• Ontevreden over een ten goede veranderde echtgenoot

    Ontevreden over een ten goede veranderde echtgenoot

    De titel van het boek De vrouw van Martin Guerre lijkt te suggereren dat de identiteit van de betreffende vrouw er weinig toe doet; haar naam wordt immers niet genoemd. Maar niets is minder waar. Bertrande de Rols krijgt zeer zeker een stem in dit boek uit 1941, dat werd geschreven door de Amerikaanse schrijver en dichter Janet Lewis (1899-1998) en dat werd vertaald door Paul van der Lecq. De vrouw van Martin Guerre is de eerste in een serie van drie novelles waarin Lewis waargebeurde en beruchte rechtszaken beschrijft. De serie wordt gezien als haar meesterwerk binnen een indrukwekkend oeuvre. Het boek werd vanwege de tot de verbeelding sprekende feiten al twee keer verfilmd.

    In 1539 werden in het Franse dorp Artigues twee elfjarige kinderen met elkaar in de echt verbonden. Tot de dag van het huwelijk had Bertrande de Rols nog nooit een woord gewisseld met Martin Guerre, maar het verbond tussen de beide huizen werd al lange tijd overwogen en als vrijwel onvermijdelijk gezien, zoveel voordeel viel er voor beide families aan te behalen. Na de huwelijksnacht waarin de kinderen roerloos in bed liggen zonder naar elkaar te kijken gaat Bertrande nog een paar jaar terug naar haar ouderlijk huis om op haar veertiende, na de dood van haar moeder, te gaan wonen in het huis van de familie Guerre. Aanvankelijk wordt ze door Martin met rust gelaten en daar is ze dankbaar voor. Wanneer Martin een paar jaar later succesvol op berenjacht is geweest merkt ze dat ze een genegenheid voor hem opvat die zich geleidelijk verdiept tot ‘een gloeiende hartstocht’. Ze baart haar eerste zoon op haar twintigste. Het echtpaar bevindt zich in een bijzondere positie: zolang de vader van Martin leeft, blijft Martin voor de wet een kind en wordt hij door zijn vader ook dienovereenkomstig behandeld. Op een dag pakt hij, wetende dat zijn vader hem dat zeker zou weigeren indien hij het zou vragen, tarwezaad uit de graanschuur van zijn vader om zijn eigen veld mee in te zaaien. Hij bespreekt met Bertrande dat hij veiligheidshalve (zijn vader heeft nogal losse handjes) ‘een tijdje op reis gaat’. Volgens Martin moeten acht dagen voldoende zijn. Zijn afwezigheid duurt uiteindelijk acht jaar.

    Inktzwarte zonde

    In de tussentijd overlijden zowel de moeder als de vader van Martin en wordt Bertrande, die na zoveel tijd niet meer durft te hopen op de terugkeer van haar echtgenoot, hoofd van het huishouden Guerre. Op een dag loopt de oom van Martin tot zijn grote vreugde toch zijn verloren gewaande neef tegen het lijf en doet een man met ‘een steviger postuur, volgroeid en met brede schouders’ zijn intrede bij de familie Guerre. Bertrande en haar zoon moeten eraan wennen dat hun echtgenoot en vader weer is teruggekeerd, alhoewel Bertrande aangenaam verrast is dat haar echtgenoot minder arrogant en kortaf is dan vroeger. Ze raakt opnieuw zwanger en wordt dan beslopen door ‘een vreemde ongerustheid, een angst zo gruwelijk en ongewoon dat ze die zelfs in het diepst van haar hart niet voor zichzelf durfde te erkennen. Stel nu eens dat Martin, die vreemdeling met zijn ruwe baard, niet de echte Martin was, de man die ze vaarwel had gekust op die dag rond het middaguur, aan de rand van het zojuist aangeplante veld? In zo’n geval zou ze een inktzwarte zonde hebben begaan, want haar intuïtie had haar daar toch zeker voor gewaarschuwd?’

    Hoffelijk

    Bertrande, die zich al vanaf haar elfde zonder weerwoord schikt in alles wat er voor haar beslist wordt, besluit zich niet neer te leggen bij de nieuwe situatie, ook al blijkt haar echtgenoot na acht jaar over een aantal kwaliteiten te beschikken waar ze op zich niet ontevreden over is. Hij is welbespraakter, vriendelijk en hoffelijk en reageert verbaasd en teder wanneer ze hem confronteert met haar verdenkingen dat hij een bedrieger is die zich voor haar echtgenoot uitgeeft. Hij doet niet eens moeite om haar beschuldigingen te weerleggen. Van een afstandje gezien zou je bijna kunnen vinden dat Bertrande er qua echtgenoot op vooruit gegaan is, maar Bertrande is ongevoelig voor de nieuwe kwaliteiten van haar echtgenoot; de waarheid is voor haar zwaarwegender. Ondertussen begrijpen de zussen van Bertrande en de pastoor niets van haar twijfels. Ze veronderstellen dat ze door de zwangerschap labiel is. Bertrande weet echter ook de oom van Martin aan het twijfelen te brengen over de identiteit van zijn neef en uiteindelijk komt het dan toch tot een rechtszaak, die er in de zestiende eeuw uiteraard anders aan toe gaat dan nu het geval zou zijn: er wordt hoofdzakelijk een beroep gedaan op getuigenverklaringen.

    Krankzinnig

    De vrouw van Martin Guerre is een vertelling die enerzijds heel pastoraal en idyllisch is: ‘Het veld liep schuin af, tot aan het roodbruine kreupelhout. Boven hen hoorden ze het murmelende beekje dat in de zomer tot een krachtige stroom aanzwol, maar nu weer was verschrompeld: het water kabbelde voort aan de voet van de kastanjebomen, omcirkelde het veld, liep onder hen door het struikgewas en vervolgde zijn weg door de smaller wordende vallei.’ Anderzijds is het een verhaal over het volwassen worden van een meisje dat zich wanneer ze jong is schikt naar wat er van haar verlangd wordt, maar dat zich naarmate ze ouder wordt realiseert dat zij in deze twijfelachtige omstandigheden ook iets mag vinden van het leven dat haar opgedrongen wordt. Lewis heeft duidelijk sympathie voor haar personage en beschrijft gedetailleerd wat er in haar omgaat, waarbij er genoeg ruimte blijft voor zowel de optie dat Bertrande het bij het rechte eind heeft als de optie dat ze zich vergist. De verwanten van Martin beschouwen haar inmiddels als krankzinnig en het vereist moed en doorzettingsvermogen van de jonge vrouw om zich niet neer te leggen bij wat er door hen en de pastoor van haar verwacht wordt, ook omdat ze zelf ook regelmatig aan haar eigen waarnemingen twijfelt. Tijdens een logeerpartij bij haar tante is ze bijvoorbeeld een keer zo verward, dat ze meent dat de zon in het westen opkomt. 

    IJzersterk

    De vrouw van Martin Guerre is een mooi en lichtvoetig geschreven verhaal. Niet Martin maar Bertrande heeft de hoofdrol gekregen in deze geschiedenis die daarom ook vanuit haar perspectief verteld wordt. Lewis springt met grote stappen door de tijd tot het moment dat de rechtszaken beginnen en bereikt in combinatie met de idyllische beschrijvingen van het landschap een bijna sprookjesachtig effect. IJzersterk is de alomtegenwoordige twijfel die de lezer in zijn greep houdt. De argumenten van beide partijen zijn zo plausibel dat zowel de waarheid van Bertrande als die van haar tegenpartij mogelijk kunnen zijn. Het boek blijft daarom tot de ontknoping spannend.

     

     

  • Oogst week 42 – 2020

    De kern van de zaak

    Wat doe je als je – figuurlijk, dan – na een ommetje een heel andere man aantreft dan degene die je thuis achterliet? In De kern van de zaak van de Australische auteur Madeleine St John overkomt het Nicola, die onaangenaam wordt verrast als ze weer thuiskomt nadat ze een pakje sigaretten heeft gekocht. Want: waarom wil haar vriend Jonathan haar opeens niet meer zien en werkt hij haar na zes jaar samen hun woning uit? Waarom werkt wat ze hadden ‘gewoon niet’ meer? Vanaf dat moment is het aan Nicola om het ‘leven na Jonathan’ aan te gaan, en aan Jonathan om in te zien wat hij heeft veroorzaakt.

    Madeleine St John schreef De kern van de zaak (The Essence of the Thing) in 1997. De roman werd genomineerd voor de Man Booker Prize en behaalde de shortlist. Deze vertaling is een postume uitgave: St John overleed in 2007.

