• Over eenzame mensen en onderdrukte talenten

    Over eenzame mensen en onderdrukte talenten

    Het is maar hoe je het bekijkt: de hoofdpersoon uit deze rijke, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog geschreven klassieke roman als een zon, waar de andere personages als satellieten omheen draaien. Of als een vlam, die insecten aantrekt. Beide interpretaties zijn mogelijk. De hoofdpersoon van de roman die Carson McCullers (1917-1967) op drieëntwintigjarige leeftijd schreef, is de doofstomme John Singer. De andere personages verwachten veel van hem. Zou hij hen uit de armoede en ellende in een Zuid-Amerikaans stadje, eind jaren dertig van de vorige eeuw, kunnen verlossen?

    Onvermijdelijk racisme

    John Singer wordt in alle liefde neergezet met de trekken van een verlosser: hij is tweeëndertig jaar (de leeftijd die Jezus volgens de Bijbel heeft bereikt), en ‘zijn tong voelde als een walvis in zijn mond’, zoals Mozes, die het joodse volk uit de ballingschap leidde, ‘traag van mond’ en traag van tong heette te zijn.
    Singer ontfermt zich over een dronkenlap die het café van Biff Brannon dreigt te worden uitgezet waar Singer drie keer per dag eet: ontbijt, lunch en diner. De man, Jake Blount, blijkt een idealistische Marxist te zijn. Dokter Benedict Mady Copeland behoort als zwarte arts tot de mensen die de toegang tot het café daadwerkelijk wordt ontzegd. Op die manier sijpelt het racisme in Zuid-Amerika indringend het verhaal binnen. Copelands dochter, Portia, werkt in het huis van de familie Kelly, waar John een kamer heeft gehuurd. Eén van de kinderen Kelly, de muzikale Mick, komt graag op de kamer van John en vertelt hem alles wat ze op haar hart heeft.

    Het is vaak een zoete inval bij John, want iedereen komt daar. Behalve Mick, Jake Blount en dr. Copeland ook cafébaas Biff Brannon. ‘Singer was bij iedereen altijd hetzelfde. Hij zat op een rechte stoel bij het raam met zijn handen diep weggezonken in zijn zakken, knikkend en glimlachend om zijn gasten duidelijk te maken dat hij het begreep.’ Zijn gedrag heeft iets raadselachtigs en laat de mensen niet los. ‘Zijn gezicht leek een beetje op het portret van Spinoza. Een joods gezicht.’ Hij heeft wat wordt omschreven als ‘ware kennis.’ ‘Hij was’, meent dokter Copeland, ‘een wijze man, die zoals geen andere blanke begreep wat het hoge doel in het leven was. Als hij luisterde was er iets zachts en joods in zijn gezicht, als iemand die weet dat hij tot een onderdrukt volk behoort.’ Luisteren natuurlijk met aanhalingstekens; het is meer een innerlijk begrijpen.

    Net als dokter Copeland tot een onderdrukt volk behoort. Hij heeft weliswaar longtuberculose, maar mag van zichzelf niet uitrusten, ‘want er was iets dat veel belangrijker was dan die vermoeidheid, en dat was dat hogere doel.’ Dat streven wordt verwoord door een zwart kind dat meedoet aan een schrijfwedstrijd, waarvan dokter Copeland de inzendingen altijd als eerste mag lezen: ‘Ik wil zo iemand zijn als Mozes, die de kinderen van Israël uit het land van hun onderdrukkers leidde. Ik wil een Geheime Organisatie oprichten van zwarte Leiders en gestudeerden. Alle zwarten zullen zich verenigen onder deze uitgekozen leiders en zich voorbereiden op de opstand.’

    Oplossing voor onderdrukking

    Volgens de zwarte bevolking van het dorp is Singer de enige die zich bewust is van hun armzalige toestand. Er doen zelfs verhalen de ronde ‘dat hij contact had met de geesten van gestorven mensen (…). De rijken dachten dat hij rijk was en de armen dat hij net zo arm was als zij. Aangezien de geruchten niet konden worden tegengesproken, werden ze steeds wonderlijker en heel reëel. Iedereen beschreef de doofstomme naar eigen goeddunken.’ Als enige oplossing voor de problemen in het Zuiden, racisme en armoede, is dat als mensen eenmaal de waarheid kennen, ze niet meer onderdrukt zullen worden.

    Of is er meer. Mick, één van de kleine Kelly’s, zoekt de oplossing in de muziek waar ze helemaal in opgaat. Ze gaat componeren, zo goed en zo kwaad als dat op haar jonge leeftijd en zonder scholing gaat. Ze luistert naar muziek, en één van de ontroerendste stukken in de roman is wanneer zij voor het eerste de Derde symfonie van Beethoven hoort en deze beschrijft.
    Ook dit is geen toeval: de symfonie van de revolutie (al heeft Beethoven zijn opdracht aan Napoleon later ingetrokken). Tegen het eind van het boek noemt McCullers alle revolutionairen die de mensheid wilden verlossen: ‘De stem van Jezus en van John Brown [de strijder tegen de slavernij, EvS]. De stem van de grote Spinoza en van Karl Marx.’ Alleen liep het allemaal slecht met ze af, ook met Singer overigens: Jezus werd gekruisigd, John Brown opgehangen, Spinoza in de ban gedaan en Marx’ visie werd in het marxisme geweld aan gedaan.

    Vlam met insecten

    In meer of mindere mate, roepen verlossers echter ook geweld op. Copeland erkent: het kwaad van het racisme moet worden bedwongen, maar ook de kwaadaardigheid in hemzelf, want ‘het hopeloze lijden van zijn mensen wekte een dolle woede in hem op’. Net als de beschrijving van het racisme sijpelen ook deze gevoelens en de uitingen daarvan het boek binnen.
    De dronken Jake Blount, die het café van Biff Brannon tegen sluitingstijd niet wil verlaten, maakt en amok. Hij haalt dokter Copeland, die als zwarte niet welkom is, naar binnen. Later komt Jake terecht in de buurt van een vechtpartij op de kermis en moet uit de stad vluchten. Erger is wat één van de kinderen van dokter Copeland uitspookt. Diens zoon Willie gaat met een jongen op de vuist voor een meisje, krijgt een scheermes toegespeeld en verwondt de jongen, waarna hij in de gevangenis belandt en tot negen maanden dwangarbeid wordt veroordeeld.

    Universeel verhaal

    Op die manier vallen in dit boek de kleine verhalen uit Zuid-Amerika, van families die te maken krijgen met racisme, armoede en geweld, maar ook met tekenen van hoop op een betere toekomst, samen met het grote wereldomspannende verhaal van de Tweede Wereldoorlog, die op uitbreken staat en waarin dezelfde elementen in alle hevigheid terugkomen.
    Maar dat niet alleen: het zijn elementen die nog steeds niets aan actualiteit hebben ingeboet. Zelfs de rol van muziek en ballet die in het boek van McCullers een grote rol spelen, maar niet tot wasdom kunnen komen doordat er ofwel geen geld voor een opleiding of een instrument is ofwel de aanleg in de knop wordt gebroken, is aan de orde van de dag.
    Deze elementen tilt dit boek van een drieëntwintig jarige schrijfster die pianiste had willen worden, ware het niet dat acute reuma en haar problemen met alcohol haar in de weg stonden, uit boven het genre van de Southern gothic novel, waartoe het wel wordt gerekend. Het hart is een eenzame jager is een oproep tot empathie met de gekleineerde en gemarginaliseerde medemens, alsookd een oproep tot waakzaamheid.

     

  • Hoe Prins Willem III van Oranje de Engelse kroon ‘veroverde’

    Hoe Prins Willem III van Oranje de Engelse kroon ‘veroverde’

    Machiel Bosman schrijft over een onderbelichte periode in de geschiedenis van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Vanaf het voorjaar van 1688 is Prins Willem III van Oranje in het diepste geheim voorbereidingen aan het treffen voor een invasie van Engeland. In zijn boek De Roofkoning vertelt Bosman over het hoe en het waarom.

    1685: Koningswissel in Engeland
    Onderstaand citaat illustreert hoe nauw de koningshuizen in de zeventiende eeuw met elkaar zijn verbonden:

    ‘De Engelse koning Charles II is een neef van de Franse koning Louis XIV, die een neef is van de Spaanse koning Carlos II, die een neef is van de Duitse keizer Leopold I. En hetzelfde rijtje nogmaals: de zus van Charles II is getrouwd met de broer van Louis XIV, die getrouwd is met de zus van Carlos II, een zwager van Leopold I. Dan zijn er spelers van het tweede plan, van wie prins Willem III van Oranje de voornaamste is. Wanneer hij ten strijde trekt tegen de Franse koning, gaat het om zijn achterneef. Wanneer hij de wapens opneemt tegen de Engelse koning, gaat het om zijn oom. Dat die laatste zijn schoonvader is, maakt de zaak saillant; dat is dichterbij dan gebruikelijk.’

    Willem III van Oranje groeit uit van een speler van het tweede plan tot een van de hoofdrolspelers op het Europese podium. Zijn tegenstrever: de Engelse koning James II,  ‘zijn oom en schoonvader, de broer van zijn moeder en de vader van zijn vrouw.’ Dwars door de familiebanden heen loopt de tegenstelling katholiek – protestant: James II tegenover Willem III en zijn vrouw Mary Stuart.

    De protestantse Engelse koning Charles II heeft geen wettige kinderen. Er is geen troonopvolger in de directe lijn als hij onverwachts overlijdt in 1685. Zijn broer James II, die zich rond 1660 bekeerde tot het katholicisme, volgt hem op: ‘voor het eerst in ruim een eeuw […] wordt in Engeland een katholieke monarch gekroond.’ De nieuwe koning omringt zich met katholieke raadgevers en hij stelt katholieken aan in militaire functies. Hiervoor verleent hij hen ontheffing van de Test Act, de wet die erin voorziet dat publieke functies alleen openstaan voor belijders van de staatsgodsdienst.

    Het overwegend protestantse Engeland verdenkt de nieuwe koning ervan dat hij de roomse kerk tot staatskerk wil maken. Zijn protestantse oudste dochter uit een eerder huwelijk, prinses Mary Stuart, geldt als de troonopvolgster. Maar dan raakt James’ tweede echtgenote Maria van Modena, na vijf kinderloze jaren, zwanger. Als het een meisje wordt, dan blijft Mary de rechtmatige troonopvolgster. Een jongetje krijgt de eerste rechten op de troon.

    1688: Bevalling van de eeuw
    Machiel Bosman begint zijn boek op deze manier: ‘Daar ligt de koningin in bed, benen gespreid. Daar staan de hofdames, de dokters en de groten van het land. Mogen de gordijnen dicht, smeekt de koningin haar man – de gordijnen van het hemelbed. Maar nee, geen sprake van, dit is een zaak van landsbelang: de meest omstreden bevalling van de eeuw.’

    In juni 1688 wordt een jongetje geboren, James Francis Edward. Met de geboorte van de jongen dreigt een katholieke dynastie. 1688 is het jaar van oplopende spanningen tussen katholieken en protestanten. En het jaar waarin Prins Willem III van Oranje zijn vloot opbouwt. Het is de vraag wanneer de prins in actie komt. Hij kiest er lang voor zich afzijdig te houden van de Engelse binnenlandse politiek. Het is een politiek van ‘nagelbijten’ en ‘tandenknarsen’. Uiteindelijk zal hij, in het najaar, met gunstige ‘protestantse wind’ de overtocht wagen. Met steun van vooraanstaande protestanten lukt het de prins de koning te verdrijven: ‘Vraag niet hoe, maar de prins heeft de koning met een vrijwel geweldloze campagne op de knieën gedwongen.’ De Declaratie behelsende de redenen die hem bewegen met de wapenen in het Koninkrijk van Engeland over te gaen is een knap staaltje propaganda. De prins benadrukt dat niet de koning, maar zijn adviseurs fouten hebben gemaakt. Over James Francis Edward schrijft hij dat ‘niet alleen wij, maar alle eerlijke onderdanen van deze koninkrijken, sterke vermoedens koesteren dat de zogenaamde prins van Wales niet werkelijk het kind is van de koningin.’

