• Zweedse schrijver Per Olov Enquist overleden (1934 – 2020)

    Zweedse schrijver Per Olov Enquist overleden (1934 – 2020)

    De grand old man van de Zweedse literatuur, Per Olov Enquist is zaterdag 26 april overleden. Enquist had al langer problemen met zijn gezondheid, hij leed aan hartfalen en werd in 2016 getroffen door een beroerte.

    Enquist en groeide op in de Noord-Zweedse provincie Västerbotten. Als student aan de universiteit toonde hij zich al een getalenteerd schrijver, zijn eerste boek, Het kristallen oog bracht hij in 1961 uit. Met de historische roman De vijfde winter van de magnetiseur (1964), verwierf hij zijn eerste succes. Later volgden onder meer De uittocht der muzikanten (1978) en Kapitein Nemo’s bibliotheek (1991).

    Per Olov Enquist, die tevens journalist en toneelschrijver was, kreeg pas werkelijk grote bekendheid met zijn roman Het bezoek van de lijfarts (1999), over een Duitse arts die in het jaar 1770 de Deense koning bijstaat en een liefderelatie met de koningin aangaat. Langzamerhand trekt hij de macht naar zich toe. Het boek werd vooral geprezen om zijn scherpe schrijfstijl en emotionele diepgang.

    Voordat Enquist in 1999 doorbrak met Het bezoek van de lijfarts, was hij door een diep dal gegaan. In zijn autobiografische boek Een ander leven (2009) vertelt hij daarover, het verhaal van zijn jeugd, het gemis van een vader, zijn alcoholmisbruik en zijn op de klippen gelopen huwelijk. Hij won er in 2008 de Zweedse literatuurprijs nordiska pris mee. In 2013 verscheen zijn laatste boek Het boek der gelijkenissen.

    Zijn boeken zijn vertaald in zevenentwintig landen, in Nederland werd Enquists werk vertaald door Cora Polet en uitgegeven door uitgeverij Ambo|Anthos. Er werden maar liefst ruim 100.000 exemplaren van zijn boeken verkocht.
    Ook werd Enquist meerdere keren als kandidaat voor de Nobelprijs genoemd.

     

  • Oogst week 44 – 2019

    Pastorale

    Stephan Enter (1973) werd maar liefst vier keer genomineerd voor de Libris Literatuurprijs: tweemaal behaalde hij de longlist en tweemaal drong hij door tot de shortlist. Daarnaast sleepte hij nominaties voor diverse andere literaire prijzen in de wacht. In 2012 won hij C.C.S. Croneprijs, een oeuvreprijs van de stad Utrecht die iedere twee jaar wordt uitgereikt. Nu is zijn nieuwste roman verkrijgbaar: Pastorale.

    Het boek speelt zich af tijdens een zomer in de jaren 80 en gaat over een dorp met een gereformeerd en een Moluks gedeelte. Enerzijds gaat Pastorale over volwassenheid en voor het eerst verliefd worden, anderzijds over de Molukse gemeenschap uit het dorp, die door Nederland is weggestopt in een voormalig concentratiekamp.

    Pastorale
    Auteur: Stephan Enter
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Vind me

    André Aciman (1951) schrijft fictie, non-fictie en verhalenbundels, maar is vooral bekend van de roman Noem me bij jouw naam. Dit boek werd succesvol verfilmd als Call me by your name. In het nieuwste boek van Aciman, Vind me, keren de personages uit Noem me bij jouw naam terug.

    Het is vijftien jaar later: Elio is inmiddels pianist geworden en Olivier werkt als professor in de Verenigde Staten, al heeft hij nog heimwee naar Italië én naar degene van wie hij nooit afscheid heeft kunnen nemen. Daarnaast wordt Samuel, Elio’s vader, verliefd op een veel jongere vrouw. Vind me is de voortzetting van het magische liefdesverhaal dat met Noem me bij jouw naam begon.

    Vind me
    Auteur: Andre Aciman
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Roots

    Bij IJsland denken de meeste mensen aan kou, het noorderlicht of een prachtig landschap. Dat IJsland ook op culinair gebied veel te bieden heeft, laat chefkok Dagný Rós Ásmundsdóttir (1972) zien in ROOTS. Dagný Rós Ásmundsdóttir komt oorspronkelijk uit IJsland en woont al meer dan een decennium in België. Ze is bekend van onder anderen de Vlaamse versie van het televisieprogramma MasterChef en van haar deelname aan De Slimste Mens.

    Roots bevat vijftig recepten uit de jeugd van Dagný Rós Ásmundsdóttir. Ze heeft deze recepten een moderne twist gegeven, waardoor ze een aangename kennismaking met de IJslandse keuken vormen.

    Roots
    Auteur: Dagny Rós Asmundsdottir
    Uitgeverij: Manteau
  • Leestekens

    Leestekens

    Voor ik het weet zit ik in het hoofd van een achtenzeventig jarige actrice die in een flat in Lissabon woont en Alzheimer heeft. Ze wordt verzorgd door een neef van haar – tweede overleden – man en een dame op leeftijd. Zelf is ze van mening dat het prima met haar gaat: ‘ik kon me alleen niet herinneren waar mijn slaapkamer was, voor de rest vond ik alles, de keuken, de provisiekast.’
    Proza van António Lobo Antunes is als een litanie waarin het leven in al zijn facetten bezongen wordt. Zo ook in zijn onlangs verschenen roman Voor wie in het donker op mij wacht.

    Eenmaal begonnen kun je het boek niet wegleggen: je kunt een dame van respectabele leeftijd niet onderbreken in het ophalen van haar herinneringen. Fantastische interpretaties spelen zich af in haar hoofd. Ze ziet een hazewindhond op een schort in de keuken op de vloer liggen. Het kan ook zijn dat de hazewindhond op het schort staat afgebeeld. Die hazewind gaat er geregeld vandoor, dan gaat ze de straat op, om te zoeken. De hazewindhond wordt ook wel teruggevonden en profil op een keukenschort, tussen theedoeken en tafelkleden in de linnenkast.

    Tijdens het lezen zoek ik houvast in een vorm die vertrouwd is van hoe een boek geschreven hoort te zijn. Bij António Lobo Antunes hoef je daar niet mee aan te komen, die heeft zijn eigen bijzondere manier van een verhaal vertellen. Zoals A.L. Snijders tot zijn zkv is gekomen, zo heeft Lobo Antunes zijn ‘verhalen zonder kader’ (vzk) tot een unieke stijl gebracht. Teksten lopen van de ene gedachte naar de andere; van het ene personage over in een ander personage. Vloeiend jawel, met als enig leesteken de komma:

    “de dame op leeftijd en ik zaten in de keuken aan de tonijn toen de neef van mijn man binnenkwam, waarop de dame op leeftijd opsprong
    ‘Goedenavond’
    alsof de beleefdheid die haar dode zoon niet had kunnen redden wel garant stond voor haar baan, ik meende de hazewind tussen de theedoeken te zien, keek opnieuw en weg was hij, wat ik niet allemaal kwijt ben geraakt in mijn leven, mijn moeder een foto zonder stem, mijn lijf een wrak, mijn geheugen los zand, ik herinner me dat ik als kind om het hardst tot aan die boom daar deed met mijn vader, en dat hij me liet winnen en voor me klapte
    ‘Je bent veel sneller dan ik’
    of stom en achterdochtig tegenover mijn twee mannen, terwijl mijn moeder hem een teken gaf met haar ogen
    ‘Je kunt toch op zijn minst doen alsof je ze aardig vindt’
    En mijn vader met zijn kin in zijn bord zonder op of om te kijken, mijn oma tegen hem vanaf het fornuis
    ‘Ik heb je nooit gemogen’”