    De kern van de zaak
    Auteur: Madeleine St John
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    De onafscheidelijken

    Simone de Beauvoirs autobiografische roman De onafscheidelijken (Les inséperables) verscheen niet eerder. Autobiografisch, omdat de vriendschap die in dit boek centraal staat overeenkomsten vertoont met de hechte band van De Beauvoir en haar boezemvriendin, Elisabeth ‘Zaza’ Lacoin; dit jaar pas verschenen (zowel het origineel als in vertaling), omdat het boek bij leven van de auteur als ’te intiem’ bestempeld werd. De Beauvoirs dochter, Sylvie Le Bon-de Beauvoir, vond het manuscript in haar moeders archief en schreef het voorwoord.

    De hoofdpersonen, Andrée (Zaza) en Sylvie (Simone), ontmoeten elkaar op een katholieke meisjesschool in de vroege twintigste eeuw en hun levens raken vrijwel meteen verstrengeld. Hun vriendschap lijkt verder te gaan dan vriendschap alleen, en samen verzetten ze zich tegen het benauwende conservatieve milieu waarin ze zijn opgegroeid. Maar hun vriendschap komt tot een plotseling einde.

    De echte Andrée, Zaza, overleed al op 21-jarige leeftijd aan hersenontsteking. Na haar dood werd De Beauvoir een van de invloedrijkste filosofen van de 20e eeuw, mede dankzij haar baanbrekende magnum opus De tweede sekse (1949) – de feministische thema’s die zij daarin aansnijdt, schemeren in zeker opzicht ook door in De onafscheidelijken, dat De Beauvoir verrassend genoeg pas zes jaar na De tweede sekse schreef.

    De onafscheidelijken
    Auteur: Simone de Beauvoir
    Uitgeverij: Cossee

    Zussen

    Juli en September zijn de zussen uit de gelijknamige titel. Er is ze iets vreselijks overkomen, en hun moeder Sheela neemt ze mee naar een verlaten huis in the middle of nowhere in de hoop dat de zussen ervan opknappen. Met het huis is van alles mis – de unheimische indeling ervan doet denken aan Shirley Jacksons geesteskind Hill House (The Haunting of Hill House), en ook dit huis beweegt en kraakt zonder aanwijsbare (lees: menselijke) oorzaak. En dat is pas het begin. Sheela sluit zichzelf op in een van de kamers, en de narratieven van haar en haar dochters splitsen op, toewerkend naar een ontknoping.

    De Britse Daisy Johnson (1990) behaalde met haar eerste roman, Everything Under, een plek op de shortlist van de Man Booker Prize 2018.

    Zussen
    Auteur: Daisy Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik BV
  • Oogst week 41 – 2020

    Zo tedere schade

    Hans Vervoort (1939) groeide op in Nederlands-Indië en kwam in 1953 naar Nederland. Vanaf 1970 publiceerde hij vele boeken, waaronder enkele jeugdboeken en Het bedrijf, een autobiografische trilogie over zijn tijd dat hij als marktonderzoeker en tijdschriften uitgever bij de Weekbladpers werkte.

    Zijn nieuwe boek Zo tedere schade…, is een kleine roman over Hans Heijmenberg die na een huwelijk van vierenvijftig jaar zijn vrouw verliest. Zij deelden hun Indisch verleden met elkaar en waren soulmates voor het leven. Zijn vrouw sterft aan longkanker, waarvoor hij zich schuldig voelt. Hij was een fervent roker en zij, als nietroker, rookte ongewild met hem mee. Na haar dood doet hij zijn best zichzelf dood te drinken. Dit lukt hem echter niet, hij kan meer alcohol verdragen dan hij dacht. Dan besluit hij een door zijn vrouw geuitte wens uit te voeren. Kort voor haar dood las ze een bericht over een onopgeloste moord op een jonge vrouw bij kamp Walaardt Sacré, waar haar man in 1960 zijn diensttijd doorbracht. Een jaar na haar overlijden begint hij de 60 jaar oude, onopgeloste moordzaak te onderzoeken.

     

    Zo tedere schade
    Auteur: Hans Vervoort
    Uitgeverij: Uitgeverij Brooklyn

    Voor permanente bewoning

    Anna de Bruyckere (1987) debuteert met de bundel Voor permanente bewoning.  Eerder werd haar werk gepubliceerd in onder andere Het Liegend Konijn, De Brakke Hond en Deus ex Machina en in 2018 en 2019 was ze stadsdichter van Middelburg.

    Haar gedichten kenmerken zich door verrassende wendingen, zo wordt regenen een vorm van prevelen. Ontpopt een warm bed zich als een plaats voor nietsontziende zelfreflectie. En uit het geel in een verder grijze polder wordt als een schuchter liefdesgedicht een warm blakend vest / precies jouw maat geweven.
    De Bruckere heeft duidelijk oog voor de kleine dingen, ze beschrijft dat, wat ons levenslang bezighoudt.  De uitgeverij  noemt, ‘Voor permanente bewoning […] een opvallend debuut dat formuleert wat ons in onze alledaagse hectiek vaak ontglipt, omdat we het niet zien of er nog geen woorden voor hadden.’

    Naast poëzie schrijft ze essays, verhalen en theater.

    Voor permanente bewoning
    Auteur: Anna de Bruyckere
    Uitgeverij: Cossee

    Het smartlappenkwartier

    Philip Snijder (1956) groeide op in de oude volksbuurt Bickerseiland in Amsterdam. Een stukje ingepolderd land dat in de 17e eeuw een bedrijvig toneel van de scheepvaart was, maar later veranderde in een volksbuurt met verkrotte huizen en bouwvallige loodsen.
    Snijder debuteerde als schrijver met verhalen over zijn jeugd op Bickerseiland in het literaire tijdschrift De Tweede Ronde.

    Het smartlappenkwartier is zijn vijfde roman, even als zijn voorgaande romans speelt ook deze zich af in de volksbuurt waar hij opgroeide. In zijn vorige boeken wordt beschreven hoe een jongen zich probeert los te maken uit de benauwenis van zijn familie.
    In Het smartlappenkwartier staat de moeder centraal, een ongeschoolde, wereldvreemde vrouw. Op een zondagmiddag is ze opeens verdwenen. Als ze zich ’s avonds meldt, krijgt haar zestienjarige zoon het telefoonnummer waarop ze te bereiken zou zijn. Hij stapt op zijn Puch en verdwaalt in de herinneringen aan hun gezamenlijke verleden, waarin strijd, haat en schaamte de boventoon voeren.

    In een interview bij VPRO’s Nooit meer slapen vertelde de schrijver dat zijn moeder, hoewel ze verder niet echt naar haar kinderen omkeek, wel elke avond bij het naar bed gaan een kwartiertje bij hem op bed kwam liggen en daar de ene na de andere smartlap voor hem zong. Vandaar de titel, Het smartlappenkwartier.

    Het smartlappenkwartier
    Auteur: Philip Snijder
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Eva

    De roman Eva verscheen in 1927 en baarde gelijk veel opzien en werd vele malen herdrukt. Hij werd als de belangrijkste roman van Carry van Bruggen gezien. Van Bruggen werd in 1881 geboren als Carry de Haan, ze was de zuster van Jacob Israël de Haan, die in 1919 als zionist naar Palestina emigreerde. Daar werd hij op 30 juni 1924 vermoord tijdens een terroristische aanslag van een Joodse paramilitaire organisatie.

    Eva, de roman die bij het verschijnen in 1927 veel opzien baarde en sindsdien vele malen is herdrukt, is een openhartige zelfportret, een biecht waarin via een voortdurende dialoog met haar alter ego beleden wordt dat de zin van het bestaan gelegen is in strijd met de wereld, in zelfstrijd. Eva is de geschiedenis van een jonge vrouw die zich losmaakt uit het milieu waaruit ze komt en van het orthodoxe geloof waarmee ze opgroeide. De dood van haar broer speelt een belangrijke rol in deze roman. Kort na verschijning van Eva belandde Van Bruggen in een jarenlange depressie, die uitmondde in een zelfmoord in 1932.

    Vanaf haar debuut In de schaduw (1907) publiceerde Van Bruggen verhalen en romans. Onder meer het sterk autobiografische Het huisje aan de sloot (1921).

