• Zo vrij als een vrouw kan zijn

    Wereldbekend is Het Lam Gods, het vijftiende-eeuwse altaarstuk van twaalf panelen in het Sint-Bataafskathedraal in Gent. In de roman Margriete licht Kathleen Vereecken, ook zelf Gentenaar, de ontstaansgeschiedenis ervan toe. Tegelijk is de roman een fraai tijdsbeeld. Zoals ook in haar andere historische romans kiest Vereecken ook nu het perspectief van degenen die niet in het centrum van de macht liggen: vrouwen, in het bijzonder Margriete, de evenzo schilderende zus van de drie schilderbroers Van Eyck. Het maakt niet uit welke bron je opslaat, vrijwel altijd staat het altaarstuk op naam van Jan, de meest bekende van de broers. In werkelijkheid was het Hubrecht, de oudste broer, die de opdracht kreeg van de Gentse koopman Joos Vijt. Uiteindelijk werkten alle vier Van Eycks eraan, samen en apart. Haast en passant werpt Vereecken het interessante idee op dat Margriete misschien wel een beslissende rol had bij de keuze van sommige van de afgebeelde personages en bepaalde composities van de panelen. Haar levendige profielschets van een jonge vrouw, die alles gaf voor de kunst, maakt dat dit idee zelfs aannemelijk overkomt.

    Maagd

    Over Margriete is weinig bekend, alleen dat ze schilderde en als maagd is overleden. Ze leest Christine de Pizan en Hildegard van Bingen en deelt hun ideeën over het vrome leven en de beperkte mogelijkheden die vrouwen hebben. Maagd blijven betekende dat een vrouw beter in staat was haar talenten te ontwikkelen, en dus ook afzag van trouwen en voor een gezin zorgen. Als Margriete in het kielzog van de veel oudere Hubrecht naar Gent komt, maakt ze kennis met vrouwen die ieder voor zich hun eigen weg hebben gekozen. Zo is er Lysette, de vrouw van Joos Vijt, die een goedburgerlijk, maar beperkt leven lijdt. Er zijn de nonnen, met name de jonge Mayken, een voormalige prostituee, die in het klooster is gegaan om boete te doen voor haar zonden.

    Vereecken beschrijft Maykens verval in wat in moderne ogen godsdienstwaanzin lijkt: ze maakt het leven zich letterlijk onmogelijk door een extreme vorm van ascese. Uiteindelijk sterft ze als gevolg van de honger. Vanuit het middeleeuws perspectief is het een welkome dood, want dood betekende bevrijding van het aardse leven, dat gezien werd als een kwelling. Ook Margriete en de vrouwen om haar heen bidden uitvoerig. Margriete gelooft, maar ze strijdt ook om zelfstandigheid. Daarom slaat ze mannen die haar begeren af, ondanks dat ook zij hen begeert. Want: ‘De beslissing maagd te blijven kan haar bevrijden. Zo vrij mogen blijven als ze nu is, zo vrij als een vrouw maar vrij kan zijn. Vrij en gerespecteerd.’

    Kunst boven alles

    Vrij zijn betekent voor haar ook de vrijheid om te komen en gaan zoals ze zelf wil. Vereecken laat Margriete door Gent verdwalen. Ze wandelt zonder doel en het liefst zonder een chaperon, wat haar van alle kanten wordt afgeraden en bij wijlen onmogelijk gemaakt wordt.
    Zo leert ze in het Begijnhof de kruidengenezeres en vroedvrouw Catelijne kennen. Ondanks hun leeftijdsverschil begrijpen ze elkaar naadloos. Catelijne leeft als Begijn, als een vrome, zelfstandige vrouw, die haar werk als genezeres en vroedvrouw serieus neemt. Dat komt nog het dichtst bij Margrietes eigen ambities.

    Als vrouw schildert ze aanvankelijk miniaturen, maar als haar broers zich bekwamen in het schilderen van grote panelen, leert ze vanuit de zijlijn mee. In Gent is het de bedoeling dat ze in het scriptorium van het klooster gebedenboeken kopieert – de drukpers is immers lang nog niet gevonden – en met miniaturen verlucht. Na een tijdje begint ze te werken in Hubrechts atelier. Dat is niet niks, want Hubrecht staat bekend om zijn vakmanschap. Ook Margriete oogst aanzien als schilderes. Zo krijgt ze bezoek van Margaretha van Bourgondië die door haar een kostbaar manuscript wil laten illustreren. Tegelijk beginnen Hubrecht en andere schilders te werken aan Het Lam Gods, dat een groot en belangrijk werk is, waarvoor ze alle tijd nemen. Als Hubrecht ziek wordt, neemt Margriete de leiding over de schilderwerkplaats, een positie die nog nooit eerder bekleed is door een vrouw.

    Een scherp oog

    Veelzeggend is een scène, waarin Margriete samen met Jan en een andere schilder naar de schetsen voor de panelen staat te kijken. Haar valt het op dat er alleen maar mannen op zijn afgebeeld. De mannen menen dat het er niet toe doet, want het gaat om de symboliek, en mannen die meer in het openbare leven verkeren, zijn de dragers van symbolen als moed en rechtvaardigheid. Margriete is niet overtuigd, en ze werpt ertegenin dat mannen uiteindelijk misschien wel ijdeler zijn dan vrouwen. Haar broer lacht: ‘Wat is toch misgelopen in jouw opvoeding?’ Margriete: ‘Ik had broers om me heen die me als hun gelijke behandelden.’

    Het is alsof Vereecken met een penseel in de hand schrijft, zo nauwkeurig, treffend en origineel is de manier waarop ze beschrijft wat Margriete ziet als ze door Gent loopt, de bloemen en planten in Catelijnes tuin bestudeert of haar broers aan het werk observeert. Over de ogen van het ‘volmaakte lam’ dat Jan tekent, twijfelt Margriete. Volgens haar kloppen die niet. ‘Ze zegt het voorzichtig, beschroomd bijna. En niet eerder dan wanneer de knapen en schilders naar huis zijn,’ noteert Vereecken. Jan en Margriete bespreken de tekening, en uiteindelijk geeft Jan zijn zus gelijk. Iets van dezelfde ingehouden manier zit in Vereeckens schrijven. Ze dringt de lezer niets op, maar schrijft heel beknopt en precies het leven dat ze haar Margriete ziet leiden. Er zit geen woord teveel in, er mist niets.

     

  • Oogst week 49 – 2022

    Veen, dras, moeras

    Voorin in het boek Veen, dras, moeras heeft Annie Proulx de volgende opdracht opgenomen:

    ‘Dit bescheiden boek is opgedragen aan de inwoners van Ecuador, die ervoor zorgden dat hun land als eerste ter wereld rechten voor natuurlijke ecosystemen in de grond- wet heeft opgenomen. De recente rechterlijke uitspraak dat Los Cedros, het nevelwoud in de Andes, tegen de mijnbouwbedrijven moet worden beschermd, betekent een mijlpaal voor de wereld.’

    De urgentie van dit boek (oorspronkelijke titel Fen, Bog & Swamp) blijkt mogelijk uit het snelle verschijnen van de Nederlandse vertaling; beiden titels verschenen in 2022.
    In Veen, dras, moeras documenteert Proulx de lang onbegrepen rol van de belangrijkste veengebieden bij het redden van de planeet. Veen, drassen, moerassen en mariene estuaria zijn blijkbaar de meest wenselijke en betrouwbare hulpbronnen van de aarde. Proulx beschrijft de geschiedenis en toont de vennen van het 16e-eeuwse Engeland tot de laaglanden van de Hudsonbaai in Canada, het Russische Great Vasyugan Mire, het Amerikaanse Okeefenokee National Wildlife Refuge en de 19e-eeuwse ontdekkingsreizigers die begonnen met de vernietiging van het Amazoneregenwoud.
    The Guardian noemde Veen, dras, moeras ‘Een krachtige aanklacht in prachtig proza tegen onze medeplichtigheid aan de vernietiging van het milieu.’

    De inmiddels 87-jarige Annie Proulx werd bij het grote publiek vooral bekend door (de verfilmingen van) Scheepsberichten en Brokeback Mountain.

