• Neomodernisme, grimmige sprookjes en humoristische sermoenen

    Neomodernisme, grimmige sprookjes en humoristische sermoenen

    H.C. ten Berge heeft een selectie uit de canto’s van Ezra Pound vertaald, overigens al in 1970. Uw recensent heeft een hele tijd gedacht dat Ten Berge ook wel heel moeilijke poëzie zou schrijven, à la Pound. Dat valt hard mee, blijkt na lezing van Cantus Firmus, waarin weliswaar afstandelijke, maar zeer leesbare poëzie staat.

    Cantus Firmus bundelt alle bundels van Ten Berge sinds 1993 tot 2014, en dus niet 2013 zoals op de omslag vermeld is. Er staat namelijk ook een geheel nieuwe, niet eerder verschenen gedichtenbundel in: Kerven, kastijdingen (overigens wel in 2013 geschreven). Deze bundel is helaas niet apart uitgegeven: je zou als Ten Berge-bewonderaar maar netjes al zijn bundels gekocht hebben en veertig euro neer moeten leggen voor Kerven, kastijdingen.

    Eerlijk is eerlijk: Ten Berge’s poëzie doet aanzienlijk minder cerebraal aan dan je op basis van zijn Pound-vertalingen zou verwachten. Ten Berge doet vooral aan Robert Hass (1941) denken, een Amerikaanse dichter/vertaler wiens werk naar het Nederlands vertaald werd door Ten Berge. Beide dichters schrijven gedichten in een heldere, vaak anekdotische/verhalende stijl. Hass schrijft overigens wel iets warmere poëzie; Ten Berge neemt wat meer afstand en is koeler. ‘De laatste modernist’, het eerste gedicht in Cantus Firmus, begint zo:

    Hij wilde bij maanlicht vulkanen bestijgen,
    maar dronk een glas wijn bij het vuur.

    Hij dacht zich op jacht in het schemerige noorden
    m
    aar stond in een sneeuwbui van meeuwen op pas geploegd land.

    Hij moest nog een meesterwerk scheppen
    maar viel in slaap bij muziek van Ooitweer en Voorheen.

    Het gedicht gaat zo nog een aantal strofes door, waarbij steeds de kloof tussen groots en meeslepend leven, en de bittere rustige realiteit geschetst wordt. Die afstand is een typisch modernistisch thema. Ten Berge positioneert zichzelf direct al in relatie tot de modernistische traditie en blijkt dat in Cantus Firmus vaker te doen. Het modernisme is natuurlijk sterk gecanoniseerd; Ten Berge heeft sterke schouders gevonden om op te staan.

    Ten Berge wijdt bijvoorbeeld een gedichtreeks aan de relatie tussen Hilda Doolittle en haar jeugdvriend Ezra Pound: ‘Een liefde in 1905’. De laatste werd zoals gezegd door Ten Berge vertaald, en de tweede is H.D., een in Nederland relatief onbekend gebleven Amerikaanse dichteres. Op het gedicht over hen volgt een vrij ruime selectie (23 pagina’s, meerdere gedichten) van vertalingen van H.D.’s werk. Het pleit natuurlijk voor Ten Berge dat hij ook ruimte maakt voor een hier minder bekende modernist, en zo haalt hij toch stevig zijn banden met die traditie weer aan.

    Een opvallende overeenkomst tussen Ten Berge en de al eerder aangehaalde Robert Hass is niet alleen dat ze beiden ook vertalen, maar dat ze ook plaats inruimen voor het werk van anderen in hun eigen bundels. In Ten Berge’s Oesters en gestoofde pot is een gelijknamige afdeling opgenomen, met een in- en uitleidend gedicht van hemzelf, en daartussen veertien vertaalde gedichten van anderen. Ten Berge heeft een uitstekende selectie gemaakt en kiest ook voor dichters die in Nederland niet heel bekend zijn. Naast een gedicht van de beroemde, recent overleden Seamus Heaney staan in de afdeling ook gedichten van Gary Snyder en Mark Strand, die bij minder mensen een belletje zullen laten rinkelen.

    Na twee bundels begint dat ingehoudene van Ten Berge soms een beetje te vervelen. De derde bundel in Cantus Firmus heet Hollandse sermoenen en verruilt de ingetogen afstandelijkheid voor wildere poëzie in gebiedende wijs. In opener ‘Zweepvormige sermoen’ worden er geen doekjes om gewonden: ‘Aaah! / Zing! / Of verhang je! / Word als Jonas op een lege kust geworpen. / Lood het mysterie, daal in / tot de aarde. Slik weg / de weerzin’. Deze toespraken zijn levendig en humoristisch.

    Hollandse sermoenen is eigenlijk het interessantste deel van Cantus Firmus, en dan vooral de eerste dertien sermoenen waar de bundel mee opent. In de bundel staat verderop namelijk ook nog heel wat verstilde natuurlyriek, typisch Nederlands. Het is zeker niet slecht, maar het sluit net te veel aan bij wat al overbekend is in de Nederlandse poëzie:

    Padden op asfalt, zoemende
    wielen, blinkend
    metaal.
    De oversteek naar de zomertuin
    net
    niet gehaald.

    Ten Berge’s diversiteit zorgt er in elk geval bij uw recensent voor dat een deel van het werk zeker in de smaak valt, en een ander deel minder. Ook met Kerven, kastijdingen is dit het geval: eerst wat ingehouden poëzie, daarna een gedicht van een paar pagina’s over J.J. Slauerhoff en diens exotisme, en daarna een aantal natuurgedichten. Het leukste aan de bundel is de slotafdeling: ‘Zeven balladen’. Ten Berge baseert zich hier op vrij onbekende volksverhalen uit onder meer Denemarken en Groenland, en een paar wat obscuurdere sprookjes die door de broeders Grimm opgetekend zijn. Wat er in de verhalende gedichten gebeurt is wonderlijk: zo verandert een enorme lintworm in een knappe prins. De balladen hebben de levendigheid van Ten Berge’s sermoenen en hun grimmige humor is verfrissend.

    Cantus Firmus is een flinke verzamelbundel geworden, waarin vertalingen en eigen werk mooi samenkomen en Ten Berge laat zien dat hij ook andere stijlen beheerst dan zijn wat afstandelijke ‘hoofdstijl’. Zeker niet alles is even interessant, maar er komt genoeg moois langs, met de grimmige balladen en scherpe sermoenen als kers op de taart.

     

     

  • De zoektocht van een eenling

    De zoektocht van een eenling

    Haruki Murakami is veruit de populairste Japanse auteur van dit moment. In Nederland mag hij zich sinds dit jaar zelfs verheugen in een eigen festival. Murakami is vooral bekend van de bestsellers Kafka op het strand en Norwegian Wood. Al deden zijn eerste vertaalde romans het niet best – nauwelijks 600 exemplaren werden er verkocht- zijn nieuwe romans komen steevast binnen in de bestseller Top 60. De verwachtingen van De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren waren dan ook hoog gespannen. Verwachtingen die meer dan waar gemaakt worden.

    De eerste zin intrigeert meteen. ‘Vanaf juli van zijn tweede jaar aan de universiteit tot januari van het jaar daarop was er geen moment van zijn leven dat Tsukuru Tazaki niet aan de dood dacht.’
    Het lijkt een zware roman te worden, maar niets is minder waar. Snel wordt duidelijk wat de reden van zijn ellende is: Tsukuru is zonder enige uitleg uit zijn vriendengroepje van de middelbare school gezet. Van de één op de andere dag wilden zij hem niet meer zien of spreken. En hij had geen idee waarom. Ineens was hij helemaal alleen.

    De eenheid en saamhorigheid van de vriendengroep, drie jongens en twee meisjes, wordt uitgebreid beschreven. ‘Elk had de andere vier nodig, en de andere vier waren incompleet zonder nummer vijf.’ De vijf vingers van een hand, dus. Geen wanklank valt er en dat maakt het plotselinge besluit Tsukuru te verstoten alleen maar raadselachtiger. Of had hij er nooit echt bij gehoord vraagt hij zich later af? De anderen hadden immers allemaal een kleur in hun achternaam. Vandaar de bijnamen Blauwe, Rooie, Zwartje en Witje. Alleen Tsukuru had geen kleur en dus geen bijnaam. Hij was en bleef gewoon Tsukuru. Dit kleurloze tekent de rest van zijn leven. De pijn van zijn verbanning wordt in de loop der jaren minder, maar verdwijnt niet: ‘Alleen had die nu iets meer weg van eb en vloed: hij zwol aan en trok weer weg. Nu eens was het tij zo hoog dat zijn voeten nat werden, en dan weer laag – zo laag dat hij het nauwelijks meer kon zien.’

