• Oogst week 38 – 2025

    Oogst week 38 – 2025

    Opera der doden

    Rosalina is de laatste uit een familie van grootgrondbezitters. Zij heeft een rustig bestaan en woont alleen met haar dienstmeid in een groot oud herenhuis een Braziliaanse provinciestad. Zij koestert de oude familiegewoontes en put daar zelfvertrouwen uit. Van verandering moet ze niks hebben.
    Maar haar geïsoleerde bestaan verandert toch. Ze maakt kennis met een vreemdeling, José Felicano, en neemt hem aan als klusjesman. Hij wordt haar minnaar. Haar rust is verstoord en zij gaat een dubbelleven leiden.

    Autran Dourado (1926 – 2022) is in Nederland niet zo bekend, maar zijn werk wordt in Brazilië zeer gewaardeerd. Bij uitgeverij Koppernik verscheen in 2024 van hem de roman Het mensenschip.
    Opera der doden is vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens.

    Opera der doden
    Auteur: Autran Dourado
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Windhandel

    Windhandel is een begrip dat aangeeft dat er zaken aan- en verkocht worden tegen zeer speculatieve en vaak irreële prijzen, puur om er veel winst mee te behalen.
    Het gevaar is dat die handel na verloop van tijd in één keer in elkaar zakt. Voorbeelden daarvan zijn Zwarte Donderdag in 1929, Zwarte Maandag uit 1987, het uiteenspatten van de internetbubbel in 2000 en de kredietcrisis van 2007. Ook de bitcoin kent inmiddels hoge pieken en diepe dalen. En toch blijven mensen er gevoelig voor.

    In Windhandel geeft Maarten Biermans op basis van ooggetuigenverslagen een inzicht in vijf eeuwen speculeren. Met alle hoogte- en dieptepunten voor de betrokkenen van dien.

    Maarten Biermans (1974) is econoom, hij doceert duurzame financiering aan de Universiteit van Amsterdam.

    Windhandel
    Auteur: Maarten Biermans
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2025)

    Zilte windsels suikerwier

    Zilte windsels suikerwier gaat over Duifje, een meisje van 13 jaar dat zich eenzaam en vervreemd voelt in haar omgeving, en de jonge voormalige bootvluchteling Rayan. Beiden wonen in dezelfde ongezellige en naargeestige flat die op de nominatie staat om afgebroken te worden. Duifje woont er antikraak met haar moeder, Rayan is daar met zijn ouders terecht gekomen na zijn tijd in het AZC.

    Duifje worstelt met het feit dat ze diabetes heeft en de daaraan klevende ongemakken en Rayan associeert gebeurtenissen met dingen uit zijn pijnlijke verleden. Zij ontwikkelen een vriendschap en vinden steun bij elkaar. Samen krijgen ze te maken met de plaatselijke pestkoppen.

    Inge Nicole is het pseudoniem van Inge Nicole Bak (1968).
    Inge Nicole Bak debuteerde in 1994 als schrijfster van poëzie met de bundel Nachtbloem.
    Naast het schrijven van proza en poëzie, maakt zij ook beeldend werk. In Zilte windsels suikerwier zijn 11 acrylverf collages van de auteur opgenomen.

    Zilte windsels suikerwier
    Auteur: Inge Nicole
    Uitgeverij: Uitgeverij In de Knipscheer
  • Hoe vertrouwde plekken een nieuw gezicht krijgen

    Hoe vertrouwde plekken een nieuw gezicht krijgen

    Schrijver zijn én stedenbouwkundige: het klinkt misschien als een ongewone combinatie, maar voor Hester van Gent is het de ideale manier om de werelden van woorden en stenen met elkaar te verbinden. Met haar technische achtergrond in architectuur en stedenbouw schrijft ze essays, recensies en journalistieke stukken die niet alleen de fysieke ruimte verkennen, maar ook de emoties en verhalen die eronder schuilgaan. Ze was een van de vijfenzestig kunstenaars die reageerden op Paul van Ostaijens iconische werk Bezette stad, in een bloemlezing samengesteld door Matthijs de Ridder en Willem Bongers-Dek, uitgegeven door Pelckmans in 2021. In haar verhaal ‘De miniatuur’ deelt ze haar persoonlijke blik op de stad en de manier waarop mensen zich verhouden tot hun omgeving.

    Haar debuutboek, Het passeren van onmeetbare ruimten (2024), is een essaybundel over de invloed van ruimtes op wie we zijn. Van Gent kijkt niet alleen naar hoe wij ons als individuen verhouden tot verschillende omgevingen – van hectische stadsstraten tot rustige, intieme plekken – maar ze verdiept zich ook in de psychologische en culturele lagen die deze ruimtes vormgeven. Het boek laat zien hoe ruimtes, of ze nu meetbaar zijn of niet, van onmiskenbare invloed zijn op onze identiteit, emoties en ervaringen. Van Gent zoekt naar de menselijke maat in uiteenlopende situaties: de scheidslijnen tussen landen, de voordeur die je blik vangt, de overgang tussen water en land, of de lijn op de vloer in een ziekenhuis die je de weg wijst.

    Sterke en doordachte argumentatie

    Van Gent bouwt haar betoog op door bestaande werken te citeren en toont zo aan dat haar gedachten niet alleen persoonlijk zijn, maar ook aansluiten bij een bredere (literaire) context. Zo onderbouwt ze overtuigend haar standpunt dat mens en ruimte niet altijd met elkaar te rijmen zijn. Ze illustreert dit met Kafka’s ‘Het hol’, waarin de hoofdpersoon overmand wordt door angst en zich het liefst terugtrekt in een kleine, afgesloten ruimte. Maar deze schuilplek biedt geen veiligheid. Hoe meer hij schaaft aan de muren, de versperringen rond de opening en het opgebouwde doolhof, hoe vaker hij de vijand denkt te horen kruipen, ritselen, graven.’ De angst van de ‘holbewoner’ groeit en hij verschuilt zich steeds dieper. Van Gent laat hiermee zien hoe angst en benauwde ruimtes onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: je zoekt een veilige plek om jezelf te vinden, maar tegelijkertijd sluit je jezelf af van de wereld.

    Deze spanning tussen ruimte en beleving maakt Van Gent niet alleen inzichtelijk door middel van voorbeelden uit de literatuur en kunst, maar ook door het delen van haar eigen ervaringen. Dit maakt haar werk niet alleen theoretisch, maar ook concreet en invoelbaar. In een hoofdstuk over ‘fysische momenten’, bijvoorbeeld, beschrijft ze hoe een vertrouwde route langs een singel opeens een andere betekenis krijgt. Dit gebeurt omdat je ervaring van de ruimte onbewust wordt gevormd door je overtuigingen en verwachtingen, waardoor je van de ene op de andere dag details opmerkt die je eerder niet zag. Misschien is het water een stukje hoger, of valt het zonlicht op een nieuwe manier: ‘Op een fysisch moment is een mens zich precies daarvan bewust: het in een ruimte zijn.’

    Uitdagen van denkpatronen

    Van Gent daagt je uit om na te denken over je eigen relatie met de ruimtes waarin je je bevindt en die je bezoekt. In het laatste essay van haar boek betoogt ze overtuigend hoe wij ons op een paradoxale manier verbonden voelen met wereldsteden zoals Parijs. Ze illustreert dit door te wijzen op de paradox van het beklimmen van de Eiffeltoren, die je een gevoel van directe verbondenheid met de stad geeft: ‘Toch is het een paradoxale gedachte om jezelf als onderdeel van een stad te zien, terwijl je bovenin een bouwwerk staat dat in wezen contextloos is, een constructie die nauwelijks met de grond is verbonden. Dat is geen werkelijke situatie, maar een waan – een droombeeld. Het symbool is immers niet de stad zelf, maar een sterk vereenvoudigde uitdrukking daarvan.’