    Roofkoning of bevrijder?
    Bosman betoogt dat Engelse historici eeuwenlang hebben geprobeerd de invasie van prins Willem III uit de geschiedenis weg te poetsen als een smet op hun verleden: ‘Ze hebben een buitenlandse invasie getransformeerd in een Glorious Revolution van Engelse makelij en de Nederlandse inbreng geminimaliseerd. De afgelopen decennia is ter compensatie daarvan wel gesuggereerd dat de Republiek Engeland zo ongeveer heeft veroverd, maar dat is ook een interpretatie die niet overtuigt.’ Volgens Bosman gaat het om een ‘onttroning’ en niet om een ‘verovering’; ‘dat zijn twee wezenlijk verschillende zaken.’

    Eerder schreef hij een artikel Hoe Willem III Engeland ‘bevrijdde’ (Historisch Nieuwsblad 3/2013). Een citaat daaruit: ‘Dankzij uitgekiende propaganda weet Willem de verovering te verkopen als een bevrijding.’ Wellicht heeft Bosman met de titel Roofkoning willen aansluiten op recentere historische studies waarin Nederland wordt getypeerd als een roofstaat. Denk bijvoorbeeld aan het boek van Ewald Vanvugt Roofstaat – Wat iedere Nederlander moet weten. Vanvugt ontleende zijn titel aan Max Havelaar (1860) van Multatuli: ‘er ligt een roofstaat aan de zee, tusschen Oostfriesland en de Schelde!’

    Bosman typeert de prins als een man die niet onderschat mag worden: ‘Hij mag dan geen koning zijn maar vergis je niet. Zijn wil is uit beton gegoten. Dwing hem op de knieën en hij staat gewoon weer op. Hij blijft loeren op zijn kans, als een roofdier op zijn  prooi – om dan ineens, ratsj, toe te slaan. […] De prins is een staatsman, legerleider en diplomaat tegelijk. Meer een politicus dan een vorst.’

    Bosmans conclusie uit de epiloog: ‘Iedere suggestie dat de prins een kroon heeft geroofd ligt buiten de werkelijkheid. De Engelsen hebben het zelf gedaan.’

    Verhalen vertellen
    Op zijn website schrijft Bosman: ‘Mijn benadering van geschiedenis is tamelijk ouderwets. Ik wil verhalen vertellen: van koningen en prinsen, van dienstmeiden en knechten, van liefde, trouw, dood en verraad – in een veranderende wereld van vooruitgang en verval.’

    De Roofkoning is zo’n verhaal over koningen en prinsen. Bosman heeft gebroken met de gewoonte om naar historische vorsten met hun voornaam te verwijzen. ‘Koningen zijn koningen, prinsen zijn prinsen en pausen zijn pausen.’ Hij wil recht doen aan hun positie en de afstand creëren die destijds een gegeven was.

    Het creëren van afstand en de lezer meenemen in een spannend historisch verhaal blijkt een lastige combinatie. Als Bosman schrijft over ‘de koning’ is vaak niet duidelijk over welke koning het gaat. De verwarring wordt vergroot door meerdere sprongen in de tijd. Bosman begint met de geboorte van het koningskind. In een later hoofdstuk moet dat nog geboren worden. Dan is het opeens twintig jaar eerder, nóg twintig jaar eerder,  daarna twee jaar later. Van 1688 naar 1660, het jaar waarin de hertog van York zich bekeert tot het katholicisme. Verder terug in de tijd, naar 1647: de hertog van York vlucht op vijftienjarige leeftijd naar Zeeland. En dan is het weer twee jaar later: ‘In 1649 rolt de kop van de koning over het schavot’. Welke koning is dat? De lezer stapt duizelig uit de draaimolen van de tijd.

    Enthousiasme
    Bosman citeert altijd op basis van een of meerdere bronnen. Hij maakt hierbij weloverwogen keuzes.: ‘Citaten heb ik naar mijn hand gezet zonder de strekking ervan geweld aan te doen, en voorzover mogelijk naar de bron herleid.’ Dat werkt goed in dit boek, al zijn er ook enkele hoofdstukken die voor de voortgang van het verhaal minder relevant zijn. Bijvoorbeeld de anekdotes over de ouders van James II.

    Bosman is een prima verhalenverteller. De geschiedenis van Willem III en James II heeft hij op een boeiende manier verbeeld. Wat vooral naar voren komt uit het boek is dat Willem III een meester was in het manipuleren van de publieke opinie in Engeland en in Nederland. Daarvoor gebruikte hij pamfletten, declaraties en schotschriften.

    De Roofkoning heeft enkele tekortkomingen, maar Bosmans enthousiasme maakt veel goed.

    Machiel Bosman (1972) studeerde Engels, psychologie en geschiedenis. Hij promoveerde in 2006. Zijn proefschrift is in boekvorm verschenen: Het weeshuis van Culemborg 1560-1952. Voor zijn tweede boek, Elisabeth de Flines, werd hij in 2008 genomineerd voor de Libris Geschiedenis Prijs en de AKO Literatuurprijs.

     

  • Mooie vertaling in lijn met het origineel

    Mooie vertaling in lijn met het origineel

    De abdij van Northanger is niet het bekendste boek van Jane Austen (1775-1817), dat is ongetwijfeld Trots en vooroordeel. Het eerstgenoemde verhaal, dat nu opnieuw is vertaald door Bas Peeters, gaat over de naïeve jonge vrouw Catherine Morland die een tijd in het kuuroord Bath verblijft en daar verliefd raakt op een rijke jongeman, Henry Tilney, en tevens vriendschappen aangaat met andere jonge mensen. Uiteindelijk komt Catherine terecht op het landgoed van de vader van haar vlam, waar de omgebouwde abdij van Northanger zich bevindt, waarin het moederloze gezin Tilney woont.

    Historische romans geven vaak een beeld van de mentaliteit van een tijdperk. Dit geldt extra sterk voor boeken die niet als historische romans geschreven zijn, maar die een impressie geven van hoe het in de tijd waarin ze verschenen eraan toe ging, in dit geval de periode rond 1800. Dergelijke boeken zijn voor mentaliteitshistorici een vruchtbare bron. De abdij van Northanger is vooral daarom een boeiend boek. De lezer krijgt een beeld van het leven van de beter gesitueerden en inzicht in hoe partnerkeuze op basis van welgesteldheid geschiedde.
    Het thema van jonge ontluikende liefde en de onzekerheden die daarbij horen, is universeel, maar tegelijkertijd is er sprake van een duidelijke historische gesitueerdheid van de gebeurtenissen. Opvallend in het boek is vooral dat het dienstdoend personeel nauwelijks een rol speelt, dat wordt blijkbaar niet interessant geacht. Hiermee verschilt het in benadering van een televisieserie als Downton Abbey, die een eeuw later speelt, en waarin het personeel wel van belang is. Dat laatste is meer een weerspiegeling van de mening uit het heden, waaruit deze serie stamt, dan dat de destijds heersende mentaliteit eruit naar voren komt.

    Het gegeven dat de personages in De abdij van Northanger romans lezen, een genre dat destijds niet bij iedereen hoog aangeschreven stond, zegt iets over de verandering in leescultuur in de beschreven periode. Henry voelt Catherines fascinatie voor lezen aan en betoont zich een ontwikkelde man die ook haar aandacht vestigt op het pittoreske in het landschap. In de tijd waarin Austen haar boek schreef was er een ‘picturesque cult‘ in opkomst in Europa, waarmee weer duidelijk wordt dat fictie de mentaliteit van een tijdperk inzichtelijk kan maken.

    De abdij van Northanger biedt een inkijkje in man/vrouw verhoudingen uit het verleden. Jonge vrouwen uit de bovenklassen waren vooral bezig met het zoeken van een geschikte man met een vermogen om mee te trouwen. Geërfde bezittingen, meer dan persoonlijke verdiensten, waren aantrekkelijk in een man. Toch is Catherines fascinatie voor Henry Tilney ook voor hedendaagse lezers voldoende invoelbaar. Henry wordt als ‘geheimzinnig’ omschreven: ‘Dat soort geheimzinnigheid, dat altijd zo aantrekkelijk is in een held, gaf in Catherines fantasie nieuwe charme aan zijn persoon en optreden, en vergrootte haar verlangen om meer van hem te weten.’ (33) Het thema van de mysterieuze man komt nog altijd veel voor in romantische fictie. Dit type man is niet lief en onschadelijk, maar diens karakter heeft een scherp kantje dat hem aantrekkelijk zou maken. Zo zegt Henry op gegeven moment tegen zijn zus en Catherine: ‘Ik vind het onverdraaglijk dat sommigen van mijn seksegenoten zich niet verwaardigen om soms af te dalen tot jullie denkniveau. Misschien is het denken van vrouwen wel niet zo logisch of scherp- niet zo krachtig of indringend. Misschien missen ze wel opmerkingsgave, onderscheidingsvermogen, oordeel, vuur, genialiteit en esprit.’ (119)

    Ook uit de andere dialogen komt Austens visie op de relatie tussen mannen en vrouwen pregnant naar voren. Zo lezen we de volgende passage:

    Mijn hart, werkelijk! Wat kan mijn hart u nou schelen? Jullie mannen hebben geen van allen een hart.’
    ‘Als we dan geen hart hebben, we hebben wel ogen, en die kwellen ons al genoeg.’
    ‘Doen ze dat? Dat spijt me; het spijt me dat ze zoiets onaangenaams in me ontdekken. Ik zal een andere kant opkijken. Ik hoop dat u zo tevreden bent,’ (hem de rug toekerend) ‘ik hoop dat uw ogen nu niet meer gekweld worden.’
    ‘Meer dan ooit, want de rand van een blozende wang is nog te zien- tegelijk te veel en te weinig.’ (152-153)

    Jane Austen schrijft fijntjes ironisch en vestigt de aandacht op het gegeven dat zij de vertelster is van fictie, waarmee ze de lezers soms uit de fictionele droom laat ontwaken. De achterflap van het boek belooft: ‘een pastiche op de gothic novel.’ Die pastiche biedt dit boek echter niet of nauwelijks. Er wordt in enkele passages spanning gesuggereerd, maar de hedendaagse verwende fictievolger heeft misschien meer behoefte aan wat actie en geweld. Een ‘gothic novel’, of een parodie daarop, is dit boek niet, daarvoor gebeurt er te weinig en zijn de ironische ‘gothic’ passages te spaarzaam. In die zin doet het boek denken aan de Kuifjestrip De juwelen van Bianca Castafiore waarin wel spanning gesuggereerd wordt, maar waarin goed beschouwd niet veel aan de hand is.

