• Oogst week 7 – 2022

    Vergeten reis

    De Argentijnse Silvina Ocampo (1903-1993) stamde uit een zeer bemiddeld bourgeoisgezin, waarin ze zich niet thuis voelde. Ze schopte nog al eens tegen zere benen, voelde zich het zwarte schaap, had liefdesaffaires met mannen en vrouwen, ging schilderkunst studeren bij de surrealist De Chirico en mocht, toen ze eenmaal schreef, Borges tot haar vrienden rekenen. Ze heeft tal van werken op haar naam staan, gedichten, kinderboeken en romans en korte verhalen.

    De eerste bundel met 28 sprookjesachtige vertellingen, Viaje Olvidado, verscheen in 1937 en is er nu in Nederlandse vertaling: Vergeten reis. Geen zoetsappige kost. Er staan nog al wat verhalen in over kinderen die, net als Ocampo zelf, het gevoel hebben er niet bij te horen en niet begrepen worden. Vaak zijn ze het slachtoffer van geweld door volwassenen uit hun eigen kring. In het eerste verhaal bijvoorbeeld, ‘Glazen zoldering’, levert dat zinnen vol angst op als een kind op bezoek is bij een oudtante: ‘Er was die dag niemand in de bovenwoning, behalve de lichte snikken van een meisje (dat ze net welterusten had gekust, maar dat niet wilde slapen) en de schim van een rok vermomd als tante, als een zwarte duivel met voeten verpakt in de bottines van een verdorven gouvernante’. Het schilderij van Munch op het omslag, The Gothic Girl, is dan ook treffend.  Annelies Verbeke verzorgde een nawoord.

    Vergeten reis
    Auteur: Silvina Ocampo
    Uitgeverij: Orlando

    Over de bouwkunst

    In de Middeleeuwen bestonden er geen architecten die als zodanig benoemd werden. De ontwerper en bouwkundige begeleider van een gebouw kon iedereen zijn: de toekomstige eigenaar, de handwerksman of iemand anders die verstand had van materialen en constructies. De Romeinen kenden nog wel een beroep als architect – zie de beroemde Vitruvius die al vóór Chr. over bouwen als kunst schreef – maar die leek voor de Middeleeuwers wel vergeten.

    Dat veranderde in de Renaissance toen Vitruvius werd herontdekt en in zijn spoor het beroep van architect een eigen status kreeg. Eén van de beroemdste Italianen die daarvoor opkwam was Leon Battista Alberti (1404-1472). Vanaf dan kennen we de architect als iemand die speciaal is opgeleid voor het ontwerpen van gebouwen in al zijn aspecten. Zijn beroemde traktaat De Re Aedificatoria verscheen in 2010 in het Nederlands als Over de bouwkunst. Uitgeverij Boom geeft er nu een nieuwe druk van uit onder dezelfde titel.

    Over de bouwkunst
    Auteur: Leon Battista Alberti
    Uitgeverij: Boom

    Hubertina

    De vrouw uit de titel van de nieuwste roman van Kristien Hemmerechts, Hubertina, werd geboren als Anna Hubertina Aretz (1893-1973). De schrijfster hoorde over haar via een archivaris van het Rode Kruis. Hubertina was een raadselachtige vrouw. In de Tweede Wereldoorlog hielp ze Joden in de onderduik, ze belandde ervoor in Ravensbrück en kwam zeer vermagerd terug. En dan zet ze zich een paar jaar later ineens in voor de Vlaamse Beweging waarin veel voormalige collaborateurs zaten. Die wending is nog maar één van de raadsel waar Hemmerechts tegenaan liep. Ze ontdekte dat er veel meer was in haar leven waarbij vraagtekens te zetten waren. Om die te beantwoorden dook de schrijfster de archieven in en las getuigenissen uit Hubertina’s leven. Onwrikbare verklaringen vond ze niet, zodat de romanvorm nodig was om inzicht te krijgen in wat er gebeurd kon zijn.