    Door deze paradox te belichten, laat Van Gent zien hoe we ons vaak identificeren met iconen en symbolen van een stad, terwijl we tegelijkertijd het gevoel van verbondenheid verliezen met de alledaagse realiteit van diezelfde ruimte. Dit staat in schril contrast met de diepere betekenis van een stad, die veel gelaagder is dan wat we vanaf een afstand of via een symbool kunnen ervaren

    Van Gents essays bieden een interessante kijk op de complexe relatie tussen mens en ruimte. Ze maakt ons bewust van de subtiele, maar krachtige invloed die de omgevingen waarin we ons bevinden op ons uitoefenen – of ze nu concreet en meetbaar zijn, of abstract en ongrijpbaar. Ook legt ze overtuigend uit dat onze omgeving veel meer is dan een fysieke plek; het is een ruimte die niet alleen onze identiteit vormt, maar ook ons gevoel van zelf bepaalt en ons dagelijks leven beïnvloedt. Het passeren van onmeetbare ruimten is dan ook een uitnodiging om stil te staan bij de kracht van de ruimtes die belangrijk voor ons zijn – en een herinnering dat het begrijpen van deze omgevingen ons misschien wel dichter bij een beter begrip van onszelf kan brengen.

     

     

  • Ernst Jansz bezingt de liefde

    Ernst Jansz bezingt de liefde

    In Een liefdeslied vertelt de Nederlandse zanger/schrijver Ernst Jansz over de liefdesgeschiedenis van zijn ouders, waarin zowel het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland als het onafhankelijkheidsstreven van Nederlands-Indië zijn verweven. Meestal verschijnen dit soort familiegeschiedenissen in eigen beheer, vol met namen en geboortedata, soms geïllustreerd met talrijke foto’s uit de oude doos, trouw de chronologische lijn volgend met een vaak verspringend decor van verhuizingen, waar dan weer nieuwe loten aan de stamboom worden gepresenteerd. Een liefdeslied volgt dit patroon, maar is niet in eigen beheer verschenen. Het boek is uitgegeven door In de Knipscheer dat ook Jansz’ eerdere zes boeken het licht liet zien. 

    Op de proef gesteld

    Wat dit boek onderscheidt van doorgaans voor buitenstaanders nauwelijks interessante familieverhalen is natuurlijk de persoon van de inmiddels 76-jarige Ernst Jansz. Een bekende Nederlander, oprichter van Doe Maar, de man die (samen met de in 2022 overleden Hennie Vrienten) in het geheugen is gegrift van iedereen die in de jaren tachtig van de vorige eeuw volwassen probeerde te worden. Wie wil er niet weten hoe zijn persoonlijke geschiedenis in elkaar zit? Maar Jansz stelt de lezer in de eerste alinea al danig op de proef: ‘Jeanne werd geboren op 16 september 1892. Haar vader was Martinus Reep, geboren op 4 januari 1831 te Madoera. Jeanne’s (sic) moeder, Caroline Evangeline Strüwer, was diens tweede vrouw. Martinus was eerder getrouwd met Djembrang, een inlands meisje zonder achternaam (…).’

    Dit soort opsommingen van namen en data kenmerkt het boek. In zijn voorwoord verontschuldigt Jansz zich min of meer als hij schrijft dat hij een romanschrijver van het kaliber van een Reggie Bay zou willen zijn. ‘Maar dat ben ik niet. Ik kan slechts optekenen wat op mijn pad komt. Ooit heb ik een van mijn boeken omschreven als een documentaire roman. Nou, laat dat roman in dit geval maar achterwege (…).’ Toch doet hij zichzelf daarmee tekort. Hij gebruikt wel degelijk literaire fictietechnieken. Alle hoofdstukken die Jopie zijn getiteld — de naam van zijn moeder — schrijft hij bijvoorbeeld in de ik-vorm. Zo kruipt hij in de huid van zijn moeder. Dat doet Jansz verdienstelijk. Vooral als zijn moeder Jopie en zijn vader Rudi in de wilde oorlogsjaren plotseling een voor die tijd bijzonder modern open huwelijk aangaan en Jopie beschrijft hoe zij stapelverliefd werd op een andere man, ook een Indo, net als Rudi. Raden Saleh Sadeli is zijn naam en hij verwekt een kind bij Jopie, een meisje dat Ati wordt genoemd. Zij is dus de (half)zus van Ernst. De waarheid over haar verwekker wordt lang voor het meisje verzwegen.

    Op zoek naar Indische wortels

    Een liefdeslied beschrijft vooral de liefde tussen Jansz’ ouders Jopie en Rudi, maar is het meest ontroerend in de passages waarin op latere leeftijd, als Rudi al is overleden, Ati op zoek gaat naar haar eigen Indische wortels en zich eindelijk verzoent met haar achtergrond. Het boek vertelt bovendien overtuigend het vaker vertelde verhaal over de enorme afstand tussen het leven in Nederlands-Indië en het bestaan van Indische Nederlanders in het koude kikkerlandje aan de Noordzee. Vader Rudi zag het als zijn levenswerk om die afstand voor zijn mede-Indo’s zoveel mogelijk te overbruggen. Maar tijdens en na de onafhankelijksoorlog bleek dat een onmogelijke opgave. Misschien dat zijn beroemde zoon, door veel in Indonesië op te treden, daar later alsnog een steentje aan heeft bijgedragen.

    Wie het boek koopt, krijgt de gelijknamige cd Een liefdeslied erbij, te beschouwen als de soundtrack van het boek. Het zijn fraaie, vaak verstilde en melancholische liedjes die belangrijke momenten in de levens van Jansz’ protagonisten onderstrepen. Het album zou op zichzelf kunnen staan, maar de combinatie met het boek is een mooie meerwaarde. Overigens is het album ook te vinden op Spotify, handig voor mensen die geen cd-speler meer bezitten.

     

     

  • Van God los

    Van God los

    ‘Laten we proosten op … alles wat jij bent. Ze lachte. “Op alles wat ik ben.”’ Wat en wie hoofdpersonage Ellen is, is de vraag in de gelijknamige roman Op alles wat ik ben van Peter WJ Brouwer. Ook in deze derde roman zijn identiteit, verwantschap, vriendschap en verbinding belangrijke thema’s. In een katholieke familie waarin Mariaverering en heiligverklaring leidend is moet de jonge Ellen haar leven richting en vorm zien te geven. Dat valt niet mee, zeker niet omdat met name haar moeder manipulatief en dominant is. Het maakt Ellen opstandig én onzeker, bij tijden angstig en cynisch.

    De roman is overzichtelijk opgebouwd uit vier delen die zich afspelen in 1985, 1986, 1997 en 2015. In de eerste twee delen is Ellen tiener en scholier en met name in deze delen blijkt de ware aard van haar moeder. Als Ellen een vriendin meeneemt naar huis is het commentaar achteraf niet van de lucht en deugt er niets van vriendin Milja, haar ouders en hun leven. Moeder uit zich net zo makkelijk racistisch over een onbekende nieuwslezeres als onverdraagzaam tegen buurtkinderen die op de stoep krijten. Ze heeft de nodige bijzondere en soms hilarische ‘wijsheden’ in pacht onder andere over nicht Hillegonde Hoefnagel, die volgens haar heilig verklaard moet, en over Turks Fruit van Jan Wolkers: ‘Hij schrijft zijn boeken niet eens zelf, dat kan hij niet. Hij laat ze schrijven door drie schrijvers, die niet bekend zijn bij het grote publiek.’ Verder is er een beknellende aanwezigheid van pater oom Marius, moeders broer, en zijn vage vaste metgezel Norbert.

    Waarheen leidt de weg

    Ellen is een zoekende in dit milieu van katholicisme en idolatrie. Haar worsteling en verwarring is voelbaar. Ze is geïntrigeerd door de titel van een boek dat ze op haar moeders kamer ziet liggen met de titel Die Welt der geheimen Mächte en realiseert zich dat ze meer logica ziet in haar geschiedenisboek Mensen en machten. Ze ontdekt dat de wereld groter is dan moeder haar wil doen geloven. Zeker nadat ze Julian heeft leren kennen, durft ze dapper afwijkende keuzes te maken. ‘Julian week af van de mensen die Ellen ervoor had gekend, hij had één gezicht en sprak met één mond. Hij was haar bondgenoot.’ Julian is overtuigd PSP’er en bij en door hem gaat er een wereld voor Ellen open. Als ze wat van zijn ‘subversieve’ tijdschriften mee naar huis neemt en moeder deze vindt, is de boot aan. Even lijkt het erop dat Ellen de strijd aangaat en haar eigen weg gaat kiezen, maar dan blijkt hoe dodelijk de indoctrinatie en haar afhankelijkheid is. ‘Doe het niet, kind, doe het niet’, zegt oom Marius tegen Ellen en vlak daarna sterft hij. Hoewel niet gezegd is dat hij op haar kersverse verkering doelt, maakt ze de verkering uit en verbreekt tot haar eigen verdriet het contact met Julian.

