• Heftige emoties en de rol van de media

    Heftige emoties en de rol van de media

    Recensie door Dominique Rothengatter 

    Met De inzending heeft Amy Waldman een tot de laatste bladzijde, intrigerend, in al zijn nuances boeiend en geloofwaardig verhaal geschreven.

    Precies 10 jaar na de aanslagen in New York wordt een ontwerpwedstrijd voor een monument op Ground Zero gehouden. Diverse ontwerpers dienen hun ontwerp in.
    Eén van de juryleden van de ontwerpwedstrijd is de jonge, ontwikkelde weduwe Claire Burwell. Ze vertegenwoordigt de nabestaanden. Burwell is fulltime moeder van 2 zoontjes en heeft haar carrière bijna als vanzelfsprekend opgegeven voor die van haar man. Andere nabestaanden waarmee we kennis maken zijn de werkloze Sean. Hij is zijn heldhaftige broer, die brandweerman was, verloren. En we leren de Bengalese, illegale moslima Asma en haar zoontje Abdul kennen. Ook haar man Iman is omgekomen bij de aanslag.

    Uit de inzendingen voor de wedstrijd maakt de jury een keuze. Een van de journalisten die schrijft over het selectieproces is de nieuwswolf, Alyssa Spier. Wanneer ze verhaal ruikt, de vermeende winnaar van de wedstrijd zou een moslim zijn, belt ze de juryvoorzitter Rubin persoonlijk op. Maar deze laat niets los.

    Vervolgens wordt de uitslag officieel bekendgemaakt. Het winnende ontwerp blijkt van een Indiase moslim te zijn, Mohammad Kahn. Er breekt er een mediacircus los rondom deze Mohammad Khan, de juryleden en alle mensen die er zijdelings bij betrokken zijn. Dat Khan een geboren en getogen Amerikaan is, schijnt er geheel niet toe te doen. Journaliste Spier slaat meedogenloos haar slag.

    De vraag die dit oproept is of het ‘moslim zijn’ van de kunstenaar relevanter is dan de kwaliteit van zijn ontwerp voor een aansprekend monument voor de slachtoffers en nabestaanden van 9-11. In de daarop volgende strijd om het ‘vermeende recht’ van de slachtoffers, gaat een groep nabestaanden behoorlijk ver in hun acties. Ze organiseren protestmarsen en toespraken op verschillende plekken in het land. De grenzen tussen ‘de goeden’ en ‘de fouten’ vervagen langzamerhand aardig. Toch ontstaat er gek genoeg ook begrip bij de lezer voor deze losgeslagen groep nabestaanden. Ze zoeken een uitingsvorm voor hun gevoelens van verlies, rouw en woede.

    Ondanks alle onder invloed van de media ontstane commotie weigert Kahn pertinent om zijn ontwerp terug te trekken uit de wedstrijd. Uiteindelijk legt hij in een hoorzitting de achterliggende gedachte van zijn inzending ‘De Tuin’ uit aan een groot publiek van nabestaanden.  Wederom publiceren de media een – in hun ogen – aanstootgevend feit, de illegaliteit van de Bengalese moslima Asma. Door haar vurige toespraak tijdens de hoorzitting van Kahn, heeft ze de aandacht getrokken van de pers. De Bengalese wordt neergestoken op straat.
    ‘“De pers! De pers! Die heeft haar vermoord!” riep iemand uit. De journalisten liepen verspreid in de menigte als afval op een zich vertakkende rivier.’ (p. 356) In deze menigte bevindt zich ook Alyssa Spier. Ze wordt wrang genoeg gered en afgeleverd bij de politie door Nasruddin, een vriend van Asma.

    ‘Wat ze ook gedaan had, ze moest beschermd worden, maar vanbinnen was hij net zo woedend als zijn buren. “Zorg dat haar niets overkomt”, zei hij. “Zij is hiervoor verantwoordelijk.”’ (p. 357)

    Waldman presenteert een kritisch beeld van de opruiende, alles over één kam scherende media. Er is geen ruimte meer voor nuance en waar het werkelijk om gaat, een monument dat de nagedachtenis van de slachtoffers eert. Dit gebrek aan nuance blijkt ook uit de ontmoeting tussen jurylid Claire en Mohammad. Claire wil een aanpassing van het ontwerp.

    ‘“Ziet u niet in dat u alleen zichzelf beschadigt?” zei ze. “Als u wilt dat ik voor u opkom – u kunt hier niet van op de hoogte zijn, maar ik was het enige jurylid dat niet weifelde toen we uw naam te horen kregen -, dan moet ik meer over u weten. Ik wil graag dat u een aantal van deze ideeën verwerpt, of er tenminste afstand van neemt, of dat simpelweg in uw ontwerp tot uiting laat komen. Het gaat hier niet om u. Het gaat hier om godsdienst”’ (p. 374)

    Mohammad weigert zijn ontwerp aan te passen omdat hij vindt dat zijn ontwerp niets te maken heeft met zijn achtergrond en religie.‘Krijg ik mijn verdiende loon omdat ik toevallig dezelfde religie aanhang als een stelletje malloten?’ (p. 374)
    De tegenstellingen lijken onoverbrugbaar. Dat er een monument moet komen, daar is iedereen het over eens. Maar mag de kunstenaar dan een moslim zijn? En is het antwoord op die vraag een kwestie van beschaving of tijd? Dat zijn de vragen waar de lezer mee blijft zitten.

     

    De inzending

    Auteur: Amy Waldman
    Vertaald door: Thera Idema
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Aantal pagina’s: 414
    Prijs: € 24,95

     

  • De muziek voelt zich verongelijkt

    De muziek voelt zich verongelijkt

    Het is een liefdevol huwelijk tussen muziek en literatuur en toch rijzen er vaak problemen. Beide echtelieden zijn dominant en strijden om de voorrang. Als we ons voornemen om vol overgave te gaan luisteren naar een symfonie van Mahler en tegelijkertijd een boek ter hand nemen leidt dit onvermijdelijk tot een mislukking. De muziek voelt zich verongelijkt en het boek krijgt onvoldoende aandacht.

    Bij de bespreking van het eerste muziekstuk geeft Stephan Sanders het zelf al aan: ‘Ik kan niet met een half oor luisteren en met een halve hand schrijven.’ Maar waarom zouden zijn lezers dan wel kunnen luisteren met een half oor en lezen met een half oog? Er wordt prachtige muziek ten gehore gebracht, alleen erg jammer dat die man er steeds doorheen praat. Het is allemaal wel te begrijpen, we worden nieuwsgierig gemaakt. Soms is de muziek verstild en ontroerend en vaak klinkt het bekend. Met sommige componisten willen we nader kennis maken en aan andere moeten we erg wennen. De CD kast wordt doorzocht en misschien wordt er ook nog wat oud vinyl afgestoft. Binnenkort zullen er zeker nieuwe aankopen volgen om dat ene vioolconcert of die cellosuite in zijn geheel te gaan beluisteren. De luisteraar wordt getergd wanneer na een korte introductie en lang niet altijd volledige toelichting, de muziek wordt afgebroken. Het is allemaal erg onbevredigend maar dat is nou net de bedoeling, de lezer/luisteraar wordt als het ware gedwongen om naar wegen te zoeken om het beeld te completeren.

    Er is een heel goed begin, de cellosuite van Johan Sebastian zal zeker in de smaak vallen en bij velen bekend in de oren klinken. Ook Dietrich Fischer Dieskau is een oude bekende en zijn leerling Matthias Goerne gaat hem misschien wel overtreffen. De liederen van Schubert, je wilt ze vaker horen. Er zullen toch niet zo erg veel jongens zijn die op veertienjarige leeftijd elke dag naar La Mer van Debussy luisteren maar het is zeker geen gek idee om ze er kennis mee te laten maken waardoor ze op latere leeftijd dit symfonisch gedicht gaan waarderen. De koningin van de nacht klinkt natuurlijk bekend maar de stem van Erika Miklosa kenden we misschien nog niet, dan wordt het hoog tijd voor een nadere kennismaking. Die oude uitvoering van miss Florence Foster Jenkins uit 1944 in de Carnegie Hall, is natuurlijk nergens meer te krijgen. En dan Peter Schat, met zijn muziek en zijn stormachtig verlopen leven zou een lijvig boekwerk te vullen zijn. Een stukje uit de tekst van zijn werk voor koor Adem: ‘Ik adem de zoete bries in die uit uw mond komt.’ Hoe kom je erop.
    De protestantse Max Bruch heeft het stuk voor cello en orkest Kol Nidrei, gebaseerd op het joodse gebed dat tijdens Jom Kippoer in de synagoge wordt gezongen, in 1881 gecomponeerd en Stephan Sanders heeft er in 2010 nog om gehuild. Het is dan ook een heel bijzonder werk.

