• Vragen zonder antwoorden

    Vragen zonder antwoorden

    Jan Baeke (1956) is dichter en vertaler en debuteerde in 1997 met zijn bundel Nooit zonder de paarden. Zijn vierde bundel, Groter dan de feiten, werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2008. In 2016 ontving hij de Jan Campertprijs voor de dichtbundel Seizoensroddel. Met het in de bundel Het verkeerde hart (2022) opgenomen gedicht `Ik bel mijn moeder’ won hij de Melopee Poëzieprijs van 2020.

    De tiende bundel van Jan Baeke geeft in de titel al aan dat er in het leven gebeurtenissen zich voordoen waar we allemaal tegenaan zullen lopen. Het woord ‘Die’ duidt erop dat iedereen wel weet welke dat zijn, daarom hoeven ze niet nader benoemd te worden. Zoals het glas water op de foto van de omslag onherroepelijk van tafel zal vallen, zullen ziekte, ouderdom en dood ons allen ten deel vallen. Zoals de dichter zelf zegt: ‘Naar binnen gaan en buiten zingend mooier maken jezelf of de wereld vergeten/ niet kunnen vergeten en daarom die onrust die melancholie die verslagenheid/ die onvermijdelijkheden.’

    Beheersing van de realiteit

    Baeke werpt in zijn gedichten vele vragen op, maar antwoorden worden niet gegeven, niet aan de lezer, maar waarschijnlijk ook niet aan hemzelf. Daarom probeert hij door middel van de taal de werkelijkheid naar zijn hand te zetten en met de verbeelding van zijn poëzie de realiteit te beheersen. De raadsels die hij de lezer voorlegt, tracht hij zelf ook nog steeds op te lossen. Fundamentele vraagstukken zijn het, mysteries die aan grote gevoelens raken. Op filosofische wijze gaat Baeke ermee om, zonder evenwel tot een slotsom te komen.

    Omdat zowel verbeelding als realiteit niet voor iedereen hetzelfde zijn, kunnen er talloze interpretaties aan de gedichten gehangen worden, afhankelijk van hoe je ernaar kijkt. Maar door hun meerduidigheid worden dezelfde gedichten niet gemakkelijker om te begrijpen.

    Baeke kijkt naar de hem omringende wereld vanuit steeds andere ogen van veel verschillende personages, waardoor het niet altijd eenvoudig is om te bepalen wie er aan het woord is als de dichter spreekt van ‘ik’. De personages zijn niet duidelijk gedefinieerd, ze praten veel en door elkaar, hun gesprekken en monologen lijken fragmenten zoals wanneer er mensen langs je lopen, van wie je enkel een paar zinnen opvangt waarvan je de context niet kent. Baeke geeft een stem aan soldaten in Oekraïne, aan treinreizigers, aan tienermeisjes, aan bootvluchtelingen, aan misdadigers. Hij laat hen vertellen hoe ieder van hen een wereld voor zichzelf tracht te scheppen, hoe ze zich staande weten te houden.

    Onderdompelen en laten meevoeren

    De gedichten doen denken aan een licht absurdistische film, waarvan je de eerste helft niet gezien hebt en uit de dialogen van de vele spelers moet je het verhaal zien op te maken. Analyseren heeft voorlopig geen nut, je kunt je het beste onderdompelen en je laten meevoeren door de stroom van taal die over je uitgestort wordt.

    ‘Van belang is niet wat ik kan voelen, van belang is
    dat in datzelfde labyrint mijn dromen wonen
    verdeeld over hoofdstukken waarin lichamen opduiken
    die niet bij de namen horen waaraan je ze herkent
    labyrinten van leem waar ik keer op keer in verdwaal.

    Gesprekken domineren en hoewel ze tot de nacht behoren
    brengen ze geen geluid voort, verdwijnen ze terug
    naar die oneindige voorraad gebeurtenissen
    die mij iets willen vertellen.’

    Van de vier afdelingen van deze bundel is de derde de meest toegankelijke. Een zwarte bladzijde gaat vooraf aan de gedichten die geschreven zijn ‘Bij de dood van mijn geliefde, Marrigje de Bok [1965-2021]’. Dood, een van de onvermijdelijkheden waar we allemaal mee te maken krijgen, laat geen ruimte vrij voor meerdere duidingen:

    ‘even dacht ik
    als ik de wereld erna ervoor gekend had
    dan had ik alles in de warmte gestopt en in die warmte de aanraking
    kleine en grote woorden
    een misschien haperende maar ontroerende melodie
    wat zou ik hebben geruild voor je aanraking?

    De relativerende filosofische benadering waarmee Baeke andere onvermijdelijkheden aanpakt, moet het hier afleggen tegen de rauwe verslagenheid. Baeke laat hier een ‘ik’ zien dat heel dicht bij ons staat, dat ieder van ons zou kunnen vertolken, omdat verdriet, verlies en desillusie universeel zijn. Hier is geen plaats voor vrijblijvendheid of objectieve observaties, hier geldt alleen de rauwe werkelijkheid.

    Filmische fragmenten

    Maar Baeke is op zijn best in de vierde afdeling, De toekomst is een terughoudende minnaar, waarin hij in filmische fragmenten een verhaal vertelt bij monde van een jonge vrouw, die terugkijkt op haar jeugd, haar ouders, een liefdesrelatie. Niets is duidelijk omlijnd, het verhaal kan alle kanten op en maakt sprongen in de tijd. Algemeenheden worden afgewisseld met persoonlijke herinneringen. De indruk die achterblijft is er een van eenzaamheid, teleurstelling en onbegrepen zijn. Maar de taal waarin alles plaatsvindt, is hallucinerend, als in een koortsdroom, en doet een overtuigend beroep op begrip.

    ‘Wetenschap, natuur versus opvoeding, bij de sloot wegblijven
    zei mijn moeder, niet zomaar de weg oversteken
    het leven is te groot voor ons.

    Iedereen heeft een moeder, die bij het station een schepper
    en een heel rek folders.

    Iedereen getuige van het lijden, van de onvoorspelbare medemens
    het bestaan van anderen om je heen onveilig vinden.
    Moeder, moeder, maker, maker, kom met regels en de zweep.

    De complexe poëzie van Baeke is op zijn minst intrigerend, op zijn best onontkoombaar. Geen gedichten die als hapklare brokken worden aangeleverd, maar waar de lezer zelf nog moeite voor moet doen.

     

     

  • Oogst week 48 – 2023

    Oh the world Ah the world

    In 2021 overleed A.L. Snijders op de leeftijd van 83 jaar. Tijdens zijn leven werkte hij als leraar Nederlands en schreef columns in verschillende kranten. Hij bedacht het zkv, het Zeer Korte Verhaal, een ‘nieuw literair genre’. In 2006 verscheen de eerste zkv-bundel Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk. Er volgden nog vele zkv’s, die hij ook op de radio voorlas. Dan klonk zijn donkere, sonore stem, met de wat aarzelende, trage manier van spreken die hij zich had eigen gemaakt en hem net zo bekend maakte als het genre dat hij had bedacht. Wie hem eenmaal had horen praten herkende zijn karakteristieke stemgeluid onmiddellijk.

    Even kenmerkend is zijn handschrift, te zien in Oh the world, ah the world, dat zijn laatste zkv’s en een keuze uit zijn brieven bevat. Vrijwel dagelijks schreef hij een brief, in rode en zwarte inkt. Hij maakte er ook tekeningen bij en kalligrafeerde het motto. Een daarvan was Oh the world Ah the world. Snijders vond brieven schrijven leuker dan stukjes te schrijven, omdat ‘een brief zomaar aan mijn hand ontsnapt’.

    Een van de 54 zkv’s in het boek, grotendeels uit 2021: ‘Ik schrijf een verhandeling over de liefde. Een jonge man vraagt de hand van zijn meisje aan haar vader. De man ziet er niets in. Hij is niet onvriendelijk, het is geen ploert. Hij is integer, hij doet niet alsof. Hij vindt zijn dochter niet passen bij de jongen, hij veinst niet. Hij legt uit dat hij geen toestemming geeft, maar hij voegt er nonchalant aan toe dat hij het jonge paar niets in de weg zal leggen.’
    En de lezer zal nieuwsgierig verder lezen.