    Ruim tien jaar later lijkt alles redelijk goed gekomen. Ellen heeft zich losgemaakt van het katholicisme, woont samen met Marc en werkt hard aan zwanger worden en als journaliste. Als ze op een avond de oude huisvriend Norbert Leenders op tv zien blijkt echter dat er nog een mijnenveld aan gevoeligheden ligt door haar fanatiek-katholieke jeugd en het feit dat er ‘dingen’ voor moesten wijken. Ze gaat naar een interview met Norbert over cultuur en religie in onze samenleving. Hij debiteert daarin de haar bekende oneliners over religie als bakermat van de cultuur en plaatst kanttekeningen bij de vrijheid van meningsuiting en de volgens hem valse aannames over ‘gelijkheid’ van man en vrouw – als feiten, valt haar op. Even later krijgt ze een aantal conflicten op haar werk, onder andere over een artikel waarin ze kritisch is over de – in haar ogen – overdreven aandacht voor het overlijden van prinses Diana vergeleken met de voetnootvermeldingen die het overlijden van moeder Theresa krijgt. Ellen stelt dat de laatste de echte heldin is. Het is duidelijk dat je het meisje wel uit een katholiek milieu kunt halen, maar het katholicisme niet zomaar uit het meisje.

    Godsdienstwaanzin gerelativeerd?

    In het laatste hoofdstuk (2015) is Ellen nog altijd journaliste, maar ze werkt nu als zzp’er. Een oude bekende uit de PSP-kring van Julian die een politieke draai heeft gemaakt wekt haar aandacht en later ook een uitgesproken politicus á la Baudet. Haar zoektocht naar ‘wat er onder het tapijt ligt’ van intense katholieke belijders, naar een kern dus, of een waarheid, verbreedt zich zo naar anders-dan-religieussoortige fanatiekelingen. Daarnaast is ze in haar ‘worsteling met waarheid en waan’, zoals de schrijver het in zijn verantwoording noemt, op zoek naar een antwoord op de vraag of het echt zo erg was, haar jeugd in een ‘van idolatrie doordesemd milieu’. In diezelfde periode voert ze in haar gezin met de twee puberdochters Ilse en Dorothee twistgesprekken die veel lijken op die uit haar eigen jeugd – waardoor het bijna lijkt alsof de schrijver hiermee de benauwde jeugd van Ellen relativeert. Zo noemt ze de krant die bij het vriendje van Dorothee thuis gelezen wordt een ‘kutkrant’, ziet ze de verkering helemaal niet zitten en krijgt ze van haar dochters het verwijt dat er vooral volgens de regels van de ouders geleefd moet worden. En ondertussen is ze zelf achter de schermen ‘van God los’: haar freelancevrijheid biedt haar alle ruimte er minnaars op na te houden en ze zoekt zelfs weer contact met jeugdliefde Julian. Deze fase, bespiegelingen en keuzes zijn verrassend en minder invoelbaar.

    Of Ellen antwoorden krijgt is de vraag. Wie of wat zij is, blijkt niet eenduidig. In haar afscheidsbrief aan Julian schreef ze toentertijd dat het ‘[…] niet mogelijk [was] je familie te overwinnen en achter je te laten.’ Wellicht gelden deze bijna profetische woorden ook voor de schrijver, die een eigen geschiedenis als inspiratiebron heeft gebruikt. Albert van der Weide heeft naast de omslag van het boek voorafgaand aan elk hoofdstuk vier prachtige tekeningen gemaakt waarin pijn, groei, gebroken geloof en een gebroken mens worden verbeeld.

     

     

  • Oogst week 45

    De Minnaar

    Verhalen als Romeo & Julia scoren altijd. Al in de Middeleeuwen bezingt Diederic van Assenede in Floris ende Blanchefloer de liefde tussen een moslima en een christen. Zie ook modernere werken als De Verstotene van Naima el Bezaz, waarin een Marokkaanse vrouw vreemdgaat met een Joodse man, of Hajar en Daan van Robert Anker. Maar alleen een Française steekt Shakespeare werkelijk naar de kroon: Marguerite Duras. In 1984 schrijft zij L’amant, De Minnaar. Duras – pseudoniem van Marguerite Donnadieu – wint met dit boek de Prix Goncourt.

    De Minnaar gaat over de verhouding tussen een Frans pubermeisje en een Chinese man. In het huidige Ho Chi Minh-stad, dat vroeger Saigon heette, blaast het Frans kolonialisme zijn laatste adem uit. Dit continentale controleverlies loopt parallel aan een destructieve, doch verleidelijke relatie, die bol staat van begeerte, angst, nabijheid en afstand. ‘Naar geen enkel boek keer ik zo vaak terug, als De Minnaar‘, zegt Connie Palmen in haar voorwoord. Geen gekke aanbeveling… in elk geval een stuk verstandiger dan steeds weer terug te keren bij een foute ex-minnaar.

    De Minnaar
    Auteur: Marguerite Duras
    Uitgeverij: De Geus

    Ik zeg geen vaarwel

    Han Kang is allang niet meer de dochter van. In dit geval van Han Seung-won, een van Korea’s grootste auteurs. Met daarnaast broers die allen schrijven voor de kost, komt Han Kang uit een echt schrijversnest. Ze heeft zo’n beetje de helft van alle Koreaanse literatuurprijzen gewonnen en sleept de International Booker Prize in de wacht voor De Vegetariër. Dit werd in 2007 zelfs verfilmd, wat natuurlijk wel vaker een boost voor beroemdheid betekent. Ze is zelfs de favoriete auteur van de Brit Max Porter.

    In Ik zeg geen vaarwel trekt hoofdpersoon en schrijfster Gyong-ha naar het Jeju-eiland. Kangs oeuvre resoneert in meerdere werelddelen, wat waarschijnlijk te maken heeft met een gothic setting en magisch-realistische verteltrant. Dit geldt althans voor Ik zeg geen vaarwel: op het Jeju-eiland gebeuren onheilspellende, occulte zaken, piept en kraakt het huis onder een sneeuwstorm en wordt het dodenrijk nadrukkelijk opgezocht. Han Kang zegt bepaald geen vaarwel; des te beter voor miljoenen lezers!

    Ik zeg geen vaarwel
    Auteur: Han Kang
    Uitgeverij: Nijgh en Van Ditmar

    De vriend van Matisse

    De lijst beroemde Haagse schrijvers loopt lekkâh lang door. Van Birney, Brakman en Bomans tot Campert, Carmiggelt en Couperus. En zo kun je het alfabet nog driemaal moeiteloos door allitereren met literators. Een minder bekende, maar wel degelijk zeer begaafde ‘Windhapper’ luistert naar de naam Theo Monkhorst (1938). Van zijn hand verscheen reeds menig roman, poëziebundel en toneelstuk. Met De vriend van Matisse rondt Monkhorst een project af dat hij in Noord-Frankrijk begon, begin 2023. Een roman over de impressionist, fauvist en beeldhouwer die in de leer gaat bij een boer.

    De schilders vervlochtenheid met zowel het fauvisme als impressionisme kenmerkt De vriend van Matisse. Enerzijds vertelt Monkhorst zijn verhaal met lichte toets, anderzijds smijt hij met ferme verfstreken over Matisses, die een vrouw tot muze kiest. En niet zomaar een… de dochter van de landpachter bij wie hij inwoont. Die keuze leidt in het kleine Noord-Franse gehucht tot de nodige onrust. Toevalligheidje: de boer heet Theodore, zoals Monkhorst. De boer vreest weliswaar voor het welzijn van zijn kind, maar Monkhorst kan er gerust vanuit gaan dat zijn geestelijke kind (De vriend van Matisse) een gunstig lot tegemoet gaat.