    Ruim16 jaar later moedigt zijn vriendin Sala hem aan uit te zoeken wat er toen eigenlijk gebeurd is aangezien deze gebeurtenis nog steeds een grote invloed heeft op zijn leven. Tegen haar verwoordt Tsukuru zijn fundamentele probleem: ‘Ik kan de muur die mijn subjectieve zelf van de objectieve werkelijkheid moet scheiden niet goed overeind krijgen.’ En zo start de zoektocht van de kleurloze Tsukuru, de zoektocht van een eenling.

    Verschillende dimensies van de werkelijkheid worden onderzocht. De grenzen tussen droom en werkelijkheid zijn vaag. Al op de eerste pagina’s, tijdens zijn verblijf in het voorportaal van de dood, wordt dit thema aangekondigd: ‘Dat leek hem een bijzonder aantrekkelijk idee: dat deze wereld niet bestaat en de dingen die hij nu als werkelijkheid beschouwt niet langer werkelijk zijn.’ Door het verhaal van de zoektocht heen wordt op een intrigerende manier de grens van droom en werkelijkheid verkend. ‘Het was de werkelijkheid, maar dan met alle typische kenmerken van een droom.’  De werkelijkheid blijft moeilijk te vangen: ‘Hij kon nog niet goed uitmaken waar de droom ophield en de verbeelding begon, waar de verbeelding ophield en de werkelijkheid begon.’

    Al mag Tsukuru zichzelf dan kleurloos vinden, door zijn zoektocht ontdekt hij dat dit niet overeenkomt met het beeld dat anderen van hem hebben. Ook kleur en kleurloosheid komen steeds terug. Op subtiele manieren: in koele constateringen, ‘Deze gevoelens misten alle kleur…’ of in de beschrijving van een persoon, ‘alsof haar kleuren fletser waren geworden.’

    Overgangen tussen heden en verleden en droom en werkelijkheid zijn vloeiend en de zinnen zijn harmonieus gecomponeerd. Dat is een groot compliment voor Jacques Westerhoven, de vertaler. Hij zette het multi-interpretabele Japans om naar soepele, prachtige zinnen in een sobere, maar vlotte stijl. Het boek kent zoveel verschillende lagen en niveau’s, dat dit een enorme klus moet zijn geweest.

    Is er dan niets negatiefs over deze roman te zeggen?
    Nou vooruit dan, de vreselijk lange en onaantrekkelijke titel: De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren…. Maar gelukkig blijkt Tsukuru alles behalve kleurloos.

     

  • Zoutloze wansmaak

    Zoutloze wansmaak

    Er staan geen foto’s in het laatste boek van A.H.J. Dautzenberg En dan komen de foto’s. Wel plaatjes maar die illustreren de beschreven scènes en gebeurtenissen niet. Gelukkig niet, ben je geneigd te denken. Seksueel misbruik, het bereiden en opeten van kinderen, het openkrabben van een melanoom en nogal akelige tips voor het gebruik van scheermesjes zijn geen onderwerpen die een gemiddelde lezer graag in beeld ziet. Niet dat het in woorden plezierig wordt, maar zwarte humor laat zich nu eenmaal beter in woorden dan in fotografische beelden vangen. Bovendien is het Dautzenberg nu juist om het onaangename te doen en hij doet dat met merkbaar plezier.

    Op zijn best doen de absurde scènes in En dan komen de foto’s denken aan de zwarte humor van striptekenaar Franquin, die behalve Guust ook twee macabere deeltjes Zwartkijken maakte. Op zijn slechtst is Dautzenberg melig en gemakzuchtig. Maar echt ongemakkelijk wordt het tijdens het lezen van En dan komen de foto’s niet. Het is regelmatig naar of vies, maar tegelijkertijd ook flauw.

    Dautzenberg heeft behalve een harde ook een zachte kant. Wie in Nederland totaal verketterd wordt en aan de grond zit, heeft een goede kans de beschermende arm van A.H.J. Dautzenberg vroeg of laat om zijn schouder te voelen. Pedofielen, verenigd onder de naam Martijn en de ontslagen psycholoog Diederik Stapel, die heel wetenschappelijk Nederland over zich heen kreeg omdat hij wel eens een onderzoekje verzon, hebben dat al mogen ondervinden. Ook verscheen vorig jaar de Quiet 500, een glossy voor de allerarmsten van ons land, een initiatief van Dautzenberg in samenwerking met de SP.

    Hoe onbaatzuchtig de schrijver zijn kan, bleek ook uit het verslag van zijn vrijwillige nierdonatie, beschreven in de roman De Samaritaan. Het leverde hem onder meer een optreden bij Pauw & Witteman op. De aflevering is op YouTube nog te zien en maakte op een zekere Rikardo8a duidelijk een grote indruk. ‘Uiteindelijk heb ook ik een nier afgestaan. Bedankt voor de inspiratie!’ luidt zijn reactie. In een interview met zichzelf dat in En dan komen de foto’s is opgenomen, ‘onthult’ Dautzenberg dat hij het hele verhaal verzonnen heeft. En daarmee zijn we dan weer bij de harde kant van deze auteur aangekomen.

    Deze acties van Dautzenberg zijn niet alleen provocerend, ze pulken ook op een plekje waar je liever niet wilt dat er gepulkt wordt. En dat onaangename heeft alles te maken met onuitgesproken aannames wat betreft goed en fout, recht en onrecht, waarheid en onwaarheid. Juist dit diepere schuurwerk ontbreekt helaas in En dan komen de foto’s. Hier blijft de provocatie aan de oppervlakte en is Dautzenberg op zoek naar een gemakkelijk soort afkeer. Het enige dat hij bereikt is dat je tijdens het lezen je boterhammen even weglegt, maar na het dichtslaan van het boek eet je met evenveel smaak weer door.

    Veel verhalen verzanden in meligheid of vertonen tekenen die er op duiden dat de schrijver het ook niet meer wist. ‘Dit verhaal schrijft zichzelf’ lezen we zelfs een keer en je hoort Dautzenberg denken dat hij met deze zin een zwak verhaal weet op te poetsen.

    En dan komen de foto’s bevat vooral schetsen, aanzetten en nauwelijks verhalen die op eigen benen kunnen staan. Een ZKV (zeer kort verhaal) bestaat uit een citaat van een grondwetartikel, een ander bestaat uit een onzinnig diagram van een eerder verhaal, weer een ander begint met de woorden ‘Er was eens een’, gevolgd door een ingewikkeld lijkende wiskundige formule en wordt dan afgesloten met ‘en het leefde nog lang en gelukkig’. Ja, in het hoofd van Dautzenberg zijn wiskunde, wetenschap en wetten niet wezenlijk anders dan fictie, maar de vorm van deze stukjes proza is bijna te puberaal om bij stil te staan.

    Veel van de verhalen zijn gebaseerd op een shockeffect dat met zichtbaar plezier en droge humor wordt gebracht. Vervolgens lopen de meeste verhalen als een lek ballonnetje leeg, alsof Dautzenberg zijn interesse totaal verloren heeft. Bijvoorbeeld, een verhaal over een kookclubje dat kleine kinderen bereidt en verorbert, eindigt met een paragraaf brabbeltaal (poele-poele-poele). Een verslag van het verblijf in het Roland Holsthuis in Bergen begint als een griezelverhaal maar gaat vervolgens over in het uitgebreid citeren van het gastenboek. Dautzenberg zoekt, probeert en schetst, maar het wil op zijn best geestig maar nergens briljant worden.

    Eén van de betere stukken is het essay Porno als dialectisch proces, dat eerder verscheen in Tirade. Uitganspunt voor dit stuk is het nooit gerealiseerde voornemen van Rudy Kousbroek om de eerste drie minuten van een pornofilm te beschrijven. Dautzenberg begint ijzersterk. Kousbroek kon natuurlijk helemaal niet over porno schrijven, met zijn keurige ‘betavocabulaire’ was hij daar onmogelijk toe in staat. Nee, dan Dautzenberg. Die weet wel hoe hij het beestje bij de naam moet noemen. Meesterlijk zet hij Kousbroek aan de kant om zelf eens te laten zien hoe je zoiets aanpakt. Maar dan… dan zakt het essay als een pudding in elkaar en gaat over in een ietwat melige parodie op de wetenschappelijke verhandeling. Niets geen vuilspuiterij van de bovenste plank of grove hilariteit maar met citaten doorspekte, droge onzin die uitlezen nog een hele opgave maakt.