     

    Oh the world Ah the world
    Auteur: A.L. Snijders
    Uitgeverij: Afdh Uitgevers

    We moeten praten

    ‘Langzaam draait hij zich om. Hij zet zijn tas naast zich op de vloer. Hij heeft de hele tijd naar de vloer gekeken en nu kijkt hij naar zijn klasgenootjes en kort naar mij, en zegt: “Ik ga echt mijn spreekbeurt houden.” (…) Hij zegt iets! Hij kan wel praten! (…) “Ik ga jullie alles vertellen (…) wat bij mij hoort, wat van mezelf is, en van mijn opa, waar ik woon, de spullen in mijn kamer (…) de muziek waar mijn papa naar luisterde, het verhaal van ons gezin.”‘ De klas en verteller juf luisteren verbijsterd want Koen, zoals de jongen heet, praatte nooit eerder in We moeten praten van Jan van Mersbergen.

    Toen Koen drie jaar was speelde hij eens met de mobiele telefoon van zijn vader en hoort plotseling zijn moeder aan de telefoon die denkt dat haar man aan de lijn is en zegt: ‘We moeten praten’. Het blijkt het einde van het huwelijk, Koen blijft met zijn vader achter. ‘Als dit is wat er van praten komt, denkt Koen, dan houd ik voortaan mijn mond.’ En dat doet hij, totdat hij in klas 7 zijn spreekbeurt moet houden. Op het digitale bord zet hij een afbeelding van het schilderij De Bedreigde Zwaan van Jan Asselijn.

    Jan van Mersbergen schrijft onder meer romans, novellen, korte verhalen en thrillers (onder pseudoniem), Hij schreef over mannenzaken en vaderschap, over zijn vader. Prijzen bekroonden zijn werk dat in negen talen is vertaald. Hij publiceert ook beschouwingen en interviews in diverse dagbladen en geeft workshops.

     

    We moeten praten
    Auteur: Jan van Mersbergen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Bedenktijd

    Meredith Greer (1988) zegt over haar debuut Bedenktijd in een interview: ‘Ik dacht: ik wil onthouden hoe het was en hoe het op dat moment was om mij te zijn.’ In coronatijd, tijdens de lockdown, onderging Greer een abortus, geheel alleen, zonder steun van een naaste. ‘Niemand kon mijn hand vasthouden in de wachtkamer.’ Daarna vroeg ze zich af wat verlies en verdriet doen met mensen als ze die het liefst willen vergeten en voor anderen verbergen. Maar dergelijke gevoelens laten zich niet verdringen. Greer geeft er schriftelijk aan toe. Zo schrijft ze over een wraakzuchtige fantasie over de man van wie ze zwanger raakte. ‘Het was heel bevredigend om zo’n wraakzuchtig spookverhaal op papier te zetten.’ In Bedenktijd haspelt ze verschillende genres door elkaar: proza, essayachtige stukken, poëzie en dagboekaantekeningen over haar gevoelens van rouw, verdriet en woede.

    Omdat ze geen boek over enkel een vrouwenonderwerp wilde schrijven bespiegelt ze ook andere rouw, bijvoorbeeld als mensen wegens de lockdown of omdat ze in de gevangenis zitten geen afscheid kunnen nemen van geliefden en niet bij de begrafenis kunnen zijn.

    Het boek is vormgegeven in zeer verschillende lettertypes ‘zodat het lezen ook een fysieke ervaring is’, zegt Greer. De schrijfster is een Amerikaans-Nederlandse journalist en schrijver. Ze werkte onder meer als eindredacteur voor de Volkskrant en als redacteur voor BNR-Nieuwsradio, en had een column in HP/De Tijd.

     

    Bedenktijd
    Auteur: Meredith Greer
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij
  • Vechten voor vrijheid en gelijkheid

    Vechten voor vrijheid en gelijkheid

    In Vrouw en vrijheid reikt Jolande Withuis feministisch gedachtegoed aan dat niet nieuw is maar wel steeds weer opgerakeld moet worden, vanwege onder andere bewegingen als MeToo, het Rooms gezinsdenken in Polen en Hongarije, de opkomst van anti-abortuspartijen in Italië en Amerika, Andrew Tate als influencer, de moederhartbeweging en corpsballen met seksistisch gebral. Withuis legt met scherpe pen uit waarom vrouwen tot in lengte van dagen zullen moeten blijven vechten voor hun vrijheid en gelijkheid.

    In dit pamflet trekt de sociologe en feministe ten strijde tegen identiteits- en diversiteitsdenken, intersectionaliteit, woke en boerka’s. Aan de hand van legio persoonlijke en historische voorbeelden stelt ze dat ‘echt mannelijke’ en ‘echt vrouwelijke’ eigenschappen niet bestaan. ‘Anatomie is geen noodlot. Vrouwen kunnen pas vrij zijn als ze de moed hebben onvrouwelijk te zijn.’ De kern van haar betoog is dat de oorzaken van sekseverschillen bij historische, culturele en politieke verschijnselen liggen.

    Wat is feminisme eigenlijk?

    Volgens Withuis streven feministen ernaar de maatschappelijke betekenis van het biologische geslachtsverschil op te heffen. ‘Beide seksen zijn gewoon mensen. Mensen zonder commentaren […] zei Wilhelmina Drucker aan het einde van de negentiende eeuw’. En Withuis noemt andere voorvechtsters van het feminisme die het vrouwelijk versus onvrouwelijk benoemden: Mary Wollstonecraft schreef in de 18e eeuw al over  vrouwenrechten, evenals Betty Friedan, Amerikaans feministe, sociaal activiste en publiciste halverwege de vorige eeuw en Simone de Beauvoir, die in 1949 De tweede sekse opende met de woorden: ‘Je komt niet ter wereld als vrouw, je wordt vrouw.’

    Withuis buigt zich over de begripsvervaging tussen sekse en gender en stelt dat de behoefte om van geslacht te veranderen onder meer ontstaat onder druk van de maatschappij. ‘Niettemin vermoed ik dat de behoefte een jongen te zijn onder jonge meisjes wel eens geringer zou kunnen zijn als zij niet meenden te moeten voldoen aan de vereisten van wat een geslaagd meisje is, of een ‘echte’ vrouw. […] zie het bombardement aan make-up en modetips dat via influencers en sociale media over hen wordt uitgestort; zie de grofheid waarmee vrouwen worden afgemaakt die daarvan afwijken.’

    Zonder borsten geen vrouw

    Uit eigen ervaring spreekt Jolande Withuis over de sociale druk die vrouwen ervaren als ze ten gevolge van borstkanker een borst moeten missen. Een vrouw met één borst is geen schoonheidsideaal, dus laten de meesten zich een reconstructie of prothese aanmeten, wat vaak een pijnlijke en moeizame weg is. ‘Seksisme in schaapskleren,’ noemt Withuis dat. ‘Want ik ben zonder borst nog dezelfde als met.’

    Dat vrouwen werken is in Nederland nog altijd minder gangbaar dan in landen om ons heen. Zelfs Wim Kok vond in de jaren zeventig van de vorige eeuw dat vrouwen na hun veertigste niet meer zouden hoeven te werken. Terwijl volgens Withuis juist een vrouw die werkt sociale contacten heeft, zich kan ontplooien en zich gelijkwaardig kan voelen.

    Als biografe van Prinses Juliana, de verzetsman Pim Boellaard en de kunstenares Jeanne Biruma Oosting, sprak Jolande Withuis in 2018 in de Huizingalezing over het belang van de  biografie van een individu, met als titel: Leve het Leven, vrijheid en de biografie. Haar tekst is beknopt weergegeven in dit boek en gaat in op de aanpak van het schrijven van een biografie. Interessant te weten is dat de biografie eigenlijk pas sinds de jaren negentig in opmars is. De biografie onderstreept de waarde van individueel leven, terwijl daarvoor socialistische en confessionele groeperingen afkeer toonden van individuele levens. ‘Omdat we voordien gevangenzaten in een dwangbuis van religieuze en politieke zuilen en ideologieën – in collectivisme dus!’ Het individu was nog niet bevrijd.

    Brieven

    In het boek zijn een paar brieven opgenomen met prangende vragen, waarop ze uiteraard geen antwoord krijgt. Aan Ana Pauker (1908 -1960) bijvoorbeeld, een Roemeense communiste en activiste, vraagt ze of ze spijt heeft. Jolande bewonderde haar in haar jeugd, maar liet haar later van haar voetstuk vallen, juist omdat ze het communisme trouw bleef. De tweede brief is gericht aan Simone de Beauvoir (1908- 1986). Een brief waarin ze de Franse feministe wil eren en bedanken voor haar feminisme en onafhankelijk denken. In haar brief aan Ayaan Hirsi Ali (1969) spreekt Withuis zich uit over de schandelijke behandeling die deze dappere vrouw gehad heeft. Ze is ronduit weggepest ‘en niet alleen omdat ze antisemitisme, het antidemocratische karakter en de vrouwenhaat van de islam aan de kaak stelde die de Nederlandse intelligentsia decennialang had overdekt. Het was bovenal omdat ze dat deed als vrouw – erger nog een beeldschone vrouw.’