    Hubertina
    Auteur: Kristien Hemmerechts
    Uitgeverij: De Geus
  • Fascinatie voor afbeelding leidt tot boeiende teksten

    Fascinatie voor afbeelding leidt tot boeiende teksten

    Rudy Kousbroek was een meester in het associatief filosoferen over foto’s die hem intrigeerden, en hij liet dat zien in drie boeken met zwartwit-foto’s die hij voorzag van een korte of langere mijmering. Zoals over het gevoel dat hem bekroop bij het kijken naar de foto van een voort sjokkend paard: hij vond dat het liep en keek alsof het naar zijn executie op weg was. En als de lezer goed keek, zag hij dat Kousbroek gelijk had. Fotosynthese is de naam die Kousbroek gaf aan deze combinatie van foto en tekst. De  fotosyntheseboeken die Kousbroek maakte (Opgespoorde wonderen, 2003, Verborgen verwantschappen, 2005 en Het raadsel der herkenning, 2007) zijn moeilijk te overtreffen. Maar Maarten Asscher komt een heel eind in zijn fotosyntheseboek De meteroriet en het middagdutje.

    Persoonlijke benadering

    Natuurlijk is de benadering van zo’n fotosynthese persoonlijk. Terwijl Kousbroek vooral de neiging had zijn fantasie los te laten op de afbeelding en primair lette op het gevoel dat hij bij het kijken kreeg, is Asscher meer bezig de merkwaardigheden te ontdekken die in de foto schuilgaan of die er de achtergrond van vormen. Een goed voorbeeld is de foto van een Amerikaanse vrouwelijke Siamese tweeling waarvan er één in het huwelijk wil treden en de ander wat sip terzijde staat, onlosmakelijk met haar zus verbonden dankzij een gemeenschappelijke bloedstroom. Asscher zoekt uit hoe de treurige levensloop van dit tweetal eindigde met het op 60-jarige leeftijd (vrij oud voor een Siamese tweeling) overlijden van de een en pas enkele dagen later de ander. Hij eindigt het relaas met de zin:’Die paar dagen verschil, toen de een al overleden was en de ander nog niet, daar probeer je niet aan te denken, wanneer je naar deze foto kijkt.’

    Asscher legde zichzelf bij het schrijven de beperking op dat de tekst 800 woorden moest zijn, een lengte waarmee hij goed uit de voeten kan, al zal het soms een beperking geweest zijn en soms toch een te royaal jasje voor het onderwerp.

    Meteoriet door het plafond

    Het omslag toont zes in pak gestoken heren, waaronder Asschers overgrootvader en kunsthandelaar Benjamin Asscher die een onbekende Rembrandt ontdekte en met deze vijf collega’s tijdens WO I naar de Verenigde Staten voer (geen ongevaarlijk onderneming) om daar voor veel geld het doek te verkopen. De heren poseren met een speelgoedboot en een teddybeer en Asscher verdiept zich in de vraag waarom zij deze attributen in de afbeelding toonden.

    De titel van het boek, De meteoriet en het middagdutje is gebaseerd op een minder raadselachtige foto dan die van de zes heren, want daar staat de vrouw op die op 30 november 1954 een middagdutje deed toen een ruim vier kilo wegende meteoriet door haar plafond viel en haar een blauwe plek in haar linkerzij bezorgde. Voor zover bekend de enige keer ooit dat een meteoriet een mens raakte.

    Asscher verzamelde 40 jaar lang foto’s die hem intrigeerden, uit de keuze die hij maakte voor deze vijftig syntheses is af te leiden dat niets hem te gek of te gewoon is, als het maar een aspect heeft waar hij als kijker gefascineerd door kan raken. Van honderd koks op het dak van een hotel in New York tot een foto van het rommelige bureau van Einstein, een dag na zijn overlijden genomen. En die fascinatie leidt dan telkens tot boeiende teksten. Mooie bundel.