    Na anderhalf hoofdstuk taal ik niet meer naar leestekens. De gedachten van de oude actrice, die als een wijdvertakt netwerk door het boek stromen, hebben me bevangen. Lezen van Lobo Antunes is als voor het eerst eten van iets waar je tegenop ziet, inktvis, of mosselen in mijn geval. Daarna wil je meer.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Oogst week 50

    Het donderdagtribunaal

    Deze week oogsten we het complete werk (krap 4000 pagina’s) van Marcel Proust in een nieuw jasje, de tweede vertaalde roman van de Braziliaanse schrijver Michel Laub en literair tijdschrift Terras.

    Het donderdagtribunaal van Michel Laub (1973) is een aanklacht tegen het ongebreidelde veroordelen via social media: de aanklachtverspreider bij het minste geringste van de veelal hypocriete aanklager. Philip Roth schreef De menselijk smet, Michel Laub Het donderdagtribunaal. Waarin twee beste vrienden (veertigers) e-mails met elkaar uitwisselen. Wanneer een van de twee in scheiding ligt, worden de mails explicieter en gaan over seks, liefde, trouw en verraad. Dit alles onderschreven met rauwe humor. Een uitlaatklep voor de vrienden. Maar wanneer de ex-vrouw deze mails vindt en openbaar maakt, is het hek van de dam en ontstaat er een groot schandaal.

    Het NRC noemde het een moedige en onthutsende roman. Laatste zin: ‘Van buiten komt het straatrumoer, dat niet ophoudt, nooit zal ophouden: we hebben tijd, net als iedereen.’

    Het donderdagtribunaal
    Auteur: Michel Laub
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Op zoek naar de verloren tijd

    Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust is eindelijk weer in zijn geheel verkrijgbaar in een prachtige uitgave van De Bezige Bij. Het is een van de grootste triomfen van de wereldliteratuur, maar daarmee ook een van de moeilijkst leesbare boeken van zijn tijd. De romancyclus is een gangenstelsel van sublieme personages, subtiele ironie, in heldere zinnen en scherpe observatie beschreven waar je, voor je het weet, in verdwaalt. De vertaling van À la recherche du temps perdu (bijna 4000 pagina’s) werd het levenswerk van vertaalster Thérèse Cornips (1926-2016). waarvoor zij gelauwerd werd met de Martinus Nijhoff Vertaalprijs.

    Marcel Proust (1871-1922) leidde het leven van een mondaine schrijver. Hij leed aan astma en na de dood van zijn ouders, zonderde hij zich volledig af en wijdde zich aan het schrijven van de romancyclus.

    Sinds halverwege de jaren tachtig werkte Cornips aan de integrale vertaling van de monumentale romancyclus. Haar was niet meer de tijd gegund om In de schaduw van meisjes in bloei van een nieuwe vertaling te voorzien. Dit zevende boek is nu in haar geest vertaald door Désirée Schyns en Philippe Noble.

    Tip: voor wie Op zoek naar de verloren tijd voor het eerst leest: lees eerst Alain de Bottons Hoe Proust je leven kan veranderen. Dan weet je in ieder geval waarom je het zou moeten lezen.

    Op zoek naar de verloren tijd
    Auteur: Marcel Proust
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Terras #15

    Medewerkers van Terras bevinden zich verspreid over de hele wereld en de redactie is immer benieuwd naar wat er aan de andere kant van de grens leeft. Dit samengebracht levert steeds mooie literaire stukken op en zet voor de lezer de deur open naar schrijvers, die (omdat ze zover weg leven, niet vertaald zijn, namen niet beklijven), binnen het bereik komen. En dan is het aan de lezer om verder te zoeken naar werk van deze schrijvers.
    Het in november verschenen nummer is gewijd aan Afrika met daarin veel werk van Afrikaanse auteurs, jonge schrijvers en overleden gerenommeerde Afrikaans schrijvers uit West- Oost- Zuid- en Midden-Afrika.

    Onderbelichte delen van de literatuur zijn het interessantst: voor de lezer die van ontdekken houdt, van ‘zelf doen’, ligt er een mooie weg te aan in het ontdekken van de namen en teksten die deze Terras biedt. Verhalen die – net als westerse verhalen – handelen over liefde, mannen en vrouwen, homoseksualiteit, vlucht en migratie, dagelijks leven, politiek en emancipatie, maar dan anders, omdat de achtergrond anders is. Dat geeft nieuwe ideeën en schept een nieuw begrijpen ‘van’

    Als extra bijlage levert Terras een klein boekje, inmiddels het derde deel in de reeks ‘Schemerschijn’ en bevat de essaybundel Geringere schepsels van Jan Postma die rondom zijn verblijf op de Jan van Eyck Academie in Maastricht ontstond.

    Terras #15
    Auteur: Onder redactie
  • De reis en de bestemming

    De reis en de bestemming

    Herfst: de bladeren verkleuren. ‘Het wonder duurt niet langer dan een paar dagen, dan wordt het blad bruin, verwelkt en valt af. Maar eerst doorloopt het het volledige spectrum van donkergroen via lichtgroen, geel en oranje naar vuurrood en donkerrood, en dit vlammende kleurspektakel trekt vanuit het noorden over het hele land.’ Het is een herinnering van Gilbert Silvester, hoofdpersoon in De pijnboomeilanden van de Duitse schrijfster en dichteres Marion Poschmann (1969). Gilbert denkt terug aan de tijd dat hij in de VS werkte en zijn vrouw Mathilda hem kwam opzoeken. Om bij hem in de buurt te zijn, maar ook om het blad te zien verkleuren. Nu bevindt Gilbert zich echter aan de andere kant van de wereld, in Japan, juist om afstand te nemen van zijn vrouw.

    In de voetsporen van Bashō
    Gilbert Silvester is wetenschapper, maar het ontbreekt hem aan de kwaliteiten om te excelleren in zijn vak. ‘Terwijl anderen het zich gemakkelijk maakten met hun eigen huizen, gezinnen en dagelijkse sleur, zag hij zichzelf genoodzaakt om idiote en matig betaalde klussen te doen, hem opgedragen door mensen die hij uit de grond van zijn hart verachtte.’ Zijn onderwerp van studie is de baard en de uitbeelding daarvan in films.

    Studie is echter niet de aanleiding om naar Japan te gaan. Hij heeft gedroomd dat Mathilda hem bedriegt en kan dat idee niet meer uit zijn hoofd krijgen. Zonder zijn vrouw iets te laten weten neemt hij daarom het vliegtuig naar Tokio. Aangekomen in Japan koopt hij een aantal klassieke boeken in vertaling waaronder het reisdagboek van de zeventiende-eeuwse dichter Bashō. In navolging van de dichter besluit hij een tocht naar het noorden te maken, naar de baai met de pijnboomeilanden bij Matsushima.