    Diversiteitsdenken

    Uiteindelijk maakt Withuis zich zorgen over het diversiteitsstreven, woke en intersectionalisme in de huidige maatschappij. Begrippen die steeds meer het taalgebruik binnendringen, maar lang niet altijd wordt de vrijheid van het individu ermee bedoelt. Het gaat meestal om groepen en dan is ‘tribalisme nabij’. Black lives matter, woke groepen, vrouwen, LGBT worden met gemak onder de noemer minderheden geschaard en dat is slecht nieuws voor het feminisme. ‘Vrouwen vormen geen minderheidsgroep maar de helft van de samenleving.’

    Niet iedereen zal het eens zijn met de schrijfster en hoewel ze heel toegankelijk en zelfs met lichte ironie schrijft, is Vrouw en vrijheid niet altijd gemakkelijke kost. Wel is het een belangrijk boek om door vrouwen en mannen gelezen te worden om de dialoog gaande te houden, misstanden en denkfouten te benoemen en seksueel geweld naar buiten te brengen. Het is noodzakelijk om elkaar bewust te maken van discriminatie in al zijn facetten en zodoende ieder individu vrijheid te gunnen, betoogt Withuis.

     

  • Oogst week 8 – 2023

    Niets dat hier hemelt

    Tomas Lieske is in 1943 geboren in Den Haag. De stad staat voor de ene helft op zandgrond, voor de andere helft op veengrond. Niets dat hier hemelt – Lieskes nieuwste roman – vertelt over de ondergang van een veengebied. Hiervoor is niet de invasie nodig van een heel leger of een tsunami uit de Noordzee. Slechts één familie volstaat om het geboortedorp van de hoofdpersoon te bedreigen. Vijf broers plunderen de omgeving en vinden zelfs een halfdode ruiter op zijn paard. Hun jongste broer, uiteraard Benjamin geheten, laten ze letterlijk in de huid van de paardrijder kruipen. Bear Grylls, eat your heart out…

    In 1992 gedebuteerd met proza geldt Lieske als een laatbloeier. Sinds Oorlogstuinen schreef hij een slordige twintig romans en won hij onder meer de Libris Literatuur Prijs en de Littéraire Witte Prijs. In de vroege jaren ’80 echter oogstte hij al lof met zijn gedichten en essays voor Tirade en de Revisor. Velen werden gecompileerd in Een hoofd in de toendra (1989). Nu voert hij onze hoofden naar veen en moerassen, die wegzinken onder de wreedheid van vijf broers.

    Niets dat hier hemelt
    Auteur: Tomas Lieske
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Zij.

    #MeToo-schandalen komen tegenwoordig in zulke grote getallen aan het licht, dat verontwaardiging plaatsmaakt voor ongevoeligheid. Daarom is Zij. van Maaike Neuville misschien wel het belangrijkste boek van dit voorjaar. De lezer volgt Ada Peeters, een gelauwerde actrice die in de theaterwereld met veel mannen heeft samengewerkt. Het zweet loopt haar over de rug wanneer zij een monoloog zal houden in de stad waar ‘hij’ woont… Neuvilles ervaringen als film- en theatermaker zullen voor Ada’s belevenissen een dankbare inspiratiebron zijn geweest.

    Zij. wordt gepromoot als een boek over intimiteit en overschreden grenzen, zelfs bij wederzijdse instemming. Een verhaal dat het onderscheid tussen dader en slachtoffer vervaagt, maar niet weggumt. De titel alleen al is voer voor speculatie: ‘zij’, is dat de hoofdpersoon? Zijn ‘zij’ de mannen? De vrouwen? Aangezien Neuville evenals Ada actrice is, onder andere in Red Light, ligt een autobiografische lezing voor de hand. Dat Zij. het verhaal van vele Ada’s vertelt, bewijst andermaal de urgentie van deze roman.

    Zij.
    Auteur: Maaike Neuville
    Uitgeverij: Bezige Bij

    Goed komen – een seksuele queeste

    Een populair Nederlands motto luidt: ‘Komt goed.’ Het betekent dat we niet te veel moeten nadenken over de toekomst, waar we beperkt invloed op hebben. Waar Joy Delima vroeger een beperkte invloed op had, mede door gebrekkige kennis en nare ervaringen, was haar seksleven. In plaats van te denken dat het allemaal wel goed zou komen, besloot zij tot een seksuele queeste: Goed komen. De kaft van dit boek eert het vrouwelijke genot door het orgaan af te beelden dat zo vaak wordt gezocht, maar slechts mondjesmaat gevonden.

    Hoewel Goed komen gepubliceerd werd op Valentijnsdag van dit jaar, beschouwt en behandelt Delima seksualiteit niet als onderdeel van de romantische liefde. Veel meer gaat haar boek over schaamte, zelfwaardering en eenzaamheid. Het is bedoeld voor wie houdt van seks, of ervan wil leren houden. Met name haar openhartigheid en humor worden alom geprezen en leverden haar reeds een wekelijkse column in Volkskrant Magazine op. Na Goed komen is te hopen dat er nog vele hoogtepunten zullen volgen!

    Goed komen - een seksuele queeste
    Auteur: Joy Delima
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 51 – 2022

    Grijze bijen

    Andrej Koerkov (Leningrad, 1961) is de beroemdste schrijver van Oekraïne. Niet omdat de Oekraïners zo veel lezen maar omdat Koerkov regelmatig op tv verschijnt en buitenlandse media hem interviewen over de huidige toestand van zijn land. Koerkov schrijft in het Russisch, wat hem door Oekraïners wel werd verweten. Zelf zegt hij daarover in een interview in Trouw: ‘Ik spreek beter Oekraïens dan veel Oekraïenstaligen. Toen Oekraïne nog een Sovjetrepubliek was, redigeerde ik Oekraïense vertalingen van buitenlandse romans.’ Inmiddels is hij opgehouden te publiceren in het Russisch.

    Toen pro-Russische separatisten de oblasten Loehansk en Donetsk in de oostelijke Donbass tot volksrepublieken verklaarden begon daar de oorlog al. Koerkov, die enkele reizen maakte in het gebied, schreef zijn roman Grijze bijen in 2018. Op de frontlijn, de grijze zone tussen Oekraïne en Donetsk, woont in een klein dorp de imker Sergej Sergejitsj. Stroom is er niet meer, voedsel nauwelijks en het is bitterkoud. Met een vroegere jeugdvijand, de enige andere menselijke aanwezige, drinkt Sergej wodka. De twee voeren gesprekken vol zwarte humor, opgetekend in Koerkovs ironiserende stijl. Sergej voelt zich verantwoordelijk voor zijn bijen. Hij is bang dat het oorlogsgeweld hen verjaagt en in de lente verlaat hij met zes bijenkasten het dorp, richting de Krim waar het dan nog veilig is. Onderweg krijgt hij te maken met strijders aan weerskanten van de gevechtslinies: loyalisten, separatisten, Russische bezetters en Krim-Tataren, en met evenzovele paspoortcontroles. Bij een ervan nemen de Russen één van Sergejs bijenkasten in beslag. Als hij de kast terugkrijgt, zijn de bijen grijs geworden.

    Het lezen van Grijze Bijen biedt een mogelijkheid om iets te gaan begrijpen van de waanzin die de oorlog in Oekraïne beheerst. De licht absurdistische stijl van de schrijver voorkomt dat het een zwaar boek is.

    Grijze bijen
    Auteur: Andrej Koerkov
    Uitgeverij: Uitgeverij Prometheus

    Pose – Over hoe we kijken en wie we spelen

    Basje Boer wil meer vrouwelijke sukkels in films. De schrijver en filmessayist publiceerde recent Pose – Over hoe we kijken en wie we spelen, een bundel met essays over hoe vrouwen worden neergezet in films, verhalen en ander cultuuruitingen, en hoe ze zich gedragen in de werkelijkheid: als vrouw, moeder, femme fatale, slachtoffer of bitch, clichébeelden die even stereotype als hardnekkig zijn.

    Aan de hand van oude en nieuwe films, popidolen, personages en persona’s onderzoekt Boer in Pose welke vrouwenrollen ons worden voorgeschoteld en hoe ze worden bekeken. Ook vrouwen kijken volgens Boer met de male gaze naar andere vrouwen. Zij worden nog te veel gezien als een passief wezen. Zo is schoonheid, mooi zijn, een rol die vrouwen macht geeft, maar wel een die vaak door de kleding die ze draagt passiviteit uitstraalt. Mooie kleding wekt geen actieve indruk.