    Bas Peeters’ vertaling leest vlot. Het begin van hoofdstuk 6, waarin Catherines ontluikende vriendschap met Isabella Thorpe wordt beschreven, luidt in zijn vertaling zo: ‘De volgende conversatie, die op een ochtend in de Pump Room plaatsvond tussen de twee vriendinnen, toen ze elkaar acht of negen dagen kenden, dient als voorbeeld van hun zeer warme vriendschap, en van de fijngevoeligheid, tact, oorspronkelijke gedachten en literaire smaak die de redelijkheid van die vriendschap kenmerkten. Ze hadden afgesproken, en omdat Isabella bijna vijf minuten na haar vriendin arriveerde begon ze vanzelfsprekend met: ‘Mijn liefste schat, wat heeft je toch zo opgehouden? Ik wacht al een eeuw op je.’ (37)
    Een eerdere vertaling uit de jaren vijftig van het boek door Jean H.P. Jacobs luidt heel anders: ‘Op een morgen, ongeveer een dag of acht na hun kennismaking, hadden Catherine en Isabelle afgesproken elkander te ontmoeten in het Kurhotel. Isabelle was er vijf minuten eerder dan haar vriendin en zij begroette haar met de volgende woorden: ‘Waar heb jij uitgehangen? Ik zit hier al een eeuw op je te wachten.’ (‘Heldin op hol’, 27)
    Een blik op het origineel leert dat Peeters’ vertaling die van Austen veel dichter benadert. Juist in de passage waarin de conversatie tussen de twee vriendinnen wordt geschetst ‘as specimen of their warm attachment, and of the delicacy, discretion, originality of thought, and literary taste which marked the reasonableness of that attachment’ toont Austen haar literaire benadering en het is daarom essentieel dat een dergelijke passage niet geschrapt wordt, wat Jacobs heeft gemeend te moeten doen.

    De abdij van Northanger is een boek dat wel en niet bij de huidige tijdgeest past. Voor de liefhebber van thrillers of actiefilms is deze roman saai. Maar juist in de huidige jachtige tijd gaan veel mensen in fictie op zoek naar uitingen die een ander levensritme ademen. Men is dan op zoek naar escapisme of compensatie voor het trauma dat het leven in het heden voor veel mensen is.


    De abdij van Northanger

    Auteur: Jane Austen,
    Vertaald door: Bas Peeters
    Aantal pagina’s: 272
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep
    Prijs: € 19,99

  • Verzwegen geschiedenis onontkoombaar verteld

    Verzwegen geschiedenis onontkoombaar verteld

    Elk jaar op 1 juli wordt bij het Nationaal Monument Slavernijverleden in het Oosterpark in Amsterdam een herdenkingsbijeenkomst gehouden. Die datum is niet toevallig. Op 1 juli 1863 werd door Nederland de slavernij afgeschaft. In Suriname en de Nederlandse Antillen wel te verstaan. Op 1 januari 1860 was dat in Nederlands-Indië al gebeurd. Maar dat lijkt vergeten en daarmee ook het feit dat slavernij in Indië voorkwam. De canon van Nederland die in 2006 door de Commissie-Van Oostrum werd gepubliceerd wijdt een venster aan de slavernij, maar doet alsof daarvan alleen in de West sprake was.

    Voor de lezer van Daar werd wat gruwelijks verricht van Reggie Baay groeit per hoofdstuk de verbazing over die omissie. Slavernij kwam ook voor in Indië met alle vernederingen en misbruik die we elders tegenkomen. De handel in slaven was daar waarschijnlijk zelfs omvangrijker, becijfert Baay, dan in de West, waar het gebruik ervan waarschijnlijk groter was.

    Reggie Baay, die al vaak publiceerde over het koloniale verleden in Indië, heeft het slavernijverleden in de voormalige kolonie op een bewonderenswaardige manier in kaart gebracht. In zijn poging om de slaven zelf aan het woord te laten kwam hij, bij zeldzaam toeval, welgeteld één persoonlijk document op het spoor: een late herinnering van een slavenkind dat het geluk had in Nederland terecht te komen. Voor het overige moest hij zich verlaten op rechtszaken waarin slaven en slaveneigenaars getuigden. Baay realiseert zich terdege dat die verslagen een vertekend beeld geven. Er kwamen immers alleen misstanden op tafel. Het enige persoonlijke relaas dat hij vond liet zien dat een slaaf ook wel eens (redelijk) goed werd behandeld. Maar uit de voorbeelden die Baay analyseert krijg je toch een overheersend beeld dat niet optimistisch stemt. Het verweer van een slaaf werd vrijwel nooit geloofd; de eigenaar kreeg bijna per definitie gelijk. De stem van de slaaf in de rechtszaken was daarmee een wanhoopskreet die niet werd gehoord.

    Voor de beschrijving van de geschiedenis van de slavernij in Indië had Baay natuurlijk meer bronnen dan de persoonlijke getuigenissen uit de rechtszaken: de archieven van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, kamerstukken, onderzoeken, politieke geschriften enzovoort. Het verhaal dat daarop uitrijst is al evenmin iets om trots op terug te kijken. De slavernij waarover het hier gaat, werd ingevoerd door de VOC. In eerste instantie werden inlandse mannen en vrouwen als goedkope en rechtenloze krachten ingezet voor werk aan infrastructuur en bedrijvigheid, maar al snel werd er een inkomstenbron in gezien. De VOC kocht de slaven elders goedkoop op slavenmarkten en verhandelde ze voor vele malen de aanschafprijs op de eigen markt in Batavia. Maar de VOC maakte ook gevangenen tot slaaf. Dat kostte helemaal niets. Vervolgens verrichtten zij als onbetaalde krachten werk voor de VOC of kwamen in dienst van particulieren die op hun beurt weer aan de VOC belasting afdroegen voor elke slaaf die ze bezaten.

    Na het failliet van de Compagnie gingen alle rechten over op de Nederlandse staat. Die zette de slavernij op dezelfde voet voort. Misschien nog wel hardnekkiger. Want terwijl overal in Europa de verlichte ideeën van vrijheid, gelijkheid en broederschap opgeld deden, bleef Nederland vasthouden aan politiek conservatisme en financieel gewin. Tekenend is dat Nederland achteraan kwam in de rij van moderne staten die wettelijk een einde maakten aan de slavernij. Voor Indië trad die wetgeving in op 1 januari 1860. Twaalf jaar na Engeland en zeven jaar na Frankrijk. Maar zelfs toen die afschaffing er formeel was, ging de slavernij gewoon door. Voorzover het geen slavernij meer werd genoemd kwamen er het cultuurstelsel en de koeliecontracten die volgens Baay personeel hetzelfde behandelden en dus in wezen de slavernij continueerden. Steeds opnieuw had de Nederlandse regering, ondanks voorvechters als Van Hogendorp en Van Hoevell die er schande van spraken, bedenkingen om de afschaffing van de slavernij daadwerkelijk uit te voeren. Dat waren politieke (de angst dat de vrijgekomen slaven in opstand zouden komen tegen het koloniale gezag), maar vooral financiële bedenkingen: de slaveneigenaars moesten een vergoeding krijgen voor de vrijlating van hun slaven en dat drukte te zwaar op de staatsbegroting. Baay haalt diverse voorbeelden aan waaruit blijkt dat de Nederlandse regering zich tot diep in de 20ste eeuw (dus ruim 50 jaar na de formele afschaffing) nog altijd schuldig maakte aan het toedekken van kwalijke praktijken van slavenhouders.

    Overigens werden de slaven zelf, nadat ze waren ‘vrijgemaakt’ aan hun lot overgelaten. Het kleinste beetje bescherming dat ze genoten hadden in de vorm van onderdak, eten en kleding raakten ze met hun vrijlating kwijt zonder ook maar enige compensatie.

    Vooral in hoofdstuk 3 (Een slavenleven in de Oost) geeft Baay schrijnende voorbeelden van slaven die op de meest grove wijze werden mishandeld (geseling, afhakken van lichaamsdelen, doorboringen, radbraken) na een veroordeling. Een dergelijk vonnis kon al worden uitgesproken wegens zogenaamde onwilligheid of verdenkingen van onoorbaar gedrag. De VOC zorgde er ook in die rechtszaken voor in elk geval zelf geen schade te lijden, want de proceskosten én de kosten van de uitvoering van de straf kwamen voor rekening van de eigenaar van de slaaf.

    Dat roept trouwens een vraag op die Baay in zijn boek niet stelt: hoe betrouwbaar zijn de gegevens uit de rechtszaken voor het totaalbeeld van de bestraffing? Kunnen veel eigenaars een procesgang niet hebben gefrustreerd uit vrees voor de kosten? Ze verloren immers een arbeidskracht (die op de markt wellicht nog te slijten was) én ze draaiden voor de proces- en executiekosten op. Hoeveel eigenaars zullen om die reden voor eigen rechter hebben gespeeld?

    Uiteindelijk wil Baay met zijn boek opkomen voor de erkenning van een geschiedenis die goeddeels veronachtzaamd lijkt te zijn: die van de slavernij in Indië. Een bijzonder interessante vraag, waarbij hij in zijn laatste hoofdstuk stil staat, is hoe die geschiedenis vergeten kón worden. Daarop heeft hij aansprekende antwoorden. Eén daarvan is dat wij een romantisch beeld koesteren van vriendelijke baboes in plaats van huisslavinnen; een andere reden is dat de nakomelingen van slaven uit de West zich onderscheiden doordat hun ouders van een ander continent (Afrika) werden ingevoerd naar Suriname en de Antillen. Ze vielen daardoor fysiek op en veel van hun kinderen kwamen naar Nederland en vertelden de geschiedenis van hun slavernijverleden door. Zo niet de afstammelingen van slaven in Indië. Die waren even oosters als de vrijen in het land waar ze werden uitgebuit. Toen ze eenmaal van hun slavenbestaan waren verlost konden ze in eigen land weer onopvallend opgaan in het volk.

    Baay levert met Daar werd wat gruwelijks verricht een belangrijke bijdrage aan een geschiedenis die lange tijd liever werd benoemd als Daar werd wat groots verricht. Daarop kwamen al decennia geleden de eerste smetten doordat steeds meer duidelijk werd over het gedrag van Nederland tijdens de politionele acties en doordat we openlijk durfden te kijken naar de zwarte kanten van de ooit verheerlijkte Jan Pietersz Coen. Baay heeft een belangrijke aanvulling op die correcties geleverd. Het is van belang dat we daar naar durven kijken.

    Lezen dus, dit boek!

     

     

     

  • Dichter bij Ovidius

    Dichter bij Ovidius

    In het droge zand onder het afdakje bij de voordeur zaten ronde kuiltjes van ongeveer twee centimeter wijd en een centimeter diep. Mierenleeuwen. Vlak onder het diepste punt van zo’n kuiltje zit een klein afzichtelijk monstertje met enorme kaken. Het wacht en wacht tot een mier de kuil inloopt en uitglijdt. Voor het uitglijden zorgt het monstertje wel, want het gooit met zand en zorgt dat er een kleine aardverschuiving in de kuil plaatsvindt. De mier eindigt in de kaken op de bodem van de kuil.

    Het merkwaardige is dat het monstertje een larve is, een alles behalve onschuldig jong. Als het zijn best doet in roofzuchtigheid verandert het uiteindelijk van gedaante in een vrij elegant insect, dat aan een waterjuffer doet denken. Weg zijn dan het ronde achterlijf dat vol haren zit en verdwenen zijn de reusachtige kaken. Het monstertje is veranderd in een lang-vleugelig insect met een veel vriendelijker voorkomen.