    Sanders vermeldt bij bijna elk besproken werk anekdotische bijzonderheden. Zo ook bij The Messiah van Händel. Händels weldoener was William Cavendish – de derde hertog van Devonshire. Niet belangrijk voor de muziek, toch leuk om te weten. Heel interessant is de vergelijking die hij maakt bij de bespreking van de Mazurka2, van Fredric Chopin, tussen de twee pianogiganten Arthur Rubinstein en Vladimir Horowitz. Hier zullen muziekliefhebbers nog vaak over na kunnen praten.
    De discussie die over Carmina Burana van Carl Orff ongetwijfeld gaat ontstaan zou best eens heftig kunnen worden. Sanders maakt immers melding van het feit dat Orff zich de nazi belangstelling welwillend liet aanleunen en dat hij de favoriete componist was van Adolf Hitler. Bepaald geen aanbeveling en er heerst dus enig wantrouwen. Weliswaar geen nazi kunst maar wel vakkundig gemaakte kitsch. Puur genieten is het Vioolconcert no.1 van Sjostakovitsj, ten gehore gebracht door de maestro Itzhak Perlman. Het was David Oistrach die de eer te beurt viel om dit werk in 1955 op de première in Moskou te spelen. Trek gerust een hele avond uit voor Orfeo ed Euridice van Christoph Willibald Cluck. De stem van Andreas Scholl maakt het tot een hoogtepunt.
    Er zijn er niet zo erg veel, Nederlandse componisten maar laten we ze wel in ere houden, ze zijn het zeker waard. Luister maar naar Six etudes van Herman Strategier.
    Terloops komt een hele grote naam voorbij, Kathleen Battle, haar stem en haar uitvoering van Rachmaninovs Vocalise verdient natuurlijk veel meer aandacht dan hier in dit korte verhaaltje is gedaan en dan hebben we het nog niet eens over haar uitvoeringen van spirituals als Good News. Een onvergetelijk lyrische sopraan. Bij het horen van de Coronations Anthems van Händel lopen de rillingen over je rug en het is heel goed voor te stellen dat sommige kinderen ervan gedroomd hebben dat ze in de verkeerde wieg hebben gelegen toen ze deze muziek voor het eerst hoorden. Als we onze ogen dicht doen zien we het voor ons, de Westminster Abbey.

    We mogen Stephan Sanders dankbaar zijn. Hij spoort met Met het oog op klassiek muziekminnend Nederland op een prikkelende wijze aan om vaker en intensiever naar klassieke muziek te luisteren.

     

  • Een goed verhaal met verleidelijke volzinnen

    Een goed verhaal met verleidelijke volzinnen

    Helemaal toevallig is het niet dat Goldschmidt een boek heeft geschreven over het succes van de farmaceutische multinational Organon. Organon was het eerste bedrijf waar de commercie en de wetenschap samen gingen werken. Arnold van Zwanenberg, telg uit familie van vee- en vleeshandelaren, begon een exportslachterij en breidde deze uit met vele nevenactiviteiten die weer leidden tot vele fabrieken, uiteindelijk overgenomen door Unilever. Bij Van Zwanenberg bestond de wens om het slachtafval uit de Zwanenberg-fabrieken nuttig te gebruiken. Er bestond reeds een vermoeden dat zich in dierlijke organen een aantal medisch nuttige stoffen zouden bevinden. Het was echter niet bekend hoe deze stoffen konden worden geïsoleerd. De hoogleraar Laqueur werd aangetrokken en werd wetenschappelijk leidinggevende. En deze Laqueur is de schoonvader van de vader van Goldschmidt. Goldschmidt kreeg toestemming om de archieven van Organon tussen 1923 en 1946 te bestuderen. Hierbij stuitte ze op een bericht van seksueel misbruik van een directielid. Ze werd nieuwsgierig. Wat was hiervan waar? Al snel was ze zo geïntrigeerd door de informatie dat er een roman ontstond in haar hoofd.

    De hormoonfabriek gaat over het leven van de succesvolle ondernemer Mordechai de Paauw, Motke voor vrienden, en zijn zakelijke relatie met de beroemde farmacoloog Rafael Levine. Mordechai wordt in de jaren 20, na de dood van zijn vader, algemeen directeur van een goedlopend slachtbedrijf en vleesfabriek. Zijn tweelingbroer Aron wordt adjunct-directeur. In de fabrieken worden 2.000 varkens en 350 runderen per dag verwerkt, ze produceren worsten, hammen, rookvlees, ontbijtspek en bacon voor de Engelse markt. Er is een reuzelsmelterij en een raffinaderij voor oliën en vetten en een zeepfabriek. Zelfs de varkensharen worden vermaakt tot borstels. Alles wordt gebruikt behalve de organen. Maar zoals Darwin al beweerde heeft alles een reden van bestaan. Mordechai verneemt geruchten dat er belangrijke stoffen uit de organen te halen zijn. Hij ziet een gat in de markt. Hij nodigt Rafael Levine, een groot wetenschapper, uit om eens van gedachten te wisselen over het samengaan van wetenschap en commercie. Na stevig onderhandelen besluiten ze met elkaar in zee te gaan. De eerste opdracht is insuline te standaardiseren en daarna moet Levine proberen uit orgaanvlees zoveel mogelijk stoffen te isoleren die als medicinale producten op de markt gebracht kunnen worden. Levine krijgt een goed geoutilleerd laboratorium met de nieuwste instrumentaria, de beste chemici en farmacologen. Mordechai wordt de commerciële man. Het is het begin van het bedrijf Farmacom.

    De samenwerking gaat goed. Levine is een begenadigd wetenschapper en het bedrijf breidt zich meer en meer uit. Echter de spanning tussen commercie en wetenschap loopt op. Tussen deze twee gebieden zijn altijd spanningen geweest. De wetenschap heeft baat bij commerciële toepassingen van de wetenschap waardoor er meer geld binnenstroomt waarmee bijvoorbeeld betere instrumenten gekocht kunnen worden en beter personeel aangenomen kan worden. De handel wordt beter als gevolg van (baanbrekende) ontdekkingen. De spanning zit altijd in de tijd. Hoelang heeft de wetenschap nodig om naar buiten te komen met opzienbarende resultaten. Voor Mordechai ging dat vaak te langzaam en zijn relatie met  Rafael Levine komt steeds meer onder spanning te staan. Prachtig om de dialogen tussen deze twee grootheden te lezen.

    Andere verhaallijnen zijn de relaties met de vrouwen maar vooral ook zijn relatie met zijn tweelingbroer. Motke is namelijk alles wat zijn broer Aron niet is. Motke wordt gestuurd door zijn hormonen, Aron heeft nog nooit een vrouw aangeraakt en zwelgt in zijn depressies. Na jaren ziet Motke ineens waar zijn broer aan lijdt: een tekort aan mannelijke hormonen. En laten zij nou een hormoonfabriek hebben. Motke zorgt ervoor dat zijn broer stiekem hormoonpreparaten toegediend krijgt; dit experiment eindigt desastreus en heeft gevolgen voor vele relaties.

    Het verhaal speelt zich af vanaf de jaren 20 tot na de oorlog. Het verhaal wordt verteld door een 96-jarige Motke die gekluisterd in zijn bed ligt en niets meer kan dan denken. En hoe prachtig beeldend denkt hij. ‘Wat heb ik het gehaat geleefd te worden door die onbeheersbare driften. En wat heb ik ervan genoten. Daarom kijk ik nu met een mengeling van opluchting en grote droefheid naar de huidige staat van mijn geslacht, dat zachte, willoze, weke en doodse kwabbetje dat als een uitgezakte pancreas onder een lillende rand buikvel hangt, en de hele dag door stinkend vocht druppelt, omdat niet alleen ikzelf maar ook het beest zijn controle verloren is.’ (p 27)

    Bij het uitbreken van de oorlog lukt het Motke op tijd te vluchten naar Engeland. Zijn vrouw en kinderen gaan onder protest mee, zijn voornamelijk Joodse vrienden blijven thuis. De oorlog is gruwelijk en de verliezen ook. Motke wordt harder en harder. Hoe beter de zaken gaan, hoe harder hij wordt in zijn opstelling. Iedereen vervreemdt van hem, maar hij leidt het bedrijf wel tot een multinational van naam.

    De vertelstijl van Goldschmidt is boeiend, beeldend en humoristisch. Of je het nu met de levenstijl van Motke en zijn opvattingen eens bent of niet, de fantastisch geformuleerde passage over het bestaan van God is hilarisch.

    Als er al een god bestaan heeft, dan was het een schlemiel. Niet meer dan een mislukte endocrinoloog die er niet in is geslaagd de weeffouten uit ons genetisch materiaal te halen. Als deze Jan Pappelepap in ons lab gewerkt had, zou ik zijn contract niet verlengd hebben en was hij er door mij hoogst persoonlijk uitgesmeten. Want die zogenaamde God is toch niet meer dan een gemankeerde opperchemicus met gebrek aan doorzettingsvermogen, creativiteit en intelligentie, die het niet gelukt is uit de zwadderige menselijke stof de talloze onzuiverheden te elimineren. Miljoenen jaren heeft Hij aan kunnen rotzooien en experimenteren en Zijn zogenaamde creatie, de mensheid, is nog steeds niets meer dan een debacle.’

    Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van Motke. Een enigszins onbetrouwbaar perspectief. Als lezer moeten we hem geloven. Er is niemand die hem kan weerspreken; iedereen is dood. En zoals Goldschmidt zei in een interview in Met het oog op morgen: ‘Alleen overlevenden kunnen iets navertellen en geschiedenis wordt verteld door overwinnaars.’

    De vrouwenverslinder Motke vertelt over zijn leven als zeer succesvolle Joodse zakenman die, voor de buitenwereld, een onbesproken blazoen had – de lezer weet wel beter. Die krijgt een uitstekend  inzicht in zijn handelsgeest, zijn commerciële talenten, zijn seksuele escapades met zijn werknemers, zijn hormoonexperimenten en zijn huwelijksproblemen. Het is aangrijpend dat juist zijn volstrekt niet door natuurlijke hormonen gedreven brave broer Aron, directielid op de achtergrond, wordt opgepakt voor seksueel misbruik van het lieve werkneemstertje Roosje, terwijl Motke al maandenlang met haar liep te ‘experimenteren’. Frappant is dat in de Van Zwanenberggeschiedenis de twee broers in de directie ook tegengesteld waren: de mecenas en het zwarte schaap. Echter het zwarte schaap, de commerciële directeur, werd opgepakt en diens broer had een onbesproken reputatie. De waarheid is hier dus omgedraaid.

    Is het verhaal de waarheid? Het verhaal is gebaseerd op historische feiten. Goldschmidt geeft aan dat slechts het gegeven van seksueel misbruik door een directielid van Organon haar het idee voor een roman gaf. De rest van het verhaal is ontsproten uit haar brein. De groei van de fabriek is een feit, het isoleren van hormonen is een feit, de joodse directeuren zijn een feit, het vergrijp van een directielid is een feit en dan houdt het wel op met de controleerbare zaken. De rest van het verhaal is fictie. Het seksueel misbruik is uiteindelijk maar een klein radartje in het geheel. De gevolgen zijn wel immens. Het is ook bijzonder interessant om te lezen hoe het proces in zo’n laboratorium in zijn werk gaat en hoe de uitvindingen weer verkocht worden aan het buitenland. Het is een soort wedloop tussen de landen. Wie vindt er het eerst wat uit? De concurrentie is moordend.

    Wat is waar? Maakt het uit? Goldschmidt heeft een boeiend verhaal geschreven waarbij ze de lezer verleidt met prachtige volzinnen en meeneemt in de wereld van Motke en een tijd waarin veel gebeurde en niemand ongeschonden uit de strijd kwam. De hormoonfabriek is een goed verhaal geworden.

     

     

     

  • Stereotype meerstemmigheid

    Stereotype meerstemmigheid

    De Britse schrijver Mark Haddon schreef in 2003 met Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht, over een jongen met het syndroom van Asperger, een internationale bestseller. Hierna volgde in 2006 Een Akkefietje. Nu publiceert hij zijn derde boek voor een volwassen publiek, de meerstemmige roman Het Rode Huis.

    In Het Rode Huis brengen een van elkaar vervreemd geraakte broer en zus en hun beider gezinnen samen een week door in een vakantiehuis in Wales. Richard neemt zijn nieuwe trophy wife Louisa en haar dochter Melissa mee. Zijn zus Angela is met haar man Dominic,  zoon Alex, dochter Daisy en jongste zoon Benjy. Alex, Daisy en Melissa zijn alledrie pubers en vooral bezig met elkaar en hun telefoons, terwijl de wat jongere Benjy opgaat in computerspelletjes en samuraifantasieën.

    Haddon laat ons het verhaal beleven vanuit alle personages. Dit zorgt voor vele perspectiefwisselingen, soms zelfs binnen een alinea. De stijl is zeer fragmentarisch – flarden van gesprekken, verhalen, boekfragmenten, songteksten, spelletjes die gespeeld worden, wisselen elkaar in een stevig tempo af. Dit maakt het boek afwisselend, maar ook vrij onrustig. Door de hak-op-de-tak stijl duurt het lang voordat je de personages leert kennen. Net als je dieper lijkt door te dringen, vlieg je alweer door naar iemand anders. Weliswaar is niemand zoals hij of zij op het eerste gezicht lijkt, of door de anderen gezien wordt, maar Haddon heeft niet alle karakters even sterk uitgewerkt. Hierdoor blijven sommige personages toch te veel een stereotype – iets wat de schrijver juist lijkt te hebben willen voorkomen door iedereen een stem te geven.

    Af en toe doet de schrijver rake observaties – een uil in het landschap die bij de familie eerst tot verwonderde kreten leidt en later niemand meer opvalt, omdat hij onderdeel is geworden van het decor. Haddon begint vaak sterk, om vervolgens te veel in te vullen. Zo schrijft hij: ‘Ze dacht aan de mannen met pijl en boog. Die waren hier ooit wel echt geweest. En mammoeten en dames met hoepelrokken en Spitfires in de lucht. Plaatsen bleven bestaan en de tijd stroomde erdoorheen als wind door het gras.’

    Tot daar mooi, maar dan gaat hij verder met: ‘Nu, op dit moment. Dit was de toekomst die in het verleden veranderde. Iets werd iets anders. Als een vlam aan het einde van de lucifer. Hout dat rook werd. Konden we maar feller branden. Een laaiende schuur in de nacht.’ Hiermee dramt hij zijn punt door, waardoor het aan zeggingskracht verliest en op het eind zelfs vaag wordt.

    Uiteraard verloopt de week in Wales grotendeels rampzalig. Onuitgevochten conflicten en pijnlijke herinneringen komen boven bij de volwassenen, de pubers doen gênante nieuwe ervaringen op en aan het eind van het verhaal is niemand er echt op vooruit gegaan, maar ze zullen deze vakantieweek in ieder geval nooit vergeten. Mark Haddon kiest met deze opzet voor een klassieke premisse – een verzameling personages die het niet al te goed met elkaar kan vinden, zit samen opgesloten in een huis. Onvermijdelijk leidt dat tot drama, het oprakelen van oud zeer. Niemand zal ongeschonden uit de strijd komen. En zo gaat het ook. Dit maakt het verloop van het verhaal enigszins voorspelbaar, maar over het algemeen zijn de verwikkelingen interessant genoeg om toch geboeid te blijven.

    Grote en kleine gebeurtenissen wisselen elkaar af. Onthullingen en bekentenissen worden gedaan, levenslessen geleerd. Vaak loopt het met een sisser af, wat weliswaar realistisch is, maar de spanning niet altijd goed doet.  Het Rode Huis is een ambitieus opgezette, maar niet geheel evenwichtig uitgewerkte roman.

     

  • Het onbelangrijke dat belangrijk is

    Het onbelangrijke dat belangrijk is

    De hoofdpersoon in Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden is Dorte, een jonge vrouw op zoek naar identiteit en volwassenheid. Helle beschrijft de eenzaamheid en alledaagsheid van haar bestaan.

    Dorte worstelt met niet zo diepgaande relaties en met kleine tegenslagen: van het jezelf buiten je woning sluiten, tot de ketting die van de fiets loopt of het onvermogen een wasserette te vinden. Dichtbij Dorte kom je echter nooit. Je leert haar, ondanks de beschrijving van haar alledaagse leven, niet echt kennen. Je komt te weten dat ze schrijft, maar inzicht in wat ze precies schrijft, waarom en waarover, krijg je niet of nauwelijks. Ook weet Helle Helle niet voldoende inleefbaar te maken, waarom Dorte liegt over het feit dat ze colleges in Kopenhagen zou volgen. Is Dorte in de war, net als haar tante die ook Dorte heet? En waarom heeft ze een zo gebrekkige  band met haar ouders? Dorte blijft een wat moelijk te doorgronden figuur.

    Het boek is een vertelling over verhuizingen, vriendjes, volwassen worden en verantwoordelijkheid, zonder grote conflicten, geheimen of verlangens. Hier en daar is het geestig. Zo wordt een stel dat net uit elkaar is als volgt beschreven: ‘Nog maar een paar weken geleden had ze hen hand in hand zien staan bij het koelvak, ze hadden naar salami staan kijken. “Wat vind jij?” had de een gevraagd. “Dat weet ik niet, wat vind jij?” zei de ander.’ (p. 96) Stond het hele boek maar vol van dit soort passages. De schrijfster kan namelijk rake beschrijvingen geven.

    Misschien probeert de auteur met de beschrijving van niet zo spannend lijkende gebeurtenissen een schrijnend beeld van het nietszeggende leven van Dorte neer te zetten. Dat lukt ten dele. Een leven kan echter nog zinlozer zijn dan het leven dat Helle Helle in dit boek beschrijft, daarvan getuigen vele klassieke romans. Het opgeroepen beeld van eenzaamheid moet worden genuanceerd, Dorte komt wel degelijk tot enigszins bevredigende relaties met anderen.