    Boer schrijft ook over haar persoonlijke ervaringen wanneer dat relevant is voor het onderwerp van het desbetreffende essay. Bijvoorbeeld in een stuk over gekke vrouwen in films gaat ze in op haar eigen weg naar therapie. Ze heeft het over jeugdidolen en over films waarin vrouwen geen fouten maken. Film staat dicht bij de werkelijkheid, de vrouwen erin zijn voorbeelden waaraan we ons spiegelen. In films komen wel mannelijke sukkels voor, betoogt Boer, maar geen vrouwelijke. Zij zou zich graag eens met een vrouwelijke sukkel willen identificeren. Wordt het tijd ons tegen de clichés te gaan verzetten?

    Pose - Over hoe we kijken en wie we spelen
    Auteur: Basje Boer
    Uitgeverij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

    Na de bevrijding – Aantekeningen over de Goelag, 1944-1956

    De Poolse Barbara Skarga (1919-2009) moest haar manuscript van Na de bevrijding- Aantekeningen over de Goelag, 1944-1956 geregeld langere tijd wegleggen omdat tijdens het schrijven haar nachtmerries terugkwamen. Toch vond ze het haar plicht om haar herinneringen aan de gebeurtenissen in de strafkampen de wereld in te sturen.

    Skarga studeerde filosofie, waarmee ze stopt vanwege de Tweede Wereldoorlog. Ze gaat bij het Poolse verzet. Onverwacht wordt ze in september 1944 door het Russische leger gearresteerd. Vanaf 1946 zit ze met honderdduizenden landgenoten in verschillende goelags, onderworpen aan meer dan acht jaar dwangarbeid in een ziekenhuis, een steenfabriek en aan een spoorlijn.
    Als ze na tien jaar ‘vrij’ komt wordt ze nog verplicht in een kolchoz te werken. In 1956 pakt ze, terug in Polen, haar studie weer op, promoveert, werkt haar hele leven als hoogleraar en schrijft vele filosofische werken. Ze mengt zich in het publieke debat en is betrokken bij de Poolse solidariteitsbeweging Solidarność.
    Na de bevrijding publiceerde ze pas in 1985, onder pseudoniem. Haar aantekeningen over haar ervaringen in de goelagkampen zijn gegroepeerd rond thema’s als het dagelijks leven, ziekenhuis, werk en zelfs de liefde.

    Er zijn meer boeken verschenen over de Russische strafkampen, zoals het invloedrijke De Goelag Archipel van Aleksandr Solzjenitsin, Berichten uit Kolyma van Varlam Sjalamov en Goelag, een geschiedenis van Anne Applebaum, waarin de verschrikkingen van de gevangenkampen beschreven worden.
    Wat Na de bevrijding hiervan onderscheidt zijn de spot en humor waarmee Skarga vertelt over de kamphiërarchie, de honger, het vuil, het geweld, de misdaden. En over de angst voor verkrachtingen. Het boek is een mix van memoir, filosofische gedachten, essay en geschiedschrijving en toont de werking van het Sovjetsysteem aan.

    Na de bevrijding - Aantekeningen over de Goelag, 1944-1956
    Auteur: Barbara Skarga
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Het best op dreef in verhalen die tegen het absurde aanleunen

    Het best op dreef in verhalen die tegen het absurde aanleunen

    In 2000 verscheen Margriet de Moor’s Verzamelde verhalen. Daarna schreef zij tien romans en nu publiceert de Bezige Bij van haar de verhalenbundel Meneer en mevrouw GodToch nog nieuw verhalen na de verzamelde? Vermoedelijk niet echt. ‘Deze uitgave bevat verhalen die niet eerder in boekvorm zijn verschenen’, meldt de uitgeverij. En als lezer merk je ook al snel dat de bundel enigszins een ratjetoe is van verhalen die ooit voor verschillende gelegenheden en publicaties geschreven zijn en nu bij elkaar gebundeld. Negatief hoeft dat overigens niet te zijn, want het komt de variatie wel ten goede.

    De muzikale achtergrond van de schrijfster heeft twee mooie verhalen opgeleverd: ‘Joseph Haydn sterft’ waarin de bejaarde componist op zijn sterfbed geabsorbeerd wordt door zijn laatste gedachten en herinneringen, terwijl de kanonnen van Napoleon bulderen tijdens de verovering van Wenen. Hier, en ook in ‘Woferl’ (een verhaal over de doodzieke Mozart tijdens zijn bezoek aan Nederland als wonderkind) kan de lezer genieten van de lichtvoetige impressionistische stijl die de schrijfster in haar palet heeft: tastenderwijs met woorden  een adequate beschrijving geven van wat er gebeurt.

    Joodse bruidje aan het woord

    Van die mooie stijl is ook te genieten in twee verhalen over schilders: De vrouw die Rembrandt met haar man portretteerde in het bekende schilderij ‘Het joodse bruidje’ komt aan het woord in ‘De rode jurk. En in het verhaal ‘Judith’ schrijft Margriet de Moor over Judith Leyster, de door haar bewonderde schilderes uit de 17e eeuw: `Zeker, ze kijkt naar de ronding van haar wangen, de glim op haar neus, de vorm en kleur van haar lippen, het wit van haar tanden, het netjes naar achteren gekamde haar en terwijl ze kijkt en ook al heeft besloten daar vol goede moed bij te glimlachen, vol goed humeur, dus terwijl ze naar dat alles kijkt, denkt ze aan niets anders dan aan de pigmenten op haar palet en de penselen in haar hand’.

    Op een heel andere, wat kwebbelende manier, zijn de stukken geschreven die spelen in Noordwijk, de stad van de Moor’s jeugd. ‘De tram kwam eraan, scheef hangend in de bocht van de Oude Zeestraat, en stopte met de deuren al open. Onze achterneef sprong regelrecht van de treeplank de zoute wind van de badplaats in. Zo, dat was niet mis, man, echt niet! Ons verre familielid was niet zo’n klein beetje gegroeid en erg breed in de schouders. Zijn haar droeg hij boven de oren opgeschoren – we besloten daar begrip voor te hebben – met nog een rest van de zwarte krullen daar hoog bovenop’. 

    Absurdistische verhalen

    De Noordwijk-verhalen ogen het meest als gelegenheids vertelsels en zijn de minste in de bundel. Het best is De Moor op dreef in de korte verhalen die tegen het absurde aanleunen. Zoals dat van de dorpsburgemeester die een zeventien meter lange afgedankte Mig-straaljager cadeau krijgt op z’n verjaardag. Of het slagersverhaal over de op hol geslagen koe. Het titelverhaal ‘Meneer en mevrouw God’ behoort ook tot die categorie: ‘Laat op de avond toen het leeslampje uit was, sprak God tegen zijn vrouw: ‘’t bevalt me niet.’ Ze draaide zich op haar zij, legde haar hand op zijn buik, dacht: o nee hè, niet weer, en suste: ‘Ga nou maar slapen.’
    Het allerbeste verhaal is ‘Ach! Hoe’, een met perfecte timing geschreven en dieptreurig eindigend verhaal over Harmke Louise, die alles mee heeft in het leven, totdat het noodlot toch toeslaat. Al met al een mooie bundel.

     

  • Spannende portretten van gewone mensen

    Spannende portretten van gewone mensen

    Sanneke van Hassel (1971) staat bekend als pleitbezorger van het korte verhaal. Ze publiceerde meerdere romans en verhalenbundels en won in 2013 de Anna Blamanprijs voor haar gehele oeuvre. Nederzettingen is haar meest recente verhalenbundel met zestien korte verhalen die allemaal gaan over een thuis of juist het gebrek daaraan.

    Van Hassel schrijft geen epische verhalen met grootste plotwendingen. Haar stijl doet denken aan de geschreven portretten op Instagrampagina Humans of New York, waarop dagelijks een foto verschijnt van iemand die de fotograaf is tegengekomen op straat. De personages van Van Hassel kun je ook zomaar tegenkomen: het is degene die gaat kijken bij een ongeluk, uit de tram stapt bij halte Javabrug of een busbestuurder in Rotterdam. In elk van de zestien verhalen uit Nederzettingen spelen zulke mensen een hoofdrol.

    Hoewel Van Hassel schrijnende gebeurtenissen beschrijft die op een drama kunnen uitlopen, wordt het nergens ongeloofwaardig. In het verhaal ‘Plastic man’ vindt een zwerver bijvoorbeeld een lijk: ‘Ik zag het drijven. Met zijn gezicht naar beneden. Het was een man in een beige jack. Het jack was een ballon. Zijn handen, grauw en opgezwollen. Zijn haar waaierde om zijn hoofd. Ik heb hem met een stok in de richting van het pad geduwd.’ Juist deze simpele zinnen zijn doeltreffend: niet alleen zie je het lijk drijven, ook zegt dit veel over de zwerver. Kennelijk kan de zwerver geen hulp halen of iemand bellen, maar niets doen is ook geen optie.