    Gedaanteverwisselingen zijn even mysterieus als intrigerend. Ze benadrukken het idee dat er meer is dan gedaante alleen. Want als dier of mens van gedaante wisselt dan kan het toch bijna niet anders of er blijft ook iets onveranderd? De rups die in een vlinder verandert is nog steeds hetzelfde dier. Als het uiterlijk veranderd is dan moet ten minste het innerlijk hetzelfde gebleven zijn, ben je geneigd te denken.

    Het lijkt er soms op dat gedaanteverwisselingen tegenwoordig voorbehouden zijn aan insecten en amfibieën. Mensen veranderen tegenwoordig alleen nog van gedaante door dik of oud te worden of mee te doen aan TV-programma’s die een complete ‘make over’ beloven. Vroeger was dat anders. In antieke tijden veranderden stenen met speels gemak in mensen, goden in stieren, nymphen in bomen, mensen in bloemen, spinnen en zwanen, en keizers werden na hun dood even gemakkelijk goden als rupsen tegenwoordig uitgroeien tot vlinders.

    Publius Ovidius Naso, beter bekend als Ovidius, schreef in de eerste eeuw van onze jaartelling een even duizelingwekkend als prachtig boek, Metamorphosen, waarin verhalen over gedaanteverwisseling en verandering over elkaar heen buitelen. Alles lijkt te bewegen in dit klassieke meesterwerk waarin de geschiedenis van de aarde, van de eerste dagen tot de tijd van Augustus, verteld wordt alsof het een levend tapijt betreft waarin elke draad een verhaal verbeeldt.

    Precies twintig jaar geleden, in 1993, verscheen de indrukwekkende vertaling van de Metamorphosen door Marietje d’Hane-Scheltema, vreemd genoeg de eerste Nederlandse vertaling sinds die van Vondel uit 1673. Misschien om het twintig jarig bestaan van deze vertaling te vieren is nu Alles altijd anders, Over Ovidius verschenen. Een klein boek dat lezers van Ovidius dichter bij de auteur en zijn werk, met name de Metamorphosen, moet brengen.

    In korte hoofdstukken die alles behalve dor en droog zijn wordt niet alleen Ovidius’ leven besproken, maar ook de context, de structuur en de ontwikkeling van zijn werk. Daarbij ligt de nadruk op de Metamorphosen maar ook zijn liefdespoëzie en zijn minder bekende teksten komen aan de orde. In een appendix wordt zelfs een uiterst merkwaardig fragment over de make up van vrouwen weergegeven.

    Ovidius zal altijd wel een mysterie blijven, al probeert d’Hane-Scheltema hem zelfs door middel van een fictief dagboek tot leven te wekken. Bekend is dat hij succesvol liefdespoëzie schreef, in de hoogste kringen verkeerde en met zijn gedichten de wrevel opwekte van Rome’s eerste keizer Augustus. In de tijd dat hij de Metamorphosen schreef, beging hij een beroemd geworden ‘misstap’ al is nooit duidelijk geworden wat hij daarmee bedoelde. Het gevolg was wel dat hij door Augustus werd verbannen naar het troosteloze Tomis, in het huidige Roemenië. De omstandigheden van deze verbanning zijn zo onduidelijk dat sommigen geloven dat de auteur alles verzonnen heeft en dat de Tristia (treurzangen) die hij als banneling schreef gezien moeten worden als een practical joke. Deze gedachte doet enigszins denken aan de stelling dat de Odyssee in Zeeland heeft plaatsgevonden en gelukkig gaat d’Hane-Scheltema er niet in mee.

    Toch geeft het idee van een verzonnen verbanning aan hoe speels Ovidius is en hoezeer hij afwijkt van andere Latijnse auteurs als Horatius en Vergilius. Die speelsheid zal ook de verklaring zijn waarom in de achttiende en negentiende eeuw Ovidius’ populariteit iets afnam. Zijn werk was niet serieus genoeg en voldeed niet aan de norm van ‘nobele eenvoud en strenge grandeur’ die veel liefhebbers van de klassieke oudheid als ideaal zagen. Het zal ook een deel van de verklaring zijn voor het feit dat het zo lang moest duren voordat er in het Nederlands een nieuwe vertaling van de Metamorphosen verscheen.

    In Alles altijd anders laat d’Hane-Scheltema zien dat het speelse karakter van Ovidius zich niet alleen beperkt tot zijn onderwerpen maar ook tot de vorm. Zo heeft de Metamorphosen elementen van een leerdicht maar ook van een epos en uiteindelijk is het werk te veranderlijk om zich rustig in een hokje te laten stoppen. Bovendien is de Metamorphosen strikt genomen een verzameling oude verhalen, maar het verrassende is nu juist dat het geheel een alles behalve oude, starre indruk maakt. d’Hane-Scheltema laat zien hoe Ovidius de oude Griekse verhalen nieuw leven inblaast door ze soms rigoureus aan te passen, hoe hij nadruk op zaken legt die van oorsprong onbelangrijk of minder belangrijk waren, en vooral hoe het ene verhaal het andere voortbrengt, spiegelt of becommentarieert.

    De Metamorphosen is een werk dat zoveel beweging in zich heeft, zo weet te betoveren en zo geraffineerd in elkaar zit dat het plezierig is als iemand met kennis van zaken individuele draden uit het geweven tapijt aanwijst en de grote structuur ontrafelt. Dat doet d’Hane-Schelema voorbeeldig. In een radio interview in VPRO’s Avonden gaf ze aan dat de aanleiding voor dit boek een aantal lezingen waren die zij voor geïnteresseerde lezers hield. De hoofdstukken in Alles altijd anders verraden dan ook de opzet van een lezing. Het geheel maakt mede daardoor een overzichtelijke en plezierig leesbare indruk.

    Desondanks is Alles altijd anders niet een boek dat gelezen kan worden als inleiding tot het werk van Ovidius of de Metamorphosen. Daarvoor wordt te gedetailleerd ingegaan op bepaalde passages van het werk. Maar voor iedereen die de Metamorphosen ooit een keer heeft gelezen, hoe lang geleden ook, vormt het een prachtige aanleiding tot herlezen en verwondering.

    De Metamorphosen is een merkwaardig werk over verandering en gedaanteverwisseling dat uiteindelijk zijn eigen analyse bevat door de Griekse filosoof Pythagoras op te voeren. Zijn idee van zielsverhuizing, het geloof dat iedere ziel in andere gedaanten terugkeert, vormt een prachtig sluitstuk, net als overigens in Alles altijd anders. Na het lezen van d’Hane-Scheltema wordt het plotseling duidelijk waarom Pythagoras het eten van dieren en het verwijderen van zwaluwnesten onder daken verbood. Op een dag zijn wij het namelijk zelf die de gedaante van dieren aannemen, want ‘niets vergaat, alles verandert’. Op die manier bezien zijn de mierenleeuwen bij de voordeur nog wonderlijker dan al gedacht.

     

     

  • Hoe de duivel verdween uit de artsenkamer

    Hoe de duivel verdween uit de artsenkamer

    Op pagina 142 van De onttovering van de waanzin staat een zin die kenmerkend is voor de manier waarop schrijver Marius Engelbrecht vertelt. Hij citeert William Harvey, in 1613 de ontdekker van de bloedsomloop, en komt daarna met zijn eigen vaststelling: ‘“I begun to think whether there might not be A MOTION, AS IT WERE, IN A CIRCLE”. Bij die zin stort de oude menskunde in en begint een nieuwe’.

    Dat suggereert dat de ontdekking de wereld van de ene dag op de andere op zijn kop zette. Toch laat Engelbrecht haarscherp zien dat, zoals veel wetenschappelijke ontdekkingen, ook deze wel revolutionaire gevolgen had, maar geen revolutie was die zich in één klap voltrok. In retrospectief blijken er wegbereiders te zijn geweest en voor de ontdekker zelf geldt dat hij zich de reikwijdte van zijn vondst niet ten volle realiseerde. Het waren weer anderen die de implicaties blootlegden.

    De tekst op pagina 142 illustreert dan ook hoe Engelbrecht schrijft. Natuurlijk weet hij dat de menskunde niet van de ene dag op de andere instortte toen Harvey via een experiment op zijn eigen lichaam ontdekte dat het bloed in ons lichaam wordt rondgepompt. Zijn toevoeging aan Harvey’s citaat is dan ook meer bedoeld om de schwung in het verhaal te houden. Dat doet Engelbrecht terecht. De niet altijd eenvoudige materie wordt onder zijn handen zeer leesbaar doordat hij die spannend weet te brengen. Daar draagt ook aan bij dat hij oog heeft voor details die duidelijk maken in wat voor wereld de wetenschap zich destijds (we hebben het grofweg over de periode van 1600 tot 1800) ontwikkelde. Hoe leuk is het bijvoorbeeld niet om terloops te lezen dat de experimenteel wetenschapper Kenelm Digby (1603-1665) edelman, ridder en koninklijk adviseur was, maar ook wonderdokter en piraat en dat hij één van zijn boeken schreef in de gevangenis.
    Daarnaast neemt Engelbrecht de lezer ook nog eens zorgvuldig bij de hand door regelmatig aan te kondigen wat hij gaat behandelen en waarom.

    Dat is nodig, want wij kunnen ons als 21ste-eeuwers nauwelijks voorstellen hoe wetenschappers destijds hekserij en duiveluitdrijvingen konden bestuderen als reële verschijnselen. Duivels en kwade geesten waren voor hen werkelijk bestaande fenomenen die de waanzin in de mens konden ‘toveren’. Engelbrecht overtuigt ons er al snel van dat we de denkwereld van destijds niet serieus nemen als we dit soort zaken afdoen als bijgeloof. Wat men toen wist bepaalde het toenmalige mensbeeld. De medische wetenschap – en daarover gaat het boek natuurlijk vooral – was gebaseerd op de onaantastbare kennis die al sinds de Griek Hippocrates en de Romein Galenus geldend was. Als men nieuwe ervaringen opdeed was alle energie er op gericht die zo te kunnen verklaren dat ze pasten in het aloude schema. Ook daarom is het citaat van Harvey zo kenmerkend. Niet het experiment op zichzelf was doorslaggevend, maar zijn gedachteomslag daarvóór: eeuwenlang was gedacht dat de lichaamssappen (bloed, lymfe, gele gal en zwarte gal) die het temperament van de mens uitmaken, naar het hart stroomden langs dezelfde ader waardoor ze ook weer de terugweg maakten. Dat wierp een aantal vragen op, zoals de kwestie hoe het bloed dan van de ene hartkamer in de andere kon komen. Daar staat immers, zo stond toen vast, een ondoordringbaar schot tussen. De revolutionaire gedachteomslag van Harvey was dat hij die eeuwenoude opvatting durfde te betwijfelen: stel nou eens dat de beweging niet heen en terug langs dezelfde weg gaat, maar in een cirkelbeweging!

    De repercussies van de ontdekking van Harvey waren van grote invloed op het denken over waanzin. De vondst van Harvey leidde tot de bestudering van de functie van het hart en van het bloed en geleidelijk tot een andere kijk op lichaam en geest. Daar droegen andere wetenschappers aan bij, zoals Bacon, Hobbes, Descartes en Willis, met hun kijk op het denken en bedrijven van wetenschap. Zij zorgden voor een veranderend mensbeeld waarin de behandeling van een behekst iemand niet meer hoefde te worden gezocht in bezwering van krachten van buiten die in de mens slopen. Genezing zat hem dan ook niet in uitdrijving van de duivel of verbranding van degene die anderen behekste. Waanzin bleek niet te worden veroorzaakt door vervuiling van de lichaamssappen of verkeerde stromingen daarvan in de aders. En al evenmin door een baarmoeder die in onrust door het lichaam ging zwerven bij gebrek aan zaadtoevoer. Het nieuwe mensbeeld opende de ogen voor de geest en de ziel als een eigen entiteit die ziek kon zijn als het lichaam zelf dat niet was en daarom een andere behandeling nodig had. Het waren de eerste schreden op weg naar de psychologie en aanverwante wetenschappen.