    Het tekent een beetje dit boek dat experimenteel van opzet is en nergens heen lijkt te gaan. Verder dan een verzameling ideetjes, opzetjes en onsmakelijkheden, met hier en daar een geestige boventoon, gaat het helaas niet. Aan het betere schuur- en jeukwerk komt Dautzenberg helaas niet toe.

    Maar misschien is het ook gewoon de bedoeling van een schrijver die zich afzet tegen de huidige ‘worstenbroodjescultuur’ en ‘Opschonend Realisme’ om niet aan de verwachtingen te voldoen. In het interview met zichzelf (één van de betere stukken) geeft hij ook aan mislukkingen interessanter te vinden dan successen. Het zou me dan ook niet verbazen als Dautzenberg eens wil zien met hoeveel gemakzucht hij na al die publiciteit weg kan komen. In elk geval is dit geen kant-en-klaar boek dat appelleert aan goede, of gangbare smaak. Maar over wansmaak hebben we het hier ook niet, daarvoor is het gewoon te zoutloos.

     

     

  • Loodzware tocht

    Loodzware tocht

    Bij de inschrijving ontvangt ze al de waarschuwing: deze paardenrace kan kort- of langdurig effect hebben op de geestelijke staat van de deelnemer. Toch neemt de dan 24-jarige Frederique Schut al snel het besluit om mee te doen aan de Mongol Derby, een negendaagse paardenrace die geïnspireerd is op het wisselpuntennetwerk uit de tijd van het Mongoolse rijk. Maar heeft ze enig idee hoe groot het effect is dat deze race op haar zal hebben?

    Missie: Mongolië leest als een dagboek. Open, haast schaamteloos zet auteur Frederique Schut haar gedachten op papier. Ze is enorm afgevallen om te voldoen aan de gewichtseisen van deze paardenrace en presenteert zichzelf vol trots. In een ruit ziet ze zichzelf: ‘meisje met koffer, meisje met vriend aan haar zij. Zo hé, denk ik, en ik haak mijn arm door die van Ronald, ik ben nog nooit zo dun geweest.’ Door deze presentatie lijkt Frederique erg verwaand. Maar, naarmate je in het boek vordert, blijkt dat de schrijfster op zoek is naar zichzelf en zich verschuilt achter deze arrogante houding. Haar twijfel over wie ze is, schemert door in iedere zin. Haar gedachten en ideeën zijn even verwarrend als het beeld dat ze van zichzelf creëert: ‘Enthousiasme en angst spelen haasje over in mijn buik, wassen elkaar als knaagdieren.’ Juist door die tegenstrijdigheid in haar karakter en de rake manier waarmee ze haar gevoelens en gedachten verwoordt, is dit boek zo aantrekkelijk.

    Als lezer volg je Frederique’s route langs oogverblindende landschappen op pony’s die of traag en log zijn of met een verbazingwekkende snelheid naar het volgende wisselpunt galopperen. De hitte trotserend, met slaapgebrek en spierpijn op zoek naar de overwinning. Want dat is waar het Frederique om gaat, die race uitrijden en het liefst als eerste de finish bereiken. Zonder blikken of blozen vertelt ze de lezer dat ze denkbeeldig een vreugdesprongetje maakt wanneer er een andere deelnemer afvalt, en laat ze haar vriend achter om sneller de finish te bereiken. Maar ze geeft op onderzoek gebaseerde argumenten die aantonen dat haar harde gedrag helemaal niet zo vreemd is en dat velen zich precies hetzelfde zouden gedragen in een soortgelijke situatie. Een soort oerdrang in de wrede, onbarmhartige natuur, waar extreme weersomstandigheden het uiterste eisen van lichaam en geest. De race eist haar tol, en het effect op de deelnemers is niet alleen psychisch, maar ook lichamelijk. Ondanks alle voorbereidingen blijkt dat ook voor Frederique het effect waarvoor de organisatie gewaarschuwd heeft, veel groter is dan zij had gedacht. Is zij toch in staat de race gezond en wel te volbrengen?

    Missie: Mongolië is een boek dat twee reizen beschrijft. Ten eerste is er de indrukwekkende reis die de schrijfster maakt door het uitgestrekte landschap van Mongolië. Ze geeft een realistische beschrijving over deze reis. Zo vertelt ze niet alleen over de mooie uitzichten en haar wonderlijke ontmoetingen met de lokale bevolking, ze toont ook de minder mooie elementen van de race en het land. Daarnaast is Missie: Mongolië een reis door de menselijke psyche. De auteur beschrijft zeer gedetailleerd de innerlijke reis die zij maakt, waardoor zij samen met de lezer leert over  de creatie van het zelfbeeld of beter nog het opnieuw creëren van dat zelfbeeld. Frederique neemt deel aan de Mongol Derby en vraagt zichzelf af of ze meedoet om zichzelf te bewijzen. Negen dagen lang wordt ze met zichzelf geconfronteerd en ze vergaart hierdoor enorm veel zelfkennis. Een ervaring die inspireert en de lezer mogelijk aanzet tot een vergelijkbaar zelfonderzoek. Gelukkig kan dit ook op een manier die iets minder eist van lichaam en geest.  Missie: Mongolië is een zeer toegankelijk boek voor iedereen die houdt van reisverhalen en psychologie.

     

  • Een boer met een bibliotheek

    Een boer met een bibliotheek

    Al op de eerste pagina legt Benno Bernard treffend uit waarom hij een landjonker is: ‘Gezonde buitenlucht snuif ik met welbehagen op; ik boots hier op mijn bekoorlijke platteland tussen voormalige boeren de voormalige landadel na. Daartoe bewoon ik een oud boerderijtje, cultiveer elf are grond en koester vele anachronistische inzichten, die muf ruiken in de neus van mijn tijdgenoten.’

    Wie deze zinnen na lezing van het hele Dagboek (het bestrijkt de periode van 2008 tot de eerste dagen van 2013) nog eens terugpakt, merkt hoe kernachtig dat zelfportret is. Barnard heeft inderdaad iets van een eigengereide in luxe levende conservatief en cultuurpessimist voor wie alles buiten de grens van zijn elf are landbezit reden is om als minderwaardig te beschouwen. Zijn dagboek is af en toe prachtig van taal, maar als lezer ga je van de weeromstuit grommen tegen de betweterigheid van de schrijver.

    Barnard, zoon van Guillaume van der Graft (het pseudoniem van zijn vader Willem), woont exact op de taalgrens in België. Hij is al decennia weg uit Nederland, maar volgt nog nauwkeurig wat daar gebeurt. Een Belg is hij niet geworden, zelfs geen Vlaming of Waal. Hij geeft af op de Walen die het verdommen om Nederlands te spreken en op de Vlamingen die hun taal zo verkwanselen. Maar hij blijft op die grens gevangen zitten: ‘ik voel me Gordiaans verknoopt met Vlaanderen’.
    Kwaad maakt hij zich verder over de troep die infantiele omroepbazen de kijkers voorzetten én het feit dat in Nederland het Vlaams wordt ondertiteld en omgekeerd in Vlaanderen het Nederlands. En nóg kwader op de teloorgang van fatsoenlijk onderwijs.

    Het dagboek dat we nu in boekvorm kunnen lezen, bevat soms uithalen naar anderen die op zijn tekst reageerden. Dat kon omdat hij ze eerder publiceerde op een blog. Zijn notities en beschouwingen zijn doordrenkt van gemor en daarin spaart hij degenen die op zijn blogteksten reageren niet. Als hij weer eens uitgehaald heeft over de ondergang van het Nederlands in Vlaanderen, maait hij een Antwerpse neerlandicus (ene Kevin) die hem aanvalt neer: ‘als je Kevin heet, moet je zwijgen, vind ik (…) Mijn tegenstander blijkt een reputatie te genieten als een luidruchtig, van territoriumdrift bezeten jongmens’.

    Op dezelfde manier heeft hij eerder ook al anderen afgeserveerd. Over Hugo Brandt Corstius bijvoorbeeld: ‘Schreeuwen is zijn lust en zijn leven’ en dat doet hij in een ‘geest van agressie en scherpzinnige stompzinnigheid.’ En Hugo Camps ‘kan helemaal niet schrijven’. Hij is een geval van ‘contrareformatorische bombast’, een ‘holle persoonlijkheid’ wiens kitsch ‘eindigt in een verstarde explosie van wartaal’.
    En Grunberg ‘koketteert met zijn joodse afkomst, door zelf op het jodendom te schelden en gojim aan te vallen die over het jodendom schrijven. [….bij hem] smoort ieder debat in de platitudes die het columnistendorm voor superieure ironie verslijt. Dat hij zijn gymnasium niet heeft afgemaakt, compenseert hij door zoveel mogelijk collega’s af te maken’.