    Eva
    Auteur: Carry van Bruggen
    Uitgeverij: Querido
  • Groots epos over Oeganda

    Groots epos over Oeganda

    Af en toe wordt er een boek geschreven dat mythische proporties aanneemt. In Oeganda is dat Kintu, de debuutroman van de Brits-Oegandese schrijfster Jennifer Nansubuga Makumbi. Tien jaar lang werkte ze eraan, waarna ze hem probeerde te slijten aan verschillende uitgeverijen. Uiteindelijk werd het boek in 2014 in Oeganda uitgegeven en kreeg het in 2018 een Engelse vertaling plus eensklaps internationale roem. Even plotseling werd de schrijfster overladen met prijzen, waaronder de fameuze Windham-Campbell Prize van Yale University. Ondertussen staat Kintu bekend als dé grote Oegandese roman en wordt Jennifer Nansubuga Makumbi beschouwd als een van de belangrijkste BAME-schrijvers (Black, Asian and Minority Ethnic) van de wereld.

    Kintu start met een korte proloog waarin ene Kamu Kintu op 5 januari 2004 brutaal en zonder reden wordt vermoord in een volkstoeloop in Bwaise, een buitenwijk van Kampala. Daarna begint het eerste van de zes boeken (hoofdstukken) die deel uitmaken van Makumbi’s epos. Ze grijpt terug op de oude mondeling overgeleverde verhalen en begint in 1750. Kintu Kidda, stamvader van een hele clan en gouverneur van de Budduprovincie is onderweg naar de nieuwe kabaka (koning) om deze zijn eer te bewijzen. Per ongeluk brengt hij zijn adoptiezoon om het leven, maar heeft niet de moed om dat in zijn dorp te vertellen. De biologische vader spreekt een vloek uit over de clan. Deze vloek is het uitgangspunt van de volgende hoofdstukken waarin telkens een ander lid van de clan centraal staat, verspreid over de jaren tussen pakweg 1960 en 2004.

    Moderne geschiedenis

    Vanaf het tweede hoofdstuk ontpopt de roman zich als een soort geschiedenis van Oeganda. Door de ogen van de verschillende personages laat Makumbi de recente ontwikkelingen zien. Ze wil alleen tonen, niet oordelen en doet een schijnbaar objectief relaas van haar land, de beproevingen en problemen. De verhalen zijn soms grappig, vaak schrijnend en meelijwekkend. De persoonlijke problemen van de hoofdpersonages lijken een weerspiegeling van de problemen waar Oeganda mee worstelt. De grote thema’s uit andere Afrikaanse romans, migratie en kolonialisme, raakt Makumbi slechts zijdelings aan. Bij haar wordt duidelijk hoe Oeganda worstelt met zijn onafhankelijkheid en het op zichzelf aangewezen zijn. Naar de kolonialen wordt zeker niet de hele tijd met de vinger gewezen. De politieke regimes van onder andere Idi Amin worden vermeld en kritisch belicht, zowel in positieve zin – op economisch vlak hielp Amin het land wel degelijk vooruit – als in de gekende negatieve zin. Grote thema’s in het verhaal zijn echter relaties en familie, arm versus rijk,  de aidsepidemie, volksgebruiken en christendom, maar vooral het dagelijkse leven en het gevecht om te overleven.

    Kleurrijke personages

    De personages zijn stuk voor stuk levensecht en geloofwaardig: of het nu gaat om de oude man die al tien van zijn twaalf kinderen aan aids heeft verloren, de jongen die als gevolg van een verkrachting wordt geboren, het verstoten meisje dat tracht tegen wil en dank te overleven of om de uit incest tussen tweelingbroer en -zus geboren jongen. Makumbi gaat geen taboe uit de weg. Op bewonderenswaardige wijze kruipen de mensen uit de verhalen uit het dal en gaan ze gewoon verder met hun leven. De lezer raakt geïntrigeerd door hun belevenissen, door het opboksen tegen religie en bijgeloof, tegen rituelen en tradities. De personages zijn kleurrijk en gevarieerd en zijn ongetwijfeld een mooie afspiegeling van de hedendaagse Oegandese samenleving.

    Makumbi gebruikt in Kintu ook vaak woorden in het Luganda waarvoor ze van het Britse lezerspubliek veel kritiek kreeg omdat ze weigerde een verklarende woordenlijst toe te voegen. Ze heeft het boek geschreven met een Oegandees publiek voor ogen en anderen moeten maar uit de context afleiden wat die woorden betekenen. Dat maakt het werk, hoewel zeer authentiek, soms ook lastig om te lezen.
    Makumbi’s taal is beschrijvend. Ze tekent en schetst er een uniek portret van landschappen en personages mee en weet de juiste sfeer op te roepen om het verhaal meeslepend te maken. Toch houdt ze altijd een zekere afstand tot haar onderwerp en onthoudt ze zich van commentaar. Het is aan de lezer om conclusies te trekken en zich een beeld te vormen van recht en onrecht bij de opbouw van Makumbi’s land.

    Subliem sluitstuk

    In een magistraal laatste hoofdstuk, De thuiskomst, laat de auteur alle vijf vorige boeken samenkomen in een soort zuiveringsritueel om af te rekenen met de oude vloek die nog steeds over de Kintu-stam heerst. De personages en hun ideeën worden met elkaar geconfronteerd en dat leidt vaak tot voortschrijdende inzichten. Zo krijgt het oude bijgeloof een flinke deuk en accepteert men de moderne tijd. Er wordt beweerd dat Jennifer Nansubuga Makumbi met Kintu het magnum opus van haar land heeft geschreven, net zoals Chinua Achebe dat eerder deed voor Nigeria. Kintu is inderdaad een groots boek, passend in de grote traditie van voorheen mondeling overgeleverde verhalen. Het is een machtig epos over een land in moeilijkheden, al wil de schrijfster dat zelf niet zo gezegd hebben. Kintu is een knap staaltje vertelkunst dat een belangrijke plaats inneemt in de Afrikaanse cultuur en literatuur.

     

  • Zuinig met grote woorden over verdriet en gemis

    Zuinig met grote woorden over verdriet en gemis

    Op 16 maart 2018 stierf de dichter F. Starik aan een hartaanval. Het was ook de dag waarop hij vijftien jaar samen was met zijn geliefde, de dichteres Vrouwkje Tuinman. Anderhalf jaar na zijn overlijden verscheen haar zesde dichtbundel Lijfrente, waarin ze vertelt over de dood van haar partner en de verwerking van haar verlies. Voor deze bundel kreeg ze in maart 2020 De Grote Poëzieprijs.
    Op de voorkant van de bundel een foto van een man die zijn hoofd door een opening steekt van wat een bunker lijkt. Hij draagt een keurig pak, nette schoenen, de manchet van zijn overhemd komt onder de mouw van het jasje uit. Het zou zomaar een begrafenispak kunnen zijn. De gedachte dat de man een kijkje neemt in de onderwereld waar de schimmen wonen, laat zich raden. 

    Iets nieuws staat te beginnen

    Het eerste gedicht van de bundel heet Maart, de maand waarin Starik gestorven is, maar ook de maand van het nieuwe begin: in de vijver groeien de eitjes uit tot kikkervisjes met de belofte van nieuw leven: ‘Vanmorgen evolueerde een van de streepjes / tot een komma. Er staat iets te gebeuren.’ Maar voordat Tuinman vertelt wat dat is, doet ze verslag van de revalidatie van Starik na zijn eerste hartaanval negen maanden eerder, zijn ziekenhuisopname en uiteindelijk zijn dood. Om het te boekstaven, om het niet te vergeten, maar ook om te kijken wat er voor haar is overgebleven nu ze alleen verder moet. Het motto van de bundel, een fragment uit Passengers van Iggy Pop, wijst daar op: ‘(…) So let’s take a ride and see what’s mine’.

    Er zijn een aantal van de klassieke rouwfases in deze gedichten aan te wijzen: ontkenning, woede, aanvaarding. De laatste strofe van het gedicht Automaat luidt bijvoorbeeld: 

    ‘Les twee: ontsluit, nog voor er twijfel kan ontstaan,
    met twee handen alle poorten. Maakt niet uit of
    er push staat of pull. Berust niet, sla desnoods
    degene die een deur voor je open wil houden
    voor zijn hoofd. Ga niet in op de belofte van een wonder.’