    Engelbrecht noemt het ‘misschien verrassend’ dat ook de theologie erg heeft bijgedragen aan de onttovering van de waanzin. Door magie, occultisme en volksgeloof (in heksen en geesten) als bijgeloof te classificeren, hoorden dezen daarmee niet (meer) tot de wereld van het bovennatuurlijke die door de theologie werd bestudeerd. De onttovering kwam dan ook niet alleen op conto van de wetenschap, maar was evenzeer een wisselwerking met maatschappelijke ontwikkelingen en juridische (hoe bewees je dat iemand een heks was?) en theologische factoren.

    De onttovering van de ziel, zoals hier besproken is een bewerking van het gelijknamige proefschrift van Engelbrecht uit 2011. Dat is gaandeweg steeds meer te merken als de auteur in zijn behoefte om de standpunten van de verschillende onderzoekers zo zorgvuldig mogelijk te verwoorden zijn toevlucht zoekt in vérgaande nuanceringen en uitweidingen. Daarmee stuurt hij de belangstellende leek soms een bos in dat door de overbegroeiing niet meer als zodanig te herkennen is. Maar boeiende materie blijft het.

     

     

  • Geluk torsen we als een last

    Geluk torsen we als een last

    Wie van Sereen van Ahmet Hamdi Tanpinar in al zijn gelaagdheid wil genieten, doet er misschien goed aan eerst het nawoord van vertaalster Hanneke van der Heijden te lezen. Belangrijk is dat Tanpinar zijn verhaal al schreef in 1948. Hij situeerde het in 1939, toen Europa doortrokken was van de dreiging van de Tweede Wereldoorlog. Bijna 20 jaar eerder was Turkije onder Atatürk een seculiere republiek geworden met als één van de belangrijke pijlers de vervanging van het Arabische alfabet door het Latijnse en een daarmee gepaard gaande oriëntatie op West-Europa. Die vervanging betekende dat het jonge nieuwe Turkije vervreemde van zijn (literaire) wortels. Steeds meer mensen konden het Arabisch immers niet meer lezen. En wat viel er nu in 1939 te verwachten van het Westen dat op instorten stond?
    Sereen is doortrokken van die existentiële onzekerheid.

    De eerste kennismaking van Nederland met Tanpinar (1901-1962) was er in 2009 toen hier zijn Klokkengelijkzetinstituut verscheen. Die roman was ook al een zoektocht naar de Turkse geschiedenis, maar wie aan die achtergrond geen boodschap had, kon het boek ook ten zeerste genieten als een scherpe satire op het najagen van luchtbellen en de manier waarop mensen luchtkastelen weten te verkopen. In Sereen is er daarentegen geen pagina waarop je aan de verwarring over de Turkse identiteit kunt ontsnappen. Het verhaal van de geliefden Mümtaz en Nuran is in alles vervuld van het wankelen tussen een dierbaar verleden en een onzekere toekomst. Zie bijvoorbeeld hoe Tanpinar bijna achteloos een eenvoudige scène van het echtpaar Sabih (altijd maar kranten lezend) en Adile inzet als beeld voor het wankele Turkije en de dreigende oorlog:

    Adile liep maar zelden op straat zonder op haar man te leunen (…); ook nu liepen ze gearmd. In zijn andere hand droeg Sabih het pak kranten. Als wilde hij het gewicht van Adile, die zwaar aan één kant hing, compenseren met de toestand in de wereld.

    Tanpinar bouwde zijn epos rond vier hoofdpersonen, die elk één van de vier delen van het boek vormen. Allereerst Mümtaz, de geschiedenisleraar, die bezig is een boek te schrijven over de in Turkije zeer gewaardeerde sjeik Galip. Sinds de dood van zijn vader en moeder woont Mümtaz in bij zijn neef Ishan en diens vrouw Macide. Dan is er Ishan zelf, die voor Mümtaz is als een broer. Hij en zijn vrouw zijn voor hem een bron van wijsheid en warmte. Ishan is op de dag waarop de roman aanvangt, ernstig ziek en Mümtaz wordt er op uit gestuurd om medicijnen, en later een dokter, te halen. Met dat doel wandelend door de straten van Istanbul herbeleeft hij zijn kortstondige relatie met Nuran. Hij heeft haar een jaar eerder ontmoet, juist toen zij scheidde van haar man Fâhir, bij wie ze een dochter Fatma heeft. Tenslotte is er Suat, familie van Mümtaz. Hij is opgenomen in een sanatorium en is eveneens verliefd op Nuran.

    Tot een huwelijk tussen Mümtaz en Nuran komt het niet: een paar dagen vóór ze zullen trouwen, besluit Nuran na een dramatische gebeurtenis in hun huis, terug te gaan naar Fâhir.
    Die breuk is daarvóór al voortdurend dreigend op de achtergrond aanwezig.

    Steeds als hij haar thuis afzette had hij het angstige gevoel dat dit de laatste keer was. Geluk was naar zijn idee datgene waar de menselijke ziel het slechts tegen was bestand – misschien omdat het geen superlatief heeft, omdat we verplicht zijn het te beleven zonder dat we onszelf uitstel kunnen geven. Door leed slaan we ons wel heen (…) Maar geluk torsen we als een last.’

    Suat, een kwelgeest voor Mümtaz, confronteert hem voortdurend met zijn onvermogen om gelukkig te zijn en in het hier en nu te leven. Hij activeert zijn angsten en daagt hem uit. Hij is zijn grootste vijand en tegelijk degene die hem het meest over zichzelf leert.
    In de hele roman weerspiegelen de tweestrijd van Mümtaz en zijn relatie met Nuran het lot van Turkije dat niet zonder zijn traditie en cultuur kan, maar ook niet kan kiezen voor de moderniteit van Europa. Oost en West zijn niet te verenigen in een sereen verband.
    Het is niet verwonderlijk dat de roman gesitueerd is in het deels op het Westen gerichte Istanbul en het traditionele landschap langs de Bosporus, waar de oude literatuur en vooral de nostalgische muziek nog dagelijks het leven doordringt. Voor Mümtaz is het zelfs ‘onmogelijk Istanbul, de Bosporus, de oude muziek, of de vrouw van wie hij hield, van elkaar te scheiden’. In talrijke gesprekken wordt de Westerse literatuur en muziek afgezet tegen de Turkse traditie, steeds met de onderliggende vraag hoe moeilijk het is die op zichzelf te waarderen, los van een onderlinge vergelijking. Zoals ook Mümtaz zich alsmaar de vraag stelt of zijn leven betekenis heeft door wat hij zelf is of door de invloed van Ishan, Suat en vooral Nuran, wier beeltenis hij na de scheiding maar niet kan loslaten.

    Tanpinar weet met die parallel tussen Istanbul en de Bosporus aan de ene kant en de verwikkelingen tussen Mümtaz en Nuran een knap gecomponeerd boek en diepzinnige verhandelingen over traditie, dood en lijden in de geschiedenis van individuen én een land te scheppen. Is er een goede balans, de sereniteit uit de titel, te vinden, is de vraag.

    De roman is niet altijd meeslepend, vooral niet als diep wordt ingegaan op de Turkse liedkunst en literatuur, maar wie geneigd mocht zijn bij die passages af te haken, ontzegt zich een groot leesplezier. Met prachtige beeldende beschrijvingen, zoals de wandeling van Mümtaz over de rommelmarkten van de stad waar oud en nieuw samenkomen en hem inspireren tot diepe gedachten. Of het gezicht op de Bosporus waar de vissers in hun met kleine lampjes verlichte bootjes spiegelend op het water hun avondlijke werk doen, door de auteur omschreven als ‘de lichtopera van de blauwbaarsvangst’.

    Tanpinar was een begenadigd schrijver die lezers zowel ten oosten als ten westen van de Bosporus nog altijd veel wijze overdenkingen te vertellen heeft.

     

    Sereen (2013)

    Auteur: Ahmet Hamdi Tanpinar
    Vertaald door: Hanneke van der Heijden
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2013
    Oorspronkelijke titel: Huzur (1948)
    Aantal pagina’s: 528
    Prijs: € 29,95

     

     

     

     

  • Voorbeeldig lezen, of tastend op zoek naar zin

    Voorbeeldig lezen, of tastend op zoek naar zin

     

    Wiel Kusters nam afgelopen voorjaar afscheid als hoogleraar letterkunde aan de universiteit van Maastricht. Daarmee sloot hij een literatuurwetenschappelijke carrière af die als eerste mijlpaal een proefschrift kende over een cyclus gedichten van Gerrit Kouwenaar. Nu verscheen een bundeling van artikelen over een breed scala aan schrijvers en dichters. Waaronder Kouwenaar, natuurlijk.

    De schrijver als Killer
    Kusters promoveerde in 1986 op een proefschrift over Kouwenaars gedichtencyclus ‘Weg/verdwenen’. Titel: De killer. Het was een hoogtepunt en in zekere zin eindpunt van de ergocentrische literatuurbenadering: de literaire tekst stond centraal en alleen zorgvuldige close-reading kon de geheimen ervan aan het licht brengen. De buitenwacht sprak vol ontzag (of sarcasme) over het aantal pagina’s geleerdheid per dichtregel van Kouwenaar. Enig afkeurend gemompel klonk op uit de academische gelederen. Niet omdat Kusters verdacht leesbaar was, maar omdat hij teksten ‘van buiten’ inzette ter verheldering. Bij voorbeeld krantenartikelen over de afbraak van de galerie van het Amsterdamse Paleis voor de Volksvlijt. En die waren van de hand van – o huiver – de vader van de dichter. Biografisme! Doodzonde! En het laatste hoofdstuk was gewijd aan de poetica (de literatuuropvatting) van Kouwenaar. Werd daar niet de weg terug van tekst naar schrijver ingeslagen? Afijn. Kusters promoveerde en de rest is geschiedenis. Hij publiceerde onverdroten leesbare artikelen die ontspannen omgingen met poëzie en publiceerde zelfs een biografie over Pierre Kemp. Enige maanden geleden nam hij afscheid als hoogleraar en verscheen een bundeling van negentien essays over proza en poëzie. Die waren tussen 1993 en 2009 gepubliceerd in literaire tijdschriften, in thematische bundelingen (´Oostende in de literatuur´, ´De Zuiderzee verbeeld´), in huldebundels (voor Fens en Brems), monografieën (over Bloem en Hermans) en zelfs in het Tijdschrift voor Geneeskunde en Ethiek.

    Tekst op de pijnbank
    De titel Dit nog, ook dit, ontleent Kusters aan een gedicht van Willem Frederik Hermans. Hij verwijst ongetwijfeld naar het verzamel-karakter van de bundel, maar ook naar Kusters’ manier van lezen: hij neemt de lezer stap voor stap mee door de tekst en wijst aan waar het gebeurt; waar de betekenis tot stand komt, waar aandacht vereist is, waar misverstanden loeren en waar verbanden liggen met andere teksten. Kusters interpreteert teksten van canonieke en klassiek-‘moeilijke’ auteurs (Kouwenaar, Hermans en Beurskens), maar ook de veel toegankelijker Aafjes, Hoornik en Elschot, vaak met verrassend resultaat.

