• Verhalen die achterblijven op je netvlies

    Verhalen die achterblijven op je netvlies

    Van die dagen is Amanda Maxwells tweede bundel met twaalf korte verhalen. De Nieuw-Zeelandse schrijfster woont in Australië en die ‘kiwi’ en ‘down under’ sfeer is voelbaar in haar verhalen. Maxwell beschrijft haar personages met veel oog voor detail en een heldere stijl, die onherroepelijk nabeelden oplevert. Tussen de regels door komen het verlangen en ongemak van de heel diverse protagonisten naar boven. De verhalen ogen realistisch maar kantelen verschillende keren naar licht bizarre of raadselachtige situaties.

    Zoals in Moriati’s muze. Een jonge vrouw denkt dat ze stiekem is geschilderd door de grote, zeer bewonderde kunstenaar Moriati. In een tussenzinnetje wordt gesuggereerd dat de man dood zou zijn, wat de plot meteen op scherp zet. Het schilderij dat hij van de vrouw maakte, staat op een goede dag in de bushalte waar ze onbewust poseerde. Zij neemt het mee naar huis en samen met haar vriendje denkt ze er veel geld voor te vangen. Ze kopen alvast een dure sportauto. De ex van het vriendje is de vertelster. Ze is jaloers en wil ook op een schilderij van Mortiati staan. In hetzelfde bushokje trekt ze haar kleren uit en gaat in de vrieskou naakt poseren in de hoop dat de schilder haar ziet.

    Ook Denkbeeldig kaarten met Jeremy neigt naar het bizarre, tragikomische. Een stel is in de nacht op weg naar de bergen om een aanhanger sneeuw te halen, zodat een groepje (terminaal) zieke kinderen er op de parkeerplaats voor het ziekenhuis nog een keer mee kan spelen. De jongen en het meisje vallen op elkaar, maar die verlangens worden niet uitgesproken, integendeel over de zaken die hen werkelijk bezighouden zeggen ze niets. Tijdens de rit verschijnen er vreemde tekens onderweg, een dode koeienkop en schreeuwende eksters, die het verhaal dat als een droom afloopt een horrortintje geven.

    De bunker speelt op een legerbasis nabij Singapore, waar tal van families wonen. Wanneer de ouders naar de begrafenis van de generaal gaan, blijven twee meisjes van 10 en 13 alleen thuis met de Chinese huishoudster. De drie buurjongens zijn ook alleen thuis, ze lokken de meisjes mee een bunker in, wat tamelijk dramatische en gewelddadige gevolgen heeft.

    In Trampolinedagen keert Ella in gedachten terug naar haar jeugd, toen ze met haar zusje altijd op de trampoline te vinden was, maar nu. ‘… was er mos gegroeid op het stiksel langs de randen van de trampolinemat.’ Ze was hem vergeten, ‘de winterse regen had zijn bestaan uitgewist.’ Om dat oude gevoel te herbeleven gaat ze er weer op, ze springt als vroeger, maar dat loopt slecht voor haar af.

    Personages met zelfspot

    Verlangen is het voornaamste thema in deze bundel. Verlangen om erbij te horen, verlangen naar een verloren jeugd, verlangen om geslaagd te zijn, of gezien te worden door de persoon die je heimelijk bewondert, zoals in Ik ken jou, maar jij kent mij niet. De naamloze ik denkt dat ze de beste vriendin is van Mae, een wereldberoemd en beeldschoon topmodel, die beschermd door bodyguards door het leven gaat. Terwijl de ik te dik en eenzaam thuis op de bank zit, weet ze, of hoopt ze dat Mae haar ziet staan. Als Mae het uitmaakt met haar vriend heeft ze haar vriendin nodig om bij uit te huilen. Eindelijk kan de ik er voor Mae zijn. ‘Ik zeulde net mijn dikke reet van William Street op in de richting van het Coca-Colareclamebord toen ze belde.’ Het contrast tussen beide vriendinnen kan niet groter zijn en gaandeweg wordt de ik-verteller steeds onbetrouwbaarder.

    In Wat valt er te snappen gaat het om drie tieners. Zus schildert niet onverdienstelijk, ze maakt kunst, waar haar tweelingbroer Louie niets van moet hebben. Hij steekt behoorlijk grof de draak met haar. Tot haar vriendin komt voor wie hij als een blok valt. Natuurlijk zal hij dat niet laten merken. ‘Maar eerlijk is eerlijk, bij hoge uitzondering, en altijd onbedoeld, doet ze (Zus) iets wat echt indruk op je maakt en dan ben je eigenlijk best trots op haar en heb je bijna zin om haar een vriendschappelijk, ouderwets schouderklopje te geven. Bijvoorbeeld als ze een nieuwe vriendin blijkt te hebben die knap is en tieten heeft.’

    Het goede van dit verhaal is dat het in de je-vorm en onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd is geschreven vanuit het perspectief van het pesterige broertje. ‘Er is niets leukers dan tegenover je kwaadaardige tweelingzus aan de keukentafel te gaan zitten en een van haar tubes acrylverf uit te knijpen alsof het tandpasta is. “Hé, hou daarmee op,” zal ze janken.’
    Vervolgens ontstaat een cynische ruzie waarin het onvermogen van de broer om aardig te doen en zijn bewondering voor zijn zusje te tonen er vanaf druipt. Dat hij uiteindelijk zelf ook ‘kunst’ maakt wil hij niet geloven.

    Maxwell beschrijft het onvermogen van de pubers en jong volwassenen haarfijn, ze verstaat de kunst om grote, moeilijke gevoelens heel klein te beschrijven, of ze helemaal niet te beschrijven, maar te laten zien met onderkoelde humor, tragikomische details en zelfspot van haar personages. Van die dagen is uitstekend vertaald door Ariane Schluter, Maxwells krachtige verhalen met soms schrijnende situaties die achterblijven op je netvlies komen ook in het Nederlands tot leven.

     

     

     

  • Oogst week 16 – 2024

    Ochtend en avond

    Bij uitgeverij Oevers is onlangs in een nieuwe vertaling weer een boek verschenen van Jon Fosse (1959), de Nobelprijswinnaar uit 2023. Fosse is auteur van uiteenlopende genres, hij heeft romans, toneelstukken, gedichten, kinderboeken, verhalen en essays geschreven en wordt geprezen om zijn bijzondere stijl. Marjet Maks schrijft daarover in haar recensie over Melancholie II: ‘Door zijn simpele en herhalende zinnen kruipt de taal van Fosse je onder de huid.’
    Sommige lezers zullen even moeten wennen aan het repeterende taalgebruik van lange, meanderende zinnen. Anderen zullen meteen verkocht zijn.

    Marianne Molenaar heeft inmiddels veel van het werk van Fosse vertaald. Ochtend en avond dat in 2000 in Noorwegen voor het eerst verscheen, vertaalde zij al eens in 2005. Voor deze nieuwe uitgave heeft zij haar toenmalige vertaling geheel herzien. Molenaar is een veelgevraagde vertaalster van o.a. het werk van Knut Hamsun, Per Petterson en Karl Ove Knausgård.

    In Ochtend en avond wordt een weduwnaar wakker en voelt dat de wereld anders is geworden. Hij kan er de vinger niet echt op leggen, dus staat na enige aarzeling toch maar op en gaat zoals elke morgen naar de haven. Daar ontmoet hij zijn beste vriend Peter die al een tijdje dood is. Zij varen samen uit. Als hij vervolgens ook zijn vrouw bij terugkomst in de haven op hem ziet staan wachten, maakt hem dat heel gelukkig.

    Ochtend en avond is een kleine troostrijke novelle die uitnodigt om nader kennis te maken met het werk van Fosse.

    Ochtend en avond
    Auteur: Jon Fosse
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    Spullen brengen

    Zo’n driekwart jaar geleden, in juli 2023, verscheen er op de website van de NOS een bericht met als titel “Schrijvers helpen leger Oekraïne: ‘Poetin versla je niet met zang en dans”’.
    Het was een bericht over een initiatief van een aantal vrienden om hulpgoederen (o.a. auto’s, helmen, kogelwerende vesten en medische spullen) te verzamelen voor Oekraïne met de bedoeling ze vervolgens ook ter plekke af te leveren. Een aantal van die vrienden zijn de schrijvers Jaap Scholten, Jelle Brandt Corstius en Tommy Wieringa.

    Jelle Brandt Corstius maakte in die tijd al een tijdje de podcast over de oorlog in Oekraïne Voordat de bom valt, waarin hij beoogde ‘perspectief en context te geven bij deze oorlog’. (De laatste aflevering van deze podcast was op 19 maart 2024.)

    Toen hij gebeld werd door Jaap Scholten om hulpmateriaal naar Oekraïne te rijden was hij daarvoor dan ook zeer gemotiveerd. Zijn ervaringen schreef hij op en zijn nu verschenen in het boek Spullen brengen.

