• Samengaan van engagement en persoonlijke ervaringen

    Samengaan van engagement en persoonlijke ervaringen

    Ik ga het donker maken in de bossen van is de dertiende bundel van Tsead Bruinja maar de eerste die verschijnt bij uitgeverij Querido en tevens zijn eerste bundel sinds hij verkozen is tot Dichter des Vaderlands begin dit jaar. Gedichten die hij in deze hoedanigheid schreef zijn tevens in deze bundel opgenomen. Merkwaardig genoeg zijn de bladzijden niet genummerd en ontbreekt er een inhoudsopgave. Er is ook geen verantwoording achter in de bundel opgenomen, zodat je niet kunt achterhalen welke gedichten Bruinja in opdracht schreef. De gedichten worden opzettelijk als gelijkwaardig gepresenteerd.

    Geëngageerde dichter

    Bruinja profileert zich in deze bundel als een geëngageerd dichter. Voor sommige dichters en critici is dit vloeken in de kerk. De verkiezing tot Dichter des Vaderlands lijkt deze kant van hem als dichter volledig te hebben losgemaakt. In het vijf pagina’s tellende openingsgedicht schetst hij een caleidoscopisch tijdsbeeld: aan de ene kant zijn we ‘rijker en veiliger dan ooit’, maar ‘wij mogen niet sterven want wij zijn klanten/er is behoefte aan ons’. Het gedicht is een duidelijk politiek statement: ‘ik ben een onderdeel van een belegging/een gezicht in een portefeuille’. Als wij doorgaan met alleen maar in geld denken ten koste van ‘drs. Illegaal’ en de natuur, dan gaat het mis: ‘wij bouwen aan een plafond/terwijl we aan een uitzicht zouden moeten werken’ staat er herhaaldelijk. ‘wij hebben het misschien gehaald/maar onze kinderen nog niet’.

    Zonder sentiment

    Behalve geëngageerd is de bundel ook heel persoonlijk. Algemene observaties worden vaak gekoppeld aan persoonlijke ervaringen, waardoor de gedichten menselijker en inleefbaar worden. Daarbij is alles geschikt als poëziestof. Zo gaat een gedicht over een scheiding plotseling over zijn eigen scheiding, waardoor het een grotere lading krijgt. De toon is opmerkelijk zakelijk, waardoor het gedicht een nog grotere impact heeft: ‘mijn vrouw en ik tekenden gisteren de akten van berusting/waarin staat dat onze echtscheiding is uitgesproken/en dat we afstand doen van alle rechtsmiddelen’. Bruinja is geen sentimenteel dichter. Soms uit het persoonlijke zich in anekdotes: ‘en ik pas me aan/aan hun smaak/zodat mensen er hebberig van raken/en mijn teksten willen/dat loopt vaak rampzalig af/zoals toen met mijn renault/omgekieperd vanaf zijn vaste standplaats/bij ons voor het huis/in de vaart.’ De achteloosheid waarmee hij zijn regels opschrijft maken zijn gedichten sterk.

    Ook met humor bereikt Bruinja een optimaal effect. Deze heeft vaak een absurdistische inslag: ‘ik legde een paar eieren voor de televisie/ en probeerde verschillende programma’s op ze uit/maar de eieren applaudisseerden niet’. Even later staat er: ’ik zette een koekenpan/dreigend naast het mandje met eieren/draaide de volumeknop open bij een nieuw recept van jamie oliver/[…]/maar nog steeds reageerden de eieren niet’. Totdat aan het eind van het gedicht de toon opeens ernstig wordt. Slechts een enkele keer slaat hij de plank mis, zoals met de melige verwijzing naar Mark Rutte in ‘mark my words’.

    Experimentele dichtvorm

    De vorm is volledig vrij: regels en strofen van verschillende lengtes, weinig interpunctie, geen hoofdletters en gebruik van spreektaal. Bruinja houdt van het experiment. Soms bestaat een gedicht geheel uit plaatsbepalingen, een andere keer staan er enkel zelfstandige naamwoorden. In het gedicht ‘herfstvizier’ worden de woorden met tabs gescheiden, vetter en groter afgedrukt en zelfs doorgestreept (terwijl je ze ondertussen wel leest). Zo valt er heel wat te beleven, maar zoals vaak met experimenten vraag je je soms ook af wat je ermee moet. Dat geldt ook voor de opgenomen stripgedichten. Heel geslaagd is weer de tekst ‘Wacht met Henk zeggen als He-Herman zich aan u voorstelt’ vol readymades, waarin vorm en inhoud door de herhaling samenvallen. Van wisselende kwaliteit zijn de Friese gedichten waarmee de bundel afsluit, waar de Nederlandse vertaling als ondertiteling aan is toegevoegd. De stijl is vrij kaal, af en toe is de toon lyrisch, zoals in onderstaand gedicht, een van de weinige korte gedichten:

    retourenvelop

    ‘alle banken in het park nat
    het huis de vijand
    bomen regenen na

    je kijkt naar de zwemmer in de stadsgracht
    naar haar armen in de golven en het asfalt
    begint te bewegen
    traag te stromen

    lava waar je in wilt duiken donkerte
    waar je niet uit terug hoeft te komen

    stapeltje rode regenjas
    zomerkleren sportschoenen
    koptelefoon.’

    De meest afwijkende gedichten vormen de cyclus waarnaar de bundel is vernoemd. In een interview vertelde Bruinja dat deze over de Schotse dichter Alexander Hutchison (1943-2015) gaan, met wie hij zich verwant voelt. Hij heeft ook een gedicht van hem met vertaling opgenomen. In ‘ik ga het donker maken in de bossen van’ wordt ‘de oude man’ als een bos voorgesteld. Het zijn gedichten vol mystieke verwijzingen: ‘als deze wereld onderdeel is van iets wat één is/dan is dat één een één waaraan iets mist’, maar ‘niets ontsnapt uit iets wat één is’ wordt als een mantra in de volgende gedichten herhaald.