    De bundel opent met een beschouwing over het verhaal ‘Maagpijn’ van Louis Paul Boon, dat hij op de pijnbank legt om het thema ´pijn´ nader te duiden. Daarna volgt een drietal samenhangende artikelen over W.F. Hermans, waarin Kusters diens wereldbeeld vol ‘chaos’ en ‘entropie’ verheldert aan de hand van Hermans’ (populair-)wetenschappelijke boek Erosie en zijn essay ‘Achter borden verboden Toegang’. De mens is niet het culminatiepunt van de schepping of evolutie, maar een restproduct, voortgekomen uit en levend op erosie, afval, puin. Onder die puinschil gaat een granietharde en strak geordende wereld schuil. Hermans’ mensbeeld, maar ook zijn obsessie met ´de pijl van de tijd´, – zie de roman De Heilige van de Horlogerie – krijgen er een dimensie bij. Kusters traceert dit thema in het gedicht ‘Gij zonne, sta stil’ en het verhaal ‘Samen naar Oostende’. De Hermans-artikelen vormen het beste van het boek, omdat ze niet alleen specifieke teksten verhelderen, maar nieuw licht werpen op Hermans’ oeuvre, waar de lezer ‘mee voort kan’.

    Tekst en leven
    Andere stukken zijn meer thematisch: over het motief van de huid als papier en het schrijven als aanraken (in gedichten van Vroman, Elburg, Gorter, Kemp en anderen); over sporen van Nijhoff in de poëzie van na de Tweede Wereldoorlog, of gedichten over het doorbreken van het doodsbesef bij kinderen (van Leeflang, Vroman, Van Duinkerken en Hoornik). Het zijn meer verkennende wandelingen dan expedities met nieuwe ontdekkingen. Kusters’ aanpak werkt beter als het terrein duidelijker wordt afgegrensd, zoals in zijn artikel over ´kinderen, gedichten en abortus bij M. Nijhoff´. Daarin mengt hij biografische gegevens in zijn interpretatie van ´Het steenen kindje´ en ´Het kind en ik´ en hij besluit met de voor ergocentristen opmerkelijke conclusie dat ‘het kind’ bij Nijhoff ook verwijst naar ‘een ambivalente binding met het kind in Nijhoffs praktische (of onpraktische) bestaan’. Daarover zou hij graag meer willen lezen in een biografie. Iets dergelijks doet hij bij de interpretatie van twee gedichten van Jan Hanlo, waar hij het thema ‘ anders’ zijn aanwijst, op te vatten als ‘een combinatie van kind en volwassene tegelijk’. Kusters verwijst vervolgens naar Hanlo’s ‘liefde voor kinderen’ – zijn pedofilie, – zonder dat helemaal duidelijk wordt wat de literatuurliefhebber daar mee moet.

    Rouw en cabaret
    Verrassend is Kusters in zijn stuk over ‘ Funeral Blues’ van W.H. Auden. U weet wel, dat aan gort geciteerde gedicht uit Four weddings and a funeral. Vooral op basis van de regel ‘I thought love would last for ever, it’s not true‘ veronderstelt Kusters dat dit niet gaat over een gestorven geliefde, maar om overspel. Hij trekt een parallel met een gedicht van Heine, en signaleert dat het eigenlijk een liedtekst betrof voor een varieté-artiste. Kortom: geen hooggestemd rouwbeklag, maar theatraal liefdesgejammer. Daarover valt te twisten. Maar Kusters tekst maakt in zijn betwistbaarheid duidelijk wat je in de andere stukken soms miste: een standpunt dat roept om instemming of tegenspraak. Of een bevinding die beklijft – zoals in de Hermans-stukken. Iets van de passie die Kusters er ooit toe bracht om mijngangen van duiding te hakken in de duisternis van Kouwenaars poëzie, had ook urgentie en smaak kunnen verlenen aan zijn beschouwingen. Te vaak blijft het bij ‘Dit nog, ook dit’.

     

  • De dualiteit van een spiegelbeeld

    De dualiteit van een spiegelbeeld

    Gerard Koolschijn, hoofdzakelijk bekend als vertaler van klassieke literatuur, heeft een autobiografische roman geschreven die aanvankelijk de niet concreet met de leer van Calvijn vertrouwde lezer ietwat in de war stuurt en op de proef stelt omwille van de waterval van psalmen en teksten uit de Bijbel, de ogenschijnlijk radicale afkeer van het aardse bestaan en de permanent dreigende toorn des Heren geïncarneerd door ene dominee Raave, charismatische predikant met een schare volgelingen waaronder Jan, de rabiate vader van Gerard en moeder Jettie die mooi tekent en evenzeer de dominee bewondert, volgt en bemint. Fundamentalisme van Westerse allure.

    Het is een bevrijding wanneer de eerste episode getiteld ‘God’ achter de rug is en Gerard, auteur en hoofdpersonage, na een haastig besloten huwelijk zonder enig vertoon van liefde, wat in episode twee aan bod komt, zich op een Grieks rotseiland heeft teruggetrokken om er niet zonder enige ontbering te werken aan zijn vertaling van de Anabasis van Xenofoon en er, op zichzelf aangewezen, vooral gelukkig te zijn en te genieten van de ruwe maar authentieke natuur, de planten en de simpele genegenheid van de mensen aldaar. Dit is het meest aantrekkelijke en literair best genietbare deel van de ruim vijfhonderd pagina’s dikke roman en kan de auteur er een zekere sereniteit ervaren die weliswaar na enige tijd naar een vleugje verloedering en de daarmee verbonden argwaan van de inwoners evolueert, in grote mate omwille van zijn eigen gedragingen. Episode drie is voorbij. Terug naar vrouw en kind(eren), naar de schijnbare orde en de ‘Samenleving’. Er komen nog twee kinderen, het huwelijk wordt een steeds groeiende ellende. De echtgenote wordt als onhandelbaar afgeschilderd en munt hoofdzakelijk uit in hysterische scheldpartijen en een totaal onbegrip. Gerard gaat schaatsen bij wijze van vlucht, wordt leraar en later rector en spreekt er wijze woorden die hij nauwelijks onderschrijft. Hij blijft rusteloos zoeken naar wat onvindbaar is. De auteur hanteert daarbij een koele schrijftrant die genadeloos zichzelf en de anderen uitbeeldt en ontluistert.

    Het laatste hoofdstuk is dat van het afscheid: de dood van Jan en wat later van Jettie, een laatste confrontatie met zijn ouders, maar ook de episode van een nieuwe en meer harmonische liefde. Einde goed, alles goed, zou men kunnen geneigd zijn te zeggen, maar dan alleen als men veel kan vergeten.

    Opmerkelijk bij deze logische opbouw van een vrij bewogen leven, wat niet betekent dat het sensationeel zou zijn (geweest), is de betekenis van wat telkens aan een van de vijf blokken voorafgaat en de titel ‘Onderweg’ kreeg. Het gehele boek is eigenlijk een ode aan het onderweg zijn, maar is dat niet het stramien van veel verhalen over een leven, een familie, een streven, verwikkelingen, liefde en wat daarop volgt? Enigszins in dat verband doet Geen sterveling weet aan Vrijheid van Jonathan Frantzen denken waarin ook enkele idealisten of geestelijk maturen optreden en uiteindelijk een leven wordt opgevoerd zoals in een volwaardig vertoon met aanvang, midden en slot voorzien van tal van uitwassen en zijn uiteindelijke finale. Koolschijn doet trouwens niet voor Frantzen onder in het opbouwen van een spanning, zij het een totaal andere. De ‘Onderweg’ tussenstukken zijn meditaties geïnspireerd door Xenofoon en Plato en hun invloed op de visie en de gedragingen van Gerard. In die optiek fungeren zij ook een beetje als rechtvaardiging voor zijn koelheid of noem het zijn afstandelijkheid ten aanzien van mensen en hun drijfveren of overdrijvingen.

    Men ontdekt tijdens het lezen fijne parallellen tussen de auteur en de geest en de teneur van zijn vertalingen wat ook een vorm van fundamentalisme lijkt te zijn, namelijk in het, alle verhoudingen in acht genomen, zowel reële als geestelijke onderweg zijn, in de trek naar de ‘thalassa’ van Xenofoon en zijn lotgenoten, in de leer van Plato die al even opdringerig en zelfingenomen was als die van dominee Raave, die naar verluidt model staat voor ene ds. J.P. Paauwe, waarover de vader van Gerard trouwens een biografie schreef om zich naderhand van die ds. Paauwe te distantiëren.

    Er is iets tweevoudigs, iets dubbelzinnigs en dualistisch in het totaalbeeld dat de auteur van zichzelf biedt in een zelfbeschouwing die de naam autobiografie draagt. Een autobiografie in romanvorm, wat dat ook mag zijn: sfeerschepping, vinnige en heel concrete dialogen, anekdotes, precieze beschrijvingen van de natuur en de mensen op het Griekse rotseiland, fictie op basis van herinneringen, korte en welsprekende zinnen die meteen een situatie resumeren of met de kleuren van zelfbeklag en zelfbewondering zijn getooid en die zijn koele en meedogenloze attitude enigszins verklaren zoals ‘Ik had geen verlangen en geen hoop en staarde maar wat voor me uit.’ (p.294) en ‘Godsdienst was eenzaamheid en angst, onvermogen om alleen maar wat van dag tot dag te leven. Begrijpelijke angst, dat wel, begrijpelijk onvermogen’. (p.463)

    Een beklijvend, bijwijlen wat verwarrend en toch heel concreet verhaal waarin de gevolgen van een fanatiek godsdienst beleven huiveringwekkend aan bod komen en een zoektocht naar sereniteit via kilte en pseudo-gevoelloosheid uiteindelijk toch naar een ‘thalassa’ leidt, naar een lichtpunt aan het uiteinde van een langgerekt ‘onderweg’ zijn.

     

     

  • Ernst de Vreede een predikant in Nederlands-Indië

    Ernst de Vreede een predikant in Nederlands-Indië

    Kristine Groenhart 1964) is Neerlandica en sinds 2008 fulltime schrijver. Zij schreef  twee non-fictie boeken voor uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep. De levensgeschiedenis van Ernst de Vreede, Mangalaan 27 is haar derde boek. Ze heeft dit boek op verzoek van zijn dochter, schrijfster Mischa de Vreede geschreven.

    Ernst de Vreede komt in 1925 met zijn kersverse bruid Henny Bomers aan op Ambon waar hij als hervormd predikant de inlandse bevolking tot het protestantisme zal bekeren. Al sinds zijn prille jeugd is dit de idealistische jongensdroom van Ernst de Vreede. Door zijn theologie- en zendingsstudies, zijn serieuze karakter, zijn onstuitbare wil en dankzij zijn contacten die hem (financieel) steunen, betekent deze droom niet alleen zijn roeping, maar ook zijn levenspassie. Ondanks de vele ernstige gebeurtenissen en tegenslagen die hij in zijn leven zou meemaken, is deze passie altijd onverminderd in stand gebleven.

    Bijgeloof en het Indische lot 

    ‘(…) dominee Ernst de Vreede zou tijdens zijn laatste kampeertocht met de Dageraad op de berg Sirimau de tempajang, de heilige kruik, leeggegoten hebben om het bijgeloof uit te bannen. (…) Daarbij is toen bij al die Ambonse jongelui de vrees om het hart geslagen. O wee, dit wordt tjelaka, dit wordt wraak, daar komt een ongeluk van (…)’. Kondigt het noodlot zich hiermee al aan? Het ‘Indische lot’ wellicht, als gevolg van dit respectloze gedrag van De Vreede ten aanzien van het bijgeloof van de inlanders?