    Jelle Brandt Corstius (1978) kent Rusland goed, en was van dat land gaan houden. Hij heeft er jarenlang gewoond en gewerkt, als correspondent voor Trouw. Hij stond op het punt om naar Rusland af te reizen toen dat land Oekraïne binnenviel. Zijn liefde voor Rusland heeft enorme schade opgelopen uiteraard. Op dit moment is hij bezig met een zesdelige serie over Oekraïne voor de VPRO.

    Spullen brengen
    Auteur: Jelle Brandt Corstius
    Uitgeverij: Uitgeverij Das Mag

    Twintig keer Dee

    Met je debuut meteen de prijs voor het Beste Boek voor Jongeren winnen. Dat overkwam tot zijn eigen verbazing Oliver Reps in 2019 met zijn boek De dag die nooit komt waarover de vakjury schreef: ‘Je komt als lezer heel dichtbij, het verhaal heeft de kracht om intiem en klein te blijven, terwijl er ook vreselijk veel gebeurt.’

    Onlangs is Reps’ tweede boek verschenen, Twintig keer Dee. Daarin gaat het over een student die in een opwelling naar Berlijn reist, naar zijn vriendin. Wat hem daar te wachten staat weet hij niet, maar spannend vindt hij het wel.

    De jongen neemt het zekere voor het onzekere als hij vertrekt:
    ‘[…]
    Zachtjes trek ik de deur achter me dicht
    Neem twee trams eerder dan strikt noodzakelijk
    Misschien wel drie
    Uit voorzorg
    Want je weet maar nooit
    […]’

    Zo gaat het verder, in korte afgemeten zinnen met feiten en overdenkingen. Reps heeft het geschreven, als verse novel, als versroman.

    De jongen is op tijd:

    ‘[…]
    Ben hier veel te vroeg
    Amsterdam Centraal
    Struin maar wat rond
    Langs winkeltjes
    Koffietentjes
    Om de tijd te doden
    Mijn rugzak over mijn schouder
    Koffertje in mijn hand
    Nippend van mijn latte
    En word zowat omvergelopen
    Door de meute
    Omdat ik niet meebeweeg
    Met de stroom
    […]’

    Oliver Reps is kinderboekhandelaar. Twintig keer Dee is geschreven voor volwassenen, maar is ook geschikt voor jong volwassenen. In het boek zijn prachtige foto’s van Anne Reinke opgenomen.

    Twintig keer Dee
    Auteur: Oliver Reps
    Uitgeverij: Uitgeverij De Harmonie
  • Zoektocht naar herinneringen

    Zoektocht naar herinneringen

    Judith Herzberg wordt dit jaar 90 jaar. Voor haar werd het tijd om aandacht aan Jo te besteden met dit gelijknamig, prachtig uitgegeven boekje. Jo Bakx was het kindermeisje dat kort voor Herzbergs geboorte bij de familie in huis kwam. Voor Judith een zegen, haar oudere broer en zus hadden Jo al minder nodig.

    ‘De allergrootste liefde van mijn hele leven, dat weet ik nu zo langzamerhand wel zeker, was de liefde voor Jo,’ schrijft Judith Herzberg op 25 mei 2020, de dag dat ze begint met haar zoektocht naar herinneringen aan haar kinderjaren in een voor Joden steeds grimmiger wordend Amsterdam. Aanleiding voor dit portret is ook de envelop met ‘fliedertjes’ die Jo bewaard had en later aan Herzberg heeft gegeven. Fliedertjes van kindertekeningen, rekensommetjes en schrijfsels die ieder kind op de lagere school maakt. Herzberg geneert zich er bijna voor, maar ze is ook diep ontroerd. ‘Zou zo’n fliedertje met 2+2=4 een waardevolle voorbode blijken te zijn als zich een Einstein in de dop ontpopt? Je weet maar nooit wat ‘er al in zat,’ aan geniale schilder, componist of uitvinder, toch? Zo dacht Jo niet.’ Maar in Herzbergs geval is het zeker waardevol gebleken. Samen met enkele foto’s, zijn de tekeningetjes afgedrukt in de bundel en gebruikt op de omslag, wat van Jo een teer kleinood en een hebbeboekje maakt.

    Gevaarlijk

    Tijdens het graven naar haar slordige herinneringen, realiseert Herzberg zich dat Jo haar leven vele malen heeft gered, maar ook dat ze nog sterk in haar vertegenwoordigd is, in haar handelingen en gedachten. Jo had inmiddels een nieuwe betrekking, maar bezocht het gezin Herzberg wekelijks in Barneveld waar de familie in De Biezen opgesloten zat. Misschien was dat wel op dinsdag, denkt Herzberg nu, vandaar de titel van het opgenomen gedicht Dinsdag. Na 1943 werden de ouders Abel en Thea naar Westerbork getransporteerd. Jo zorgde ervoor dat Judith vervolgens kon onderduiken op verschillende adressen. Zij dacht aan alles maar het moet hoe dan ook heel gevaarlijk voor haar zijn geweest. Zoals te lezen in Dinsdag, waarin Herzberg letterlijk Jo’s woorden gebruikt. ‘(…) en als er gevraagd werd of dat reizen per trein niet gevaarlijk was, dan weet ik nog wat ik in ‘Dinsdag’ opgeschreven heb. Haar woorden waren: “Gevaarlijk? Welnee, zei je, bombardementen / trotserend / ik zit net zo lief in de laatste coupé / als ze schieten, schieten ze toch op de / locomotief “ Zoiets zou ik, achteraf, nooit verzonnen hebben.’

    Judith Herzberg schrijft haar ‘memoires’, al voelt ze schroom bij dat woord, het moet immers over Jo gaan, maar er komen ontegenzeggelijk ook herinneringen aan andere mensen boven die een belangrijke rol hebben gespeeld, of aan onderduikadressen en benarde situaties. Wiardi Beckman bijvoorbeeld, bij wie Jo ook diende en waar Judith mocht logeren en mevrouw tante Dientje noemde. Of Mien Ruys, ‘de onvolprezen tuinarchitect en gastvrije, vrijgevige reuzin’ bij wie Judiths ouders na de oorlog na hun terugkeer uit Bergen-Belsen in haar appartement aan de Amstel mochten wonen. Mien leende haar garderobe uit aan Thea, die hetzelfde postuur had en geen draad meer aan haar lijf.

    Gemist gesprek

    Nu, zoveel jaren later, vraagt Herzberg zich af wat ze eigenlijk over Jo wist, en waarom had ze niet meer aan haar gevraagd. Er was standsverschil, Jo kwam uit Brabant en zei pieterselie, in plaats van peterselie wat Judiths moeder zei. Er zijn meer voorbeelden van het standsverschil, ook van Jo’s familie in Brabant waar Judith mee naartoe mocht. Maar in Judiths ogen was Jo een heilige.

    De ‘fliedertjes’ houden Herzberg bezig, al kan ze er niet goed naar kijken omdat ze haar zo ontroeren. Ze eindigt haar ‘memoires’ op ‘1 maart 2023 “Ach bewaard, voor geval dat. Zo omvangrijk was het nou ook weer niet. Het was nou ook weer niet zo dat het veel plaats innam in de kast. En wegdoen dat was wel weer het andere uiterste geweest, niet dan.” Zo stel ik me een uitleg voor, die ik nooit van haar gekregen heb, en waar ik ook nooit om gevraagd heb. Het soort gesprek dat ik gemist heb. Nu mis.’

    De laatste jaren mocht Herzberg niet meer op bezoek komen. Ze dacht dat Jo een huidaandoening had en haar om die reden niet meer wilde zien. Dat stemt haar verdrietig en ze neemt het zich ook kwalijk dat ze er niet meer werk van heeft gemaakt.

    Jo is een lieflijke en openhartige herinnering aan het kindermeisje dat ook huishoudelijke taken deed in een Joods gezin in oorlogstijd. Judith Herzberg springt associatief door de tijd, waarmee Jo haast leest als een prozagedicht.

     

     

  • Verontwaardigde grande dame

    Verontwaardigde grande dame

    Achtentachtig jaar en de pen nog steeds in de aanslag, dat is Judith Herzberg ten voeten uit. Met de bundel Sneller langzaam bewijst ze eens te meer dat inspiratie en gedrevenheid niet hoeven te lijden onder de ouderdom. Zestig jaren zijn er inmiddels verstreken tussen haar debuut Zeepost (1963) en deze nieuwe bundel, een tijdperk boordevol poëzie, maar ook proza, theater- en filmteksten.

    In die zestig jaar is Herzbergs stijl verfijnder en puntiger geworden, terwijl de haast nonchalante bescheidenheid nog steeds aanwezig is. In een recent interview met de Volkskrant (januari 2023) betoogt ze: ‘Niks van wat ik schrijf is echt waar. Je kunt het niet terugbrengen tot de werkelijkheid. Het is allemaal gestolen. Het is toeval, het is toevallig waar je tegenaan loopt.’

