrok drie jaar geleden naar Oekraïne en is nu een ‘superior combat medic’ aan het front in Charkiv. Zij waagt dagelijks haar leven om militairen en burgers te redden.
    In Nastya in Charkiv schrijft Scholten over zijn contacten met Nastya, over de situatie waarin zij en haar landgenoten verkeren. Zijn teksten worden afgewisseld met korte berichtjes van Nastya zelf.
    De foto’s in het boek zijn van Eddy van Wessel die al jaren door Oekraïne reist en fotografisch verslag doet vanaf het front.

    Nastya in Charkiv
    Auteur: Jaap Scholten
    Uitgeverij: M10Boeken

    Hier en aan de overkant

    Bij, zoals zij zichzelf noemen, de piepjonge uitgeverij Drift die zich ‘ten doel stelt ouderwets mooie boeken op de markt te brengen’ is onlangs het eerste deel verschenen van een trilogie die begint in 1926 en doorloopt tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Hoofdpersoon Alistair MacEwen keert terug naar de plek in Noord-Frankrijk waar hij vlak na de Eerste Wereldoorlog, toen hij was ingestort na de verschrikkingen in de loopgraven, werd verzorgd door Ghislaine.

    Hun weerzien heeft voor hen beiden en voor de mensen om hen heen grote, onomkeerbare gevolgen. Zowel Alistair als Ghislaine, maar ook de andere personages in Hier en aan de overkant hebben de nodige trauma’s te verwerken. Ieder doet dat op zijn of haar eigen manier. Door middel van herinneringen en flashbacks vertelt J.M. Williams tegen de achtergrond van het Interbellum hun verhaal.

    J.M. Williams (1959) studeerde o.a. filosofie en geschiedenis. Naast fictie schrijft zij non-fictie en poëzie, recenseert voor o.a. Literair Nederland. In 2022 debuteerde zij met De kwartiermaker. Momenteel legt zij de laatste hand aan het derde deel van de MacEwen-trilogie.

    Hier en aan de overkant
    Auteur: J.M. Williams
    Uitgeverij: Uitgeverij Drift
  • Oogst week 41 – 2025

    Verblijf

    Deze veelgeprezen bundel is het debuut van psychiater en dichter Yasmin Namavar, die haar wortels in Iran heeft liggen. Hoewel haar afkomst niet nadrukkelijk voorop staat, speelt die wel een rol in haar zoektocht naar waar je voorgoed verblijven kunt. Omdat ze desondanks weet dat alles slechts tijdelijk is, onderzoekt ze de diverse mogelijkheden van verblijven: in je lichaam, in het verleden, maar vooral in de taal. Dat levert prachtige en vooral spannende poëzie op omdat verblijf en veiligheid nooit samen lijken te gaan.

    Het verleden van haar ouders wordt afgezet tegen haar eigen heden in zintuigelijke, voluptueuze taal, weelderig en wulps. Zo probeert ze twee werelden te verenigen in haar leven die beide deel uitmaken van haar identiteit, zonder de ene boven de andere te laten uitstijgen. Identiteit als ‘een jas die je nooit meer hoeft uit te doen’. De gedichten van Yasmin Namavar onttrekken zich aan elke vergelijking en breken met alle hedendaagse trends. Haar zinderende poëzie reikt verder dan Nederland of Iran: het is vooral een zoektocht naar vrede met en in zichzelf, die ze gevonden lijkt te hebben in een modus vivendi die van twee delen één geheel maakt.

    ‘Ik trek een lange jas aan, veel te groot en draag hem zesentwintig jaar, sleep hem over keien, bergpassen, door bossen sleep hem door het gangpad van een drukke tram als het regent loopt mijn capuchon vol, mijn haar in een knot, nat op mijn hoofd hier groeit mijn eigen gelijk, een maretak verstikt zichzelf nooit de jas wordt een verhaal, een altaar, een gotspe, een bos dat aan mijn lippen staat het bos is hout mijn plek is groen op een zonnige dag in maart (en het lijkt wel mei), overal de geur van reukgras ga ik weer links en werp mijn jas af mijn lichaam een vondeling in het bos wacht op een nieuwe kledingstuk, vel na vel bladder ik af iets om aan te kleven is er niet’

     

    Verblijf
    Auteur: Yasmin Namavar
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    De tijd is puin, De tijd is hoop (bloemlezing)

    Stichting Poetry International bestaat dit jaar vijfenvijftig jaar. Dichters, vertalers en poëzieliefhebbers komen al even lang bijeen op het Festival dat jaarlijks in juni in Rotterdam georganiseerd wordt. Vijfendertig dichters uit binnen- en buitenland worden daar uitgenodigd om hun werk te laten horen. Ter ere van dit jubileum is er een bundel uitgebracht met bijdragen van zeventien dichters uit vijftien verschillende landen, die in de originele taal te lezen zijn, maar ook in een vertaling naar het Nederlands en het Engels. De Nederlandse poëzie wordt vertegenwoordigd door Ramsey Nasr, Derek Otte (uit wiens gedicht De Tijd de titel voor de bundel werd gekozen) en Ilja Leonard Pfeijffer.

    Andere Nederlandstalige gedichten zijn van Astrid Roemer uit Suriname en Tom Lanoye uit België. Maar ook dichters uit Oekraïne, Liberia en Barbados komen aan het woord, bekende en onbekende, luchtige en zwaarmoedige, zoals ook de titel aangeeft. In het voorwoord wordt vermeld dat deze bundel alles ‘weerspiegelt […] waar Poetry International voor staat’ en waar ze ook in de toekomst voor blijft staan. Extra aandacht zou wel mogen uitgaan naar de vertalers van elke gedicht, van wie enkelen zelf ook dichter zijn, zoals Jabik Veenbaas en Babeth Fonchie Fotchind, maar ook Ton Naaijkens, Lisa Thunnissen en Ingrid Degraeve. Zonder hen hadden we het meeste van al dit moois niet kunnen lezen. Zoals dit fragment uit het lange gedicht ‘Toen het voorbij was’ van Ljoeba Jakymtsjoek (Oekraïne), vertaald door Eric Metz.