    De vriend van Matisse
    Auteur: Theo Monkhorst
    Uitgeverij: In de Knipscheer
  • Alles wat jaren versluierd bleef

    Alles wat jaren versluierd bleef

    Het nooit geschreven verhaal, de nieuwe roman van Ton van Reen (1941), is gebaseerd op een verhaal dat hij begin jaren zestig van een patiënt hoorde tijdens zijn werk als leerling-verpleger in psychiatrisch ziekenhuis Ursula in Wassenaar. Op de achterflap van het boek geeft hij een toelichting: ‘Er was een man die mij het verhaal vertelde over een misdaad die hij niet had begaan maar waarvoor hij de schuld op zich had genomen. Hij belandde vele jaren in de gevangenis.’ Het verhaal speelde zich af in een kloosterdorp ergens in Nederland.

    Van Reen kent ook zo’n dorp, Koningslust, een kerkdorp van de gemeente Peel en Maas. Van Reen: ‘Alles viel op zijn plek. Ik had een locatie, een handvat om het verhaal op te schrijven. Om al schrijvend de waarheid te ontdekken. Ik had het zestig jaar eerder gehoord en het speelde zestig jaar eerder, rond 1900. Omdat het een verhaal van alle tijden is, besloot ik het in deze tijd te plaatsen. De kern, van de man die zich opoffert uit liefde, blijft.’

    Met deze achtergrondinformatie begint de lezer aan het boek, om al lezend de waarheid te ontdekken. Het is interessant om te zien hoe Ton van Reen zijn roman heeft opgezet, met twee plaatsen van handeling, De Peel en Amsterdam en twee tijdlijnen, het nu van 2019 en het verleden van 1959.

    Spoken van zestig jaar geleden

    Het verhaal begint in 2019, in Koningslust. Marieke gaat na het rondbrengen van de kranten langs bij haar oma Maria Smeets-Vanderijken. Oma is bijna tachtig jaar oud, ‘wachtend op de ochtendzon, die de spoken uit haar hoofd kan verdrijven.’ Zij vertelt haar kleindochter een verhaal over de liefde. ‘Dit verhaal gaat over mij en over de jongen op wie ik ooit verliefd was. Hoe het toen allemaal mis ging.’  Ondertussen is in Amsterdam Harrie Leenders net opgestaan in zijn bejaardenflatje: ‘Hij voelt dat er in Koningslust iets gaande is, maar hij heeft geen idee wat het is. In zestig jaar is hij er nooit terug geweest.(…) Harrie is vastbesloten: na zestig jaar moet hij de demonen uit zijn hoofd verjagen.’ Hij brengt veel tijd door met zijn Turkse vriend Ahmed Yilmaz. Die ziet dat hij barst van de heimwee en hij raadt hem aan naar Koningslust te gaan om te zien wat er over is van zijn verleden. Ze sturen een brief naar Anton: ‘We komen op vakantie.’

    Schrijver Anton Rijkers wordt eveneens wakker, na een onrustige nacht. Zijn dromen herinnert hij zich niet, alleen ‘een verhaal van bijna zestig jaar geleden kwam steeds weer bovendrijven in zijn hoofd.’ Hij worstelt elke nacht met een oeroud verhaal, een vertelling over de liefde. Hij zou dat verhaal wel eens willen opschrijven, alles wat toen gebeurd is, ‘alles wat jaren versluierd bleef, maar in zijn gedachten vaak komt bovendrijven. Zo’n verhaal, zou hij toch moeten kunnen schrijven?’

    Maria, Harrie en Anton denken nu ze oud zijn steeds vaker aan een gebeurtenis van zestig jaar geleden.

    Terug naar 1959

    Via flashbacks naar 1959 krijgt de lezer vanuit verschillende perspectieven een steeds duidelijker beeld van wat zich in dat jaar in Koningslust heeft afgespeeld. De families worden uitgebreid beschreven; hun familiebanden en hun eigenschappen. De familie Rijkers: ‘Het zijn allemaal dichters. Aan elk van hen zit wel een steekje los. Ze zaaien niet, ze maaien niet en ze zitten elke dag in de zon.’ En over de familie Leenders die het als kleine boerenfamilie moeilijk heeft. Maria: ‘Dat emotionele zit bij Harrie in de familie. (…) Harries zus Bernadette kon het leven niet aan.’ Zo heeft elke familie ‘zijn eigen brandmerk.’ Van 1959 krijgt de lezer een mooi tijdsbeeld voorgeschoteld. De kermissen van toen, de fancy fairs voor de missie in Afrika, de muziek van toen (het accordeonistenduo Schriebl & Hupperts, de Selvera’s) en de films uit die tijd (Rintintin, de heldhaftige wolfshond). Ook de sociale verhoudingen beschrijft Van Reen. Hoe van de grote boerengezinnen niet iedereen kan studeren. Meisjes zoals Bernadette die hun moeder moeten helpen in de huishouding in plaats van naar de mulo te mogen. En kleine boerenbedrijven die het afleggen tegen de grote.

    Ongeopende brieven

    Harrie reist samen met Ahmed met de trein naar Koningslust. Onderweg leest hij oude brieven van Maria, Anton en zijn zusje Bernadette. De eerste brieven van Maria opende hij nog, maar hij wist nooit wat hij terug moest schrijven. Later opende hij haar brieven niet meer, ook niet die van Anton en Bernadette. Uit de brief van Anton uit 1968: ‘Ik zou graag een boek schrijven over wat er met ons is gebeurd.’  Pas in de trein leest Harrie de afscheidsbrief van zijn zusje.

    Anton Rijkers schrijft met stukken en brokken aan het verhaal ‘over het explosieve jaar 1959’ in Koningslust, over de man die daar omgekomen is. ‘Of het moord of doodslag of een ongeluk was geweest, maar zoals altijd stokte het verhaal in zijn kop.’ Hij krijgt het verhaal maar niet af en gooit steeds veel weg. Met zijn manuscripten maakt hij de kachel aan. ‘Bedenk maar eens een goede titel voor een verhaal dat nog niet af is, dat misschien nooit af komt. Een nooit geschreven verhaal.’

    Uiteindelijk komt het tot een ontmoeting tussen de oude mensen, de bijna tachtigjarige Harrie en Maria. Anton is er ook bij. Tegen het einde van het boek komen alle lijntjes bij elkaar en wordt duidelijk wat er zich bij het Oud Kanaal heeft afgespeeld. Anton besluit zijn boek niet te schrijven: ‘De onzalige dood van een rijke boerenzoon uit een dorp uit de Peel blijft een nooit geschreven verhaal.’

    Louis Couperus

    Het boek van Ton van Reen doet wel wat denken aan de bekende familieroman van Louis Couperus, Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… Couperus’ boek verscheen in 1906 als boek (in 1904 als feuilleton). Ook in deze roman gaat het om gebeurtenissen van zestig jaar geleden, over spoken uit het verleden die maar niet verdwijnen. Uit de roman: ‘Hij begreep niet waarom hij zoo oud moest worden, terwijl de dingen zoo langzaam voorbij gingen, stille voorbij, maar zóo slepend, als waren ze, de dingen van vroeger, spoken, die slierden heel lange sluiers langs heel lange paden, en als ritselden de sluiers over de warrelende bladeren, die neêrdwarrelden over het pad.’ * Bij Van Reen is het ‘alles wat jaren versluierd bleef,’ bij Couperus de dingen van vroeger die ‘slierden heel lange sluiers langs heel lange paden.’

    Een lijk in een rivier in Nederlands-Indië tegenover een lijk in het Oud Kanaal in De Peel. In Couperus’ boek drukt de schuld zwaar op de hoofdpersonen. In het boek van Van Reen gaat het ook over schuld, maar het is allemaal veel lichter van toon.

    Vakmanschap

    Ton van Reen heeft duidelijk plezier in het schrijven. Indrukwekkend is de scène over de vader van Harrie bij wie in het hoofd iets is geknapt. Harrie draagt de zorg voor de boerderij. Zijn vader ‘tuurt naar de rand van zijn bord en naar het tafelzeil met honderden kleine scheurtjes (…) De tafel toont een kaart van de wereld, met honderden rivieren. (…) De gaten in het tafelzeil zijn de grote steden. (…) Zo gerafeld als het tafelzeil is, zo gerafeld is het leven van vader. Na een aandoening in zijn hoofd kan hij het werk niet meer aan. Hij weet dat zonder Harrie de boerderij naar de knoppen gaat.’