     

  • Oogst week 25 – 2021

    De huilende molenaar

    Een hele rits aan titels heeft hij geschreven, een van Finlands meest bekende auteurs, Arto Paasilinna (1942 – 2018). Een aantal van zijn boeken is in vertaling bij uitgeverij Wereldbibliotheek verschenen maar veelal alleen nog tweedehands verkrijgbaar. Dat is jammer want Passilinna lezen is plezier hebben. Ondanks de thematiek. Passilinna neemt in zijn boeken de Finse moderne samenleving kritisch onder de loep, daarnaast zijn de dood, vrijheidsdrang en wraak belangrijke thema’s in zijn werk, maar hij beschrijft deze op licht-ironische en droogkomische manier.

    In De huilende molenaar gaat het om een eenling die in gedrag afwijkt van de dorpsbewoners. Waren zij eerst blij met zijn komst, – hij blijkt vriendelijk en behulpzaam-, gaandeweg keren zij zich tegen hem. Hij heeft namelijk de bijzondere gewoonte om, als hij somber wordt, te gaan huilen als een wolf.

    Het lijdt geen twijfel of Paasilinna maakt er weer een virtuoze vertelling van.

     

    De huilende molenaar
    Auteur: Arto Paasilinna
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De meteoriet en het middagdutje

    Vandaag 23 juni 2021 verschijnt bij uitgeverij Boom De Meteoriet en het middagdutje.

    Vijftig zwart-witfoto’s vormen de basis voor De meteoriet en het middagdutje. Aan de hand van die foto’s schreef Maarten Asscher korte, verhalende essays van achthonderd woorden. Het zijn onvermoede geschiedenissen, verrassende details en merkwaardige belevenissen. In de traditie van Rudy Kousbroeks ‘fotosyntheses’ waarin steeds beeld en tekst met elkaar in verbinding staan, roept de auteur zijn eigen verbazende wereld op, waarin een Japanse rotstuin, een neerstortende jachtbommenwerper, mijnwerkers in een liftkooi en een verdwenen watertoren onderling gaandeweg met elkaar verbonden raken.

    Om een indruk te krijgen kunt u hier op Literair Nederland drie fotosyntheses lezen, Personen, Bedrog en Stilleven, van Maarten Asscher in onze eigen, gelijknamige rubriek.
    Andere bijdragen in die rubriek vindt u hier.

    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon (De Bezige Bij, 2020). Voor zijn vertalingen van de 35 Engelse sonnetten van Fernando Pessoa werd Asscher in 2011 genomineerd voor de Filter Vertaalprijs. In 2019 ontving hij de vijfjaarlijkse J.H. Donnerprijs vanwege zijn bijzondere verdiensten voor het Nederlandse boekenvak.

    De meteoriet en het middagdutje
    Auteur: Maarten Asscher
    Uitgeverij: Uitgeverij Boom

    De trotse bedelaars

    Een van de successen van het Schwob-initiatief, ‘de mooiste vergeten klassiekers’ is Albert Cossery. Hij werd geboren in Egypte, woonde het grootste deel van zijn leven in Parijs, maar bleef zich zijn hele leven een Egyptische schrijver voelen.
    Lezers die hem ontdekt hebben willen méér. Gelukkig kan dat. Na het succes van Grote Dieven Kleine Dieven, verscheen al snel De luiaards in de vruchtbare vallei, en nu komt daar ook De trotse bedelaars bij.

    In zijn column ‘Herontdekte meesters‘ schrijft Mathijs van den Berg op deze website dat de boeken van Cossery geschreven zijn in een ‘gebeitelde stijl’ met een ‘humoristische toon en bijtende maatschappijkritiek’.

    Het oevre van Cossery is klein, 10 boeken. De trotse bedelaars verscheen voor het eerst in 1955 in Parijs. Het speelt zich af in de broeierige schaduw van de steegjes, straten en pleinen in een grote Egyptische stad, in het milieu van hele en halve intellectuelen, anarchisten, dichters en revolutionairen, die uit overtuiging bedelaars zijn geworden.
    Voor hen betekent de gewelddadige moord op de prostituee ­Arnaba eigenlijk niet zoveel. Maar wie is de moordenaar? Rechercheur Nour El Dine, gekweld door zijn onfortuinlijke liefdesleven, verdenkt met name de eigenzinnige Gohar. Die houdt zichzelf maar net in leven met het bijhouden van de boekhouding van een bordeel en het schrijven van brieven voor de ongeletterde hoertjes. Gaandeweg groeit niet alleen de verdenking van de rechercheur voor deze zonderlinge figuur, maar ook de fascinatie die hij voor hem opvat

    Vic Veldheer schreef op deze website een recensie over Grote dieven kleine dieven, Rik van der Vlugt besprak hier De luiaards in de vruchtbare vallei.  