    Dat thema van Grunberg is bij Barnard toch al een kwetsbare plek. Je krijgt de indruk dat iemand die iets kritisch over Israël zegt door de dagboekschrijver meteen op één hoop met antisemieten wordt geveegd.
    De landjonker duldt geen tegenspraak.

    Barnard herhaalt een paar keer dat zijn gescheld gelardeerd is met zelfspot, maar daar is weinig van te merken. Hij debiteert zijn meningen daarvoor met een al te groot ego, dat voortdurend neerkijkt op het domme volk buiten zijn eigen uit de traditie geredde landgoedhek.

    Natuurlijk is het niet allemaal arrogantie. Barnards kritiek op de bedroevende staat van het onderwijs zullen veel lezers kunnen delen, al krijg je halverwege het boek al het gevoel dat er nu wel genoeg over gezegd is. En om zijn gemopper op presentatoren die in het NOS-journaal ineens moeten gaan rondlopen, kun je zelfs nog wel lachen. Maar wat de lectuur van het Dagboek zo vermoeiend maakt is dat aanhoudende weeklagen en het verongelijkte afgeven op critici die hem als een rechtse pessimist zien: ‘Ik houd van links! Ik worstel. Ik houd ook van rechts. Ik ben een natuurconservatief, een boer met een bibliotheek…’

    Ondanks dit verbale geweld waarvan je stekels af en toe overeind gaan staan, weet Barnard ook te ontroeren. Zoals in de herinnering aan zijn vader die van zíjn eigen vader een paar zwarte herenschoenen erfde (zijn grootvader gooide nooit iets weg) en die daadwerkelijk nog droeg: ‘zo stond hij ondanks alles in de schoenen van zijn vader.’ Als Benno Barnards eigen vader gestorven is blijken die zwarte schoenen nog altijd niet te zijn weggegooid. Hij vindt ze terug, ‘twee doffe zwarte artefacten, twee stuks archeologie, vervaardigd van leer dat op het fossiele af hard was geworden’. Ook Benno kan ze op zijn beurt niet wegdoen.

    Barnards taal is af en toe poëtisch. Hij kan bloemrijk tieren. Hij schrijft roerend liefdevol over zijn vader. Maar aan het eind blijf je zitten met het gevoel een paar jaar opgelopen te hebben met een nare iezegrim, die maar niet kan accepteren dat anderen zijn grootsheid niet onderschrijven.

     

     

  • Stedelingen op het platteland

    Stedelingen op het platteland

    Naar buiten is een boek over landelijk wonen van historica Ileen Montijn. Ze belicht dit landelijk wonen in Nederland in de negentiende en twintigste eeuw. In de tekst wordt een visie op de  ‘rustgevende natuur’ tegenover de ‘jachtige stad’ geplaatst. (9). Montijn geeft aan dat dergelijke clichés een grote rol speelden en nog wel spelen in de beeldvorming. Volgens haar is het verlangen naar buiten een product van de verstedelijking. ‘Het is luxe, een teken van welvaart.’ (11)

    Het boek gaat niet zozeer over de cultuur van het buiten zijn (wandelen, fietsen, kamperen),  maar over het wonen buiten de stad. Montijn biedt een internationaal perspectief, maar ze richt zich vooral op Nederland. De publicatie is in een prettige stijl geschreven en is omdat de schrijfster geen jargon gebruikt geschikt voor een brede doelgroep.

    Naar buiten is vooral een weergave van tal van meningen over wonen van architecten en schrijvers die ze in tijdschriften en publicaties ventileerden in de loop van de laatste twee eeuwen. Wat het boek ontbeert is eigen sociologische of historische analyse op basis van het opgenomen materiaal van de kant van Montijn. Waarschijnlijk heeft ze bewust de keuze gemaakt voor toegankelijkheid in plaats van interpretatie. Waar ze wel met gefundeerde meningen komt is dit meteen interessant. Zo schrijft ze: ‘Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw veranderde er iets ingrijpend aan de verwachtingen die mensen hadden van het eigen huis en de gekozen interieurstijl: waar het vroeger ging om het uitdrukken van  respectabiliteit ontstond later behoefte aan persoonlijke expressie.’ (100) Dit lijkt af te steken tegen veel saaie modernistische architectuur uit recente decennia, maar ook tegen sommige uniforme nostalgiserende stijlen in nieuwbouwwijken.

    Het boek had misschien analytischer kunnen zijn met een andere opzet, waarbij er nog meer voor gekozen zou zijn om de oorzaken van maatschappelijke veranderingen en de eruit voortkomende mentaliteiten te belichten, veranderingen weerspiegeld in woonbeleving. Aparte hoofdstukken over overheidsbeleid, landschapsarchitectuur, restaureren (van vooral boerderijen), de verschillen en overeenkomsten tussen het nostalgische bouwen in de stad en op het platteland en geschiedsvisies op landelijkheid hadden mogelijk iets meer structuur aan het boek gegeven. Nu is het een boeiende, maar niet volledig overtuigende opsomming van meningen uit verleden en heden.

    Een belangrijk begrip in het boek is authenticiteit. Aan het slot komt Montijn met een visie op wat authenticiteit vroeger was en nog is. Ze stelt een aantal vragen: ‘’Wat was dat eigenlijk, authenticiteit? Wat is bijvoorbeeld een “echtere’’ boerderij: een die nog het aanzien heeft van honderd jaar geleden maar niet meer wordt gebruikt, of een die in bedrijf is en aangepast aan de eisen van de moderne tijd? En als een boerderij waar niet meer geboerd wordt nog wel zo mag heten, waarom dan niet ook een nieuw huis dat op een boerderij lijkt?’ (202) Het steeds mee gaan met de eisen van de moderne tijd is onontkoombaar en het ‘ouderwetse’ wonen moet eraan worden aangepast: achter een façade van historiciteit leeft men in het gekozen huis een modern leven vol comfort. De vraag is of zoiets bedrog of geschiedvervalsing is, of dat een zulke omgang met woonvormen wenselijk is. Het is een huwelijk tussen het esthetische van vroeger en het goede leven van nu, lijkt het.

    Het boek is rijk geïllustreerd. Montijn wijst op interessante persoonlijkheden en publicaties uit de geschiedenis van de architectuur in Nederland en daarbuiten. Alleen daarom al is dit boek de moeite waard. Hopelijk komt Montijn in de toekomst met meer teksten over dit onderwerp, waarbij ze nog meer haar eigen visie biedt.

     

    Naar buiten.
    Landelijk wonen in de 19de en 20ste eeuw

    Auteur: Ileen Montijn
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 21,95

  • Waar wind en golven ons deden belanden

    Waar wind en golven ons deden belanden

    Emma Donoghue (Dublin, 1969) is een literaire alleskunner. Ze lijkt alle genres even gemakkelijk te beheersen, of het nu biografieën, literaire geschiedenissen, toneelteksten, radiohoorspelen, sprookjes of korte verhalen zijn. Ze is vooral bekend van haar romans. Haar internationale bestseller Room werd Best Book of 2010. Het boek dong ook mee naar de Man Booker Prize, de Commonwealth Prize en de Orange Prize. Nu verrast Donoghue met Verdwaald, een bundel prachtige verhalen.

    De verhalen in Verdwaald zijn erg verschillend en bestrijken vier eeuwen, toch hebben ze iets gemeen. Stuk voor stuk zijn de hoofdpersonen op een dwaalspoor geraakt: ze dwalen, of verdwalen, in hun levens. En al die levens nemen onvoorziene wendingen. Vaak welkom, soms ook niet, maar altijd totaal onverwacht. Situaties zijn uitzichtloos of juist veelbelovend. Grenzen worden verkend of bewust opgezocht. Allemaal zijn het reizigers in hun eigen leven, die plots voor een grote verandering komen te staan.

    Iedereen maakt een reis. De een verder dan de ander. Maar alle personages verlaten het bekende of keren er juist naar terug. Dat maakt hen allen immigranten, weggerukt uit hun vertrouwde omgeving. Soms is dat hun eigen beslissing, soms ook niet. Hoe dan ook, Donoghue maakt duidelijk dat reizen, gewenst of gedwongen, samen gaat met verwarring. En daar te midden van die verwarring ontstaan pakkende verhalen.
    Het mooiste aan deze verzameling verhalen is dat ze waar gebeurd zijn. Of bijna waar gebeurd.