    Onderweg komt hij de student Yosa Tamagotchi tegen. De angst om zijn tentamens niet te halen drijft Yosa ertoe een eind aan zijn leven te willen maken. Alsof Yosa zijn virtuele huisdier is, ontfermt Gilbert zich over hem en probeert hij hem in leven te houden. Hun tocht brengt hen niet alleen naar de plekken die Bashō aandeed, maar ook naar locaties die Yosa heeft uitgekozen voor zijn doel zoals het zelfmoordbos van Aokigahara of de krater van de Mihara-vulkaan. Bij elke nieuwe plek die ze aandoen probeert Gilbert Yosa ervan te overtuigen dat er een betere, waardiger plek is om zich van het leven te beroven.

    Binnenland
    Het lijkt wellicht alsof De pijnboomeilanden een zwaarmoedig verhaal is, maar niets is minder waar. Poschmann schrijft met humor, bijvoorbeeld wanneer Gilbert in een brief aan zijn vrouw schrijft dat ze ook naar de door Yosa gekozen plekken gaan: ‘Helaas liggen deze plaatsen niet op de Bashō-route, ze liggen juist in tegenovergestelde richting, maar nog wel in de omgeving van Tokio, wat eens te meer aantoont dat het bij dit soort suïcidehypes niet bepaald om iets vernieuwends gaat, maar dat men zich domweg de bekende toeristische trekpleisters toe-eigent.’

    In het algemeen weet Poschmann haar roman aangename lichtheid te geven, zonder het oppervlakkig te laten zijn. De pijnboomeilanden heeft veel weg van de omschrijving die Gilbert geeft van zogenaamde theelanden. ‘In koffielanden lagen de dingen aan de oppervlakte. In theelanden speelde alles zich af onder een sluier van mystiek.’ Poschmann geeft subtiele beschrijvingen, met veel aandacht voor natuur, waarachter je bij iedere volgende lezing meer betekenis ontwaart.

    Het reisdagboek van Bashō is vertaald onder de titel De smalle weg naar het verre noorden maar ook als De smalle weg naar het binnenland– waarbij ‘binnenland’ ook overdrachtelijk moet worden begrepen. Aan het begin stond Bashō, zoals hij het zelf noemde, op een tweesprong van illusies. De reis van Gilbert is in alles een echo van de tocht van de Japanse dichter. En net als bij de dichter begon zijn tocht met een illusie.

    Gaat het bij reizen in Europese stijl vaak om het kunnen afvinken van zo veel mogelijk highlights, in deze reis gaat het om een innerlijke ontwikkeling. Wanneer hij in Matsushima aankomt ziet Gilbert het groen van de pijnbomen. En niet alleen dat. Ook de Japanse esdoorn krijgt een karmijnrode kleur.

     

  • Terug naar Gozo

    Terug naar Gozo

    Eijgelshoven laat zijn vrouwelijke hoofdpersoon Suzy na jaren terugkeren naar het eiland Gozo waar haar vader Alfred nog steeds woont. Haar zoektocht- een soort Odyssee- is vooral gericht op haar raadselachtige moeder, de onzichtbare van haar jeugd.
    Zoals de titel al verraadt, zijn er verwijzingen naar de Odyssee. De held Odysseus werd destijds gevangen genomen door de schone Calypso, die hem onsterfelijkheid beloofde. Na zeven jaren komt Odysseus echter toch vrij omdat de goden hem welgezind zijn en willen dat hij zijn tocht kan voortzetten en naar zijn vrouw en kinderen kan teruggaan. De grot waar Calypso woonde zou op het eiland Gozo liggen.

    Ik duw het portier van mijn auto open en stap uit. De laatste afstand tussen Gozo en mijzelf valt weg, ik ruik de zee, het door de wielen omgewoelde zand en de zoete verrotting van de bloeiende distels en bloemen op de heuvel. Ooit was het de geur van thuis, nu stoot hij me af en is het de wolk verbrande benzine, die nog bij mijn uitlaat hangt, waar ik me aan vastklamp, die ik opsnuif tot hij wegdrijft.

    Mooi proza, want Eijgelshoven (1975) kan wel degelijk schrijven. Deze roman is zijn literaire debuut. Zijn stijl is geserreerd en de dialogen in het verhaal komen overtuigend over. Bovendien meandert het verhaal tussen verleden – flashbacks – en de actualiteit.

    Verleden
    Na enige tijd komen we te weten dat de moeder van Suzy, ene Lucinda in het zevende levensjaar van Suzy uit beeld is verdwenen. Uit de flashbacks leren we, dat Lucinda ooit in een film heeft gespeeld, beeldschoon was en regelmatig in de war.

    Voor de vader, Alfred, was dat een ramp. Hij bestierde op het eiland een goed lopend restaurant en moest dat vaak helemaal alleen doen. Zeven jaar wist hij, net als Calypso, zijn geliefde aan zich te binden. Ze was net zoals Odysseus gevangen, ze kon het restaurant verlaten weliswaar, maar was er als serveerster onmisbaar. Daarna werd ze opgenomen in een inrichting en verdween helemaal uit beeld. Hoe dat komt blijft een raadsel. Heeft ze zelfmoord gepleegd? De broer van Suzy, Daniël, bemoeit zich niet meer met de zaak, maar Suzy wil het verdwijnen van de moeder oplossen. Ook is er de schilder Viktor, die Suzy als meisje schilder- en tekenles gaf. Hij is een raadselachtige man. Wat weet hij van het verleden?

    Kist
    Een schakel vanuit datzelfde verleden vormt de geheimzinnige kist met hoofdzakelijk kleding van de moeder. Suzy trekt de kleren aan en wil daarmee haar vader verrassen. Ook helpt ze even mee in het restaurantje, maar de vader is alcoholist geworden en half ziek en het etablissement staat op instorten en zal niet lang meer open zijn. Intussen gaat Suzy een verhouding aan met een man van het eiland en probeert steeds meer te weten te komen over haar verleden. Daar heeft ze weinig tijd meer voor. De vader is ziek, de schilder Viktor te oud en alles is aan het afbladderen.

    Uiteindelijk vindt ze wel een aantal aanknopingspunten. Maar het gevoel waar de lezer mee achterblijft is toch vooral dat ze de boot gemist heeft.

     

  • Een reis zonder begin en zonder einde

    Een reis zonder begin en zonder einde

    De wetten van de melancholie laat zich nog het beste omschrijven als een land dat je voor het eerst bezoekt: je weet niet wat je ziet en probeert het te vergelijken met iets dat je kent. Je hebt geen referentiekader, maar tegelijkertijd bevalt het je wel en smaakt het naar meer.