    Het boek gaat over het onbelangrijke dat toch belangrijk is. Door het ontbreken van grote gebeurtenissen ontstaat een realistischer beeld van het leven van veel (jonge) mensen, dan in boeken vol verrassende plotwendingen, die gaan over overstelpende verlangens of grote passies. Helle Helle lijkt te vinden dat sommige dingen gewoon gebeuren en dat alleen dàt feit, ze al belangrijk maakt.
    Voor de couleur locale hoef je Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden niet te lezen: de personages hebben Deense namen, maar verder zou het allemaal ook makkelijk in Nederland kunnen spelen.

    De roman biedt wel enig inzicht in de leefwereld van een jonge vrouw die de weg wat kwijt lijkt te zijn. Het geheel is vlot maar ingetogen geschreven, zo ingetogen dat je soms een beetje verlangt naar creatieve ontsporing, tergende spanning of rauwe schrijfpassie. Het boek gaat over het alledaagse leven, maar de tekst zelf lééft niet echt. Lang niet elke passage urgent. Het lijken soms wat lukraak gekozen flarden uit een eentonig leven.

    Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden werd uit het Deens vertaald door Kor de Vries. Helle Helle is een in Denemarken populaire en bekroonde schrijfster, van wie eerder Het idee van een ongecompliceerd leven met een man en Naar de honden in het Nederlands werden vertaald.

     

  • Het leven van een vrouw in de onderduik

    Het leven van een vrouw in de onderduik

    Recensie door Rein Swart

    Zoals Jos Palm onlangs in het VPRO-programma Boeken bekende, wilde hij met dit boek zijn moeder Greetje eren, die in 2006 niet de solide katholieke begrafenis had gekregen die zijn vader zo’n tien jaar daarvoor wel heeft gehad. Terwijl de kinderen als het ware met hun gebeden de vader de hemel in duwden, takelde hun moeder langzaam af en stierf zonder veel ruchtbaarheid in een verzorgingstehuis.

    Palm trekt in Moederkerk een parallel tussen het leven van zijn moeder en dat van de kerk: zoals de kerk een moeder was voor de gelovigen, zo was zijn moeder de spil in het gezin. De kerk deed er in het begin van de twintigste eeuw alles aan om kerk en gezin samen te smeden tot een hecht bondgenootschap. Greetjes vader, een muzikant, werd niet door de kerk geaccepteerd. Greetje was een Arnhems stadsmeisje, ‘dat wilde geloven en wilde leven’, maar zich voorbeeldig schikte in haar rol. ‘Mijn moeder moet al heel jong een soort dubbelleven hebben geleid,’ schrijft Jos Palm, ‘een verwachtingsvol leven buitenshuis en een afgesloten leven thuis in het kosterhuis, waar ze leefde in de slagschaduw van haar grootouders.’ Voorafgaande aan het moederschap was de vaderloze Greetje eerst nog jeugdleidster. We zijn dan in de tijd van het Rijke Roomse Leven.

    Palm beschrijft met veel medegevoel dit vrouwenleven ten tijde van de opkomst en de glorietijd van het katholicisme, en de gestage neergang ervan na de Tweede Wereldoorlog. De katholieken vormden lang een minderheidsgroepering in een protestantse maatschappij. Pas na de erkenning van hun bestaan in 1853 kregen ze recht van spreken.  De gelijkberechtiging van het confessioneel onderwijs in het begin van de twintigste eeuw, leidde tot een bloei van de katholieke scholen. De katholieke zuil wist zich temidden van andere zuilen omhoog te boksen, maar na de Tweede Wereldoorlog verbrokkelde zij onontkoombaar door wat Palm het ‘toegenomen persoonlijk welbevinden van de gelovigen’ noemt.

    Greetje spiegelde zich wat de liefde betreft aan haar moeder. Ook zij mocht niet met haar ware, de protestantse Henk, trouwen. Twee geloven op één kussen daar sliep de duivel tussen. Een winkeliersvrouw ensceneerde een romance voor Greet met haar broer Piet, een elektricien, die recht in de leer was. In een lijstje met een foto van haar en haar man die na haar dood gemonteerd werd, staat een tekstje dat de indruk wekt dat Greet haar eerste liefde nooit heeft afgezworen. De auteur zegt dat ze zich als vrouw had verstopt. Net als veel seksegenoten van haar generatie bezat ze ‘het vermogen om het eigene in de onderduik te laten gaan, tot er mogelijkheden waren om de levenslust te vieren.’ Veel meer levenslust dan gedienstigheid aan haar gezin en de geestelijkheid viel haar niet ten deel, schrijft haar zoon met spijt. Later werd ze teleurgesteld door de afvalligheid van haar kinderen, die hun heil zochten bij een politieke ideologie in plaats van bij de kerk.

    Het is opmerkelijk dat Palm weinig meldt over de sfeer in het gezin. Het zou aardig zijn meer te horen over de verstandhouding tussen de ouders en de kinderen in een veranderende tijd, te meer omdat de algemene kerkgeschiedenis al uitvoerig is belicht. Hoe botsten de kinderen met de ouders, hoe reageerden de kinderen op elkaar, waarin verschilden ze in hun opvattingen? Behalve de notie dat God meekeek als ze in de huiskamer een spelletje Halma speelden, blijft het gezin een gesloten boek. Daarmee samenhangend is de stijl nogal wollig. Het lijkt soms op de commentaarstem op de radio die programma’s begeleidt. ‘Niet langer…, voortaan…’, hoewel dat later in het boek minder gekunsteld wordt.

    Het devote jongetje op het omslag, dat bidt voor zijn boterham lijkt niet erg op Jos Palm, tenzij het theater speelt. Voor Palm was het geloof een vorm, die gemakkelijk kon worden ingewisseld voor een leerstellige politieke variant, zo zegt hij zelf. ‘Welbeschouwd was het geloof van mijn generatiegenoten, geboren in de jaren vijftig, blijven steken in de fase van loyaliteit aan de ouders, verder was het nooit gekomen, en misschien was het daarom ook zo gemakkelijk van ons afgegleden.’

    Palm neemt het in Moederkerk vooral op voor zijn moeder, die door de kerk in de steek is gelaten. Het lijkt erop alsof hij het de kerk kwalijk neemt dat ze, zoals bisschop Bekkers voorstond, de menselijke kant ging benadrukken en niet meer de verticale relatie met de hemel als zalig makend beschouwde. In de dorpskerk stond na de preek de hoofdonderwijzer op om een verklaring te eisen over het weghalen van het oude altaar. Nieuwe welgestelden holden volgens Palm het bolwerk verder uit, waardoor de ouders hun toevlucht moesten nemen tot conservatieven.als pater Kotte en later een ouderwetse monseigneur, die door hen op handen gedragen werden. Maar viel de vooruitgang tegen te houden? Het was misschien inherent aan de snelle, geforceerde periode van bloei dat de sensus catholicus ook weer in hoog tempo verloren ging. Voor gelovigen, zoals de moeder van Jos Palm, een bittere pil, die ze maar te slikken hadden en die nog een nasmaak ook had toen later bleek dat onder de oppervlakte allerlei gif in de vorm van seksueel misbruik, verborgen zat.

     

     

  • ‘Ik wist nog van niks’

    ‘Ik wist nog van niks’

    Iedereen weet wat het is om een geheim bij je te dragen. Omdat je iemand beloofd hebt het niet te verklappen, of dat je iets hebt gedaan wat niet mocht, of omdat je je ergens voor schaamt. Kinderschrik gaat over het geheim dat het personage Justus met zich meedraagt sinds zijn kinderjaren. Het geheim an sich staat in dit verhaal niet centraal, maar de invloed van dit geheim op de volwassen Justus en op zijn naaste geliefden die er niet van afweten.

    Dat de spanning in het verhaal niet wordt opgebouwd rondom de onthulling van het geheim, blijkt al uit de flaptekst die uitgeverij Contact heeft geschreven; de anticlimax is groot als je voorafgaand aan het lezen al te weten bent gekomen dat het hoofdpersonage Justus op zijn verjaardag wordt herinnerd aan iets vreselijks dat hij als kind heeft ondergaan toen hij op een middag moest nablijven bij ‘frater S’. Ook de kaft is veelzeggend: de zwarte contouren van een jongetje die de onderdanige houding heeft aangenomen van een kind dat opkijkt naar een volwassene.

    Afgaand op de uitgave en vormgeving van het boekje wordt dit verhaal, al voor het gelezen te hebben, geframed binnen de huidige commotie rondom kindermisbruik. Op deze manier kan het boekje gelezen worden als een onderdeel van de geschiedenissen die de afgelopen twee jaar zijn ontdekt rondom kindermisbruik dat zich heeft afgespeeld binnen de katholieke kerk. Het is een autobiografisch, fictief verhaal dat een stem geeft aan de vele kinderen die misbruikt zijn op katholieke internaten gedurende de jaren zestig.