    Achter de verhalen schetst Donoghue hoe zij tot deze vertelling kwam. Vaak zijn het korte krantenberichten die haar tot deze korte verhalen hebben geïnspireerd. Maar het kunnen ook brieven of zelfs een overlijdensacte zijn. En in handen van Donoghue worden deze niemendalletjes verhalen die erop wachten om verteld te worden. In weinig woorden, maar in rake streken weet ze levensechte personages neer te zetten met wie je wel moet meeleven, of ze het nu verdienen of niet.

    In Voorwaarts probeert een jonge vrouw het beste van haar leven te maken. Maar dat gaat moeizaam, ‘als ze wakker wordt is er soms een loden gevoel van haar lot dat haar tegen het kussen drukt’. Ze is een gevallen vrouw. ‘Gevallen. Het is niet zoals in een roman, of zoals op het toneel; het is net zo gewoon als stopwerk.’ Caroline heeft gewoon gedaan wat ze moest doen sinds ze op haar 19e achterbleef met een 9 jarig broertje. Haar harde leven wordt raak beschreven: klanten worden ingepland tussen huishoudelijke taken en de zorg voor haar dochter en broer. Haar dochtertje is Carolines grote liefde: ‘Dat is de paradox die haar hersens afmat, haar hart geweld aan doet: het beste wat haar in het leven is overkomen is voortgekomen uit het ergste.’ En dat maakt dat Caroline, hoe ondragelijk ze haar leven ook vindt, met geen enkel ander leven zou willen ruilen.

    Broer en zus leven samen in een uitzichtloze situatie, maar creëren voor elkaar een illusie. Hij doet alsof hij zijn werk leuk vindt, zij doet of ze haar tijd doorbrengt met zorgen voor haar kind, lezen en intellectuele ontwikkeling. Voor Caroline is het duidelijk: haar leven zal nooit veranderen. Ze kan niet anders dan zich schikken in haar lot. Tot haar broer een onverwachte uitweg ontdekt. Een prachtige vertelling, die meerwaarde krijgt door het naschrift. Het leven van Caroline Thompson is bekend uit de brieven van Charles Dickens. Hij blijkt de onbekende weldoener uit het verhaal. En dat maakt het verhaal alleen maar mooier.

    Een ander juweeltje is De kruik van de weduwe. Dit verhaal is gebaseerd op één intrigerende regel uit een  krant uit 1735. Deze ene regel resulteerde in een heel kort, maar pakkend verhaal, met een zeer onverwachte wending en een verrassend einde. Ook dat bindt de verhalen: in het leven moet je risico’s nemen, gokken. En soms win je, en soms verlies je. De verhalen vormen een mooie eenheid. Het ritme wordt versterkt door de indeling in delen: ‘Vertrek’, ‘Op doortocht’  en ‘Aankomst en nasleep’. Het motto van Vergillius’ smeedt de delen tot een eenheid. Want ‘waar wind en golven ons deden belanden’, dát moet de gedeelde ervaring van alle hoofdpersonen zijn.


    Verdwaald

    Auteur: Emma Donoghue
    Vertaald door: Manon Smits
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 24,95

  • Prikkelende, bijna voorbeeldige essaybundel

    Prikkelende, bijna voorbeeldige essaybundel

    Wanneer het over historische vergelijkingen gaat moet ik onwillekeurig denken aan de voormalig hoteleigenaar Basil Fawlty uit het Engelse Torquay. Hij had het weer eens gehad met zijn klanten die niets anders deden dan wat rondhangen en klagen, vooral veel klagen. De houding van zijn gasten deed hem denken aan een bepaalde episode uit de geschiedenis en Fawlty was nu niet iemand die zijn frustraties lang voor zich kon houden. Zijn verzamelde gasten kregen van hem te horen hoe lamlendig ze wel niet waren en waaraan hun houding hem deed denken: ‘Well let me tell you something – this is exactly how nazi Germany started.’

    Fawlty’s vergelijking is een hilarische parodie op het gebruik van vergelijkingen die betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog. In alle redelijkheid kun je je afvragen of het wel zin heeft om de oorlog te betrekken wanneer je een actuele kwestie wilt duiden. Toch gebeurt het nog regelmatig. Job Cohen zei ja op de vraag of moslims tegenwoordig net zo worden buiten gesloten als Nederlandse Joden in 1940, Rob Riemen zag opmerkelijke overeenkomsten tussen de PVV en de NSB, en Coen Teulings ziet een parallel tussen de crisis in Zuid Europa en die in Duitsland in de jaren twintig.

    Wie het om wat voor reden niet eens is met dergelijke vergelijkingen kan altijd de gemeenplaats aanvoeren dat je geen appels met peren moet vergelijken. Appels en peren, Lof van de vergelijking is de titel van de laatste essaybundel van Maarten Asscher die in het openingsstuk overtuigend beweert dat het maken van vergelijkingen tussen twee geheel verschillende zaken heel interessant kan zijn. Wie bijvoorbeeld een historische vergelijking maakt, interpreteert een verschijnsel dat nog volop aan de gang is aan de hand van een afgesloten periode waarvan we het begin en einde kennen. Dat kan aardige inzichten opleveren. Bovendien geeft een historische vergelijking inzicht in het standpunt van degene die de vergelijking maakt en het bevordert de discussie.

    Asscher ziet natuurlijk ook wel in dat historische vergelijkingen beladen kunnen zijn, maar het argument dat je zaken die (veel) van elkaar verschillen niet kunt vergelijken, verwerpt hij. Het geeft geen zin om appels met appels te vergelijken.

    Het is een prikkelend begin van een bijna voorbeeldige essaybundel waarin de vergelijking min of meer centraal staat. Asscher vergelijkt in dit boek vooral literaire appels en culturele peren: o.a. Hamlet met Telemachus, de vader van de archeologie Heinrich Schliemann met de vader van de psychiatrie Sigmund Freud, Asscher zelf met Napoleon, de mogelijke zelfmoord van Primo Levi met Japanse kamikaze en de jurist R. P. Cleveringa met nazi-rechter Roland Freisler.

    Die laatste vergelijking is een opmerkelijke want Cleveringa en Freisler verschillen van elkaar als zwart en wit, of beter gezegd, goed en fout. R.P. Cleveringa weigerde tijdens de bezettingsjaren niet alleen een niet-jood verklaring te tekenen, waardoor hij in de gevangenis belandde, hij nam het na de oorlog ook op voor studenten die naar zijn oordeel al te hard werden gestraft voor hun buigzame houding tijdens de bezetting. Asscher voert hem dan ook op als een toonbeeld van een integer jurist. Over Roland Freisler is daarentegen niets goeds te zeggen. Freisler was de schreeuwende en tierende rechter tijdens Hitlers nazi regime die altijd probeerde de verdachte die voor hem stond te vernederen. In meestal goed voorbereide showprocessen sprak hij voorgekookte doodvonnissen uit. Bij Freisler was de rechtbank een toneel waar hij zijn loyaliteit aan het nazisme schreeuwend kon laten zien.

    Asscher gebruikt deze twee, schijnbaar onvergelijkbare juristen om te komen tot een morele thermometer voor juridische zaken, de zogenaamde schaal van Cleveringa. Freisler geeft op die schaal het absolute nulpunt aan en Cleveringa het bijna niet te halen maximum van 100. Op deze manier komen uitersten mooi samen, al is het dan niet in een poging ze te verenigen.

    Asscher weet hoe hij essays moet schrijven. Regelmatig snijdt hij onderwerpen aan die hij bewust beperkt en klein houdt. Het essay over Cleveringa gaat eigenlijk over niets anders dan over het meten van goed en kwaad, maar Asscher beperkt zich bewust tot de twee juristen en weet op die manier de zaken hanteerbaar te houden. Iets dergelijks doet hij ook in het openingsstuk. Door zich te beperken tot de historische vergelijking voorkomt Asscher dat hij een filosofie van de vergelijking moet gaan schrijven. Nu is het een prettig, dwars stuk dat tegelijkertijd kraakhelder is. Want dit ‘klein houden’ heeft als bijkomend voordeel dat Asscher nergens grote woorden nodig heeft, of zich verliest in vage opvattingen; het is allemaal plezierig concreet, begrijpelijk en bij vlagen prikkelend.

    Iets anders wat Asscher goed doet is het strooien met wetenswaardigheden over met name literatuur. Wie zijn achtergrond kent – Asscher is directeur van Athenaeum Boekhandel, voormalig redacteur van de Gids en werkte o.a. bij uitgeverij Meulenhoff –  begrijpt al gauw dat hij uiterst belezen moet zijn en Appels en peren bevestigt dat vermoeden. Maar Asschers eruditie leidt gelukkig niet tot het nodeloos noemen van namen en titels. Wie de titels en namen kent of herkent krijgt het idee dat hij of zij niet van de straat is, wat de meeste lezers als prettig zullen ervaren. En wie moet toegeven dat hij even niet precies weet over wie of wat het gaat, krijgt het idee er iets van te kunnen opsteken.