    Veen, dras, moeras
    Auteur: Annie Proulx
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2022)

    Uitwissing

    Uit het postuum gevonden manuscript van Thomas Bernard (1931-1989) van zijn eerste, grotendeels autobiografische roman komt een pessimistische, eenzame verbitterde auteur naar voren. Bernard hield tijdens zijn leven de publicatie van dit boek zelf tegen.
    Zijn latere werk getuigt ook van somberte, afkeer van de medemens en van zijn walging voor zijn Oostenrijkse vaderland. Hij werd er tegen wil en dank een succesvoll auteur, hoewel hij kort voor zijn dood nog enorme ophef veroorzaakte. In een toneelstuk beweerde hij o.a. dat Oostenrijk sinds de Tweede Wereldoorlog nog niet veranderd was ten opzichte van de tijd van het fascisme. 

    In Uitwissing, zijn laatste grote prozawerk, staat de vraag centraal of een mens in staat is zich te ontdoen van datgene waar hij zich door zijn afkomst mee belast weet. Deze roman verscheen in 1986, onder de titel Auslöschung. Ein Zerfall, drie jaar voor zijn dood.
    De hoofdpersoon uit Uitwissing worstelt met een ‘Herkunftskomplex’ en wil kost wat kost afstand doen van en afrekenen met zijn achtergrond. In Uitwissing zegt hij:
    ‘Het enige dat ik al definitief in mijn hoofd heb, […] is de titel Uitwissing, want mijn verslag is er alleen maar voor bedoeld om wat erin beschreven wordt uit te wissen, alles uit te wissen wat ik onder Wolfsegg versta, en alles wat Wolfsegg is, alles, […] inderdaad werkelijk alles.’

    Wolfsegg was het landgoed van de schatrijke familie van de hoofdpersoon in Opper-Oostenrijk.

    Uitwissing
    Auteur: Thomas Bernard
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer (2022)

    Bob

    Vorige maand is bij uitgeverij Querido de vertaling verschenen van Bob en ik van de succesvolle Deense schrijfster Helle Helle (1965).
    In alle stukken die over Helle verschijnen staat iets over de manier waarop zij het gewone van alledag behandelt en beschrijft.
    Ook hier op Literair Nederland. In 2015 bijvoorbeeld in een recensie over Als je wilt schrijft Huub Bartman: ‘Het is fascinerend te zien dat het centrale thema van het boek heel realistisch wordt beschreven juist door de zeer gedetailleerde beschrijvingen van Helle Helle van doodgewone kleinigheden die schijnbaar niet ter zake doende zijn. Het wordt op deze wijze ontdaan van alle romantiek en dramatiek. Het wordt heel doodgewoon, heel ordinair en daarin schuilt misschien wel het echte drama.’

    In Bob en ik komen we alleen te weten over Bob, over de ik krijgt de lezer niet anders te horen dan via Bob. Het stel is net verhuisd, Bob wil wel studeren maar weet niet wat. Wat hij wel weet is dat hij samen wil blijven met de ik en mogelijk ooit ook een gezin met haar wil stichten.

    In 2012 verscheen hier op Literair Nederland ook een recensie over haar boek Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden, waarvoor ze de De Gyldne Laurbær ontving. Deze prijs wordt jaarlijks uitgereikt door de Vereniging van Deense Boekhandelaren.

    Bob
    Auteur: Helle Helle
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2022)
  • Vrijheid, gelijkheid, broederschap

    Vrijheid, gelijkheid, broederschap

    Pramoedya Ananta Toer (1925 – 2006) is een bewonderde Indonesische schrijver, en was ook zeer productief. Hij maakte een paar keer kans op de Nobelprijs voor de Literatuur en met name zijn tetralogie -waarvan Kind van alle volken (oorspronkelijk verschenen in 1981) het tweede deel vormt- heeft hem beroemd gemaakt en zijn naam als verdediger van een onafhankelijk en vrij Indonesië gevestigd. Het is dus logisch dat Pramoedya al zijn boeken in het Indonesisch heeft geschreven en niet in zijn moedertaal Javaans, wat slechts een deel van zijn doelgroep zou aanspreken, of in het Nederlands, dat juist de taal van de onderdrukker was. Zo wordt de meedogenloze uitbuiting door het koloniale systeem, dat de mens -onderdrukker of onderdrukte- van zijn waardigheid berooft, een thema dat verder strekt dan één enkel land, volk of tijdperk en dat voor Pramoedya steeds opnieuw aan de kaak gesteld moet worden. Zijn hele oeuvre is een aanklacht hiertegen en -in navolging van de Franse Revolutie, die hij veelvuldig aanvoert- een aansporing tot desnoods gewelddadig verzet om bevrijding van de onderdrukkers te bereiken.

    Pamflet

    Kind van alle volken is het verhaal van Minke, een Javaanse jongeman van adellijke komaf, die langzaamaan loskomt van zijn traditionele, feodale omgeving en steeds bewuster wordt van de funeste impact van het koloniale regime en van de noodzaak om zich daartegen te verzetten.

    Hij beschrijft het lot van zijn familie en -in het verlengde daarvan- dat van zijn land in het verre en nabije verleden en krijgt daardoor geleidelijk meer vat op de geschiedenis van zijn land. Hij wil zijn land begrijpen, reden om als journalist bij de plaatselijke krant te gaan werken, maar ook om in zijn naasten leermeesters te zien die  hem de weg kunnen wijzen. Hij bevraagt ze onvermoeibaar en zij beleren hem graag. Deze passages doen dan ook vaak pamflet-achtig aan. Voor Pramoedya zijn deze lange voordrachten foefjes om Minke, maar vooral ook de lezer, veel uit te leggen. Gaandeweg dringen de inzichten bij Minke door en gaat hij inzien dat schrijven in het Maleis inderdaad de manier is om de onderdrukten te bereiken en dat de traditionele Indische klassenmaatschappij overheersing en dus kolonialisme vergemakkelijkt: ‘als je zelf geen schoenen aan had, dan ging je geen gesprek aan met iemand die ze wel droeg’. Hij krijgt ook in de gaten op welke slinkse wijze de Javaanse boer uitgebuit wordt en dat idealen die hij in zijn artikelen wil doorgeven niet alleen strijdbaar moeten zijn maar ook hoop moeten geven. Hij neemt als een spons alle kennis over landen en culturen in zich op, waarmee hij vervolgens als ‘ kind van alle volken’, al schrijvend ‘het leven inhoud [kan] geven’.

    Wajangverhalen

    Als lezer volg je het tastende proces van de hoofdpersoon naar meer begrip en kennis. Pramoedya slaat daarvoor nogal wat zijpaden in. Een illustratief voorbeeld van zo’n curieus dwaalspoor is het verhaal over de vélocipède: bereden door vrouwen leidt dit verschijnsel bij de mannen ‘tot zondige gedachten en ongelukken!’ Vervolgens komt er een bespiegeling over de moderne tijd:

    ‘Ach de moderne tijd! Waar bleven haar zegeningen? De erfenis van het verleden was nog niet uitgesleten; de inlander was inferieur  ten opzichte van de Europeaan en werd als zodanig onderdrukt. De Europeanen waren onderling verdeeld: de ene liberaal bevocht de andere, de liberaal bestreed de niet-liberaal en nu was er de emancipatie: vrouw versus man. Was dát de moderne tijd, de heerschappij van het kapitaal? Machines en uitvindingen brachten geen soelaas. De mens blijft dezelfde; een gecompliceerd wezen, speelbal van zijn eeuwige aspiraties, net als in oeroude wajangverhalen.’

    Het effect is dat door de compilatie van ongelijksoortige vertellingen de grote lijn verloren gaat.  Niet eens zo zeer de naïviteit van de hoofdpersoon gaat storen – het is tenslotte een jongeman die zijn uiterste best doet de wereld om zich heen te begrijpen – maar Pramoedya ’s extreem uitvoerige en daardoor incoherente manier van vertellen maakt dat het verhaal vaart en samenhang mist.
    Er wordt bij voorbeeld een zes bladzijden lang epistel geciteerd, dat ingeleid wordt met de woorden ‘de brief ging ongeveer als volgt’. Onwaarschijnlijk gedetailleerde dagboekaantekeningen en brieven wisselen elkaar af met nauwkeurige beschrijvingen à la geschiedenisboeken of redevoeringen van personages die wijze lessen geven.