    Zuinig op grote woorden

    Tuinman dicht niet met grote woorden en houdt de beschrijving van haar emoties klein. ‘Lief is zuinig op grote woorden, lees ik in jouw computer.’ Ze gaat terecht vanuit dat de lezer zelf wel kan aanvoelen wat er achter haar nuchtere observaties schuil gaat. Vooral in de langere prozagedichten is dat zeker zo, kan iedereen voelen hoe moeilijk het moet zijn geweest om thuis te komen in een leeg huis, kleding en persoonlijke spullen van de overledene uit te moeten zoeken en alles voortaan alleen te moeten doen. Het zijn heel persoonlijke, kwetsbare gedichten waarin geprobeerd wordt het verdriet in te dammen. Troost wordt er niet geboden, maar humor is een van de manieren om het beheersbaar te houden:

    Omgekeerde emancipatie

    ‘Nieuw aangeleerd cliché: ‘deze dingen doet mijn man normaal’.
    Het kastje van het zonnepaneel. De banden op spanning.
    De verstopte stofzuiger repareren. Rouw opent deuren – soms letterlijk,
    als het driepuntsslot kapot is en er een man, een andere dus,
    moet komen, die beweert dat dit al maanden speelt, gebeurt
    echt niet zomaar opeens, daar komt mijn cliché, en haalt zomaar
    tachtig euro van de rekening. Voel ik me schuldig? Soms, een beetje,
    want de meeste van die dingen deed hij helemaal niet,
    of ik deed ze al voor hem. Dan schreeuw ik tegen de schroefboor,
    verwijt hem dat er nooit iets lekker vanzelf werkt, het verdorie
    ook nog regent en ik een levende gemeenplaats ben.’

    De praktische aangelegenheden, die gebeuren moeten, zoals het uitzoeken van foto’s en het opruimen van medicijnen, worden in de gedichten afgewisseld met herinneringen aan het gedeelde verleden, waarbij het verdriet en het gemis wél de vrije loop krijgen. Maar steeds opnieuw vermant Tuinman zich, zit niet bij de pakken neer maar blijft bezig, omdat het moet. Het is die afwisseling van de nuchter constaterende en emotionele toon die deze bundel levensecht en zo aanspreekbaar maakt. 

    Pogingen tot afstand houden

    De manhaftige pogingen het verdriet op afstand te houden worden ’s nachts in dromen doorbroken: in twee gedichten, Opzichtige dromen 1 & 2 en 3 t/m 8 vertellen acht dromen van een hernieuwde ontmoeting met de geliefde op een festival, op het station, naast het bed. ‘(…) Ik houd je vast, jij mij niet.’

    In het lange prozagedicht Wachtkamer verderop in de bundel, is de tijd het onderwerp. Dit gedicht fungeert als een samenvatting van de bundel en beschrijft het gehele rouwproces van begin tot einde, van de dood van Starik tot aan het onbeschofte ongeduld van de omgeving: ‘Sorry, maar wanneer houdt dit zielige gedoe nu eens op?’

    Maar het is ook een algemeen aanvaard cliché dat het leven verder gaat. De gedichten kijken gaandeweg vooruit in plaats van achteruit en na een jaar is er voorzichtig sprake van een ander lief. ‘Het begint nu toch wel iets met mij te worden,’ vertelt de beginregel van Omtrekkende bewegingen.

    Met het laatste gedicht van de bundel is de cirkel rond: weer staat de dichter in de tuin, net als in het eerste gedicht. Ze heeft de tuin in velden verdeeld: 

    Gras

    ‘Aan de andere zijde is het groener.
    Op het ene veld staan de mensen die niet
    meer willen, een tuin verderop degenen die nog jaren
    vooruit kunnen, ware het niet dat hun ziekte –
    er valt niets te ruilen. […]
    Ik sta aan de rand van wat eigenlijk meer mos is
    dan gras. Mijn perk zit vol kuilen en oud blad, maar
    ook wonen er mollen in en wormen, er springen padden,
    ’s avonds landen er libelles. Ik neem een stap.’

    Deze bundel zou eigenlijk in elke wachtkamer van elk ziekenhuis, mortuarium en hospice moeten liggen. Iedereen die iemand heeft verloren zal zich herkennen in deze doorleefde bundel.

     

  • Blijdschap van een bijna vergeten verzetsvrouw

    Blijdschap van een bijna vergeten verzetsvrouw

    Tien fleurige borduurwerkjes versieren de binnenflap van De muren vielen om (1957) van Henriette Roosenburg, in een herziene vertaling van Wim Hora Adema. Het lijken emblemen. Niet iets wat je direct verwacht bij een boek over een vergeten verzetsvrouw uit de Tweede Wereldoorlog. Al op de eerste bladzijden wordt duidelijk hoe belangrijk deze borduurwerkjes voor Roosenburg zijn geweest. Ze heeft ze gemaakt tijdens haar verblijf in Duitse gevangenissen. Tien borduurwerkjes over negen gevangenissen en een laatste werkje over haar bevrijding. 

    Het leven binnen de muren was zwaar en uitputtend. Er was een tekort aan alles en politiek gevangenen, de groep waartoe Roosenburg en haar vrienden behoorden, stonden bij hun bewakers het laagst in aanzien. De zoektocht naar stukjes draad in de juiste kleur gaf een zinvolle invulling aan de dag en voedde de wil om te overleven. ‘De les die ik geleerd heb is dat mensen het leven kunnen houden onder de afschuwelijkste omstandigheden als ze iets buiten henzelf kunnen vinden om zich op te concentreren – zelfs al is dat maar een armzalig stukje katoen […].’

    Toch is dit geen somber boek. Integendeel. De ontberingen van de oorlog spelen een ondergeschikte rol. De muren vielen om is vooral een boek over bevrijding en de intens doorleefde blijdschap over de herwonnen vrijheid. 

    Avontuurlijk en gevaarlijk

    Henriette Roosenburg wordt op 1 maart 1944 opgepakt. Ze heeft als verzetsvrouw een flinke staat van dienst, reden voor de Duitsers om haar tot drie maal toe tot de doodstraf te veroordelen. Doordat de geallieerden steeds verder oprukken, wordt ze van gevangenis naar gevangenis verplaatst, steeds verder naar het oosten. Het vonnis is nooit uitgevoerd.

    Op 6 mei 1945 wordt de gevangenis in Waldheim door het Russische leger bevrijd. De blijdschap is groot, de verwarring ook. Roosenburg en haar vrienden Nel, Joke en Dries hebben geen vertrouwen in een repatriëring door de Russen en besluiten hun eigen weg te gaan, een keuze die tekenend is voor deze groep mensen. Ze staan aan het begin van een avontuurlijke en niet ongevaarlijke tocht terug naar Nederland en vatten het plan op om met een boot over de Elbe naar Hamburg af te zakken. ‘Maar nu waren we vrij en hier was Dries, de zeeman. Hij spiegelde ons het verrukkelijke vooruitzicht van een boottochtje over een brede rivier voor. Geen wonder dat we allemaal glimlachten toen we na een lang en opgewonden gesprek over deze nieuwe mogelijkheid op onze britsen klommen.’

    Vogelvrijverklaarden

    Op hun tocht over het Duitse platteland komen ze mensen van allerlei pluimage tegen: op drift geraakte soldaten en krijgsgevangenen uit allerlei landen en natuurlijk Russische soldaten van wie ze van tevoren nooit weten of ze goedwillend of kwaadwillend zijn. Bij elke ontmoeting worden verhalen uitgewisseld, waardoor het boek meer is dan alleen het verhaal van Roosenburg. Het geeft ook een beeld van de ontredderde en chaotische staat waarin Duitsland de eerste weken na de oorlog verkeerde. ‘Het was waar dat we als vogelvrijverklaarden leefden, zonder enig middel om onze identiteit te bewijzen. We waren ver van huis, dat misschien niet eens meer bestond, en we kwamen dagelijks improviserend aan de kost in een chaotisch, verslagen land, maar we waren vrij en we waren gelukkig.’ 

    Uiteindelijk belanden ze in een Russisch kamp voor ontheemden. Ze worden overgedragen aan de Amerikanen, maar het vertrek naar België en van daaruit naar Nederland duurt de groep te lang. Ook nu heeft Roosenburg geen zin om af te wachten en haar lot door anderen te laten bepalen. En weer trekt ze haar eigen, avontuurlijke plan.

    Het boek wordt afgesloten met een nawoord van wetenschapsjournalist Sonja van ’t Hof. Via het NIOD kwam ze in aanraking met de nalatenschap van Henriette Roosenburg en ze besloot verder onderzoek te doen. Ze gaat dieper in op het verzetswerk van Roosenburg en laat zien hoe het haar na haar vertrek naar Amerika is vergaan. Roosenburg (Jet) combineerde hulp aan piloten die wilden vluchten met spionage en smokkel. Ze had een groot netwerk. ‘Haar verzetswerk is in de geschiedschrijving van de bezetting gereduceerd tot enkele voetnoten en terloopse aanduidingen, een lot dat ze met meer verzetsvrouwen deelt. Het zou Jet niet hebben gedeerd; ze ambieerde geen heldenstatus en koesterde geen grieven.’ 