    Ook zet Asscher af en toe nadrukkelijk aan tot het lezen van andermans werk, bijvoorbeeld het werk van Delmore Schwartz of de Cahiers van Paul Valéry. Een van de opmerkelijkste en sterkste essays in Appels en peren gaat over Het fregatschip Johanna Maria van Arthur van Schendel uit 1930. Volgens Asscher is deze roman een prachtig voorbeeld van een ideeënroman. Dat is een uiterst aanvechtbare uitspraak, maar daar kom je pas achter wanneer je de roman gelezen hebt. Je kunt dit essay opvatten als een creatieve aansporing om dit min of meer vergeten meesterwerk van Van Schendel eens te gaan lezen. De creativiteit zit ‘m erin dat je nieuwsgierig wordt gemaakt naar wat Asscher nu zo belangrijk vindt in een goeie roman. Want behalve over Het fregatschip gaat dit essay (kort gezegd) over de opvatting dat goede romans ideeën behoren te bevatten. Dit is dan ook weer een voorbeeld van de manier waarop Asscher zijn essays klein houdt. Bijna spelenderwijs en bijna achteloos wordt een controversiële opvatting over literatuur vermomd in de bespreking van een vergeten roman. Knap gedaan.

    Maar Asscher is soms wat minder subtiel. In ‘Het grote en het kleine verhaal’ neemt hij stelling tegen de opvattingen van Henk van Os over specialisten in de kunstgeschiedenis. Van Os heeft het niet op specialisten en bepleit een meer brede kijk op het vak. Asscher is het niet met Van Os eens en neemt het nu juist op voor de specialist in de wetenschap. Dit betoog rammelt wat, vooral wie bedenkt dat de huidige wetenschap steeds vaker gebaat is bij multidisciplinair onderzoek, waarbij generalisten even hard nodig zijn als specialisten. Maar belangrijker dan dit inhoudelijke argument is misschien dat Asscher er dit keer eens niet in slaagt het onderwerp klein te houden; hij beperkt zich niet tot de kunstgeschiedenis. Dit geeft kritische lezers aanknopingspunten om het nu eens flink met Asscher oneens te zijn. Nu is dit op zich niet erg maar dit essay maakt in vergelijking met de rest van de stukken daardoor wel een ietwat onevenwichtige indruk.

    Asscher zondigt één keer echt tegen het idee dat hij zo goed verdedigde in het titelstuk; namelijk dat je appels met peren moet vergelijken en dat het weinig zin heeft om die vergelijking te bekritiseren door te wijzen op verschillen. Natuurlijk verschillen appels van peren, maar appels met appels vergelijken heeft geen zin. In ‘Niet de tralies, maar de deur’ gaat het over de vergelijking tussen de werkplekken van schrijvers en gevangenissen. Dat is een leuke vergelijking en er zijn tal van schrijvers die zichzelf min of meer vrijwillig hebben opgesloten om te kunnen schrijven. Asscher citeert in dit verband een aardig stuk van Tony Perottet in de NYTimes, Why writers belong behind bars waarin de vergelijking tussen gevangenissen en schrijfplekken eens flink wordt aangezet. Asscher gaat een eind mee met Perottet maar heeft uiteindelijk toch kritiek:

    ‘Toch gaat deze auteur (…) de mist in met zijn verheerlijking van de gevangeniscel als de ideale werkplek voor een schrijver. (…)Hij ziet mijns inziens één kardinaal aspect over het hoofd: hij heeft onvoldoende oog voor het feit dat de schrijver in gevangenschap door de van buitenaf afgesloten celdeur is beroofd van de zeggenschap over zijn isolement.’

    Deze kritiek van Asscher komt in feite neer op de uitspraak dat Perottet appels met peren vergelijkt: schrijvers zijn geen gevangenen, want ze sluiten zichzelf vrijwillig op en gevangenen doen dat onvrijwillig. Appels en peren. Dat is vreemde kritiek uit Asschers pen, vooral na het lezen van de voorafgaande essays. Natuurlijk weet ook Perottet heus wel dat de twee zaken niet hetzelfde zijn, maar de lol van de vergelijking ligt in dit geval nu eenmaal in het zoeken naar overeenkomsten, niet naar verschillen.

    Asscher weet er nog wel een leuk citaat van Stendhal achteraan te plakken, namelijk dat het grootste ongeluk van de gevangenis is dat je je deur niet op slot kunt doen. Maar helemaal consequent is Asscher hier niet, al is het een kleinigheid in een bundel die niet alleen plezierig leest, maar ook nog eens tot lezen, nadenken en discussie aanzet. Bovendien is het knap essays bij elkaar te brengen die elkaar versterken en ook nog een zekere eenheid vormen. Asscher laat goed zien dat de vergelijking een prachtig stijlmiddel is. …Zolang we nazi-Duitsland maar achterwege laten.

     

    Appels en peren
    Lof van de vergelijking

    Auteur: Maarten Asscher
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: 19,95

     

  • Onsterfelijk krachtig

    Onsterfelijk krachtig

    Heel, heel lang geleden gebeurde het dat Oek de Jong achterin de ‘kattenbak’ van de automobiel van zijn ouders op weg naar het Fries-Drentse platteland met opgetrokken knieën zat te lezen in ‘Nader tot U’ van Gerard Reve. Terwijl ze af en toe halt hielden om een terp of hunebed te bezichtigen, openbaarde zich aan hem een geheel nieuwe wereld …………….  

    Het essay van Oek de Jong is het vijfde in de reeks Over de roman, een initiatief van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak en het Nederlands Letterenfonds met als insteek een herijking van de plaats van de roman in een zich in cultureel opzicht razendsnel veranderende samenleving.  A.F.Th. van der Heijden, Connie Palmen, Bas Heijne en Marcel Möring zijn hem daarin voorgegaan.

    Oek de Jong bekent deze opdracht met graagte te vervullen. Het biedt hem, na acht jaar schrijven aan Pier en Oceaan, een mogelijkheid tot reflectie op zijn werk en de kans om zijn gedachten over de toekomst van de roman op papier te zetten. Hij bouwt zijn betoog op langs drie lijnen. In de eerste plaats geeft hij een beschrijving van de nieuwe, eenentwintigste eeuwse context van de roman. Vervolgens gaat hij in op de roman zelf: wat zijn de unieke eigenschappen en mogelijkheden van het genre. Tenslotte komt de hoofdvraag aan de orde: ‘Hoe kan de roman overleven in een cultuur waarin hij met zoveel andere media moet concurreren?’

    Allereerst constateert De Jong dat er een wereld is vóór en een ná de komst van het internet. Zowel wijzelf als ook onze cultuur zijn daardoor ingrijpend veranderd. Wij hebben niet langer de rust om een lijvig werk als een roman te lezen en onderwerpen ons steeds meer aan de niet aflatende stroom beelden die de TV en het internet over ons uitstorten. Je hoeft er geen inspanning voor te leveren, je hoeft alleen maar te kijken. Films en documentaires kunnen ons trouwens veel sterker schokken dan welke romanscène ook. Daarnaast is het onderscheid tussen hoge en lage cultuur vervaagd, zo niet verdwenen. Deze dehiërarchisering van de cultuur, zoals Oek de Jong het noemt, heeft grote consequenties voor de positie van de roman. Als je je verdiept in een kunstwerk ga je een relatie aan met dat kunstwerk en dan is de tijd die je daar aan besteedt medebepalend voor de indruk die het werk achterlaat. Het aangaan van relaties kost op zichzelf geen tijd, maar verdieping van die relatie wel. Juist hierin ligt de kracht van de roman. Het Pianoconcert voor de linkerhand van Ravel duurt twintig minuten, Von Triers Breaking the Waves tweeëneenhalf uur en het bekijken van een zelfportret van Caravaggio hooguit tien minuten. Het lezen van Misdaad en straf duurt twee weken. Dit betekent dat de roman veel meer gelegenheid biedt tot overpeinzing, tot mijmering.