    Engagement

    Toeval of niet, het engagement piept overal tussen de regels door. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Gêne’

    ‘Vind dit nog steeds veel te vrijblijvend
    rijm, sta me nog even bij help
    de gêne van de hoge woorden
    te vermijden help te helpen
    doen begrijpen.

    Onvrijheid dreigt concreet.
    Mijn overhaaste hartslag
    blijft mij, dus ons, laksheid
    verwijten. Mij, die in de tijd
    herkent wat was, toen
    aan den lijve.’

    De terughoudendheid in de eerste strofe, met het subtiele binnenrijm van de ij-klank (vrijblijvend, rijm, vermijden, begrijpen) slaat in de tweede strofe om in een haast verontwaardigde toon. Het is de ‘concreet dreigende onvrijheid’ die de dichter doet herkennen ‘wat was, toen aan den lijve’. De verwijzing is duidelijk: in de Tweede Wereldoorlog als kind ontsnapt aan het transport naar de vernietigingskampen zat Judith Herzberg vervolgens jarenlang in de onderduik. Ervaringen die hebben geleid tot dichtwerk dat vaak doordrongen is van zaken als vrijheid, rechtvaardigheid en menselijkheid. Iedere vorm van onrecht wordt veroordeeld, aangepakt in goedlopende verzen waarin de betekenis altijd herkenbaar is. Ook als het gaat over iets bescheidens als de gehakte damesschoen weet Herzberg haar afwijzing genuanceerd over het voetlicht te brengen:

    ‘Dames!

    We geven toe
    aan dwang en leer
    de voet, gehoorzaam
    aan de schoen
    laat zich
    in vreemde
    vormen dwingen
    maar toch niet
    álles
    met zich doen.’

    In de ritmische opbouw met korte zinnen toont Herzberg haar poëtisch vernuft. Het zijn de terloopse, alledaagse onderwerpen die ze een podium geeft en op doortastende wijze in een vorm giet. Er zit een soort vanzelfsprekendheid in deze werkwijze, alsof ze iets aanhaalt wat allang gemeengoed is, maar juist door de vorm weer opnieuw onder de aandacht wordt gebracht. En dat op volstrekt originele wijze. De lezer herkent de beschreven situatie maar wordt telkens weer verrast door de invalshoek die de dichter gebruikt. Hier wordt poëzie tot middel gemaakt: een manier om de wereld om ons heen uit te leggen en de schoonheid van de gewoonheid te benadrukken door een unieke taalbeheersing.

    Dronken

    Een avondje met overmatig drankgebruik staat aan de basis van het gedicht ‘Ladderzat’:

    ‘Dat wat ik voor een oogwenk houd
    waarin mij, nu het nét nog gisteravond is
    iets over vorig jaar vanuit de vreemde kast
    wordt toevertrouwd blijkt
    nu het alweer bijna
    morgenochtend wordt
    het kijken van twee ogengrote
    hars tranende kwasten
    in het verse hout.’

    Wakker worden in een vreemde kamer en de wereld in een ander daglicht zien, dat is voor de dichter een nieuwe ervaring die een eerdere herinnering corrigeert. Net als in de meeste gedichten is hier te zien hoe Herzberg, met een minimum aan interpunctie, het enjambement beheerst. De trefzekere regelafbreking zorgt voor een stuwende werking die het gedicht, regel voor regel, naar het verrassende einde duwt. Een einde dat herkenbaar is in vrijwel alle gedichten van Herzberg, het is een uitkomst die de lezer op het goede of juist op het verkeerde been zet.

    Het al eerder genoemde engagement is een opvallend kenmerk in deze sterke bundel. Een betrokkenheid die zich het meest uit in verontwaardiging over misvattingen die volgens Herzberg rechtgezet dienen te worden. Of het nu gaat om bedreigde dieren, een ingelijst schilderij, een weerbarstige dekbedhoes, de dichter lijkt een missie te hebben om grote en kleine zaken aan de kaak te stellen en er haar visie op los te laten.

    Ook de liefde ontkomt niet aan Herzbergs verontwaardiging. Het alom gevierde liefdesgedicht ‘The more loving one’ van W.H. Auden is een volgend doelwit dat aangepakt moet worden. Dat gebeurt in het prachtige ‘Ging hij daar prat op’:

    ‘”If equal affection cannot be
    let the more loving one be me.”
    Ging hij daar prat op of hoe zat dat
    eerlijk en edel leek het me
    niet eens zo lang geleden
    nu denk ik: waarmee laadt hij
    de ander op, degene die
    zo’n grote voorraad
    nog niet heeft opgeslagen
    en dat krijgt opgeplakt:
    “less loving one” moet heten
    alsof het meetbaar was.’

    Zo wordt een hartstochtelijke liefdesverklaring die aanvankelijk ‘eerlijk en edel’ leek, omgezet in een aanklacht tegen de meetbaarheid ervan. En tegelijkertijd een bedekte aanval op het haantjesgedrag van de dichter. Als Judith Herzberg die scherpte, in combinatie met haar verfijnde taalbeheersing, overeind weet te houden, valt er hopelijk nog jarenlang van deze dichter te genieten.

     

     

  • Vermakelijk, maar flinterdun

    Vermakelijk, maar flinterdun

    ‘Je wordt pas een mens als je ouders komen te overlijden.’ Aan deze woorden van zijn ex moet de verteller van Terug op de achterbank denken tegen het einde van een vakantie in Zuid-Frankrijk met zijn ouders, twee opgewekte pensionado’s van in de zeventig. De verteller zelf is tweeënveertig, zijn relatie is kort geleden op de klippen gelopen en hij komt net uit een depressie. Een goedbedoelende vriendin heeft hem aangemoedigd het vakantieaanbod van zijn ouders te accepteren in de overtuiging dat een paar weekjes weg hem goed zal doen. Wanneer hij terugdenkt aan de woorden van zijn ex, die ‘makkelijk praten’ had, want ‘haar ouders waren allebei vroeg gestorven,’ vraagt hij zich af of hij zijn goedzakken van ouders niet gewoonweg moet vermoorden. Dat hij werkelijk iets geks gaat ondernemen geloof je geen seconde meer, want Terug op de achterbank is braaf – heel erg braaf.

    De derde roman van Olivier Willemsen (1980) begint vlot. De stijl is prettig helder, net als de beelden. Zo staat de rode Renault van de vertellers vader ‘als een uitgeklapt Zwitsers zakmes op de oprit’ en zit zijn vaders gehoorapparaat als een ‘garnaalvormig stuk tandvlees boven zijn oor.’ Regelmatig valt er hardop te lachen, vooral wanneer de verteller, die we tot de één na laatste bladzijde kennen volgens zijn koosnaampje ‘Kokindje,’ zeer accuraat de woorden en acties van zijn ouders voorspelt.

    Sneltreinvaart

     Vanaf het eerste moment van hun samenzijn valt het driekoppig gezin terug in hun rollen als moeder, vader en kind en begint een oneindige reeks herkenbare, oer-Hollandse tuttigheid die grappig is, soms zelfs vertederend. Moeder smeert broodjes voor onderweg, vader laadt in zijn eentje de auto in want dat is ‘al decennialang zijn specialisme.’ ’s Avonds wordt er een tv spelletje gekeken en om kwart over negen kondigt moeder aan dat het tijd is voor bed. Liggend in zijn oude kamer, met op de commode het stapeltje reiskleren die hij op advies van zijn moeder heeft klaargelegd, droomt ‘Kokindje’ dat een losgelaten draagbalk hem dreigt te verpletten. Een omineuze droom, denk je dan nog, er staat ons heel wat te wachten!

    Aanvankelijk verzet ‘Kokindje’ zich nog enigszins tegen de betutteling. Zo kijkt hij zijn moeder ‘op zijn volwassenst aan’ wanneer ze voor vertrek vraagt of hij al naar de wc is geweest en vraagt hij zich verzuchtend af of het niet eens tijd wordt dat zijn ouders hem gewoon bij zijn eigen naam gaan noemen. Maar iets zeggen doet hij niet – een gebrek aan verzet dat je als lezer voorlopig nog accepteert. Na vertrek van huis gaat het rap. In een sneltreinvaart schotelt Willemsen de lezer een reeks typische vakantiebezigheden voor, veel tijd om de sfeer op te snuiven of ergens bij stil te staan krijg je niet. Zo wordt deze korte roman jammer genoeg erg schetsmatig, alsof Willemsen goede ideeën had maar geen tijd om ze uit te werken. Dat de vakantie voor de verteller algauw omslaat in een spanningsloze en voorspelbare onderneming is niet erg – dat het spanningsloos en voorspelbaar wordt voor de lezer, is dat wel. Wat niet helpt is dat we nauwelijks iets te weten komen over de ouders, wat ze reduceert tot wandelende clichés van het gelukkige Nederlandse stel op vakantie. De overigen blijven ook typetjes: de tante en oom, toegevoegd, lijkt het, om het geheel een saillant sausje te geven, de ex Anna en de jonge vrouw die hij ontmoet op de camping, het zijn geen van allen personages van vlees en bloed. Allemaal gemiste kansen, want Willemsen kan goed schrijven en komt af en toe met mooie vondsten. ‘Vanaf het terras klinken eetgeluiden; het rustgevende, zomerse getik van messen en vorken op borden.’ Dat rustgevende voel je, dat getik hoor je.