    Voorbij het universele

    Hoewel de schrijver meer dan 350 bladzijden aan het woord is en decors, gebeurtenissen, gesprekken en gedachtes zeer precies beschrijft, komt die informatie erg moeizaam aan bij de lezer en blijft in ieder geval niet hangen. Voor een deel zal dat liggen aan Pramoedya’s breedsprakige en plechtstatige manier van verwoorden. Maar misschien komt het ook doordat het boek veel voorkennis van en affiniteit met de beschreven vervlogen tijden en plaatsen veronderstelt, kennis die wellicht bij de huidige lezer niet (meer) vanzelfsprekend aanwezig is. Pramoedya schrijft vanuit het perspectief van de ingewijde, die, zo zou je kunnen vrezen, aan het uitsterven is. De idealen die Pramoedya verdedigt -vrijheid, gelijkheid, broederschap – zijn universeel. Daarin schuilt de waarde van zijn werk. De manier waarop hij deze thematiek echter verwoordt is inmiddels hopeloos achterhaald.

     

  • Berlijn is vrijheid

    Berlijn is vrijheid

    De Netflix-serie Unorthodox over een jonge vrouw die zich van haar strenggelovige Joodse gemeenschap losmaakt werd in 2020 een wereldwijde hit. De serie is gebaseerd op de gelijknamige bestseller Onorthodox van Deborah Feldman (1986), waarin ze haar eigen levensverhaal vertelt tot het punt waarop ze de chassidische gemeenschap van haar jeugd de rug heeft gekeerd. Dat verhaal vervolgt ze in Exodus.

    Feldmans tweede boek is nauw verweven met het succes van Onorthodox. Kort na het verschijnen ervan in 2012 werd ze door haar uitgever gevraagd om een vervolg. In de toelichting vooraf vertelt ze over de spagaat waarin ze terecht kwam: de uitgever wilde een typisch Amerikaans verhaal over individuele bevrijding waarin velen zich zouden kunnen herkennen. ‘Amerikanen willen over zichzelf lezen, hield mijn uitgever vol. Jij vertegenwoordigt de American dream, schrijf daarover!’ Feldman zelf zat op een ander spoor. Ze voelde zich allesbehalve Amerikaans, opgegroeid als ze was ‘in een wereld die leek op een achttiende-eeuwse Europese sjetl’, met een andere taal, normen en regels. Maar ze was jong en onervaren en ging aanvankelijk akkoord met de vereisten van de uitgever. Pas na de overweldigende populariteit van de serie herschreef ze het boek. De Nederlandse vertaling is van deze nieuwe versie.

    Een eigen leven

    Lezers van Onorthodox komen in Exodus veel al bekende gebeurtenissen en anekdoten tegen, maar anders dan in haar eerste boek, schrijft Feldman dit keer geen chronologisch verhaal. Het is haar te doen om haar relatie tot de gedachtewereld waarmee ze opgegroeid is, de motieven en de geschiedenis ervan. Daarvan doet ze verslag met een innemende openheid, soms misschien net iets te gedetailleerd, maar haar verhaal is bijzonder genoeg waardoor dat niet storend is. Om zichzelf beter te begrijpen kijkt ze terug naar haar kindertijd en jeugd in de orthodox-Joodse wijk Williamsburg in Brooklyn, New York. Als dochter van een moeder die de gemeenschap – en haar – heeft verlaten en een vader met psychische beperkingen groeit ze op bij haar grootouders.

    In Exodus wil ze weten wie ze werkelijk is, een behoefte die gegeven is door haar opgroeien volgens een strak stelsel van normen en waarden die ze als feit moest aannemen. Volgzaamheid aan de leer van de Satmar-rabbijn gold als een absoluut vereiste. Vragen kon ze als meisje niet stellen, want in de streng patriarchale gemeenschap was haar rol te gehoorzamen en zich voor te bereiden op het huwelijk en een groot gezin. Van enig plezier aan het leven kon geen sprake zijn. Volgens de Satmar-stroming van het chassidisme leven de Joden na de holocaust in een post-apocalyptische tijd, wachtend op het definitieve einde en moeten ze zich lijdzaam onderwerpen aan hun positie als buitenstaander en zich zo ver mogelijk houden van de maatschappij.

    Van die patriarchale eindtijdswereldbeschouwing maakt Feldman zich beetje bij beetje vrij. Haar eerste stap is seculier onderwijs volgen, in het Engels. In de Satmar-gemeenschap is onderwijs aan meisjes beperkt, en uiteraard in het Jiddish. Als prille twintiger lukt het haar naar een college voor vrouwen te gaan, terwijl ze tegelijk een baby en een huishouden heeft om voor te zorgen. Daar maakt ze systematischer kennis met literatuur dan haar eerder gelukt was tijdens de stiekeme bezoeken aan de bibliotheek, toen ze nog bij haar grootouders woonde. Maar vooral ontmoet ze mensen die een volledig andere achtergrond hebben dan zij, en komt ze op het idee om een anonieme blog te beginnen over haar leven als chassidische vrouw. Dat blog krijgt rap bekendheid en leidt uiteindelijk tot Onorthodox.

    Ze laat Williamsburg achter zich en gaat alleen wonen, samen met haar jonge zoon. Eindelijk is ze onzichtbaar, een gegeven waar Feldman dubbel tegenover staat. Aan de ene kant is ze verlost van de, tot op het detail voorgeschreven kledingcode die haar overal herkenbaar chassidisch maakte, aan de andere kant is ze volledig alleen. Ze kent niemand, ze heeft alleen haar zoon aan wie ze zo snel mogelijk Engels leert, zodat hij zich leert redden in de maatschappij en een kind kan zijn zoals andere kinderen.

    Sporen zoeken

    Ze is als zeventienjarige getrouwd en heeft op achttienjarige leeftijd haar zoon gekregen. Als ze scheidt, treft ze een regeling met haar echtgenoot en aarzelt niet om aan een nieuw leven te beginnen. Toch wordt ze gekweld door haar achtergrond. Ze is angstig, schrikt van het minste of geringste en weet niet goed hoe gelukkig te zijn, ondanks dat ze daar nu de vrijheid voor heeft. Ze wordt achterna gezeten door haar familiegeschiedenis, vooral door wat ze er niet over weet. Zo reist ze naar Europa op zoek naar haar vooroorlogse wortels, genietend van de vrijheid te gaan waar ze heen wil en met wie ze wil. In het voorbijgaan denkt ze aan haar ex-man, die in zijn jonge jaren door Europa reisde om graven van beroemde rabbijnen te bezoeken. Zo niet Feldman: ze wordt verliefd, knoopt nieuwe vriendschappen aan, leert niet-koosjer te eten en leeft volop.

    Hoewel ze geen deel meer uitmaakt van de chassidische gemeenschap, blijft het Jodendom deel van haar identiteit. Nagenoeg de hele familie van haar grootouders is in de Tweede Wereldoorlog vermoord. Hun herkomst is weggeveegd, er is vrijwel niets meer over van de sjetls waarin ze opgegroeid zijn. Feldmans grootmoeder komt uit Hongarije, en na veel zoeken lukt het haar de graven van haar voorouders daar terug te vinden, hoe onvoorstelbaar ook. Een nog grotere verrassing wacht haar later in Duitsland, waar ze het geboortebewijs van haar overgrootvader naspeurt. Zij, die altijd aangenomen heeft wat haar verteld werd over haar gegarandeerd volledig Joodse herkomst, ervaart met een shock dat de waarheid veel ingewikkelder ligt.

    Thuis

    Tegen die tijd is ze naar Berlijn verhuisd. Jammer dat de Nederlandse uitgever de treffende ondertitel van de Engelse editie, ‘My unorthodox journey to Berlin’, niet heeft behouden, want om die reis is het Feldman te doen. Berlijn, schrijft ze, is de enige stad waar ze zich helemaal thuis kan voelen – een keus die haar vrienden met verbijstering achterlaat. ‘Hoe kun je daar als Jood gaan wonen?’ vraagt haar homoseksuele Joodse vriend, die zelf met zijn echtgenoot New York heeft geruild voor een wit, protestants plaatsje in New England. Of hij dacht dat de lokale gemeenschap hen met open armen zou ontvangen, merkt Feldman op met veel gevoel voor understatement. De ironie wil dat zij in Berlijn ook nog eens terecht komt in Neukölln, een wijk waar het gros van de bewoners een Arabische achtergrond heeft. Maar ze overwint haar aanvankelijke onzekerheid en leert de buurt kennen. Ze merkt dat er veel nieuwkomers zijn zoals zij. Voor het eerst heeft ze het gevoel dat ze ergens past.