    Ik ga het donker maken in de bossen van is een bundel met sterke gedichten, al zijn er ook gedichten die in vaagheid blijven steken door de talloze -onduidelijke- verwijzingen en het voortdurend wisselende perspectief. Meer context was dan prettig geweest, zeker voor de in opdracht geschreven gedichten, waarvan de actualiteit alweer uit het geheugen is verdwenen. Een andere keer is zo’n gedicht weer te concreet, te pamflettistisch. Het blijft een lastig genre, waar de dichter zich de komende twee jaar nog meer in kan bekwamen.

     

  • Fraaie vertakkingen die ontstaan vanuit een wat troebele hoofdstroom

    Fraaie vertakkingen die ontstaan vanuit een wat troebele hoofdstroom

    De van huis uit filosofe Désanne van Brederode (1970) is bekend door haar romans, essays en columns waarin ze vaak levensbeschouwelijke thema’s aansnijdt. In haar werk is ze maatschappelijk betrokken; haar gedachten zijn op de menselijke maat gesneden en soms met een scheutje religieuze waarden vermengd. Verzonnen grond is haar eerste poëziebundel waarin ze met vierenvijftig gedichten stevig aftrapt, maar zich ook overwegend lijdzaam en aftastend opstelt.
    Die aftastende houding doen de gedichten behoorlijk uitdijen. Te midden van de alledaagse dingen en in een eenvoudige schrijfstijl stelt een door liefdesleed beproefde vrouw zich vragen. Zij spiegelt zich aan haar omgeving en meet zich met het verlies van een vallend blad in het najaar of stelt zich op de proef ten overstaan van het frisse lentegroen. De ‘ik’ in deze gedichten zoekt naar een nieuw evenwicht.

    Het rampjaar

    Haar woordkeuze is weloverwogen, en zoomt in op soms behoorlijk tegenstrijdige gevoelens. Hier en daar laat dat een aardig neologisme opbloeien als ‘nijgdrang’ of ‘het ei-groenste e-mineur’. Maar iets in de candlelight-trant van: ‘wat te mooi, te waar is voor onze ogen / te behouden voor de liefde zelf’ sluipt er ook in.  ‘Een kus, te zeer van valse hoop op happy end vervuld’ wordt evenmin geschuwd. En Happinez lijkt met ‘een samenzijn waaraan je eindelijk / mocht worden wie je was’ niet ver. Van de weeromstuit kan het ook een andere kant opgaan, zoals in het openingsgedicht Lente: ‘Welkom bij deze nieuwste versie van uzelf.’ In de cynische ontvouwing die daarop volgt blijkt dat die nieuwste versie een aardige veer heeft moeten laten en het niet zal halen bij het voorbije geluk.

    Het geluk van anderen, daarentegen ‘wordt automatisch jubelend vertaald / en opgeslagen. In codes die u zelf niet kraken mag.’ Maar niet overal lijken de kansen verkeken. Elders lezen we namelijk: ‘Er ligt een gloednieuw leven voor je klaar (…) Alles kan anders. Half november ja, maar / waarom zou het niet al zomer kunnen zijn?’ Met de mogelijkheid in een nieuw leven te vluchten rijst ook de twijfel en de ‘vrees dat er een breuk met het vertrouwde / wordt gevraagd.’ Teveel gehecht aan haar littekens. En tja: ‘Wat moet je met een gloednieuw leven?’ De ik is te ‘trots’ op haar ‘vastberaden weigering’ de ‘tekens’ van een nieuw leven in haar voordeel te duiden en teveel ‘realist’ om zichzelf voor het lapje te houden en de dingen mooier voor te spiegelen dan ze zijn.

    Tussen hoop en wanhoop

    Het ‘rampjaar’ lijkt voorbij, maar het besef ‘Alleen wat niet aan jou herinnert / kan ik aan’ voorspelt nog weinig goeds. Aan de andere kant wordt de heimelijke hoop gekoesterd samen te vallen met de afwezige, gewezen geliefde: ‘dat je mag stilstaan in de trilling van zijn stem’. Het kan dus beide kanten op. Zoals dat ook kan met het oordeel dat men over deze  gedichten kan vellen. Neem een gedicht als:

    Maandagmiddagmeditatie

    ‘De kamer laten vollopen met licht
    zoals je een ligbad met handwarm water vult,
    al was het maar in gedachten. Je ziet jezelf,
    op het naïeve af naakt, over de rand stappen,
    tot aan je enkels in de dampende geur
    van zilverspar stilstaan – dan hurken, knielen,
    zitten, achteroverleunen, alles
    met wonderbaarlijke lenigheid
    en vooral: zonder rillingen of kippenvel.
    Langzaam ballet dat doorgaat tot buiten je huid
    een eenwording met alle rivieren en zeeën
    die je ooit zag, met alle regenplassen waarin je
    zon, schaduw en wolken tegenkwam op bijna
    menselijke wijze – niet alleen aanraakbaar
    maar ook: even breken, zonder pijn te doen.

    Hoe vaak heb ik mijn voeten laten wassen
    door een helwitte hemel die door een eerder
    nog onopgemerkt gat in een schoonzool
    binnenlekte, zacht, een herinnering met de natheid
    van een pas geschilderd doek waarop de glans
    de kleur nog overheerst?

    Aldoor meer buiten komt hier binnen:
    ik zie het gebeuren waar ik bij zit, de nog steeds
    groene esdoorn voor mijn raam mengt donkergoud
    door mijn vloeibare uren, aan baden doe ik niet,
    ook doop ik nog geen pink of teen
    in deze late oktobergloed die liever wordt.
    Een nieuwe dans die bestaat uit het uit boeken en stromingen
    losweken van te vaak gebruikte ideeën –
    tot er een bleke ster uit opspringt, voor het eerst.
    De druppel die steun zocht aan de kraan
    schenkt door zijn val een nieuwe druppel, opwaarts,
    en wat mij doorwaadt kan weinig anders zijn
    dan een verlangen zonder meer.’