    De trotse bedelaars is vertaald door Rosalie Siblesz

    De trotse bedelaars
    Auteur: Albert Cossery
    Uitgeverij: Jurgen Maas
  • Fotosynthese 20 – Bedrog

    Fotosynthese 20 – Bedrog

    (klik op de foto om de achtergrond te zien)


    Dat hier iets zeer ernstigs, ja iets catastrofaals is gebeurd, is in één oogopslag duidelijk. Het totaal gestripte kerkje, waarvan niet alleen het dak is weggeblazen, maar waarbinnen ook niets van het interieur behouden is gebleven. Het zo te zien verkoolde struikgewas op de helling vooraan. Ook de huizen verderop staan er even verlaten als onbewoonbaar bij. Over de rivier die bovenin de foto stroomt lag vroeger een brug. Op de beide oevers zie je daar nog een restant van, maar van de overspanning zelf is niets over. Wat hier aan menselijk leven woonde is compleet weggevaagd. Maar door wat?

    Toen ik deze foto voor het eerst onder ogen kreeg, moest ik aanvankelijk aan vuur denken. Het hele tafereel ziet eruit alsof er een vlammenzee overheen gegaan is. Deze desolate resten associeer je met foto’s van Hamburg, na het massale Britse bombardement in de zomer van  1943 of met Dresden, Coventry of Rotterdam, maar dan op de schaal van een klein dorpje, ergens in… ja waar? In Europa, zou je zeggen, met dat geraamte van een christelijk kerkje op de voorgrond. Het is alsof je gevraagd wordt iemand te identificeren aan de hand van een skelet. Alle sporen van herkenbaarheid zijn verdwenen.

    De krachten die daar in deze foto voor hebben gezorgd zijn niet die van vuur, maar van water. Dit is wat er overbleef van het Zuid-Franse dorpje Nauzenac, gelegen aan de rivier de Dordogne op de grens van de Corrèze en de Cantal. In de jaren veertig van de vorige eeuw wilde men een stuwdam met een waterkrachtcentrale bouwen, teneinde de afhankelijkheid van steenkool te verminderen. De 95 meter hoge stuwdam, de ‘Barrage de l’Aigle,’ verrees volgens plan in de buurt van het plaatsje Soursac, en kon na voltooiing een massa van 220 miljoen kubieke meter water tegenhouden. Dat betekende wel dat een aantal dorpjes aan de bovenloop van de rivier ontvolkt moest worden, omdat het waterniveau daar tientallen meters zou stijgen. En zo verdween het hele dorpje Nauzenac onder water.

    Eenmaal per tien jaar moet aan zo’n stuwdam groot onderhoud worden gepleegd en dan laat men het daarachter liggende stuwmeer geheel leeglopen. Na een dergelijke ‘vidage’ is deze foto genomen. En zo kijken wij ineens weer naar Nauzenac, nadat het een jaar of  70 lang onder water heeft gestaan. Wat voor een vreemde gewaarwording moet dat zijn voor mensen die in dat dorpje werden geboren en daar als kind nog hebben rondgelopen, naar school zijn gegaan, de mis hebben bijgewoond in het kerkje?

    Die vraag stelde de Franse filmmaakster Gertrude Baillot zich ook en samen met Nicolas Duchêne wist zij drie mensen op te sporen die in Nauzenac ter wereld kwamen en daar hun jeugdjaren doorbrachten. Met die drie maakte zij in 2002 de fascinerende documentaire Les Enfants du Fond du Lac. Gedurende het eerste halfuur van de film doen de drie voormalige dorpsbewoners hun verhaal, aan de hand van foto’s, oude ansichtkaarten en plattegronden, afgewisseld met beelden boven en onder water van het bosmeer dat door de aanleg van de stuwdam is ontstaan. Gekleed in een roze mantelpakje vertelt Rolande Lamarche over haar grootmoeder, die naast de rivieroever de Auberge Raymond exploiteerde. De familiefoto’s waarop de intussen circa 65-jarige mevrouw Lamarche als meisje staat afgebeeld gaan tijdens het gesprek van hand tot hand.