    ‘hier hollen kinderen rond die opgroeiden zonder stroom
    ze groeiden op in de vochtige schuilkelders van scholen en flatgebouwen
    en nodeloos zijn pathetische frasen zoals dat kinderen bloemen zijn
    want de kamerplanten gingen dood tijdens de winteravonden
    zonder warmte, zonder licht, zonder toezicht
    maar onze kinderen leerden te groeien onder beton en in de diepte
    ze leerden te leven in gangen en in badkuipen’

     

     

    De tijd is puin, De tijd is hoop (bloemlezing)
    Auteur: 55 jaar Poetry International
    Uitgeverij: Koppernik

    Er hangt iets van lente in de klas…

    Een aanrader voor iedereen die iets met het onderwijs te maken heeft (gehad), deze dikke bloemlezing van meer dan 900 gedichten over leraren, leerlingen, huiswerk, pesten, spijbelen, schoolverlaters, strafwerk, examenstress en veel meer! Het schoolleven biedt rijke stof voor dichters. Ze nemen je mee in de onderwijsgeschiedenis vanaf de middeleeuwen tot nu, met gedichten en liedteksten uit Nederland, Vlaanderen, Suriname en de Nederlandse Antillen. De onderwijsgedichten brengen je in een oogwenk terug in je eigen klas, op het schoolplein, in de gymzaal, bij je schoolvrienden, bij de gepeste leerling of het piepende krijtje. Ze roepen ook herinneringen op aan de leraar die zó kon vertellen dat Willem van Oranje ieder moment kon binnenlopen. En aan de gymleraar die je zo trots maakte omdat je nu wél de kastsprong kon maken of aan de leraar voor wie je met genoegen steeds weer rijtjes Engelse woorden leerde.

    Pijn, eenzaamheid, verdriet, spijt, maar ook vrolijkheid, trots en dankbaarheid, alle emoties met betrekking tot het schoolleven komen voorbij in deze gedichten. Henk Sissing en Theo Magito brachten al in 2011 de bloemlezing Soms moet het werkelijk even stil zijn uit, maar deze nieuwe bundel overtreft de vorige in opzet en omvang. De gedichten zijn niet alleen van bekende, maar ook van veel tot nog toe onbekende dichters. Bovendien zijn er meer gedichten uit het laatste decennium opgenomen. Zoals het mooie gedicht van Paul Bezembinder over dichter en leraar klassieke talen J. H. Leopold:

    Dichterschap
    Hij gaf verdwenen talen. Aan een school
    in Rotterdam. Daaruit ontstond misschien
    die diepe eenzaamheid die in hem school,
    de angst dat iemand hem zou willen zien
    om wie hij was, – om wie hij had te zijn,
    een fluisteraar van oude stemmen zacht
    die zich in peppels om de woning klein
    verstopten voor de stiltes van de nacht.

     

     

    Er hangt iets van lente in de klas...
    Auteur: onder redactie van : Henk Sissing en Theo Magito
    Uitgeverij: Noordboek
  • Oogst week 28 – 2025

    Oogst week 28 – 2025

    Valentino & De moeder

    De novelle Valentino van de Italiaanse Natalia Ginzburg (1916-1991) verscheen in 1957. Caterina vertelt het verhaal van haar broer, Valentino. Zijn ouders verwennen hem en hij groeit op in de wetenschap bijzonder te zijn. Zijn zussen daarentegen zien hem zoals hij werkelijk is: lui, apathisch, egocentrisch. Valentino is vooral geïnteresseerd in feesten, waar zijn studie aan de medische faculteit onder lijdt. Wanneer Valentino, uit het niets, zich verlooft met de rijke maar opvallend lelijke Maddalena is de familie geschokt, ze vertrouwen hem voor geen cent. Ginzburg, een van de grootste Italiaanse schrijfsters van de vorige eeuw, zet in dit korte verhaal een hele wereld uiteen van gecompliceerde familierelaties.

    In het korte verhaal De moeder dat in 1948 verscheen observeren twee jonge broers hun moeder. Een verhaal over een opvoeding in eenzaamheid, angst en hulpeloosheid, waarin de moeder zich niet kan conformeren aan de heersende, starre sociale normen. Een intiem en tragisch portret van een vrouw die weigert te accepteren dat moederliefde haar enige lotsbestemming vormt.

    Valentino & De moeder
    Auteur: Natalia Ginzburg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    De man die achteromkeek

    De bundel De man die achteromkeek van de Palestijnse schrijver Amer Almassri ontstond dankzij het project Stemmen uit Gaza, dat in de zomer van 2023 werd opgezet om Palestijnse schrijvers een stem te geven in tijden van escalatie en repressie. In acht verhalen laat Almassri de alledaagse complexiteit van leven onder bezetting zien.

    Amer Almassri combineert tragiek en humor, waarmee hij bewijst dat een lichtvoetige en absurdistische toon krachtig werkt bij zware thematiek. Hij geeft meer inzicht in de Gazaanse samenleving, waarin de schrijnende situatie van de Palestijnen weliswaar altijd op de achtergrond sluimert. Maar de enorme veerkracht en menselijkheid van de personages staat centraal.

    Almassri werpt ook een kritische blik op de sociale conventies waarmee hij de lezer verrast en raakt. Zoals in het verhaal van Zainab. Ze is ongelukkig in haar huwelijk, haar moeder geeft advies, maar steeds zijn er redenen waardoor ze niet kan vertrekken.