    Verbindingen

    Het nemen van een bad wordt afgezet tegen het het laten onderdompelen in de binnendringende buitenwereld. Het eerste is een koud kunstje, het tweede lukt maar moeizaam. Geen onaardig idee maar het wordt wat ontsierd door overbodige zinnetjes als ‘al was het maar in gedachten’ en ‘Ik zie het gebeuren waar ik bij zit’. Van Brederode verliest zich daarbij in een breedvoerige uitwerking van de haar gekozen beelden. De ingezette verhaallijn stokt, waardoor de lezer de hem voorgehouden parallellie tussen baden in water en baden in het binnendringende buitenlicht, maar moeilijk kan volgen.
    Naast diverse vormen van water, is er ‘een herinnering met de natheid van een pas geschilderd doek’ en ‘mijn vloeibare uren’. Het verband is hier ver zoek. En tussen  ‘Langzaam ballet’ en ‘een nieuwe dans’? Het slot, als de kraan van het bad weer opduikt, trakteert gelukkig op een fraai beeld van ‘De druppel die steun zocht aan de kraan / schenkt door zijn val een nieuwe druppel, opwaarts’. Opbloei uit verlies. De twee laatste regels sluiten het gedicht ietwat kitscherig af. Tussen een paar mooie beelden lijkt dit gedicht iets te willen zeggen wat niet goed uit de verf komt. Op zich is er niets tegen poëzie waarin de opgeroepen beelden zich loszingen en op zichzelf gaan staan, maar dat lijkt niet inzet van deze gedichten. Hier wordt een gedachtestroom uitgezet en des te onbevredigender als de lezer die gaande het gedicht steeds troebeler ziet worden.

    Scherpgetande beelden

    Mooie regels als: ‘Soms valt een oud hart uit een borstzak’ krijgen geregeld een vervolg dat er niet echt toe doet. In het borstzakje wordt bijvoorbeeld vermeld dat het ‘klam, vervilt, te ruim voor de gekrompen stof’ was geworden. Alle begrip dat zo’n borstzakje makkelijk dingen wil verliezen. Maar we hoeven het borstzakje niet te begrijpen. We zouden begrip moeten opbrengen voor de regels van deze gedichten. Sterke, scherpgetande beelden verliezen aan kracht wanneer ze uitgeserveerd worden in een verhalende, verklarende bedding. De bredere uitleg doet het pregnante beeld tekort. Van Brederode schijnt dat ook te beseffen als ze schrijft:  ‘Zoals je soms een regel openlaat. / Opdat wat niet te maken is bestaat.’ Dat lijkt me de juiste richtlijn!

    Verzonnen grond is niet geheel geslaagd, al proef je hier en daar de toon van een dichter die een goed poëtisch beeld kan plaatsen. In de betere passages is het tegendraadse niet te herleiden tot het voor de hand liggende en worden er rake formuleringen geplaatst als: ‘Nooit hoop ik het terloopse te beheersen’.  De toon is overwegend luchtig met ruimte voor speelse vondsten. Zo wordt gehoopt dat de planten in de tuin zich ‘zwenk- en wuifbereid’ zullen gedragen.

    Wat van deze bundel bij blijft zijn de prettige aftakkingen, de fraaie zijriviertjes die ontstaan uit de niet altijd heldere hoofdstroom. Zoals uit het gedicht Bij de regen: ‘Van de wens alleen / de sprong omhoog, / de val: de ster nog niet. / De vele, talloze routes. / En die weer uitgewist.’ Waarmee hier niet iets overgaar wordt opgediend, maar al dente.

     

  • Ideeënroman over keuzes en leven in vrijheid

    Ideeënroman over keuzes en leven in vrijheid

    Creatief met woorden moet wel het devies zijn van Pauline Genee (1968). Hetzelfde devies wordt overgenomen door hoofdpersonage Ava in de roman Roadblock. Hoewel deze roman nog maar de tweede is op het conto van Genee, mag ze toch als een van Nederlands aanstormende talenten gezien worden. Creativiteit is niet nieuw voor Genee. Het was haar grote droom om balletdanseres te worden, maar haar avontuur bij de Leerlingen van het Nederlands Danstheater mislukte waarna ze met taal aan de slag ging ging. Ze studeerde Frans en Russisch en werkt sinds 1995 als speechschrijver op het ministerie van Buitenlandse Zaken. In 2014 brak ze door met het alom geprezen debuut Duel met paard, een historische roman waarvoor ze genomineerd werd voor de Anton Wachterprijs. Nu, vijf jaar later, verschijnt haar tweede roman Roadblock.

    Over juiste keuzes

    Roadblock vertelt het verhaal van Ava. Na haar verbroken relatie met Peer, een kunstschilder, zoekt ze nieuwe oorden op. Ze volgt een opleiding om als waarnemer in een vreemd land de verkiezingen te volgen. Bij de eerste missie gaat het mis. Haar gezelschap stuit op een roadblock en wordt gegijzeld. Ava weet verder niet wat er met de rest van haar groep gebeurt. Zijzelf wordt meegesleurd naar een kale berg waar ze, bewaakt door mannen met bivakmutsen, de rest van de lange gijzeling doorbrengt. Tot zover de plot van het verhaal.

    Roadblock gaat over veel meer dan een gijzeling, het is een roman die  de geest exploreert en inzoomt op het maken van keuzes. Daarom is het ook niet belangrijk waar de gijzeling plaatsvindt of wie de gijzelnemers zijn. Genee laat dit ook de hele roman in het ongewisse. Roadblock is vooral een zoektocht van Ava naar zichzelf, een gewetensonderzoek naar de vraag of ze wel de juiste keuzes heeft gemaakt. Het eerste hoofdstuk focust op Ava’s opleiding, maar tussen de regels door leer je de ware achtergrond van haar beslissing om deze missie aan te vatten. Ze wil met zichzelf in het reine komen. In haar relatie met Peer droeg ze een geheim met zich mee. Ze kon het niet opbrengen om Peer hiermee te confronteren en dit leidde tot de breuk. Peer trekt zich terug in een kluizenaarsbestaan, zij trekt de wijde wereld in maar komt eveneens in een kluizenaarschap terecht. Het grote verschil met Peer is evenwel dat hij hiervoor koos, zij wordt hiertoe gedwongen.