    Naderend onheil

    Een ander voorbeeld van goed uitgewerkt drama is het verhaal ‘Ik hoor het wel als we gaan inpakken’, over een gezin dat uit de stad vertrekt om landelijker te gaan wonen. De hoofdpersoon en haar man zijn goed bevriend met dit gezin: ‘In een van de laatste verhuisdozen die in de hal stonden, stopte Flip een fles champagne die ze bij het openmaken zouden vinden.’
    Een paar pagina’s verder, wanneer de hoofdpersoon en Flip op bezoek gaan bij het gezin, is de sfeer omgeslagen: ‘Ze liep voor ons uit als een makelaar voor een koppel waarvan ze vermoedt dat ze niet werkelijk geïnteresseerd zijn, plichtmatig deuren openend, verlichting aan en uit doend. In het huis was alles wit, de muren, de meubels, de kleden op de vloeren.’
    Hoewel het verhaal geen horrorelementen bevat, is Van Hassel erin geslaagd het dreigend te maken. De verhoudingen tussen de personages staan op scherp en ieder moment kan er iets vreselijks gebeuren.

    In meerdere verhalen schuilt een dreiging. Het eerste verhaal uit de bundel, ‘In onze straat’, gaat bijvoorbeeld over een ongeluk met een scooter waarbij verschillende nationaliteiten betrokken zijn en de hoofdpersoon gaat bemiddelen. ‘Het zwijgen breidde zich uit. Hoe iedereen elkaar vijandig aankeek – “Mijn fiets,” ik probeerde luchtig te klinken, “was een keer per ongeluk tegen een busje gevallen, en toen heeft de verzekering alles vergoed. Dat ging heel gemakkelijk.” Iedereen bleef zwijgen.’
    ‘It’s not how good you are’ speelt zich grotendeels af tijdens een bijeenkomst voor zelfstandig ondernemers, waarbij de sfeer steeds verstikkender wordt: ‘Ze ging in een hoek zitten, zo ver mogelijk van de deur. Achter de glazen pui waren de mistflarden uitgegroeid tot een wolk, die hen van de wereld afschermde.’

    Alles klopt

    De meeste verhalen zijn gesitueerd in Rotterdam. We zien de stad niet alleen door de ogen van de zwerver, een buschauffeur of een moeder, maar in ‘De geur van mandarijnen’ ook door de ogen van een Schotse vrouw: ‘Anderhalf jaar werkte ze hier nu maar ze kende niet veel meer dan een handvol restaurants en winkels hier in de buurt. Haar appartement was een paar flatgebouwen verder, de trein naar het vliegveld ook.’ De hoofdpersoon zal een jaar later worden overgeplaatst naar Londen, maar wanneer ze na haar werk naar een café gaat, ontdekt ze toch iets wat haar aan deze stad bindt.

    Alle zestien verhalen zitten goed in elkaar. Van Hassel  benadert haar onderwerp vanuit verschillende invalshoeken  en dat maakt de bundel zeer afwisselend. Ieder verhaal onderscheidt zich, geen enkele vertelling had weggelaten kunnen worden en het boek leest als een geheel; het klopt precies. Bij ieder verhaal zit je binnen drie zinnen in het hoofd van de verteller. Meestal heb je geen idee hoe het zal aflopen, maar wanneer je het denkt te weten, heb je het zonder uitzondering mis. Het boek bevat geen pretentieuze taal, iedere verteller heeft een eigen stem waardoor de verhalen tot leven komen.
    Niet alleen is Sanneke van Hassel pleitbezorger van het korte verhaal, Nederzettingen is ook een fantastisch uithangbord voor dit genre.

     

  • Veel om van te genieten

    Veel om van te genieten

    Dit jaar is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog begon. Over de verschrikkingen van deze oorlog is door historici en schrijvers als Céline veel geschreven. De herinnering aan deze oorlog leeft bij onze Vlaamse zuiderburen nog sterk en het is dan ook niet vreemd dat in dit herdenkingsjaar enkele Vlaamse schrijvers deze oorlog in hun roman een plaats hebben gegeven, zoals in het prachtig geschreven Oorlog en Terpentijn van Stefan Hertmans. Ook in het werk van Erwin Mortier is die oorlog aanwezig, net als in zijn met de AKO literatuurprijs bekroonde roman Godenslaap (2008) waarin Helena terugkijkt op haar leven, haar liefdes en op de jaren van de Eerste  Wereldoorlog.

    In Mortiers nieuwe roman De spiegelingen is het de broer van Helena, Edgard, die terugblikt op zijn lange leven en op de gevolgen die die oorlog  voor hem heeft gehad. Hij is 22 jaar wanneer hij uit die oorlog komt. Rode draad in zijn leven is zijn onvermogen om als homoseksueel een volwaardige relatie aan te gaan.

    Edgard raakt in de oorlog zwaar gewond, en houdt er lichamelijke verminkingen aan over (slechte heup en een netwerk van littekens – ‘lasnaden’, schrijft Mortier). In het ziekenhuis wordt hij verliefd op de biseksuele Engelse fotograaf Matthew. De twee krijgen een seksuele relatie. Edgard weet dat Matthew van vrouwen houdt, maar die ‘andersheid’ trekt hem juist aan; Edgard zoekt ook in zijn latere minnaars het niet alledaagse, want als die ‘andersheid er niet was, konden evenmin de verrukking en de diepe ontroering bestaan’ (blz. 77). Na de oorlog trouwt Matthew met de zus van Edgard, Helena, en keert met haar terug naar Engeland.

    Edgard blijft achter in Vlaanderen. Er volgt een lang leven, van onrust en veel verdriet, waarin Edgard op zoek is naar liefde en genegenheid. Die zal hij slechts gedeeltelijk vinden. Al zijn liefdes en korte avontuurtjes krijgen uitgebreid aandacht in het boek. Mortier beschrijft de homo-erotische seks expliciet en laat zien hoe moeilijk het voor Edgard is om met zijn door lasnaden gehavende lichaam seks te bedrijven.

    Omdat hij zelf lichamelijk anders is, gaat hij in zijn contacten op zoek naar ‘andersheid’. Zo is zijn eerste liefde Matthew, aan wie een groot deel van het boek is gewijd, biseksueel. Zijn ordonnans en ondergeschikte in de oorlog, Pierre, blijft hem zijn hele leven als zijn bediende verzorgen en is zijn minnaar; hij heeft een korte affaire in Berlijn met de Duitse jood Heinz, lichamelijk niet beschadigd maar wel met 33 moedervlekken op borst en buik. Ergens begin jaren 30, wanneer hij in Marseille is, wordt hij achtervolgd door de 17-jarige Jean, die hem net zo lang achterna zit tot hij ‘bij hem kan zijn’. Dan is er nog een blinde en verminkte Japanse jongen uit Osaka, Noburu (‘hij die geen licht ziet’) .

    Edgard blijkt niet tot een volwaardige relatie in staat te zijn met de uiteenlopende partners die hij kiest; een schandknaap, een bediende, een blinde, een Duitse jood, biseksuelen. Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt vlucht Edgard naar Londen. Wanneer hij op bezoek is bij de vader van Matthew, die voor hem een kamer zal regelen, ontmoet hij Paul, het jonge schilderende neefje van Matthew waar Edgard hevig verliefd op wordt.

    In zijn minnaars maar vooral in Paul, – voor Edgard de plaatsvervanger van Matthew –ziet hij een leven weerspiegeld dat zijn leven had kunnen zijn, maar de oorlog heeft zijn leven een andere wending gegeven. In zijn zoektocht naar liefde wisselen de minnaars elkaar af en uiteindelijk blijkt hij niet in staat om een stabiele relatie aan te gaan zoals hij graag gewild zou hebben. Alleen Pierre, zijn hulpje uit de oorlog blijft hem zijn hele leven trouw. Het boek eindigt met een lange brief van Edgard aan Paul –inmiddels getrouwd en vader van twee dochters –waarin hij nog eens zijn liefde voor hem verwoordt. Hij schrijft onder meer:

    ‘Je was de vorm van mijn melancholie. In jou kon ik de knaap ervaren die ik zelf niet heb kunnen zijn, de knaap die ik intussen meer dan zeventig jaar geleden in de modder van ‘mijn’ oorlog heb achtergelaten. Misschien heb ik telkens wanneer ik me aan je bedronk niets anders dan een droombeeld van mezelf gekoesterd. Ik weet hoezeer verhoudingen tussen mannen op ijdelheid kunnen berusten, hoe vaak zij voor elkaar slechts spiegels zijn waarin ze hun eigen illusies bewonderen.
    Ik betwijfel of dat bij ons het geval is geweest. Waanbeelden kunnen taai zijn. Ze kunnen ons versmachten in de rekbare vliezen waarmee ze ons voor de wereld afschermen, maar je was te eigen, lieve Paul, om slechts een luchtspiegeling te zijn geweest.

