• De rijkdom van het menselijk tekort

    Zware Pijnstillers, de nieuwe en elfde bundel van Rob Schouten brengt weinig nieuws, of het moet zijn dat ditmaal het menselijk tekort in al z’n grimmigheid net iets minder monter voor het voetlicht wordt gebracht dan voorheen. Er wordt echter in ieder geval weer als vanouds losgegaan op fantasieën die van banaal tot verheven variëren in soepel uitgebalanceerde, een natuurlijke toon treffende zinnen. De goed getroffen stijl houdt de meeste van Schoutens gedichten behoorlijk overeind, al lijkt niet ieder van de 42 gedichten even geïnspireerd geschreven. De soepele tred van zijn zinnen wordt allerminst verstoord wanneer een enkel goedbekkend, zelfgemaakt woord als ‘pakkenpastaprak’ opduikt. En waar een adjectief zich tot een zelfstandig naamwoord (‘stomtoevalligen’) heeft vermomd, komt zoiets de zeggingskracht ten goede. De toegankelijkheid van zijn gedichten is er niet minder om. Een enkel Duits woord als ‘Irrenanstalt’ of ‘Originalfassung’ kan men eveneens aantreffen. Niet zo opmerkelijk echter als men bedenkt dat het eerste gedicht, ‘Huisvriend’, over niemand  minder dan Adolf Hitler gaat. En hoe het derde gedicht ‘Durch Dickicht und Gestrüpp’ aan z’n Duitse titel komt legt Schouten zelf uit: ‘De titel komt trouwens uit Strauss, Richard, / Mooi toch, vooral dat Dickicht maar / het valt wel mee’. Een beetje flauw misschien? In het vijfde gedicht richt de dichter zich dan ook rechtstreeks tot zijn lezer: ‘Of bevalt m’n toontje je niet?’ De lezer doet er echter verstandig aan niet af te haken, want er zijn dan nog 37 gedichten te gaan en,  alles bij elkaar, wel degelijk de moeite van het verder lezen waard.

    Juist die combinatie van verheven en banaal zorgt voor optimaal leven in de brouwerij en voor elk wat wils. De toon varieert soms van cabaretesk, lamlendig, banaal, melig, verheven, groots, ironisch binnen één en hetzelfde vers. Zo zet het gedicht ‘De ware Oekumene’ in:

    ‘O Prins der Parken, long om niet, joggrond!
    Thans breek ik graag uw paden aan, uw lanen open
    en wens u een behouden dagdoorbloeding;
    dat doggen rond P’s stiervisvogel grazen,
    de gek op adem komt en liefjes zich gedragen.

    In duifdoorscheten, weldoorkuierd groen
    drinken wij ongedwongen roddelkoffie’

    Schouten verlustigt zich even graag aan het platvloerse: ‘de nieuwe borsten en haar kut’, als dat hij een religieuze bespiegeling ruim baan geeft: ‘Veel lijkt me mensenwerk, tijdens diners / bijvoorbeeld warme kreeft in snot / en de kalkoen, maar dan opeens zie je / van die overweldigende hoogovens / en is de brug over de Rijn geopend. Dan denk je toch weer: God!’ De ironie druipt er van alle kanten van af. Reve, denk je dan. Maar Schouten is concreter dan Reve. Het roept hier en daar ook het vroege werk van Kees Ouwens in herinnering, al ontbreekt bij Schouten het bezwerende taalgebruik en de bijbehorende hoge inzet.

    Als de Apocalyps is aangebroken, verbaast het de dichter, want ‘mij is daar niks van verteld / en ik probeer er nog wat van te maken / met mijn onsterfelijke ziel. (…) Mij niet gezien, dit eind der tijden. / Fluks jaag ik mij een kogel door de kop.’ Ach, zolang Schoutens zinnen niet uit het lood gaan hangen, valt weinig te vrezen dat het de dichter ernst is met deze gedachten. Zelfs in zijn onbarmhartige zelfbespiegelingen lopen de zinnen in zelfde vaart even moeiteloos voort. In ‘Wie ik ben’ het langste gedicht van de bundel en een van de beste, dicht Schouten zich van kleine jongen tot volwassen man: ogenschijnlijk een leven waarin kortstondige triomfen het altijd hebben moeten afleggen tegen de onvermijdelijke deceptie, maar Schouten bakt er met tevredenheid een goedlopend en vlotlezend gedicht van. Als hij daarin halverwege wat uitweidt, roept hij zichzelf tot de orde: ‘En toen, waer bestu bleven o verlegene, / ontsporend kleptomaan, afgrondelijke / catacombe van mijn tuchteloze ik? / rondde ik onverwacht mijn studie af / en lag in bed met de aanbedene, / bezocht het tuincentrum met de bezwangerde, / te midden van zoveel welkome leeghoofden, / die het straatbeeld niet ten goede kwamen.’ In de laatste strofe belandt hij aan in het heden: ‘Nu dan (…) ondanks gebruikssporen redelijk onbedorven, / heb ik de indruk, eigenlijk best geschikt / om er dan nu een einde aan te maken / voordat de tweede helft zich helemaal ontvouwt / en je het lekker jonge ding wenst, eerst om / wie weet nog een geboorteakte voort te brengen / en je dan voort te karren richting zwarte gat’.

    De dichter lijkt het gelukkig geen punt te vinden dat hij niet positief in het leven staat. Wekt anderszins ook niet de indruk een oude knorrepot te zijn. De wereld is precies wat die moet zijn. En het past de mens even goed zich er soms niet en dan weer wel in thuis te voelen. De mens is immers de maat van alle dingen, en die mens heet in dit geval Rob Schouten: ‘Logny-les-Aubenton, Aisne / is overigens een dorp van drie keer niks, / ook niet met mij, Rob Schouten, erdoorheen.’ Vanzelfsprekend valt er bij zo’n dichter geen antwoord op de grote levensvragen te verwachten: ‘Of de schepper bestaat dan wel bestond, / ik durf het niet te zeggen’. Die twijfel weerhoudt hem echter niet enige hoop op redding, zie de laatste regels van het fraaie, aan Remco opgedragen gedicht ‘Roersel’:

    ‘Ik heb wel iets tegen te veel om op te noemen
    maar zo’n klein beetje dat het vaak niet loont
    en ik gewoon maar ergens anders ga zitten.

    Mijn ouders zijn inmiddels goed gestorven,
    behalve dan mijn moeder, wier aquarellen ik
    vriendelijk afsla en maar weer eens ga,

    en ook het docentencorps is definitief
    afgemarcheerd, tezamen met
    de moeders van mijn kinderen.

    Het nodige al naar de bliksem en
    dan blijf je in je kooitje over,
    goed afgeschermd en geen groot ongemak.

    Wie weet komt ook de Heilige van de Nacht
    me ongevraagd nog eens redden
    van alles waar ik ooit iets, niet veel tegen had.’

    Zoals gezegd leest Zware Pijnstillers als vertrouwd. Opnieuw heeft de dichter hier, al dan niet autobiografisch, uit de rijkdom van het menselijk tekort kunnen putten. En ook in deze bundel ontbreken die paar vertalingen van John Berrymen, de huisdichter binnen Schoutens oeuvre, niet. Hoewel Zware pijnstillers ook wat mindere gedichten telt, sommige wat flauw zelfs, trekt zijn stijl je met gemak door de bundel heen. De woorden in de poëzie van Schouten zijn niet gekozen ter versiering van gedachten, maar omdat ze nu eenmaal ter zake doen in wat ermee gezegd wil zijn. Alle gedichten achter elkaar lezen is wellicht wat teveel van het goede. Zijn stijl mag bewondering wekken, het gevaar van eentonigheid ligt wel degelijk op de loer. Indien gedoseerd gebruikt kunnen deze gedichten echter bewerkstelligen dat men weer tegen een stootje kan.

     

     

     

     

  • Niets in de wereld zal ooit veranderen 

    Niets in de wereld zal ooit veranderen 

    De figuren in De karaokeoorlog zijn verdoemd of waanzinnig of juist heel erg ‘eenentwintigste-eeuws’. Toestanden die prima samen blijken te gaan.

    Het is een mengeling van bevreemding, slapstick en stiekeme maatschappijkritiek die Ryu Murakami de lezer biedt. Ter verheldering: het gaat hier niet om Haruki. Zijn naamgenoot Ryu Murakami (1952) schijnt in Japan al even beroemd te zijn, en is naast schrijver ook filmmaker. In Nederland verscheen eerder van hem In de Misosoep.

    De uitgangssituatie is opmerkelijk. In een moderne Japanse stad ontmoet een groep jonge mannen elkaar geregeld om karaoke te zingen en steen-papier-schaarwedstrijden te spelen. Allemaal zijn ze hun leven lang genegeerd en onbemind gebleven. De existentiële leegte druipt van deze samenkomsten af, om het zo maar te zeggen. Ligt de oorzaak van deze ellende misschien in de ‘tijdsgeest’, die ‘in wezen een onderdrukkend waardesysteem was, voornamelijk gebaseerd op de absolute zekerheid dat niets in deze wereld ooit zou veranderen’?