    Gegijzelde levens

    In haar hut op de kale berg zit Ava geketend haar dagen, weken, maanden af te tellen. Ze overweegt haar opties. Als de ‘Baard’ – de hoofdgijzelnemer – haar meedeelt dat ze ‘levend meer waard is dan dood’, vermoedt ze dat er financiële of politieke motieven achter haar gijzeling schuilen en dat de diplomatieke mallemolen haar wel vlug vrij zal krijgen. Als er uiteindelijk geen schot in de zaak komt, kiest ze haar eigen weg. Ze onderneemt drie mislukte ontsnappingspogingen. Langzaamaan groeit echter een soort van vertrouwensrelatie tussen haar en de gijzelnemers. Ze beseft dat ze afhankelijk wordt van hen.  Ze probeert allerlei informatie te verzamelen over haar locatie, haar teamgenoten, maar blijft toch in het ongewisse. De lezer krijgt een inkijk in het hoofd van Ava. Haar geheim wordt langzaam ontrafeld. Het verhaal van eenzaamheid en duisternis krijgt langzaam betekenis. Ava houdt zich recht door taalspelletjes in haar hoofd of door imaginaire wedstrijdjes te organiseren tussen de torretjes en spinnetjes in haar hut. Uiteindelijk kiest ze ervoor om een laatste ontsnappingspoging te ondernemen. Waarheen deze ultieme vlucht leidt, blijft ook voor de lezer een raadsel.

    Vrijheid en gebondenheid

    Genee slaagt erin om van Roadblock een spannende psychologische roman te maken. Het verhaal op zich wordt gebruikt als instrument om enkele ideeën op een zeer doordachte manier uit te werken. De idee van vrijheid lijkt hier de belangrijkste. Hoe vrij is de mens? Welk impact hebben keuzes op het bestaan en hoe kan je verkeerde keuzes weer rechtzetten. Ava’s gebondenheid en vrijheid met Peer wordt geplaatst tegenover de onvrijheid en afhankelijkheid van de gijzelnemers. In beide gevallen groeit onzekerheid, twijfel, maar ook vertrouwen. Genee toont hoe verplichtingen en kansen een nieuwe richting en wending  kunnen geven aan het leven, maar ook hoe ingrijpend deze kunnen zijn. De manier waarop Genee Ava’s innerlijke strijd schetst, de twijfels en de onzekerheid, de angst en het verhaal van de gemiste kansen is bijzonder. De taal houdt het midden tussen spanning en berusting. Korte en lange zinnen wisselen elkaar af, de intense sfeer wordt soms doorbroken door een luchtige noot, maar Genee schrijft zeer beheerst en houdt de teugels strak in handen. De lezer blijft met een krop in de keel naarstig hunkeren naar de ontknoping, maar blijft, net als Ava, met vele vragen achter. Dit stoort echter geenszins. Het verhaal zindert na en nodigt tegelijk uit tot diepere hersenspinsels en enige zelfanalyse.

     

  • Een verhaal vol ‘goed ontsporende zinnen’

    Een verhaal vol ‘goed ontsporende zinnen’

    De in Twente geboren en in Gent woonachtige schrijver Marc Reugebrink heeft met Zout een tragisch, hilarisch verhaal geschreven over de teloorgang van een dorpsgemeenschap. Hij schrijft lyrisch, gebruikt beeldrijke taal: literatuur pur sang. En vermakelijk om te lezen; ook in de naamgeving van personen en plaatsen klinkt veel plezier door. Reugebrink heeft een voorkeur voor de lange, goed opgebouwde zin of zoals hij zelf zegt ‘de goed ontsporende zin.’
    Het idee voor dit verhaal heeft Reugebrink naar eigen zeggen opgedaan in zijn geboortestreek waar eind negentiende eeuw een baron een waterput sloeg, waar tot ieders verbazing pekel uit oprees. Reugebrink zag mogelijkheden voor een verhaal over een zoektocht naar de heilige graal: zuiver water.

    Het boek begint met een mooie sfeertekening: ‘Het was André Met De Honden die ons het eerst over de vondst van het zout vertelde. We zaten aan de ronde eikenhouten tafel in De Burggraaf en wachtten in de schemer die nu al weken van ’s ochtends tot in de late middag over Lende hing op het licht. De velden waren drassig, de bossen rondom dropen van het water, de wegen en paden in de wijde omtrek waren modder en slijk. Alles was onbegaanbaar en er restte ons niets dan De Burggraaf met zijn lage plafond en zijn koperen tapkraan. iets dan Baruch die ons zwijgend bijschonk, niets dan Anna, zijn dochter, die soms uit het aardedonker van de achter de bar gelegen keuken met een schort vol donkerrode vlekken en vegen en met haar bleekblauwe mollige armen tevoorschijn kwam en zonder iets te zeggen een schotel bloedworst of zure zult midden op onze tafel zette. Wij vielen aan als wolven, wij dronken gulzig onze glazen leeg en keken vervolgens weer door het bobbelige glas van het raam naar hoe een wolk de top van de kerktoren omkringelde en uiteindelijk verzwolg. De mist was als een hoepelrok van een vrouw die langzaam door haar knieën zakt.’

    Het fictieve verhaal speelt zich af aan het eind van de negentiende eeuw, op het landgoed van baron Jacob Unico Wilhelm van Rudersdorf Helmstadt en zijn vrouw barones Agnes Christina Helmstadt van Uitganck, bewoners van kasteel ’t Raesfelt, gelegen in het landelijke Lende. Tijdens een theekransje van de baron en de barones met Julius Vrijmoedt, een persoonlijke vriend van de baron, twijfelt deze laatste aan de kwaliteit van het water. Het drinkwater komt uit een sterk vervuilde rivier. Hij suggereert de baron om een waterput te slaan. Starend in zijn thee, zachtjes schuddend met het kopje, zag hij ‘hoe het vlies brak als dun ijs op een boerensloot.’