    Eén staat niet gelijk aan één gaat over de ongelijkheid tussen meisjes en jongens. Tweelingbroer en zus, Safwaan en Asiel groeien zeer ongelijk op. De broer krijgt vrijheid, onderwijs en liefde, terwijl Asiel wordt opgesloten in tradities en schaamte.

    Amer Almassri schrijft over verlies, ontheemding, familiebanden, genderongelijkheid, religie, herinnering, ontmenselijking en veerkracht. Verhalen met een brede thematiek. Hij publiceerde reeds drie verhalenbundels en een roman. Hij is in 1995 geboren in Khan Younis, Palestina, en studeerde civiele techniek. Momenteel woont hij in Turkije. Over zijn werk zegt hij: ‘Ik ben er altijd op gebrand menselijke gevoelens op een literaire manier over te brengen.’

    De man die achteromkeek
    Auteur: Amer Almassri
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    De verkavelingen

    De verkavelingen is het debuut van Arthur Goemans, een Vlaamse dorpsroman.
    In de lente van 2020 wordt een fiets uit de Wildaalse Vaart gevist. Hoe die daar terechtkwam, is een verhaal dat twintig jaar eerder begint, bij het ontstaan van de woelige drievuldigheid Robert, Wes en Jenny – drie vrienden die elk op hun manier een weg zoeken uit een ingeslapen plattelandsdorpje. Drie vrienden die gewapend met poëzie, alcohol en elektrische gitaren de strijd aanbinden met al wat te klein is. Drie vrienden die, terwijl hun dorp langzaam verkaveld wordt tot hippe randgemeente, architect worden van hun eigen tragedie.

    De Vlaamse Arthur Goemans (1995) is onderzoeker bij Google DeepMind, waar hij zich bezighoudt met de veiligheid van artificiële intelligentie. Hij voltooide de opleiding Creatief Schrijven aan de Schrijvers Academie in Antwerpen en woont en werkt in Londen.

    De verkavelingen
    Auteur: Arthur Goemans
    Uitgeverij: Horizon
  • Verslag van een uitroeiing

    Verslag van een uitroeiing

    Na een min of meer gedwongen verblijf van vijftien jaar in België ziet de Belgisch-Palestijnse schrijfster Fatena Al Ghorra (1974) in oktober 2023 eindelijk kans een bezoek te brengen aan haar familie in Gaza. Drie dagen later is het 7 oktober. Drie maanden lang zit ze vervolgens gevangen in een hel. In Uittocht naar Gaza – Brieven aan Lamar vanuit het Al-Quds-ziekenhuis bericht ze van binnenuit hoe het is om een van de zwaarste vergeldingsacties in de recente geschiedenis mee te maken. Het is een ‘verslag van een uitroeiing’, volgens (de niet nader omschreven) Rachida Lambaret in het voorwoord.

    Naast het voorwoord en een hoofdstuk ‘Wat voorafging aan de terugkeer’ bestaat Uittocht naar Gaza uit 23 brieven aan Lamar, het elfjarige nichtje van de schrijfster. Lamar is ook afkomstig uit Gaza, maar is daar pas veel later dan Fatena uit vertrokken. De brieven zijn voor het grootste deel geschreven vanuit het Al-Quds-ziekenhuis, waarheen de familie al gauw na aankomst van Fatena haar toevlucht moest nemen. Opvallend genoeg wordt er maar weinig gezegd over de politiek-actuele context. De naam Hamas valt bijvoorbeeld nergens in de brieven en er wordt niet expliciet gerefereerd aan de terreuraanslag van 7 okober 2023. Hoewel het oorlogsgeweld en de vernietiging van land en volk op elke pagina aanwezig zijn, lezen we nergens de naam Israël. Zo krijgt Uittocht naar Gaza een universele geldigheid, die veel verder strekt dan de concrete situatie van nu. Pregnant in dat verband is dat de oude moeder van Fatena blootsvoets het familiehuis verlaat, op weg naar het ziekenhuis; precies zoals ze tachtig jaar daarvoor tijdens de Nakba als kind op blote voeten de straat op werd gejaagd tijdens de etnische zuivering bij de vorming van de staat Israël. 

    Zonder opsmuk

    Het voorwoord door Lambaret geeft helder weer wat we gaan lezen: ‘Ze schrijft zonder opsmuk over die angst in de ogen van volwassen mannen en kleine kinderen. Ze beschrijft de vuiligheid, de harde ziekenhuisvloer waarop ze wekenlang zonder matras op (sic) sliepen. Ze beschrijft hoe kinderen haar geduld op de proef stelden door luidruchtig door de gangen en kamers van het ziekenhuis te rennen. Ze schrijft hoe zij en de haren tussen hoop en wanhoop laveerden, tussen het verleden en het heden, tussen verbeelding en harde realiteit, tussen zingen en huilen.’ Op die manier wordt de lezer, bekend met de beelden en verslagen van buitenaf, haast lijfelijk gewaar wat zich afspeelt áchter die nieuwsberichten. Hoe families (nooit is er sprake van gezinnen, de familiale infrastructuur van ooms, tantes, neven en nichten is voor de lezer niet te doorgronden) op de gangen hun ‘huis’ claimen en markeren met een plastic vloerkleed en iets wat op een primitief keukentje lijkt.

    Zo wordt het ziekenhuis een wereld op zich, een minisamenleving met alle verworven- en gevoeligheden vandien. Tot ook díe wijkplaats ten onder gaat aan het nietsontziende, meedogenloze oorlogsgeweld en de familie gedwongen is weer verder te vluchten, kilometers te voet over kapotgebombardeerde straten en langs huizen die nauwelijks als zodanig te herkennen zijn, voortdurend op de hoede voor scherpschutters en uitgeleverd aan de sadistische grillen van wachtposten en onberekenbare bezetters. 