    De roman van de Bulgaar Georgi Gospodinov is een ontdekkingstocht van pagina naar pagina, maar een einddoel is er niet. We springen als lezer van herinnering naar herinnering, van anekdote naar anekdote – zaken die schijnbaar niets met elkaar te maken hebben, gaan in dit boek als een stel atomen tijdelijke verbintenissen aan. Met De wetten van de melancholie schotelt Gospodinov de lezer een labyrint van verhalen voor, waarin niet altijd duidelijk is wat op feit en wat op fictie berust. Sterker nog – het is in het begin niet eens helder wie er aan het woord is. Is het Gospodinov zelf, is het een alter ego, of zijn er meerdere vertellers? Zomaar een greep uit de proloog:

    Ik ben geboren aan het einde van augustus 1913 als een menselijk wezen van het mannelijk geslacht. […] Ik ben twee uur voor zonsopgang geboren als een fruitvlieg. […] Ik ben geboren op 1 januari 1968 als een menselijk wezen van het mannelijk geslacht. […] Ik ben altijd geboren geweest. […] Ik ben nog niet geboren. […] Ik ben geboren op 6 september 1944 als menselijk wezen van het mannelijk geslacht. […] Ik herinner me dat ik geboren ben als een rozenbottelstruik, een patrijs, een Ginkgo biloba, een slak, een wolk in juni. […] Ik zijn.

    Eindeloze empathie
    Die schizofrene verteltrant houdt zo’n pagina of vijftig aan, dan besluit de ik-verteller de lezer hulp te bieden in de manier waarop dit boek gelezen dient te worden. We hebben wel degelijk te maken met één verteller, maar die kan zich door een psychische aandoening in andermans gedachten verplaatsen. Zijn extreme empathie zorgt ervoor dat hij zich telkens weer verliest in de herinneringen van anderen. Hij kan rondwandelen in hun verleden en hun belevenissen. Als kind is hij zelfs zo empathisch dat hij kan meevoelen met een slak, een plant of een ander natuurverschijnsel. Naarmate hij ouder wordt, verliest zijn aandoening aan kracht en sluit de wereld zich om hem heen. Voor iemand wiens wereld altijd schier oneindig leek, moet dat een beangstigend proces zijn. De melancholie van de hoofdpersoon, die het einde ziet naderen in zijn donkere kelder, wordt sterk invoelbaar gemaakt door Gospodinov.

    Schijnveiligheid
    Door alle essays, of korte verhalen, of hoe je de flarden ook noemen wil, meandert de klassieke mythologie. Met name de Minotaurus, veroordeeld tot een eenzaam leven in het donkere doolhof van Daedalus, kan rekenen op de sympathie van de ik-figuur. Hij voelt zich verbonden met het wezen, dat net zoals hijzelf, zijn vader en zijn grootvader veel tijd spendeert in duisternis. Grootvader, een soldaat in de Tweede Wereldoorlog, is maanden aan bed gekluisterd geweest in de kelder van een Hongaarse vrouw. Wanneer hij terugkeert in Bulgarije moet hij opnieuw een paar maanden verborgen worden in een donkere ruimte, omdat zijn naam al in het oorlogsmonument gebeiteld staat. Vader is een mijnwerker en ziet nauwelijks daglicht en de ik-figuur zit als kind hele dagen alleen in het souterrain waar hij met zijn ouders woont. En op een hoger niveau: het hele Oostblok is een doolhof waaruit niet te ontsnappen is. Het mythologische wezen en de verteller zijn één, het verleden en het heden, de mythe en de realiteit zijn niet van elkaar te onderscheiden. Het leven of de wereldgeschiedenis is geen logisch verhaal en heeft met causaliteit niets te maken: de mens probeert echter structuur aan te brengen in de chaos en creëert daarmee een soort schijnveiligheid voor zichzelf.

    De empaat beseft dat en in plaats van de grote lijnen te zien, ontwikkelt hij een obsessie met het alledaagse en het kleine. Juist de willekeur van de hem omringende wereld fascineert hem en hij begint allerhande voorwerpen en herinneringen te verzamelen zonder daar enige logica in aan te brengen. Overal zet hij vraagtekens bij en benadrukt dat absolute waarheden niet bestaan.

    Fragmentatie
    De wetten van de melancholie is geen typische roman, en werpt meer vragen op dan het beantwoordt. Het laat zien dat logica een illusie is en dat deze associatieve en mijmerende manier van vertellen de enige mogelijke is. Het is een boek dat uitnodigt voor een postmodern experiment: waarom zou je de fragmenten in de voorgestelde volgorde lezen? Beter zou het zijn elk fragment op een los vel te schrijven, op een grote hoop te gooien en zomaar wat passages te lezen. Laat die atomen steeds maar op een andere manier een verbintenis aangaan, laat het maar doordringen dat taal geen enkele zekerheid biedt. En zelfs: realiseer je dat je geen essentie hebt en slechts bestaat uit een berg ervaringen en anekdotes, die ongrijpbaar zijn. Het is ongelooflijk, maar waar: na het lezen van De wetten van de melancholie is de wereld veranderd. Ik ben niet meer dan een Idee, die zijn tijdelijke intrek heeft genomen in mijn lichaam.

    In de sporen van Borges
    Gospodinov heeft een bijzonder originele ‘roman’ (is dit een roman? Het is eerder een organische en chaotische brij die constant verandert, terwijl de term roman pretendeert dat we hier met iets definieerbaars te maken hebben) geschapen, die interessante vragen opwerpt. Het is absoluut geen boek om in één adem uit te lezen, daarvoor is het te complex. Hier is een rasverteller en een filosoof aan het woord, een man die schrijft in de traditie van de Argentijn Jorge Luis Borges. Er had nog één motto aan het boek toegevoegd mogen worden, dat exact beschrijft wat er in De wetten van de melancholie gebeurt:

    No estoy seguro de que yo exista, en realidad. Soy todos los autores que he leído, toda la gente que he conocido, todas las mujeres que ha amado. Todas las ciudades que he visitado, todos mis antepasados.

    Ik weet eigenlijk niet zeker of ik wel besta. Ik ben alle schrijvers die ik ooit gelezen heb, alle mensen die ik ontmoet heb, alle vrouwen die ik heb liefgehad. Alle steden die ik heb bezocht, al mijn voorvaderen. – Jorge Luis Borges

     

  • De verbeeldingskracht! die reuzenspier!

    De verbeeldingskracht! die reuzenspier!

    Recensie door Hella Kuipers

    ‘De liefde kun je nooit begrijpen. Maar wie zouden we zijn als we het niet zouden proberen?’ (p119)

    Moet een roman begrepen worden in de context van het andere werk van een auteur, of moet hij alleen op zijn eigen merites beoordeeld worden? Ieder boek opnieuw een debuut?
    In het geval van Het boek der gelijkenissen levert dat de nodige problemen op: de hoofdpersoon, die vrijwel steeds met ‘hij’ wordt aangeduid en heel soms met ‘E’ of ‘Perola’, vertoont verdacht veel overeenkomsten met de schrijver Enquist. Regelmatig verwijst de hoofdpersoon naar zijn eigen romans, waarin hij diverse gebeurtenissen uit zijn leven – die in dit verhaal aan de orde komen – als materiaal heeft gebruikt. Wie zelf de romans van Enquist niet gelezen heeft, weet niet of het waar is dat die romans ook werkelijk over die gebeurtenissen gaan.

    Om het allemaal nog ingewikkelder te maken, maakt de oude schrijver die de hoofdpersoon van dit boek is, gebruik van zijn werkboeken. Hierin maakte hij zijn leven lang aantekeningen voor de romans die hij schreef. Ook hier gaat het in werkelijkheid over de romans van Enquist, al noemt hij geen enkele van diens titels.