    De barones raakt helemaal van de kaart van zijn onheilspellende mededeling:
    ‘En terwijl Julius Vrijmoedt sprak over buikkrampen en bloedloop, over braken en diarree, over kinderen die uitgeteerd in vochtige huizen het leven lieten, zwangere vrouwen die maanden te vroeg bevielen van bloederige wezentjes die niets menselijks hadden, en over nog andere zaken die beslist ongepast waren als gespreksonderwerp tijdens een namiddags thee-uurtje, voelde ze hoe iets onder haar lijfje van witkatoenen batist, iets onder haar middenrif, waar het nauwsluitende, eigenlijk te krap zittende lijfje overging in een rok met brede volants – hoe daar iets begon te grommen en te grauwen.’

    Vanaf dat moment gaat het mis en van kwaad tot erger, alles raakt in het ongerede. De baron laat waterputten slaan maar vindt alleen maar pekel. Daar neemt hij geen genoegen mee, hij blijft het proberen. Uiteindelijk delft hij het onderspit, blijft de barones weigeren water te drinken, en volharden de dorpelingen in hun passiviteit, de baron staat er alleen voor. Het is hem zwaar te moede. Het meest opmerkelijke in deze novelle is de ineenstorting van een dorpsgemeenschap, een lokale samenleving, nadat een buitenstaander zijn zorgen heeft uitgesproken over de waterkwaliteit tegenover de bestuurder van die samenleving. Die wil maatregelen treffen om zuiver water te vinden, maar vindt weinig medestanders. De dorpelingen kijken zwijgend toe, wentelen zich in alcoholisch besprenkelde lethargie en laten toe dat hun gemeenschap volledig ontspoort. Reugebrink richt zich in zijn verhalen vaak op de verhouding tussen het individu en de samenleving; in Zout heeft hij er wel een heel zwartgallige uitwerking aan gegeven.

     

  • Oogst week 8 – 2019

    Een leven zonder einde

    In de oogst van deze week een roman van de Franse schrijver Frédéric Beigbeder, waar ik nog nooit iets van gelezen heb maar wiens werk, nu ervan gehoord is, gelezen zal gaan worden. Dan  een roman over collaboratie met de bezetter door Kristien Hemmerechts, een nieuwe dichtbundel van Tomas Lieske en een klein, doch fijn boekje van Bert Wagendorp.

    Bij De Geus verschijnt Een leven zonder einde van journalist, literair criticus en romancier Frédéric Beigbeder (1965). Beigneder werkte jarenlang als tekstschrijver op een reclamebureau. Als schrijver brak hij door met de roman 99 francs (2000), waarin hij de reclamewereld kritisch beschrijft. Internationale aandacht verkreeg hij met zijn boek Windows on the World (2003), waarin hij afwisselend het verhaal beschrijft van een man en zijn zoontjes die in het restaurant van het World Trade Center aan het ontbijt zitten op de ochtend van de aanslag en van een schrijver die op hetzelfde moment aan een verhaal werkt in de Tour Montparnasse.

    Van de cover van Een leven zonder einde de volgende tekst:

    Vroeger dacht ik één keer per dag aan de dood. Sinds ik de vijftig gepasseerd ben, denk ik er elke minuut aan. Dit boek vertelt hoe ik me voornam te stoppen met dat stomme sterven. Creperen zonder te reageren was geen optie.
    F.B.

    PS: Al heeft het er alle schijn van, dit boek is géén science fiction.’

    Dat klinkt berustend en uitdagend, maar vooral opstandig; dit moet gelezen worden om te kunnen duiden wat de betekenis van dit boek is.

    Een leven zonder einde
    Auteur: Frédéric Beigbeder
    Uitgeverij: De Geus

    Het verdriet van Vlaanderen

    De Vlaamse schrijfster Kristien Hemmerechts (1955) maakte naast haar vele romans, reisverhalen en verhalenbundels ook naam met haar autobiografische essays. Daarvan is Taal zonder mij (1997) wel de bekendste.
    Hemmerechts weet de meest ingewikkelde thema’s op een invoelbare manier te verwoorden. Haar roman De vrouw die de honden eten gaf (2014) over de vrouw van Dutroux, Michelle Martin, deed veel stof opwaaien, maar werd ook geprezen om zijn kwaliteit.

    Haar nieuwe roman Het verdriet van Vlaanderen (wat onvermijdelijk doet denken aan dat andere ‘verdriet van’, door Hugo Claus) gaat over een lange traditie van zwijgen over de collaboratie met de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland en Belgie. De vader van de tweelingbroers Hein en Toon Van den Brempt was een SS’er, hun moeder werkte als secretaresse voor het hoofd van de Belgische SS. Er werd lang over gezwegen maar nu willen zij die stilte doorbreken. Samen met Kristien Hemmerechts gingen ze op zoek naar de waarheid achter de taboes, de leugens en de mythes die na de Tweede Wereldoorlog aanbleven.

    Het verdriet van Vlaanderen
    Auteur: Kristien Hemmerechts
    Uitgeverij: De Geus

    Keto Stiefcommando

    Poëzie: Deze week verscheen de nieuwe dichtbundel van Tomas Lieske, Keto Stiefcommando. ‘Een knots en Lieskiaans theatraal verhaal van een serie bendeleden uit Saint Denis die zich met levens bemoeien’, liet tijdschrijft Terras op Facebook weten. ‘De kindertijd van hertogin Anna Amalia’ uit de bundel werd online voorgepubliceerd in op Terras.

    Er zijn Afrikaanse jongens, die onder leiding van ene Keto Stiefcommando gedichten schrijven op helden. ‘Die gedichten brengen ze stuk voor stuk naar de basiliek van Saint-Denis. Zingend en bier in hun droge kelen gietend lopen ze achter de vuilniswagens aan door Parijs. Ze dragen foto’s mee van hun bezongen held en spuiten met rode verf de naam op een monumentale graftombe. Wie zijn die helden van wie zij de kindertijd bezingen? Ze vormen een uiterst eigenaardige verzameling van personen uit de westerse cultuurgeschiedenis: van Garibaldi en Don Quichot tot Eiffel en Thatcher.’
 De bundel wordt als ‘actueel, rauw en verwarmend’ gekwalificeerd.