    Kinderschrik is het zevende deel in de serie ‘kleine boekjes’. Deze serie stelt tot doel om in weinig tekst grote ideeën te bespreken. Er is zelfs een website ingericht (http://www.kleineboekjes.nl) om nog meer te weten te komen over de context waarin het boekje geplaatst kan worden. Op deze website zijn onder andere korte stukjes te lezen over het onthullen van geheimen en is een documentaire te bekijken over de ‘Jongens van Don Rua’. Auteur Josef Willems is één van deze jongens en hij spreekt in de documentaire openhartig over zijn herinneringen aan het internaat. Willems en de andere mannen die aan het woord komen spreken niet alleen over het verleden, maar ook over de associaties in het heden die worden opgeroepen door dit verleden.

    Tot dusver de context. Betekent dit dat Kinderschrik gelezen moet worden als pure autobiografie? Dat is een gevaarlijke en irrelevante vraag. Het gaat erom dat je het boekje begint te lezen met deze context in je achterhoofd. Juist doordat je weet wat er komen gaat, leef je sterker mee met het hoofdpersonage Justus in diens opgeschreven biecht waarin hij zijn geheim onthult aan zijn naaste vrienden en familie.

    Kinderschrik is opmerkelijk opgezet. Een dun boekje dat ondanks het geringe aantal pagina’s – in slechts 45 minuten heb je het verhaal van A tot Z gelezen – is opgedeeld in een tweeluik. Het eerste deel is geschreven door schrijfster Vonne van der Meer. Haar ik-figuur is een goede vriend van Justus en zit in het complot om hem te verrassen op zijn verjaardag. Ze beschrijft nauwkeurig haar twijfels over de organisatie van het feest en haar gedachten worden je als lezer aangeboden als een stream-of-consciousness. Het gaat om een beschrijving achteraf, zoals blijkt uit zinnen als ‘maar zover was het nog niet, ik wist nog van niks’. Als het feest eenmaal op gang is en de tijd is aangebroken voor de verrassing, reageert Justus in de ogen van de ik-figuur nogal merkwaardig, onverwachts en vooral onverklaarbaar.

    Het eerste deel van de tweeluik probeert te eindigen in een cliffhanger; de lezer zou achter moeten blijven met dezelfde vragen als de ik-figuur wanneer het tweede deel begint. Er is echter niet echt sprake van een spanningsboog, doordat je als lezer door de context en de flaptekst al precies weet wat er zich heeft afgespeeld in de jeugd van Justus. Hierdoor kan je als lezer alle vragen al beantwoorden voordat je het verhaal van Justus zelf hebt gelezen. Een jammer gevolg van de keuze van de uitgever om het boek op deze manier te presenteren. Desalniettemin leest ook dit tweede deel waarin Justus vanuit zijn perspectief de gebeurtenissen op zijn verjaardagsfeest beschrijft, weg als een trein. Justus’ gedachten en associaties in het heden met vroeger zijn met een vlotte pen opgeschreven.

    Toch doet de schrijfstijl van het boekje helaas een beetje clichématig aan. Het gevoel dat het verjaardagsfeest bij Justus opgewekt wordt, wordt beschreven in termen als ‘vijand’, ‘afstandelijk’, en ‘prooi die wordt aangevallen’. Toegegeven, deze woorden beschrijven het beklemmende gevoel van Justus het best, maar als lezer wordt je weinig geprikkeld door het ontbreken van een ‘eigen’ schrijfstijl. Misschien is dit het probleem van dunne boekjes: een schrijver krijgt de opdracht met weinig woorden veel te schrijven, waardoor het lastig is echt de diepte in te gaan. Al met al is Kinderschrik een aardig boekje, met name door de opzet en vanwege de actualiteit van het onderwerp.

     

  • Openhartig portret van een Amsterdamse familie

    Openhartig portret van een Amsterdamse familie

    Recensie door Rein Swart

    Wie kent hem niet, de kleine jongen die zo trots is op zijn vader. Die meegaat naar de sportclub en zijn vader daar bewondert. Die voor de deur van de kleedkamer wacht tot zijn held naar buiten komt, fris gewassen en met zijn tas in de hand, om zich, naast zijn liefhebbende vrouw, in het zonnetje te laten zetten door de clubleden in de kantine.

    Zo’n jongetje is zeker Nico Dijkshoorn, de hoofdpersoon in Nooit ziek geweest. Hij vertelt daarin over de verhouding tot zijn ouders en tot zijn vader in het bijzonder, vanaf zijn eerste herinneringen op het honkbalveld tot de laatste, als hij op bezoek gaat in het verpleeghuis, een volwassen man bij een seniele oude baas.

    Met die laatste periode begint en eindigt de roman. De rollen zijn omgedraaid. De gevoelige Nico is in kwetsbaarheid overtroffen door vader Klaas. Eigenlijk kent Nico zijn vader nauwelijks. Tijdens verjaardagen doen steeds dezelfde vier, vijf verhalen de ronde, maar door het schrijven ontstaat toch een aardig beeld van een man die zijn zoon kleineert en zich ontpopt als een egocentrisch persoon, die zelf alle aandacht nodig heeft. Op verjaardagsfeestjes moet hij altijd de leukste zijn.

    Vooral Nico moet het ontgelden. Hij is de oudste van drie zoons en volgens zijn vader een huilebalk en in tegenstelling tot de anderen geen honkballer. Op het eind steekt Klaas in het bungalowpark waar de familie een weekend samenkomt, een tirade af over de studieuze instelling van Nico die hem als Amsterdammer van eenvoudige komaf boven de pet gaat. Hetgeen Nico tot de vaststelling brengt dat ze het dan maar nergens meer over moeten hebben. Overigens tot goedvinden van Klaas.

    Het is niet alles ellende wat de klok slaat. Er valt genoeg te genieten, te grinniken om vele voorvallen die uit het leven gegrepen zijn, zoals de vermakelijke kampeerreis die Nico met zijn vrouw en zijn ouders op aandringen van Klaas naar Spanje maakt. Klaas heeft voorpret als hij het album toont met foto’s uit eerdere jaren, waarin zoals Nico constateert zijn moeder in het geheel niet voorkomt. Klaas doet erg joviaal. Legt jeu de boules-spelers uit over honkbal en denkt dat de eigenaar van het Spaanse kippenrestaurant een intimus van hem is.

    Klaas wil graag een jodenster als verjaardagscadeau omdat hij de vorm mooi vindt en niets van de oorlog weet. Hij is dolblij met het jubileumboek dat Nico naar aanleiding van zijn zestigste verjaardag heeft samengesteld, waarin vrienden hem ophemelen en is woedend als zijn vrouw Nel de video van het feest per ongeluk wist omdat ze niet met de recorder kan omgaan. Later wil Klaas een ‘verwenopa’ zijn voor de kleinkinderen, maar hij veroorzaakt alleen maar onrust door zijn wilde gedrag en zijn behoefte aan aandacht. Klaas mokt als hij die niet krijgt, zoals in het bungalowpark als hij geen nasi mag maken omdat ze gaan gourmetten.

    Naast de treurige en hilarische verhalen zijn er ook verrassende momenten, bijvoorbeeld als ze overgaan tot handen schudden, iets dat Nico eerder nooit met zijn vader deed. ‘Ik geef hem een hand als hij binnenkomt. Voor het eerst eigenlijk. Dat doe ik de laatste tijd opeens. Ik geef mensen een hand als ik ze zie. Ik denk na. Heb ik dat net ook gedaan bij mijn broers? Ik weet het niet meer. Klaas steekt wel zijn hand uit, maar kijkt me verbaasd aan. Hij moet er ook aan wennen, een hand.’ Nico probeert de groeiende onenigheid tussen de ouders in te dammen, maar kan moeilijk een voet tussen de deur krijgen. Zijn moeder, die na een tia kampt met afasie, kan niet geloven dat haar man, die steeds vergeetachtiger wordt en de controle over zijn leven kwijtraakt, op haar vit. Daardoor drijven ze langzaam uit elkaar.

    Dijkshoorn is een fantastisch verteller. Hij schrijft direct, vermijdt mooischrijverij en zegt waar het op staat. De karakters worden niet zwaar aangezet, maar zijn heel herkenbaar. Het kost moeite het boek weg te leggen en niet nog een paragraaf te lezen. Het is sappige kost, goed gekruid om in de beeldspraak te blijven. Dijkshoorn houdt de lezer in de greep.

    Soms ontstaat verwarring door het afwisselende gebruik van ‘vader’ of ‘ Klaas’ en ‘moeder’ of ‘Nel’. Erger is het om een typetje van Kees van Kooten in de vader te herkennen op het moment dat Klaas zijn baan kwijtraakt en in de antiek gaat. Opeens zie je dan de sjacheraar met oude radio’s Cor van der Laak, die graag de lakens uitdeelt, overtuigd is van zijn eigen gelijk en dat opeist.

    Het is dapper om zo openhartig over je familie te schrijven. Alle waardering daarvoor. Het is de vraag hoe Nico daar zelf uit is gekomen. Daarover lees je niets in het boek. Met zijn behoefte om te dollen, sterke verhalen te vertellen en de familie op te hemelen lijkt hij misschien meer op zijn vader dan hij zelf zou willen. Wellicht kan hij daaraan nog eens enkele paragrafen wijden, want schrijven kan hij als de beste.