    Na een uitweiding over de mogelijkheden die de roman biedt met het oog op de actualiteit, komt hij tot de conclusie dat ‘de niet-literaire schrijver veel meer in control is als het gaat om een onderwerp voor zijn roman, juist omdat het veel meer losstaat van hemzelf. Hij kiest een onderwerp dat hem ligt en waarvan hij vermoedt dat het bij het publiek in de smaak zal vallen. [………] Een literair auteur daarentegen is niet ‘vrij’ in de keuze van zijn onderwerp. Een onderwerp dringt zich aan hem op, het laat hem niet meer los en, hoe groot zijn twijfel aanvankelijk misschien ook is, hij onderwerpt zich eraan en begint het al schrijvend te ontwikkelen.’  De literaire roman is bij uitstek geschikt om de oneindige kosmos van de menselijke binnenwereld, de intimiteit te exploreren. Als de realistische roman de norm is, dat wil zeggen het streven naar de beschrijving van het totale leven, wijst hij erop dat de heersende moraal in de 18e en 19e eeuw een rem vormde op dit streven. Het zijn m.n. James Joyce, Proust en later de Japanner Kawabata geweest die de grenzen van de beschrijving van het intieme hebben opgerekt. Dit is, aldus Oek de Jong, pas echt goed mogelijk sedert in de jaren zestig en zeventig de taboes die rustten op seksualiteit en andere vormen van intimiteit, mede door de stormachtige doorbraak van de beeldcultuur, doorbroken lijken te zijn. Een vorm van kruisbestuiving dus eigenlijk. In de Nederlandse literatuur wijst hij op het werk van Gerard Reve en zelf heeft hij vooral in zijn roman Hokwerda’s kind geëxperimenteerd met het beschrijven van de seksuele intimiteit. Zintuigelijk proza noemt hij het. ‘In een tijd waarin de roman met zoveel andere media moet concurreren, heeft de romanschrijver er het grootste belang bij om proza te schrijven dat alle zintuigen van de lezer bespeelt, proza van de grootst mogelijke zintuiglijkheid.’

    Stijl blijft onveranderd een wezenlijk deel van de literaire roman. ‘Stijl is de fysionomie van de geest’ (Schopenhauer). Hier toont Oek de Jong zich niet optimistisch. De traditie van de Klassieken is aan het verdwijnen. ‘Het hoge stijlbewustzijn van Griekse en Romeinse schrijvers met in hun kielzog een stoet van grote Europese schrijvers en denkers tot diep in de twintigste eeuw heeft geen gezag meer in de samenleving. Hier wreekt zich het verdwijnen van een culturele hiërarchie.’  Samengestelde zinnen moeten plaats maken voor korte zinnen. Het literaire proza verliest zo aan kracht, schoonheid, verfijning, elegantie, stuwing en emotie. Toch blijft ‘het streven naar een blijvende esthetische waarde’ (Kundera) noodzakelijk voor de continuïteit van onze beschaving.

    Als hij uiteindelijk uitkomt bij de beantwoording van de hoofdvraag begint hij, onder de titel ‘Overvloed en onbehagen’, met de pessimistische constatering van de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen dat ‘voor iedere lezer die vandaag sterft, er een kijker geboren wordt’ om vervolgens te wijzen op de zeldzaam gunstige omstandigheden waarin de roman en de romanschrijver in onze tijd verkeren. Oek de Jong wil zich niet neerleggen bij het hedendaagse cultuurpessimisme dat het verval van de westerse beschaving begeleidt. Onbehagen hoort bij een samenleving in transitie. Hij omarmt de gedachte van W.F. Hermans dat ‘Alle grote literatuur provinciale literatuur is en wereldliteratuur literatuur afkomstig uit provincies waar de hele wereld belangstelling voor heeft.’ Franzen noemt dit ‘particularity’; zoals Joyce schreef over Dublin en Pamuk over Istanbul, schreef Tolstoj over de Russische aristocratie. Zo ontstaat authenticiteit en is de romanschrijver in staat te duiken onder de oppervlakte van de filmregisseur. Tenslotte noemt hij als voorbeeld van de onsterfelijke kracht van de roman Dostojewski’s roman Misdaad en Straf.

    Heel, heel lang geleden gebeurde het dat Oek de Jong achterin de ‘kattenbak’ van de automobiel van zijn ouders op weg naar het Fries-Drentse platteland met opgetrokken knieën zat te lezen in Nader tot U van Gerard Reve. Terwijl ze af en toe halt hielden om een terp of hunebed te bezichtigen, openbaarde zich aan hem een geheel nieuwe wereld …………….  In dit gecanoniseerde beeld van het lezende kind schuilt voor Oek de Jong de kracht van de roman. Zolang dit beeld als type blijft bestaan, blijft ook de roman bestaan. Dat is misschien niet voor eeuwig, maar wel voorlopig.


    Wat alleen de roman kan zeggen

    Auteur: Oek de Jong
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 192
    Prijs: € 12,50

  • Wanhoop van een moeder

    Wanhoop van een moeder

    Van Jannie Regnerus verschenen eerder boeken over verre landen zoals De volle maan als beste vriend dat in Mongolië speelt en Het geluid van vallende sneeuw, gesitueerd in Japan. Mooie verslagen van ontheemde mensen in een vreemde cultuur en omgeving. Hier excelleerde Regnerus door een mooie verteltrant, loepzuivere observaties en verstilde gedachten. Nu komt ze met een novelle over ziekte en dood. Opvallend genoeg is er de laatste jaren erg veel geschreven over dit thema. Thomése, Enquist, Van der Heijden, Aleid Truijens, Kluun en Peter Terrin, zij schreven over ziekte en dood. En ook de poëzie van Esther Jansma en Hester Knibbe was ervan doordrenkt. Gevaar van dit soort ‘bespiegelingsliteratuur’ is, dat het ‘menslich-alzumensliche’ verzandt in sentimentaliteit en onnodige uitwijdingen over détails, die voor de schrijver wellicht erg interessant waren, maar voor de lezer duidelijk minder.

    Regnerus valt direct met de deur in huis. Joris ziet een dood lam op een plein liggen. Symbool voor naderend onheil? Even later plast de vijfjarige jongen bloed. Moeder Clarissa raakt in een ontkenningsfase, maar gaat toch met haar zoon naar de dokter. Onderzoek volgt en daarna de onverbiddelijke diagnose. Joris heeft een tumor in zijn nieren, en zijn leven zal niet meer hetzelfde zijn. Wat volgt is een eindeloze reeks chemo’s en andere pijnlijke behandelingen om uitzaaiingen van het gezwel af te remmen. De moeder is in verwarring, maar raakt gaandeweg dat proces ook in depressies. Dat probeert Regnerus te schetsen door de waarnemingen van Clarissa steeds grijzer in te kleuren. Waar het kind ziek is en steeds meer terrein verliest, ziet Clarissa de wereld om zich heen instorten. ‘Ze naderen het ziekenhuis, een grijze kolos die als een zerk oprijst tussen de woonerven van een afgelegen stadswijk, lange rijen armoehuizen waar op iedere vensterbank symmetrie wordt nagestreefd.’ De verloedering en afbraak, maar ook het ontbreken van logica in ons soms verstoorde bestaan, vormen voor de moeder een onoplosbare brei, waaruit steeds de vraag opwelt: ‘Waarom treft ons dit vreselijke lot, in een aftakelende wereld?’

    Gelukkig heeft de moeder ook wel gevoel voor afstand en humor. Het feit dat op school de luizenmoeder in het weinige haar van Joris een luis heeft ontdekt viert ze thuis met taart. In ieder geval is er nog iets gewoons, aan haar zoon, wil ze zeggen.  Of ze stelt vast: ‘De ziekste mensen eten opvallend vaak een kroket en nemen zelf de kleur van mosterd aan.’ Maar de kikkervisjes van Joris groeien en groeien en moeten uiteindelijk het huis verlaten omdat kikkers niet worden gewenst. Uiteindelijk wil ze haar ten dode opgeschreven zoon Het Lam Gods van de gebroeders van Eyck laten zien in Gent. Een confrontatie waarbij Joris zijn mond volpropt met Belgische bonbons maar er verder weinig aan beleeft. Een symbolische daad van de moeder.

    Regnerus heeft het zich erg moeilijk gemaakt in deze novelle. De korte hoofdstukjes van vaak amper drie bladzijden zijn niet pregnant genoeg en de poging om het innerlijk behang van de moeder te schetsen komt niet overal uit de verf. Daarvoor ontbreekt het Regnerus aan virtuositeit. Een moedige poging is het wel.