    Als Feldman met Exodus iets duidelijk maakt, dan vooral dat er een ‘weg uit’ is ook als het onwaarschijnlijk lijkt. Het vereist geen speciale moed of ander bijzondere eigenschap, legt ze uit, alleen onverdraaglijke wanhoop. Het illustere voorbeeld is veelzeggend in zijn eenvoud: Feldman, net in Berlijn, wil haar niet-Duitssprekende zoon op een tweetalige school inschrijven, zodat hij zich minder verloren voelt in de nieuwe omgeving. Dat gaat niet zomaar, krijgt ze te horen. Er is een wachtlijst van twee jaar. Ze doet nuchter verslag: ‘Ik ging er elke dag heen en bleef voor het kantoor wachten tot ze mijn aanvraagformulier innamen. Daarna belde ik drie weken elke dag op om te zien hoe de zaak ervoor stond.’ Als lezer raad je al de ontknoping. Ze kan haar zoon de volgende maandag brengen.

     

  • Een warrige zoektocht

    Een warrige zoektocht

    Alfred Birney is schrijver van De tolk van Java, de winnaar van de Libris Literatuur Prijs 2017 en van de Henriette Roland Holst-prijs van dat jaar. Voor die tijd was hij een schrijver die maar matig werd gelezen. Na het winnen van de prijzen werden er een aantal boeken op de markt gebracht of heruitgegeven. Eind 2020 verscheen De drie rivieren, een bundeling van drie al wat oudere novellen die eerder los van elkaar en in 2017 eerder gebundeld onder de titel De rivieren zijn uitgegeven

    Ze hebben een gemeenschappelijk thema: de ik, meneer B., gaat op zoek naar zijn afkomst waarbij steeds de vraag speelt hoe hij door anderen wordt gezien: als Indiër, als Indonesiër, als Nederlander, als blanke en vooral: hoe ziet hij zichzelf en hoe is hij geworden wat en wie hij is.
    Uit De tolk van Java weten we dat Birney een beroerde jeugd en opvoeding heeft gehad met een zeer gewelddadige vader, een onmachtige moeder en pleeggezinnen. Ook in de drie novellen komen deze thema’s bovendrijven. Als titel hebben ze de naam van drie rivieren. 

    De Lossie 

    De eerste is de rivier de Lossie in Schotland. Meneer B., de ik in de gedaante van een Nederlandse gitarist met een Europees-Aziatische achtergrond, gaat op zoek naar een tak van zijn voorouders (de Birnies) om te achterhalen wat er in die familie gebeurd is, hoe zijn grootvader en zijn vader geworden zijn wie ze waren. Hij ontmoet een geheimzinnige vrouw die hem doet denken aan een personage uit een ballade van Donovan (de Chestnut Lady). Hier beginnen verbeelding en werkelijkheid door elkaar te lopen.
    In deze novelle wordt de geschiedenis van Schotland gekoppeld aan die van de familie, maar het wordt niet duidelijk wat historisch klopt en wat de schrijver erbij fantaseert. Het lijkt erop dat hij erg naar zichzelf toe redeneert over de positieve en negatieve aspecten van zijn potentiële voorgeslacht. Bovendien worden er wel erg veel feiten, data en jaartallen opgesomd.
    Met de geheimzinnige dame uit de stad waar meneer B. verblijft, gaat hij op zoek naar het plaatsje Birnie, waar zijn voorouders mogelijk vandaan zijn gekomen. Onderweg beleeft hij een seksueel avontuurtje met de vrouw, van wie hij in eerste instantie denkt dat ze gek is.      

    De IJssel

    In de tweede novelle verblijft meneer B. in Deventer, aan de rivier de IJssel, waar hij zijn blanke dubbelganger ontmoet, (‘mijn diapositief’, tot vervelens toe steeds weer herhaald) die hem heel, heel erg veel warrige informatie over zijn grootouders vertelt. De dubbelganger blijkt een neef te zijn die op zoek is naar zijn grootmoeder die in Deventer gewoond schijnt te hebben. De ik weet niet wat hij daarmee aan moet. Hij had zelf al een beeld van zijn grootouders opgetrokken en dat wordt nu deels onderuit gehaald door de verhalen van zijn neef. En passant wordt er nog verwezen naar de Chestnut Lady bij wie hij mogelijk een kind verwekt heeft.
    Een warrig geheel, deze novelle. Ook hier is niet duidelijk wat er zich daadwerkelijk heeft afgespeeld in het verleden. Het lijkt erop dat de schrijver zelf ook niet uit zijn verhaal komt. Het eindigt met de twee mannen aan de IJssel waar ze hun gesprek afronden en behoorlijk dronken worden.

    De Brantas

    De derde novelle speelt zich af in Jakarta, aan de rivier de Brantas die er met de haren wordt bijgesleept en verder geen functie vervult. ‘Wonen aan een rivier is in Nederland voor de rijken, in Indonesië voor de armen’, schrijft Birney treffend. Ook hier is hij als meneer B. druk bezig met zijn verleden: we krijgen meer over hemzelf te horen, zijn gewelddadige vader, de depressies en psychoses die de schrijver doormaakte, hoe hij in Nederland eerst werd gediscrimineerd en hoe hij daar uiteindelijk, mede door de muziek, een plaats verwierf. Waar hij het meest tegenaan loopt is het feit dat hij niet weet wat hij is: een ‘blanke Indo’ of een ‘Indonesische blanke’. En op deze bedevaart komt hij er ook niet uit. Hij blijft zich de buitenstaander voelen.

    Het is verbazingwekkend dat deze schrijver zoveel lof krijgt toegezwaaid. Stilistisch is het niet sterk wat hij schrijft. Zijn woordkeus is vaak ongelukkig, de verhalen zijn warrig verteld en zitten vol storende herhalingen. Het egodocument of verondersteld egodocument De drie rivieren overstijgt het niveau van private ideeën en gedachten helaas niet.

     

     

  • Oogst week 15 – 2019

    Weldra zal ik onder de guillotine liggen

    Hoewel dit autobiografische verhaal van de van oorsprong Schotse Grace Dalrymple Elliott (1754-1823) door historici niet helemaal geloofwaardig wordt gevonden, – het is zo hier en daar wel erg toevallig en gekleurd -, is het wel ‘een prachtige blik van binnenuit op het gekonkel aan het koninklijk hof en van de intriges in revolutionaire kringen ten tijde van de Franse Revolutie’.

    Zo’n tweehonderd jaar geleden heeft deze courtisane haar memoires geschreven. De Engelse koning George III had haar gevraagd haar belevenissen uit de jaren tussen 1789 en 1794 in Parijs voor hem op te schrijven. Als maîtresse van Louis- Philippe d’Orléans, intrigant en neef van de onthoofde Franse koning Lodewijk XVI, maakte ze de Franse Revolutie van nabij mee. Haar boek is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald.

    Joris Verbeurgt vertaalde haar boek en voorzag het van een inleiding en een uitgebreid register met informatie over tal van personages die erin voorkomen, van adelijken tot aan het  personeel.

    Weldra zal ik onder de guillotine liggen
    Auteur: Joris Verbeurgt
    Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag

    De Chinese Droom

    Jarenlang was Oscar Garschagen correspondent voor het NRC in China.
    De Volksrepubliek China viert op 1 oktober 2019 haar zeventigste verjaardag. Trots wordt gevierd dat het ‘Land van het Midden’ welvarender en machtiger is dan ooit. Onder de strakke regie van partijleider en president Xi Jinping ontstaat een socialistische supermacht met een modern leger en ambitieuze plannen voor nieuwe zijderoutes en hoogtechnologische vernieuwing. In De Chinese droom beschrijft Oscar Garschagen hoe de grootste, bijna honderdjarige Communistische Partij zich voortdurend vernieuwt en brede steun behoudt, zonder democratische hervormingen – de nachtmerries van de armen, de repressie van christenen, minderheden en de media ten spijt.