    De waanzin loert, of is misschien al overal. Hun activiteiten lijken bizarre rituelen, waarbij ze steeds ‘in abnormale mate’ lachen. De gemiddelde lezer zal denken dat een steen-papier-schaarwedstrijd één van de meest simplistische spellen ter wereld is. Niet bij deze jongens: ‘De deelnemers schreeuwden, sprongen op en neer, lachten hysterisch, rolden over de vloer, sloegen met hun hoofd tegen de muren, kregen stuiptrekkingen in willekeurige ledematen en braakten soms zelfs van te grote opwinding. Het vreemde was dat deze verwoede voorstellingen zowaar de uitkomst leken te beïnvloeden.’

    Tot grote opwinding van de rest begaat één van hen, Sugioka, al snel in het boek een moord. Hij steekt Yanagimoto Midori dood, een ‘tante’, oftewel een ‘oba-san’. Oba-sans zijn: ‘Levensvormen die niet langer evolueren. En iedereen kan in een oba-san veranderen. Jonge vrouwen, natuurlijk, maar ook jongemannen, zelfs mannen van middelbare leeftijd – zelfs kinderen. Je wordt een oba-san zodra je de wil om te evolueren verliest.’ Het lijken Nietzsche’s laatste mensen, die in een eeuwige, schijnbaar comfortabele vegetatieve staat verkeren, en daardoor iets van hun mens-zijn verliezen.

    Ryu Murakami’s schets van de moderne maatschappij stikt van de oba-sans. Verschillenden ervan heten Midori, en zij hebben samen het ‘Midori Genootschap’ opgericht. Alsof veel mensen niets meer gemeen hebben dan een gedeelde naam. Hoe dan ook, de Midori’s betreuren hun vermoorde medelid Yanagimoto. De wil tot wraak brengt deze voorheen zo uitgebluste vrouwen weer tot leven. Het verleent zin, hun ogen schitteren weer en als gevolg daarvan vinden ook de mannen hen weer aantrekkelijk.

    De wreker – dat wil zeggen: één van de Midori’s – komt met een sashimi-mes gebonden op het uiteinde van een swiffer. De Midori’s verenigen samurai en huisvrouwen. Met dit originele wapen wordt aldus Sugioka vermoord. En zo ontstaat er een soort vendetta tussen beide groepen, tot groot genoegen van alle betrokkenen: ‘Wat is dat eigenlijk voor geks met dat wraakgedoe? Je wordt er vanbinnen helemaal wee van!’

    De term ‘karaoke’ betekent ‘leeg orkest’. Wil Murakami wijzen op het atomisme van de moderne maatschappij, op de spirituele leegte als gevolg van een ontbrekend zingevingssysteem? Het is een verdedigbare interpretatie. De leegte wordt door de hoofdpersonen opgevuld met die zekerheid die enkel waanzinnigen bezitten, nog van extra zin voorzien door de cultus van de wraak: ‘Als je er goed over nadenkt, is moord het enige wat tegenwoordig überhaupt nog iets betekent.’ Vanuit het perspectief van de hoofdpersonen van dit boek – en Murakami impliceert misschien wel: voor de gemiddelde moderne mens – lijkt dit waar: geen waarheid, geen zin, geen ontwikkeling. Enkel ja of nee: te zijn of niet te zijn.

    Maar de afwisseling tussen hilariteit en de waanzin van hij of zij die het zeker weet, is niet het enige dat Murakami biedt. Hij lardeert het met inzichtrijke psychologische observaties, voornamelijk over de banaliteit van de contemporaine mens. En, heel sporadisch, laat hij een van de hoofdpersonen een jeugdherinnering ophalen, één die bij verrassing werkelijk kan ontroeren, zonder door grotesk gelach of door een perverse rationalisatie te worden verpest.

    Het zijn zeldzame pareltjes in een zwijnenstal. Maar die zwijnenstal is vol intrigerende vuiligheid, en dat maakt Murakami’s De karaokeoorlog de moeite waard.

     

  • Multatuli in een ander daglicht

    Multatuli in een ander daglicht

    Ach, we houden zoveel van lijstjes, van hiërarchieën. Héérlijk vinden we het, die Top 2000, die filmlijst van de IMDb, die peilingen van Maurice de Hond. Genieten. Redacties weten dit als geen ander en verwennen ons met sterren: vier sterren voor die film met Julia Roberts, drie voor die met Tom Hanks, vijf voor die schitterende roman van Buwalda. Dit lijstjeswalhalla is ook de wetenschap niet onbekend gebleven en dientengevolge schonk de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde ons reeds tien jaar geleden de beeldschone, tot diepe ontroering voerende ‘Nederlandse literaire canon’. Voor literatuurliefhebbers was dit een godsgeschenk – dat Slauerhoffs Het verboden rijk op plaats 109 stond, en dat we Heijermans’ Op hoop van zegen op plaats 65 aantroffen. ’s Avonds, als met het donker de eerlijkheid komt, huilen wij allen nog van verdriet om de schamele plek van Vestdijks De koperen tuin (117), doch bij het opstaan bejubelen wij Multatuli, en begroeten wij elkaar – bij de badkamer, in de supermarkt – met citaten uit de Max Havelaar.

    Tja, die Multatuli. De grootste Nederlandse auteur aller tijden, met zijn Max Havelaar als het neusje van de literaire zalm. Zijn wij echt allemaal zulke multatulianen? Op middelbare scholen wordt hij nog maar weinig gekozen voor de leeslijst (men leest liever iets van Hermans of Mulisch), en in een werkgroep Moderne Nederlandse letterkunde aan de RuG bestudeert men duizendmaal liever Nicolaas Beets (ja, desnoods zelfs Jacob van Lennep). Is Multatuli dan echt gedoemd om de Homerus van zijn tijd te worden? Vaak genoemd (want dat staat erudiet), maar nooit gelezen? Nu, misschien niet. Atte Jongstra, bekend van zijn roman De avonturen van Henry II Fix (2007), heeft toetsenbord ter hand genomen en een vlot, boeiend essay over Multatuli geschreven: Kristalman. Als dít er niet in slaagt om nieuwe Multatuli-lezers te werven…

    Kristalman, met als ondertitel Multatuli-oefeningen, is een hoogst opmerkelijk boek. Kennis van Multatuli of van zijn vele publicaties is niet vereist. Het heeft wat weg van een biografie van Eduard Douwes Dekker (de eigenlijke naam van Multatuli, waarschijnlijk overbodig om te vermelden, maar – om met Jean Pierre Rawie te spreken – ‘je weet nooit wie zo’n stukje onder ogen krijgt’); aan de andere kant gaat Kristalman over veel meer. Vanuit de gedachte dat de figuur Multatuli is ‘gekristalliseerd’ in allerlei ditjes en datjes wordt er geen levensbeschrijving van de schrijver gegeven (op een kort overzicht na dan), maar wordt hij benaderd vanuit verschillende, bijzonder verrassende invalshoeken. Zo worden er hoofdstukken besteed aan worst, melk en Multatuli’s opvattingen over ‘gevoel’. De verkenningen of ‘oefeningen’ die Jongstra doet om Multatuli beter te leren kennen, gaan vaak aan de hand van citaten, met name uit Multatuli’s Millioenen-studiën (1872) en Ideeën (1872-1880). Het stevig ingeburgerde beeld van de idealistische schrijver die zich met hart en ziel inzet om een emancipatie van Nederlands-Indië te bewerkstelligen, moet plaats maken voor een veel genuanceerder beeld: eerzucht en een kort lontje zijn dan wel moeilijk verenigbaar met het beeld van de ‘held’ Multatuli, ze maken hem tezelfdertijd tot een veel interessanter persoon.

    Boeken over oudere literatuur zijn zelden ‘leuk’. Wie neemt wel eens een literatuurgeschiedenis mee op vakantie? Lekker op het strand liggen bladeren in een verhandeling over het retorisch vernuft van Cicero. Flaneren over de boulevard van Marseille, met in je zak een pocketversie van Bastets biografie van Couperus. Een knappe Spanjaard aan de haak slaan door te beginnen over de maatschappijvisie in de Don Quichot. Nou, wie? Laten we eerlijk zijn: het merendeel der Nederlanders vindt het lezen van literatuur-historische werken te gênant voor woorden. Liever bloot in de trein dan met Beets in de trein. Nu zal Atte Jongstra hier weinig verandering in gaan brengen, maar wellicht wil men toch voor Kristalman wel een uitzondering maken: het is namelijk een vakantieboek. Het is rijk geïllustreerd, zowel in beeld als in woord (bij dit laatste denke men aan citaten uit Couperus en Zola), en het ademt een opgewekt sfeertje uit. Hier is geen dweepzieke multatuliaan aan het woord, geen stoffige filoloog, maar een romanschrijver die eens grondig onderzoek heeft gedaan naar een belangrijke collega van weleer en dit onderzoek op een luchtige wijze presenteert. Er schuilt ook humor in.

    Natuurlijk blijft de vraag voor wie dit boek bestemd is. Allereerst natuurlijk de Multatuli-fans, al is het maar de vraag of zij zich altijd kunnen vinden in Jongstra’s opvattingen van onze Veellijder. De letterkundigen zullen zich kostelijk vermaken met Kristalman (en er in stilistisch opzicht veel van kunnen opsteken), maar hun aantal is te verwaarlozen binnen de wereld van het geschreven woord. Rest de ‘gewone’ lezer. U dus. Komaan, wees een Vakantielezer! Denk aan zandkorreltjes over voetnoten, denk aan de knappe Spanjaard! Denk aan al die bevallige, charmante multatulianen, die in strandcafés en nachtclubs smachten naar uw kennis van de timmervaardigheden en melkafkeer van de grootste Nederlandse auteur aller tijden! Komaan!