    (…)

    ‘Ik heb in de liefde steevast de kleine kortsluitingen geëerd, de momenten waarop de lippen elkaar eerst niet weten te vinden, en dan wel, en dan weer niet, en toch weer wel, en ik weet zeker, ik weet heel zeker, mijn lieve vriend, dat in al dat bevingeren en omhelzen en zich verstrengelen tussen ons beiden iets werkelijkheid heeft mogen worden wat nergens anders tot bestaan had kunnen komen –omdat jij het was, omdat ik het was.’ (blz. 293)

    Deze twee citaten geven precies de sfeer en de thematiek van de roman aan: het verlies van je jeugd en het verdriet daar om, en de moeilijkheid om echte liefde te vinden.

    Sinds zijn debuut 15 jaar geleden met Marcel, weten we dat Erwin Mortier in prachtige poëtische zinnen het leven van zijn hoofdpersoon weet te verbeelden en te verbinden met de maatschappelijke gebeurtenissen die in dat leven een belangrijke rol spelen.
    Godenslaap was in zijn oeuvre een absoluut hoogtepunt, in De spiegelingen toont Mortier zich wederom een groot schrijver. De homo-erotische passages zijn wel erg expliciet en uitvoerig, maar ze zijn functioneel voor de thematiek van de roman. En in vergelijking met bijvoorbeeld Gerard Reve veel liefdevoller en mooier geschreven. Wel schiet hij hier en daar wat door, in zijn beschrijvingen, met iets te mooie en te lange zinnen, waardoor sommige passages in onduidelijkheid blijven hangen. Dat zij hem vergeven, want er blijft heel veel over om van te genieten.

     

     

     

  • Dolende zielen op zoek naar een beter leven

    Dolende zielen op zoek naar een beter leven

    Na Legende van een zelfmoord (2008), een indrukwekkend boek, verscheen van David Vann in 2011 de roman Caribou Island. Opnieuw speelt het verhaal zich af in het onherbergzame Alaska, land van grizzly beren, zalmvissers en woeste natuur. In een telegramachtige stijl, die soms doet denken aan het werk van Cormac McCarthy, schetst David Vann een portret van hedendaagse pioniers aan de laatste Amerikaanse frontier.

    Gary is na zijn studie Middeleeuwse literatuur met zijn vrouw Irene vertrokken naar Alaska om zijn proefschrift te schrijven, maar vooral om zijn droom na te jagen: leven in de wildernis.  Zoals dat gaat met dromen, blijkt ook in dit geval de werkelijkheid teleurstellend. Het echte avonturiersleven waar Gary naar op zoek is, bestaat niet en decennia later bevindt hij zich in een uitgeblust huwelijk, zijn de kinderen volwassen en is hij nog altijd niet gepromoveerd. Maar Gary geeft zijn Alaskaanse ideaal niet op en heeft zich op een nieuw project gestort. Samen met Irene is hij begonnen aan de bouw van een blokhut op Caribou Island. Het eiland zal na het invallen van de winter volkomen afgesneden zijn van de buitenwereld. Gary is vastbesloten de blokhut vóór de eerste sneeuw af te hebben om op Caribou Island te kunnen overwinteren. Waarom hij dit zo graag wil lijkt hij zelf ook niet goed te weten, maar hij werkt aan het project alsof zijn leven ervan afhangt.

    Caribou Island wordt verteld vanuit het perspectief van verschillende personages. Naast Gary, die zich maar al te bewust is van de lange reeks mislukte ondernemingen waaruit zijn leven bestaat, volgen we ook zijn vrouw Irene, zijn dochter Rhoda, haar vriend Jim en backpacker Carl.

    Geen van de personages heeft het makkelijk. Irene lijdt aan mysterieuze hoofdpijnen die haar tot waanzin drijven. Dochter Rhoda maakt zich ongerust om haar moeder, maar vindt nauwelijks weerklank bij haar familie. Gary is bezig met zijn project, Rhoda’s broer Mark is vooral druk met stoned worden en haar vriend Jim denkt dat het allemaal wel los zal lopen. Terwijl Rhoda in afwachting van een aanzoek van Jim droomt van hun huwelijksreis, stevent begin-veertiger Jim met rasse schreden op zijn midlife crisis af. Een flirt met de bijna twintig jaar jongere Monique, die met haar vriendje Carl door Alaska trekt, brengt hem behoorlijk van zijn stuk. Terwijl Monique met Jim de natuur in trekt, blijft Carl berooid en met een gebroken hart achter op de camping.  Zonder geld voor zelfs maar een ticket naar huis, moet Carl op zoek naar een manier om geld te verdienen. Al snel komt hij erachter dat de levens van de lokale bevolking vooral van de buitenkant romantisch lijken.

    Alle personages zitten vast. Vast in hun leven, hun relaties, hun ambities, hun eigen lichaam en bovenal zitten ze vast in Alaska.
    Geroutineerd en soepel wisselt David Vann van perspectief en weet hij de stemmen van de verschillende personages te vervlechten tot een coherent verhaal. Elk personage overtuigt en is geloofwaardig. Het semi-autobiorafische Legende van een zelfmoord richtte zich op de verhouding tussen een labiele vader en zijn jonge zoon.  Vanns eigen vader, een tandarts die zijn geluk wilde beproeven in Alaska, pleegde zelfmoord toen de schrijver nog jong was. Met Caribou Island onderzoekt David Vann opnieuw de psychologie van een obsessieve pionier die zijn gezin meesleept naar het onhergbergzame Alaska om zijn dromen na te jagen. Hij zet Alaska neer als een vuilnisbelt van mislukte idealen, maar weet door middel van een sobere en tegelijkertijd poëtische schrijfstijl het landschap en de sfeer zo beeldend op te roepen dat je als lezer heel goed begrijpt waarom mensen hun kantoorbaan opgeven om een nieuw leven te beginnen in de toendra.

    Caribou Island is een aangrijpend, onderhoudend en soms zelfs grappig portret van een groep dolende zielen op zoek naar een beter leven. The American dream lijkt op Alaska nog springlevend. Hier kun je nog dicht bij de natuur leven, vis eten die net uit de zee komt, houthakken en blokhutten bouwen. Hier kan een man nog een echte man zijn. Maar als één ding duidelijk wordt uit het werk van David Vann, is het dat dromen gedoemd zijn te mislukken. Toch blijven zijn personages, vaak tegen de klippen op,  hoop houden en dit maakt het ontroerend en menselijk.

     

  • Pittige leestochten

    Pittige leestochten

    Recensie door Heleen Rippen

    De zwart-wit foto op de nieuwste essaybundel van Stefan Hertmans deed mij in eerste instantie denken aan een gemoedelijk Toscaans familiediner onder oude olijfbomen. Dat beeld moest ik direct bijstellen toen ik rechts op de foto zag dat naast de grootste boom een ineengezakte mensfiguur ligt en naast deze een serie mensen op rij lijkt te zijn neergeschoten. Het opwaaiende stof veroorzaakt door de ineengestorte lichamen, is nog niet neergedaald. Een verschrikkelijk landschap dus. De foto komt uit het Bundesarchief van Koblenz zag ik later.

    Arcadia is een bergachtige streek in het centrum van de Griekse Peloponnesos, maar sinds mensenheugenis is het ook een product van de literaire verbeelding, een utopie. De Romeinse dichter Vergilius beschrijft Arcadia als een veilig, herderlijk oord, een onbedorven geluksland. Bij de dichter Ovidius, in zijn Metamorphosen, is Arcadia een ambivalente, door tragedie geplaagde plek, waar verkrachtingen plaatsvinden en waar men elkaar bedriegt. Hemel en heerlijkheid kunnen in een oogwenk veranderen in een schrijnende puinhoop van angst en paniek. Arcadia is voortaan een plaats waar het hooguit tijdelijk volmaakt is.
    Renaissanceschilders tonen Arcadia als groenig heuvellandschap met herders of een koerend paartje waarbij ergens op de achtergrond ook een schedel ligt te wachten. Het kan wel fijn zijn, maar alles is eindig.
    Weer een aantal eeuwen later zorgt het groeiend kritisch bewustzijn ervoor dat de mens zichzelf verdrijft uit het renaissancistische Arcadia. De moderne mens komt te laat voor Arcadia schrijft de Duitse dichter Hölderlin rond 1800. Hertmans schreef een proefschrift over deze dichter.