    De Chinese Droom
    Auteur: Oscar Garschagen
    Uitgeverij: De Geus

    Niemand bleef

    Met Niemand bleef, het Dagboek van Meneer B. legde Alfred Birney volgens de uitgeverij de kiem voor De tolk van Java, het grote succes van Birney uit 2016 waar hij de Libris Literatuur Prijs en de Henriette Roland Holst-prijs mee won.

    ‘”De nacht is mijn vijand als ik slaap, mijn vriend als ik waak.” In 2005 wordt de wereld van Meneer B. kleiner als hij het na een hartinfarct rustig aan moet doen. In dit dagboek mijmert hij tijdens het herstel zonder schroom over voorbije liefdes, muziek maken, het schrijven, de boeken en de schrijvers die hem irriteren of inspireren. Hij fantaseert bij het uitzicht dat hij vanuit zijn flat heeft op vrijmoedige buurvrouwen. Hij maakt zich zorgen over zijn zoon die bij hem woont en zich afsluit. Gaandeweg herwint Meneer B. de lust om te schrijven en hij preludeert op een groots plan.’

    .

     

    Niemand bleef
    Auteur: Alfred Birney
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Coetzee, een filosofisch leesavontuur

    ‘De Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee is vooral bekend als romanschrijver. Wat vele lezers niet weten, is dat zijn werk doordrenkt is van filosofie. Door de thematiek in zijn romans en verwijzingen naar bekende denkers als Jacques Derrida en Michel Foucault, laat Coetzee zien dat hij ook als filosoof een waardevolle gesprekspartner is. In Coetzee, een filosofisch leesavontuur gaat Hans Achterhuis op zoek naar deze filosofie in het werk van Coetzee. In het verlengde van iedere roman ligt een maatschappelijk vraagstuk. Zo koppelt Achterhuis bijvoorbeeld In ongenade aan de MeToo-discussie, Schemerlanden aan onze omgang met het koloniale verleden en Mr. Foe en Mrs. Barton aan de postmodernistische ideeën over de relatie tussen feiten, interpretatie en leugens. Hij geeft niet alleen een introductie in het werk van Coetzee, maar biedt ook nieuwe interpretaties’

    Coetzee, een filosofisch leesavontuur
    Auteur: Hans Achterhuis
    Uitgeverij: Uitgeverij Lemniscaat

    Heimat

    Een bijzondere graphic novel tot slot. Hij is van de Duitse Nora Krug, kunstenaar in New York. Zij leeft al jaren in de Verenigde Staten als zij op zoek gaat naar de oorlogsgeschiedenis van haar familie.

    De uitgeverij: ‘In het schitterende en volkomen originele Heimat graphic novel, familieplakboek en onderzoeksjournalistiek in een – maakt Nora Krug gebruik van brieven, archiefmateriaal, spullen van de vlooienmarkt en foto’s om duidelijk te maken wat het betekent om bij een land te horen en bij een familie.’

    Heimat
    Auteur: Nora Krug
    Uitgeverij: Uitgeverij Balans
  • Deze roman is een fantastische reflectie op het schrijverschap

    Deze roman is een fantastische reflectie op het schrijverschap

    Als de schaduw die verdwijnt van de Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina kadert in een samenwerkingsproject met Creative Europe. Uitgeverij De Geus neemt hiermee deel aan het grootschalige project Reading Europeans: Strengthening Cultural Identity through Literature. Opzet van het project is een betere verstandhouding van de gedeelde Europese identiteit. Door elkaars literatuur te lezen komen de verschillende landen dichter bij elkaar, en dat is ook nodig in een tijd dat de Europese Unie onder druk staat en kampt met grote problemen als vluchtelingenstromen en economische ongelijkheid. Eerder werden al werken uit Engeland, Tsjechië en Zweden uitgegeven.
    Antonio Muñoz Molina is geen onbekende in de Spaanse literatuur.  Zijn debuutroman Winter in Lissabon gooide dertig jaar geleden hoge ogen. Hij ontving verschillende prijzen en onderscheidingen en is niet meer weg te denken uit de Spaanse schrijverswereld.

    Drie verhaallijnen

    Met Als de schaduw die verdwijnt voegt Muñoz Molina een meesterwerk toe aan zijn al indrukwekkende oeuvre. Het is een eigenzinnig verhaal met verschillende verhaallijnen. Hij switcht moeiteloos tussen fictie, memoires en bespiegelingen. Het resultaat is een verbluffend staaltje literatuur. Het uitgangspunt voor zijn roman is de stad Lissabon. Dertig jaar nadat hij er zijn eerste roman schreef, Winter in Lissabon, keert hij er terug. Hij brengt de stad in verband met drie personen. In 1968 was het de plaats waar de moordenaar van Martin Luther King, James Earl Ray, tien dagen onderdook. In 1987 zocht hij zelf er als aankomend schrijver zijn literaire stem en vandaag reflecteert hij op de mogelijkheid om via de roman de wereld door andermans ogen te verbeelden. Muñoz Molina slaagt erin om niet alleen de vlucht, maar ook de aanleiding en de uren voor de moord op Martin Luther King zeer gedetailleerd te reconstrueren. Daarvoor maakt hij gebruik van alle mogelijke informatie die op het web te vinden is. Het hele dossier van James Earl Ray, alle getuigenverhoren en verslagen, zijn namelijk online te raadplegen.

    Hij reisde niet alleen naar Lissabon, maar ook naar Memphis, naar de plaats van de moord. In Lissabon loopt hij in de voetsporen van James Earl Ray en tracht niet alleen diens doortocht in Lisssabon te reconstrueren, maar ook zijn levenswandel, zijn gedachten en gevoelens. Hij tracht de wereld te tonen door de ogen van en in het hoofd van de moordenaar op vlucht. Afwisselend met het verhaal van James Earl Ray herbeleven we ook Muñoz Molina’s zoektocht als beginnend schrijver. Hij worstelde met zijn job als stadsambtenaar, gaf zich vaak over aan alcohol en seks en ontliep de verantwoordelijkheden voor zijn jonge gezin.

    Geschiedenis herleeft

    In het Lissabon van 1987 was hij enkele dagen vrij en leefde er op los. Vandaag denkt hij daar mijmerend, maar ook met enig schaamtegevoel aan terug. Hij is zeker niet trots op zijn vroegere gedrag, waarin hij zich vergeleek  met andere grote schrijvers en alcoholici als Faulkner en Duras. Toch was die periode ook van primordiaal belang voor zijn ontwikkeling tot de schrijver die hij nu is. Deze twee verhaallijnen worden afgewisseld met mijmeringen en bespiegelingen over het schrijverschap en de moeilijkheden om deze roman te schrijven. Want hoe kun je weten wat er in andermans hoofd rondspookt? Muñoz Molina slaagt wonderwel in dat huzarenstukje en lijkt ook parallellen te kunnen trekken tussen de voortvluchtige misdadiger en zijn eigen vlucht als jonge kunstenaar. Op het einde van het boek doet hij een ultieme poging om in het hoofd van Martin Luther King te kruipen. Ook daar komt hij goed mee weg. De lezer krijgt een inkijk in de laatste uren van de vredesactivist en die lijken helemaal niet zo spectaculair als men zou denken. Muñoz Molina schetst Martin Luther King als een mens met zijn eigen gevoelens en gedachten, zijn eigen grote, maar ook kleine kantjes. Kortom, een mens als ieder ander.

    Zinderende stijl

    Het gemak waarmee Muñoz Molina door de tijd springt en de verschillende verhaallijnen laat afwisselen, bewijst zijn grote vakmanschap. Nooit moet de lezer nadenken in welk verhaal hij zich nu bevindt. De zinnen die de schrijver uit zijn pen tovert zijn voorbeelden van extreme virtuositeit. Hoewel er geen enkele dialoog voorkomt in de hele roman, spat de dynamiek van de bladzijden. Zijn beschrijvingen zijn schoolvoorbeelden van hoe echte literatuur er uit moet zien. Ze doen vaak filmisch aan, als in oude zwart-wit films. De lezer moet ermee aan de slag en zal niet nalaten sommige zinnen te herlezen om de juiste intentie, de ware toedracht zeker mee te krijgen. Het resultaat is een fascinerend zelfportret, een inkijk in de hoofden van moordenaar en vermoorde en een fantastische reflectie op het schrijverschap.