     

     


  • Fijngestampte hersens, hartzeer en de dood

    Fijngestampte hersens, hartzeer en de dood

    Het is 1851, in Californië is dat de tijd van de Koorts. De alom aanwezige Amerikaanse cowboys worden wild van goudzucht. Door deze contreien trekken de titelbroers in De gebroeders Sisters. Hun doel is simpel: Hermann Kermit Warm moet dood.

    Charlie en Eli Sisters zijn beruchte moordenaars, met een faam à la Buffalo Bill. Het verschil is dat de broers Sisters in loondienst zijn, en wel bij de Commodore, een autoritaire en zelfgenoegzame rijkaard. Hun doelwit, Warm, is goud aan het zoeken in de buurt van San Francisco en wordt daar in de gaten gehouden door een andere medewerker van de Commodore. Om bij Warm in de buurt te komen reizen de broers door het koortsige cowboyland.

    Nu heeft de Canadees Patrick DeWitt (1975) met dit boek twee belangwekkende Canadese literaire prijzen gewonnen, de Governor General’s Literary Award en de Writers Trust Prize. Eveneens was hij vorig jaar genomineerd voor de Man Booker Prize. Tijdens het lezen van pakweg de eerste tientallen pagina’s kan deze wetenschap bevreemden: het lijkt een doorsnee western, en aanvankelijk is onduidelijk waarom DeWitts roman het literaire niveau van pakweg Karl May ontstijgt – laat staan dat het in de buurt komt van de romans van de hedendaagse meester Cormac McCarthy.

    Maar gestaag begint het boek te bevallen, en dat in steeds grotere mate. Er zit veel meer in dan de eerste lezersblik bevroedt. En dan niet alleen de amusante manier waarop DeWitt zowel de tandenborstel als de telefoon introduceert.

    Ja, de gebroeders Sisters moorden, en dat kunnen ze verdomd goed. Zonder enig literair voor- of naspel vallen de doden. Maar deze ogenschijnlijk gebroederlijk moordende mannen zijn allerminst hetzelfde: ‘Ons bloed is hetzelfde, we gebruiken het alleen verschillend.’ Hebben ze daarom van DeWitt de zo contradictoir op gebroeders volgende achternaam Sisters meegekregen? Anders dan de harte- en achteloos moordende Charlie, een drinker, blijkt de ik-persoon Eli helemaal geen kille moordenaar. Juist niet: alleen op drift kan hij moorden.

    Maar wanneer hij eenmaal in zo’n driftbui verkeert, dan is hij al briesend tot alles in staat. Natuurlijk weet Charlie dit en evenzo weet hij, broer als hij is, precies hoe Eli zo te manipuleren dat hij, als ware hij een opwindpoppetje, tot gebries en gemoord overgaat: ‘Mijn naam is Eli Sisters, jij hoerenjong, en als je niet opschiet en me brengt wat ik gevraagd heb schiet ik je ter plekke overhoop.’

    Dit is Eli Sisters, en het is eigenlijk een ontzettend sympathieke man. Het is een opmerkelijke prestatie van DeWitt dat waarschijnlijk elke lezer met Eli zal meeleven, ondanks zijn waarlijk moordlustige drift: ‘De hersens van de man kleurden paars van het bloed en schuim borrelde tussen de plooien omhoog. Ik trok mijn been op en stampte met mijn volle gewicht de hiel van mijn laars in het gat van zijn schedel, waardoor wat ervan over was verbrijzelde en zo compleet werd platgewalst dat het niet meer als menselijk hoofd herkenbaar was. Toen ik mijn voet weer optilde, voelde het alsof ik hem uit de natte modder trok.’

    De sympathie van de lezer wordt namelijk opgewekt door Eli’s gemijmer. Steeds meer begint hij te peinzen over het leven en over vrouwen. Het leidt hem tot alleszins terechte vragen: waarom moord ik eigenlijk, en zou ik er niet mee stoppen? De antwoorden volgen beetje bij beetje. Deze deelantwoorden worden afgewisseld met bijna-verliefdheden, maar toch vooral met moorden, waarmee Eli varieert op het ‘eerst schieten, dan vragen stellen’.

    Af en toe, en zeker in het begin, lijkt DeWitt teveel een procedé te volgen. Dit gaat als volgt: in ieder kort hoofdstuk speelt zich een opvallende situatie af, waarin de broers hun ruige reputatie versterken, en dan eindigt het met een quasi-reflectieve mijmer van Eli Sisters. Maar ook wat dit betreft komt het boek op gang, worden Eli’s kronkels prikkelender en laat het boek de voorspelbare trant los.

    Terwijl zijn broer zich iedere avond ongans drinkt aan de brandewijn, raakt de peinzende Eli vervuld van walging van zijn professie – en daarmee vervuld van zelfhaat. Het lijkt erop dat de moord op Warm zijn laatste klus voor de Commodore zal zijn. Eli’s mentale ontwikkeling en de reis van de gebroeders Sisters wordt afgewisseld met twee vreemde, enkele pagina’s tellende ‘intermezzo’s’. In het eerste treft Eli een zeven- of achtjarig meisje, die hem in haar droom had gezien: ‘“Ik kwam voor in je droom?” “Er kwam een man in voor. Een man die ik niet kende en niet mocht.” “Was het een goede of een slechte man?” Ze fluisterde: “Het was een beschermde man.”’

    Is Eli beschermd, en zo ja, wat houdt dat dan in? Zowel Eli als de lezer mogen hierop broeden. Zo ook op de verschillende passages, net over de helft van de roman, waarin de broers en Hermann Kermit Warm samen optreden. De naam van Warm mag haast opgevat worden als een onomatopee: Hermann Kermit Warm is een opmerkelijke figuur. Zijn karakter straalt onafhankelijkheid uit, en is aangekleed met een aantal verwonderlijke tics. Zo begint hij, terwijl hij zich in een levensbedreigende situatie bevindt, te fluiten. De melancholicus Eli raakt direct gecharmeerd: ‘Ik herkende het wijsje niet, maar het was zo’n deuntje als ik altijd graag hoorde: traag en sentimenteel en ongetwijfeld met een bijbehorende tekst die over hartzeer en de dood handelde. (…) Hij was een uiterst getalenteerde fluiter; het lied daalde en steeg, kwinkeleerde in de lucht en verdween toen in de ruisende rivier.’

    Maar waarom zitten de gebroeders Sisters achter deze figuur aan? Er blijkt iets met Warm te zijn dat op velen een koortsverhogende uitwerking heeft. Verklapt mag worden dat het plan van de broers, ondanks hun onmiskenbare moordenaarskwaliteiten, anders loopt dan gedacht. Wat volgt onthutst, amuseert ondanks de dood en weet soms zelfs te vertederen. Dit maakt De gebroeders Sisters niet tot een klassieker, maar wel tot een verrassend prettige roman.

     

  • Vroeger is geweest

    Vroeger is geweest

    Of je nu muziekliefhebber bent of niet: opgroeien gaat altijd gepaard met een muzikale omlijsting. Victor Schiferli beschrijft in zijn debuut Dromen van Schalkwijk de jeugd van het personage Felix Swammerdam, een wat schuchtere jongen die opgroeit in een troosteloze buitenwijk van Haarlem. Schiferli typeert de tijdsgeest aan de hand van muziek. Onder andere Iggy Pop, Tom Petty, John Hiatt en bands met voor de jaren tachtig kenmerkende namen als The Meteors, The Stooges, The Tears, The Teardrop Explodes en The Cure komen terug in het boek. De roman zal bij de generatie die geboren is in de (late) jaren zestig direct herkenning en nostalgische gevoelens oproepen. Bij het vormgeven van het verhaal heeft Schiferli zich laten inspireren door het cassettebandje, een inmiddels bijna vergeten voorwerp. Het boek is opgedeeld in een kant één en kant twee, allebei voorzien van een aantal ‘tracks’ die de titels van de hoofdstukken vormen.

    De manier waarop Victor Schiferli zijn debuutroman heeft vormgegeven onthult iets van de achtergrond van de auteur. Schiferli is naast schrijver ook muzikant, dichter en redacteur en speelde in de vroege jaren negentig van de vorige eeuw in de band Girlfriend Misery, waarmee hij met name in Spanje successen heeft behaald. Zijn eerste dichtbundel, Aan een open raam (2000), werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en ook Toespraak in een struik (2008) was kanshebber voor een belangrijke poëzieprijs. In Dromen van Schalkwijk brengt Schiferli een ode aan de muziek, hij laat een tijdperk herleven en verzuimt gelukkig niet dit retrospectieve relaas te voorzien van een gezonde dosis ironie.