    Het nooit geschreven verhaal is een mooie familieroman met een knappe structuur. Van Reen verbindt op knappe wijze het verleden met het heden, bijvoorbeeld door de ongeopende brieven uit de jaren zestig die onderweg in de trein gelezen worden. Zijn enthousiaste manier van vertellen, zijn oog voor detail en vakmanschap dwingen respect af.

     

    * Citaat uit Volledige Werken Louis Couperus, deel 25, ed. Karel Reijnders, e.a. Veen, Utrecht / Antwerpen 1988.

     

  • Ergens wringt het in deze zakelijke vertelling

    Ergens wringt het in deze zakelijke vertelling

    Bik is de korte titel van het onlangs verschenen nieuwe werk van Cor Gout. Naast muzikant en filosoof is deze ex-uitgever van het literair tijdschrift Extaze een veelschrijver in verschillende genres: korte verhalen, gedichten, teksten bij een prentenboek en een leporello, boeken over muziek, songteksten en verhandelingen over filosofische onderwerpen. Bik is zijn debuutroman, hoewel er vraagtekens gezet kunnen worden bij de vraag of het werk onder het label ‘roman’ kan worden gecatalogeerd. Bik is het relaas van het levensverhaal van Hagenaar Simon Johannes Bik, telg uit een geslacht hoedenmakers- en verkopers. Hun zaak Bik hoeden en petten was gevestigd in Geest 32a in Den Haag. Jo, de zus van Bik was de laatste uitbaatster, daarna verdween de hoedenzaak.

    Bedrogen in de liefde

    De ‘roman’ start in het Berlijn van 1937. Gout geeft een gedetailleerde schets van hoe het culturele en politieke leven eraan toe ging in het vooroorlogse Berlijn. Dat doet hij op een documentair-achtige manier en in een zeer droge stijl. In het eerste hoofdstuk maakt de lezer kennis met Bik. Hij staat in voor het verhandelen van stoffen in opdracht van zijn vader en leert de bevallige Irmina kennen die zelf een stoffenzaak heeft. Ze beginnen een relatie en Bik is helemaal verloren. Hij blijft in Berlijn en met haar hulp zoekt hij een job in de auto-industrie, zijn andere passie. Maar Bik is blijkbaar niet de enige die in de gunst staat van Irmina. In het geheim houdt ze er een relatie op na met de vijftig jaar oudere Ulli die boven de stoffenzaak woont. Bik keert bedrogen en vernederd terug naar Den Haag.

    Opnieuw volgt een documentaireschets over de wijk Kortenbos en in het volgende hoofdstuk wordt Bik ingelijfd als een soort spion voor de Duitsers. Hij moet infiltreren in het verzet, maar zijn zwakke karakter zorgt ervoor dat hij daarin niet slaagt. Na de oorlog worden zijn ouders opgepakt voor collaboratie, zijn vader zal pas jaren later als een gebroken man weer vrijkomen. Bik zelf blijft onder de radar wat betreft zijn oorlogsactiviteiten. Hij blijft hunkeren naar zijn verloren liefde Irmina, maar het blijft enkel bij brieven. Zijn zus Jo neemt de hoedenwinkel over en Bik gaat erboven wonen. Het boek kabbelt verder met korte fragmenten uit het verdere leven van Bik: zijn werk, de dood van zijn moeder, zus en broer en zijn uiteindelijke dood in 2007. Hij stierf eenzaam en afgesloten van de rest van de wereld.

    Roemloos einde

    Bik is moeilijk te duiden als boek. Het kan een documentaireroman of non-fictieroman genoemd worden. De personages en locaties zijn niet fictief, maar misschien is het leven van Bik wel wat geromantiseerd. Het werk is een tijdschets van verschillende rakelings verbonden thema’s over verschillende decennia. De wereld in Berlijn en de opkomst van het nazisme in 1937, de familie Bik, hun hoedenzaak en hun dubieuze rol in de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan en de groei van de Haagse wijk Kortenbos. Het bindmiddel is het hoofdpersonage Bik, een fletse figuur met weinig ruggengraat, die het geluk niet vindt en een roemloos einde kent.  

    In de opbouw wordt elk hoofdstuk voorafgegaan door een accurate beschrijving van het onderwerp. De stijl in deze informatieve stukken is vergelijkbaar met de stijl in de andere hoofdstukken: afstandelijk, zakelijk, koel. Dat maakt het voor de lezer moeilijk om empathisch mee te leven met Bik. Biks hartstocht voor Irmina is tussen de regels door wel ergens aanwezig, maar ergens wringt het.  Het kan natuurlijk de bedoeling zijn van de auteur om de koelheid van het personage door te trekken naar de stijl. Verder neemt Cor Gout in zijn werk heel wat voetnoten, brieven en een bronnenlijst op, is het werk doorspekt met foto’s en een lijst met wat men op Biks nachtkastje vond bij zijn dood. Typische elementen die men aantreft in een non-fictie werk en zaken die ook allemaal verifieerbaar zijn. 

    Een biografie kunnen we het werk niet noemen, daarvoor zijn er te veel fictieve stukken. Voor een roman zijn er echter te veel non-fictie kenmerken. Het boek laat de lezer achter met een dubbel gevoel, het is moeilijk te plaatsen. Een nostalgische, maar zakelijke terugblik op het geslacht Bik in de Geest in Den Haag benadert misschien de beste omschrijving. Een tijdschets, maar zeker niet pakkend of aangrijpend. Cor Gouts debuutroman is op zijn minst apart te noemen, maar daar blijft het dan ook bij.

     

  • Ontfutselen

    Ontfutselen

    Toen de kinderen klein waren beleefde ik eens een volkomen harmonisch moment met hen dat me bijbleef. We zaten op een kleed in de voorkamer, maakten lappenpoppen. In het bewegen van onze handen, de lapjes stof op het kleed, schaar, draad, de aandachtige gezichtjes, ontstond een verstild moment, als de still van een film. Ik was ervan overtuigd dat zij zich later dit moment als zodanig zouden herinneringen. Toen het ‘later’ was en ik ze erover vertelde, wisten ze van niets. Herinneren is een particuliere aangelegenheid. Een herinnering is ook een uitgangspunt om aan het verhaal van je leven te weven. Ik lees een kleine roman in zachtmoedig proza geschreven. Een man onderzoekt zijn herinneringen aan zijn grootvader. Wekelijks bezoekt hij een lunchroom, bestelt een espresso en schrijft in een notitieboekje (ik denk dat het een notitieboekje is).

    Zo’n boek is het, dat je dat wat onbeschreven bleef, toch ziet. De man denkt aan het huis waar hij met zijn grootvader en moeder woonde. Als er bezoek was, sliep hij op de gang voor de kamer van zijn grootvader. ‘Mijn ouders gaven vaak feesten, er werd gedanst.’ Als hij vijftien is, zijn vader allang verdwenen, overlijdt zijn grootvader. Op dat moment ligt hij met zijn dekbed in de gang, hij ziet dat ze grootvader ‘wegdragen’. In zijn liggende positie ziet hij de schoenzolen van zijn grootvader. Deze herinnering is een uitgangspunt.

    Herinneren is ook vergeten wat er was, de ladder aan de muur in zijn grootvaders kamer, ‘Natuurlijk, de houten ladder aan de muur, hoe kan ik die vergeten.’ Als kind vroeg hij waarvoor die was. Voor de dakdekkers, zei zijn grootvader. Daar moest hij het mee doen. Als zijn moeder overlijdt, moet het huis leeg. Hij ontdekt boven in het huis een andere wereld door zijn grootvader gemaakt. Daar diende de ladder voor. Wat de man op zolder vindt doet alles wat hij zich gedacht had over zijn grootvader kantelen. De grootvader wordt betekenisvoller, zijn leven achteraf geheimzinniger. Uit herinneringen wordt een verhaal in momenten verteld, een sfeer van een leven geschetst. De schrijver probeert iets aan het licht te brengen, maar dit boek is geen probeersel. Sommige dingen keren als een refrein terug, ‘mijn bed bezet door onbekende mensen. Dan sliep ik op de gang, zo dicht mogelijk bij de kamer van mijn grootvader.’ Gevolgd door, ‘Steeds moet ik dat opschrijven.’ En dat zegt iets.