     

  • Puberale oude man en huishoudelijk geneuzel

    Puberale oude man en huishoudelijk geneuzel

    Auteurs hebben soms heel duidelijke bedoelingen met hun werk. Ze willen de lezer terugvoeren naar voorbije tijden, de maatschappij in een kritisch voetlicht plaatsen, de lezer in zichzelf doen kijken, ze willen de lezer amuseren, enzovoort. Iedereen wil wel iets met zijn of haar werk. Hoewel, álle auteurs? Nee, er is één auteur die moedig standhoudt tegen deze opdringende bedoelingencultuur: de schrijver L.H. Wiener.

    Met zijn nieuwste boek, het in 2011 verschenen Shanghai Massage, lijkt Wiener deze lijn voort te zetten. De roman, vermoedelijk deels autobiografisch, handelt over de schrijver Ezra Berger, een oude man die kort geleden door zijn veel jongere geliefde Quirina is verlaten en die op een gegeven moment een ander jong meisje ontmoet waarop hij zijn zinnen zet. Tussen deze twee minnaressen in maken we Berger mee in een soort van theatrale (in elk geval weinig geloofwaardige) weemoed. Met spanning en sensatie heeft dit boek weinig van doen, maar hetzelfde geldt voor romantiek of het ouderdomsthema.

    Wie het Groot Dictee der Nederlandsche Taal, in 2011 geschreven door Arnon Grunberg, wat populistisch vond ten opzichte van de editie van 2010 (toen het een tekst van Tommy Wieringa betrof), wordt met klem aangeraden om zich niet tot Wiener te wenden. De overpeinzingen van het hoofdpersonage belichten eigentijdse issues uit een stereotiepe tienerwereld: beginnend met SOA’s en eindigend met de welbekende T9-woordvervorming van mobiele telefoons; het langdradige middendeel bestaat hoofdzakelijk uit drank, huishoudelijk geneuzel, intellectuele maar triviale verwijzingen (bijv. naar Macbeth, of naar Wordsworth) en vooral heel veel seks (meestentijds pervers en bijkans pornografisch beschreven).

    Het concept doet sterk denken aan Memoria de mis putas tristes (Herinnering aan mijn droeve hoeren), een boeiende novelle uit 2004 van Gabriel García Márquez. Het punt van overeenkomst is natuurlijk het onderwerp (het seksuele leven van een bejaarde man), maar daarmee is ook alles gezegd. Márquez schrijft met waardigheid over zijn hoofdpersonage; Wiener laat zijn ik-figuur alles en iedereen afzeiken, zichzelf inbegrepen. Beide boeken mijmeren heel wat af, maar Márquez schrijft mooi, en dan zoals men ‘mooi’ bedoelt – zijn woorden ademen Latijns-Amerika, je gaat oprecht houden van de werelden die hij beschrijft (welke Márquez-lezer heeft geen diepe band met zijn Macondo?) – terwijl je bij Wiener onafgebroken het gevoel hebt wég te willen, weg uit zijn puberale gedachtekringetjes.

    In weerwil van bovenstaande moet wel worden opgemerkt dat hij niet moeilijk schrijft. Alles is uitstekend leesbaar. Nu is leesbaar schrijven iets compleet anders dan fijn schrijven, maar feit blijft dat je niet veel leestechnische moeite kunt ondervinden met deze roman. De zinnen zijn – meestal althans – niet al te lang, en eventuele moeilijke woorden worden waar nodig uitgelegd. Het is wel een vereiste om over een onuitputtelijk doorzettingsvermogen te beschikken, want Wieners uitweidingen over zijn huisdieren en zijn huishouden vergen het uiterste van een ieders leesgeduld.

    De uitgeverij poogt de lezer op de flaptekst ertoe aan te zetten deze roman ‘met enige goede wil’ (no joking) te lezen als een ode aan de vrouw. Na enig hard lachen, herlezen en nogmaals hard lachen moet elke lezer, de hardcore-Wienerfan niet uitgezonderd, bevestigen dat dit alles behalve een ode aan de vrouw is. Sterker nog, het is bij vlagen misogyn te noemen: vrouwen worden afgeschilderd als vrijwillige seksspeeltjes van een oude viespeuk en beschreven als een homogene, nauw aan de mens verwante dierencategorie. Puberteit alom. Een als dwangmatig overkomende spellingafwijking (‘fantasties’, ‘cyberneties’) vormt de druppel.

    Meer woorden mag men niet vuil maken aan dit boek. Het is per slot van rekening wel het werk van een auteur, die gezien zijn niet onaanzienlijke bibliografie, respect verdient. Rest nu de taak om toch maar eens, hetzij niet direct (eerst ter verluchtiging Dante, Grahame of Grunberg), het met de F. Bordewijk-prijs bekroonde Nestor (2002) van Wiener te gaan lezen. Want in het geval van Shanghai Massage is een literaire prijs niet bepaald (of liever: bepaald niet) voorstelbaar. We zijn terughoudend, maar benieuwd.

     

  • Een literaire tango

    Een literaire tango

    Het is mogelijk een dans te vangen in woorden, dat bewijst Christovão Tezza met zijn roman Een emotionele fout. Het tergende ritme van de tango – de verticale expressie van het horizontale verlangen – zet de toon voor een ingetogen verhaal over kwetsbaarheid. De twee hoofdpersonages die in de roman worden geportretteerd hebben moeite toe te geven aan hun passie voor het leven, de liefde en de literatuur. Maar nog moeilijker is het voor hen om de juiste balans te vinden tussen toenadering en persoonlijke grenzen. Zeker na de brutale, maar eerlijke openingszin, waarmee schrijver Paulo Donetti de ‘geremde’ Beatriz tot zijn danspartner maakt: ‘Ik ben verliefd op je geworden.’

    Christovão Tezza (1952) is in Brazilië een veelgelezen en geprezen auteur. Hij was tot 2009 hoogleraar Portugees aan de universiteit van Paraná. Inmiddels heeft hij zijn volledige aandacht gericht op het schrijven van literatuur. Reflectie op het auteurschap komt naar voren in Een emotionele fout, maar ook in Eeuwig kind (2009), het enige andere werk van Tezza dat is vertaald in het Nederlands. Daarnaast zijn introspectie, schaamte en het accepteren van andermans en eigen gebreken in beide romans belangrijke thema’s. Het autobiografische Eeuwig kind, waarin een vader openhartig de relatie met zijn gehandicapte zoon beschrijft, werd met name gewaardeerd vanwege de pijnlijk eerlijke bekentenissen. In zijn nieuwste roman laat Tezza zijn personages wederom kritisch naar zichzelf kijken, waardoor ze tot confronterende inzichten komen.

    Feitelijk gebeurt er weinig in Een emotionele fout. De ooit succesvolle schrijver Donetti komt op bezoek bij redactrice Beatriz, omdat hij samen met haar wil werken aan zijn nieuwe boek. Beatriz is een groot liefhebber van Donetti’s werk en onder de indruk van deze man, die haar bij binnenkomst zo van haar stuk brengt met zijn onverwachte liefdesverklaring. Gedurende het verhaal verstrijken er slechts enkele uren, waarin de twee personages een ogenschijnlijk oppervlakkig gesprek voeren. De voorzichtige, zoekende woorden die ze tot elkaar richten brengen echter twee diep gekerfde levensgeschiedenissen naar boven. Donetti en Beatriz maken los van elkaar de balans op: hoe hebben ze hun levens geleid en waarom hebben ze bepaalde keuzes gemaakt? Beatriz komt er langzamerhand achter dat ze zichzelf steeds heeft afgesloten voor de buitenwereld, zodat de intensiteit van zowel liefde als verdriet altijd werd getemperd. Zelfbescherming, wellicht, maar ook zelfkastijding. Donetti daarentegen heeft zich altijd verscholen achter de bravoure van de briljante schrijver: hij speelde de charmeur, de verlichte geest, de literator pur sang. Dat hij zich eigenlijk helemaal niet kon vinden in zijn eigen verwachtingspatroon, daar dacht hij liever niet over na.