    Als je stoer wilde zijn in de jaren tachtig, dan luisterde je naar punk en new wave. Felix Swammerdam doet dat ook, hoewel hij op zijn slaapkamer stiekem wegdroomt bij Neil Young, gadegeslagen door een papieren Elvis Costello. Felix sluit vriendschap met een paar leeftijdgenoten die een band hebben opgericht, genaamd New Dark Age. Hij bezit zelf geen muzikaal talent, maar raakt als ’manager’ verzeild in een wereld vol cynische songteksten, beautiful losers, springende gitaarsnaren, wiet en bier. De puberale uitspattingen zijn een welkome afwisseling op de gespannen thuissituatie van Felix. Zijn ouders zijn al een tijd gescheiden, de moeder is hertrouwd met een conservatieve, haatdragende man die het verleden en de daarbij behorende mensen (zijn ex-vrouw en de vader van Felix) het liefst zou laten verdwijnen. De jongen weet zich staande te houden door zich terug te trekken op zijn kamer, die zich bevindt op een etage van één van de talrijke, asgrauwe flats die Schalwijk rijk is. Vader Swammerdam, een vrijzinnige fotograaf die sinds zijn mislukte huwelijk vele vrouwen heeft verlaten, bezoekt zijn zoon regelmatig, maar van een hechte band is geen sprake.

    Eén van de ergste beledigingen die je als ‘authentieke underdog’ naar je hoofd geslingerd kon krijgen, bestond uit het woord cliché. Helaas is Felix erg chlichématig. Aan het einde van de roman wordt hem dat gezegd door een leeftijdgenoot, maar voor de lezer was het al lang duidelijk. Zo verstaat het hoofdpersonage de kunst om met onuitsprekelijk alleszeggende woorden eigenlijk niets te zeggen: ‘De allesoverheersende wil tot het realiseren van een ondenkbaar verlangen. Herinneringen aan rusteloze avonden en nutteloze nachten. De wetenschap te hopen op het onmogelijke, het najagen van onbestaanbare idealen, ijdele verlangens. En ondanks die wetenschap vasthouden aan wat je weet dat onmogelijk is.’ Het object van het ‘ondenkbare verlangen’ is Charlotte, het meisje waarop Felix verliefd is. ‘Sinds ik haar voor het eerst zag, was ik verloren.’ Het is niet verbazingwekkend dat het meisje weinig onder de indruk is van haar bewonderaar.

    Dat het in de roman gaat om dromen, herinneringen, maakt Schiferli duidelijk aan de hand van zijn minimalistische benadering. De personages blijven vlak, psychologisering is onnodig. Aan de hand van de muziek, de omgeving en gebeurtenissen krijgt de lezer een indruk van de jeugd van Felix, zonder dat er wordt ingegaan op innerlijke motivaties. Het taalgebruik is eenvoudig, recht door zee, hoewel de poëtische kant van de auteur zich af en toe manifesteert: ‘De muziek is bijna afgelopen. We leven in de uitloopgroef van de geschiedenis.’ In sommige gevallen wordt de lezer enigszins onderschat en legt Schiferli te veel uit. Zo beschrijft Felix één van zijn vaders vriendinnen als ‘een onopvallend type dat zelf zei dat ze weinig aandacht nodig had, alsof het een vetplantje was dat bijna geen water hoefde. Je vroeg je af of ze het echt meende.’ Door de laatste zin wordt het cynisme onderuit gehaald met een knullige constatering. Dat zegt wellicht iets over het personage, maar het verwijdert tegelijkertijd de welkome scherpe randjes van de tekst.

    In Dromen van Schalkwijk schuurt er iets, ondanks de nostalgie en het jeugdsentiment. De muziek komt ongeschonden uit de puberale strijd, maar jongensdromen over een flitsend leven als authentiek kunstenaar lossen langzaam op. De idealen van de jonge bandleden van New Dark Age imploderen, vriendschappen verwateren. De onaantastbare status van David, frontman van de band en de personificatie van de kritische, grensverleggende en brutale tijdsgeest, brokkelt langzamerhand af. Grote plannen hebben is prima, maar ze moeten wel haalbaar zijn. Tijdens een optreden kun je het publiek uitdagen, maar je moet het niet schofferen. Drugs horen erbij, maar bij welke joint ga je over de schreef? Felix, de kleurloze, richt zijn blik uiteindelijk op de sterren. Beter omhoog kijken dan omlaag, want vroeger is geweest.

     

  • Research voor een roman die nog geschreven moet worden

    Research voor een roman die nog geschreven moet worden

    ‘Straks is ze dood en kan niemand het meer navertellen. Niemand die nog zou weten dat het nog maar veertig jaar geleden is dat meisjes zuchtten onder de dwang van de maatschappij, die voorschreef hoe zij moesten denken. En vooral ook van de dominee, die hen opzadelde met een eeuwig schuldgevoel. Niemand die nog zou weten dat je voortdurend bang was om zwanger te raken. [..] Niemand. Behalve zij.’ Aldus Franny in Vriendinnen van vroeger, vrouwen van nu, alias van Rudi Wester (1943), voormalig directeur van het Literair Nederlands Productie- en Vertalingenfonds en van het Institut Néerlandais in Parijs.

    Franny wil daarom een boek schrijven ‘over hun unieke vriendschap, over hun verleden en heden over een tijdsbeeld van vrouwen tout court’ en daarvoor heeft zij haar  vriendinnen uitgenodigd voor een weekend in een Twents landhuis: een makelaar, hoogleraar, huisvrouw, oprichtster van een modellenbureau en zijzelf is directeur van een museum voor moderne kunst. Ze hebben elkaar leren kennen op het studentendispuut van de Vereniging voor Vrouwelijke Studenten aan de Vrije Universiteit. Nu, 40 jaar later, halen ze herinneringen met elkaar op over die bijzondere tijd in de jaren zestig.

    In deze debuutroman van Rudi Wester volgen we de vriendinnen van vrijdagmiddag tot zondagavond. Ieder hoofdstuk is een dagdeel. Tussen het praten door maken ze een wandeling, zijn ze aan het eten of drinken ze een glas wijn. De meeste passages van de roman bestaan uit de gesprekken tussen de vriendinnen.

    Die gesprekken verlopen keurig thematisch: bij het diner de rol van godsdienst (ze komen alle vijf uit een gereformeerd nest), tijdens het ontbijt het studentenleven en op zaterdagavond seks. Soms heeft het iets weg van een geschiedenisles over de jaren zestig: ontgroening, de Provo’s, Dolle Mina’s, Baghwan, de pil (alleen beschikbaar voor getrouwde vrouwen) en het dubbeltje van Abraham Kuyper voor de instandhouding van de – gereformeerde – Vrije Universiteit.

    Het verhaal en de gesprekken worden onderbroken door overpeinzingen over vriendschap, zoals  ‘Bij vriendinnen heb je gradaties. Je hebt hartsvriendinnen, goede vriendinnen en gewone vriendinnen. Wij zijn buitengewone vriendinnen, want we weten eigenlijk niets van elkaar.’

    Van een plot is niet echt sprake, maar via een alwetende verteller wordt op verschillende momenten spanning opgeroepen. De verteller voorspelt bijvoorbeeld dat het weekend ’totaal anders’ zal verlopen dan Franny denkt. Ook Franny zelf  heeft regelmatig voorgevoelens dat dit weekend schadelijk kan zijn voor de vriendschap. Die spanning wordt niet waargemaakt. De climax is een ruzie van paar regels over pensioen: misschien origineel, maar wel een anticlimax.

    Rudi Wester heeft in interviews aangegeven dat ze oorspronkelijk een non-fictieboek wilde schrijven. Omdat een van de vriendinnen uiteindelijk tegen publicatie was, heeft Wester het boek gefictionaliseerd en er een roman van gemaakt. Daarin is de schrijfster niet ver genoeg gegaan. Zo wordt de lezer regelmatig getrakteerd op informatieve passages met uitleg over de oprichting van de Vrije Universiteit of het ontstaan van de Baghwanbeweging die eerder passen in een non-fictieboek.

    Hoofdpersoon Franny heeft als voorbereiding op dit weekend de roman The Group (1963) van Mary McCarthy aan haar vriendinnen gestuurd, ook een portret van vriendinnen en vrouwenlevens maar dan in de jaren dertig in New York. In deze roman leven we als lezer mee met de vrouwen in een bijzondere tijd, bij Wester luisteren we alleen maar de gesprekken af óver die tijd van vroeger. Vriendinnen van vroeger, vrouwen van nu geeft daardoor de indruk van een gefictionaliseerd verslag van de research voor een roman die nog geschreven moet worden.

     

     

     

     

  • Facebook en de pijn van het zijn

    Facebook en de pijn van het zijn

    Facebook maakt ons ongelukkig, ondergraaft onze authenticiteit en laat ons denken dat iedereen beter af is dan wijzelf. Socioloog Koen Damhuis is jong genoeg om er een boek over te schrijven. Best leuk, maar het maakt niet gelukkig.

    We leven in verwarrende tijden. De hele wereld past in de iPhone en die past weer in onze binnenzak. Maar door de globalisering is de wereld wel erg groot geworden. En alles kan. Iedereen roept dat je alles kunt worden wat je wilt, áls je maar wilt. De tv stroomt over van talentenjachten waarbij roem – of althans veel Twittervolgers – voor iedereen binnen handbereik lijkt. Je vrienden op Facebook leiden allemaal een rijk leven vol reizen, feesten en hippe must haves. En ja, dan wil je wel eens aan het twijfelen slaan. Bij voorbeeld als je student bent in Parijs. Want succes komt niet vanzelf: het is hard ploeteren in de bieb, je weet niet wat je worden wilt, en door de crisis kán dat ook misschien wel niet. Maar al je vrienden zijn al wél wat, en doen nog veel meer. En dat zul je weten ook, met dank aan Facebook en Twitter.

