• Verliefd op een klipper

    Verliefd op een klipper

    ‘Ik kijk naar de Henriëtte. De keuze is gemaakt, haar toekomst ligt bij ons. Haar werkende leven is voorbij. Maakt het haar gelukkig? De vraag zoemt rond in mijn hoofd.’

    Wanneer Corine Nijenhuis in de zomer van 2006 met haar vriend op zoek is naar een woonschip, wordt ze verliefd op de Henriëtte, een Zeeuwse klipper die vanaf 1901 de Nederlandse wateren bevaren heeft. De hele twintigste eeuw maakte ze mee, en daarmee een economische crisis, twee wereldoorlogen, een periode in de handen van de Nazi’s en ingrijpende veranderingen in de Nederlandse binnenvaart, zoals de aanleg van de Afsluitdijk. Met nieuwsgierigheid en volharding, twee onontbeerlijke kwaliteiten voor een journalist, begint Nijenhuis te graven in de geschiedenis van ‘haar’ schip. Vijf generaties schippers hebben gewoond op de klipper, die met het wisselen van eigenaar ook telkens een andere naam kreeg. Achtereenvolgens lezen we over de Alfons Marie, de Alfons Marie 1, de Annigje, de Marjan en tot slot de Henriëtte.

    Bij het lezen van Een vrouw van staal wordt het al snel duidelijk: hier betreden de meesten van ons onbekend terrein. Wij ‘walmensen’, zoals de schippers het zo mooi uitdrukken, hebben een vertekend beeld van hoe het leven op een schip eraan toegaat. Als je nooit hebt gevaren is het inderdaad moeilijk voor te stellen dat je met een heel gezin op een paar vierkante meters woont, maar weinig contacten hebt buiten dat gezin en vooral: altijd onderweg bent. Dan is er geen plaats voor melodrama, er moet gevaren worden en geld verdiend worden. Nijenhuis schetst een beeld van nuchtere mensen, die gematigd reageren op tegenslagen en aan een paar woorden genoeg hebben. Binnen de schipperswereld let men op elkaar, heerst er loyaliteit en onderling begrip. Een ontroerend voorbeeld daarvan is het moment dat Adrianus, de allereerste schipper, overlijdt en zijn vrouw Petronella met het lichaam van haar man aan boord naar huis vaart:

    ‘Op alle schepen waren de zeilen gestreken, in ieder rondhout hing een zwarte doek. Als op een teken stapten schippers de gangboorden in en namen de pet af, velen sloegen een kruis. Niemand sprak toen de Alfons Marie langsgleed; schippersvrouwen sloegen de ogen neer en zelfs de brutaalste knechten hielden zich stil. Door een waas van tranen zag Petronella de sluis. De deuren stonden wijd open. Vanaf het moment dat de klipper Beneden Sas naderde, was er niet meer geschut. Alles was in afwachting van de oude schipper Vermeulen die zo spoedig mogelijk naar huis moest.’

    Economisch zware tijden zorgen er echter voor dat het vaarklimaat verandert. Er is minder werk en schippers worden gedwongen voor een lager loon dezelfde vrachten te vervoeren. Jaloezie steekt de kop op, vooral wanneer veel schippers tijdens de Tweede Wereldoorlog hun schepen kwijtraken aan de hebzucht van de Nazi’s. Velen zien hun broodwinning onder hun neus vandaan gekaapt worden, hun bron van inkomsten, waar ze de jaren ervoor zoveel geld ingestoken hebben. De angst regeert. Wat zo velen vrezen, overkomt ook de schippers van de Annigje: ze moeten schiploos aan wal gaan wonen. Er wordt gerouwd alsof het om een verloren familielid gaat. Groot is dan ook de vreugde als de Annigje tegen het einde van de oorlog ergens gesignaleerd wordt. Ze is er nog, de vrouw van staal heeft standgehouden. Maar hoe krijgen ze haar terug?

    Het is een van de spannendste episodes uit Een vrouw van staal, dat zich over het algemeen niet per se als spannend laat omschrijven. Intrigerend is het wel: je krijgt het gevoel ingewijd te worden in een soort cultus, meegenomen op een reis door een veelbewogen eeuw. Nijenhuis schetst mooie, integere portretten van de schippers en heeft oog voor detail. Het is duidelijk dat ze een gedegen onderzoek heeft gedaan naar de geschiedenis van haar woonschip en zich goed heeft ingelezen in het scheepsjargon. Hoewel het verhaal ook voor de ‘scheepsleek’ goed leesbaar blijft, moet je als lezer wel een bepaalde drempel over. Het boek wordt weliswaar onderbroken door fotomateriaal, waardoor het schip gaat leven, maar feit is dat er af en toe lange passages met veelal onbekende terminologie doorgespit moeten worden. Het wordt daardoor soms wat veel, passages gaan op elkaar lijken. Maar wie doorleest, wordt beloond: het scheepsjargon begint steeds natuurlijker aan te voelen en je voelt een verbondenheid met het schip en haar no nonsense-schippers.