    Keto Stiefcommando
    Auteur: Tomas Lieske
    Uitgeverij: Querido

    Fictie moet de sport redden

    Columnist en schrijver Bert Wagendorp (1956) schrijft al sinds jaar en dag voor de Volkskrant en schreef verhalen, een roman en een novelle.
    Fictie moet de sport redden is zijn nieuwste publicatie. Over wielrennen als een literair genre om het uit het dal van de nutteloze activiteiten te halen. Wagendorp haalt daarbij de literaire criticus Kees Fens aan, die dol was op wielrennen. Er werd gezegd dat Fens wielerkoersen las, zoals hij  boeken las. Het koersverloop als een verhaal. Fens wenste tijdens het wielrennen kijken dan ook niet te worden gestoord, zoals een lezer niet uit een verhaal wenst te worden getrokken.

    Wagendorp onderzoekt in Fictie moet de sport redden de indruk dat sport in de loop der jaren een dimensionaler is geworden, dat werkelijkheid en verbeelding steeds meer zijn samen gevallen, en de verbeelding verdwenen is. ‘Het is alsof de kale wedstrijd een waarde op zich vertegenwoordigt en we geen fictionalisering meer nodig hebben. Kees Fens zou in een sportcolumn wel raad hebben geweten met deze ontwikkeling.’

    Fictie moet de sport redden
    Auteur: Bert Wagendorp
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Becommentariëren van elkaars werk

    Becommentariëren van elkaars werk

    De brieven die de romanschrijvers Simon Vestdijk en Willem Brakman elkaar schreven in de jaren zestig, zijn samengebracht in een gebonden prachtuitgave en voorzien van de pakkende titel Gaven, giften en vergiften. Een derde letterkundige in dit boek is Nol Gregoor, wederzijdse vriend van de twee hoofdfiguren. Gregoor introduceerde Brakman begin jaren vijftig bij Vestdijk thuis in Doorn. Een persoonlijke kennismaking nadat Gregoor eerst Brakmans eerste verhalen onder ogen van Vestdijk had gebracht.

    Welke specifieke en merkwaardige rol deze Gregoor in de Nederlandse literatuur gespeeld heeft, komt in de inleiding van het brievenboek nauwelijks uit de verf. Samensteller Nico Keuning vermeldt over Nol Gregoor slechts: ‘rijksambtenaar, publicist en later radio-interviewer’.

    In vrijwel elke brief van de twee romanschrijvers, is Gregoor het mikpunt van spot die vooral toch als vriendschapsbetuiging van beide heren moet worden opgevat. Zij stelden de belangstelling van Gregoor zeer op prijs. Bij vele schrijvers was hij kind aan huis en als biograaf legde hij een mateloze interesse aan de dag voor niet zozeer het werk, alswel voor de persoon achter dat werk. Hij was gek op handschriften en manuscripten, en leidde een kleurrijk bestaan waarover talloze anekdotes de ronde deden. Wat in Gregoor voor de twee romanciers zo boeiend was blijft in de inleiding buiten beschouwing. In de daaropvolgende brievenverzameling is Gregoor dan ook niet meer dan een schimmige figuur.

    Nadat Brakman zijn debuut Een winterreis (1961) met een begeleidende brief aan Vestdijk had verstuurd , schreef Vestdijk hem terug. Dat was het begin van een langdurige correspondentie tussen Doorn en Enschede.
    Vestdijk prees in zijn eerste brief het boek van Brakman die daar zeer gelukkig mee was. De beroemde Vestdijk zag hem als een evenknie. De erkenning van de man uit Doorn die Brakman zeer bewonderde, zal zeker van invloed zijn geweest op de honorering van een ongewoon verzoek van Vestdijk in die eerste brief. Kon Brakman, die bedrijfsarts was, zelf tranquillizers slikte en als student in een psychiatrisch ziekenhuis ervaring had opgedaan, hem aan medicatie helpen om zijn gemoedstoestand te verlichten? Vestdijk leed sinds zijn jeugd aan depressies waardoor hij vaak tot zijn groot verdriet wekenlang niet kon schrijven. Hij gebruikte broom, een ouderwets kalmeringsmiddel dat in de jaren vijftig, begin zestig nog werd voorgeschreven maar waar hij weinig baat bij had. Andere psychedelica waren er wel maar werden zelden verstrekt.

    Evenals Brakman was Vestdijk arts. Alleen heeft Vestdijk na zijn afstuderen slechts korte tijd zijn vak uitgeoefend waarna hij voor de literatuur koos. Hooguit sprak de dokter nog in hem in de studies De zieke mens in de romanliteratuur (1964) en Het wezen van de angst (1968).
    De eerste brief van Vestdijk aan Brakman dateert van 2 juli 1961. In dat jaar was Vestdijk de zestig al ruim gepasseerd en zou hij nog een decennium te leven hebben. Brakman was in de dertig en stond aan het begin van zijn schrijverscarrière. Hij werkte als bedrijfsarts, een baan die hem niet dag en nacht opeiste en een zekere ruimte gaf om te schrijven. Na zijn debuut publiceerde hij in de voetsporen van Vestdijk vele boeken waarvan de eerste boeken sterk onder diens invloed staan. Brakman toonde zich vooral  gevoelig voor de schrijfstijl en humor in de Anton Wachterromans.

    Delibereren over toegezonden medicijnen en becommentariëren van elkaars werk vormen de hoofdbestanddelen van de brieven. Daarnaast gaat het over dagelijkse beslommeringen en het roddelend dwepen met Gregoors liefdesaffaires die Vestdijk en Brakman zelf volgaarne aanknoopten. Diep graven de brieven niet en de breed besproken leverantie van tranquillizers wordt op z’n zachts gezegd al gauw vervelend.

    Brakman schonk een productief schrijversbestaan aan Vestdijk maar of zijn belang werkelijk zo groot was als uit zijn brieven uit Doorn mag worden opgemaakt is zeer de vraag. In een kort voor zijn dood geschreven en postuum gepubliceerde getuigenis, noemde Vestdijk namen van artsen die met de perfecte medicatie zijn leven draaglijk hadden gemaakt en zijn schrijverschap hadden gered. De naam van Brakman was daar niet bij.
    Deze informatie is te vinden in de inleiding op de brieven, die zoals gezegd te weinig toelichting geeft. Verder verdient zij alle lof maar die valt zeker niet aan de daaropvolgende correspondentie ten deel.