    Wie is Lamar?

    Probematisch is de identiteit van de geadresseerde van de brieven. Zo blijft de precieze aard van de relatie van de schrijfster met haar nichtje Lamar in het ongewisse. De vraag dringt zich zelfs op of Lamar wel echt bestaat. Soms is ze een ingewijde en gaat het over ‘je vader’, ‘je oom’ of ‘je neef’. Dan weer schrijft haar tante: ‘Het is traditie in Gaza om het seizoen van de rode peper, dat half juni begint en tot oktober duurt, te vieren.’ Als kind van Gaza weet Lamar dit heus wel; de informatie is bedoeld voor de lezer. En is het logisch om in een brief aan een elfjarige het woord ‘alluderen’ te gebruiken? En te schrijven: ‘Ik weet dat angst en ongerustheid je jonge ziel opvreten, hoewel je al zo bewust en groot bent’? En gedetailleerd melding te maken van afgeschoten benen, door kogels doorboorde ogen, het blaasprobleem van de schrijfster en de ‘moeite die ik heb om het onder controle te houden’? Zo wordt de keuze van een elfjarig nichtje als geadresseerde van de brieven een krampachtige literaire ingreep, die ertoe leidt dat ook de lezer van het boek zich niet altijd raad weet met zijn positie. 

    Wat niet wegneemt dat Uittocht naar Gaza / Brieven aan Lamar vanuit het Al-Quds-ziekenhuis een overtuigend oog- en oorgetuigeverslag is van wat een getormenteerd volk doormaakt onder het buitenproportionele geweld van een wraakzuchtige vijand. In tachtig jaar is de Palestijnse bevolking geen stap verder gekomen; nog steeds op blote voeten. 

     

     

  • Oogst week 8 – 2025

    Uittocht uit Gaza

    Oktober 2023: na vijftien jaar lukt het de Belgisch-Palestijnse schrijver Fatena Al Ghorra eindelijk om haar familie in Gaza te bezoeken. Drie dagen na haar aankomst barst de hel los. Omdat ze haar ouders niet alleen wil laten besluit Al Ghorra in Gaza te blijven. Te midden van Israëlische bombardementen vlucht ze met haar familie naar het Al-Qudsziekenhuis, waar ze, samen met 12.000 anderen, een maand lang probeert te schuilen. Ondertussen wordt Gaza in puin geschoten, met duizenden doden tot gevolg, waaronder talloze kinderen. In Uittocht uit Gaza documenteert Al Ghorra deze vernietiging en de hoop die de vluchtelingen hardnekkig blijven koesteren, in brieven aan haar nichtje. 

    Fatena Al Ghorra (1974) is dichter en journalist, geboren in Gaza. Sinds 2009 woont ze in België, waar ze asiel aanvroeg, en sinds 2016 heeft ze de Belgische nationaliteit. In 2000 debuteerde Al Ghorra in het Arabisch met de dichtbundel Er is een zee tussen ons. Inmiddels staan er, naast haar laatste boek, Uittocht uit Gaza, vijf dichtbundels op haar naam. Haar werk is vertaald in het Spaans, Italiaans en Nederlands en in 2012 won ze de El Hizjra-Literatuurprijs. De eerste Nederlandse vertaling verscheen in 2014: Gods bedrog. Diverse scenario’s. Ook de dichtbundel erna, Neem dit lichaam, werd in het Nederlands vertaald.

    Uittocht uit Gaza
    Auteur: Fatena Al Ghorra
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas en Uitgeverij EPO

    Beladen huis

    In haar memoire, Beladen huis, kijkt Christien Brinkgreve na het overlijden van haar man terug op haar vastgelopen huwelijk. Niet wrokkig, met het doel een schuldige aan te wijzen, maar met verwondering en oprechte nieuwsgierigheid. Ze wil weten wat er met haar en haar man is gebeurd en wat dat te maken heeft met de traditionele rolpatronen die zij, net als veel vrouwen van haar generatie en de generaties erna, ontstegen dacht te zijn. Wat mooi begon, een verbintenis tussen twee mensen, eindigde in een dichtgeslibd huis vol kranten, boeken en zwaarmoedigheid. Brinkgreve maakt niet alleen de balans op van haar huwelijk, ze probeert ook haar man en zichzelf terug te winnen.

    Christien Brinkgreve (1949) is emeritus hoogleraar Sociale Wetenschappen. Naast haar werk aan de universiteit schrijft ze met het doel complexe problemen toegankelijk te maken voor een breed publiek, waaronder in 1992 De vrouw en het badwater: over de lusten en lasten van het moderne (vrouwen)leven, in 1999 Huismensen: essays en columns over vrouwen, mannen en kinderen en in 2006 Wie wil er nog moeder worden? Gedurende haar lange en diverse carrière is ze onder andere lid geweest van de wetenschappelijke begeleidingscie van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en zat ze in de redactie van het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift. Brinkgreve woont in Amsterdam. 

    Beladen huis
    Auteur: Christien Brinkgreve
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De archeologie van het verlies

    Ook in Sarah Tarlows memoire, De archeologie van het verlies, gaat het over het verlies van een dierbare. In 2012, kort nadat ze als archeologe aangesteld wordt aan de universiteit, wordt haar partner Mark ziek. Een neurologische aandoening die ervoor zorgt dat hij snel steeds minder kan: niet meer autorijden, lopen, proeven, tot hij voor vrijwel alles afhankelijk is van de hulp van anderen, vaak van die van Tarlow. In haar werk aan de universiteit onderzoekt Tarlow hoe mensen in het verleden omgingen met verlies en het verdriet dat daarbij hoort. Toch is ze niet voorbereid op wat de ziekte en het overlijden van haar man met haar doen. Gewapend met wetenschappelijke kennis neemt ze haar ervaringen onder de loep. 