    De lezer wordt door Tezza op de proef gesteld tijdens het lezen van Een emotionele fout. Het vergt wat geduld om de gedachtesprongen van de personages, die met horten en stoten (zoals dat gaat met associaties) worden gebracht, te volgen. Af en toe laat de auteur de belevingswerelden van de personages kunstig in elkaar overvloeien, spelend met het vertelperspectief. De twee losstaande bewustwordingsprocessen worden zo met elkaar verbonden, waardoor een coherente verhaallijn ontstaat. De wijze waarop Tezza de dialogen laat overgaan in persoonlijke herinneringen, wordt op den duur wel een ‘maniertje’, wat lichtelijk irriteert. Er wordt steeds ‘bijna’ geantwoord, ‘bijna’ iets gezegd, ‘bijna’ een zin toegevoegd, kortom: er worden allerlei scenario’s bedacht maar niet uitgevoerd. Deze bedachtzaamheid is natuurlijk veelzeggend: ‘Ik stond open voor de teksten van Cássio die ik las, ik wilde echt dat ze goed waren, overwoog hij aan Beatriz te bekennen, terwijl ze zwijgend naar de ketel keek alsof ze het koken met de kracht van haar denken wilde versnellen, en ook dat overwoog hij hardop te zeggen, alsof hij aan haar schreef, zodat – de warme wijn in zijn hand, en hij keek naar de tafel, denkend aan de fles.’ De angst iets verkeerds te zeggen, te voortvarend of juist te terughoudend te zijn, wordt duidelijk benadrukt. Na enige tijd maakt dit het verhaal helaas wat slepend. Wie het volhoudt, wordt uiteindelijk wel beloond met een paar veelbelovende ontknopingen.

    De lange zinnen, met abrupt afgebroken zinsdelen en vele terzijdes, vergen eveneens een lange adem van de lezer. Het taalgebruik van Tezza is veelzijdig en hij strooit rijkelijk met literatuurwetenschappelijke, psychoanalytische en filosofische termen. Ronduit storend is het terugkerende gebruik van de term ‘autisme’, waar feitelijk een naar binnen gekeerde gemoedstoestand wordt bedoeld. Dit zou het gevolg kunnen zijn van een verkeerde interpretatie van de vertaler. Verder vervalt de schrijver soms in clichématige bewoordingen of al te opzichtige verwijzingen: ‘(…) en hij keek naar de pizza voor zich als naar de madeleine van Proust, en zei dat bijna hardop, (…)’.  Deze technieken maken van Een emotionele fout een gekunstelde roman, iets wat door Tezza misschien juist wordt beoogd. ‘Wees precies met woorden, dat is het enige wat van een schrijver wordt gevraagd, de rest is irrelevant, (…)’ schrijft hij, en ook: ‘(…) nee, ik wil geen zin geven aan de wereld, ik wil geen stukjes van wat dan ook aan elkaar lijmen, wat ik wil is de wereld haar zin ontnemen, juist het tegendeel, ik wil die hang naar orde demonteren tot aan het laatste moertje, maar ook dat bleef incoherent, louter de irrationele impuls vermomd als standpunt of kritische blik; (…)’.

    Een emotionele fout is een psychologische roman, waarin wordt beschreven hoe mensen worden beïnvloed door verwachtingspatronen van anderen en van zichzelf. Donetti en Beatriz proberen zich te ontdoen van de sluiers die zich één voor één om hun binnenste hebben gewikkeld. Ze hebben geheimen, net als de tango: ‘The tango can be debated, and we have debates over it, but it still encloses, as does all that is truthful, a secret.’ (Jorge Luis Borges) De pretentieuze schrijfstijl van Tezza strookt weliswaar niet helemaal met de ingetogen thematiek, maar het boek biedt wel een paar interessante vraagstukken die het verdienen om nog eens goed overdacht te worden.

     

  • Veel moois van een dichter met zeer eigen stijl

    Veel moois van een dichter met zeer eigen stijl

    Langzaamaan heeft Nachoem M. Wijnberg als dichter een naam gevestigd die het verschijnen van een nieuwe bundel van zijn hand voor poëzieliefhebbers tot een gebeurtenis van niveau maakt. Als ik als eerste aankom is zijn dertiende bundel en telt maar zeventig gedichten. Nieuw element in Als ik als eerste aankom is dat bij een aantal gedichten sprake is van voortdurend inspringende versregels zodat ze niet onder de regel erboven staan. Dat geeft een springerig effect en breekt het ritme. Maar iedere bundel van Wijnberg heeft die specifieke Wijnbergstijl. Behalve Kouwenaar ken ik geen Nederlandse dichter die zich zo van een eigen stijl bedient.

    Een greep van typische Wijnbergregels uit deze bundel: ‘Als ik ergens veel van had / zou ik het op veel plaatsen neerleggen, / ook die ik niet van tevoren / had kunnen bedenken, / maar waar ik toevallig langsliep.’ Of: ‘Ik heb iets gezien / wat mij liet denken / dat het misschien  mogelijk is / iets te maken / wat in de lucht blijft hangen.’ Of: ‘OK, dat doen jullie / voor de toeristen / die iets willen zien wat niet altijd lukt.’ En ten slotte: ‘Mij wordt gevraagd / of ik, nu ik toch hier ben, / nog iets zou kunnen doen / wat kleiner en eenvoudiger is / dan wat ik al gedaan heb.’

    In de gedichten van Wijnberg komt het onbepaalde voornaamwoord ‘iets’ dikwijls voor. Ik ken geen dichter die het zo frequent gebruikt. Meestal is er sprake van een ‘ik’ die zich voor de mogelijkheid geplaatst ziet ‘iets’ te doen, ‘iets’ te willen, of ‘ergens’ ’iets’ van te vinden, wat al dan niet ‘eerder’, ‘beter’ enz. is gedaan. Er is meestal sprake van ‘iets’ onbepaalds, waarvanuit met behulp van zinnen geladen met (bijvoorbeeld) de comparatief of superlatief,  (rang)telwoorden als ‘eerste’ of ‘laatste’, of een onbepaald woord als ‘enige’, een onderling verband wordt gesuggereerd dat niet zelden uit de pas loopt met de gangbare logica, maar dat het gedicht een eigen soort, en – moet gezegd – goed sluitende logica en luciditeit verschaft.
    Zoals de droomtoestand van de halfslaap zijn eigen logische wetten kent. De logica lijkt vaak niet de woorden te hebben gekozen, maar de woorden de logica. Maar de schoonheid van deze poëzie is niet te vatten, noch in logica noch in analyse, want evengoed verrast de schoonheid je vanuit een onvoorziene vergelijking: ‘Als midden in een bos / waar het midden in de zomer / donker is.’ In een interview heeft Wijnberg eens gezegd dat hij zijn gedichten schrijft om beter na te denken. Zijn gedichten lijken dan ook meer de kaders uit te zetten waarbinnen de dichter variaties, gedachtemogelijkheden exploreert.

    De inhoud van zijn poëzie balanceert op de grens van anekdote en abstractie, van filosofie en waarneming, van mythe en ervaring. Een enkele maal duikt er in deze nieuwe bundel een historische naam op als die van Aristoteles en diens Arabische exegeet Al-Farabi, Napoleon of Talleyrand, maar de meeste gedichten zijn in de ik-vorm. Ook verschijnt er soms, evenals in vele andere Wijnbergbundels, iemand ten tonele die makkelijk alles weggeeft wat hij had, terwijl hij buitenstaander lijkt. Hier lijkt de invloed van Oosterse levenswijsheden zich te laten gelden. Soms is er een geliefde jegens wie in een quasi laconieke setting een verregaande tederheid aan de dag wordt gelegd.

    De toon is vaak zeer licht, absurdistisch haast, maar met een niet mis te vatten emotionele diepgang, waarbij het geluid van de schreeuw, de pijn lijkt uitgezet: ‘Je kunt mij gerust / nog zo’n vraag stellen / waarmee ik niets beters kan / dan zo’n antwoord geven / dat mijzelf laat huilen.’
    De haast ontroerende kwetsbaarheid, naïviteit soms, is ook een motief van Wijnbergs poëzie. De in indirecte rede gestelde uitspraken in zijn gedichten zijn nooit apodictisch, maar maken die ze uitspreekt eerder kwetsbaar. Wie ze voor zijn rekening neemt is niet altijd duidelijk, laat staan dat helder is waar de uitspraak ophoudt. ‘Als ik ’s ochtends iets doe / is het alsof / ik het ook ’s nachts gedaan heb / omgekeerd is het niet altijd zo / soms wel.’ Die toevoeging ‘soms wel’ ontroert door zijn bescheidenheid. Met de woordgevoeligheid van deze dichter zit het wel goed. Wijnbergs gedichten lijken haast achteloos te zijn ontstaan, maar niets is minder waar: aan ieder gedicht is een flink aantal kladversies voorafgegaan. Deze dichter is niet van het soort dat zijn verzen aus einem Guss over het papier uitstort. Wanneer men bedenkt dat Nachoem Wijnberg in zijn werkzame leven hoogleraar economie is, en gegeven de royale omvang van Als ik als eerste aankom mag men gerust van een productieve dichter spreken.

    Hoog tijd voor het citeren van een compleet gedicht:

    Katten en honden

    ‘In een kleine stad
    ben je geboren
    en ze zeggen tegen je:
    het is een kleine stad hier.

    Als iemand hier
    in een oude auto rijdt
    met een open dak dat niet meer dicht kan
    is hij de enige.

    Maar er zijn er zoveel
    die iets als enige doen,
    je bent een hele dag bezig
    als je ze een voor een optelt.

    Vroeger dacht je
    dat je liever met een kat dan een hond was,
    nu merk je dat je graag hebt
    dat een hond naast je komt zitten.