    Gebrek aan contrasten

     Gaandeweg verlies je sympathie voor de verteller, die niet alleen gedwee in alles meegaat, maar zich ook van alles laat aanleunen. Of het nu is dat zijn moeder zijn bammetjes smeert of zijn onderbroeken opraapt, hij doet nauwelijks moeite zelf zijn zaakjes op te knappen. Behalve een zwakke poging ertoe zien we hem nergens worstelen, wel snel opgeven en de boel over zich heen laten komen. Al snel blijkt dat zijn relatie met ex Anna niet heel anders was. ‘Háár huis, háár auto,’ zegt de vriendin die hem de vakantie met zijn ouders aanraadde. ‘Ze deed je was, haalde je op na het tennissen, ze betaalde jullie vakanties (…) – en zo kan ik nog wel even doorgaan.’

    Dit verlies aan sympathie is dodelijk voor het verhaal en had voorkomen kunnen worden als er meer contrast in het geheel had gezeten, als de verteller zich bijvoorbeeld anders had gedragen bij zijn ex en terug was gevallen in de rol van klein kind bij zijn ouders. Dan had het verhaal diepgang gekregen, gelaagdheid, in plaats van meer van hetzelfde. Het dreigt interessant te worden wanneer de verteller aan zijn vader vraagt of hij wel echt een kind wilde. Even veer je op, maar de vader zwemt weg en er wordt niet meer op teruggekomen, alsof Willemsen niet zeker wist wat hij met de scène aan moest. Met een beetje goede wil kun je tussen de regels doorlezen, maar daarvoor is de scène te zwak, te weinig indringend. Datzelfde geldt wanneer de verteller met zijn ouders op bezoek is bij zijn oom en tante. ‘Ik moet hier weg. Het maakt niet uit hoe,’ denkt hij. Je hoopt op een spetterende finale, maar nee: hij staat op, loopt weg ‘richting het meer of zo’ en daarmee is de kous af.

    Wie een boek wil met diepgang, een verhaal waarin op zijn minst de hoofdpersoon een ontwikkeling doormaakt, kan beter verder zoeken. Terug op de achterbank is voor de lezer die zin heeft in een soepel geschreven en vermakelijk vakantieverhaal dat gemakkelijk wegleest naast het zwembad. Bij voorkeur op een camping in Zuid Frankrijk natuurlijk.

     

     

  • Mooie verzameling van essays

    Mooie verzameling van essays

    Carel Peeters kan gerust een ‘eminence grise’ genoemd worden in de wereld van de literaire kritiek. Niet alleen was hij hoogleraar in deze discipline, daarnaast kent het grote publiek hem vooral van zijn vele bijdragen in ‘zijn’ Vrij Nederland. Hij was een tijd hoofdredacteur, maar het meest gekend zijn ongetwijfeld zijn kronieken of essays. 51 daarvan werden nu gebundeld in Lof van de combinatie, een eigentijdse verzameling van zijn beschouwende en persoonlijke ideeën over verschillende denkers van vroeger en nu. Opvallend is dat hij verschillende van deze essays ook herwerkte: hij was immers niet meer gebonden aan de plaatsbeperkingen die eigen zijn aan het tijdschrift.

    Ars combinatoria

    Uitgangspunt van Lof van de combinatie zijn de ideeën uit het 13e-eeuws werk Ars combinatoria van de Spaanse arts Ramon Llull. Deze deed een poging om via verschillende combinaties de grote godsdiensten (christendom, islam en jodendom) te verzoenen. Carel Peeters stelt dat het precies de prikkelende combinaties zijn die het eigenzinnige genre van het essay hebben grootgemaakt. Wanneer verschillende soorten kennis en emoties gecombineerd worden, kan men dieper doordringen tot de werkelijkheid. Door te nuanceren en te precizeren wordt het makkelijker om moeilijke zaken uit te leggen. Door te combineren wil hij verschillen laten ontstaan. Kruisbestuivingen, paradoxen en tegenstrijdigheden zorgen voor een juister begrip. Daarnaast bekritiseert hij het hyperindividuele collectivisme, maar paradoxaal genoeg niet het individualisme. Dat wordt daarentegen wel bedreigd volgens Peeters door de combinatie van sociale media en het neoliberalisme.

    Affiniteiten

    Naast een inleidend essay over de Ars combinatoria en een afsluitende Coda bestaat het werk uit verschillende delen die draaien rond een centraal thema. In het eerste deel behandelt hij denkers waarmee hij Affiniteiten heeft. Niet toevallig zijn de eerste twee essays hierin gewijd aan Menno Ter Braak waarmee Peeters lijkt te dwepen. Ter Braak noemt hij de uitzonderlijke combinatie van een rebelse puber en een gezwinde grijsaard.  Zijn reflectie over Ter Braaks Het nationaalsocialisme als rancuneleer uit 1937 is bijzonder. Daarin vergelijkt hij de rancune en boosheid over de wereld met vandaag. Hij noemt rancune een inherent onderdeel van de democratie en schetst de parallellen met de hedendaagse extreemrechtse partijen die door demagogie en simplisme de Europese cultuur bedreigen.

    Niet door één deur

    In Niet door één deur zijn de essays gewijd aan auteurs en denkers die volledig ingaan tegen Peeters’ eigen denkbeelden en waar hij een absolute hekel aan heeft. Hij schrijft rechttoe rechtaan en geeft ongezouten zijn mening. Hij verwijt Thierry Baudet het misbruik van Serotonine van Houllebecq. Baudet gebruikt het als pleidooi voor een wedergeboorte van de tradtionele waarden, weg van de vrijheid van het liberalisme en het individu. De intellectuele verleiding van Frits Bolkestein noemt Peeters weinig genuanceerd of diepgravend. De brutale uitspraken van Bolkestein bewijzen enkel dat hij vol is van zichzelf. En in Een digitale draaitol neemt hij wonderkind van de moderne essayistiek Allesendro Baricco op de korrel. Diens The Game over de digitale revolutie noemt hij populistisch en weinig consequent.

    Coda

    Oud en sterk lijkt wel een ode te zijn aan de klassiekers die hem boeien en die een blijvende invloed op hem hebben. Naast essays over Thomas More en Francis Bacon is vooral Twee soorten heersers een interessant essay. Daarin plaatst hij Erasmus en Machiavelli tegenover elkaar, elk met hun eigen tegengestelde denkbeelden over oorlog en vrede, en opnieuw maakt hij de link met vandaag. In het Innerlijk rijk exploreert Peeters het psychische vermogen van de mens, maar laat hij niet na zijn combinatieleer te gebruiken zoals Over optimistisch pessimisme duidelijk aantoont. Het poëtisch beginsel bekijkt hoe dichters doorheen de jaren de kunst van het combineren op een hoger niveau hebben gebracht zoals bijvoorbeeld het oorlogsdagboek van Hanny Michaelis duidelijk aantoont.  Het laatste hoofdstuk krijgt de titel Enigma’s en is een amalgaam van essays die niet passen in de vorige delen, maar wel over het combineren gaan. Peeters sluit af met een indrukwekkend Coda, waarin hij pleit voor een individualisme dat samengaat met betrokkenheid zoals hij het zag en las bij zijn leermeesters Ter Braak en du Perron.

    Lof van de combinatie is een mooie verzameling van essays die ook vandaag nog relevant zijn en die doen stilstaan bij enkele belangrijke evoluties. Peeters leert dat we door de kunst van het  combineren zaken in een ander perspectief kunnen plaatsen en zo tot nieuwe inzichten kunnen komen. Bovendien trekt hij veel parallellen tussen vroeger en nu en waarschuwt hij voor de negatieve elementen die onze huidige maatschappij bedreigen. Het werk is geen pageturner, maar een naslagwerk om af en toe een essay na te lezen en nodigt absoluut uit om de besproken figuren en werken van naderbij te bestuderen.

  • Freeze

    Freeze

    Achter in de tuin, onder het dak van het open tuinschuurtje heeft een merel een nest gemaakt. Boven op het jute dat om de zeis gewikkeld is die aan een balk hangt, steekt een bruin vogelkopje boven de rand van een slordig in elkaar gestoken woonstee uit. Vader merel had ik eerder al opgemerkt, druk zoekend naar worm en slak op plekken waar ik de aarde had omgewerkt. Toen hij met volle snavel het tuinschuurtje invloog, sloop ik er achteraan, zag het vrouwtje broedend op het nest. Hij ging er als de wiedeweerga vandoor het vrouwtje stijf van schrik achterlatend. Met opengesperde snavel keek ze blind voor zich uit, alsof ze uitgetreden was. Snel stapte ik achterwaarts terug het tuinpad op. Ik dacht houd stil, blijf zitten, verroer je niet. Ik dacht ‘Freeze’, een gedicht uit de bundel Meestal tussen bomen, dat ik de laatste dagen herhaaldelijk gelezen heb. 