    Sarah Tarlow (1967) is een Britse archeoloog en academicus, die als hoogleraar Historische Archeologie verbonden is aan de Universiteit van Leicester. Tarlow geniet bekendheid met haar archeologische onderzoek naar dood en begrafenis. Haar onderzoek heeft betrekking op Groot-Brittanië en Noord-Europa. In 2012 werd haar de leerstoel Archeologie toegekend. Ze heeft meerdere wetenschappelijke werken gepubliceerd, waaronder Handbook of the Archaeology of Death and Burial (Oxford Handbooks) en van 2011 tot 2016 leidde ze Harnessing the Power of the Criminal Corpse, een onderzoek naar het beheer, de behandeling en het gebruik van lijken van criminelen in Groot-Britannië tussen de zestiende en de twintigste eeuw.

    De archeologie van het verlies
    Auteur: Sarah Tarlow
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Over burgerlijkheid, wat er mis is in de maatschappij

    Over burgerlijkheid, wat er mis is in de maatschappij

    Tezer Özlü heeft hoge verwachtingen van haar lezers. De kille nachten van de jeugd is bepaald geen simpele, chronologische vertelling. Op de eerste paar bladzijden is het al opletten geblazen, want zodra je je aandacht even hebt laten verslappen, vraag je je af waar en wanneer een scène speelt. Je komt niets te weten dat de verteller zich niet op dat precieze moment herinnert. De lezer is aan haar grillen overgeleverd, van hot naar her. En, als je net denkt dat je de draad weer hebt opgepakt, maakt Özlü opnieuw een sprong in tijd en plaats, alsof ze wil zeggen: het doet er niet toe of je het begrijpt of niet, als je maar weet dat ik je heb opgesloten in het hoofd van mijn verteller, waar geen enkele ervaring ooit echt tot het verleden behoort.

    In dat hoofd gebeuren verontrustende dingen: ‘De gedachte aan de dood achtervolgt me. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat speel ik met de gedachte een eind aan mijn leven te maken. Niet dat er een bepaalde reden voor is. Je kunt leven of niet, het maakt niet uit.’ Wat erbuiten gebeurt is nog verontrustender. De onrust in de samenleving, de staatsrepressie, de staatsgrepen en, meer persoonlijk, de opnames in psychiatrische klinieken waar de behandeling met elektroshocks meer weg heeft van marteling dan van een manier om beter te worden en de machteloosheid van patiënten benadrukt wordt door seksueel misbruik en geweld. Wie op zoek is naar de feiten, naar gebeurtenissen die elkaar logisch opvolgen komt bedrogen uit. Door het hele boek heen weeft Özlü de herinneringen van de verteller associatief door elkaar: haar reizen naar Berlijn en Parijs, haar seksuele ervaringen met mannen, de geestesziekte die weer de kop opsteekt.

    Onderdrukking van gewone burgers

    Özlü’s naamloze verteller groeit de eerste paar jaren op in een klein provincieplaatsje en daarna in Istanbul. Het huwelijk van haar ouders is slecht. Haar vader probeert thuis een militaire discipline te handhaven, er is geen warmte tussen hem en zijn vrouw. Ze heeft een goede relatie met haar zus, ze slapen in elkaars armen. Tussen haar en haar broer is er weinig liefde. Ze moet zijn modderige schoenen poetsen en mag zijn boeken niet aanraken zonder het eerst te vragen. Na haar zelfmoordpoging — ze slikt een grote hoeveelheid pillen en komt voor het eerst in een psychiatrische inrichting terecht — vraagt hij waarom ze het heeft gedaan. ‘Die boeken van Aziz Nesin,’ zegt ze, ‘over de burgerlijkheid, wat er mis is in de maatschappij.’ Nesin (1915 – 1995) was een schrijver die zich uitsprak tegen de onderdrukking van gewone burgers, tegen de bureaucratie en tegen economische ongelijkheid. ‘Mijn ideeën en mijn daden hebben maar één doel,’ zegt de verteller een stuk verderop in het boek, ‘en dat is het slechten van de benauwende grenzen die de vrijheden van de kleine burgerij inperken.’

    Opgroeien in woede

    De kille nachten van de jeugd werd in 1980 voor het eerst in Turkije gepubliceerd, zes jaar voor Özlü’s vroegtijdige dood. Ze stierf op drieënveertigjarige leeftijd aan borstkanker. De nieuwe vertaling (de eerste verscheen in 1985 onder de titel Kille nachten) is gemaakt door Hanneke van der Heijden, die ook het nawoord heeft geschreven.

    Het boek gaat over de periode van 1960 tot 1980, over de politieke en economische situatie in Turkije toen en vooral over hoe die doorwerkte in het dagelijkse leven van meisjes en vrouwen. Drie staatsgrepen, de onderdrukking van vreedzaam protest, het geweld op straat en op universiteiten, Özlü benoemt grote gebeurtenissen zijdelings. Het gaat haar om repressie in de persoonlijke sfeer, de onderdrukking van vrouwelijke seksualiteit, de stringente normen die gelden voor het gedrag van meisjes en vrouwen. Dat is de wereld waarin Özlü en haar tijdgenoten opgroeien, een wereld die haar razend maakt.