    Zijn grootvader vertelde hem, ‘zacht, bijna onverstaanbaar, over zijn vader die een moestuin had.’ Toen deze soldaat werd, verwaarloosde de moestuin. Vijftig pagina’s verder vindt de man die wekelijks in de lunchroom schrijft een briefje waarop zijn moeder schreef, ‘De grootvader van Johan, de vader van opa. Gesneuveld in 1915 bij Zalklikow’. Dan lees ik, ‘Vertelde mijn grootvader eens over hem, had hij een boomgaard?’ en denk, ja, inderdaad, daar heeft hij het eerder in dit boek over gehad! Dat maakt van dit boek een roesachtig verhaal. Er wordt geschreven over herinneringen alsof je ze kunt benaderen, er zo naar toe kunt lopen om ze te inspecteren. Zoals die schoenzolen van zijn grootvader. ‘Nieuw schoenen. Of nieuwe zolen, dat kan ook. Geen restje straatvuil’. Een zeer tedere roman die je opnieuw wilt lezen, om er het ongeschrevene aan te ontfutselen. 

     

     

    De lunchroom / Hans Muiderman / 120 blz. / In de Knipscheer


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns.

  • Zoektocht van een toeschouwer

    Zoektocht van een toeschouwer

    In Het witte land van Rob Verschuren ontvlucht een man zijn midlifecrisis en de moderne wereld door op zoek te gaan naar een hem onbekende vrouw in een uithoek van de aarde. Reclameman Bobby West heeft zojuist zijn vriendin verloren. In een fotoboek ziet hij een afbeelding van een vrouw in een onbekend Aziatisch land. Iets in de foto raakt hem diep en de vrouw op de foto fascineert hem. Omdat hij verder niks te verliezen heeft stapt hij op het vliegtuig om haar te vinden. Zonder verwachtingen vertrekt hij, op zoek naar mysterie in het verre Azië. Vergezeld door Don Quichot op zijn e-reader.

    Bij aankomst wordt hij begroet door een troosteloos front van goedkope hotels aan een boulevard en bussen vol Bulgaren. In de eerste bar die hij binnen gaat treft hij alleen buitenlanders. Waaronder de pragmatische Patrick, die voor de vrouwen is gekomen en de liefde beschouwt als een kwestie van vraag en aanbod. Opvallend is dat veel van de personages die Bobby ontmoet sterkere meningen hebben dan hij, zoals de Duitse Rosa die hem probeert te werven voor haar doel. Rosa geeft kinderen gratis Engelse les en is naar het land gekomen om de islam te ontvluchten, ‘dat achterlijke geloof waar je respect voor moet hebben’. Bobby beziet het van een afstand en stemt toe om een van haar lessen bij te wonen om van haar af te zijn. Rosa’s lesmethoden roepen afkeer op bij Bobby die een hekel heeft aan alle vormen van macht en beïnvloeding. In de omgang met anderen beperkt hij zich tot ironie en afstand. Zijn ex verwijt hem in een brief dat hij ‘ironie gebruikt om elk gevoel buiten te houden en serieuze gesprekken te vermijden’. Hij geeft haar gelijk, maar is niet van zins om dit te veranderen.

    Vlucht voor de wereld

    Dat Bobby’s zoektocht een veel breder doel heeft dan alleen de vrouw vinden blijkt als hij rondreist door de stad waar de foto van de vrouw genomen is. Hij wil door het ‘land dwalen als door een abstract schilderij’ waarbij hij altijd toeschouwer blijft. Hij is zich bewust van het absurde van zijn fantasie de vrouw te kunnen vinden. Toch was het geen wanhoopsdaad maar eerder een weloverwogen beslissing om het roer om te gooien. De sleur van het bedrijfsleven verveelde hem en hij had niets of niemand om voor te blijven. Zijn grootste genoegen bestond uit het lezen van de krant en zich vrolijk maken over de ellende van anderen. Er ontbrak een diepere laag van betekenis in zijn leven. Waar hij die hiervóór vond in zijn kunstboeken, als vlucht voor de wereld, is dat na het zien van de foto van de vrouw niet meer voldoende.

    Ondertussen gaat Bobby op in het stadse straatleven. Zijn maaltijden eet hij bij de vele stalletjes langs de weg en zijn zoektocht leidt hem langs de excessen van de stad. Zonder richting of doel dwaalt hij rond, niet op zoek naar begrip of contact.
    Het land zoals het wordt beschreven is een land van uitersten. De bevolking is verdeeld in twee groepen: de Roden en de Blauwen, beide met een ander godsbeeld, wat de reden vormt voor hun eeuwigdurende strijd. Het verdeelde land met ongerepte natuur en mistroostige communistische architectuur doet vreemd aan. Toch lijkt Bobby zich er steeds meer thuis te voelen, afgaande op zijn dieper wordende fascinatie. 

    Bleke Orchidee

    Op zoek naar het hart van de stad trekt Bobby door de straten. Door de chaotische vismarkt en een gruizig industrieterrein komt hij bij een loods waar een vrouw in het wit op een chaise longue transacties afhandelt. Ze wenkt hem binnen, waar hij gaat zitten op een stapel opgevouwen karton en begint te observeren. Verschillende vrouwen brengen hun afval dat gewogen wordt en waarvoor de vrouw in het wit betaalt.  De vrouw fascineert hem, en hij verbaast zich over het hele gebeuren. Bij het afscheid vraagt ze om geld, Bobby stemt toe. Vanaf die dag komt hij dagelijks in de loods om het spel te observeren, de vrouw noemt hij zijn ‘Bleke Orchidee’.
    Elke dag ontvouwt zich hetzelfde tafereel. De loods doet Bobby denken aan een kathedraal en de vrouw in het wit aan een priesteres. Voor religie heeft Bobby geen aanleg, maar hij is bereid om alles te offeren aan de vrouw in het wit die een soort Piëta voor hem wordt. Terwijl hij wacht op een wonder treft hem op een dag iets heel anders als hij onder het rolluik doorloopt.   

    Anti absolute standpunten

    In het boek zit ook een zekere spanning tussen de westerse idealen en de Aziatische manier van leven. Verschuren laat Bobby de komende opkomst van het Aziatische continent overdenken: ‘de nieuwe veroveraars uit het Oosten zouden komen op de stormwind van een economische omwenteling.’ Het Westen heeft afgedaan, vandaar dat Bobby het ontvlucht. Het gemakkelijke idealisme van wereldverbeteraars, vertolkt door Rosa en Don Quichot, is voor Bobby geen oplossing. Hij verfoeit alle absolute standpunten. Ondanks zijn zogenaamde open houding is Bobby wel snel met zijn oordeel. Hij heeft een behoorlijk eurocentrisch wereldbeeld, andere landen zijn een ‘negorij’ en in zijn hoofd is hij wel erg snel bereid om de motieven van anderen zwart te maken.  

    Het witte land is een onderhoudende en prettig geschreven novelle met mooie metaforen en reflecties over kunst. Bobby heeft een zwak voor het abstract expressionisme van kunstenaars als Rothko en De Kooning. Voor hem spreekt een schilderij meer tot de verbeelding dan woorden kunnen. De vergelijkingen zijn hier ook naar. Een lichtspel is een ‘chiaroscuro’ en als Bobby de steegjes doorwandelt wonen de bewoners van dit doolhof in de etsen van Piranesi. Verschuren bereist de ‘provincies van de verbeelding’ die niet per se ergens heen voeren. Het is een cliché, maar in dit geval is de reis zeker meer de moeite waard dan de bestemming. De reis van Bobby leidt hem naar de vrouw in het wit en uiteindelijk het grote onbekende. De orchidee, die bloeit uit afval, vormt een passend beeld bij de weg die Bobby aflegt op zoek naar zijn bestemming.  