    Het is door dit alles moeilijk om grip te krijgen op het verhaal. Pas na acceptatie van dat feit, door de onbegrijpelijkheid te zien als een bewust beoogd effect, ziet de lezer langzaam maar zeker een gedachtenbouwwerk oprijzen in het hoofd van deze hoofdpersoon, deze oude schrijver, die aanvankelijk van plan is de grafrede voor zijn moeder te herschrijven, maar daar uiteindelijk niet aan toekomt.

    Het inciting incident van het boek – datgene wat het verhaal in gang zet – is het schrijfblok van zijn vader. Altijd heeft zijn moeder gezegd dat ze het heeft verbrand, dat notitieboek vol gedichten, en nu krijgt hij het toegestuurd, weliswaar zwartgeblakerd langs de randen, maar verder intact. Er zijn alleen negen blaadjes uitgescheurd. Wat heeft daarop gestaan? Gedichten tegen het geloof? Gedichten over seks? De schrijver ziet het als zijn opdracht deze te reconstrueren.
    Het zet een stroom van herinneringen bij hem in gang, die vooral te maken hebben met het geloof, met de verlossing, en met liefde en seks. Zo laat hij, bijna tachtig, staand aan de oever van de rivier tussen leven en dood, zijn leven en zijn familie aan zich voorbijtrekken. Niet op een chronologische manier, maar associatief, herhalend, terugkerend.
    Een paar jaar eerder is hij teruggegaan naar het eiland van zijn jeugd, waar zijn moeder altijd op een grote steen gezeten over het water uitkeek. Hij wilde controleren wat er klopte van zijn herinneringen. Maar het eiland was verkracht, de bomen omgehakt, de leegte volgebouwd, en hij vond er niet het inzicht waar hij op gehoopt had.

    Hij verwoordt dat zo:
    ‘Waarom was hij naar hier teruggekeerd. Dit was geen afdaling in de Rivier van de Wilgenboom*, zoals hij als jongen in Kiplings Kim gelezen had. Voor inzicht moest hij bij zichzelf te raden [sic] gaan.’

    Kim en de rivier uit dat boek (een rivier die is ontstaan door een afgeschoten pijl van de Boeddha, en waarin je na onderdompeling tot Inzicht komt) spelen meermalen een rol in het verhaal. Het boek van Kipling was een van de weinige boeken die zijn moeder bezat, en hij heeft het drie keer gelezen, voor zijn moeder het verstopte en later verbrandde. De oude schrijver vergelijkt zijn eerste seksuele ervaring met het afdalen in deze rivier.
    Later schrijft hij: ‘Helder denken wordt steeds moeilijker. Welke rivier? Die van het inzicht of die van de dood?’ (p.123)
    Niet alleen het motief van de rivier, ook de naam Kim komt vaker voor. De kat van een van zijn krankzinnige familieleden heet ook zo.

    Het boek zit op een razend knappe manier vol met literaire verwijzingen. Sommige schrijvers worden rechtstreeks genoemd, zoals Stieg Larsson en Kierkegaard. Soms verstopt Enquist ze subtiel in zijn formuleringen. Zoals bijvoorbeeld ‘er kwamen andere kamers, andere deuren’ (p.41), verwijzend naar Other voices, other rooms van Truman Capote, en zo extreem efficiënt een beeld schetsend van die periode uit zijn leven. In een brief van een achternichtje staat ‘het centrum was weg’ (p.48), verwijzend – wie weet zelfs met een cynisch soort humor want de brief gaat over seks – naar The centre cannot hold uit The Second Coming van Yeats. (Het laatste hoofdstuk heet: De gelijkenis van Jezus’ tweede wederkomst.)
    De oude schrijver vergelijkt het geschrift waaraan hij nu werkt – het boek dat wij als lezer lezen – met de achtste symfonie van Sibelius: ‘een partituur over een verspild leven.’ (p.119) Bovendien is deze symfonie nooit voltooid, en nooit teruggevonden. Is hij verbrand, zoals de schrijver altijd dacht van de blocnote van zijn vader, of zal ook dit manuscript nog ooit gevonden worden?

    Maar terug naar het verhaal.
    ‘Een oude schrijver kijkt terug op zijn leven, en de rol die godsdienst en liefde hebben gespeeld in het leven van hem en zijn familie.’ Dat is de kortste versie.
    ‘Een oude schrijver geeft de gedachten weer zoals ze bij hem opkomen nadat hem het verloren gewaande notitieblok met zijn vaders gedichten is toegestuurd. De blocnote heeft een rol gespeeld in verschillende van zijn boeken, en moet hij die nu herzien? Moet hij de verhalen herzien die hij zichzelf over zijn jeugd en verdere leven heeft verteld? Het verhaal van dit boek gaat over alles wat hij tot nu toe verzwegen heeft. Hij noemt het aanvankelijk een herziene versie van de grafrede voor zijn moeder, en misschien wordt het dat ook. Hij noemt het ook een reconstructie van de negen blaadjes die uit het schrijfblok zijn gescheurd. De roman telt niet voor niets negen hoofdstukken, met negen gelijkenissen als titel. De oude schrijver noemt het boek een liefdesroman, omdat het de lichamelijke liefde is die hij als verlossing ziet, en als de beste manier om de zin van het leven te ontdekken.’

    In feite kan geen omschrijving van de inhoud recht doen aan het effect dat dit boek op de lezer heeft. De oude schrijver is na een beroerte niet meer helemaal helder van geest, hij valt in herhalingen, spreekt zichzelf tegen, roept zichzelf toe: genoeg hierover! Hou eens op met herkauwen!
    De lezer waart rond in zijn geest, een magisch en raadselachtig labyrint met af en toe de helderste uit- en inzichten. Aanvankelijk voelt het boek als een ondoordringbaar struikgewas, maar gaandeweg bloeit het open. Het is geen verhaal van A naar B, ‘de projectieschermen … gingen steeds hallucinerender in elkaar over’ (p.140) maar een boek dat die belangrijkste aller spieren: de verbeeldingskracht, aan het werk laat zien. Uiteindelijk is het misschien wel een brief aan de vrouw aan wie hij zijn maagdelijkheid verloor, de vrouw op de kwastvrije grenen vloer. Tijdens het lezen stijgt de bewondering, het is een boek dat herlezing verlangt.
    ‘Maar van een liefdesroman zou het nooit komen.’ (p.155)

    * De Rivier van de Wilgenboom heet in Kim van Kipling ‘The River of the Arrow‘, en ook in de Duitse vertaling van het Boek der gelijkenissen staat er ‘Fluss des Pfeils.’

     

     

  • ‘zwei eins sieben fünf vier sieben drei’

    ‘zwei eins sieben fünf vier sieben drei’

     

    Van Michael Chabon (1963) zijn meerdere boeken in het Nederlands vertaald. De bekendste zijn De geheimen van Pittsburgh en Wonderboys. Voor  De wonderlijke avonturen van Kavalier & Clay, het verhaal over twee striptekenaars in New York tijdens de Tweede Wereldoorlog, ontvangt hij in 2001 in de categorie fictie de Pulitzerprijs. De prijs bedraagt 7.500 dollar voor ‘distinguished fiction by an American author’.