    ‘We groeien op in woede. Woede over de wijk, de straat waar we wonen, over de kamers, de spullen, de bedden met de versleten en doorgezakte kapokmatrassen, waar we het ’s winters nauwelijks warm in kunnen krijgen’. Alleen op straat is er leven. ‘Wat mooi is, wat echt is, zijn de mensen van de stad, de drukte, de buitenwereld.’ Juist die buitenwereld is niet bedoeld voor vrouwen, de verlangens van de hoofdpersoon, naar liefde, naar seks, naar vrijheid botsen met de repressieve sociale mores. Özlü zegt misschien niet letterlijk dat dat is wat haar verteller ziek maakt, maar het spreekt uit iedere zin.

    De pijn en het leed van het land

    De kille nachten van de jeugd bestaat uit vier hoofdstukken en als je na het lezen van de eerste drie snakt naar verlossing uit het hoofd en het leven van de verteller, ben je niet de enige. De verteller zelf hunkert naar haar vroege jeugd, of eigenlijk: naar de natuur die ze zich van vroeger herinnert en de verbondenheid met haar zusje. Het vierde hoofdstuk is kort, twaalf bladzijden, en de titel geeft hoop, ‘Terug naar de Middellandse zee’. Daar vindt de verteller niet alleen zichzelf maar ook de verbinding met anderen, aan zee wacht ze op ‘de zon van duizenden jaren’, een constante schoonheid in een wereld die continu en gewelddadig omwentelt. Toch is ook hier geen echte ontsnapping mogelijk. ‘Allemaal voelen ze [mijn vrienden] de pijn en het leed van het land en spannen ze zich in, in de hoop dat het bestel verandert.’ Een aantal van die vrienden sterft kort na elkaar, veertigers nog maar, een lot dat ook de schrijver zelf treft.

    Özlü’s boek is een verontrustende en desoriënterende roman. De opeenvolging van herinneringen benauwt, zeker als het gaat om de opnames in psychiatrische instellingen. Dat is meteen ook de kracht van het boek, de onverbiddelijke manier waarop Özlü haar lezers meesleurt in het innerlijke leven van haar verteller, de eerlijkheid waarmee ze er verslag van doet. Dat Özlü zo jong gestorven is, is daarmee niet alleen een persoonlijk drama maar ook een gemis voor de literatuur. Gelukkig verschijnt er in 2025 nog een vertaling van een werk van haar hand, getiteld Reis naar het einde van het leven.

     

     

  • Het geloof in verzet

    Het geloof in verzet

    Chris Keulemans noemt zichzelf een reizende schrijver. Vanuit Amsterdam Noord reist hij als zestiger de wereld over, na een lange loopbaan in de journalistiek en in het management van drie bekende cultuur- en debatcentra: De Balie, Perdu en de Tolhuistuin. Zijn visie als journalist, auteur van fictie en non-fictie en als debatleider klinkt door in dit boek over mensen die opstandig zijn en zich verzetten. Keulemans komt uit een gezin van progressieve ontwikkelingswerkers uit de tijd dat een linkse instelling een levenshouding was. Als kind zwierf hij met zijn ouders de wereld over, en dat is hij blijven doen. Met aandacht voor vluchtelingen, de uitgeslotenen, de gemarginaliseerden, soms de mislukten. De rode draad in zijn leven vol eigen verzet, in de krakersbeweging, in de linkse De Balie, is goed zichtbaar in dit boek.

    Keulemans neemt ons mee naar het inmiddels beruchte grensgebied tussen Wit-Rusland en Polen, waar veel immigranten in soms hemeltergende situaties van ontbering en angst terechtkomen. Gesandwiched als zij zijn door Poolse regering die deze ‘gelukszoekers’ liever kwijt dan rijk is en de gecombineerde Wit-Russische en Russische pogingen om mensen als middel in een hybride oorlogvoering tegen het Westen te gebruiken. Het is het cynisme van de huidige geopolitieke situatie sinds de Russische agressie tegen Oekraïne in februari 2022. In deze uithoek van Europa, in Polen maar dichtbij Litouwen en Wit-Rusland, bevindt zich een landgoed dat ooit het ouderlijk huis was van de Pools-Amerikaanse Nobelprijswinnaar literatuur van 1980, Czeslaw Milosz (1911-2004), maar dat nu een soort vrijplaats en opvangplek is voor de ontheemde vluchtelingen. Borderland. Terzijde: ‘Oekraïne’ is Slavisch voor grensgebied. Ook uit Oekraïne zijn er sinds voorjaar 2022 vluchtelingen ter plaatse.

    Op het landgoed

    Op het landgoed waart de geest van de kosmopoliet Milosz nog rond. Geen vrolijke man, schrijft Keulemans. ‘Op de schaarse foto’s is hij niet van plan te glimlachen.’ En even later ‘De onglimlachende jongen werd nooit een man die zich neerlegde bij de wetten van hoe het hoort. Hij overleefde ze door ze te negeren.’
    Keulemans beschrijft hoe zijn oude vriend Adam destijds het vertrouwen van Milosz won toen die na een jarenlang verblijf in San Francisco rond de millenniumwisseling terugkwam naar zijn geboortegrond. Adam woont met een groep kunstenaars en intellectuelen op het landgoed en Keulemans heeft gevraagd of hij er, het drukke Amsterdam moe, mocht komen schrijven. Hij constateerde bij zichzelf en bij de gemeenschap op het landgoed eerst vreugde en optimisme. ‘Van de opstanden tegen overheersers die dit gebied trachtten in te lijven, de een na de ander, klinkt alleen een verre echo. Het voelt bijna alsof ook de harde grenzen zijn opgelost, alsof Vilno en Koningsberg en Brest nog altijd binnen een dagreis met paard en wagen te bereiken zijn.’ Toch klinkt de echo van het befaamde, ook door Keulemans genoemde boek ‘Bloedlanden’ van Timothy Snyder hier door als triest stemmende aanvulling op dat Borderland.