    De enige waardige houding is het omarmen van ‘das Offene’: ‘Openheid voor het komende, het omwentelende, maar net zo goed voor de nooit terugkerende en toch sluimerend aanwezige antieke, dionysische en apollinische krachten in ons’.
    Een belangrijke functie van literatuur is, zo volgt Hertmans Hölderlin, dat ze het eeuwig voortbewegende leven als belangrijkste thema heeft. ‘Dat moet haar in staat stellen zich te handhaven in een wereld die voor haar geen wereldstichtende plek meer lijkt te hebben. Ze stroomt zonder reden en zonder bedding en is niet te stoppen, ook al blijkt ze haar centrale plek in het leven van veel hedendaagse mensen verloren te hebben’.
    Wat is de literaire utopie, of algemener: de imaginaire verbeelding vandaag de dag nog waard? Deze centrale vraag naar het Arcadisch motief echoot in bijna alle veertien essays van Hertmans terwijl hij met lenige en straffe passen door de geschiedenis heenbanjert.

    In het openingsessay getiteld ‘De gevoelloze emotie’ noemt Hertmans onze tijd een hysterische tijd, waarin niets ontsnapt aan de totale mobilisering van onze gevoelens. ‘Commotie is de norm en intensiteit de vorm’, stelt hij. Dagelijks worden we door de media, met name door de kijkbuis, in een emotionele dwangbuis geduwd die bol staat van klonen en kopieën van Hollywood-films. Maar waar is het oneindige scala aan emotionele nuances uit de wereld van Proust gebleven? vraagt hij zich af.
    Tegelijkertijd is onze tijd ook een kille tijd, omdat ‘die hoog oplaaiende emoties hand in hand gaan met een verbluffend gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef voor onze eigen daden en bitter weinig invoelingsvermogen met hen die werkelijk ons mededogen nodig hebben’.
    Deze emotionele tweespalt is zo verontrustend omdat we maar één stap verwijderd zijn van wat Holocaustpornografie of –kitsch wordt genoemd. Die vat Hertmans samen als ‘de besmuikte lust die beleefd wordt aan een steeds weer opgeklopt medeleven dat nergens meer op slaat, behalve narcistische tranen bij de zichzelf steeds weer als politiek correct beschouwende mens, die zijn illegaal in het land verblijvende buren met droge ogen kan zien oppakken op de dag dat hij zit te grienen voor de treurbuis’. Een opgefokte, labiele en verontrustende tijd van leven dus.

    Meestal valt het stil nadat dergelijke cultuurkritiek verwoord is. Maar het mooie van Hertmans is dat hij zijn lezers bekogelt met voorbeelden van schrijvers en kunstenaars die alternatieve routes bewandelen en veel breder en doorleefder scala aan emoties oproepen. Zo schrijft hij een roerend essay over W.G. Sebald, die het verleden als heden laat beleven, met het herinneren als pijnlijke arbeid. Sebald noemde dit ‘restitutie’; via ontheemde romanpersonages laat hij de Tweede Wereldoorlog en de rouw waar nooit een eind aan komt, op macabere wijze navoelen. Daarom ook een essay over de Franse schrijver Michel Houellebecq, die ons via zijn romanpersonages laat merken dat de mensensoort ontgoocheld is en erop achteruit gaat omdat waarden als intimiteit, emotie en sociale intelligentie vervangen raken door verwend consumentengedrag, botte onverschilligheid en al of niet geveinsd onvermogen. ‘Wat Houellebecqs werk zo bijzonder maakt, is dat het verdwijnen van de impact van de seksuele daad in zijn boeken zelf gepaard gaat met een haarscherpe analyse van de malaise die dat teweegbrengt in het leven: uitgeblustheid, ongerichte empathieën, sentimentele uitbarstingen bij het zien van een detail’.

    Daarom een essay over de op zijn eigen genot gerichte emancipatiestrijd van Michel Onfray versus de aan gekte grenzende onzekerheid van een verliefde Roland Barthes.
    In het essay ‘ Een eeuwige mobilhome’, voorziet Hertmans de woorden samenleving en gemeenschap van een diepteboring en laat voelen waar ‘m de schoen bij het samenleven vandaag de dag wringt.
    Met humor schrijft hij over de verscheurdheid van België, zowel aan de Waalse als aan de Vlaamse kant. Vlaams radicalen wensen bijvoorbeeld een onafhankelijk, rijk, voorspoedig en ééntalig Vlaanderen, met Brussel erbij (waar slechts 7%  Nederlandstaligen wonen!); een soort Zwitserland aan de Noordzee. Het is de populistische leugen van een gemobiliseerd fictief Arcadia volgens Hertmans. Men bulkt van het ressentiment tegen een wereld die globaliseert en negeert de Latijnse en Germaanse elementen die typisch zijn voor de Belgische identiteit.
    Terug naar de schilderkunst: over de schilder Gianbattista Tiepolo, ‘de illusionist van het illusionisme’, schrijft Hertmans zo aanstekelijk dat je direct naar Würzburg wilt afreizen om het gedroomde Arcadia, de overvol geschilderde luchtruimen met de vier continenten geregeerd door Apollo, te gaan bewonderen.

    In het hart van zijn boek, vast niet toevallig, introduceert Hertmans de term ‘locus amoenus’. Die locus amoenus, letterlijk lieflijke plek, wordt in de literatuur beschreven als een Arcadisch binnentuintje, een lusthof. In de sterk hiërarchisch georganiseerde 12e eeuwse samenleving  kwam een cultus tot bloei waarin de hoofse liefde, vaak figurerend rondom ‘La Belle Dame sans Merci’, werd bezongen. In de taal en gedichten van Provençaalse troubadours klinkt hun verhouding tot het hof door. ‘Courtois’ betekent ‘omgang hebbend met het hof’. De troubadours, met als bekendste vertegenwoordiger Arnaut Daniel de Riberac, beschrijven deze binnentuin door middel van dubbelzinnige toespelingen. Omdat La Dame onbereikbaar is, verheerlijken zij haar, maar maken ook grappen over haar ‘tuintje’. De elkaar beconcurrerende troubadours lijken op baltsende pauwen of staartrennende honden.

    In de hoofse liefde(staal) gaan het verhevene en het banale hand in hand en draait het vooral om het verlangen òm het verlangen. Rond 1960 houdt de pychoanalyticus Jacques Lacan colleges over deze troubadours, hun lyriek en het erotisch verlangen. Dat verlangen is eigenlijk een hoop gedoe om bijna niets. Alles draait om ‘un trou’, een leegte. Maar dat is juist de sublieme waarheid van de alle kunst, stelt Hertmans. Deze waarheid is de locus amoenus, de fantasie, de droomplek die tegengesteld is aan vervulling of realisatie.
    Het laatste essay is aangrijpend zonder larmoyant te worden. Het gaat over Hertmans zelf en zijn inzet als schrijver. Schrijven als een vorm van het uitstellen van de dood. ‘Welke dood? De dood die door het vergeten tot stand komt, door het verwaarlozen van het noemen van namen en het vertellen van de verhalen die uitleg verschaffen over de moeilijkheid om het menselijke leven te leven.’

    Hertmans onderschat zijn lezers niet. Hier en daar wordt je leestocht verstoord door struikelblokwoorden als apostasie, tellurisch en emanatie. Waarom staat hier niet gewoon geloofsafvalligheid, aards en uitstorting?  Maar de essays zijn bovenal leerzaam en ze staan bol van het denk- en schrijfplezier. In feite doet Hertmans hetzelfde als wat Sebald, Houellebecq en alle andere door hem bewonderde schrijvers en kunstenaars doen: Restitueren, recyclen, de dingen laten voelen en zien zoals ze zijn.

    Hertmans is een geestdriftige herder en iedereen weet dat die in onze tijd zeldzaam zijn.

     

     

  • Door: Martin Lok

    Door: Martin Lok

    De wereldberoemde Italiaanse beeldhouwer Michelangelo Buonarroti (1475-1564) heeft zijn haast onaantastbare status bereikt zonder veel beelden af te maken. Hij maakte ongeveer zes op de tien beelden niet af! Maar het werd hem niet kwalijk genomen en stuwde zijn faam alleen maar naar grotere hoogten. Volgens Giorgio Vasari, biograaf van de beeldhouwer, waren Michelangelo’s onafgemaakte beelden bij uitstek meesterwerken ‘die ons leren wat ware beeldhouwkunst vermag’. Vooral de onafgemaakte apostel Mattheus, te zien in de Accademia in Florence, bekoorde Vasari zeer. Een getormenteerde, gepijnigde apostel, die zich in alle bochten lijkt te wringen om aan het marmer te kunnen ontsnappen. Een andere tijdgenoot van Michelangelo, Benedetto Varchi, zou bij de begrafenis van de beeldhouwer eveneens de onafgemaakte beelden prijzen en stellen dat Michelangelo daarin meer liet zien dan andere beeldhouwers in gecompleteerde werken.