    ‘Als ik diep in balans ben, zoals mij wel eens
     overkomt, waarom zou ik dan ooit
     nog willen bewegen? 

     Ik kan de lichtheid voelen van een boom
     of struik te zijn en als ik mijn denken
     loslaat weet ik meteen het meeste -’

    Waarin ik het, ‘zoals mij wel eens overkomt’ meesterlijk vind. Net als, ‘als ik mijn denken loslaat het meeste weet’. Zeventwintig gedichten die ik gretig lees tot de bundel zomaar uit is. Dan opnieuw begin (het moet, er is magie in het spel) met het eerste gedicht, ‘De negende maand’

    September en de atmosfeer is stil
    er valt nog nauwelijks een blad

    zelfs op de kleinste schaal van zichtbaarheid
    houdt de natuur zich in, de minuscuulste

    bloei treedt aan het licht, er is
    alleen verademing – ook in mijzelf

    het is mijn geboortemaand, een
    cyclus komt ten einde en er wacht

    een zoveelste begin, een nieuwe jaarring

    De verzadigde atmosfeer van een septembermaand is voelbaar, dan het plotselinge, ‘ook in mijzelf’. De dichter is present, ze verjaart. Betoverend, ‘een zoveelste begin, een nieuwe jaarring’. Ik lees achter elkaar door, en weer opnieuw. Steeds bij dezelfde regels verschuift er iets in mij, grijpt iets mij aan (maar wat?). De dichter telt zijn dagen en zegeningen. Geen sprake van dramatiek, er is een nuchter weten dat de hemel ‘op een kier’ gezet, wordt ‘alvast’. Er is de, ‘Rust van een hoge sloot / van water dat op land ligt onder regen /glanzende plas met stille hemel / waarin een ruimte als voorbij de dood’. Lees nog eens, ‘van water dat op land ligt onder regen’. Elly de Waard was ooit popjournalist, melodieën spelen nog regelmatig door haar hoofd, ‘Ze staan daar altijd zachtjes aan’. Nu al meer dan veertig jaar dichter. Meestal tussen bomen is haar twintigste bundel. Ik lees nog eens ‘Oudejaarsavond op een benzinestation’, waarin tijdens een stormachtige nacht een ‘Romance- kort als een verwaaide oogopslag.’, wordt beschreven. Eindigend met, ‘Maar dit is een herinnering van lang geleden’. Daar is het dat er iets verschuift, alles dichterbij komt. Het is een magische bundel, waarin een terugkijken op een leven in de bossen rond huize Vogelwater. Een memoreren van de honden Vosje en Peerke, van een vossenmoeder. Van al dat groeide, voorbij ging, in leven en liefde.

     

     

    Meestal tussen bomen / Elly de Waard / De Harmonie (2022)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

     

  • Liefde voor het raadsel

    Liefde voor het raadsel

    De sprong van de vis is de zesde dichtbundel van Juliën Holtrigter (pseudoniem van de dichter en schilder Henk van Loenen). Holtrigter zou je een wat a-modieuze dichter kunnen noemen: eenvoudig, verstaanbaar, romantisch en klankrijk. Achter de eenvoudige regels gaan echter complexe en dramatische werelden schuil. De sprong van de vis bevat veertig relatief korte gedichten die gelijkelijk over vier afdelingen zijn verdeeld. Het openingsgedicht is meteen in alles typisch Holtrigter. Het kent een zorgvuldige opbouw.

    Eerst wordt een bijzondere sfeer geschetst: ‘Achter de duinen davert de snelweg, / de zee ademt rust. / Over het blauwe basalt kruipen nog / restjes spuug van de vloed.’ Holtrigter maakt de werkelijkheid niet mooier dan zij is: ‘Etalages, verlicht in de avond. / Schoenen, smartphones, bedden, juwelen.’ / Bij de poelier hangen gevilde hazen / schaamteloos voor het raam.’ De maan heeft  ‘aan haar vingers witgouden ringen, / in haar ogen witgouden leegte’. Waarna staat: ‘Haar sluiers moeten misschien wel / verhelen dat ze zich sneed.’ Het zijn vooraankonigingen van een drama, waarover we in de laatste regels lezen: ‘Er is iemand op weg, terug naar huis, / verslagen, ontwapend.’ Wat er is gebeurd wordt in het midden gelaten. 

    Aandachtig observeren

    Ook in de andere gedichten is Holtrigter een meester van de suggestie. Zijn manier van dichten doet denken aan de betere film, waarin een desolate omgeving en een plotselinge oogopslag boekdelen spreken. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Bladzij’, waarin de ‘ik’ in de trein tegenover een lezend meisje plaatsneemt. We kijken met hem mee. Hij probeert te raden wat er in haar omgaat: ‘Ze leest over duistere zaken, dat moet wel,/ zo donker glijden haar ogen over de regels./ Nochtans, haar hand streelt de bladzij,/zo lijkt het.’ In een ander gedicht bespeurt de ‘ik’ in een serveerster ‘een nog vers verdriet’. De slotregels luiden: ‘Ik loop met haar mee en leg veel te zacht/een hand op haar schouder.’ De personages zijn kwetsbare personen met wie de dichter meevoelt, waarbij de toon registrerend blijft. 

    Het ‘kijken’ is een constante in deze bundel. Holtrigter is een dichter die over zijn directe, alledaagse omgeving schrijft. De werkelijkheid valt op, zodra er iets gebeurt: ‘Werkelijkheid is dat wat werkt./Er spoelt wat aan, er kalft wat af.’ Werkelijkheid is met andere woorden beweging. Zoals in het titelgedicht ‘De sprong van de vis’: ’In het tanende licht van oktober, niets/is blijvend, landt een wolk op het water./Een vis springt, valt terug in zijn lijfgoed,/ verzilvert de stilte.’ Het gaat om dit soort magische momenten waarin de tijd zich samenbalt: ‘Met mijn langzaamste pen schrijf ik: tijd/is een zeer kleine ruimte.’ Bij alle beweging hangt boven de gedichten een bijna serene stilte, die erdoor wordt benadrukt.

    Het perspectief ligt bij de ‘ik’, maar op een onnadrukkelijke manier. Door de vaak herkenbare situaties – een bezoek aan de kust, aan een café, reizen  – is het makkelijk je met de ‘ik’ te identificeren, waardoor het gedicht ook jouw ervaring wordt. De ‘ik’ cijfert zich soms letterlijk weg, beschouwt zich als een figurant: ‘Ik, figurant, staar in het donker.’ In het gedicht ‘Regels’ is de ‘ik’ net zo belangrijk als de zee: ‘Ik strijk neer op het strand en de zee/doet dat ook, komt dichterbij, strekt zich uit.’ In ‘Uitzicht’ draait Holtrigter het perspectief zelfs helemaal om: ‘Ik kijk opnieuw naar de verte, hoe verder hoe vager,/besef hoe onscherp het beeld is/waarin de verte mij waarneemt, hoe ik al turend/vervaag.’ 

    Sterke beelden

    ‘De sprong van de vis’ is een bundel met veel sfeer. Met een paar streken schetst Holtrigter sterke beelden, zoals in het mooie, melancholieke gedicht ‘Nachtboot’:

    ‘De nachtboot legt aan.
     Doodstille haven.
     Het water weerspiegelt het spooklicht van schepen.

     Stijf ligt de vangst op de kade,
     vissen in ijs, de huid nog glanzend van leven,
     de verbijsterde blik in de ogen, de bekken wijd open.

     Een krab beweegt nog een schaar.
     Zie toch dat wenken, dat hopeloze.
     De ochtend breekt aan.

     De krant meldt gemeier dichtbij en rampen ver weg.
     Roof en rot doen hun werk overal
     maar niet hier:

     de dauwdruppels op het boeketje zijn erg hardnekkig.
     En ook het hout in de haard brandt niet op.
     Onsterfelijk zijn de plastic kozijnen.’

    Ook hier, bij alle stilte, een verhalend gedicht dat gedragen wordt door het slot. De opbouw is niet origineel, maar de beelden en woordkeuze zijn dat wel. 

    In de tweede afdeling ‘Verre verwanten’ figureren ook familieleden, bij wie de ‘ik’ blijkbaar vervreemding voelt. Ook zij worden bekeken. Er klinkt ironie in de gedichten door. Over zijn vaders jaloezie op de acteur die door zijn vrouw in een toneelstuk wordt gekust. De vader speelt op zijn beurt weer graag de rol van een boer: ‘die rol lag hem goed, Goden wat was dat/ karakter devoot!’ In ‘Impasse’ is de verre verwant de dichter zelf: ‘In zijn bovenkamer zit een ventje dat schrijft/om iets te begrijpen,/een zenuwlijder/die woorden vuilmaakt aan wat schoonheid.’ Het dichten is een worsteling: ‘In zijn bovenkamer armzalig zijn voelen, zijn denken: een afgestompte/antenne, een bot ontleedmes./Iemand of iets dicteert hem zinnen waarvan hij/geen jota denkt te begrijpen.’