    Een veel strengere selectie zou van deze brieven van Vestdijk en Brakman een onderhoudend geheel hebben gemaakt. Dan zou er een boekje uit de bus zijn gerold met een prachtige ‘petite histoire’ maar wel een dat te dun zou zijn uitgevallen. Beter nog zou een uitvoerig essay voor tijdschrift of bibliofiele uitgave zijn, bestaande uit de tekst van de inleiding en aangevuld met de mooiste brieffragmenten.

     

  • Oogst week 43 – 2018

    Om aan te raken

    Harm Hendrik ten Napel is schrijver, filosoof en boekverkoper. Zijn verhalen en essays zijn onder andere in Tirade en De Revisor verschenen, en op Klecks, dat hij in 2016 samen met zijn broer oprichtte. ‘Met Klecks willen we ruimte maken voor literaire kritiek, en dan met name die van poëzie.’

    Onlangs is van hem bij uitgeverij Querido Om aan te raken verschenen, een bescheiden verhalenbundel. Korte zinnen, zonder opsmuk. Heel doelgericht. Zo schrijft Ten Napel. Het lukt de mensen in Om aan te raken niet altijd om uit hun hoofd te komen en de intimiteit te vinden waarnaar ze verlangen. Sommigen weten niet eens dat ze hunkeren, anderen kunnen het moeilijk uitdrukken.

    Uit het verhaal ‘Ze kwam en hij toen ook’:
    Hoelang wist hij het al? Al best wel lang. Al voordat ze iets kregen? Ja, in principe wel. Ze was opgestaan. Wilde ze er nog over praten? Nu niet. Het is oké, hoor, had ze gezegd. Het is oké. Ik ga denk ik maar gewoon vroeg slapen. Bel me morgenavond. Dan praten we verder.’

     

     

    Om aan te raken
    Auteur: Harm Hendrik ten Napel
    Uitgeverij: Querido

    Pessimisme kun je leren!

    Om zijn bloemlezing aan te prijzen met werk van Lévi Weemoedt schreef Özcan Akyol het volgende:

    ‘Aan het begin van deze eeuw, toen ik nog een puisterige puber was, voelde ik een grote behoefte om in de literatuur de antwoorden op mijn levensvragen te vinden. Dat lukte niet. Hoewel ik het kunstenaarsleven leidde, inclusief een getormenteerde ziel en een geveinsde zucht naar drank, net als mijn literaire helden, duwden de meeste boeken me verder in de put. Tot ik het werk van Lévi Weemoedt ontdekte.

    De persoonlijke ellende spat van zijn poëzie, maar hij verpakt het in de liefde voor taal en ongebreidelde zelfspot, een combinatie die ik niet voor mogelijk hield. Als hij een mislukking beschreef, bood me dat troost, en moest ik ongemakkelijk lachen om mijn eigen pathetische overdrijvingen. Nog vaker deed hij me huiveren om zijn tekstuele spitsvondigheid en het superieure spel met woorden dat hij telkens speelt. De gedichten kwamen soms wat kort en eenvoudig op me over, maar er zijn maar weinig dichters die het autonoom na kunnen doen.

    Het gedicht ‘Don Juan Lul’ tors ik al ruim een decennium ingelijst met me mee naar de verschillende huizen die ik heb bewoond. Nu hangt het pontificaal in onze woonkamer. In al zijn eenvoud schetst het een beeld van iemand die ogenschijnlijk alles al heeft opgegeven. In werkelijkheid houdt de taal hem overeind. Iedereen moet Weemoedt lezen! Vandaar deze bloemlezing, die ik met veel plezier heb samengesteld.’

    Pessimisme kun je leren!
    Auteur: Levi Weemoedt
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Drift

    Haar debuut De hemel boven Parijs dat in 2014 bij Cossee verscheen, werd goed ontvangen (‘een wonderlijk eigen toon’, De Groene Amsterdammer, ‘Een droomdebuut’, Tubantia).
    Het werd bovendien genomineerd voor verschillende literatuurprijzen.

    Haar nieuwste boek Drift is bij DasMag verschenen:
    ‘Feit: een jonge vrouw trouwt met haar jeugdliefde.
    Feit: niet veel later, in het holst van de nacht, verlaat ze hem.
    Ze neemt alleen haar dagboeken mee.
    Die vrouw ben ik. Die nacht is nu. Alles ervoor en erna is een verhaal.’

    Bregje Hofstede (1988) studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn. Ze schrijft verhalen en essays. Na De hemel boven Parijs schreef ze de essaybundel De herontdekking van het lichaam: over de burn-out.

     

    Drift
    Auteur: Bregje Hofstede
    Uitgeverij: Uitgeverij Das Mag
  • Oogst week 42 (2018)

    Een Bijlmerliedje

    Een mooie oogst deze week: een coming of age roman van Diana Tjin; de laatste – en naar gezegd wordt zijn beste – roman van Charles Dickens; een familiegeschiedenis door Bart Meuleman en de jeugdherinneringen van de Franse schrijfster Alba Arikha.

    Cartograaf en schrijfster Diana Tjin debuteerde in 2017 met de historische roman Het geheim van mevrouw Grünwald. Haar tweede boek Een Bijlmerliedje is een coming of age roman over het meisje Sheila dat opgroeit in de jaren zeventig in de Bijlmer, waar ze op tienerleeftijd met haar ouders en drie broers is komen wonen. Een verhaal over het belang van vriendschap, rivaliteit, het verlangen mee te tellen en het zoeken naar erkenning als meisje met een Surinaamse achtergrond. Een prettig leesbaar verhaal, dat ook een mooi beeld schets van het Amsterdam in die jaren, de eerste metro, de verlatenheid van die grote flatgebouwen in de Bijlmer.
    In fragmentarische hoofdstukken schetst Tjin de ontwikkeling van een jong meisje waarbij elke ervaring, levensles op speelse wijze gerelateerd worden aan een muzieknummer uit die tijd. Zoals onder andere: ‘Both Sides Now’ van Joni Mitchel, ‘Take Time to Now Here’ van Percy Sledge en ‘To Love Somebody’ van Nina Simone.