    Ik moest hieraan denken toen ik Harry Mulisch’ laatste boek ter hand nam, De tijd zelf. Een klein boekje, met daarin drie fragmenten van nog geen dertig pagina’s. Een voorzichtige aanzet tot een novelle. Daarna volgen ruim 120 pagina’s met toelichtende teksten, dagboekfragmenten en eerdere versies van de teksten. Is dat interessant, literatuur in wording? Kan een onaf boek ons leren – om Vasari te parafraseren – wat ware literatuur vermag? Snel lees ik de drie ontluikende hoofdstukken. De klok, De tegentijd en Het gezicht. Titels die ontegenzeggelijk de handtekening van de auteur dragen. Maar het blijft niet meer dan een aanzet. Onsamenhangend, onvoltooid. Ingehaald door de dood of door onvermogen. Wie zal het zeggen?

    Het blijft na dertig pagina’s ongewis hoe de novelle zich verder zou hebben ontwikkeld als Mulisch niet overleden was. Waar bij Michelangelo uit zijn non finito beelden het idee van het voltooide beeld duidelijk naar voren komt, zich letterlijk aan de steen lijkt te willen ontworstelen, blijft dit idee in De tijd zelf verhuld. Op zich is dit niet zo vreemd. In de Renaissance wist men immers al dat er één belangrijk verschil is tussen literatuur en beeldende kunst, en dat is – hoe passend bij een beschrijving van Mulisch’ laatste novelle – De tijd zelf. Waar in de literatuur een verhaal kan worden verteld dat zich op meerdere momenten in de tijd afspeelt, moet de beeldende kunst alles in één moment, in één beeld samenballen. Wat een voordeel lijkt voor de literatuur, wordt een nadeel als het om onafgemaakte werken gaat. In een onafgemaakt literair verhaal is het de vertelling zelf immers die tot stilstand komt, en is het verloop ervan in de tijd per definitie onaf. Er zijn geen aangrijpingspunten, zoals dat bij een half in marmer verzonken figuur wel het geval is, om als lezer het onvoltooide verhaal in gedachten af te maken. Maar betekent dit ook dat het publiceren van een onafgemaakte novelle een heilloze weg is? En dat ook Mulisch’ andere ongepubliceerde werken ongepubliceerd moeten blijven?

    Dat denk ik niet. Want er gebeurt iets fascinerends als ik de toelichtende teksten, dagboekfragmenten en eerdere versies van Mulisch’ novelle lees. Ik ontdek hoe het verhaal ontstond en evolueerde en vang zo een glimp op van het wezen van Mulisch’ kunstenaarschap. Door te volgen hoe De tijd zelf groeit en stokt, groeit het inzicht in wat voor Mulisch de essentie van zijn schrijverschap is. Wat ware literatuur voor hem vermag. Meer nog dan in zijn voltooide werk toont de schrijver in de onvoltooide novelle zijn ware meesterschap. Hij weet dat het verhaal dat hij creëert te weinig ruimte heeft, zichzelf vastdraait en de adem beneemt. Hij neemt zichzelf de maat en bevindt zijn novelle te licht. Het is wat Louk Tilanus, kunsthistoricus en huisvriend van de dichteres Vasalis, het oudste recht van een kunstenaar noemt, ’te zeggen wanneer iets af is’ (IKON, Profiel, woensdag 19 oktober 2011). Op grond van dit recht bepaalde Mulisch dat De tijd zelf niet goed genoeg is, niet af. Twee maanden voor zijn dood noemde hij de novelle een vastgelopen project. Niet goed genoeg voor publicatie. En toch is het, gepubliceerd met de achterliggende teksten, een prachtig kleinood. Je wordt meegevoerd langs de onnavolgbare wendingen van Mulisch’ creatieve proces, langs de omwegen waarlangs zijn meesterwerken eerst gevoerd moeten worden, alvorens ze zich in volle glorie kunnen openbaren. Langs de omwegen ook waarlangs het soms vastloopt. Zoals bij De tijd zelf. Dat maakt de publicatie ervan met de aantekeningen en dagboekfragmenten die ermee samenhangen tot fascinerende lectuur. Een genre dat hopelijk een vervolg krijgt.

     

    De tijd zelf

    Auteur: Harry Mulisch
    Verschenen bij: De Bezige Bij (2011)
    Aantal pagina’s: 158 pagina’s
    Prijs: € 17,90

  • Droomtaferelen en een liefdesgeschiedenis

    Droomtaferelen en een liefdesgeschiedenis

    Alma Mathijsen schreef vier toneelstukken. Dat houdt bijna automatisch in, dat ze bedreven is in het schrijven van dialogen. In haar romandebuut Alles is Carmen staan veel dialogen, die sterk, geloofwaardig en soms absurdistisch overkomen. Dat komt niet doordat de schrijfster een absurdistische roman heeft willen schrijven, maar omdat het innerlijke en uiterlijke behang van haar hoofdpersoon Carmen, nogal ongewoon en soms absurd aandoet. Ze maakt ook gebruik van lijstjes waarin ze de voorkeur van personen optekent of waarin ze scenario’s schetst. Hoe erg zal iets worden? Een top tien! Een originele manier om het innerlijk van personen voor het voetlicht te brengen. Mathijsen heeft sowieso een associatieve eigen stijl:

    ‘Bij de Febo haal ik een kaassoufflé uit de muur. Halverwege besluit ik dat Chris dit absoluut niet mag ruiken en gooi het ding hongerig in de prullenbak. Stipt 21:10 stap ik de Wetering binnen. De muren zijn bruin en de barman is lief. Ik loop de trap op. Naast het haardvuur staat een grote stoel. Een sigaret steekt om de hoek. Ik pak een stoel en zet hem naast Chris.’

    Over Carmen komen we te weten dat haar vader stierf toen ze nog een meisje was van elf, twaalf jaar. Met haar moeder en de vreselijke tantes kan ze niet opschieten. Dat is niet verwonderlijk. Carmen is excentriek en gaat soms midden in de nacht zwemmen in een van de Amsterdamse grachten. De tantes eten zuur vlees met patat en wonen op het platteland. Een groter contrast is bijna niet mogelijk. Het zorgt ervoor dat je sterk beleeft dat Carmen er alleen voorstaat. En niet dat de hele wereld om haar draait, zoals je ook zou kunnen opmaken uit de titel. Ze heeft een vriend, die Engels spreekt, maar haar maar matig boeit. Met hem spreekt ze een mengeling van Engels en Nederlands. Wanneer ze Chris ontmoet, wordt ze waanzinnig verliefd. Haar liefde krijgt opera-achtige dimensies (Carmen?). En ze raakt er hopeloos in verdwaald, verliest zichzelf. Met Chris is alles vanzelfsprekend, met de rest van de boze buitenwereld steeds minder.

    ‘”Doorzwemmen.” Het is heel erg rustig. Hij klautert aan wal. Dan steekt hij zijn handen onder water, aan mijn oksels tilt hij me omhoog. Ik ril. Hij trekt me mijn jurk uit. “Nu drogen,” zegt hij streng. Samen liggen we op de warme steiger. Mijn rug begint langzaam weer te gloeien. Chris pakt mijn hand vast, zijn hoofd rolt naar me toe. “Ik vind je echt leuk,” zegt hij.’

    De ouders van Chris hebben een appartement in Parijs en Carmen reist naar deze stad om de familie te ontmoeten. De ouders zijn afstandelijk vriendelijk, maar vooral nietszeggend en Chris weet zich met de situatie niet zo goed raad. Hij is een nogal cerebrale, gevoelige jongen. Populair bij de meiden en jongens en achteloos in de omgang. Carmen neemt op een feest drugs in en raakt Chris halverwege kwijt. Dit is de voorbode voor wat onherroepelijk komen gaat. Ze raakt Chris ook kwijt, die dat aankondigt met de bekende zin: ‘We moeten eens praten…?’ Carmen stort in, wordt getroost door haar vrienden, en besluit wraak te nemen. Maar de wraak is half reëel, half gedroomd. Droomtaferelen spelen een niet onbelangrijke rol in deze roman. Alma Mathijsen heeft een schitterend debuut geschreven, flitsend, origineel en prachtig van taal.