    Van bovenaf bezien

    Vriend Chaim duikt op, die we kennen uit Holtrigters eerdere bundels. Chaim is iemand met een grote fantasie, een buitenbeentje: ‘Hij steekt veel werk in onnutte zaken en vaart daar wel bij.’ Later blijkt hij in een kliniek te zitten. Chaim spreekt zeer tot de verbeelding van de ‘ik’: ‘Ik houd van zijn leugens, ze zijn ook fantastisch’. Maar ook vindt hij Chaim inhoudsloos: ‘hij praat/ honderduit, maar hij zegt bijna niets. Zijn verveelde verbeelding valt in herhaling.’ Het is vooral Chaims houding die de ‘ik’ fascineert: het onbekommerd om zich heen kijken en fabuleren. Chaim belichaamt de verbeeldingskracht en is voor de ‘ik’ een soort muze. 

    De ‘ik’ bekijkt de wereld graag van boven, bijvoorbeeld door op het dak te klimmen. Door letterlijk boven de werkelijkheid uit te stijgen, ontstaat weer een ander perspectief. Holtrigter schrijft poëzie waaruit een enorme nieuwsgierigheid spreekt. En een grote hang naar mystiek, zoals heel duidelijk wordt in het gedicht ‘Lichtschip’ uit de laatste afdeling ‘Dakruiters’: 

    ‘maar boven alles bemin ik de leegte, het zenit,
     boven alles bemin ik het lichtschip,
     bemin ik de leegte,
     bemin ik het licht.’

     

     

  • Indrukwekkende reis van haat naar broederschap

    Indrukwekkende reis van haat naar broederschap

    In de jaren 70 bezocht Jorge Luis Borges Jeruzalem. In een soek aan de Al-Zaharastraat zei hij zijn toehoorders dat de verhalen uit Duizend-en-één-nacht oorspronkelijk op zichzelf stonden. Ze ‘werden later samengebracht en versterkten elkaar tot een eindeloze kathedraal, een uitdijende moskee, een willekeurig overal’. Die opmerking haalt Colum McCann aan in zijn magistrale Apeirogon, een caleidoscopische roman over de verhouding tussen Israël en de Palestijn(se gebied)en. De aanhaling is een intrinsieke verwijzing naar Apeirogon zelf, dat bestaat uit 1001 hoofdstukken en hoofdstukjes. Ze vertellen het grote verhaal zoals Sheherezade het moest doen: onder de voortdurende dreiging van de dood.

    Het is niet alleen de vertelvorm die meeslepend is. McCann sleurt de lezer ook mee in dagelijkse gebeurtenissen. Je voelt aan den lijve hoe het voor een Israëliër is om in een bus te zitten in de hoop dat het verkeerslicht tijdig op groen springt omdat bij rood misschien een bus naast je wordt opgeblazen. Of hoe het voor een Palestijn in de bezette gebieden is om bij de geringste verdenking te worden vernederd en in alles te worden tegengewerkt. Razend knap verbindt McCann feiten en voorvallen uit de wereldgeschiedenis met de actualiteit. Zo lezen we over de techniek van het stenen gooien en hoe een Syrische scheikundige al zevenhonderd jaar geleden een idee introduceerde voor torpedo’s die door raketten worden voortgestuwd. Het levert navrante zinnen op zoals deze over buskruit: ‘In de negende eeuw creëerden de Chinezen bij toeval het explosieve mengsel  – 75 delen salpeter, 15 delen houtskool, 10 delen zwavel – toen ze op zoek waren naar het levenselixer’. Of de benaming die de Israeliërs geven aan hun witte zeppelin waarmee ze de Palestijnse gebieden in de gaten houden, ‘de Fat Boy 2’, een cynische verwijzing naar de ‘Fat Man’ die in 1945 boven Nagasaki werd uitgeworpen.

    Ouders van vermoord kind

    Apeirogon is een roman, maar dan toch enigszins zoals In koelen bloede van Truman Capote een roman genoemd kan worden. McCann baseerde zich volledig op feiten en zijn geweldige eruditie. Hij reconstrueert wat er is gebeurd, of – misschien beter – kán zijn gebeurd. Het wordt bij hem maar al te duidelijk dat elke partij zijn eigen waarheid creëert. ‘Apeirogon: een vorm met een telbaar oneindig aantal zijden’, legt McCann uit. Dat is ook wat zijn roman is: een verhaal dat alsmaar verder gaat en een oneindig aantal perspectieven kent.

    De belangrijkste personages in de roman zijn de Palestijn Bassam Aramin en de Israeliër Rami Elhanan. Maar eigenlijk ook hun dochters en hun vrouwen.
    Bassam heeft al jong zeven jaar in de gevangenis gezeten toen hij in het bezit van (gevonden) handgranaten werd opgepakt. In die gevangenis leerde hij zichzelf Hebreeuws. Hij haatte de joden om wat Israël de Palestijnen aandoet, maar zijn wereld veranderde toen hij een film zag over de Holocaust. Hij ging die zelfs bestuderen.
    Rami was in het leger evenzeer vervuld van haat tegen de Palestijnen die niet te vertrouwen waren. Maar ook hij kwam tot een ander inzicht toen hij Palestijnen ontmoette die een kind door geweld verloren hadden. Hij kon ze ineens zien als ouder van een vermoord kind, net als hij, met dezelfde gevoelens.
    De dochter van Bassam en zijn vrouw Salwa, Amir, werd in 1997 doodgeschoten door een 18-jarige Israëlische soldaat toen ze net uit een snoepwinkel kwam. De dochter van Rami en Nurit, Smadar, was één van de doden bij een zelfmoordaanslag door drie Palestijnse jongens toen ze net met vriendinnen uit school kwam.

    Everest Hotel

    Bassam en Rami worden vrienden als ze beiden lid worden van de organisatie Strijders voor Vrede en van de Parents Circle (een groep ouders die een kind verloren in de conflicten). Van beide organisaties zijn zowel Israeliërs als Palestijnen lid. Ook Salwa en Nurit horen tot die kringen, maar Nurit is al langer vredesactiviste en heeft diverse publicaties op haar naam staan (ze kreeg in 2009 de Sacharovprijs voor haar werk). Maar het zijn vooral Bassam en Rami die over de hele wereld hun verhaal uitdragen onder het motto: als we onze haat en ons wantrouwen los kunnen laten wordt ons verdriet onze kracht. Ze geloven niet in een tweestatenoplossing maar in verbroedering. Ze zien dat de bestaande haat al van jongs af aan bij beide partijen gevoed wordt. Het vijanddenken is daardoor volledig geïnternaliseerd. Er is veel moed voor nodig om dat beeld van een vijand te verlaten omdat je de ander dan als mens moet gaan zien, weten ze.

    Apeirogon kent een basislijn die pas in de loop van de roman duidelijk begint te worden. Hij is zo onopvallend omdat hij alleen maar bestaat uit de reis van Rami en Bassam, ieder voor zich, naar een ontmoeting van Strijders voor Vrede in 2016 in het Everest Hotel in Beit Jala, niet ver van de Muur die Jeruzalem scheidt van de Westoever van de Jordaan. We volgen daarin Rami die op zijn motor vanuit het Israëlische deel van Jeruzalem vertrekt en Bassam die hetzelfde doet met zijn autootje met kapotte koplamp vanuit Jericho. We maken zo als lezer in een soort road novel mee hoe het is om te reizen door de bezette gebieden met zijn verschillende zones die soms voor Israeliërs en soms juist voor Palestijnen verboden gebied zijn.

    Stilte

    Daaromheen weeft McCann steeds losse elementen – gebeurtenissen in de levens van Rami en Bassam en het ontstaan van hun ‘broederschap’ – die door de hele roman heen naar elkaar verwijzen. Bovendien gaat hij daarin zeer associatief te werk en maakt zo uitstapjes naar de ornithologie, uitvindingen, de Holocaust en de kunsten. Zo leidt de beschrijving van het onwezenlijke vacuüm tussen het moment van de explosie en dat waarop de ontzetting een geluid krijgt tot prachtige uitweidingen over de stilte. McCann vertelt hoe Dalia el-Fahum (die al eens werkte voor de componist Olivier Messiaen) in 2008 omgevingsgeluiden verzamelde. Ze wilde die gebruiken voor een muziekproject dat moest uitmonden in een acht uur durend stuk met de titel Migrations. Toen ze ook lawaai van bulldozers, de schreeuw van een soldaat of het gejank van een sirene opnam viel het resultaat haar tegen: het had zo weinig zeggingskracht. Het voerde haar tot de overtuiging dat de geluiden met rust moesten worden gelaten, dat niet ‘díé aandacht verdienden, maar de stilte zelf’. McCann voert de lezer elders in de roman dan weer mee naar de compositie 4’33 van John Cage, die louter uit stilte bestaat, en naar diens As Slow As Possible, de compositie die in 2001 in de St. Buchardikerk in Halbersadt startte met stilte en 639 jaar gaat duren.