    The Final Solution uit 2004 is nu in vertaling verschenen als De laatste oplossing. Het verhaal speelt, net als De wonderlijke avonturen van Kavelier & Clay, tijdens de Tweede Wereldoorlog. De eerste zin plaatst de lezer meteen in het verhaal: ‘Over het spoor liep een jongen met een papegaai op zijn schouder’. Een imker van 89 jaar, ooit vermaard als detective, ziet vanuit zijn huis op het Engelse platteland dat de jongen wil gaan plassen midden op de spoorbaan. Hij legt zijn British Bee Journal aan de kant en hijst zich uit zijn stoel om hem te waarschuwen dat de middenrail onder stroom staat. Op zijn vraag wat hij daar doet, probeert de jongen antwoord te geven, hij doet zijn mond open en dicht, maar er komt geen geluid. Uiteindelijk zegt zijn papegaai, een Afrikaanse grijze roodstaart op zachte toon: ‘zwei eins sieben fünf vier sieben drei’.  De jongen kan of wil niet praten. Wie is hij, en waar komt hij vandaan?  ‘Zijn hardnekkige zwijgen deed meer vermoeden dan alleen een gebrek aan bereidheid om antwoord te geven.’

    De oude bijenhouder heeft –  zoals hij op de tekening op pagina 14 wordt afgebeeld met pijp en vergrootglas – veel weg van Sherlock Holmes. De illustratie van Jay Ryan toont hem in een hoge stoel met de volgende tekst op de rugleuning:  ‘Here was a puzzle to kindle old appetites and energies.’ De tekst in de tekening is niet vertaald, in de novelle lezen we: ‘Een eenzame Duitser in de South Downs in juli 1944, en zo jong bovendien – dat was een puzzel die zijn oude interesse en energie tot leven wekte.’

    De jongen blijkt de negenjarige Linus Steinman te zijn, een Joodse vluchteling uit Berlijn die met zijn papegaai is opgevangen bij het gezin van pastor Panicker. Hij en zijn vrouw hebben ook andere kostgangers in huis. De jongen praat met niemand, maar hij kan wel horen. Hij kan bijvoorbeeld geschrokken reageren als er iets valt. De jongen lijkt zwaar getraumatiseerd. ‘Alle uitkijkposten in het hoofd van Linus Steinman waren onbemand.’

    De papegaai die Bruno heet, draagt stukken voor uit Der Erlkönig van Goethe en hij zingt ook cijferreeksen in het Duits waarmee hij sommige bewoners uit de slaap houdt. Tijdens een zondagsmaaltijd roept de zoon des huizes dat de vis bedorven is. Zijn moeder geeft hem een draai om zijn oren en de zoon zegt verbaasd ‘Moeder’. De papegaai echoot ‘Moeder’ en zingt daarop ‘Wien, Wien, Wien, Sterbende Märchenstadt…’, een schlager van voor de oorlog. Bij Linus staan de tranen in zijn ogen als hij dit lied hoort. Zijn de teksten een herinnering aan zijn vader en moeder? De jongen kan het niet vertellen, maar papegaai Bruno geeft met zijn zang en uitspraken een stem aan een verleden.

    Een van de kostgangers is zeer geïnteresseerd in de cijferreeksen van de papegaai. Zijn het geheime codes? Het verhaal komt op stoom met een moord en de diefstal van Bruno. Wie heeft de moord gepleegd en wie heeft de papegaai van Linus gestolen? En waarom? Er komt een politieonderzoek en de onervaren agenten roepen de hulp in van de oude man. Die wil voor de jongen de papegaai terugvinden. Het gaat hem niet zozeer om het vinden van de moordenaar.

    De novelle wikkelt twee verhaallijnen af. Er is het detectiveverhaal over het oplossen van de moord en het al dan niet levend terugvinden van de papegaai. De andere verhaallijn ontrafelt het verleden van de jongen. Wat is er gebeurd in Berlijn en waarom praat hij niet?

    Zo is de oude detective op zijn 89ste bezig met het oplossen van zijn laatste zaak. Hij krijgt hoog bezoek uit Londen. Het is kolonel Threadneedle, een officier van de inlichtingendienst: ‘Men was van mening dat u recht had op een verklaring.’  Hij vertelt dat de jongen en zijn ouders in 1938 van deportatie zijn gered.

    Later helpt Linus de oude imker bij het oogsten van de honing uit de bijenkorven. Linus volhardt in zijn zwijgen. Hij communiceert via gebrekkige briefjes. Hij schrijft:‘WHY DOG OV KRISCHIN DON’T LIKE JUDISH SDIK?’  De oude man snapt niet wat hij bedoelt.

    De hoofdstukken over de bijen en hun leven in de korven zijn een cruciaal onderdeel van de novelle. Het zoemen van de bijen is voor de oude man ‘het lied van een stad, een stad zo ver van London als London van de hemel of van Rangoon verwijderd was’. En ‘Iedere dood in de stad der bijen was gepland, alles was ervoor geregeld, al tientallen miljoenen jaren geleden; ieder sterfgeval dat zich voordeed, werd efficiënt en onmiddellijk vertaald in leven voor de korf.’

    De geschiedenis van het bijenvolk en de achtergrond van de jongen worden op een slimme manier met elkaar in verband gebracht. Linus helpt de oude man met het uit de raten slingeren van de honing. Zoals de bijen zoemen, zo zingt Bruno Duitse getallen. Het wordt ook duidelijk van wie de papegaai die getallen en de Duitse teksten heeft geleerd. Linus is als Joods opvangkind ook ver weg van Berlijn. De Duitse getallen zijn ook het ‘lied van een stad’. Over wat hij in Berlijn heeft meegemaakt, kan hij niet praten. Op deze manier verwijst De laatste oplossing naar de ‘Endlösung der Judenfrage’, de systematische genocide van nazi-Duitsland op het Joodse volk.

    De lezer ervaart de gebeurtenissen veelal via de naamloze oude man. In een van de laatste hoofdstukken rijdt hij mee met Pastor Panicker naar Londen. De stad ligt door de Duitse bombardementen in puin. Het perspectief verschuift van de oude man naar Bruno de papegaai en de oplossing van het verhaal komt in zicht.

    Het verhaal zit bijzonder knap in elkaar. Het verschuivend perspectief geeft het verhaal mede structuur. Via de oude man en andere personages, inclusief de papegaai Bruno, krijgt de lezer stukje bij beetje een beeld van de gebeurtenissen.  En opmerkingen van een ouderwetse verteller verhogen de spanning: ‘En wát dat beloofde, dat had de oude man /…/ nooit ofte nimmer  zelfs maar in de verste verte kunnen vermoeden.’

    Door de verschillende perspectieven beseffen we aan het einde van het verhaal wat er met de jongen is gebeurd. De vraag blijft wat de cijfers in het lied van de vogel betekenen. Zijn de cijfers nummers op de treinen naar de vernietigingskampen of de nummers van de gevangen? Het  boek geeft geen uitsluitsel. De lezer blijft achter met de vraag of er wel een laatste oplossing is. In de woorden van de oude man: ‘Worden alle problemen opgelost of vertegenwoordigen de onoplosbare problemen, de doodlopende sporen, de onopgeloste zaken de ware aard van het bestaan?’