    Hersenschimmen, schone schijn
    Koen Damhuis studeerde sociologie aan de Sorbonne en dacht na over zijn onbehagen in De virtuele spiegel. Gezien het epische succes van Facebook, Twitter en andere sociale media is er alle reden voor een nadere beschouwing van het fenomeen. Damhuis vertelt over Twitter als wereld van schone schijn, waar vooral would be-genieën kunnen schitteren, zoals lady Gaga met haar 20 miljoen volgers. Hij schrijft over FOMO, the fear of missing out, omdat je de hele tijd wordt bestookt met tweets en posts van dingen waar jij bij had moeten of willen zijn. Over de media die ons continu aanpraten dat we kunnen worden wat we willen, of, zoals Idols-jurylid Stacy Rookhuizen het zo trefzeker zegt: ‘Als je overal schijt aan hebt, kun je alles bereiken.’ We wachten af. Damhuis denkt door over wat er gebeurt met onze identiteit en authenticiteit. Facebook confronteert ons ermee dat dat hersenschimmen zijn. Het een, omdat de eenduidigheid ontbreekt (we hebben geen kern) en het ander omdat we niet meer zijn dan een verhaal dat we over onszelf in omloop brengen (ik parafraseer Komrij). En dan maar hopen dat dat verhaal aanslaat… Gevolg is dat we onszelf als Narcissus verliezen in ons spiegelbeeld. Alleen is dat nu verzadigd met de reflecties van facebookvrienden, die soms niet te beroerd zijn om een opgestoken duimpje aan te klikken (aandacht! erkenning!), maar ons meestal veroordelen tot het ‘vind-ik-leuken’ van wat zij posten. Hebben we een probleem? Ja, zeggen psychologen in de VS: de Facebookdepresssie waart rond.

    In de laatste hoofdstukken biedt Damhuis drie overlevingsstrategieën om aan de malaise te ontsnappen: zelfverbetering (fake it, till you make it), zelfaanvaarding (stop being perfect) of: ‘durf te falen’ (dare to be boring).

    Hardvochtig gehakt
    Hebben we wat aan zijn wijze raad? Nee, natuurlijk niet. De virtuele spiegel is geen zelfhulpboek, maar een snel geschreven, vlot lezende beschouwing over de hedendaagse pijn van het zijn, opgehangen aan sociale media als Facebook, Twitter en LinkedIn. Af en toe mag een grote denker een oneliner leveren (Montesquieu, De la Rochefoucauld, Schopenhauer), maar de meeste zendtijd gaat toch naar doorgeleerde columnisten als Rob Wijnberg, Stine Jensen, Alain de Botton en Bas Haring. Om van Stacey Rookhuizen maar te zwijgen. Altijd fijn, die veelstemmigheid, maar het risico bestaat dat de citaten elkaar doodslaan. Zo zegt niemand minder dan ‘cultuurcriticus en oud-hoogleraar Engelse literatuur aan de universiteit van Yale William Deresiewicz’: ‘Not long ago, it was easy to feel lonely. Now, it is impossible to be alone.’ Dat deed koningin – Eenzaam maar niet alleen – Wilhelmina beter.

    De conclusie zou kunnen zijn: een aardig boekje, dat op luchtige toon probeert iets zinnigs te zeggen over ons tijdgewricht. Goed genoeg om een middagje in te lezen, niet goed genoeg om ‘te gek’ te zijn. Maar dan wel met een paar aantekeningen. De tekst is opgehakt in stukjes van 2 tot 4 pagina’s, met allemaal hun eigen titel, gebundeld in een tiental hoofdstukken. Die mogen allemaal bovenaan hun eigen pagina beginnen, met alle hele en halve witte bladzijden van dien. Door die operatie kan zo’n stuk dan ineens beginnen met: ‘Gelukkig bestaat er dan ook alleen maar een “vind ik leuk”- knop …’ of ‘Het bijeen sprokkelen van dit soort informatie voedt wat sociologen relatieve deprivatie noemen’. Hier is een lopend betoog wreed onderbroken. Een stapje erger wordt het als de overlevingsstrategieën in beeld komen. De tekst gaat daar over identiteit, de mate waarin we die kunnen creëren, de rol van imitatie daarbij en de wijze waarop dat door Facebook aan het schuiven gaat. Met dank aan de filosoof-socioloog René Girard. De contouren van een samenhangende visie lijken op te doemen, maar moeten wijken voor scheurkalenderwijsheden. De overlevingsstrategieën als zodanig zijn er later op of in gelegd en dat pakt slecht uit. Wie heeft hier gedacht: het moet ehhh… leuker? Gewoon, niks eigen denkwerk, maar korte stukkies, kekke titels en lekker veel wit, dan komt het goed. En toen het niet goed kwam: misschien een duidelijke format, dat geeft houvast. Een zelfhulpboek ofzo. Ga toch twitteren, denk ik dan vermoeid.

     

     

  • ‘Zo kwam je overal doorheen’

    ‘Zo kwam je overal doorheen’

    Een stadje aan de Rijn, een klaslokaal met ijsbloemen op de ruiten, zeventien jongens in de schoolbanken en een onderwijzeres die met ze mee springt en rent als ze naar buiten gaan. Een lieflijk verhaal zou het worden. Maar alles verandert met de tijd en plaats: Duitsland, dinsdag 27 februari 1934, precies een jaar na de brand van de Rijksdag. In de klas van de katholieke jongensschool dragen de meeste tienjarige jongens het uniform van de Hitlerjugend met een speldje van de nieuwe vlag op de bruine kraag, de negenjarigen mogen nog geen lid worden en zijn in versleten kleren gehuld.

    De Duits-Amerikaanse schrijfster Ursala Hegi keert sinds haar bestseller Stenen van de rivier weer terug naar het fictieve stadje Burgdorf. In die roman – opgenomen in Oprah’s Book Club – observeerde de dwerg Trudi Montag de wereld om haar heen in de periode van de Eerste Wereldoorlog tot na de Tweede. Trudi komt nog even langs, maar nu leven we mee met de onderwijzeres Thekla Jansen.
    Thekla Jansen (34, ongetrouwd, wel een minnaar) heeft eindelijk een aanstelling als onderwijzeres gekregen. Tien jaar moest ze wachten. Nu heeft ze de kans gekregen om de klas over te nemen van haar eigen lerares Sonja Siderova. ‘Het enthousiasme van onze leerlingen herkennen vormt de helft van ons onderwijs’ was het motto van Siderova. En Thekla weet dat in de praktijk te brengen: ze gooit het lesprogramma om als ze merkt dat haar leerlingen op dat moment nieuwsgierig zijn naar andere kennis, weet biologie, taal, rekenen en literatuur tijdens een excursie met elkaar te verbinden en heeft oog voor wat er omgaat in haar leerlingen. Ze is een droomlerares en alle jongens zijn verliefd op haar.
    Een heldin dus. Maar hoe moedig is de op het eerste gezicht kritische Thekla? Als kind wist ze zich al aan te passen: ‘Ze laat de dingen die haar verontrusten van zich afglijden. Zo kwam je overal doorheen [..]’ En zo gaat ze ook om met de eisen die de Führer aan het onderwijs stelt. Dat gebeurt stap voor stap. Eerst playbackt ze nog de Hitlergroet en doet ze haar arm niet omhoog, maar al snel salueert ze hardop, voor het geval haar leerlingen haar betrappen. ‘Het zijn maar woorden,’ houdt ze zichzelf voor. Gedichten van de verboden Heinrich Heine verruilt ze als dat nodig is voor die van Goethe. ‘Zij kan wel afwachten tot dit overwaait.’ Moeilijke zaken loopt ze uit de weg. Het gebruikelijk bezoek aan haar oude lerares Sonja Siderova blijft ze uitstellen, net als het gesprek met de ouders van Bruno Stosick. Bruno, die zo graag lid wil worden van de Hitlerjugend, maar niet mag van zijn ouders. Thekla wil ze overtuigen dat een lidmaatschap hun zoon goed zal doen; ze gunt hem het kameraadschap: ‘Wat kan het voor kwaad om Bruno een paar bijeenkomsten te laten meemaken? Wij hadden vroeger ook liedjes en vreugdevuren.’
    De keuze voor een onderwijzeres als hoofpersonage is een gouden vondst. Zo kan Hegi in het klein laten zien wat ook op hogere niveaus gebeurt: de groepsprocessen in de klas zijn vergelijkbaar met de meutevorming bij de Hitlerjugend en die van de Duitse bevolking. ‘Toen [Thekla] Bruno naar de bijeenkomst was gevolgd, had ze meteen gezien dat die georganiseerd was door mensen die begrepen wat onderwijs was, hoe ze kinderen moesten respecteren en inspireren. Zo gaf Thekla ook les, instinctief.’

    We volgen Thekla Jansen die ene dag in februari, van ’s ochtends vroeg in het klaslokaal tot ’s avonds laat als ze bedenkt welk gedicht ze haar jongens de volgende dag zal voordragen. Deze beschreven dag wordt afgewisseld met hoofdstukken die zich in het verleden afspelen tussen 1899 en 1933. Zo ontstaan er twee niveaus. De dag zelf die steeds abrupt midden in een scène wordt afgebroken, in wisselwerking met de terugblik die we krijgen op het verleden van Thekla en haar ouders. Ursula Hegi bouwt door middel van van deze structuur de spanning op.