    Kreeft

    Ook compositorisch is Apeirogon een avontuur, opgezet als een kreeftcanon (daarin laat de tweede stem het thema achterstevoren horen). De 1001 hoofdstukken zijn verdeeld over een eerste groep van 1 tot 500, gevolgd door hoofdstuk 1001, waarna in de tweede groep de hoofdstukken aftellend zijn genummerd van 500 tot 1. Maar daar blijft het niet bij. De eerste en tweede groep zijn deels gespiegeld aan elkaar. Dat is al zo met de eerste en de laatste zin van de roman, maar er zijn veel meer voorbeelden. Het duidelijkst is het in de beide hoofdstukken 284 die uit hetzelfde lege vierkant bestaan en in de beide hoofdstukken 500 waarvan het eerste de biografie van Rami omvat en het tweede die van Bassam. Een fraai voorbeeld zijn verder de hoofdstukken 389 uit de eerste groep en 255 uit de tweede. Ze stemmen grafisch overeen: 389 bestaat louter uit graffiti die te lezen staat op de Muur tussen Israel en de Westoever, 255 louter uit krantenkoppen over Nurit, de moeder van Smadar. Het centrale hoofdstuk 1001, de as van de roman, bestaat uit één zin die de kern ervan samenvat.

    In zijn prikkelende boekje Brieven aan een jonge schrijver uit 2017 zegt McCann: ‘Schrijf niet wat je weet, schrijf toe naar wat je wilt weten. Stap uit je huid. Geef jezelf bloot. Dat opent de wereld. Ga ergens anders heen. Onderzoek wat buiten je gordijnen ligt, buiten de muur, om de hoek, buiten je stad, buiten de omtrek van je eigen bekende land’.
    Met Apeirogon laat McCann ijzersterk zien tot wat voor schitterende literatuur zo’n uitgangspunt kan leiden. Hij dwingt de lezer hetzelfde te doen, ook uit zijn huid te stappen. De roman laat je voelen hoe het is om midden in de conflicten tussen Israel en de bezette gebieden te staan. Hij laat je nadenken over de vraag hoe je je zelf laat leiden door vijandbeelden en of je bereid bent de ander in alle gevallen als mens te zien. De lezer die bereid is daarin mee te gaan, krijgt de literaire vorm die McCann koos er als prachtig cadeau bij. Apeirogon moet gelezen worden!

     

  • Oogst week 21 – 2021

    Podium van Europa. Creativiteit en ondernemen in de Amsterdamse Schouwburg van de zeventiende eeuw

    Het is helaas nog even wachten tot we weer van een live theatervoorstelling mogen genieten, maar voor wie het toneel mist en graag meer te weten komt over de geschiedenis van de Schouwburg van Amsterdam, is er Podium van EuropaCreativiteit en ondernemen in de Amsterdamse Schouwburg van de zeventiende eeuw. Het boek is geschreven door Frans Blom en verscheen onlangs bij Querido. Blom verwerpt in deze geschiedenis onder andere de aanname dat toneel destijds enkel iets was voor the lucky few: toneel was er ook juist voor de massa, en populair bovendien.

    Ook waren de Nederlandse uitvoeringen vaak gebaseerd op, of bewerkingen van, oorspronkelijk anderstalige stukken (Titus Andronicus is in dezen een bekend voorbeeld): de theatertraditie was een internationale, en verschillende theatergezelschappen en toneelschrijvers beïnvloedden elkaar. Podium van Europa is een lijvige geschiedenis: het telt ruim 500 pagina’s.
    Maar als Blom net zo bevlogen vertelt als hij doet tijdens zijn letterkundecolleges (die ondergetekende tijdens haar studie met veel plezier bijwoonde), dan belooft Podium van Europa een levendig en kleurrijk beeld te schetsen van de ontwikkelingen in de Schouwburg gedurende een belangrijke periode in de Nederlandse geschiedenis.

    Podium van Europa. Creativiteit en ondernemen in de Amsterdamse Schouwburg van de zeventiende eeuw
    Auteur: Frans Blom
    Uitgeverij: Querido

    Echt gebeurd op papier

    Zet een (onervaren) verteller op een podium en vraag diegene een verhaal te vertellen aan een publiek, met als enige voorwaarde: het is echt gebeurd. Dat initiatief van schrijvers Paulien Cornelisse en Micha Wertheim werd 12,5 jaar geleden voor het eerst georganiseerd in de vorm van een middag in comedyclub Toomler (Amsterdam). Cornelisse en Wertheim baseerden het op het Amerikaanse concept The Moth.

    De sprekers zijn als gezegd geen ‘beroepsvertellers’, maar ‘gewone’ mensen met een bijzondere persoonlijke anekdote die aansluit bij het thema van de desbetreffende editie. Het leverde een grote hoeveelheid intrigerende en grappige verhalen op (zo’n 5.000!), die resulteerden in de gelijknamige podcast en waarvan de auteurs er 72 bundelden in Echt Gebeurd op papier (verschenen bij De Harmonie). Naast de podcast en de bundeling zijn er speciale edities van Echt Gebeurd geweest op onder andere IDFA, Crossing Border en Lowlands.

    Echt gebeurd op papier
    Auteur: Paulien Cornelisse, Micha Wertheim
    Uitgeverij: De Harmonie

    De mannen die we oogstten

    Jesmyn Ward publiceerde haar memoir Men We Reaped in 2013. Nu is het boek in Nederland verschenen bij uitgeverij Atlas Contact, in de vertaling van Astrid Huisman, als De mannen die we oogstten. Ward schrijft over de vijf mannen die ze verloor door uiteenlopende gebeurtenissen, maar met institutioneel racisme, dat zo diep verankerd is in de Amerikaanse samenleving, als gedeelde oorzaak.

    Ward werd geboren in Californië en verhuisde op haar derde naar DeLisle, Mississippi, waar ze woonde met haar moeder, broer Joshua, zusjes Nerissa en Charine en neefje Aldon. Ze overleefde orkaan Katrina, waarover zij de roman Salvage the Bones (2011) schreef, en was de eerste in haar familie die naar de universiteit ging. In De mannen die we oogstten schetst Ward aan de hand van haar persoonlijke relaas het racisme, de armoede en het kansarme toekomstperspectief van de Zwarte gemeenschap in de VS.

    Het boek werd door New York Magazine een van de beste boeken van de 21e eeuw genoemd. Eerder verscheen bij Atlas Contact haar Sing, Unburied, Sing in de Nederlandse vertaling Het lied van de geesten (2017). Ward ontving maar liefst twee keer de National Book Award voor fictie, in 2011 en in 2017.

    De mannen die we oogstten
    Auteur: Jesmyn Ward
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 19 – 2021

    Schuilen in stijl

    David Leavitt (1961), schrijver van romans en korte verhalen en enkele non-fictie boeken, tevens docent creatief schrijven aan de Universiteit van Florida, schetst in zijn nieuwe roman Schuilen in stijl met levendige pen een komisch beeld van de tijd direct na de Trump-verkiezing en van verlangens naar macht, liefde en vrijheid.

    Het is 2016. Een groep vrienden zit in de tuin van een luxueus huis bijeen en wacht op de scones die uit de keuken moeten komen. Donald Trump is pas verkozen als president. Gastvrouw Eva, bekend om haar royale ontvangsten en liefde voor het decoreren van haar huis, vraagt de gasten wie aan Siri durft te vragen hoe Trump vermoord kan worden. Want de politieke ontwikkelingen brengen onrust en de veiligheid en vrijheid uit het milieu van ‘welgestelde progressieve New Yorkers’ worden bedreigd. Tijdens een reis naar Italië haalt Eva haar man Bruce over om een vervallen appartement in Venetië te kopen, waarmee ze onbewust aan aantal gebeurtenissen in gang zet waarover ze geen controle meer heeft. Met de Italiaanse mogelijkheid om aan de Amerikaanse politieke sfeer te ontsnappen stapt Bruce uit zijn comfort-zone, recht in allerlei onaangename ontwikkelingen. En dan volgt er ook nog een totaal onverwachte liefdesaffaire.