    Maar dan, op 25 minuut en 49 seconden van de documentaire, kijken we van het ene moment op het andere ineens naar het leeggelopen rivierdal, en zien we Nauzenac na de Apocalyps. Afwisselend volgt de camera de drie hoofpersonen, terwijl zij in verbijstering naar hun vroegere geboortehuis lopen. Er staat nauwelijks iets van overeind. Zelfs de kelders blijken ingestort. Als souvenir wrikt een van hen een leisteen los uit het stoepje voor de verdwenen voordeur van zijn ouderlijk huis. ‘Il ne reste que ça?’ mompelt Rolande Lamarche, terwijl ze naar een troosteloze steenmassa kijkt. Alles waar ze in het eerste halfuur herinneringen aan hebben zitten ophalen blijkt verdwenen of onherkenbaar met de grond gelijk gemaakt: de school, de boerderijen, de herberg, de weg die tussen de huizen doorliep, de hangbrug over de rivier.

    Tegen het einde van de film – om precies te zijn in de 44ste minuut – gebeurt het onvermijdelijke. De onderhoudsbeurt aan de stuwdam zit erop, en de sluizen worden opengezet. In een angstaanjagend tempo komt het rivierwater weer omhoog om Nauzenac andermaal in de vergetelheid onder te dompelen. Misschien kunnen Rolande Lamarche, Georges Bordes en Gilbert Ternat met zijn vrouw Antoinette over tien jaar nog eens een kijkje nemen in deze onderwereld van hun autobiografische geheugen. Maar voorlopig – en dat is het slotbeeld van de film – zijn hun herinneringen weer diep weggestopt onder het oppervlak van het grote bosmeer. Daar zien we kinderen aan de waterkant spelen, mensen zwemmen, iemand gooit een hengel uit. Wat een lieflijk bedrog is het heden.

     

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon (De Bezige Bij, 2020). Later dit jaar verschijnt van zijn hand  een bundeling van vijftig fotosyntheses onder de titel De meteoriet en het middagdutje bij Uitgeverij Boom .

     

    Portret: Sacha de Boer

  • Toerist avant la lettre

    Toerist avant la lettre

    Het zou iets typisch Nederlands kunnen zijn. Alexander Mitscherlich kwam met ‘het’ boek over huizen en steden. Pieter Hoexum schreef een boek over één huis, het Roland Holsthuis in het Noord-Hollandse Bergen. Susan Sontag schreef ‘het’ boek over ziekte, Hanna Bervoets een roman over één ziekte, het Q-koortsvermoeidheidssyndroom. En om in te zoomen richting Eiland in de nevel  van Lodewijk Dros: Safranski schreef ‘het’ standaardwerk over de Romantiek en Rebecca Solnit over wandelen. Dros schreef een boek over één preromanticus, Pieter Kikkert (1775-1855), en een wandeling die deze in 1791 over Texel maakte. Hou het klein, lijken Nederlandse schrijvers te denken, dan zeg je pars pro toto ook alles, zo niet veel.