    Michael Chabon heeft een prachtig en indringend boek geschreven.

    De laatste oplossing verschijnt voor het eerst als The Final Solution: A Story of Detection (‘in a slightly different form’) in The Paris Review #166, Zomer 2003. Onder de titel staat o.a. dat Michael Chabon door Sir Arthur Conan Doyle aan dit boek is begonnen. In een interview, te vinden op Youtube, vertelt Michael Chabon dat hij zich heeft laten inspireren door het laatste verhaal over Sherlock Holmes, The Final Problem.

     

     

  • Het is niet al goud wat blinkt

    Het is niet al goud wat blinkt

    De setting en de sfeer die ze beschrijft, zetten de toon. Het eerste deel van Al wat schittert van Eleanor Catton heeft alle kenmerken van een klassieke ‘whodunnit’. Maar, Catton speelt met de traditionele vorm van de detective, voegt elementen toe en past hier en daar wat aan. Zo wordt Al wat schittert meer dan een gewone misdaadroman.

    Twaalf mannen bevinden zich in één ruimte van een hotel in Hoktika, Nieuw Zeeland. Ze hebben ogenschijnlijk niets met elkaar te maken. In de ruimte hangt een geladen sfeer, die vaker voorkomt bij samenzweringen en moordzaken.  Nieuwkomer en buitenstaander Walter Moody is door de groep omgedoopt tot detective. Hij hoort hun verhalen aan, waaruit hun onschuld moet blijken, en moet drie zaken oplossen. Het gaat om de raadselachtige dood van de kluizenaar Crosbie Wells, de mysterieuze verdwijning van de avonturier Emery Staines en de verdachte zelfmoordpoging van het hoertje Anna Wetherell. Deze drie gebeurtenissen, die plaatsvonden op de avond van 14 januari 1866 hangen met elkaar samen en hebben hoogstwaarschijnlijk één gemeenschappelijke deler: het goud dat in de hut van de kluizenaar is gevonden. De twaalf mannen zijn allen op een bepaalde manier betrokken bij de gebeurtenissen en zijn allemaal op bijzondere wijze met elkaar verbonden.

    Aan het woord is de alwetende verteller die ieder personage presenteert in een volgorde die hem het beste uitkomt. Zowel innerlijk als uiterlijk kom je alles over de personages te weten. Je kent ze door en door. Zo lijkt het. Maar hier voegt de Nieuw-Zeelandse schrijfster Eleanor Catton een element toe waardoor het verhaal een andere dimensie krijgt: de astrologie. Ieder personage is verbonden met een sterrenbeeld of hemellichaam. Een sterrenbeeld of hemellichaam is meer of minder zichtbaar, afhankelijk van zijn positie ten opzichte van anderen, en afhankelijk van zijn stand in het zonnestelsel. Zo ook bij deze personages. Zij zijn meer of minder aanwezig, afhankelijk van hun rol in het verhaal en hun relatie met de andere personages.

    Hoewel deze roman door haar hoogdravende taalgebruik en realistische beschrijving van 19de eeuwse personages en plaatsen prima zou passen binnen de Victoriaanse literatuur, is de keuze voor de personages vrij merkwaardig. In tegenstelling tot wat je zou verwachten, beschrijft Al wat schittert niet alleen de blanke middenklasse of arbeidersklasse, maar kent de roman een bont gezelschap van personages van verschillende rassen en milieu’s.

    Op zoek naar een schuldige baseer je je op het gedrag en de acties van de personages en op de informatie die je krijgt van de verteller. Misschien koppel je die aan je eigen vooroordelen. Maar soms blijkt je eerste indruk niet te kloppen, worden bedoelingen anders geïnterpreteerd en vervaagt de grens tussen goed en fout.

    Al wat schittert lijkt op een detectiveverhaal, maar kent veel meer lagen door de verteltechniek, de structuur en de toevoeging van de astrologie. De complexiteit verrijkt het verhaal, maar zorgt er ook voor dat het niet voor iedereen toegankelijk is. Eleanor Catton kreeg voor deze roman de Man Booker Prize 2013. Laten we hopen dat de vertalers Gerda Baardman en Jan de Nijs ook een prijs krijgen voor hun prachtige Nederlandse vertaling.

     

     

     

     

  • ‘De natuur is geen krans madeliefjes’

    ‘De natuur is geen krans madeliefjes’

    Zoals de klimop zich om een boom windt, zo trekken de zinnen in Clair-Obscur (originele titel: An Arrangement of Light) de lezer het verhaal binnen. Nicole Krauss, onder andere bekend van de psychologische roman Het grote huis (Great House) brengt met Clair-Obscur een kort, maar prachtig werkje. Net als in haar vorige werken speelt de schrijfster ook in dit werk met de identiteit van haar personages. De kunstige manier van schrijven en gebruikte verteltechniek maken deze personages geheimzinnig en de sfeer gespannen. Clair-Obscur is een klein boekje met grote nadruk op detail.

    De verteller in Clair-Obscur wordt niet bij naam genoemd. Zijn werkgever evenmin. Deze laatste is ‘de grootste landschapsarchitect van ons land’ en is in staat de mooiste dingen te creëren, zolang hij zijn eigen gang kan gaan. Dat is ingewikkeld, want het zijn moeilijke tijden in het land zonder naam. De landschapsarchitect, de natuur, het land waarin de hoofdpersonages leven, ze hebben één ding gemeen: ze kennen allen een duistere kant die eens tot uitbarsting komt. Deze wordt subtiel besproken, hier en daar uitgelicht en benadrukt door middel van mooie, knap geformuleerde zinnen. Vrijwel iedere zin kent een dubbelzinnigheid, die pas tot uiting komt bij tweede of derde lezing van Clair-Obscur. Wanneer de landschapsarchitect praat over de natuur, lijkt hij deze te vergelijken met zijn land: ‘Ze is agressief en verbazend dodelijk. De zwakken worden gedood, eerst gemarteld en daarna om het leven gebracht, en de sterken worden gevoed door bederf en verrotting.’  Zo wordt de ogenschijnlijk vredige natuur een metafoor voor de wereld waarvan de twee hoofdpersonages zich proberen af te sluiten.

    In eerste instantie lijkt alles mooi. De verteller schildert zijn land, zijn werkgever en de natuur af als de mooiste dingen in de wereld. De lezer weet niet meer dan datgene wat de verteller mee wil delen. Tijd, plaats, namen, ze zijn onbekend. Krauss zei ooit in een interview dat ze in haar verhalen vooral belang hecht aan beelden. Ook in Clair-Obscur zijn het de beelden die een indruk op de lezer achterlaten. Beelden vol poëzie die de harde realiteit verbergen. Bij een eerste lezing is het vooral de beschrijving van de weelderige natuur als een oase van rust en vrede die bijblijft. Maar, bij een volgende lezing vallen de uitbarstingen van de landschapsarchitect op, de verwijzingen naar de wrede werkelijkheid en blijkt ook: ‘De natuur is geen krans madeliefjes’.

    Als de nerven in een blad laat Krauss beeldspraak door het verhaal vloeien om uiteindelijk te ontspringen in een waaier van mogelijkheden. Het open eind is als een kers op de taart; een volmaakt slot voor Clair-Obscur, een verhaal waarbij de kracht ligt in die mix van vredige, lichte beelden en donkere, dubbelzinnige beschrijvingen.