     

     

  • Intiem en openhartig verslag

    Intiem en openhartig verslag

    Geen enkele ziekte kent een vast verloop. Als het noodlot toeslaat bij Arjan Sevenster krijgt hij te horen dat hij uitgezaaide prostaatkanker heeft. In de twee jaren die hem nog vergund zijn schrijft hij verslagen over zijn ziekte in De wind van morgen. Tevens blikt hij daarin terug op zijn verblijf in Japan, op een vriendschap met de dichteres Vasalis en peinst hij over zijn nalatenschap. Dit maakt het boek behalve tot een kroniek van een slopende ziekte ook tot een proces van acceptatie. Het is een zeer intiem relaas waarin de auteur constant herhaalt ‘ik ben het proces’ en probeert in het hier en nu te leven. 

    De ziekte zet alles op zijn kop in het leven van Sevenster. Opeens krijgt hij een andere tijdlijn waarin hij afhankelijk is van het succes van behandelingen en de planning van dokters. Op het moment van de diagnose heeft de dichter en wiskundige al een bundel gedichten uitgebracht. Gedurende zijn ziekte komt er met behulp van zijn vrouw Lydia een laatste bundel uit. Tussen de verslagen door schrijft hij gedichten die zijn gevoelens en emoties reflecteren en waarin hij herinneringen ophaalt. Er is zeker angst voor de dood maar ook een poging om te genieten van wat er nog rest. Onder het motto “pantha rhei” ondergaat Sevenster behandelingen, chemo’s en immuuntherapie. Momenten van vrede en acceptatie worden afgewisseld door worstelingen met de naderende dood die van verre vriend tot goede buur wordt.

    Troost uit Japan

    Het verslag van de ziekte is openhartig en soms pijnlijk om te lezen. In het eerste bericht schrijft de auteur dat het ‘geen poging is om wat mij is overkomen mooier te maken’. Hij blijft gedurende het hele proces helder verslag doen van de geleidelijke achteruitgang, zijn gedachtes en observaties hierover. Daartussendoor reflecteert hij over zijn eigen afhankelijkheid of de toegenomen hulpvaardigheid van bekenden. Zo geeft de ziekte ook nieuwe inzichten en een uitgesproken tijd om terug te kijken op zijn leven, waarna hij concludeert dat hij ‘zich geen beter leven had kunnen wensen.’ 

    In dat leven was veel ruimte voor zijn grote passies: de wiskunde en Japan. Levendig vertelt hij over zijn eerste colleges en hoe hij terechtkwam bij de lessen Japanse grammatica van professor Vos, en daarna de reis naar Japan met zijn vrouw Lydia. Japan is voor de auteur een magische plek gevuld met herinneringen aan meditatie in hartje Tokio, uitzichten op de berg Fuji en ontmoetingen met markante personages. Sevenster ontleent veel troost aan die herinneringen. Daarnaast put hij inspiratie uit het zenboeddhisme als hij breed citeert uit zen-anekdotes en boeddhistische parabels. Al overschaduwt de ziekte het leven, Sevenster blijft proberen onder alles iets van een voorjaar te ontwaren. Dat wordt lastig als de pijn en gebreken steeds meer toenemen, want het verloop van de ziekte en het succes van behandelingen geven weinig reden tot optimisme. 

    Rekenschap

    Zelf hoopt de auteur dat ‘de kroniek niet verzandt in het dagboek van een gepensioneerde die verslag uitbrengt van het wel en wee van zijn kleinkinderen.’ Niets is minder waar, Sevenster blinkt uit in scherpe observaties van personen en situaties. Daarnaast geeft hij door zijn kwetsbaarheid een onvermijdelijk kijkje in het leven van een terminale patiënt, zodat je niet anders kunt dan meeleven. Dit neemt niet weg dat er in het boek veel wordt gerept over bloedwaardes en andere vrij technische aspecten van behandelingen. Dit jargon is niet meteen begrijpelijk voor leken.

    Sevenster probeert zo lang mogelijk mee te doen aan het normale leven. Hij maakt een laatste gedicht voor zijn vrouw, geeft een interview, en de nieuwe bundel Bloemen in de regen wordt uitgebracht. Als de pijn bijna ondraaglijk is zegt hij: ‘Het is goed geweest.’ Op 2 februari 2019 overlijdt hij op 73-jarige leeftijd. In zijn gedichten is Sevenster verbonden met het verleden, blikt hij terug op de dood van zijn moeder of kijkt hij vooruit naar wat zijn overlijden voor zijn vrouw zal betekenen. Op ontroerende wijze legt hij rekenschap af en ordent hij zijn emoties. Hij heeft weinig woorden nodig om je met zijn fijnzinnige poëzie te raken.  

    Confronterend boek

    Het proces van een ziekte kan herkenbaar zijn voor anderen die weer moed kunnen putten uit de houding van de auteur. De wind van morgen bevat een les in wat het leven de moeite waard maakt voor iemand die alles moet loslaten en achterlaten. Dit intieme en openhartige verslag van een aftakeling maakt het wel tot een zeer persoonlijk en confronterend boek. De titel verwijst naar een Japanse uitdrukking: Ashita wa ashita no kaze ga fuku. Wat vertaald kan worden als: De wind van morgen waait morgen. Het is geen laat maar waaien waar de titel op doelt, het is een diepe acceptatie van de dingen zoals ze zijn. 

     

  • Grappig en absurdistisch als buffer voor andere emoties in gelaagde bundel

    Grappig en absurdistisch als buffer voor andere emoties in gelaagde bundel

    De Vlaamse dichter Philip Hoorne (1964) debuteerde in 2002 in de Sandwich-reeks onder leiding van Gerrit Komrij. Hij schreef een verhalenbundel, stelde enkele bloemlezingen samen en zag zijn gedichten bovendien gepubliceerd in diverse literaire tijdschriften zoals Het liegend konijn en Poëziekrant; inmiddels is zijn zevende bundel verschenen: Het dikke meisje en de ziener. Zoals de titel al doet vermoeden, houdt Hoorne ervan om twee ongelijksoortige onderwerpen in één gedicht samen te voegen, om zo een kolderiek en baldadig effect te bereiken dat de lezer nieuwsgierig maakt. Wat hebben een dik meisje en een ziener met elkaar te maken? In het gedicht is de ziener zelf aan het woord, die het dikke meisje voorspelt dat haar geliefde weldra zal komen:

    ‘dik meisje op het plankier aan het water
    dat omwille van brede billen
    de lotuszit niet beheerst
    wacht je op de jongen met de pralines?’

    Sterke openingszinnen

    Maar deze jongen, die zoveel van haar houdt dat hij voor haar zijn moeder durft te trotseren en die ‘vervuld van een / aandoenlijk solidariteitsgevoel / de lotuszit heeft afgezworen’ zal volgens de ziener morgen plotseling dood zijn. Dit mooie titelgedicht is kenmerkend voor de poëzie van Hoorne: een gedicht dat grappig lijkt, krijgt in de staart een tikje venijn mee, waardoor het hele beeld op zijn kop komt te staan. Vooral in de openingszinnen is Hoorne ijzersterk: ze trekken de lezer het gedicht in, waarna geen ontsnappen meer mogelijk is: ‘vlinders zijn het beste dieet’, of: ‘ik werd jarenlang mishandeld door een aap met een hoed’.

    Logica is bij Hoorne een omstreden begrip: zo staan alle 37 gedichten in de index op alfabetische volgorde, wat op een zekere ordening wijst, maar in de gedichten wordt gespeeld met de werkelijkheid, die naar alle kanten toe omgebogen wordt. Eenmaal omgekeerd wordt de verkregen situatie consequent aangehouden, waardoor een nieuwe en vreemde realiteit ontstaat.

    Samengebalde spanning en onvrede

    De gedichten passen, op een enkele uitzondering na, allemaal op één bladzijde en de enige leestekens die gebruikt worden, zijn vraagtekens en hoofdletters voor namen. Elk gedicht is een afgerond geheel waarin de spanning samengebald is tot aan het einde. De inhoud ervan doet af en toe denken aan de schilderijen van Jeroen Bosch, bezongen in het lied Het land van Maas en Waal  van Lennaert Nijgh, of aan de liederen van Tom Waits, waarin eveneens een lange stoet van vreemdsoortige en buitenissige wezens figureert. Zo kan in de gedichten van Hoorne een ananas in de gevangenis zitten, vertelt Phil de paling over zijn ontsnappingskunsten en wordt er een huwelijk gesloten met een vrouw van de planeet Mars.