    De wandeling

    Het boek van Lodewijk Dros, theoloog, schrijver en chef redactie bij dagblad Trouw, bestaat uit vijf, niet altijd even helder te onderscheiden delen. Het eerste deel gaat over de eendagswandeling die Kikkert maakte, naar Eierland en de Kattenpolder (nu Hendrikpolder). Het ging Kikkert om het alleen zijn, te kunnen nadenken en onderweg te kunnen lezen in een meegenomen dichtbundel van Ossian, een zogeheten Schotse bard die in 1841 als geesteskind van Macpherson werd ontmaskerd.
    Dros noemt Kikkert een toerist avant la lettre, die wandelt in een flow en – met een derde anachronisme – vanuit mindfulness. Zo zijn er wel meer anachronismen te bespeuren. Wat te denken van bijvoorbeeld het zoeken naar identiteit, waarmee Dros de ideeën en gevoelens aan de vooravond van de Bataafse Republiek (1795-1806) binnen onze tijd en beleving trekt, waarmee het boek aan actualiteit en diepte wint. Immers: in de Bataafse Republiek legden Patriotten steeds meer aandacht voor de eigen nationaliteit en een nationale staat aan de dag, soms gepaard gaand met wat Dros in verband met Kikkert afkerigheid van anderen, zoals ‘smousen’ (joden) noemt.
    Sommige schetsen en algemeenheden over de tijd waarin Kikkert leefde en deze tijd vliegen echter wel eens uit de bocht. Neem de opmerking dat de ‘trage psalmen in de moeizame vertaling van Pieter Datheen nog altijd [worden] gezongen in een paar kerkjes op de Biblebelt’. Dat wil zeggen, in negenentwintig kerkelijke gemeenten in voornamelijk Zeeland zoals het Reformatorisch Dagblad op 4 maart 2016 meldde.

    Pieter Kikkert en Texel

    Het tweede deel van het boek gaan over Pieter Kikkert en Texel. Kikkert was ‘een mannetjesputter met een missie: zijn wereld op een hoger beschavingsniveau tillen’. Hij wordt door Dros neergezet als een getalenteerd en gevoelige jonge man. In 1791 was hij zestien of zeventien jaar, een buitenbeentje, die schreef, schilderde, dichtte en viool speelde. Hij ging naar Texel om familie in Den Burg te bezoeken, die in de loop van de eeuwen dat ze daar woonden tot de elite waren gaan behoren.
    Het vierde en vijfde deel gaan over alles wat op Texel groeit, bloeit en vliegt en hoe het eiland zich in de loop der tijd ontwikkelde. Dros vult in wat Kikkert zou kunnen hebben gezien:

    ‘Een lepelaar liep met stijve poten voorbij, Botnetjes staken boven het water uit, ze waren uitgezet om de bot die bij eb de ondiepten uit spoelde, op te vangen. Aan het uiteinde van de geul, helemaal bij Oost, lag een loswal, waar de oesterkragen waren uitgevaren. Zo ver kwam Pieter niet, hij hield aan zijn rechterkant de spitse kerktoren van De Waal in de gaten, en de Hoge Berg, die je van ver kon zien. Daarachter lag zijn reisdoel’.

    Cultuurkritiek

    In een nabeschouwing gaat Dros in op beleven van de natuur toen en nu, waarbij hij schrijvers en filosofen aanhaalt, de politiek erbij betrekt en ook anderszins uitweidt. In die zin eindigt Dros net als Ton Lemaire zijn boek Met lichte tred met cultuurkritiek.
    Sterker dan deze cultuurkritiek is de mentaliteitsgeschiedenis van de familie Kikkert in het algemeen en preromanticus Pieter in het bijzonder die Dros beschrijft in dit mooi uitgegeven boek. Een boek vol illustraties in kleur en zwart-wit, waaronder etsen van Pieter Kikkert.  Als bijlage is onder meer een wandeling voor de wandelaar van nu opgenomen, ‘Texels Pieterpad’ van de hand van Haro Hielkema, alsmede een recept van Eÿerlandtsche Struyf. Deze bijlagen, en de soms zoekende vorm tussen de vijf onderdelen, maken het boek minder sophisticated dan de boeken over wandelen en de Romantiek die in de eerste alinea worden genoemd. In vergelijking daarmee is Eiland in de nevel een concreet boek en zonder meer interessant om te lezen.