    Hoe nuchter die schippers ook zijn die ze beschrijft, het taalgebruik van Nijenhuis is bijzonder rijk. Ze schuwt uitgebreide beschrijvingen niet. Zoals gezegd bespreekt ze het uiterlijk en de werking van het schip zorgvuldig – of dat altijd in dienst staat van het verhaal, is te bezien – , maar ook de wateren worden uitvoerig besproken. Daarmee kijkt de lezer als het ware door de ogen van de schipper, die in zijn werk afhankelijk is van zijn omgeving. De meest subtiele weersveranderingen zijn essentieel voor hun vaart, het kleinste detail kan het verschil maken. De passages waarin Nijenhuis ingaat op de grillen van de natuur zijn indrukwekkend:

    De storm had het licht verzwolgen. De hemel was een deinende massa van vaalzwart en purper. Het leek al avond, hoewel de middag nog niet half gevorderd was. De wolken braakten water. Het vermengde met de stuivende zee tot een zoute nevel die de wereld nog dieper verduisterde. De klipper tolde op de golven. Nu wind en stroming vrij spel hadden, werd het schip heen en weer gesmeten alsof het wrakhout was. De gangboorden waren onzichtbaar, water kolkte over de luikenkap, het achterdek was spekglad.

    Je kunt na het lezen van Een vrouw van staal niet anders dan bewondering hebben voor de schippers die aan het roer stonden. Het vak van schipper was niet zonder gevaar en was lichamelijk inspannend, zeker toen er nog met een zeil gevaren werd. Ook financieel gezien was het dikwijls een risicovol beroep – steeds moest die afweging gemaakt worden: gaan we investeren in een schip, of wachten we? Met het gevaar dat snellere en modernere schepen al het werk zouden afpakken.

    Al met al heeft Nijenhuis een rijk en compleet boek geschreven met Een vrouw van staal. Wat eerst nog een geraamte van hout en staal is, wordt tegen het einde een personage dat onze sympathie opwekt. Om tot de kern door te dringen, moet je door een schil heen, maar daar krijg je wat voor terug. Voor wie snel tussendoor iets wil lezen, is dit waarschijnlijk niet de beste keuze, maar voor wie geïnteresseerd is in geschiedenis en van integere portretten houdt, is het een aanrader. Zoals de ondertitel al zegt: dit is een buitengewone biografie van een binnenvaartschip.

     

     

  • Oogst week 21

    Door Carolien Lohmeijer

    … Het vliegtuig zat tjokvol, ze zaten op de vierde rij. De twee politiemannen brachten haar voor de tweede keer in drie maanden naar Roemenië. Misschien dat ze nu een spoor zouden vinden van de gestolen schilderijen. Tascha was hun enige hoop om de doeken terug te vinden, begreep ze inmiddels. Maar had ze de vorige keer niet al de plek laten zien waar ze samen met de moeder van haar vriendje de doeken had begraven?…’

    De roman Tascha gaat over ‘de kunstroof van de eeuw’, de diefstal van zeven topwerken uit de Rotterdamse Kunsthal in 2012, maar ook over Tascha, de vriendin van de hoofdverdachte, die in Nederland haar lichaam verkoopt.
    Schrijfster Mira Feticu, Roemeense van geboorte heeft voor het schrijven van Tascha een werkbeurs van het Nederlands Letterenfonds ontvangen.

    Tascha. De roof uit de Kunsthal, Mira Feticu, Uitgeverij Jurgen Maas, presentatie 26 mei 19.00 uur, Paagman, Frederik Hendriklaan 217, Den Haag, 192 pagina’s, € 17,95

     

    LizzyEen bijzondere samenwerking tussen regisseur, schrijver en vertaler Martin Michael Driessen en dichteres Liesbeth Lagemaat, beiden auteur bij uitgeverij Wereldbibliotheek. Onder het pseudoniem Eva Wanjek hebben zij samen een roman geschreven over een kunstenaar en zijn muze die zich afspeelt in het bruisende Londen van de 19de eeuw, met zijn culturele elite, zijn bohémiens en zijn zelfkant. Lizzie ‘biedt zowel kostuumdrama en ‘Gothic horror’ als erotische en indringende psychologische scènes.’

    Lizzie, Eva WanjekUitgeverij Wereldbibliotheek, 464 pagina’s, € 24,95

     

    ZupheulHet nieuwe boek van Mike Boddé is er één voor de liefhebber. Het is voor Boddé zelf een reactie op zijn vorige boek Pil waarin hij schreef over de zwarte periode in zijn leven waarin hij depressief was. Zupheul, Febbo en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan heeft hij geschreven om zichzelf aan het lachen te maken. Of zoals hij het zelf schrijft: ‘Hij werd lijfsgewijs omvangrijk, huwde een rondborstige joopdraagster, plantte zich genoegzaamlijk voort, en tekende een kroniek op met betrekking tot zijn zwartgalligheid: Pil. Dit foliant ging vijftigduizend malen over de kooptoog.
    Zupheul, Febbo en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan is het tweede gewrocht van zijn hand.’
    Lachen, gieren, brullen? Dat is aan u. In ieder geval een aanstekelijk omslag!

    Zupheul, Febbo en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan, Mike Boddé, Uitgeverij Brandt, 196 pagina’s, € 15,-