    Maar helaas ontwikkelt Jongens en vuur zich tot een pageturner die tegenvalt. De gekozen structuur weet Hegi niet vast te houden. De ene dag uit het leven van Thekla bestaat voornamelijk uit fragmenten innerlijke monoloog (herinneringen, mijmeringen en voornemens ) – dus ook weer sprongen in de tijd. En daarbij wisselt ze regelmatig van vertelperspectief. We kijken plotseling door de ogen van een specifieke leerling, de hele groep jongens, en soms brengt ze zelfs een ouderwetse alwetende verteller naar voren. De wisseling van perspectief is op zichzelf natuurlijk geen bezwaar, maar Hegi laat op deze manier weinig werk voor de lezer over. Alles wordt uitgelegd en verteld (ook bijvoorbeeld het verhaal van Icarus, het belang voor de geschiedenis van de Rijksdagbrand), voor het geval we het nog niet doorhadden. En zo lijkt Hegi ook haar eigen personage te behandelen. De roman werkt naar een climax toe die voor de lezer al snel duidelijk is, en het is niet overtuigend dat de intelligente Thekla de uitleg van haar docente Sonja Siderova nodig heeft.

    De grote onderwerpen en thema’s (buitenechtelijke zwangerschappen, verloren kinderen, zelfmoord) tegen de achtergrond van nazi-Duitsland en de vragen en dilemma’s die daarbij horen, maken Jongens en vuur tot een pageturner die je op sommige momenten met een brok in je keel moet lezen, maar die uiteindelijk niet overtuigt.

     

  • Schrijver versus lezer en omgekeerd

    Schrijver versus lezer en omgekeerd

     

    De teneur van het geheel van zes lezingen (Norton Lectures) die Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk in 2010 aan Harvard University gaf omtrent de kunst van het romanschrijven ligt in ruime mate in de titel besloten. De naïeve en de sentimentele romanschrijver refereert immers aan een onderscheid dat Friedrich Schiller voorstelde in zijn essay Over naïeve en sentimentele poëzie (1795-1796).

    Let wel:  ‘sentimentalisch’ heeft een andere betekenis dan het Nederlandse ‘sentimenteel’. Wat door Schiller werd geschreven over poëzie geldt blijkbaar ook voor literatuur en voor het schrijven van een roman.

    Naïef staat hier voor het onbevangen één zijn met de natuur zonder zich te bekommeren om ‘intellectuele of ethische consequenties’ of om ‘commentaar van de buitenwereld’. Het is nagenoeg een synoniem van ongekunsteldheid, spontaanheid, candeur.

    De sentimentele schrijver daarentegen vertegenwoordigt twijfel, stelt zich vragen, hanteert bewustzijn en ‘ maakt zich druk om educatieve, ethische en intellectuele principes’.

    Belangrijk daarnaast in de verhouding schrijver-lezer is ook wat Pamuk omschrijft als de kern van de roman, wat slechts voluit in de laatste lezing aan bod komt.

    De twee basisgedachten, het onderscheid naïef-sentimenteel en het zoeken naar een kern bij het lezen van een roman,  worden overvloedig ingekapseld in beschouwingen omtrent eigen ervaringen en betrachtingen en in verwijzingen naar de ‘echte’ romanschrijvers zoals daar zijn : Tolstoj, Dostojevski, Proust, Borges, Flaubert, Faulkner, Joyce, Perec, Thomas Mann. Geen Nederlandstalige auteurs inderdaad.

    Het ietwat vergeten Aspects of the Novel van E.M. Forster en Die Theorie des Romans van György Lukacs hebben Pamuk geestelijk en ideëel ondersteund. De rest komt uit zijn verwoed lezen van romans, uit zijn eigen ervaringen en betrachtingen als schrijver van fictie en non-fictie en uit zijn heel bijzondere situatie van bindmiddel tussen het Westen en het Oosten in casu zijn Turkse nationaliteit. Hij werd immers op 7 juni 1952 in Istanbul geboren, werd in 2006 Nobelprijswinnaar en schreef zowel openlijk als verholen autobiografisch en mag gelden als boeiende, originele en in feite discrete en oprechte denker die zijn ideeën en verlangens klaar en duidelijk formuleert.

    In deze verzameling van 6 telkens vijftig minuten durende lezingen treedt  de auteur beurtelings op als lezer en als schrijver. Hij ontleedt de bedoelingen en verwachtingen van beiden, aanvankelijk vanuit een concreet gescheiden en ogenschijnlijk ietwat ongenuanceerde stelling die geleidelijk door de realiteit en de diversiteit van de benaderingen ingesneeuwd raakt zonder dat weliswaar de essentie uit het oog wordt verloren.

    Tekenend in dat verband is zijn verzuchting – of is het een bekentenis?- aan het eind van het betoog: ‘ …het mooiste wat je als romanschrijver kan bereiken is, volgens mij, tegelijk naïef en sentimenteel te zijn.’

    Hij had dat evengoed voor de lezer kunnen bedenken en voor diens zoeken naar de kern die zogezegd in iedere behoorlijk roman aanwezig zou zijn.

    Men mag daarbij niet uit het oog verliezen dat Pamuk ervan overtuigd is dat de nu ongeveer 150 jaar oude roman met brio alle andere literaire genres heeft overtroffen en in de schaduw gesteld.

    De reis van Anna Karenina in de trein, die haar van Moskou naar haar thuis (en haar saaie echtgenoot) in Sint-Petersburg brengt, lijkt hier wel een steeds terugkerend refrein, het toonbeeld bij uitstek van hoe een personage wordt ontleed aan de hand van omringende voorwerpen en toestanden. Zij leest een boek, maar slaagt er niet in zich te concentreren, zozeer is zij gegrepen door gedachten en de herinnering aan de jonge officier met wie zij danste. Tolstoj suggereert haar gemoedsgesteltenis door te beschrijven wat in de treincoupé gebeurt of permanent aanwezig is, door het landschap op te roepen en de sneeuw tegen de ruiten om aldus onrechtstreeks de emotie en de geestelijke verwarring van de jonge vrouw aan de lezer op te dringen. In de ogen van Pamuk is dit een meesterlijk stuk suggestieve (roman)literatuur.

    Lezer en schrijver zijn in het essay van Pamuk twee noodzakelijk en onherroepelijk met mekaar verbonden identiteiten die naar elkaar op zoek gaan. De relatie schrijver-lezer, het stapelen van voorwerpen en van geestelijke of reële landschappen, van zinspelingen en picturaliteit die de ene aanbrengt en de andere ontdekt en assimileert op zijn/haar tocht naar de kern lijkt ons bijwijlen wat idealiserend en overtrokken, vooral als we bedenken wat ons zo allemaal als scheppend proza wordt aangeboden en opgedrongen.

    Op enkele uitzonderingen na beschouwt Pamuk trouwens thrillers niet als romans die passen in zijn visie. Uiteindelijk geeft hij gaandeweg ietwat schoorvoetend toe dat die fameuze kern niet altijd zo intens en stralend aanwezig is als hij aanvankelijk poneerde en dat tussen naïef en sentimenteel veel schemerzones vertoeven.

    De lezer van de goede roman wil zich in enige mate vereenzelvigen met het personage, vindt de auteur. Via het ‘mot juste’ en het ‘image juste’ treedt hij binnen in een wereld die de zijne is (geworden) en die hij voor zich ziet opduiken. Die lezer kan zich ook niet ontdoen van de gedachte, die bijwijlen een zekerheid wordt, dat het personage een beetje de auteur is. Op pregnante wijze ontleedt en omfloerst Pamuk de veelzijdige en veelkleurige relatie tussen auteur/personage en lezer, tussen boodschap en verlangen, illusie en werkelijkheid.

    Als hoogstpersoonlijke meditatie over wat de romankunst uitmaakt en hoe zij ontstaat en wordt ervaren is dit een bijzonder boeiend en verrijkend geheel van bedenkingen die echter niet meteen heel overzichtelijk overkomen omdat zij onder secundaire uitweidingen worden bedolven. Wie echt klaar wil zien in wat uiteindelijk vrij eenvoudig blijkt te zijn doet er wellicht goed aan het boek tweemaal te lezen. Zo verschijnt de basisstructuur als iets vanzelfsprekends en hinderen de bijkomende reflecties steeds minder.

    Bijzonder belangrijk en ongetwijfeld  vaak geraadpleegd voor wie meer wil dan enig oppervlakkig luisteren naar Pamuk is het uitgebreide register van namen en items achteraan in het boek. Het mag vreemd klinken maar na een aandachtig binnendringen in de visie van Pamuk ervaar en benader je de romankunst op een andere manier. Dat is uiteindelijk de bedoeling van het boek.
     

  • De hoop van Plato en de wanhoop van Nietzsche in een winters Drenthe

    De hoop van Plato en de wanhoop van Nietzsche in een winters Drenthe

    Blindgangers, de nieuwe roman van filosofe Joke Hermsen, gaat over het heden en het verleden, over hoop en wanhoop. Een vriendengroep, bestaande uit zes gedesillusioneerde vijftigers, komt in een winters Drenthe bijeen om het 25-jarige jubileum van hun studentenclubje filosofie Nil desperandum (gij zult niet wanhopen) te vieren. Gij zult niet wanhopen, nooit eerder was dit zo van toepassing als in deze fasen van hun levens.