    Zoals met echte humor altijd het geval is, is ze nooit alleen maar grappig. Ook bij Hoorne is er ondanks alle hilariteit altijd een ondertoon te bespeuren van onvrede met de wereld en van teleurstelling. In het gedicht Klein elektro koopt de dichter een elektrisch apparaat dat niet nader aangeduid wordt:

    ‘ik bracht het naar huis
    zette het op tafel
    opende het
    en voor het eerst sinds lang verscheen
    er een glimlach op mijn gezicht
    ik liet de handleiding onaangeroerd
    geen tijd te verliezen’

    Als het apparaat dan vervolgens helemaal niet werkt, wordt het door de dichter in woeste razernij kapot gestampt, om te eindigen met: ‘geen batterijen meegeleverd / dat zou ze leren’

    Of neem het gedicht de begrafenis van tante cecile, waarbij de dichter ineens een donkere vlek op de doodskist opmerkt:

    ‘intriest word ik van die vlek
    was je hele leven al een aaneenschakeling
    van beschadigingen groot en klein
    ga je eindelijk dood heb je dit weer
    en je zal het altijd zien
    niet een van de elf kinderen heeft het garantiebewijs op zak’

    Afstand is gewenst

    Met een dergelijk gedicht wordt eerst de lach opgewekt; later volgt de melancholie. Maar Hoorne laat de lezer niet te dicht bijkomen: zodra er sprake lijkt te zijn van persoonlijke emoties of confidenties, werpt hij een barricade op door een vergelijking of een uitdrukking toe te voegen die de lezer op een ander spoor zet; zo ging ook Gerrit Komrij te werk. Deze vergelijkingen zijn heel origineel en dragen sterk bij aan het komische effect dat de dichter wil bereiken om de lezer af te leiden: zo krijgt een dame een snor toebedacht ‘die elke Turkse dokwerker / doet jammeren van jaloezie’. Hoorne hanteert de taal doelgericht: geen woord te veel of te weinig om een goed afgerond verhaal neer te zetten.

    De foto op de omslag is een fragment van het schilderij Het pelsken van Rubens, een intiem portret waarop de schilder zijn tweede echtgenote Helena Fourment met ontbloot bovenlijf  heeft afgebeeld. Zij kijkt de toeschouwer recht in het gezicht, alsof ze niets te verhullen heeft, maar de blik in haar ogen en de pelsmantel die ze om haar onderlichaam heeft geslagen, vertellen het tegendeel. Een goed gekozen afbeelding voor een bundel gedichten die op het eerste gezicht alleen maar grappig en absurdistisch lijkt te zijn, maar die bij nadere beschouwing meerdere lagen bevat. Het zou bij Hoorne natuurlijk ook zomaar een afbeelding van het dikke meisje uit de titel kunnen zijn.

     

    Noot: Op deze site staat een lang interview (2008) met Philip Hoorne naar aanleiding van de publicatie van zijn tweede dichtbundel.

  • Oogst week 14

    Asja en de astrologe

    Deze week in de oogst drie vertaalde romans en wel vanuit het Bulgaars, Amerikaans en Russisch en reisverhalen van een Nederlandse auteur.

    De Bulgaarse journaliste en schrijfster Ina Vălčanova, won met haar derde roman Asja en de Astrologe in 2017 de EU-Literatuurprijs. Een boek in twee (geestige) monologen van twee vrouwen wier levens elkaar voor korte tijd kruisen. Asja is slordig en impulsief vrouw. Al joggend breekt ze zich het hoofd over hoe ze haar leven een andere wending kan geven. Dan krijgt ze een raadselachtig telefoontje van een collega.

    De tweede brouw, Radost is net gescheiden en woont weer in een flat in Sofia waar ze opgroeide. Ook zij gooit haar leven om. Ze mediteert, loopt hard, maakt haar eigen beautyproducten en verdiept zich in de astrologie. Met haar collega Asja, zo blijkt, heeft ze een speciale astrale band. Asja hangt iets boven het hoofd en Radost moet ingrijpen.

     

    Asja en de astrologe
    Auteur: Ina Valcanova
    Uitgeverij: De Geus

    De zwijguren

    In De zwijguren. Vijftien literaire reisverhalen en een zeeslag volgt E. de Haan de voetsporen van wereldberoemde schrijvers en dichters. Aan de hand van briefwisselingen, notities en dagboeken traceert hij hun leven en sterven. Door tijdelijk dezelfde paden te bewandelen haalt hij het verleden naar zich toe. De ene keer betreft het Samuel Beckett in Hamburg, waar hij het Duits leerde spreken, of John Keats in Winchester, mijmerend over zijn geliefde Fanny Brawne. Lord Byron maken we in Genua, Venetië en Navarino mee. Joseph Brodsky, Ezra Pound en Frederick Rolfe treffen we aan op een Italiaans eiland. Maar ook minder grote goden als Trakl, Klopstock en Choukri of vergeten talenten als Mohr, Waggerl en Blecher komen aan bod. De Zwijguren rakelt geschiedenissen op die anders ongehoord zouden blijven. Elk verhaal wordt voorafgegaan door een foto van een historische plek, gemaakt door de schrijver zelf en door Judith Heinsohn. 

    E. de Haan (1957) is het pseudoniem van Peter de Rijk, redacteur en docent Creatief schrijven. De Haan debuteerde in 1996 met de novelle Vonk en schreef later ook gedichten. Ik belde mijn muze (2003) was zijn debuutbundel. De tweede, Scheren zonder spiegel verscheen in 2011. Gedichten dan hem werden opgenomen in De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, door Ilja Leonard Pfeiffer samengesteld.

    De zwijguren
    Auteur: E. de Haan
    Uitgeverij: Knipscheer,

    Een zekere vrijheid

    Margaret Wilkerson Sexton is geboren in New Orleans waar ook haar debuutroman Een zekere vrijheid speelt. Ze studeerde Creative writing en Rechten.

    Een verhaal over drie generaties te beginnen in de jaren veertig in New Orleans met Evelyn, oudste dochter uit een welgestelde familie, gaat met de zoon van een conciërge – wiens dromen groter zijn dan zijn mogelijkheden – in zee. Ze krijgen een dochter, Jackie, die eenmaal volwassen de carrière van haar man ziet ontsporen door de economische crisis in de jaren tachtig tijdens de Reagan-jaren. Haar man raakt verslaafd en Jackie staat alleen voor de opvoeding van hun zoon T.C.
    In 2011 worstelt New Orleans met de nasleep van orkaan Katrina en T.C. wil een nieuwe start maken. Maar dat blijkt zelfs in de eenentwintigste eeuw niet eenvoudig voor een zwarte jongeman in het zuiden van Amerika.

    ‘This luminous and assured first novel shines an unflinching, compassionate light on three generations of a black family in New Orleans, emphasizing endurance more than damage.’ Zegt de  New York Times Book Review.

    Een zekere vrijheid
    Auteur: Margaret Wilkerson Sexton
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Voorbij het geheugen

    Dichteres en schrijfster Maria Stepanova is een belangrijk persoon binnen de literaire scene in Rusland. Voorbij het geheugen is een familiegeschiedenis, over haar joods-Russische familie die bestond uit artsen, architecten, bibliothecarissen, accountants en ingenieurs. In de twintigste eeuw, waarin jodenvervolging, onderdrukking en moord schering en inslag waren, bleef haar hele familie ongedeerd. Haar voorouders overleefden alle verschrikkingen van de twintigste eeuw. Dit verbaasde haar en deed haar zich afvragen: Wie of wat getuigt van mensen en dingen die verdwijnen? Zijn herinneringen aan het verleden wel te bewaren? Hoe slaan de grote gebeurtenissen van de twintigste eeuw neer in het geheugen van de mensen van nu? Op welke manier moet Stepanova zichzelf verhouden tot de voorbije levens die ze bestudeert?

    Met Voorbij het geheugen schreef Maria Stepanova een bijzonder boek dat wel doet denken aan het werk van auteurs als Nabokov, Sebald en Sontag, maar vooral een zeer eigen stem heeft.

    Een mooie lijst met boeken waar we de komende week weer mee voort kunnen.

     

    Voorbij het geheugen
    Auteur: Maria Stepanova
    Uitgeverij: De Bezige Bij