    Levendig en sprankelend

    The Walls Came Tumbling Down werd in 1957 in Amerika uitgegeven, de Nederlandse vertaling verscheen in datzelfde jaar. Het boek werd direct een groot succes, wat niet verwonderlijk is want het is in een vlotte stijl geschreven door dan journalist Roosenburg. 

    Zij vertelt haar verhaal in chronologische volgorde en in een heldere taal zonder literaire opsmuk. Het is de kracht van het boek. Een grote dosis aan literaire verbeelding zou afbreuk doen aan de authenticiteit en oprechtheid van het verhaal. Met haar levendige en sprankelende vertelstem, haar scherpe observaties en oog voor detail brengt ze haar geschiedenis en die van haar vrienden moeiteloos en op een natuurlijke wijze tot leven. De directe manier van vertellen trekt de lezer vanaf de eerste bladzijden het verhaal in.  

    De levenslust en het overweldigende gevoel vrij te zijn, is in elke alinea van dit boek aanwezig. Het komt terug in de positieve levenshouding en de kameraadschap van Roosenburg en haar vrienden, in de beschrijvingen van het landschap, in kleine en grote feestmalen en in de ronduit opgewekte taal. Woorden als vrolijk en (schater)lachen komen opvallend vaak voor. Natuurlijk zijn er de ontberingen, de ondervoeding en uitputting, de angst en onzekerheid of zij Nederland levend zal bereiken, maar Roosenburg legt daar niet de nadruk op. Dit boek wil niet somber zijn en daarmee is het fijn om te lezen, zeker in het jaar waarin we 75 jaar vrijheid vieren. 

     

     

  • Zoektocht naar het verleden van een excentrieke moeder

    Zoektocht naar het verleden van een excentrieke moeder

     Journalist en schrijver Christophe Boltanski komt uit een in Frankrijk bekende intellectuele familie. Grootvader Etienne was arts, oom Christian is beeldend kunstenaar, vader Luc is socioloog. Het is ook een excentrieke familie, zoals bleek uit Boltanski’s romandebuut De Schuilplaats (bekroond met de Prix Femina). Daarin beschrijft hij hoe zijn Joods-Russische grootvader in hun statige herenhuis aan de rue de Grenelle in Parijs de oorlog overleefde door er niet te zijn. Ook in De Voyeur gaat het over een excentriek familielid, Christophe’s moeder.

    Toen zijn moeder op hoge leeftijd overleed had zij haar leefruimte beperkt tot een matras in de woonkamer. Zij lag er de hele dag en nacht op, nauwelijks slapend, en rookte aan één stuk door sigaartjes. Haar hond uitlaten deed ze niet meer, hij mocht zijn behoeften in de aangrenzende kamer doen. Na haar overlijden maken Christophe en zijn zus het met van alles volgestouwde huis leeg. ‘Zoals je een fles leegklokt, in één keer, in een soort staat van dronkenschap, met de haast en bruutheid van mensen die een misdrijf begaan, ontruimden we haar appartement. Zonder iets uit te zoeken, zonder te kijken zelfs, leegden we haar kasten, haar laden, haar piepkleine washok.’

    Schrijftalent van moeder

    Alles gaat ongezien weg, op een paar mapjes na waarin hij aanzetten aantreft voor detective-verhalen, een genre waar ze dol op was. Eén daarvan gaat over een naamloos persoon die zich bezighoudt met het bespioneren van bewoners van een woontoren aan de overkant. Ook dit verhaal komt niet verder dan een begin, maar toont wel haar schrijftalent, ‘Geen uitweidingen of losse opmerkingen, geen eindeloze beschrijvingen, geen tussenzinnen, herhalingen of nutteloze spitsvondigheden. Geen lange reeksen bijzinnen naar korte, pregnante en goed lopende zinnen.’

    Het vinden van haar schrijfprobeersels zet Christophe aan tot het willen uitzoeken wat voor persoon zijn moeder, van wie hij weinig liefde heeft ontvangen, was. Tijdens zijn jeugd heeft hij haar enkel meegemaakt als succesvol manager in de Franse media-wereld, met veel jonge minnaars. Wie was ze in haar jeugd, waarom had ze zich op latere leeftijd steeds meer teruggetrokken en waardoor was ze zo paranoïde geworden dat ze de ramen van haar woning met dekens afdekte? Speurend naar haar tijd als studente komt hij op het spoor van een verzetsbeweging van jonge intellectuelen die in het begin van de jaren zestig de FLR (Front de Liberation Nationale) steunden, de bevrijdingsbeweging van de Franse kolonie Algerije. Zou zijn moeder daar aan hebben meegedaan? 

    Periode van de Algerijnse opstand

    Boltanski beschrijft als een romancier het spannende leven dat zijn moeder in haar studententijd wellicht heeft beleefd en wisselt dat af met een journalistiek verslag van zijn zoektocht naar degenen die dat zouden kunnen bevestigen. Dat journalistieke onderzoek levert uiteindelijk geen concreet resultaat op, maar Boltanski heeft de lezer intussen wel meegenomen naar een tijd in de Franse politiek die in Nederland weinig bekendheid heeft gekregen: de periode van de Algerijnse opstand die veel mensenlevens eiste, ook in Frankrijk. 

    De afwisseling tussen roman en onderzoeksreportage is zichtbaar in het gebruik van respectievelijk tegenwoordige en verleden tijd, maar vergt wel oplettendheid van de lezer. Enigszins verwarrend is ook de Nederlandse titel De voyeur. Dat heeft in het Nederlands een erotische connotatie. Weliswaar gaat één van de fragmenten in de nimmer afgemaakte verhalen die zijn moeder achterliet over iemand die een woontoren bespiedt. Maar wat haar in de visie van haar zoon vooral bezig hield was de vrees bespied te worden vanwege haar politieke verleden en contacten met de FLR. Ze verdacht hiervan vooral haar buurman Talus Taylor, de tekenaar van Barbapapa, en huurde zelfs een detective in om dat te bewijzen. De oorspronkelijke titel van het boek is Le Quetteur en dat betekent  eerder iemand die op de uitkijk staat, een waker, dan een voyeur. 

    Ondanks de misleidende titel is De voyeur een interessant boek over een in Nederland weinig bekende periode uit de Franse geschiedenis. Een periode waarin links georiënteerde Franse studenten, waartoe de moeder behoorde, hand- en spandiensten verleenden aan de geheime organisatie FLR.
    Boltanski’s moeder blijft ondanks zijn zoektocht grotendeels een raadsel, maar gezien haar behoefte aan afzondering is dat vermoedelijk ook precies wat ze wilde.

     

  • Vrouwkje Tuinman wint De Grote Poëzieprijs

    Vrouwkje Tuinman wint De Grote Poëzieprijs

    Maandagavond 30 maart maakte jurylid Norely Beyer in het radioprogramma Opium bekend dat Vrouwkje Tuinman met haar bundel Lijfrente De Grote Poeziëprijs heeft gewonnen. De jury koos unaniem voor deze bundel die Tuinman schreef in het jaar na het overlijden van haar partner F. Starik. Een bundel over de liefde en de dood.

    Volgens de jury zijn Tuinmans gedichten, ‘openhartig, soms licht absurdistisch. Niets meligs of pastelkleurigs. Niet makkelijk, wel toegankelijk. Nuchter, maar nergens onpersoonlijk of kil. Integendeel. Geen schoonschrijverij en juist dat levert de mooiste zinnen op. En troost, daar waar er eigenlijk geen beginnen aan is’.

    Voor de bekendmaking gaven de genomineerden, Ellen Deckwitz met Hogere natuurkunde, Peter Verhelst met Zon, Vrouwkje Tuinman met Lijfrente, Asha Karkami met Godfaceen en Marwin Vos met Het leven van sterren, op radio 4 een korte toelichting op hun bundel en droegen een gedicht voor. 