     

    Het lam

    Auteur: Jannie Regnerus
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam
    Aantal pagina’s: 144
    Prijs: €19,95

     

  • Een levenservaring die leidt naar een religieus ontwaken

    Een levenservaring die leidt naar een religieus ontwaken

    Het smalle pad van de liefde van Vonne van der Meer is een roman over vriendschap, verlies, overspel en religie. Twee stellen en hun kinderen brengen elk jaar de zomervakantie samen door in Frankrijk. Het huis dat aan het ene stel, Floris en Françoise toebehoort, is er ruim genoeg voor. Het andere stel, Pieter en May, leerde hen kennen na de dood van het jongste kind van Floris en Françoise, Björn, die door een noodlottig ongeluk om het leven kwam. Ze spreken normaal niet over het ongeluk en zo komt May pas later te weten dat Françoise deels schuldig is aan de dood van haar zoontje, iets wat de lezer echter al van het begin af weet.

    De wisselwerking en aantrekkingskracht tussen de beide stellen is goed beschreven. Het overspel tussen Floris en May wordt subtiel neergezet, zonder te veel details. De personages zijn in de eerste helft van het boek geloofwaardig. Maar het personage May, dat het meest gevolgd wordt, ontdekt in de tweede helft van de roman haar religieuze gevoelens en die psychologische ontwikkeling overtuigt niet geheel. De verandering van de moderne, seculiere stadsvrouw May in iemand die ontvankelijk is voor het katholieke geloof, is vrij abrupt.

    Het beschrijven van de plotse ontvankelijkheid voor het katholicisme is waarschijnlijk één van de hoofddoelstellingen van de schrijfster geweest, die zelf na haar jeugd katholiek werd. Voor diegenen die niet bevattelijk zijn voor religie is het moeilijk mee te leven met de ontwikkeling van May. Misschien is voor hen geloven iets dat te geheimzinnig is. Als het uitdrukking geven aan het mysterie dat geloven is, de opzet was, is dit wel gelukt. Vanuit die optie is de verandering die May doormaakt interessant omdat deze in lijkt te gaan tegen de tijdgeest in.

    De roman heeft een alwetende verteller. Van der Meer schrijft passages als: ‘Hier zou dit verhaal opnieuw een andere wending kunnen nemen, een misdaadroman worden over twee geliefden die nog nooit een vlieg kwaad hebben gedaan.’  Daar voegt ze even later aan toe: ‘Maar zo’n verhaal wil dit niet worden, moordenaars worden onze geliefden niet.’

    Dergelijke beschouwingen op wat voor soort vertelling het is, zijn interessant en beklemtonen de fictionaliteit van de roman.
    Het begin van het boek is goed geschreven. Je wordt direct het verhaal in getrokken. Het is een beschrijving van de gebeurtenissen die leidden tot de dood van Björn. Dit emotionele moment raakt je echter minder dan wanneer het later in de tekst (als terugblik) zou zijn beschreven, als je al meer met Floris en Françoise meeleeft. Nu is deze gebeurtenis echter wel een wrang fundament onder het verhaal. De beschrijving van baby Björn is summier, maar mooi: ‘Zijn lach als een van zijn zusjes haar gezicht vlak bij het zijne bracht, [was] een geschater dat diep uit zijn buik kwam, als je Boeddha kon horen lachen, klonk het zo.’

    Van der Meer komt met een heel eigen geluid dat afsteekt tegen überhip geschrijf van veel andere hedendaagse schrijvers. Het verhaal gaat ergens over, maar niet iedere lezer zal iets kunnen met de thematiek van een religieus ontwaken.

     

     

  • Stof tot nadenken

    Stof tot nadenken

    Laat u niet leiden door gemakzucht. Zet door. Er zal blijken dat het de moeite waard was. Dit zijn de woorden die de lezers van het nieuwste boek van Nelleke Noordervliet ter harte moeten nemen. In Schatplicht wordt het ons niet gemakkelijk gemaakt.

    In één der eerste hoofdstukken zet Noordervliet standpunten betreffende religie uiteen die wel eens voor opschudding zouden kunnen zorgen. De mens zou een toevallig bijproduct zijn van aminozuren. Even een scheikundelesje er tussendoor. En verder: God heeft niet de mens gemaakt. De mens heeft God gemaakt. Het is niet de eerste keer dat dit wordt beweerd maar het geeft toch opnieuw stof tot nadenken. Er komt een duistere fascinatie ter sprake, de tamelijk opdringerige aanwezigheid van een gemartelde man aan een kruis. Het zou een voorbeeld kunnen zijn van slimme marketing. Is er dan nog wel sprake van begrip voor religieuze gevoeligheden bij andersdenkenden? Geloof is een oude jas maar helemaal zonder jas kan soms erg koud zijn.
    De schrijfster geeft op ruime schaal blijk van haar grote kennis en belezenheid. Zij beschrijft de oude Griekse helden alsof het haar buren zijn en het lijkt er op dat ze bij de grote Franse filosofen in de klas heeft gezeten. Het leven en werk van de door haar bewonderde Albert Camus krijgt ruime aandacht. Noordervliet weet te bewerkstelligen dat haar lezers zich opnieuw, of misschien wel voor de eerste keer, gaan verdiepen in het werk van deze Nobelprijswinnaar.

    En dan de literaire beschouwingen. De schrijfster verzucht: ‘De maatschappelijke functie van de literatuur is in het huidige tijdsgewricht op de achtergrond geraakt.’ Een prachtige volzin zoals alleen Nelleke Noordervliet kan maken. Nee, dergelijke zinnen maakt ze niet, ze componeert ze. Ze hoopt op herstel en velen met haar. Literaire helden en heldinnen passeren de revue. Tamelijk uitvoerig staat ze stil bij de avonturen van Madame de Merteuil in Les liaisons dangereuses. Haar hybris zou in Holland dood lopen in een moeras van gelijkvormigheid. Is Nederland wel een dergelijk moeras? Dat valt toch wel mee? Maatschappijkritiek krijgt een plaats in de romankunst. Auteurs hebben een visie op de samenleving. Nelleke Noordervliet geeft er overigens voortdurend blijk van ook een dergelijke visie te hebben. Daniel Defoe en Jonathan Swift worden aangehaald als voorbeeld van schrijvers met een maatschappijvisie. Hoeveel auteurs zijn er wel niet in het vergeetboek terecht gekomen? Een lange rij: Gustave Flaubert, Leo Tolstoj, Virginia Woolf, Charlotte Bronté, onze eigen Betje Wolf, Carry van Bruggen, Truitje Bosboom-Toussaint, Nescio, Jacob van Lennep, Eduard Douwes Dekker, Menno ter Braak en ga zo maar door. Maar wat doe je er aan? De echte groten zullen overleven.

    Er is een kans dat Noordervliet daar bij zal zijn. Als schrijfster van historische romans verheugt ze zich over de toename van de belangstelling voor de historische romans en populaire historische non-fictie en ze vraagt zich af wat hier de reden van zou kunnen zijn. Verder is zij van mening dat de verbeelding van een romanschrijver wel degelijk zou kunnen bijdragen aan de analyses van de historicus in zijn hoedanigheid van wetenschappelijk onderzoeker en zij betreurt het dan ook dat historici zich zelden uitlaten over historische romans. Omgekeerd is het wel zo dat romanschrijvers bijna altijd diepgaand onderzoek doen naar de historische achtergronden van hun verhaal. Nelleke Noordervliet geeft daar ruimschoots blijk van. Zij duidt de historicus als een bewerker van de historische akker, een beeldspraak zoals alleen Nelleke Noordervliet kan maken.

    Hier en daar neemt Noordervliet ook maatschappijkritische beschouwingen op. Over politici bijvoorbeeld van zowel conservatieve als progressieve snit die steeds het woord verandering in de mond nemen en daarbij de suggestie wekken niet de pion te zijn maar de schaker. Volgens Noordervliet lopen zij al te vaak achter beursanalisten aan als gedrogeerde ratten en laten zij hun oren hangen naar het bedrijfsleven.
    Noordervliet meent ook dat menig sociaaldemocraat de vergissing maakte de arbeidersklasse een hogere moraal toe te schrijven. Misschien was het wel zo dat de armoede hen netjes hield maar dat was niet direct een kwestie van moraal.

    Ook de milieubeweging ontkomt niet aan een kritsche beschouwing door de auteur. Hoewel zij vooropstelt dat de IPPC (Integrated Pollution Prevention and Control) veel heeft bijgedragen aan de bewustwording van de effecten van menselijk gedrag op de omgeving, dring zij er toch op aan de beweringen van wetenschappers niet voor zoete koek aan te nemen en vooral zelf te denken, te wikken en te wegen. De krantenlezer zou niet steeds eerbiedig moeten knikken als het woord wetenschap wordt gebezigd. Een eigenwijze bundel verhandelingen? Jazeker, maar wel een zeer lezenswaardige.