    Je bent zo groot
    geworden en dit is
    wat ze tegen je zeggen:
    we dachten niet dat je zo groot zou worden.

    Neem iets wat klein is
    en maak het groot
    alsof dat genoeg was
    om er iets over te zeggen.

    Zodat je de beloning kan krijgen
    die iemand krijgt
    als hij iets zegt
    waar lang geleden om gevraagd is.

    Beste wereldreiziger.
    wat verwachtte je dan,
    de winkels zijn dicht
    omdat het avond is.

    Het is avond
    en je ligt op je rug
    in je zwarte pak
    op een bank op een plein

    In het Engels zeggen ze:
    het regent katten en honden
    en het is midden in de zomer
    en je bent toch ook geboren in de zomer.’

    De meeste gedichten treffen direct. Slechts een enkel gedicht bijvoorbeeld Gratis (dat zo begint: ‘Betaald voor wat ook gratis gedaan was / en als niet, was het niet / nodig geweest.’ en waarin een op de wc zittende hogepriester voorbijkomt en dat zo eindigt: ‘Ik weet veel van wat niet van de hemel is, / dat heb ik allemaal op de wc geleerd.’) kon niet direct bekoren. In dit gedicht willen de woorden zich niet loszingen van hun betekenis. Alsof ze de schijnbewegingen van de dichter hadden doorzien.

    Maar hoeveel moois blijft er over! De lezer van deze bundel zal het zo vergaan als de ‘ik’ in het korte slotgedicht Een nacht

    ‘Ik kwam door de voordeur naar binnen,
    sliep een nacht in een goed bed,
    ’s ochtends door de achterdeur naar buiten,
    zag het water van de grote vijver,
    ik wist niet dat dit er was.’

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij 

    Recensie door: Albert Hogeweij 

    Na De zeven laatste zinnen levert Dimitri Verhulst met De intrede van Christus in Brussel (in het jaar 2000 en oneffen ongeveer) een tweede titel in korte tijd die niet enkel iets met het christendom heeft uitstaan, maar ook met Ensor. Want zat bij eerstgenoemde titel niet een cd van het Ensorkwartet dat het gelijknamige muziekstuk van Joseph Haydn uitvoerde? En dit nieuwe boek verwijst natuurlijk naar het beroemde schilderij van de Belgische schilder James Ensor ‘De intrede van Christus in Brussel in 1889’. Op dit monumentale doek is een bonte stoet van veelal groteske en hier en daar gemaskerde figuren uit alle gelederen van de samenleving uitgelopen om Christus’ intrede in Brussel bij te wonen. En die Christus lijkt zowaar in 1889 echt in de Belgische hoofdstad te zijn verschenen, want staat afgebeeld op een ezeltje. Zou Verhulst de Zoon van God ook zover krijgen op papier?

    Niet dus! Want Verhulst heeft het gegeven uitgezet in een vrij dun verhaaltje dat opgedeeld is in 14 staties, precies evenveel als de kruisweg van Christus rijk was. Het behelst de voorbereidingen die zo’n intrede vergen, nadat deze hoogst bijzondere gebeurtenis quasi onopvallend op het computerscherm van een kantoorklerk werd aangekondigd voor de 21ste juli, de Nationale Feestdag der Belgen. Er wordt allerwegen verschillend op gereageerd. De kerkelijke autoriteiten vrezen gekapitteld te worden voor hun wandaden, maar de gewone man is vol aangename verwachting. Brussel lijkt ondergedompeld in een sfeer van vriendelijkheid en wellevendheid. ‘De metro ruikt niet langer naar pis, de hoop is onder het volk.’ Bij een verkeerscontrole wordt de automobilist die zijn vereiste papieren niet kan tonen, zeer ruimhartig het voordeel van de twijfel gegund: ‘De agent, geplaagd door een monstrueuze wijnvlek in zijn gezicht (..) had het humeur van een verliefde en leek nergens een drama van te kunnen maken. “Er is geen reden om u niet te geloven. Natuurlijk zijn uw papieren in orde”, zei hij, en zijn adem rook naar vieze tabak waardoor ik op slag minder medelijden voelde met zijn vlek.’

    Niet alle verhaalde gebeurtenissen lijken intussen even geloofwaardig en nemen hier en daar de vorm van een groteske aan. De ongelovige ik-verteller raakt ook bevangen door de positieve spirit in zijn stad, ofschoon zijn moeder in de aanloop van de intrede overlijdt. Zijn in het slop geraakte verhouding met zijn vriendin lijkt pardoes weer wat krediet te krijgen. Niettemin neemt de naamloze ik-verteller vooralsnog zijn stad en volk duchtig de maat en toont zich daarmee een maatschappij-kritisch baasje dat geen kans onbenut laat om zijn kritiek te spuien. Dat Jezus aan het eind toch niet opkomt, zal weinigen verrassen en is dus iets dat de recensent met goed geweten mag weggeven. Dat de verhouding van de ik-verteller aan het eind alsnog lijkt uit te doven, is evenmin iets dat de boekbespreker voor zich hoeft te houden. Dit boek dient immers niet het verhaal dat het ternauwernood vertelt, maar wil een podium zijn waarop op Belgische toestanden kan worden gemopperd. Het hele boek door regent het toespelingen op het heden en verleden van onze zuiderburen, van Manneke Pis tot Marc Dutroux. Maar wie zijn volk zo kastijdt, lijkt het des te meer lief te hebben. De soep wordt dan ook minder heet gegeten dan die wordt opgediend. Alles geserveerd met die plastische, Vlaams-gevooisde woordenbrij, waar ook Godverdomse dagen op een godverdomse bol van doortrokken was. Het moralisme wordt intussen niet geschuwd, maar een ernstiger minpunt is dat de stijl niet overal even geïnspireerd is en hier en daar soms ronduit flauw: ‘Wat baatte het een koe dag in dag uit te laten snuiven aan onze diesellucht? Aan haar melk hield men ongetwijfeld een loodvergiftiging over!’ Verwissel de schrijver liever niet met de cabaretier. De achterflap meldt natuurlijk niets minder dan dat Verhulst ‘op weergaloze wijze’ de hedendaagse samenleving becommentarieert. Natuurlijk, voor minder lezen we het niet. Afgezien van dergelijke aanprijzingen lijkt de stijl het in dit boek ook te moeten hebben van het uitroepteken! Op bladzijde 65 volgen maar liefst vier met uitroeptekens besloten zinnen achter elkaar: ‘Illegaal: je zal het maar te horen krijgen over jezelf! Dat je bestaan ongewettigd is! Dat je geboorte buiten het wetboek viel! Dat je ‘r eigenlijk niet zijn mocht!’

    Omdat het verhaal aan de magere kant is en een diepere bedding ontbeert, is identificatie met de slechtweggekomenen vrijwel uitgesloten. Zo wil het verhaal over het jonge, illegale meisje Ohanna, dat, omdat ze de Armeense taal machtig is, uitgekozen wordt om Jezus rond te leiden, maar  vervolgens doodleuk het land wordt uitgeknikkerd, wanneer de Verlosser toch niet op komt dagen, niet echt schrijnen omdat het blijft steken in de schets. Het boek, dat overigens nergens als roman wordt geafficheerd, had het moralisme beter achter zich gelaten om zich des te meer uit te kunnen leven in een veelstemmig koor van stijlen, waaronder bovenal de groteske. Wellicht had het dan meer de geest van Ensors beroemde doek benaderd.

    De recensent doet het boek echter te kort als hij voor zich houdt dat het boek ook rake passages kent, zoals deze over het langs elkaar heen leven van twee buren: ‘Jaren kon je in deze stad, als in vele steden, onder hetzelfde dak, om en rond dezelfde liftkoker wonen en toch elkaar niet kennen. Bij een gasexplosie zouden Antoine en ik samen zijn te beschreien in hetzelfde rouwregister, de tijdingen van ons overlijden zouden worden afgedrukt op hetzelfde gazettenvel en groot was de kans dat wij tot aan het eind van onze grafconcessie buren zouden  blijven op het kerkhof van de stad. Maar dat lot was ons te mager om er ons verbonden door te voelen.’ Prachtig! Een glimlach speelde rond mijn mond bij lezing van de volgende zin over een de schrijver antipathiek figuur ‘die ik het niet gun hier nader beschreven te worden, ook al was hij lelijk genoeg om het mij op dat punt makkelijk te maken’. Punt voor Verhulst!

    Wie De Godverdomse dagen sterk vond, zal in De intrede vermoedelijk genoeg van zijn gading kunnen vinden, maar wie de kleine juweeltjes van De zeven laatste zinnen liever zijn, zal hopen dat de schrijver in een volgend boek de plasticiteit van zijn stijl dienstbaar weet te maken aan de deernis van het verhaalde, opdat het tenminste de kans krijgt te ontkiemen in goed getroffen details die er gewoonweg toe doen.

     

    De intrede van Christus in Brussel

    Dimitri Verhulst
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Aantal pagina’s: 173 pagina’s
    Prijs: € 18,95