    Vrouwkje Tuinman las, Omtrekkende bewegingen

    ‘Het begint nu toch wel iets met mij te worden,
     zei jij, zeiden wij altijd, bij klein succes.
     De uitspraak kwam van je moeder en duidde erop
     dat, wat haar zoon ook aan voorspoed toeviel, 
     het van ‘worden’ waarschijnlijk nooit tot zijn
     zou komen, laat staan tot verleden tijd.
     Al bleef de twijfel, vandaar het ‘toch’.
     Er kon, al was het meer iets voor andere mensen,
     wellicht iets worden bereikt. En nu is het zover.
     Jij bent dood en dat doet wonderen voor je cv,
     voor dat van mij. Zonder enig diploma ben ik
     ineens bezorger, woordvoerder, min of meer
     bekende Nederlander, ik sta als ‘medewerker’
     aan jouw werk vermeld, rook namens jou
     een sigaret met andere geslaagden.
     Het begint nu toch wel iets te worden met mij.’

    uit: Lijfrente (2019)

    Daarna vertelde ze dat ze het eigenlijk wel grappig vond nu genomineerd te zijn, omdat F. Starik bij elke nieuw pubicatie van haar altijd riep dat ze daarmee alle mogelijke prijzen zou winnen. Haar reactie was dan dat hij dat niet moest zeggen, dat het de goden verzoeken was en ze juist niets zou winnen. Nu hij er niet meer is, niet kon zeggen dat ze zou winnen, wint ze deze prijs. ‘Genomineerd te zijn vond ik al heel mooi; zei ze nog.  Aan de prijs is een bedrag van 25.000 euro verbonden. Een deel van de prijs wil Tuinman besteden voor een poëzieproject in nagedachtenis aan F. Starik.

     

     

    Er was ook een Jongerenprijs die bestaat uit een plaquette en werd uitgereikt aan Peter Verhelst voor zijn bundel Zon. Jongeren van verschillende scholen uit Gent en Amsterdam lazen de gedichten van de genomineerden. Hun keuze viel op Verhelst ‘omdat zijn gedichten mooi zijn, hij veel fantasie heeft en schrijft over liefde en over problemen van het leven nú’.

    De prijsuitreiking zou zaterdag 21 maart in de Brakke Grond in Amsterdam plaatsvinden maar kon door de maatregelen rondom het Coronavirus niet doorgaan.

    De Grote Poëzieprijs is een initiatief van verschillende organisaties in Vlaanderen en Nederland. Voor de prijs waren 118 bundels ingezonden.

     

  • Klassieke gedichten over de liefde en een wereld die verdwijnt

    Klassieke gedichten over de liefde en een wereld die verdwijnt

    Klimaatverandering heeft ook de literatuur beïnvloed: nog nooit zijn er zo veel romans en dichtbundels geschreven die zich bezighouden met een wereld in de toekomst na de Apocalyps. De meeste van deze boeken vertellen over een dystopische samenleving, waarin de mens moet zien te overleven onder barre omstandigheden, met als grootste vijand zijn eigen medemensen. De achtste bundel van Mark Boog (1970), Liefde in tijden van brand, gaat weliswaar uit van hetzelfde vertrekpunt: een maatschappij die vijandig en vernietigend is, maar hij kiest voor een andere route. In plaats van de confrontatie met de buitenwereld aan te gaan, voert hij een liefdespaar op dat zich verschanst in een binnenwereld en zich staande probeert te houden  op een eilandje te midden van een wereldbrand die zich als een woeste vuurzee om hen heen uitbreidt.

    Een idyllisch begin

    De bundel bestaat uit vier afdelingen van elk veertien titelloze gedichten zonder witregels. Aan het begin van elke afdeling is het eerste gedicht in cursief gezet, als representant voor dat wat volgt. De meeste gedichten zijn kort en bevatten hooguit vijftien versregels achter elkaar, alleen het cursieve gedicht van de derde afdeling vormt hierop een uitzondering met eenentwintig strofen van drie regels. Alle gedichten scharen zich onder hetzelfde thema en zijn onderdeel van één verhaal.
    De eerste afdeling toont een idyllisch begin: ‘Schaterlachend dansen we het korenveld in’. Er zijn slechts twee personen, de ik en de jij die in alle gedichten de hoofdrol spelen. Andere mensen zijn niet aanwezig: ‘Elders is nooit leven aangetroffen, / er is naar gezocht. We vliegen hoog.’

    Dit zijn liefdesgedichten pur sang, handelend over twee geliefden en niets anders. De vuurzee van de buitenwereld wordt weerspiegeld in het liefdesspel in bed, dat met een dompelbad vergeleken wordt. Alle gedichten in deze afdeling zijn variaties op eenzelfde thema: jij en ik en de liefde.

    Bedreigende buitenwereld

    In de tweede afdeling loert het gevaar: ‘Er woei papier door de brievenbus naar / binnen’. De buitenwereld dient zich aan en probeert door te dringen in het dagelijkse leven van beide geliefden. Er komen scheuren in hun zelfgebouwde cocon. De derde afdeling met haar afwijkende inhoud en vorm fungeert als de spil van de gehele bundel, het middelpunt waaromheen de andere afdelingen draaien. In deze cursief gezette drieregelige strofen wordt teruggekeken op het verleden en de oorzaak van de vlucht van de geliefden uit de buitenwereld. Ze rijden in een auto door een woestijnlandschap op weg naar een toevluchtsoord. Er heeft zich blijkbaar een grote, niet nader aangeduide ramp voorgedaan. Het heeft er alles van dat er een gruwelijke oorlog over het land getrokken is: ‘Op het koude veld liggen lichamen, / inmiddels zwijgende lichamen. / Ze liggen op hun rug.’

    In de vierde afdeling is de buitenwereld onontkoombaar binnengedrongen in de binnenwereld van de geliefden, die hun ogen niet meer kunnen sluiten voor de wereldbrand. Wat buiten gebeurt, heeft ongemerkt invloed op hun samenzijn: hun geluk wordt stroever, laat Boog de hoofdpersoon zeggen, en zij blijven bij elkaar omdat er niemand anders is. De vijfde afdeling klinkt als een berusting in niet alleen het verval van de buitenwereld, maar ook dat van het eigen lichaam: in hun zelfverkozen toevluchtsoord waren de geliefden veilig voor de buitenwereld, maar worden bedreigd door de voortschrijdende tijd. Ze zijn langzaam oud geworden, ziekte en aftakeling slaan toe, en ook de eens zo hechte liefde begint barsten te vertonen: 

    ‘De zon brandt op de harde rotsen,
    die elk jaar roder, dichter, ouder
    woestijn zijn. Wie buitenkomt
    gezicht brandt. Wie binnengaat
    duisternis vindt. Elk jaar na
    de gruwelijke winter is er meer
    troost in het uitzicht, meer troost
    in het gekende gezelschap, meer
    verlies. We gaan nooit meer weg.’

    De afgelegde weg voert onherroepelijk naar een triest einde in het allerlaatste gedicht:

    ‘In ons smeulen vuren, ons oppervlak
    is zwart en stil, een kratermeer
    bij wolkeloze avond. Daar vliegen
    de vleermuizen, daar gaan de uilen.
    We gooien het koude hoofd in de nek
    en huilen, eindelijk huilen we.’

    Het verval en de liefde

    De titel van de bundel brengt onvermijdelijk het beroemde werk van Gabriel García Márquez in gedachten, Liefde in tijden van cholera. Er zijn treffende overeenkomsten: Márquez vertelt ook over twee geliefden die pas, als ze al over de zeventig zijn, hun liefde kunnen vieren en beleven. Ook hier is veel aandacht voor het lichamelijk verval, ook deze geliefden vluchten voor de buitenwereld waar cholera heerst, en blijven op een boot – hun toevluchtsoord –  heen en weer varen over een rivier. 

    Mark Boog, die eerder de C.Buddingh’- prijs en VSB- poëzieprijs won, heeft met deze bundel een reeks klassieke liefdesgedichten geschreven, die traditioneel genoemd zouden kunnen worden, als het element van de wereld na het Armageddon niet zo nadrukkelijk aanwezig was geweest. De gedichten passen in deze tijd waarin de angst voor de toekomst prevaleert, maar Boog predikt niet, dringt niemand iets op en probeert niet te overtuigen van de naderende ondergang: de gedichten zijn rustig en laten in mooie beelden zien dat branden een onderdeel is van de liefde en het leven zelf. 

     

  • De macht van een goed verhaal

    De macht van een goed verhaal

    ‘Wijsheid kan alleen worden gevonden in waarheid,’ is een bekend citaat van Johann Wolfgang von Goethe. In de wereldwijde bestseller Leugenaar verkent de Israëlische auteur Ayelet Gundar-Goshen (1982) de oorzaken en gevolgen van grote en kleine leugens. De grootste leugen in deze roman komt van de zeventienjarige Noefar, die tijdens haar werk in een ijssalon ruzie krijgt met een bekende zanger. Als hij tegen haar schreeuwt en haar pols pakt, begint zij te gillen, waardoor toegesnelde buurtbewoners denken dat de zanger haar heeft aangerand. 