    Tijdens de eerste zwangerschap wordt zijn vrouw Henny ziek. De baby moet geaborteerd worden, maar Henny bezwijkt helaas toch. Ernst beschrijft aan zijn schoonouders haar sterfbed: ‘Maar ze was rustig; de dokters hadden op haar vragen gezegd dat generlei schuld bij haar lag en ook niet bij Indië.’
    ‘Ik ben mijn vrouw kwijt, wat bergen van moeite meebrengt, ook in mijn werk.’

    Daarna volgt een moeilijke periode van zeven jaar weduwnaarschap en een mislukte verloving met Titia Eerdmans. De moeder van Titia had een behoorlijke stem in het verbreken van deze verloving. Zij vond Ernst ‘erg vervelend, en heel heerszuchtig, veel te vertellen zul je niet bij hem hebben.’ Zij werd daarin gesteund door anderen die Ernst erg goed meenden te kennen. De Vreede heeft het heel moeilijk maar overwint zichzelf door een beroep te doen op geestelijke waarden en krachten.

    Onverwacht dient de verandering zich aan tijdens zijn werk als predikant op Celebes. Over de ontmoeting met zijn tweede vrouw Leny Varekamp (de moeder van Mischa de Vreede), lezen we: ‘(…) Terwijl hij in de tuin van het meisjesinternaat zijn buurmeisje Leny zag staan begon het plotsklaps hard te regenen. Hij rende naar buiten, bood haar zijn loden regencape aan en drapeerde deze om haar schouders. Zij vond het zo’n aardige, vriendelijke man. Een paar weken later vroeg hij haar – u-zeggend – ten huwelijk’.

    Gelukkige zeven jaren

    Dan volgt er een gelukkige periode van weer zeven jaar. Ernst werkt korte tijd in Batavia en vestigt zich later op Sumatra, in Medan in de Mangastraat 27. Er worden drie kinderen geboren.
    Totdat de oorlog uitbreekt in Europa, Nederland bezet wordt door de Duitsers en Japan zijn oog laat vallen op Nederlands-Indië. Japan zou een ‘nieuwe orde’ scheppen in een ‘Groter Oost-Azië’: Indo-China (nu Vietnam), Siam (Thailand), Burma, Malakka (Maleisië), Nederlands-Indië, Nieuw-Guinea en Nieuw Caledonië. De blanken zijn niet langer meer gewenst in Indië en verdwijnen in de interneringskampen van de Japanners. Het noodlot slaat wederom toe.

    Over de avond vóór de gang naar het interneringskamp, schrijft later dochter Mischa: ‘Ik lag opgewonden met mijn broertje te praten in bed. Mijn moeder kwam binnen en vroeg of papa nu de laatste avond dat hij bij ons was nog boos op ons moest worden. Wij zouden de volgende dag geïnterneerd worden, en wat dat was wist ik niet precies. Dat mijn vader niet bij ons zou blijven drong nu pas tot ons door’.

    Deze periode van drie en een half jaar interneringskamp in Noord-Sumatra, waarin de kinderen gescheiden worden van hun vader en zelfs een keer een jaar van hun moeder, wordt door Groenhart minutieus beschreven aan de hand van boeken, documenten, brieven, foto’s, dagboeken en andere getuigenissen en gesprekken.

    Opmerkelijk is dat Goedharts beschrijving zakelijk en emotieloos blijft. Ook wanneer zij citeert uit de boeken die Mischa de Vreede zelf geschreven heeft over deze periode. (O.a. Waar ik mee leef (1995). Mijn reis (1981).)
    Over het weerzien aan het eind van de oorlog schrijft Mischa: ‘Ik zag mijn moeder gearmd met een vreemdeling met een ontbloot bovenlijf op ons toe lopen. Dat zal onze vader wel wezen, zei ik tegen mijn broer.’ ‘Ernst had zijn vrouw en kinderen drie jaar niet gezien.’

    Daarna volgt de repatriëring van het gezin De Vreede naar Nederland. Mangalaan 27 begint met dit inschepen op stoomschip de Tjisadane naar Amsterdam. ‘Zij waren de nummers 898-902. Ernst, Leny en hun drie kinderen: Erik, Mischa en Matthijs.’
    ‘Ernst was de predikant voor de hervormden op zee. Ernst stond aan de reling en zag hoe zijn bagage aan boord getakeld werd. Veel was het niet, hij had alleen nog een koffer met wat boeken en wat zilver. Maar het belangrijkste, zijn vrouw en zijn drie kinderen, zij waren gespaard gebleven. Hij klaagde niet (…).’
    Het boek eindigt met dezelfde blik van Ernst naar zijn bagage: ‘Daar kwam zijn koffer met zijn dierbaarste boeken die de oorlog hadden overleefd. Een volgend moment zag Ernst zijn boeken in zee vallen. Die zouden daar voorgoed achterblijven.’

    Ruim eenentwintig jaar onderweg geweest

    Mangalaan 27 geeft een nauwkeurig, interessant en zeer informatief beeld van het leven van het predikantengezin De Vreede in de periode 1925 – 1946 in Nederlands-Indië. Vooral de sfeer weet Groenhart goed te treffen mede ook dankzij de vele brieven die zij onverkort heeft overgenomen. De brief die Ernst schrijft aan zijn schoonouders na het overlijden van zijn vrouw is een juweeltje van prachtig proza uit die tijd. Daarbij geeft het boek ook een goed beeld van het Nederlands-Indië dat veel Nederlanders die er niet door familie of kennissen direct mee te maken hebben gehad, eigenlijk nauwelijks kennen. Het standsverschil tussen de inlanders en de zendelingen is, naar onze huidige maatstaven, schrijnend.

    Groenhart heeft veel onderzoekswerk verricht. Uit de beschrijvingen van de eilanden, de vele plaatsen en plekken die zij beschrijft, is het duidelijk dat zij er zelf is geweest.  In haar uitgebreide epiloog schrijft ze dat zij gestaan heeft op de ferry met hetzelfde uitzicht als Ernst en Henny hadden bij hun aankomst op Ambon. En dat zij zelfs gecontroleerd heeft of er nu nog steeds water zat in de tampajang op de berg Sirimau. (Ja!)

    De zakelijke en emotieloze schrijfstijl wordt enerzijds veroorzaakt door de vele brieven en documenten. Het zijn weliswaar prachtige voorbeelden van het Nederlandse taalgebruik en ook van de voorgeschreven etiquette uit die tijd, maar de mensen komen er niet echt door tot leven. Anderzijds is de historische informatie die Goedhart toevoegt over Nederlands Indië en het zendelingswerk interessant maar te gedetailleerd. Het lezen wordt daardoor op den duur wat moeizaam.

     

     

     

  • Visueel logboek van een leven

    Als Juan Salvatierra negen jaar oud is, raakt hij ernstig gewond door een val van een paard. Hierna verliest hij zijn spraakvermogen. Nooit wordt duidelijk of dit een gevolg van het ongeluk is, of dat hij simpelweg weigert nog te praten. Volgens de verteller, zijn zoon Miguel, bevrijdt Salvatierra’s stomheid hem van het harde boerenbestaan waar mannen in deze plattelandsregio van Argentinië haast automatisch in terecht komen. Niemand verwacht nog iets van hem. Hij hoeft niet meer mee te doen met de ruige mannen en kan zijn tijd besteden aan wat hij het liefste doet: schilderen.

    Op zijn twintigtste begint Salvatierra aan een megalomaan project. Op rollen doek schildert hij zijn dagelijks leven. Het is zowel een persoonlijk dagboek, een logboek van wat er gebeurt in het dorp bij de rivier, als een kijkje in Salvatierra’s innerlijke leven: zijn dromen, nachtmerries en fantasieën. Omdat Salvatierra nog altijd niet spreekt, is het voor zijn vrouw en zoons ook de enige manier om een beeld te krijgen van wat er in hem omgaat. Zestig jaar lang, tot enkele dagen voor zijn dood, schildert Salvatierra aan het doek. Toch maakt hij op zijn sterfbed een wegwerpgebaar als Miguel vraagt wat ze met de talloze rollen, die zijn opgeslagen in de schuur, moeten doen. Salvatierra lijkt het werk vooral voor zichzelf gemaakt te hebben, hij heeft geen belangstelling om het de wereld in te sturen.

    Nadat ook hun moeder is gestorven, trekken Miguel en zijn broer Luis, inmiddels vijftigers, van Buenos Aires naar hun geboortedorp aan de rivier. Ze kunnen het niet over hun hart verkrijgen de artistieke nalatenschap van hun vader in het desolate, verarmde dorp te laten verstoffen en weten een Nederlandse stichting geïnteresseerd te krijgen de rollen aan te kopen en naar hun museum in Amsterdam over te brengen. Dit vereist nogal wat voorwerk en bureaucratisch gesteggel, waardoor Miguel veel tijd moet doorbrengen in het stoffige dorpje. De eigenaar van de plaatselijke supermarkt heeft belangstelling voor het stuk grond van Salvatierra, maar Miguel kan en wil het land pas verkopen als hij het project van zijn vader veilig gesteld heeft.

    Het werk van Salvatierra brengt herinneringen aan vroeger naar boven, aan zijn vader, aan Miguels eigen leven. Als Miguel erachter komt dat er één rol in de verzameling mist, het jaar 1961, stelt hij zichzelf ten doel deze rol te vinden. Hij kan zich niet voorstellen dat zijn vader een heel jaar niet geschilderd heeft. Wat is er met de rol gebeurd en vooral: wat is er met Salvatierra gebeurd in dit jaar?

    Deze zoektocht vormt min of meer de rode draad in Het verdwenen jaar van Salvatierra van Pedro Mairal. Het boek, meer een novelle dan een roman, meandert door de tijd en het landschap als de rivier in het levenswerk van Salvatierra. Miguel vraagt zich af wat de invloed van zijn vaders werk op zijn eigen leven is geweest, waarom zijn broer en hij beiden hebben gekozen voor een grijs bestaan in Buenos Aires, terwijl de wereld van hun vader zo kleurrijk en levendig was.

    Pedro Mairal, geboren in Buenos Aires in 1970, heeft naast een eerdere roman, ook twee poëziebundels uitgebracht. Dit is duidelijk te terug te lezen in zijn sfeervolle en beeldende proza. De landerigheid van een haast uitgestorven dorpje aan de rivier de Uruguay, de vissers aan de oevers, de monsterlijke riviervissen en de bontgekleurde vogels – de wereld die Mairal beschrijft, ontrolt zich voor de lezer als het schilderij van Salvatierra. Gloedvol, weemoedig en duister tegelijk.

    De verteller Miguel is iets te nadrukkelijk aanwezig. De schrijver heeft nogal eens de neiging de emoties en gedachten van de hoofdpersoon voor de lezer in te vullen. Ook de dialogen zijn soms wat houterig. Een kleine smet op een poëtisch en bijzonder verhaal. Het verdwenen jaar van Salvatierra is een boek om op een warme zomermiddag in één keer uit te lezen. Dan komt deze stream of consciousness het beste tot zijn recht.

     

  • Hölderin: ongekend modern en prachtig

    Hölderin: ongekend modern en prachtig

    In 1941 maakten de nazi’s een propagandafilm waarin het gedicht ‘De dood voor het vaderland’ van de Duitse romantische dichter Frederich Hölderlin (1770-1843) een hoofdrol speelt. Opmerkelijk genoeg verscheen er twee jaar later in Londen de bundel Poems of Hölderlin, vertaald door een Duitse jood wiens familie een aantal jaren geleden uit Duitsland was gevlucht. Zowel de nazi’s als hun slachtoffers en vijanden konden tijdens de oorlog blijkbaar grote waardering opbrengen voor dezelfde dichter. Hoe is dat mogelijk?