    Blindgangers begint zwak met een nogal bombastische opvoering van de dramatis personae. In een ongetwijfeld humoristisch bedoelde persoonsschets maakt de lezer kennis met Bas, Iris, Johan, Reindert, Ella en Det. Mede door deze slappe introductie komt het verhaal traag op gang, met (te) veel aandacht voor detail. ‘Hij viste een schoon filter uit het pak, gooide er aan paar scheppen koffie in, vulde het waterreservoir tot aan de rand, zette het ding aan een veegde achteloos met de mouw van zijn jas de muizenkeutels van het gebarsten aanrecht.’

    Bas, de eerst opgevoerde personage, maakt al op de eerste pagina’s duidelijk waar het in Blindgangers om draait: om het verleden en het heden, die gelijk staan aan hoop en wanhoop. Bas snakt naar verandering in zijn leven, maar hij heeft geen idee hoe hij dat moet aanpakken. Ook niet waar hij de moed vandaan moet halen trouwens. ‘Hij wist alleen dat zijn huidige leven hem niet meer paste, dat het hem de afgelopen jaren veel te krap was komen te zitten.’ Ook Reindert kampt met dit probleem. ‘Een nieuwe start’ is alles wat hij wil, maar ook hij heeft geen idee hoe. Deze sympathieke man zit genadeloos klem tussen de vrouwen in zijn leven. Iris ligt met zichzelf overhoop: ‘Het fantastische kunstwerk dat zij van haar leven had willen maken, bleek een knutselwerkje te zijn.’ Anna zit gevangen in een liefdeloos huwelijk met Bas, terwijl Ella het aan de stok heeft met Reinderts ex en dochters. Det, de laatste van het groepje, is een briljant dichteres, maar bij gebrek aan een lezerspubliek geeft zij Nederlandse les aan buitenlandse vrouwen. De vrienden proberen wanhopig hun hoofd boven water te houden in deze chaotische tijd van vergaande individualisering, gebrekkige communicatie en crisis. Johan lijkt de uitzondering te zijn: als enige is hij geslaagd in het leven.

    Desillusie drukt haar stempel op het gezellige weekendje van het vroegere studentenclubje: ‘In plaats van een paar amicale en verbroederende dagen op het idyllische platteland, …, gingen ze een oorlogszone vol brandhaarden tegemoet, die elk moment tot ontploffing konden komen.’ Erg ontspannen is het dus niet in het besneeuwde Drenthe.

    Bruisde hun gezamenlijke verleden nog van hoop en verwachting, in het heden hebben teleurstelling en wanhoop de vrienden ingehaald. Plato is uit hun leven verdwenen, Nietzsche heeft luidruchtig zijn intrede gedaan. Allemaal snakken ze naar een totale omslag, maar niet één van hen heeft ook maar enig idee hoe dat te bereiken. Omdat het niemand lukt in actie te komen, is er ook maar weinig actie in de plot. Toch wordt het boek niet saai, het lijkt wel of de personages de plot zijn.

    Ella vat de problematiek halverwege het boek nog eens samen: ‘Maar als je er goed over nadenkt, hebben we geen van allen bereikt wat we wilden.’ Of zoals Iris het formuleert: ‘Het was net of ze vroeger niet alleen een serieuzer, maar ook een waarachtiger leven leidden.’

    Door de vele teleurstellingen en uiteenlopende levenspaden hebben de vrienden nog maar weinig filosofische en intellectuele gespreksstof, maar onder het oppervlakkige geneuzel dat de boventoon voert, gaat een dreigende groepsdynamiek schuil. Het gesprek komt steeds terug op het proefschrift van Bas. Zijn levenswerk waar hij al jaren aan schrijft, niet bij machte het te voltooien. De hoon van Johan valt hem steeds weer ten deel. Het is dan ook Bas die als eerste een besluit neemt. Het roer gaat om, hij wil niet langer een schim van zichzelf zijn. Jarenlang had hij zich gebogen over de verhouding tussen geest en brein, maar steeds weer liep hij vast. Nu realiseert hij zich dat hij het al die tijd verkeerd aanpakte: ‘Zijn onstoffelijke geest was als het ware de kapitein aan boord van het schip van zijn bewustzijn en zijn stoffelijke brein was slechts de stuurman….’ Eindelijk inzicht, eindelijk een doorbraak.

    Maar de drang naar verandering neemt de duistere onweerswolken die boven het laatste etentje samen pakken niet weg. En zoals te verwachten barst inderdaad een hevig noodweer los boven de keurig gedekte tafel. Weer ontstaat dezelfde discussie tussen Johan en Bas over geest en brein. Zonder hem en zijn boek met name te noemen, haalt Hermsen uit naar Swaab en zijn Wij zijn ons brein als de vrienden afgeven op ‘die man van die ene bestseller’ en hem fanatiek bestrijden. Ook deze laatste discussie over geest en brein brengt niets nieuws, geen nieuwe argumenten en net als de lezer een geïrriteerde zucht wil slaken over deze herhaling van zetten, valt het op dat er wel degelijk iets is veranderd. Niet in de discussie, niet in de argumenten, maar in het vriendenclubje zelf. Dit keer wordt niet Bas in het nauw gedreven, maar staat Johan met zijn rug tegen de muur. Johan, als enige geslaagd in het leven, die vrij denkt te zijn, maar die als hyperindividualist alleen blijkt te staan in zijn inhoudsloze vrijheid. Het boek eindigt sterk: het laatste hoofdstuk is niet alleen prachtig geschreven, het ontroert ook.

    Hermsen schreef eerder de veel geprezen essaybundel Stil de tijd (2009). Niet alleen in haar essays, ook in haar romans zijn filosofie en literatuur nauw verweven. Ging dat in De liefde dus (2008) nog te pretentieus en geforceerd, in Blindgangers heeft Hermsen de juiste toon gevonden: filosofie en literatuur gaan op overtuigende en harmonische wijze samen. Literatuur met de hoofdletter L.

     

     

  • Sluit je ogen maar

    Sluit je ogen maar

     

    De filmwereld kent The Golden Raspberry Awards, ook wel The Razzie Awards genoemd, voor de slechtste films. Voor zover bekend kent de literatuur een dergelijke prijs niet. Dat is jammer want anders had het boek Als ik mijn ogen sluit van de Braziliaanse auteur Edney Silvestre hoge ogen gegooid in de categorie Slechtste buitenlandse boek dat in eigen land met een literaire prijs bekroond is.

    Het debuut van Silvestre, dat twee Braziliaanse prijzen gewonnen schijnt te hebben, mag je eigenlijk geen literatuur noemen. Het is eerder een ‘literaire thriller’ waarbij je dan meteen het raadsel op moet lossen waar dat literaire dan in zit. Vaak is die benaming niet veel meer dan een dun laagje vernis dat de thriller moet doen opleuken. Hier is dat ook zo.

    Dit boek is geen literatuur. Daarvoor is het gewoon te oppervlakkig. De spanning – als die er al is – glijdt langs de huid maar komt er nergens onder. Het geheel is geschreven in een taal die vlak en bij vlagen gekunsteld aandoet. De personages zijn bedacht, meevoelen en inleven is alleen op een oppervlakkige manier mogelijk. Elke originele gedachte of formulering ontbreekt. In plaats daarvan krijgen we een thriller, een detective, een verhaal dat wil amuseren maar de lezer niet aan het werk zet – op geen enkele manier.

    Goed, geen literatuur dus, maar is het boek als thriller wel geslaagd? Niet echt. Het verhaal is dun, de uitwerking mager en onverwachte plotwendingen ontbreken. In het begin doet Als ik mijn ogen sluit nog wel denken aan de boeken van de Italiaanse succes-auteur Niccolo Ammaniti, die in eigen land ook een literaire prijs in de wacht sleepte. Bij Ammaniti zijn de hoofdpersonen vaak jonge jongens en is er een mysterie dat opgelost dient te worden, of hangt er een misdaad in de lucht. Zo ook hier. Bovendien vertoont het omslag van Als ik mijn ogen sluit nogal wat overeenkomsten met de omslagen van de boeken van Ammaniti. Maar gaandeweg nemen de verschillen toe en blijkt Silvestres boek niet veel meer dan een mislukte thriller.

    Het verhaal dan maar. Hoofdpersonen zijn de twaalfjarige jongens Eduardo en Paulo. De één is arm en wordt thuis verrot geslagen, de ander is in alle opzichten wat beter af. Samen vinden ze in de eerste pagina’s een lijk van een vrouw die ernstig mishandeld blijkt te zijn. Eén van haar borsten is afgesneden. Nadat de jongens even kort verdacht zijn geweest van de moord, gaan ze op zoek naar de dader. Daarbij worden ze al snel bijgestaan door een oude man. Het drietal gaat op onderzoek en het spoor leidt o.a. langs een non, een hoer (echt waar), een generaal en een burgemeester naar de krochten van de Braziliaanse macht.

    Het hele verhaal wordt opgediend met een licht sausje van Braziliaanse geschiedenis (er zijn drie bladzijden historische uitleg aan de roman toegevoegd) en speelt zich af in 1961, en kijkt af en toe terug op de jaren dertig toen Brazilië zuchtte onder de dictatuur van Getulio Vargas. Een slechterik. Ook de namen van Mao, Stalin, Hitler en Eichmann worden even genoemd, waarschijnlijk om duidelijk te maken dat we hier met echte schurken van doen hebben.