     

  • Oogst week 23 – 2019

    Eiland in de nevel

    Alleen de intense ervaringen die wandelaar Pieter Kikkert ervoer tijdens zijn kilometerslange wandeling in 1791 kunnen wandelaars van nu misschien herkennen, maar niet het landschap. Dat zag er in 1791 heel anders uit dan tegenwoordig. Kikkert wandelde in die zomer over Texel, met een dichtbundel onder de arm, net nadat het had gestormd en er hele stukken land in zee waren verdwenen. Hij schreef er een verslag over dat Texelaar en auteur Lodewijk Dros (1964) twee jaar geleden bij toeval vond. Dros ontdekte wat een veelzijdig man Pieter Kikkert is geweest en gebruikte diens verslag voor Eiland in de nevel
    Eiland in de nevel geeft volgens uitgeverij Boom ‘een caleidoscopisch beeld van het leven op een eiland rond 1800’.

    Lodewijk Dros (Texel, 1964) werkt sinds 2000 bij dagblad Trouw, momenteel als chef van Letter & Geest. Hij studeerde theologie en was predikant in Amsterdam.

    Het originele manuscript van Pieter Kikkert is online te lezen.

    Eiland in de nevel
    Auteur: Lodewijk Dros
    Uitgeverij: Boom (2019)

    Met mijn smoel in mijn handen

    De Poolse schrijver Witold Gombrowicz (1904 – 1969) is een van de vertegenwoordigers van de Poolse avantgarde. Zijn werk wordt vergeleken met dat van Kafka, Ionesco en Beckett. Zijn belangrijkste romans zijn Ferdydurke, Kosmos, Pornografie, en Het huwelijk

    Paul Beers die bijna het gehele oeuvre van Gombrowicz vertaalde vond het Dagboek het hoogtepunt in diens werk en zeer relevant voor het begrip van zijn romans. Gombrowicz schreef het Dagboek bewust om het te laten publiceren, en formuleert daarin zijn gedachten over ‘hoe ons door anderen een vorm wordt opgedrongen, over waarom het onrijpe en lage machtiger zijn dan de rijpheid, over wat schijn is in de juist zo persoonlijk geachte beleving van kunstzinnige uitingen, waar de grenzen liggen van onze moraal op een aardbol waar het probleem van het explosieve bewonersaantal onmogelijk kan worden genegeerd.’

    Huub Beurskens maakte een selectie uit het Dagboek zoals dat in de integrale Nederlandse vertaling door Paul Beers in 1986 verscheen. Volgens uitgeverij Koppernik is Met mijn smoel in mijn handen ‘nog actueler en urgenter […] dan toen Gombrowicz het schreef’.

     

    Met mijn smoel in mijn handen
    Auteur: Witold Gombrowicz
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De fantastische meneer Willughby

    In de wereld van ornitologen werd John Ray jarenlang als een van de eerste en meest toonaangevende wetenschappers gezien. Hij publiceerde in 1676 samen met Francis Willuhhby een standaardwerk de Ornithologiae. Op het moment van verschijnen was deze Willuhhby echter al overleden en de roem ging bijna volledig naar Ray.
    Totdat Tim Birkhead (1950), hoogleraar gedragsbiologie en wetenschapsgeschiedenis aan de universiteit van Sheffield , in contact kwam met een verre nazaat van Willuhhby en gewezen werd op diens werkelijke betekenis.
    Dit was voor Birkhead aanleiding om op onderzoek uit te gaan, gelden te verzamelen en vervolgens Willuhhby de eer te geven die hem toekwam. In het voorwoord schrijft Birkhead: ‘Dit is het verhaal van de man die de grondslag legde van het wetenschappelijk onderzoek van vogels.’

    De fantastische meneer Willughby
    Auteur: Tim Birkhead
    Uitgeverij: Atlas Contact(2019)

    In het hart van het hart van de schrijn

    Het nieuwe nummer van Terras, nummer 16 heeft als thema ‘Over de grens’ en biedt nieuwe poëzie van alle continenten.
    Over de grens is het grote internationale poëzienummer waarvoor in 2017 dichters, redacteuren, vertalers en conservatoren van poëziebibliotheken samenkwamen om over een nieuwe bloemlezing van poëzie van de hele wereld te spreken.
    Deze editie wordt voor abonnees vergezeld door de dichtbundel In het hart van het hart van de schrijn van Anne Kawala, uit het Frans vertaald door Kim Andringa.