     

  • Het stille leven van Klingsor de kunstschilder

    Het stille leven van Klingsor de kunstschilder

    Zwedens grootste verhalenverteller, zo wordt Torgny Lindgren (geen familie van) wel genoemd. Hij is inmiddels 78 jaar en publiceert al vier decennia romans. Zijn vroege werk gaat veelal over sociale structuren die uit balans raken. De roman Het licht (1987) bijvoorbeeld is een klein meesterwerk over een dorp waar de pest toeslaat, waarna de ware aard van de inwoners naar boven komt. In latere jaren maakt Lindgren zijn thema’s steeds kleiner, hij trekt zich terug in de afgelegen gebieden van Zweden waar hij individuen portretteert die de aansluiting met de buitenwereld kwijt zijn. Hierbij komt er meer ruimte voor onderkoelde humor. Wat al die jaren hetzelfde blijft is het glasheldere, nuchter proza van de Zweedse succesauteur.

    What’s in a name?
    Het nieuwste boek van Lindgren draagt oorspronkelijk de titel Klingsor, naar de naam van de hoofdpersoon. Maar daarmee is direct wat merkwaardigs aan de hand. Ten eerste is deze familienaam, die met zoveel trots gedragen wordt, in feite aangenomen of zelfs gestolen. De clan van de Klingsors uit Västerbotten heette eigenlijk doodgewoon Nilsson. Een voorvader kwam de naam Klingsor tegen op een grafsteen toen hij als voetknecht in de strijd tegen Napoleon door Europa trok. Hij besloot dat hij lang genoeg een naam zonder glans of trots had gedragen: ‘Ik zou graag een naam hebben die ik en mijn nakomelingen met waardigheid kunnen dragen, zei de aanstaande Klingsor. Een naam om na te laten. Een naam die de naamloosheid trotseert en overwint. Die het persoonlijke kracht bijzet.’

    Maar er speelt nog iets anders. In het begin van het verhaal geeft de naam Klingsor de hoofdpersoon een zekere anonimiteit. Hij lijkt een onbeduidende figuur binnen zijn geslacht (dat in zichzelf reeds onbeduidend is). Lindgren komt met een korte levensbeschrijving van de overgrootvader op de proppen, en vervolgt: ‘Hij was dus de oude Klingsor, na hem kwam de jonge Klingsor, daarna Klingsor zelf en ten slotte Klingsor, de kunstschilder’. Het is die kunstschilder, de vierde in lijn, over wie het boek gaat. Zo’n zin tekent de toon van Torgny Lindgren, die droog is en fijn-ironisch. Maar het raakt ook meteen aan de belangrijkste thema’s van de roman. Wie is Klingsor? Die vraag wordt op verschillende manieren opgeworpen, van het naamspel dat wordt gespeeld tot de onderliggende zoektocht naar identiteit, zowel op het gebied van het zelfbeeld van de hoofdpersoon als ten aanzien van de perceptie van de buitenwereld.

    Kunstenaar of dilettant
    Klingsor treedt in het begin van het boek eerst uit de schaduw van zijn voorgeslacht. Hij krijgt een soort openbaring over de bezieldheid van materie en zet zich er vanaf dat moment toe om kunstschilder te worden. Meer specifiek schilder van stillevens. Met dat doel volgt hij schriftelijke cursussen tekenen en schilderen. Al snel raakt Klingsor overtuigd van zijn kunstenaarschap. Gedurende zijn verdere leven blijft hij dezelfde doeken keer op keer overschilderen met steeds exact dezelfde taferelen. Het illustreert de zelfgenoegzaamheid van een mens die zich naar binnen keert, niet verder kijkt dan zijn geërfde naam. Stilstand als levensvervulling. Aan het einde van het boek, wanneer Klingsor de enige overgeblevene is van zijn uitstervende naam, slaat alsnog de twijfel toe. Hij probeert zijn kunst en daarmee zichzelf toch nog te ontwikkelen. Dit brengt hem echter in een identiteitscrisis. De anonieme biografen die de vertellers zijn van het boek (vanuit een opvallend wij-perspectief), blijven als enigen tot het einde toe onwankelbaar geloven in de grootheid van Klingsor, de kunstschilder.

    Scherpte en diepte
    Het groene glas is vakkundig in elkaar gestoken en de taal van Torgny Lindgren is, zoals gezegd, heel prettig. Vanuit de kneuterigheid van de personages en de droge schrijfstijl ontstaat humor, die te vergelijken is met die van Arto Paasilinna, een generatiegenoot van Lindgren uit Finland (in Nederland vooral bekend van zijn boek De huilende molenaar). De thematiek zit fraai verpakt in het verhaal zelf en in de personages. Toch overtuigt de roman als geheel niet helemaal, omdat het van alles net te weinig is. Het groene glas is minder komisch dan bijvoorbeeld Norrlands Aquavit en is inhoudelijk niet zo interessant als Het licht. Het boek mist werkelijke diepte en scherpte, en dat is voor een roman over een kunstschilder een tikje teleurstellend.

  • Deeg, vruchten en chocolade

    Deeg, vruchten en chocolade

    Voor Lennart Willoughby, de hoofdpersoon in Suiker, zit het leven aanvankelijk flink tegen. Hij wordt geboren als onwettige zoon van een graaf uit Beieren, August von Schauenstein-Hirschbach, en blijft als bastaard een buitenbeentje in het kasteel van zijn vader. Zijn echte moeder, die als dienstmeid voor de graaf werkt, wordt na Lennarts geboorte ontslagen. Door de pesterijen die Lennart het leven zuur maken, vertrekt hij richting Zwitserland, om daarna vanuit Italië met een vrachtschip mee te kunnen varen naar Engeland, het land van zijn geliefde (stief-)moeder. Alleen zal het zover niet komen. Onderweg leert hij bij toeval een Zwitserse meester-patissier kennen, die hem meeneemt naar Venetië, waar hij Lennart de kneepjes van het banketbakkersvak bijbrengt. Het vertrouwen dat de oude Zuckerbäcker in hem stelt, vergroot Lennarts zelfvertrouwen, en hij gaat op zoek naar ‘het geheim’ van zijn meester, zodat hij diens zaak kan overnemen.

    Eenzame bastaard
    Suiker is de tweede historische roman van Onno Wesseling, die twee jaar geleden debuteerde met De eeuw van Carlos Moreno Amador, over het tragische leven van Italiaanse immigranten in Argentinië aan het begin van de twintigste eeuw. Suiker speelt zich af rond dezelfde periode, maar deze keer is Wesseling dichter bij huis gebleven. Met gevoel voor detail schetst hij de couleur locale van Venetië, inclusief schilderachtige steegjes en rijkversierde maskers. Toch vormen de jaren in het Beierse slot de meest indrukwekkende scènes in het boek. De eenzaamheid van Lennart, die wordt gepest en geïntimideerd door zijn broers en zijn vader, wordt versterkt door de enorme afmetingen van het kasteel, waar hij is weggestopt in een kleine zolderkamer die zover mogelijk van de andere slaapkamers afligt. Lennart vindt troost in de literatuur, die zijn stiefmoeder Amanda Willoughby hem bij kaarslicht voorleest, en in de keuken. Alleen daar voelt Lennart zich veilig en observeert hij hoe gerechten worden klaargemaakt en leest hij boeken met recepten. De manier waarop het keukenpersoneel zich aarzelend over de merkwaardige, verstoten zoon van de graaf ontfermt, is ontroerend en geloofwaardig. Ze hebben immers geen behoefte aan pottenkijkers, maar weten ook (in tegenstelling tot Lennart zelf) dat de jongen bij hen hoort.

    Zoet banket
    De dubbelzinnigheid in het gedrag van de personages en de beklemmende sfeer van het sombere Duitse kasteel, maken in de loop van de roman plaats voor het zonnige Venetië, dat met zijn grachten, kerktorens en pittoreske pleinen het decor vormt voor de verdere ontwikkeling van de onfortuinlijke protagonist. Als talentvolle leerling van de beroemde banketbakker L’Orsa baant hij zich een weg van de spoelkeuken naar het atelier, waar de mooiste en lekkerste creaties van deeg, vruchten en chocolade worden gemaakt. Deze scènes zijn stilistisch niet allemaal even sterk en Wesseling laat door zijn woordkeuze soms weinig aan de verbeelding over.