    Seks speelt een belangrijke rol in dit boek maar dan vooral om de lezer bang te maken en de spanning erin te brengen. Vrouwen zijn van seks het slachtoffer, mannen zijn daders. De vermoorde vrouw is haar hele leven al misbruikt. Zij is de enige niet. Ook de vrouw van de oude man is seksueel gefolterd en verkracht. Mannen zijn schurken. Het puberbroertje van één van de jongens pocht al over het misbruiken van een werkster, en de vermoorde vrouw bleek door talloze mannen van stand al jaren seksueel uitgebuit te zijn.

    De enigen die vrij van zonde zijn, zijn de twee jongens en de oude man. Simpelweg omdat zij de lust nog niet kennen of voorbij zijn. De oude man kijkt terug op een zondig leven en de jongens voelen de hormonen soms kriebelen. Kortom, de jeugd heeft nog een onschuld die in de verdorven wereld der volwassenen ver te zoeken is. De aanwezigheid van de jongens dient dan ook als tegenwicht tegen de duistere machten. Diezelfde truc, want dat is het, kom je ook tegen bij Stephen King en Steven Spielberg. Die doen dat doorgaans een stuk beter.

    De aanwezigheid van de jongens gaat op den duur behoorlijk irriteren. In te lange dialogen, vol korte zinnetjes, kakelen ze soms als kip zonder kop. Hun karakters komen niet uit de verf en blijven van papier.

    Een aantal keer overschrijdt Silvestre een grens waar hij al voortdurend tegenaan schuurt, de grens tussen kunst en kitsch. Zo vraagt de oude man de jongens of zij de film Sneeuwwitje hebben gezien, de Disney tekenfilm uit 1937. De jongens zijn even druk met iets anders. Dan zegt de man: ‘Weten jullie wat Guernica was? Wat Guernica betekende? Het bloedbad? Het bombardement? De afslachting van vrouw, kinderen en bejaarden? Weten jullie dat? De opkomst van het fascisme? Weten jullie van de Spaanse burgeroorlog? Picasso?’
    Van Sneeuwwitje naar Picasso met als tussenstop de Spaanse burgeroorlog en dat op een toon die aan Jiskefet doet denken.

    Dergelijke grotesken komen wel meer voor. Er is een scène met een hoer in een heuse peignoir die dol is op de opera Tosca van Puccini. De muziek dient ook de lezer te bedwelmen en uit de opera wordt herhaaldelijk geciteerd. De jongens weten uiteindelijk informatie uit deze vrouw (ze komt uit Polen) los te krijgen door te dreigen haar langspeelplaat met het meesterwerk te vernietigen. De combinatie van een prostituee, een peignoir, de opera, de jongens en de oude man is op zich al grotesk. Daarbij komt nog dat de hele scène uiterst ongeloofwaardig is. De vrouw gaat vervolgens eens rustig aan de oude man vertellen hoe het nu zit.

    Het mag nu wel duidelijk zijn. Nee, dit boek is niet wat het belooft. Wie van literatuur houdt heeft betere dingen te lezen.

     

     

  • Eigentijdse, thrillerachtige doktersroman

    Eigentijdse, thrillerachtige doktersroman

    Voelen of niet voelen, dit gegeven komt in al zijn facetten aan de orde in De verdovers, het nieuwste boek van Anna Enquist.
    Het VU-Medisch Centrum in Amsterdam nodigde Anna Enquist uit om enkele maanden mee te lopen op de door haar gekozen afdeling anesthesiologie. Hier ligt de bron voor deze roman. Het motief om juist deze discipline te kiezen ligt in de tegenstelling die de anesthesiologie vormt met haar eigen vak: de psychotherapie. De anesthesist voorkomt pijn bij de patiënt, verdooft deze zodat hij of zij niets van de operatie en de pijn voelt of merkt. De psychotherapeut zoals Enquist zegt ‘haalt de pijn bij de patiënt naar de oppervlakte omdat het heilzaam is te voelen wat er in hem of haar omgaat, dit hoort bij de therapie en draagt bij aan de genezing’.

    Een schrijver uitnodigen om mee te lopen op een afdeling in het ziekenhuis en vragen om het beschrijven van de ervaringen, draagt enig risico. Het kan resulteren in het binnenhalen van een paard van Troje.
    Dat is niet gebeurd al heeft Enquist wel haar eigen Griekse familiedrama gecomponeerd. De roman heeft talloze dramatische elementen. Vermeende moedermoord, onverwerkt jeugdtrauma, driehoeksverhoudingen, veel onrust, onheil, misverstanden, falende relaties, zelfmoord, kortom drama ten top en dat alles speelt zich af in de levens van een kleine, sterk bij elkaar betrokken familie werkend in de medische wereld.

    De hoofdrolspelers zijn de nogal afhankelijke, kinderloze weduwnaar psychotherapeut Drik, zijn zus Suzan, anesthesiste en vrouw van psychiater Peter, Driks beste vriend, onrust brengende student psychiatrie Allard, en nichtje Roos, dochter van Suzan. Ze zorgen met z’n allen, door hun uiteenlopende karakters en eigenaardigheden voor een hechte maar moeizame familierelatie.

    Alle dramatische elementen zijn bij elkaar gebracht in een eigentijdse, vlotte thrillerachtige doktersroman die zich afspeelt in de ziekenhuiswereld. Geen romantische pulp voor op het strand met ridders op witte paarden maar een zeer gedetailleerd, hier en daar pikant en met spanning geschreven roman over echte dokters in witte jassen die in het ziekenhuis hun medische specialisatie uitoefenen.

    De tegenstelling tussen de psychotherapie en de anesthesiologie is tot in de finesses uitgewerkt, de beschrijving van wat zich in de beroepen van ‘bewust voelen’ en ‘verdoven’ afspeelt is zeer uitvoerig, en wordt gepresenteerd met hantering van de vigerende nomenclatuur op een manier die een arts in opleiding als werkverslag zou kunnen indienen (waarvoor hij dan een dikke voldoende zou krijgen).

    Nadat de vrouw van Drik overleden is neemt hij na een lang rouwproces de draad op door Allard, student psychiatrie als patiënt aan te nemen. Die ‘devil in disguise‘ brengt nogal wat teweeg. Allard verandert van studie en komt bij Driks’ zus Suzan in opleiding. Gewenste intimiteiten met verschillende personen op ongewenste plaatsen zorgen voor spannende verwikkelingen.

    Deze verwikkelingen zorgen dat je blijft lezen, nieuwsgierig naar het verloop van het verhaal, maar brengen ook sym- en antipathieën naar boven want de vreemde gedragingen van de personages worden steeds aperter en hun handelingen zijn niet zo uitgewerkt dat hun gedrag altijd even logisch is. De vaak gebruikte thema’s zoals somberheid, verdriet, falen en moeilijke relaties vragen soms wat veel empathisch vermogen van de lezer.

    Hoofdpersoon Drik, afkorting van Diederik, dat ‘machtig, sterk’ betekent, gedraagt zich als  het tegenovergestelde. Zijn zorgzame zus Suzan heeft hem erg geholpen tijdens de ziekte en na het overlijden van zijn vrouw maar is ontdaan als Drik de draad weer op wil pakken en ‘zich niet meer totaal laat bemantelzorgen’. Ze is ook een beetje de draad kwijt omdat dochter Roos op kamers is gegaan, en stort zich als vanouds op haar werk. Het thema werk speelt sowieso een grote rol in het boek. Er wordt hard gewerkt in het ziekenhuis en in alle disciplines zijn er wel een paar artsen die daardoor ‘verdoofd’ raken. Ze hechten aan hard werken en verdieping in hun vak en slagen hierin vaak beter dan in het onderhouden van goede onderlinge verhoudingen. De specialisaties worden scherp getypeerd: ‘de anesthesie is een schuilplaats voor neurosen, in de psychotherapie helpt cognitieve gedragstherapie overal voor, de orthopedisch chirurgen werken alsof ze in timmerwerkplaatsen staan en verrichten luidruchtig beulenwerk, terwijl de hartchirurg al geïrriteerd wordt door zacht gepraat.’.

    Zoals in eerdere romans komt ook hier het meervoudige vakmanschap van Enquist tot uiting. Door een intrigerende en zorgvuldig opgebouwde en uitgewerkte plot rondom de gecompliceerde karakters van Drik, Suzan, Roos en student Allard, weet ze de lezer tot het laatst te boeien. Hoewel de verhaallijn af en toe wat springerig is, heeft het boek diepgang en is de betrokkenheid bij de thema’s die serieus, professioneel en spannend zijn uitgewerkt, oprecht. Als lezer kun je hopen op een reprise over een ander vakgebied.

    Anna Enquist is psychoanalytica, heeft een conservatoriumopleiding en heeft in 20 jaar een respectabel oeuvre van proza en poëzie geschreven. In haar vorige roman Contrapunt worden de persoonlijke gevoelens over  het verlies van haar dochter, en het andere hoofdthema, de Goldbergvariaties van J.S Bach door haar kennis en muzikale gave tezamen, eveneens tot een uitzonderlijke roman gecomponeerd.