    Terras #16 verschijnt aan de vooravond van de 50ste editie van Poetry International maar presenteert een eigen en onafhankelijke selectie dichters. Het nummer brengt lectuur uit Argentinië, Ierland, Italië, Oostenrijk, Zuid-Afrika, Frankrijk, Rusland, Duitsland, Cuba, Spanje, Engeland, Mexico, de VS, Hongarije, China en Schotland.

     

    Voor meer informatie: Https://tijdschriftterras.nl/hart-hart-schrijn/

     

    In het hart van het hart van de schrijn
    Auteur: Anne Kawaba
    Uitgeverij: Perdu – Terras Poeziëcentrum
  • Een biografie vol contrasten

    Een biografie vol contrasten

    Recensie door: Karel Wasch

    Met biografieën is altijd het probleem dat de lezer enig begrip of sympathie moet kunnen opbrengen voor de handel en wandel van de hoofdpersoon. Bij het lezen van de biografie van Henk van Osch over Bram Peper stond ik aanvankelijk vrij blanco tegenover Peper. Gaandeweg het boek nam mijn irritatie echter toe en sloeg om in ergernis. Dat is overigens niet de schuld van Henk van Osch. Henk van Osch publiceerde in 2007 een biografie over jhr. D.J. de Geer, minister-president ten tijde van de Duitse inval. Dit boek werd genomineerd voor de Grote Geschiedenisprijs 2007.

    In Bram Peper. Man van contrasten beschrijft Henk van Osch het leven van deze onconventionele PvdA’er. Peper liep vaak voor de troepen uit en had dat vreemd genoeg zelf vaak helemaal niet in de gaten. Hij was erg impulsief. Zijn vriendschap met Gerard Reve doet wat gekunsteld aan. Was Peper van plan om zich ook maar ééns met cultuur te gaan bemoeien?

    Peper heeft Van Osch openhartig te woord gestaan over zijn leven in de politiek en daarbuiten. Zoals laatst in het VPRO-radioprogramma Onvoltooid verleden tijd te beluisteren was, heeft Van Osch afstand bewaard tot zijn lijdend voorwerp. Hij ging pas dineren met Peper, toen het boek af was en bedong dat Peper niet mocht interveniëren in de drukproeven. We hebben dus te maken met een degelijk afstandelijk geschreven werk en dat is mooi.

    Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, ruim zestien jaar burgemeester van Rotterdam, partij-ideoloog ? maar bovenal is Bram Peper een man die keer op keer het nieuws heeft gehaald: nu eens door zijn privéleven, dan weer door zijn krachtige uitspraken en boutades. Een biografie vol contrasten.

    Bram Peper heeft zich op bijna alle terreinen van het leven bewogen. In zijn jonge jaren was hij voetballer op professioneel niveau. Verstandig dat hij daar niet verder mee ging. Daarna werd hij hoogleraar met een grote wetenschappelijke productiviteit. Landelijk werd hij vooral bekend als PvdA-politicus: één van de gangmakers van Nieuw-Links, naast grootheden als Van der Louw. Hij wordt ook uitvoerig genoemd in de biografie van Joop de Uyl. Steunpilaar van Den Uyl was hij, maar ook van Wim Kok. Burgemeester en minister. Als burgemeester van Rotterdam, toonde hij zich een macher die uiteindelijk door de politie moest worden bewaakt, omdat hij het aan de stok kreeg met de havenbaronnen en de bouwwereld. In 1995 trouwde hij met Neelie Kroes, zijn derde huwelijk, dat acht jaar later schipbreuk leed. Als politicus stond hij meermalen in de belangstelling door ophef, waarvan de zogeheten bonnetjesaffaire het bekendst is. Hoewel hij later werd gerehabiliteerd, kostten de geruchten over vermeende onjuiste declaraties hem zijn ministerschap. Peper komt teleurgesteld en gefrustreerd uit de bonnetjesaffaire, probeert zichzelf op een banale manier vrij te pleiten en getuigt van weinig zelfreflectie.