    Nauwkeurig en met veel invoelingsvermogen worden de dilemma’s van de vluchtelingen beschreven (hoe vaak probeert iemand het opnieuw om Polen binnen te komen en tegen welke prijs). Van de Poolse grenswachten, politie en autoriteiten, maar ook van de hulpverleners en de ‘gewone’ inwoners die bijna gedwongen worden zich tot dit probleem te verhouden. Het bijzondere van dit boek is dat we allemaal wel een notie hebben van de vrijwel onhoudbare situatie daar, die vaak journalistiek is beschreven, maar zelden zo literair is weergegeven. Want dat doet Keulemans, in pakkende, korte zinnen en fraai taalgebruik. ‘Het landschap draagt de geschiedenis als een parasol zo licht.’ En ‘Als vrieslucht op de eerste winterdag hangt er waakzaamheid tussen de bomen.’

    Zinloze grenzen

    Niet alleen contrasteert de steeds nijpender wordende vluchtelingenproblematiek met Keulemans’ eigen en in eerste instantie optimistische observatie, hij maakt ook zelf een ontwikkeling door. ’Vroeger zat ik overzichtelijk in elkaar. Van grenzen ging ik op rood. Zinloos vond ik ze, uitvindingen van een angstige natuur, die strepen in het zand, die fortificaties.’ Maar hij is veranderd, volwassener geworden. ‘Ik begrijp nu beter waarom grenzen bestaan en ben er des te feller op tegen.’ Van daaruit zoekt hij een antwoord op de vraag: wanneer en hoe komen mensen in verzet. Wanneer wordt individueel verzet een beweging, zoals die de laatste decennia vaak zichtbaar was op pleinen in de hele wereld.

    Keulemans bouwt lichtjes een systematiek verschillende fases van dit verzet op in maar liefst dertien stappen. Hij werkt deze lijst niet echt uit, waardoor het geen leerstellig boek is geworden. Integendeel, hij pakt scène na scène uit met verschillende plekken in de wereld waar onrecht heerst en verzet ontstaat. Hij schuwt daarbij het contrast niet, van gemene trucs bij het jeugdvoetbal in Amersfoort tot de directe nasleep van 9/11 in de Verenigde Staten. Hij is op dat moment in New York en rijdt vijf dagen na de brute aanslag naar Princeton. Daar maakt hij contact met een ‘oorlogssocioloog’ die aanvankelijk ‘uitgelaten’ was over de aanslagen maar later toch bij zinnen bleek te komen.

    Een bijzondere ervaring, de gevolgen van de aanslagen eerst verdringen door vreugde dat er nu eindelijk verzet is getoond tegen het verfoeide Amerikaanse systeem. En hij legt contacten in de collegebanken. ‘De graatmagere activiste die strafrecht studeert is een praatmachine.’ Zij organiseert die week een Peace Meeting die nogal wezenloos blijkt te zijn. ‘Even later zat ik in een kelder tussen dertig mensen die elkaar onwennig aankeken. De hele bijeenkomst had iets clandestiens. Vrede is deze week geen populair woord.’ Later loopt hij mee in een Vredesmars in de buurt van Princeton. ‘Op straat staan de mensen te kijken. Verbouwereerd misschien, maar niet agressief.’ Na afloop van de demonstratie gaat Keulemans naar zijn auto. ‘De maan boven de daken is een witte sikkel. Er klinken krekels. De eekhoorns wandelen bedaard over de paden. Opeens denk ik: als ze dit zouden vernietigen, dit paradijs van kennis en onwetendheid, dat zou ik niet kunnen verdragen.’

    Niet genoeg ellende

    En zo springt Verzet de wereld over. Naar Tunesië, Oekraïne/Maidan, Minsk, Bagdad – waar het standbeeld van Saddam Hussein omver wordt getrokken: ‘Een verstandige dictator zorgt in het hele land voor stevige sokkels en krakkemikkig gereedschap.’ Naar het Martelaarsplein in Beiroet bij een jaarwisseling, naar Jakarta en ook heel vaak naar ons vertrouwde Amsterdam. Zoals een mars in 2015 na de agressieve bejegening in een aantal gemeenten van asielzoekers, met een hoofdrol voor Nasrdin Dchar, die verder geen vervolg krijgt maar wel een mooie middag op het Museumplein betekent. Waar behalve Dchar, Jerry Afriyie spreekt. ‘Weloverwogen articulerend spreekt hij zijn grimmige liefde uit voor een onvolmaakt land.’ Ook Oekraïne in oorlog haalt Keulemans aan, met een mooi citaat van reporter Olaf Koens die een oude vrouw die met trillende hand rozen knipt met een schaartje, vraagt waarom ze dat doet. ’Als je dat niet snapt heb je niet genoeg ellende meegemaakt.’

    Het boek meandert langs recente gebeurtenissen en verder terug in de tijd. Van de RaRa aanslag op toenmalig staatssecretaris Aad Kosto tot herinneringen aan de roerige Amsterdamse situatie in 1980 tot lokale acties als ‘Verdedig Noord’ in Keulemans’ buurt in Amsterdam. Hij blijft geloven in verzet, zonder illusies maar wel met hoop. ‘Wat verzet onderscheidt en uiteindelijk sterker maakt dan de macht is de verbeelding; het zichtbaar maken van mogelijkheden.’
    Verzet is een boek van een auteur met een fluwelen pen. Geen politiek boek, maar wel een goed geschreven verhaal over politiek, onrecht, verzet, protest. Soms als de druppel die de steen uitholt, soms als een spectaculair moment dat niet altijd standhoudt zoals de Arabische Lente. De wereld rond vanuit Amsterdam Noord. Het is de moeite van de inspanning waard. En van het lezen.