    Pas bij de poort vond hij Madlaina weer. Met haar schoen probeerde ze een plas braaksel met aarde en bladeren toe te dekken. 

    Op andere momenten doet de plastische beeldspraak afbreuk aan de illusie die Wesseling probeert te creëren.

    De zon was al langs de muren omhoog gekropen en had de kleuren van de stad gestolen, die hij nu uitsmeerde in een palet van geel, roze en rood over de toppen van de kerktorens […]

    Bouwwerk
    Wesseling gaat vakkundig om met uitstel van informatie en cliffhangers aan het einde van een hoofdstuk, waardoor spanning ontstaat. Zo is het lange tijd de vraag of Baci di Cielo, de roemruchtige banketbakkerij waar Lennart werkt, uit handen van de concurrent blijft. Ook is er veel onduidelijkheid over de verdwijning van Lennarts geliefde. Maar de manier waarop Wesseling personages psychologisch uitwerkt, is minder overtuigend. Sommige reacties komen geforceerd en ongeloofwaardig over. Lennarts geliefde, een milde, intelligente en humorvolle vrouw die van avontuur houdt, wordt bijvoorbeeld heel erg boos wanneer ze zichzelf per ongeluk in een verlaten villa opsluit. Lennart kan haar niet meteen helpen, omdat hij haar niet goed hoort. ‘Je bent een sadistische klootzak, Lennart!’ reageert ze later, waarna ze hem slaat. Omdat Lennart geheimen voor zich houdt, komt hij wel vaker in de problemen. Wesseling volstaat met de mededeling dat hij geen slecht mens is, ‘maar alleen bang vanaf zijn eerste uur’.

    Heftige ontknopingen en onverwachte wendingen maken een roman, die toch in eerste instantie wordt gedragen door de personages, er niet per se beter op. Als bouwwerk staat Suiker daarom overeind, maar de architect is nog niet helemaal aan de inrichting en de aankleding toegekomen.

  • Dokter Wouters en de gestolen dildo

    Dokter Wouters en de gestolen dildo

     

    Alles verandert is opgedragen aan John Coetzee, en gebaseerd op diens veelgeprezen roman In ongenade, maar dan gespiegeld: dat wil zeggen de man is vervangen door de vrouw. Iris Verdonck, de vrouw om wie het gaat in deze roman geeft colleges TransSexLit, waarin zij met studenten probeert te beredeneren hoe verschillende romans eruit zouden zien als hun hoofdpersonen een andere sekse zouden hebben.

    Alles verandert, de laatste roman van Kristien Hemmerechts is geen boek dat past in haar zo rijke oeuvre. Was ze in het verleden de feministische en vrijgevochten schrijfster die op de barricaden stond voor de emancipatie van de vrouw, nu lijkt ze zich te verlagen tot een doktersroman. Mooi dat ze Coetzee wil eren, maar je kunt je afvragen of ze dat op deze manier en met deze roman had moeten doen.

    De opzet is vergelijkbaar met die van In ongenade: Iris, een vrijgevochten, gescheiden vrouw met een mooie carrière, een zoon en een dochter, begint een nogal eenzijdige romance met een van haar vrouwelijke studenten, een Poolse. Maar niet nadat ze de deur is gewezen door haar dokter Wouters die stopt met zijn praktijk. Hij en zij hebben een jarenlange, nogal bijzondere, seksuele relatie achter de rug.

    Iris gelooft niet dat dokter Wouters haar zo maar in de steek laat en begint hem te stalken. Hij laat echter niets meer van zich horen.

    Haar seksuele relatie met de studente, nogal expliciet beschreven, komt in de openbaarheid, Iris wordt op de vingers getikt door haar werkgever en op non-actief gezet.

    Ze besluit haar zoon op te zoeken. Deze liep als jongen bij haar weg en heeft ze al die tijd niet bezocht. Hij is beheerder van een landgoed dat gesitueerd is naast een vluchtelingenkamp cq. asielzoekerscentrum. Daar doet de actualiteit haar intrede en daarmee wordt deze roman veel sprekender. Hemmerechts laat merken dat ze zich goed kan inleven in de sentimenten die rondom de vluchtelingenproblematiek een rol spelen. Had ze zich daar maar meer op gericht. Nu gebruikt ze het als nogal exotische achtergrond voor een verhaal waarin seksueel misbruik, gestolen dildo’s  en sterke vrouwen een rol spelen.

    En dan komt het uiteindelijk ook nog bijna goed en lijkt de roman een happy end te krijgen: Iris heeft weer een band met haar zoon, haar dochter dartelt er wat om heen, ze begrijpt Aminia, een van de asielzoekers en rijdt dan, als was ze Lucky Luke op een paard de roman uit. ‘Ze stopt de dildo in haar zak, loopt naar haar paard, draait zich om naar Aminia, geeft haar een laatste kans om te zeggen: neem me mee.’

    Hemmerechts heeft urgentere romans geschreven. Altijd stof tot discussie, altijd bereid tot strijd. Ze schrijft een proza dat uitblinkt in stijl, natuurgetrouwe dialogen, en ze is een meester in de beheersing van de plot. Denk bijvoorbeeld aan haar voorlaatste roman, die ze vanuit het gezichtspunt van de vrouw van Marc Dutroux schreef (De vrouw die de honden eten gaf). Jammer dat in Alles verandert deze sterke punten door het zwakke verhaal veel minder tot hun recht komen.

  • Oogst week 39

    Door Carolien Lohmeijer

    Aandacht schenken aan mooie literatuur. Aan bijzondere boeken van hoge kwaliteit. Dat is wat we graag doen bij Literair Nederland. Ook aan literatuur die niet overal in hoge stapels in de winkel ligt. Bij Uitgeverij Wilde aardbeien verschijnen prachtige boeken van gerenommeerde of veelbelovende Scandinavische schrijvers die hier nog niet ontdekt of uitgegeven zijn.

    Een van die boeken is Herinneringen aan mijn rampspoed, een klassieker uit de Deense literatuur. Gravin Leonora Christina Ulfeldt vertelt hierin over haar 21 jaar durende gevangenschap van 1663 tot 1675. Omdat haar iedere bezigheid was verboden moest ze vindingrijk zijn: ze maakte gebruik van het papier waarin de suiker zat verpakt, de inkt maakte ze van kaarsrook die ze opving in een lepel en mengde met bier. Haar pen was een kippenveer. Het dagboek wordt een ‘uniek document humain’  genoemd dat inzicht bied in de Deense 17e eeuw en de politieke verhoudingen binnen het Deense hof. Het bevat een reeks humoristische en raak getroffen portretten.

    Herinneringen aan mijn rampspoed, Leonora Christina Ulfeldt, vertaald door Jan Baptist, Uitgeverij Wilde aardbeien, € 15,00

    PulangHet omslag van de oorspronkelijke uitgave van Naar huis, Pulang, is een stuk minder lieflijk dan die van de Nederlandse uitgave. De opgestoken vuist illustreert waar de roman over gaat, de gebeurtenissen in Indonesië in de bloedige jaren zestig van de vorige eeuw toen er jacht werd gemaakt op (vermeende) communisten en veel jonge Indonesiërs geen andere uitweg zagen dan te vluchten. Het is een dapper boek. De Indonesische overheid heeft altijd de officiële geschiedschrijving over deze tijd verdraaid en gekleurd. Generaties lang kreeg iedereen vervormd onderricht over dit onderwerp. Ook schrijfster Leila S. Chudori.

    Naar huis van is met vaart geschreven. Dimas Suryo, een Indonesische journalist trekt met drie collega’s door de wereld, het avontuur en de vrouwen achterna. Maar na de communistische zuivering van 1965 kunnen ze niet meer terug. Jaren later bezoekt zijn Naar huisdochter Lintang het land van haar vader. Ze wil een documentaire maken over de ballingen, maar het loopt anders. Het is 1998: de revolutie die Soeharto ten val zal brengen, staat op het punt uit te breken. Met dit boek won de schrijfster in 2013 de belangrijkste Indonesische literaire prijs, Khatulistiwa Literary Award.