    Noefar is niet de enige die liegt. De zanger zelf geeft agenten de indruk dat hij de aanranding echt op zijn geweten heeft, een doofstomme zwerver die heeft gezien wat er daadwerkelijk gebeurde blijkt gewoon te kunnen praten en een verlegen jongen zwerft vijf dagen rond terwijl zijn vader denkt dat hij een militaire training volgt. Er is een bejaarde vrouw die zich voordoet als haar overleden vriendin en lezingen geeft over haar tijd in Theresienstadt terwijl ze nooit in een concentratiekamp heeft gezeten: ‘Raymonde wist dat Rivka graag zou willen dat iemand haar verhaal vertelde. Zoals een olijfboom graag wil dat iemand zijn vruchten opraapt en er olie van maakt. Dus raapte zij de olijven van Rivka op, deed haar eigen olijven erbij en perste ze samen heel goed uit, en wat dat opleverde was zo zuiver en bitter dat het zonde was om het de kinderen niet te drinken te geven.’

    De geboorte van een leugen

    Gundar-Goshen, die psychologie studeerde, pelt zorgvuldig de laagjes van haar personages af om te onderzoeken waarom ze liegen én de leugens volhouden. Meteen nadat Noefar heeft gegild, beseft ze dat de toegesnelde buurtbewoners een verkeerde indruk krijgen van wat er is gebeurd: ‘Iedereen was zo aardig, zo vol belangstelling, wat zouden ze zeggen als ze erachter kwamen dat er eigenlijk niets gebeurd was, dat ze zich voor niets hierheen hadden gehaast?’ Dan is de leugen al in gang gezet: ‘En het was haar schuld niet dat het snikken bij de toeschouwers als knikken overkwam. “Heeft-ie aan je gezeten?” vroegen ze, en het gezicht achter de handen beefde, ofwel bevestigde, en elke snik leek een knik, en elke knik was een kop in de krant van morgen, en voor je het wist ontspon zich op een verwaarloosd plaatsje als door een wonder het verhaal van de voormalige winnaar van een talentenjacht die beschuldigd werd van een poging tot verkrachting van een minderjarig meisje, en de mensen keken naar het verhaal dat voor hun ogen geboren werd en zagen dat het goed was. ’

    De rol van de mensen in dit citaat is groter dan de rol van Noefar: door de Bijbelse verwijzing ‘zagen dat het goed was’ worden zij vergeleken met God, degene die bepaalt. Zij houden van een goed verhaal, wíllen het geloven en creëren een leugen. Dit is een situatie die ook veel te zien is op televisie: reality-programma’s volgen een verhaallijn en het maakt de kijkers niet uit in hoeverre het narratief de werkelijkheid benadert, zolang het maar vermaak oplevert. Niet voor niets is Noefar meerdere malen te gast bij een talkshow, waar zelfs haar make-up past bij het verhaal dat ze vertegenwoordigt. 

    Broeierige sfeer

    Hoewel de #MeToo-beweging nergens in Leugenaar wordt genoemd, is het verband tussen Noefars verhaal en de actualiteit niet te missen. De beschuldigde zanger is geen seconde vriendelijk tegen Noefar geweest: ‘En hij begon het meisje weer met zijn nare woorden te bestoken, en de woorden waren als heteluchtballonnen die opstijgen zodra het vuur eronder aangestoken wordt: “Walgelijke koe, ik zou je met geen stok durven aanraken”, en nog meer van dergelijke benamingen en beledigingen.’
    Maar is dit zó erg dat hij het verdient om vals beschuldigd te worden en in de gevangenis te belanden? 

    Op die vraag geeft Gundar-Goshen geen antwoord, oordelen laat ze over aan de lezer. Onder het verhaal sluimert de geschiedenis en de huidige politieke toestand van Israël, wat voor een broeierige sfeer zorgt. De vertaling uit het Hebreeuws van de in 2018 overleden Shulamith Bamberger behoudt deze sfeer heel knap. Ook de aanwezige alliteraties, metaforen en andere stijlfiguren zijn zo goed dat ze oorspronkelijk Nederlands lijken. Wel kan er een vraagteken worden geplaatst bij de keuze om te spreken van een ‘vrouwelijke arts’ en ‘vrouwelijke rechercheur’, wat impliceert dat er een verschil is met mannelijke artsen en rechercheurs, terwijl de context hiertoe geen aanleiding geeft.

    Serieus en speels

    Vanwege het onderwerp zou Leugenaar een belerende roman kunnen zijn, maar dat is het niet. Leugens hebben, net als verhalen, een verbindende kracht. Zo heeft een jongen vanuit zijn raam gezien dat Noefar niet is aangerand en wil hij dat zij op televisie zijn naam noemt. Uit deze afpersing ontstaat een vriendschap die langzaam meer wordt. De bejaarde dame stapt dankzij haar leugens voor het eerst in een vliegtuig. Haar lezingen over Theresienstadt zorgen ervoor dat jongeren durven te huilen. 

    Doordat de personages elk moment ontmaskerd kunnen worden, is Leugenaar ongelooflijk spannend. Gundar-Goshen wisselt haar zware schrijfstijl vol metaforen moeiteloos af met speelse scènes waarin de personages toch weer ontsnappen aan de waarheid. Humor maakt naadloos plaats voor de vraag wat je zelf zou doen als je je in de situatie van de personages zou bevinden. Wat is nu eigenlijk het verschil tussen een leugen en een verhaal? Is er een verschil? Door de perfecte balans in de verteltoon en de goed uitgewerkte, meeslepende personages is het onmogelijk dit boek weg te leggen.

     

  • Opkomst en ondergang van een droomland

    Opkomst en ondergang van een droomland

    Als Maxim Leo’s grootvader met een beroerte wordt opgenomen in het ziekenhuis, en zijn spraakvermogen verliest, besluit Maxim Leo dat het tijd wordt om met zijn familie te gaan praten. Rode liefde gaat over zijn familie die hij twintig jaar na de val van de muur interviewde. Hierdoor kan hij eindelijk duiding geven aan de ruzies in zijn jeugd tussen zijn vader Werner en zijn communistische grootvader Gerhard. Iedereen in Leo’s familie is op een of andere manier beïnvloed door de opbouw én val van de DDR: een staat die voor de jongere generatie gedoemd was te mislukken en voor de stichters ervan het beloofde land had moeten zijn.

    Maxim Leo (1970) debuteerde in 2005 als co-auteur van Single-family: zwei Männer- zwei Welten waarin hij anekdotes uit het dagelijks leven beschrijft. Zijn vader Wolf Leo maakte de illustraties voor dit boek. 

    In zijn roman Rode Liefde beschrijft hij de nog steeds sluimerende aanwezigheid van de DDR in zijn familie als ‘een geest die geen rust vindt’. Leo is, net als zijn grootvader en moeder waren, journalist bij de Berliner Zeitung, als hij besluit om zijn familiegeschiedenis te onderzoeken. De afstand die tussen Maxim en zijn familie ontstaat door het doen van dit onderzoek, blijkt nodig om eindelijk open te kunnen spreken over de herinneringen aan het Oost-Duitse land. Een land dat haar volk na de Tweede Wereldoorlog had moeten beschermen maar het in plaats daarvan opsloot en met ijzeren hand onderdrukte.

    Twijfel aan het verleden

    Maxim Leo is in deze (auto)biografische roman de verteller en gidst de lezer door het verleden van zijn beide grootvaders, Gerhard en Werner, zijn ouders Anne en Wolf, en uiteindelijk zijn eigen verleden. Door de continue aanwezigheid van Leo in het verhaal, wordt het verleden in een hedendaags en verklarend perspectief geplaatst. Leo durft nu kritisch te kijken naar het land waar hij opgroeide en de keuzes die zijn ouders, grootouders gemaakt hebben om dit land in stand te houden. Dit wordt goed geïllustreerd door de geschiedenis van Maxim Leo’s grootvader Gerhard, een man van Joodse afkomst die aan de wieg van de DDR stond en zijn geloof hierin nooit heeft laten wankelen. 

    Dit geeft inzicht in de gedachtegang van de voorstanders van de DDR. Gehard vocht tegen de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog, sloot zich aan bij het Franse verzet, werd gemarteld door de nazi’s en uiteindelijk bevrijd door de partizanen. Dat hij als een van de eersten vóór een land was waarin iedereen gelijk was, fascisten buiten werden gehouden door een fysieke muur en velen dezelfde oorlogsgruwelen als hij hadden meegemaakt, lijkt vanuit dit perspectief heel aannemelijk. 