     

     

  • Goed dat dit boek opnieuw werd uitgegeven

    Goed dat dit boek opnieuw werd uitgegeven

    In 1969 verscheen Eer de haan kraait… Een Hollandse soldaat op Java van Jan van Waveren met een andere ondertitel en onder het pseudoniem ‘Jan Varenne’. Toen was het boek al ruim vijftien jaar klaar, maar in die tijd was er geen uitgever te vinden die zijn vingers eraan wilde branden. Het onderwerp lag in de Nederlandse samenleving veel te gevoelig. Indië en wat daar gebeurd was, daar werd niet over gesproken. Tot eind jaren zestig oud-militair Joop Hueting op tv en in de krant voor het eerst melding maakte van oorlogsmisdaden. De tijd was eindelijk rijp voor Van Waverens roman, waarin hij ‘met totale eerlijkheid’ verslag deed van zijn tijd in Indië. Maar zo lang het duurde voor zijn boek eindelijk in druk verscheen, zo snel was het ook alweer vergeten. Het is dan ook goed dat Uitgeverij Jurgen Maas dit boek opnieuw heeft uitgegeven.

    In zijn boeiende nawoord vertelt historicus Remco Raben dat de discussie over de oorlogsmisdaden maar een paar maanden duurde. Toen Eer de haan kraait… uitkwam, ging het in de media alweer over andere kwesties. Het boek kreeg enkele positieve recensies, maar was spoedig ‘veroordeeld tot een schimmenbestaan in de antiquarische schappen’.

    Beeldende schrijfstijl

    Waarom is Eer de haan kraait… na bijna tachtig jaar, na ruim een halve eeuw na de eerste en enige druk nog zo de moeite waard? Om te beginnen vanwege de vlotte, krachtige en beeldende schrijfstijl. ‘Het was net alsof de kleren van sergeant Block tegelijk gestorven waren met Block zelf. Dat had je het duidelijkst kunnen zien aan de modder die op zijn gezicht gespetterd was, net als op zijn kleren. Allebei waren ze dode materie geworden. Het waren dingen. Blocks gezicht was een ding geworden en er zat modder op.’
    Artistiek gezien is het doodzonde dat het bij deze ene roman gebleven is. Kennelijk was Van Waveren, na het leggen van zijn persoonlijke postkoloniale ei, niet geïnteresseerd in een literaire carrière. 

    Een ‘roman’ ja, maar ‘persoonlijk’ ook. Eer de haan kraait… is fictie, maar wel degelijk gebaseerd op persoonlijke ervaringen van de schrijver. Die tweeledigheid is ook terug te vinden in de structuur van het boek. De hoofdlijn bestaat uit losse hoofdstukjes waarin de hoofdpersoon Jenver centraal staat. Ze worden afgewisseld met cursieve intermezzo’s in de eerste persoon enkelvoud met realistische herinneringen van de schrijver. Die hadden evengoed aan de fictieve hoofdpersoon Jenver toegeschreven kunnen worden, maar kennelijk wilde Van Waveren zich toch niet helemaal achter zijn personage verschuilen. In het ‘Woord Vooraf’ identificeert Van Waveren zich expliciet met zijn hoofdpersoon: ;De trap voor mij en voor Jenver ligt niet in de ontzetting over de moord maar in het feit dat de moord hem in wezen weinig doet, gevangenen als wij waren van de groep tegenover een andere kleur ratten.’

    Moraal in tijden van oorlog

    Hoofdthema van het boek is de morele positie van iemand die bij onmiskenbare, vaak sadistische oorlogsmisdaden aanwezig is als passieve toeschouwer en soms als medeplichtige. De hoofdpersoon en de schrijver zijn zich bewust van de gewelddadige wetteloosheid waar ze bij betrokken zijn. Ze proberen er afstand van te nemen, maar beseffen maar al te goed dat de morele speelruimte klein is. Volgens Raben moeten we het boek niet opvatten als een aanklacht tegen het optreden van de Nederlandse troepen. ‘De waarde van de roman ligt vooral in de onverbloemde tegenstrijdigheid van de hoofdpersoon en schrijver en zijn onvermogen zich te verzetten tegen dingen die evident tegen zijn rechtsgevoel indruisen.’

    Dat onvermogen wortelt deels in groepsdruk, legt Van Waveren uit in zijn ‘Woord Vooraf’. ‘De motivering voor het schrijven was de mateloze verbijstering. Niet zozeer om de excessen en de moeiteloze metamorfose van trouwe kerkgangers, goedmoedige dorpelingen, telgen uit regentenmilieus en solide socialisten tot vanzelfsprekende “bij vluchtpoging-neerschieters”. Verbijstering vooral om te ontdekken dat moraal alleen geldt binnen de eigen rattenkolonie.’

    Eer de haan kraait… geeft een bijzonder levendig beeld van het leven van een gewone, dienstplichtige soldaat in het moreel en politiek uiterst ingewikkelde militaire conflict dat inmiddels geen ‘politionele actie’ meer genoemd wordt, maar een ‘onafhankelijkheidsoorlog’ was. Het perspectief is omgedraaid, maar omdat Van Waveren wèl een morele, maar geen politieke positie inneemt, heeft hij de particuliere bevindingen losgeweekt van de politieke omstandigheden. Daardoor krijgt dit boek een universele geldigheid en tijdloze relevantie, waarbij de stijl en de literaire aanpak ook nog eens onvoorstelbaar modern aandoen. Na het verschijnen van de roman werd Van Waveren actief als pleitbezorger van kamermuziek in Nederland.’Vermoedelijk kon Van Waveren zijn kunstzinnige (…) talenten hier kwijt,’ veronderstelt Raben. Maar wat jammer voor de literatuur!