     

    Schuilen in stijl
    Auteur: Leavitt David
    Uitgeverij: De Harmonie

    DODE MEISJES

    Door de coronacrisis is het geweld tegen vrouwen en meisjes wereldwijd toegenomen, meldden de Verenigde Naties vorig jaar. Volgens het online magazine One World sterft in Nederland elke tien dagen een vrouw door huiselijk geweld, waarmee we het slechter doen dan de zogenaamde macholanden. En De Groene Amsterdammer berichtte in maart jongstleden dat vrouwen in de politiek hatelijke en agressieve tweets ontvangen over hun stem, lichaam, religie of huidskleur. Misogynie en frustraties van (meestal) mannen komen steeds vaker naar buiten. Femicide (of feminicide) is een woord dat wereldwijd ingeburgerd begint te raken. Ook de Argentijnse schrijfster en intellectueel Selva Almada (1973) gebruikt het in haar boek Dode meisjes. Het verscheen in 2014, het jaar waarin in Argentinië tientallen vrouwen werden vermoord. Die lijst heeft Almada opgenomen in haar boek dat nu in een Nederlandse vertaling is uitgebracht door Uitgeverij Vleugels. Centraal staan drie ongestraft gebleven vrouwenmoorden uit de jaren tachtig die plaatsvonden in het Argentijnse binnenland. Op realistische en tegelijkertijd poëtische wijze combineert Almada de onderzochte feiten van de moorden en het dagelijks geweld tegen vrouwen met persoonlijke teksten en verhalende fragmenten.

    DODE MEISJES
    Auteur: Almada, S.

    Tot het water stijgt

    Op Guadeloupe wordt de Malinese arts Babakar geroepen bij een overledene en een pasgeboren baby. De bij de bevalling overleden vrouw  was een Haïtiaanse vluchtelinge. Wie moet er nu voor het kind zorgen? Babakar besluit haar mee te nemen, want ‘zijn kind, waar hij tevergeefs naar had gezocht, werd hem hiermee teruggegeven,’ zo weet hij zeker. De ook bij het overlijden geroepen directeur van de gemeenteschool ziet dat anders. ”We zijn hier niet… in Darfur!’ protesteerde de ander beledigd, alsof de kwestie zijn eer aantastte. ‘We zijn op Guadeloupe. Zo gaan de dingen hier niet! Guadeloupe is net zoiets als Frankrijk. We hebben wetten. Je adopteert een kind niet zomaar. Je doet een aanvraag, je wordt op een lijst gezet, je wacht op je beurt.”
    Babakar vindt dat het kind, dat hij Anaïs heeft genoemd, recht heeft op echte familie en gaat samen met goede vriend Movar naar hen op zoek in het door politieke chaos overheerste Haïti. Onderweg ontmoeten ze de Libanese kok Fouad. Afrika, de Antillen en Haïti komen samen in de onverbrekelijke vriendschap die de drie mannen sluiten.
    Schrijfster, hoogleraar en pleitbezorger van het Panafrikanisme Maryse Condé (1937) won in 2018 na een publiekspeiling de alternatieve Nobelprijs voor Literatuur, die dat jaar door interne problemen niet werd uitgereikt. Ze heeft tientallen boeken op haar naam staan.

    Tot het water stijgt
    Auteur: Maryse Condé
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando
  • Een uitbundige stoet van dromen, visioenen en nachtmerries

    Een uitbundige stoet van dromen, visioenen en nachtmerries

    In dromen kan alles, de wetten van de logica gelden niet en de realiteit wordt op z’n kop gezet. Beelden en gebeurtenissen lopen in elkaar over en naar een verklaring hoeft niet te worden gezocht, want die is er niet. Net als in de gedichten in deze bundel waar Bindervoet de wetten van zijn eigen wereld maakt en met woord en beeld speelt. Dat begint al op de voorkant van de bundel, waar in de vreemde titel De droom van eb inkt diervoer de letters van de laatste drie woorden losraken en langzaam door elkaar naar beneden dwarrelen, tot ze weer samenkomen in de naam van de auteur. Ook de drie motto’s die de dichter voor deze bundel koos, gaan over dromen, waarvan de reclameslogan Turning reality into dreams is now in your hands! wel de meest toepasselijke lijkt. 

    In het lange gedicht Theorema – een vreemde titel in een dromenbundel, want een theorema is juist iets dat wel bewezen is – wordt de komst van de dichter aangekondigd, die de realiteit tot een droom zal maken. Hij belooft de wereld te veranderen in een luilekkerland. ‘Luister, kindertjes, / want de dichter komt.’ Via associaties van klanken en citaten wordt de dichter voorgesteld als een magiër, die iedereen een wereld voortovert die hij wenst. Maar het klinkt ook wat dreigend, als het sprookje van de Rattenvanger van Hamelen, die de kinderen meelokt, de berg in, vanwaar ze nooit terugkeren. De ironie die Bindervoet hanteert, maakt het gedicht dubieus, alsof de magiër in werkelijkheid een louche goochelaar is. 

    Spelen met taal

    Hiermee is de toon van de bundel gezet. De dichter speelt met de taal, met de lezer, de typografie, in een uitbundige stoet van dromen, visioenen en nachtmerries. Een fragment uit het gedicht Recept voor een droom laat zien dat dromen en gedichten op dezelfde manier kunnen ontstaan en dat niets is wat het lijkt.

    ‘Dat je een afgehouwen oor tegenkomt
     als bladwijzer
     in een bijbel uit 1747.
     De rest volgt vanzelf –
     je komt ergens waar je
     oorspronkelijk
     niet heen wilde.
     Je vindt niet wat je zocht,
     iets waar je niet naar op zoek was.
     Een geheim.
     Een ander verhaal.
     Iets anders, wat eronder ligt,
     onder het object van verlangen.
     Vrijheid.
     Een proces.
     Een vloeiende situatie
     die je blindelings aanvaardt,
     zonder morren,
     zonder vragen te stellen,
     probleemloos.’

    Dronken feestgangers

    Terwijl dit gedicht nog tamelijk eenvoudig en ingetogen is, zijn de meeste gedichten uitbundig en luidruchtig als dronken feestgangers. Van alle kanten spat het plezier van de gedichten af. Dat begint al met de titels: Icarus achter de kinderwagen, Krentenbollen en kadavers en Yankee phone home. Ook zitten er talloze verwijzingen in naar bestaande en fictieve personen en kunstwerken. Franz Kafka, Paul van Ostaijen, Salvador Dali: ze hebben allemaal op de een of andere manier een bijdrage geleverd aan de dromen die beschreven worden. Bindervoet beweegt zich in de taal als een kind in een speeltuin: vrolijk, speels en volstrekt eigenzinnig. Het procedé dat hij gebruikt, is ook te vinden in Finnegan’s Wake van James Joyce, dat door Bindervoet samen met Robbert-Jan Henkes vertaald werd: een bewustzijnsstroom van chaotische, op het oog ongestructureerde en verwarrende ellenlange zinnen, met woordgrapjes, opsommingen, herhalingen en absurde voorstellingen. Het heeft geen zin om te proberen overal een betekenis aan te hechten; beter is het om je te laten meedrijven met de stroom van woorden en beelden die Bindervoet over je uitstort.

    Zoals niet alle dromen betekenisvol zijn, heeft de dichter ook kolderieke gedichten opgenomen die niet meer lijken te zijn dan een spel met klanken. Het gedicht Slaapliedjes is niet meer dan dat, een kinderrijmpje louter om het plezier van de nonsens, zoals Lewis Carroll ze schreef. Een van de strofen luidt, ‘Hypnos en Thanatos / Dat waren kannibalen / De ene vrat rinoceros, /De ander stoomgemalen’

    Oneindige variatie

    Hypnos en Thanatos zijn in de Griekse mythologie tweelingbroers en de personificatie van Slaap en Dood, maar behalve de titel van het gedicht is er weinig dat daarnaar verwijst. In het lange gedicht De bal, een odyssee over een voetbalwedstrijd zijn delen van woorden, letters en cijfers dan weer vet gedrukt, dan weer cursief, worden hoofdletters te pas en te onpas gebruikt en klinken woorden als POK, DOEF, TSJAK in navolging van Homerus:

    ‘zoals een oude bard het ooit verwoordde,
     zelf van het kijken met blindheid geslagen,
     zodat hij van klanken woorden maken moest,
     de tekeningen van de branding op het
     strand verbeeldend: siesoe, strss, rtsieurutss, oos!’

    Bindervoet heeft een oneindige variatie aangebracht, niet alleen binnen de gedichten, maar ook in de keuze van de gedichten, waarbij steeds het droomthema terugkeert. Soms is dat geforceerd, zoals in het gedicht terugkerende droom, waarvan alle acht de strofen hetzelfde zijn: ‘ik zat in het café / waar ik altijd kom / en er was iets normaals aan de hand:’
    Dit gedicht keert in een enigszins gewijzigde vorm terug in de bundel onder de titel terugkerende droom (2), ditmaal met acht keer de strofe: ‘ik zat in een café / waar ik nooit kom / en er was iets vreemds aan de hand’

    Een aparte afdeling vormen de twaalf haiku’s die in het Engels geschreven zijn onder de titel Dublin Dreamorama. In haiku IV (Ely Place) ziet Bindervoet kans om zowel aan de Beatles als de Rolling Stones te refereren: Soft morning city / chill, after a hard day’s night: / A red door, ajar.’ De droom van eb inkt diervoer is een bundel om met eenzelfde plezier te lezen als waarmee hij geschreven is.