    Misschien kan het antwoord bij de dichter zelf gevonden worden. In het gedicht ‘Patmos’ (1802) schreef Hölderlin:

    ‘Nabij is
    en moeilijk te vatten de god.
    Waar echter gevaar is, groeit
    het reddende ook.’

    De regels bevatten, zoals veel van Hölderlins gedichten, tegenstellingen; de god is nabij maar moeilijk te vatten, het gevaar groeit maar het reddende ook. Dat zowel nazi’s als joden zijn poëzie tijdens de oorlog met bewondering lazen is een tegenstelling die je alleen te boven kunt komen door de gedichten te gaan lezen.

    Een andere tegenstelling. Die zelfde regels uit ‘Patmos’ werden in 1953 geciteerd op de eerste bladzijde van Van de afgrond en de luchtmens, de vierde dichtbundel van Lucebert. Hoe kan het dat de experimentele dichter Lucebert, die teksten schreef als ‘de minister president is een kanon/ piep piep piep piep’ zich aangetrokken voelde tot het werk van een dichter die zich in zijn poëzie strak hield aan klassieke vormen en zich voortdurend liet leiden door een ideaal dat hij in het oude Griekenland gevonden meende te hebben?

    Vandaag de dag wordt Hölderlin zonder aarzeling de grootste romantische, Duitse dichter genoemd. Maar tijdens zijn leven was Hölderlins literaire roem beperkt tot een paar liefhebbers, en marginaal in vergelijking met dat van beroemdheden als Goethe en Schiller. Na zijn dood werd zijn werk helemaal niet meer gelezen om in de beginjaren van de twintigste eeuw herontdekt te worden. In de jaren daarna groeide de bekendheid van het werk snel en meenden sommigen in Hölderlin een profeet te hebben ontdekt.

    Wat maakt deze Duitse dichter zo geschikt voor de twintigste en de eenentwintigste eeuw? Op het eerste gezicht helemaal niet zo veel. Wie de gedichten oppervlakkig leest, ziet juist allerlei kenmerken van romantiek en classicisme, typerend voor veel achttiende-eeuwse literatuur. Eerst even kort over de romantiek. Gevoelsuitbarstingen, tranen, bergen, dalen en groene weiden, zelfs herten kom je tegen in de poëzie van Hölderlin. Veel gedichten ademen een grote liefde voor de natuur die veel meer is dan een landschap waar je in kunt wandelen. Natuur is bij Hölderlin een levensbrengende kracht die, zoals bomen naar het licht groeien, opstijgt tot de goddelijke hemel. Wat het classicisme betreft,  Hölderlins gedichten zijn vaak gebaseerd op klassieke vormen, zoals de elegie, de ode en de hymne. Maar er is veel meer oud Grieks te vinden in zijn werk.

    Hölderlin kun je zonder meer een filhelleen, een bijna obsessieve bewonderaar van de antieke Grieken, noemen. Bijna alles wat goed en mooi was, had zijn voorbeeld in het land van Plato en Pericles. Aan het eind van de achttiende eeuw ging er een golf van filhellenisme over Europa. Het oude Griekenland kwam in de mode en werd een voorbeeld voor bijna alles. Er werd gedicht zoals de oude Grieken het deden, er werd geschilderd als de oude Grieken en er werd muziek gemaakt als de oude Grieken. Dat er geen Griekse schilderingen zijn overgeleverd en geen oude Griekse noot bewaard is gebleven, mocht de pret niet drukken.

    Aanstichter van deze enorme, overweldigende belangstelling voor de oudheid was Joachim Winckelmann (1717-1768) geweest, die een generatie eerder de antieke Griekse kunst systematisch en met veel bewondering had beschreven. Winckelmanns beroemd geworden woorden ‘nobele eenvoud en stille grandeur’ vatten kort samen welke eigenschappen de Griekse beelden zo uniek maakten. Het was een beschrijving van een kunst waarin emotie en temperament zichtbaar zijn, maar beteugeld worden door vormen die in een perfecte verhouding staan.

    Hölderlins generatie kreeg langzamerhand een beetje genoeg van die Griekse mode, die vaak gekunsteld en oppervlakkig aandeed. Steeds vaker zocht men andere vormen in kunst en literatuur. Dat gold niet voor Hölderlin zelf. Zijn werk is doordrenkt met liefde voor de Griekse cultuur en alles behalve oppervlakkig. Net als Winkelmann schoot hij soms door in zijn kijk op het verleden. Het oude Griekenland was voor beiden niet anders dan een utopie, een voorbeeld dat de weg wees naar een nieuw Duits, maar vooral een persoonlijk ideaal. (Zowel Winckelmann als Hölderlin heeft Griekenland overigens nooit bezocht.)

    Maar in tegenstelling tot wat je zou verwachten, leidt de combinatie van levendige romantiek en nobel classicisme bij Hölderlin tot iets wat helemaal niet zo kenmerkend is voor de achttiende eeuw. Waar je bij Goethe je bij vlagen kunt ergeren aan muffe of belerende zinnen, uitdrukkelijk bedoeld ter lering en vermaak, daar verbaast Hölderlin met zijn kracht en kijk op het leven. Het classicisme is bij hem geen benauwende, opgelegde eis tot imitatie van stoffig oude Grieken, maar komt voort uit een oprecht, doorleefd enthousiasme voor een prachtige cultuur. Het was ook niet zijn bedoeling, zoals veel van zijn tijdgenoten, de Grieken na te doen of te kopiëren. Voor Hölderlin bood de antieke samenleving een houvast, een inspirerend voorbeeld om te komen tot een leven dat in allerlei opzichten meer in evenwicht was. De zoektocht naar een geestelijk, bijna religieus evenwicht maakt Hölderlins werk aantrekkelijk voor de moderne lezer.

    Lees bijvoorbeeld het gedicht ‘Brood en Wijn’. In de strofe die ik hieronder citeer, wordt de Griekse wereld bezongen en wordt het betreurd dat de cultuur ten onder is gegaan. Maar opmerkelijk genoeg is het vooral een religieus, geestelijk gemis dat onder woorden wordt gebracht.

    ‘Zalig Griekenland! o gij huis aller hemelse goden,
    is het dan waar wat wij eens, jong reeds, hebben gehoord?
    Feestlijke zaal! de zee als een vloer en als tafels de bergen,
    waarlijk tot heilig gebruik voor alle tijden gebouwd!
    Maar de tronen, waar zijn ze? de tempels en heilige vaten,
    waar het van nectar vervuld, goden-verheugend gezang?
    Waar, waar lichten ze dan, de eenmaal ver-treffende spreuken?
    Delphi sluimert en waar spreekt nog der hemelsen wil?
    Waar stort het lot, onverhoeds, vol altegenwoordige vreugde,
    dondrend uit heldere lucht, over de ogen zich uit?’

    Het gemis van het oude Griekenland zegt bij Hölderlin altijd meer over zijn tijd (en de onze) dan over het verleden. Zoals hier, in het zelfde gedicht:

    ‘Vriend! maar wij komen te laat. Want weliswaar leven de goden,
    echter boven ons hoofd, hoog in een ander domein.
    Eindeloos werken zij daar, maar het is alsof ‘t hun niet aanging,
    dat wij leven, zozeer sparen de hemelsen ons.
    Immers niet altijd vermag een breekbaar vat hen te vatten,
    zelden helaas kan de mens godlijke overvloed aan.’

    Hölderlin is een schrijver van wie je al gauw alles wilt lezen: de gedichten, de bijna hallucinerende roman Hyperion, zijn onafgemaakt treurspel De dood van Empedocles en niet te vergeten zijn brieven. Wie dat alles leest, krijgt een beschrijving van het leven van de dichter, in na- en voorwoorden, er gratis bij. En leven en werk blijken bij Hölderlin bijna naadloos in elkaar over te gaan, al moet je bij dat soort uitspraken natuurlijk voorzichtig zijn.

    Twee gebeurtenissen in zijn leven zijn van grote invloed op zijn werk geweest. De eerste is de intense, onmogelijke liefde voor Susette Gontard, de vrouw van het gezin waar hij huisleraar was. Zijn liefde wordt beantwoord maar niet lang daarna ook ontdekt door Susettes echtgenoot. Hölderlin neemt ontslag en de relatie is ten einde. Zijn liefde voor Susette is van een bijna ongezonde hevigheid geweest en het afscheid viel hem dan ook buitengewoon zwaar. In zijn gedichten en zijn roman Hyperion, die in die tijd verschijnt, noemt hij Susette Diotima, naar de priesteres uit Plato’s Symposion die Socrates de betekenis van de liefde had uitgelegd. Susette overlijdt niet veel later aan TBC en dat brengt ons bij de tweede belangrijke gebeurtenis in Hölderlins leven: perioden van verwardheid, waanzin of, zoals de Duisters zeggen narrheit.

    Hij krijgt last van woedeaanvallen, beleeft momenten van intense verwardheid en wordt enige tijd opgenomen in een kliniek. Een vriend helpt hem, verzorgt hem en geeft hem onderdak op een plek die nu bekend staat als de toren van Hölderlin, in Tübingen. Daar leeft de dichter teruggetrokken, af en toe nog dichtend, tot het einde van zijn leven, 1843.

    De verwarde dichter die zich eenzaam terugtrok in een toren is een romantisch beeld dat nog steeds tot de verbeelding spreekt. Kester Freriks, momenteel Hölderlins grootste pleitbezorger in Nederland, schreef er een roman over.

    De waanzin klinkt af en toe ook door in Hölderlins gedichten en dat leidt voor moderne en postmoderne lezers tot prachtige poëzie. (Tijdgenoten hadden er aanzienlijk meer moeite mee.) Lees het gedicht ‘In liefelijk blauw’ met daarin de prachtige regels:

    ‘Zou ik een komeet willen zijn? Ik denk het wel,
    want zij hebben de snelheid van vogels,
    zij bloeien van vuur en zij zijn
    als kindren zo rein. Iets groters
    te wensen kan niet’

    Ook het gedicht ‘Patmos’, waaruit Lucebert citeerde in Van de afgrond en de luchtmens, is door een vleug waanzin, ongekend modern en prachtig:

    ‘O geef ons vleugels om trouw van zin
    over te vliegen en weder te keren’

    Het is niet zo verwonderlijk dat de moderne tijd Hölderlin weer ontdekt heeft en koestert als een groot dichter. De intensiteit van bijna al zijn werk is groot en het beeld van een in de liefde teleurgestelde, door waanzin geplaagde dichter die zich terugtrekt in een toren is voor velen onweerstaanbaar gebleken. Maar er is veel meer in Hölderlin dat de aandacht trekt. Teveel om hier even samen te vatten. Zijn werk lijkt met het ene been in de achttiende en het andere in de twintigste eeuw te staan. Hoe dat kan, blijft een literair wonder.

    Zoals hierboven gezegd, voor sommigen is het werk aanleiding geweest om hem tot profeet uit te roepen. Misschien dacht Lucebert wel aan Hölderlin toen hij zijn gedicht ‘De verjaarde profeet’ schreef:

    ‘je was zwart je was een voorzeggende echo
    en je hing aan de bergen je ging door de dalen
    geduldig je sprak van de lucht van de afgrond’

    Het zou zo maar kunnen.