     

  • Vruchtbare twijfel

    Vruchtbare twijfel

    Filosoof en schrijver Jannah Loontjens (1974) heeft al een veelzijdig oeuvre op haar naam staan: ze schreef gedichtenbundels, romans, een proefschrift in de literatuurwetenschap en nu ‘Een kleine filosofie van het schrijverschap’: Mijn leven is mooier dan literatuur. Een essay over lezen, schrijven en literatuur. In dit werk komen haar achtergronden mooi samen: op filosofische wijze, en met kennis van de literatuurwetenschap, schrijft Loontjens over literatuur en het schrijverschap.

    Het begin
    De inhoud is net zo divers als haar achtergrond. Loontjens begint met het ‘Begin van een begin’: over de twijfels die bij beginnen horen, de wens om een volmaakte eerste zin te schrijven en de angst of je wel iets orgineels te vertellen hebt. Het laatste hoofdstuk heeft de titel ‘Eindig’: hoe kunnen we een verhaal beëindigen en als af beschouwen? In de hoofdstukken daartussen gaat zij in op invloedrijke leeservaringen, de vraag wat goede literatuur is en wat iemand tot een schrijver maakt.
    Al schrijvend maakt zij slingerende bewegingen en bewandelt zijpaden. Soms schrijft zij over haar eigen persoonlijke ervaringen als schrijver. Vaak verwijst zij naar werk van anderen: van Nijhoff tot Nietzsche, van Connie Palmen tot Marcel Proust en van Frida Vogels tot Virginia Woolf. De modernisten Woolf, Proust, Kafka en Faulkner komen vaak terug. Maar Loontjens verwijst net zo goed naar filmfragmenten, muzieknummers en televisietalkshows.

    De filosoof
    Wat dit boek van andere boeken over literatuur onderscheidt is het filosofische gehalte. Dat uit zich allereerst in de essayistische stijl. Loontjens twijfelt, stelt veel vragen en zoekt. Zij geeft geen pasklare antwoorden, maar zet je aan het denken. Een filosoof twijfelt en die twijfel is vruchtbaar voor literatuur: ‘Zonder twijfel geen eindeloos doorvragen en herbeschouwen. Twijfelen hoort bij denken en daarmee ook bij schrijven’.
    Interessante passages zijn die waarin Loontjens filosofie en literatuur bij elkaar brengt. Bijvoorbeeld als zij schrijft over de schrijversangst en die in verband brengt met het onderscheid dat Heidegger tussen angst en vrees maakt. Vrees hebben we altijd voor iets: voor een aggressieve hond of een gevaarlijke verkeersituatie. Zo’n aanwijsbaar object is er niet bij levensangst. Loontjens vergelijkt de schrijversangst met deze existentiële angst: ‘Het verlangen om ‘alles’ te omvatten gaat […] hand in hand met de angst om niets belangwekkends te kunnen verwoorden.’

    De literatuurwetenschapper
    Dat de modernistische schrijvers vaak genoemd worden in dit boek is geen toeval: Loontjens is gepromoveerd op de rol van modernistische literatuur als symbool van westerse ‘hoge literatuur’.
    Veel onderwerpen uit haar proefschrift komen terug in Mijn leven is mooier dan literatuur: zoals het beeld van de gekwelde schrijver in de film Adaptation, de boeken van Faulkner in de boekenclub van Oprah Winfrey en de verfilming van Michael Cunninghams roman The Hours.
    In het nawoord geeft zij aan dat dit boek bevat wat zij niet in haar proefschrift kwijt kon, maar dat ‘in feite de onderliggende voedingsbodem van mijn literatuurwetenschappelijke onderzoek vormde’.

    De schrijver
    Die voedingsbodem is haar eigen schrijverschap. In de introductie van haar proefschrift benadrukt zij dat haar persoonlijke ervaringen met het schrijverschap een bron zijn voor haar fascinatie, maar dat die niet in dit wetenschappelijke werk aan de orde komen: ‘An academic writer, as opposed to a literary writer, is not supposed to draw on intimate observations in her attempt to define aspects of contemporary society’. Haar eigen worstelingen met writer blocks, de angst om te falen en recensenten blijven daar buiten beschouwing. In Mijn leven is mooier dan literatuur kan zij die ervaringen wel een plek geven. Het zijn de mooiste passages in haar essays.
    In de persoonlijke fragmenten zie je ook de pen van een romanschrijver terug, bijvoorbeeld als zij terugdenkt aan een van haar eerste leeservaringen: de boeken Kikker en Pad van Arnold Lobel. Zij beschrijft niet alleen de magische ervaring van het lezen, maar ook – met gevoel voor detail – de ruimte waarin zij het las, de kamer in een kraakpand.

    Literatuur?
    Loontjens wijst erop dat wat we als echte literatuur beschouwen ‘niet alleen door een boek of onze ideeën over literatuur [wordt] bepaald, maar ook door de ontvangst, het lezerspubliek en het imago’. Zij illustreert dat met haar eigen twijfel bij een voorpublicatie van het eerste hoofdstuk van haar roman in de Libelle.
    Als zij gaat onderzoeken wat een tekst literair maakt, noemt zij veel verschillende factoren, zoals ‘aandacht en gevoel voor vorm’, ‘fijnzinnigheid in denken, waarnemen en verbeelden’ en ‘ambiguïteit en het suggestieve’. Het is opvallend dat juist in dit hoofdstuk weinig literaire citaten voorkomen waarin die kwaliteiten worden getoond. Wel haalt zij allerlei interessante uitspraken over literatuur van anderen aan, zoals deze van Arjen Fortuin: ‘Het gaat juist om de verrassing op vertrouwd terrein: de auteur maakt mij iets helder wat ik al vermoedde, maar nog niet zo geformuleerd zag’.
    Loontjens heeft ervoor gekozen zich te richten op fragmenten ‘waarin schrijvers hun eigen schrijverschap onder de loep nemen’. Zij maakt je nieuwsgierig naar meer essayboeken over literatuur. Hoe zou bijvoorbeeld een boek als Reading like a writer van Francine Prose in haar handen eruit komen te zien?

    Deel 2
    En zou Loontjes ooit nog een deel 2 schrijven van deze ‘kleine filosofie van het schrijverschap’? Nu gaat zij vooral in de hoofdstukken over het beginnen en eindigen van een roman in op haar eigen schrijfproces. Maar er zijn nog zoveel gebieden waar zij ons met haar onderzoekende blik een kijkje in de keuken van de schrijver kan geven: personages, dialogen, plot en details.
    Mijn leven is mooier dan literatuur maakt je benieuwd naar meer werk van de filosoof en essayschrijver Loontjes over haar ambacht in de hoedanigheid van romanschrijver en dichter.

     

    Mijn leven is mooier dan literatuur
    Een kleine filosofie van het schrijverschap

    Auteur: Jannah Loontjens
    Verschenen bij: Ambo
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 19,95

    (Jannah Loontjens, Popular modernism: representations of modernist literature in popular culture, 2012 (proefschrift)

    Francine Prose, Reading like a writer. A guide for people who love books and for those who want to write them. Union Books, 2012)