    Wonen in het verkeerde land

    Leo laat met dit boek zien hoe het verleden, de keuzes voor de toekomst beïnvloeden. Hier en daar legt hij het er iets te dik bovenop, door bijvoorbeeld bij het beschrijven van Gerhards bevrijding tot drie keer toe op één pagina te benoemen welke loyaliteit bij Gerhard is ontstaan nadat hij bevrijd is door de Franse partizanen die geleid werden door de communistische partij. Dat Gerhards dochter, Anne (Leo’s moeder) op dezelfde manier denkt en het Westen vreest, wordt door Leo verklaard met, ‘Lang voordat ze kan begrijpen wat er om haar heen gebeurt, is de Koude Oorlog haar kinderwereld binnengeslopen en heeft haar tot zijn kameraad gemaakt.’

    Met dit soort beschouwingen verklaart Leo continu de keuzes die zijn familie gemaakt heeft. Hoewel Anne, zijn moeder, op een gegeven moment besluit niet langer meer mee te werken aan de Oost-Duitse propaganda die verspreid wordt in de Berliner Zeitung, blijft haar geloof in het communisme overeind. Leo schrijft: ‘Met elk boek dat ze leest groeit haar overtuiging dat de DDR het socialisme eigenlijk belemmert, dat ze het verraadt en perverteert. Voor Anne is dat tegelijkertijd een opluchting en een belasting, omdat ze nu weliswaar weet dat ze in de juiste zaak gelooft, maar helaas in het verkeerde land woont.’

    Het levensverhaal van grootvader Gerhard en zijn moeder Anne wordt in de roman het breedst uitgemeten. Wellicht dat Leo besluit hier dieper op in te gaan om ook de West-Duitsers inzicht te geven in de keuzes van zijn vroegere landgenoten. Immers, beschrijft hij later in het boek dat wanneer hij zijn West-Duitse paspoort gaat halen, hij zich schaamt voor het medelijden dat de West-Duitsers tonen nadat de muur eenmaal gevallen is. ‘Ik had het gevoel dat ik een bosjesman was die door witte mensen in hun wereld verwelkomd werd.’

    Het groter geheel

    De kracht van Rode Liefde ligt in de verschillende perspectieven die Maxim Leo aanhaalt in de reconstructie van zijn familieverleden en de afstand die hij bewaart tijdens het schrijven. In het beschrijven van grootvader Werners verleden staan overigens twee slordigheden waarbij de naam Gerhard genoemd wordt in plaats van Werner. De oplettende lezer zal ongetwijfeld begrijpen dat hier Werner bedoeld wordt. 

    Maxim Leo maakt met zijn boek het ontstaan van de DDR, door het Westen gezien als een schending van de mensenrechten, inzichtelijker. De herinneringen van zijn grootvader Gerhard en zijn moeder Anne verklaren hun communistische overtuigingen. Daarnaast is het verzet tegen de opgelegde grenzen een voortdurend thema. In Maxim Leo’s jeugd speelt dit al een belangrijke rol wanneer met vriendjes het spelletje ‘naar het Westen’ gespeeld wordt, waarbij twee kinderen de grenswachters zijn en de ander de vluchteling.

    Al deze verschillende elementen en visies worden door Leo’s eigen reflecties bij elkaar gebracht en geduid. Het geeft de lezer een totaalbeeld van de invloed van de DDR als land op microniveau. De anekdotes en herinneringen die Leo aanhaalt, brengen de DDR weer even tot leven. De invloed die dit land op haar bewoners had, wordt misschien nog het beste weergegeven in Leo’s beschrijving van zijn eigen gevoelens na het vallen van de muur.
    ‘Ik hoef me geen air meer aan te meten, hoef me nergens aan te committeren en hoef geen standpunt te hebben. Politiek kan een gespreksonderwerp zijn wanneer je verder niets anders te binnen schiet. Niet de maatschappij, maar ikzelf ben het onderwerp van mijn leven.’

     

  • Oogst week 3 – 2020

    Bowie's Boekenkast

    Ook mensen die niet zo bekend zijn met de muziek van David Bowie, weten vast wat een markante man het was. Dat hij heel veel las, zal echter niet iedereen weten. Hij zou ‘lezen’ zelfs genoemd hebben als zijn ultiem idee van geluk.

    Welke boeken hebben hem het meest beïnvloed? Bowie stelde zelf, drie jaar voor zijn dood, een lijst samen van boeken die zijn leven hebben veranderd. Dat zijn dus niet per se de boeken die hij het mooiste vond, maar juist die hij het belangrijkste en meest invloedrijk vond voor zijn leven, en die dus die iets over hem vertellen. Deze lijst is tijdens de grote ‘David Bowie Is’ tentoonstelling al gepubliceerd en ging toen meteen ‘viral’.

    De lijst in op internet al in te zien. Er staan beroemde boeken op van beroemde schrijvers, maar ook minder beroemde werken van (minder) beroemde auteurs.
    Per boek is een kort essay opgenomen over inhoud en auteur, je krijgt suggesties over welk (Bowie)-nummer je daarbij het best kunt beluisteren en nog vervolg-leestips. Het boek wordt daarmee een schier eindeloze lijst.

    Uitgeverij Orlando speelt slim in op Bowie’s lijst met o.a. de publicatie van De beste jaren van juffrouw Brodie (december 2019) van Muriel Spark en Circusnachten van Angela Carter (januari 2020).

    Bowie’s boekenkast is geïllustreerd door Luis Paadín.

    Bowie's Boekenkast
    Auteur: John O'Connell
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando

    Leugenaar

    Een van de grootste vertalers uit het Hebreeuws was Shulamith Bamberger (1947 – 2018). Zij was geboren in Israël en verhuisde als jonge vrouw naar Nederland waar zij vertaalkunde ging studeren. Zij vertaalde o.a. proza van onder meer David Grossman, Alon Hilu en Hila Blum, maar vertaalde o.a. ook Arthur Japin, Harry Mulisch en Willem Elsschot vanuit het Nederlands naar het Hebreeuws.

    Ook Leugenaar van Ayelet Gundar Goshen (Tel Aviv, 1982) heeft zij vertaald.

    Leugenaar gaat over de vriendelijke, altijd dienstbare, 17-jarige ijsverkoopster Noefar Sjalev.
    Als op een dag een beroemde zanger haar beledigt, loopt zij de zaak uit. Hij gaat haar achterna in de veronderstelling dat ze er met zijn geld vandoor gaat. ‘Noefars gil alarmeert de buurtbewoners en tot haar verbazing is iedereen ervan overtuigd dat de man haar seksueel probeerde lastig te vallen. En zij besluit hen dat te laten geloven. Met zwarte humor en diep inzicht in de menselijke aard beschrijft Leugenaar hoe een klein leugentje een groot verschil kan maken. In een wereld van mediahypes en alternatieve feiten laat de schreeuw van een meisje een hele stad twitteren.’

    Leugenaar is in verschillende landen een groot succes en zal ook verfilmd worden.

     

     

    Leugenaar
    Auteur: Ayelet Gundar Goshen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Vuurgeesten

    Prachtige recensies kreeg het boek Vuurgeesten van de van oorsprong Zuid-Koreaanse schrijfster R.O. Kwon. Het is een debuut waar de schrijfster tien jaar aan schreef voordat ze het goed genoeg vond, maar daarna denderde het dan ook de bestsellerlijsten in.

    Vuurgeesten gaat over twee jonge mensen, Phoebe en Will, waarvan er één vanuit een schuldgevoel in de ban raakt van een sekte. De ander kent de aantrekkingskracht van het geloof, maar heeft er mee gebroken en worstelt vervolgens met de leegte die dat veroorzaakt.
    De religieuze groepering waarbij Phoebe zich aansluit wordt geleid door een charismatische oud-student met een twijfelachtig verleden en radicale opvattingen. Als de groep een aanslag pleegt en Phoebe verdwijnt, stelt Will alles in het werk om te achterhalen wat er gebeurd is

    Michael Cunningham zei over dit boek: ‘Spannend, angstaanjagend en diep ontroerend; een juweel van een boek. Het beste dat ik in lange tijd gelezen heb. Kwon heeft haar naam gevestigd.’

     

     

    Vuurgeesten
    Auteur: R.O. Kwon
    Uitgeverij: De Arbeiderspers