    Naar huis, Leila S. Chudori, vertaald door Hendrik Maier, Uitgeverij De Geus, 480 pagina’s, € 24,95

     

    SandelhoutstrafIn eerste instantie werd het werk van Mo Yan via een Amerikaanse bewerking vertaald voor de Nederlandse markt. Begin deze eeuw stelde vertaalster Silvia Marijnissen uitgeverij Bert Bakker voor om deze grote Chinese schrijver direct vanuit het Chinees te vertalen. Tevergeefs.
    Uitgeverij De Geus kwam 10 jaar later wel met een rechtstreekse vertaling van Kikkers.
    Het winnen van de Nobelprijswinnaar voor literatuur heeft de belangstelling voor Mo Yan in Nederland een duw in de rug gegeven. Meest recente bewijs daarvan is de verschijning van zijn lijvige roman Sandelhoutstraf.

    Sandelhoudstraf, Mo Yan, vertaald door Silvia Marijnissen, Uitgeverij De Geus, 544 pagina’s, € 29,95

    Mijn gedichtenschriftBij uitgeverij Atlas Contact is verschenen Mijn gedichtenschrift van Benno Bernard. Het is een bloemlezing uit de internationale poëzie. Bernard heeft gedichten opgenomen die hem raakten, (deze vertaald) en van commentaar voorzien.  Dit commentaar gaat over het gedicht, maar ook over de tijdgeest. Sarcastisch en melancholisch.

    Mijn gedichtenschrift, Benno Bernard, Atlas Contact, € 24,99

  • En toen was het oorlog

    Zo fiets je op je vrije zaterdagmiddag nog door de ruisende velden van de Vendée, en zo sta je tot je enkels in de modder van de loopgraven met een ransel die niet te tillen is. Vóór je bevindt zich de vijand, achter je sluiten de rijen zich met gendarmes die geen desertie dulden en naast je kruipen de ratten. Dit is het verhaal van Anthime, een eenvoudige boekhouder in een schoenenfabriek, die in dienst moet en van de ene op de andere dag terecht komt in een wereld waarin de enige zekerheid de onzekerheid van je bestaan is. Met 14, zijn nieuwste novelle, laat Jean Echenoz zien hoe zoiets groots als een oorlog in feite al snel heel alledaags wordt. Dit is de Eerste Wereldoorlog door de ogen van de gewone Fransman.

    Alleen al de manier waarop de oorlog voor Anthime en zijn vrienden begint lijkt terloops. Iedereen hield wel min of meer rekening met zoiets als de mobilisatie, maar ‘dat het op een zaterdag zou gebeuren’ had Anthime nooit verwacht. Overbluft door de gebeurtenissen laten Anthime, drie van zijn vrienden die hij kent uit het café en de arrogante onderdirecteur van de schoenenfabriek, Charles, zich meesleuren door wat er van ze wordt verwacht. Tijd voor veel heftige gevoelens is er bij hun vertrek niet, al vraagt Anthime zich wel af of hij Blanche ooit terug zal zien. Hoewel zij een relatie heeft met Charles lijkt ze toch een bijzondere belangstelling voor Anthime aan de dag te leggen, maar de oproep zet alles in de wacht. Leven in oorlogsjaren draait om wachten, zo komt heel sterk naar voren in 14: niet alleen voor de soldaten, die soms dagen aaneengesloten marcheren zonder precies te weten waarheen, maar evenzeer voor hen die achterblijven. Ze wachten op hun mannen, hun zonen, broers en neven, die soms terugkeren als onherkenbaar verminkte schimmen, maar nog veel vaker helemaal niet terugkomen. De willekeur regeert, net als de onmacht.

    En het is precies deze afwachtende en schouderophalende houding van de personages, die 14 tot zo’n treffende novelle maakt. Echenoz schept mensen van vlees en bloed: wat zou iemand als jij of ik doen als de oorlog komt? Dat Echenoz bedreven is in het tekenen van prachtige portretten heeft hij ook eerder laten zien in zijn ‘biofictionele’ trilogie, waarin hij componist Maurice Ravel (Ravel), wetenschapper Nikola Tesla (Flitsen) en hardloper Emil Zatopek (Hardlopen) onder de loep neemt. Maar waar het in die trilogie ging om bekende figuren, is het hier juist het portret van de nobody die bewondering oproept. We weten eigenlijk vrij weinig van de hoofdpersonages – ze zijn zo onbeduidend, zo normáál, dat er simpelweg weinig meer te vertellen valt – en toch is dat afdoende.

    Bovendien staat tegenover deze summiere informatie over de hoofdpersonages een uiterst gedetailleerde manier van vertellen. Met een voelbaar genoegen doet Echenoz de stinkende, lawaaiige en oogverblindende oorlog uit de doeken. Exemplarisch is de beschrijving die hij geeft van de bepakking van een soldaat, waar hij zo’n drie pagina’s voor uittrekt:

    Daarna aten ze, sliepen ze, vertrokken weer onder klaroengeschal na zich te hebben uitgerust met geweer, weitas en veldfles dwars over de borst, patroontas aan de koppelriem en allereerst de ransel weer op de rug, model 1893 bijgenaamd ‘ruitenaas’, waarvan de infrastructuur een houten raamwerk met een omhulsel van dik linnen was, van wagongroen tot mahoniebruin. (…) De ransel woog aanvankelijk, leeg, maar zeshonderd gram. (…) Het geheel van dat bouwwerk kwam dan minstens rond de vijfendertig kilo te liggen, bij droog weer. Voordat het dus begon te regenen.’

    In deze laatste zin schuilen de ironie en droge humor die zo typisch zijn voor Echenoz. Hij laat zich niet meeslepen door het drama van de oorlog, maar observeert en relativeert. Natúúrlijk is de oorlog een traumatische ervaring, maar weet je wat ook vervelend is? Dat dat nieuwe helmkapje zo oncomfortabel zit en steeds afglijdt, en zelfs zoveel hoofdpijn veroorzaakt dat de soldaten het maar ‘beginnen te gebruiken voor culinaire doeleinden, om een ei te bakken of als extra soepbord.’

    Ook wanneer Anthime gewond raakt door een granaatscherf (voor een zeer beeldende beschrijving van een afgerukte rechterarm bladert u naar pagina 80) vervalt de schrijver niet in emotionele bewoordingen:

    ‘Vijf uur later werd Anthime in het veldhospitaal door iedereen gefeliciteerd. Ze lieten allemaal blijken hoe jaloers ze waren op die goeie kwetsuur, een van de beste die je je kon voorstellen – die weliswaar ernstig was en je blijvend invalide maakte, maar in wezen niet ernstiger dan allerlei andere, en waar iedereen naar hunkerde omdat het er zo een was die je voorgoed bij het front vandaan kon houden.’

    Anthime is nauwelijks opgelucht dat hij de ‘stinkende opera’ van de loopgraven kan verlaten en lijkt er vrijwel niet bij stil te staan dat een verloren arm hem het leven redt. In plaats van blij te zijn met de mogelijkheden die zijn verwonding hem biedt – zoals een leven met Blanche, nu Charles niet meer in beeld is – wordt Anthime volledig in beslag genomen door zijn verloren rechterarm en de fantoompijn. Hoe moet dat nu met veters strikken?

    En zo blijkt dat de oorlog geen helden creëert, geen grootse verhalen oplevert en niet gaat over nationale trots. De oorlog is niets dan willekeurigheid, is terug te brengen tot een persoonlijk verlies. Een geamputeerde natie? Een geamputeerde arm, een geamputeerd gezinsleven, dáár gaat het over. En over hoezeer het leven je soms overkomt.

    Hoewel er het afgelopen jaar een ware hoos aan Eerste Wereldoorlogliteratuur verschenen is en Echenoz geenszins pretendeert iets toe te voegen aan de gigantische stapels over het onderwerp, is 14 een novelle die niet ongelezen mag blijven. Het doet pijn, deze oorlog vol dood, verderf en stank, maar wordt op zo’n beheerste en ironische manier beschreven, dat je ervan geniet. Schurend, hilarisch en geenszins alledaags. En – dat moet gezegd – een prachtige vertaling van Martin de Haan.