    Een Bijlmerliedje
    Auteur: Diana Tjin
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Onze wederzijdse vriend

    Een naar het buitenland geëmigreerde Engelse jongeman krijgt bericht dat zijn vader, die ook wel de Gouden vuilnisman genoemd wordt, is overleden. Hem komt een enorme erfenis toe, mits hij trouwt met een door hem onbekende, en door zijn vader uitgekozen bruid. De jongeman vertrekt per boot naar Londen en sluit tijdens de zeereis vriendschap met een bootsman. De jongeman neemt de bootsman in vertrouwen en vertelt hem van zijn erfenis en de daaraan verbonden voorwaarde.
    Na aankomst in Londen zoeken zij samen onderdak en spreken af om onopvallend op zoek te gaan naar de bruid, om haar te kunnen gadeslaan. Maar de bootsman heeft andere plannen en wil de erfgenaam vergiftigen om dan zijn plaats in te nemen.

    Dan ontwikkelt zich een verhaal met een keur aan personages zoals we die kennen in de verhalen van Dickens. Zoals een wees, een goedhartige arme vrouw, een sluwe arbeider, een geheimzinnig figuur, een gierigaard, het zit er allemaal in. En zoals gezegd, volgens velen overtreft dit werk alle voorgaande werken van Dickens.

    Onze wederzijdse vriend
    Auteur: Charles Dickens
    Uitgeverij: Athenaeum

    Hoe mijn vader werd verwekt

    Bart Meuleman (1965) is toneelschrijver, regisseur en dichter en schreef met Hoe mijn vader werd verwekt zijn tweede roman. Zijn vader werd als baby bij zijn moeder weggehaald omdat ze ongetrouwd zwanger werd. Naar aanleiding van een foto die hij vindt van een vrouw met zijn vader als kind op schoot: – ‘Het was een oude vrouw zoals er duizenden zijn, maar in haar kwade ogen en aan haar grauwe vel zag ik op slag al het slechte waartoe ze in staat was geweest. Ik zag het des te beter omdat op haar schoot, in een wollen truitje en met glimmende schoentjes met riempjes, mijn vader zat, met een blik, verschrikt, die mij vreemd was.‘ – besluit hij op onderzoek te gaan naar zijn grootmoeder.

    Als jong meisje werd zij na de Eerste Wereldoorlog vanuit de Kempen naar Brugge gestuurd om in een gegoede familie de huishouding te doen. Ze raakt zwanger en het kind wordt onder de hoede van een bejaarde engeltjesmaakster gesteld. Aan de hand van materiaal dat Bart Meuleman in de archieven vindt, vermengd met zijn verbeelding geeft hij deze jonge vrouw een stem.

    Hoe mijn vader werd verwekt
    Auteur: Bart Meuleman
    Uitgeverij: Querido

    Herinneringen aan een verloren wereld

    Alba Arikha studeerde vele jaren piano voordat ze zich tot het schrijven wendde. Ze heeft inmiddels vier boeken geschreven en is in vijf talen vertaald. Herinneringen aan een verloren wereld (2012) is haar derde boek en speelt zich af in de jaren tachtig in Parijs. Het appartement waar Alba Arikha en haar zus opgroeiden was het centrum van literaire en artistieke ontmoetingen. Samuel Beckett was haar peetoom, haar vader was de schilder Avigdor Arikha, haar moeder de dichter Anne Atik.

    Arikha’s eigen herinneringen spelen zich af tegen de geschiedenis van haar Joodse familie in oorlog en ballingschap en de altijd aanwezige nagalm van de holocaust. Ondertussen probeert ze zich als opgroeiende tiener halsstarrig te ontworstelen aan haar afkomst.

    Het boek werd in The New Yorker geselecteerd als een van de beste boeken van 2012.

    Herinneringen aan een verloren wereld
    Auteur: Alba Arikha
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Vader geëerd met een boek

    Vader geëerd met een boek

    Geven ontelbare feiten uit iemands leven een helder beeld van die persoon. En is dat eigenlijk wel wat de schrijver wil. Gaat dit boek over de vader, of vooral over de zoon. De lezer die denkt in Oberhausen de vader van Martin Müller, of van de schrijver Maarten Moll te leren kennen, komt bedrogen uit. Het is onmogelijk de vader een onweerlegbare persoonlijkheid toe te kennen. Vader Hermann Müller heeft zijn zoon Martin gevraagd zijn biografie te schrijven. Hij is echter niet bereid vragen te beantwoorden en over zijn leven te vertellen, zijn zoon moet zelf maar nadenken en opschrijven wat hij weet. Jarenlang stelt Martin dat uit of doet slechts halfslachtige pogingen om zijn vader op papier te krijgen. Pas als vader en zoon in Helsinki zijn, de vader voor een naderende auto stapt en daarna in het ziekenhuis in coma ligt, begint zijn zoon op te schrijven wat hij van Hermann weet.

    Oppervlakkige relatie
    En dat zijn feitjes, heel veel feitjes. ‘Ik was helemaal niet in mijn vader geïnteresseerd’, verontschuldigt hij zich in het begin omdat hij nauwelijks invulling kan geven aan wat hij van zijn vader weet. Zo neemt hij het zichzelf bijna kwalijk dat hij niet weet wat Hermann tussen zijn tweeëntwintigste en drieëntwintigste levensjaar heeft gedaan, een vergaande vermeende omissie. Ondanks de wekelijkse bezoeken aan zijn vader na de dood van zijn moeder en de vele films die ze op die avonden samen keken, ondanks de reisjes die ze jaarlijks maakten en het frequente telefonische contact, is de relatie aan de oppervlakte gebleven. Martin weet weinig van zijn vader te duiden.

    Vermoeiende vermeldingen
    Net als in zijn dichtbundel Lichaam (2012) met hetzelfde vader-zoon thema, mengt Moll feit met fictie, met de nadruk op fictie, vertelt hij in een interview. Zijn vader leeft nog en ligt niet in coma. Ergens schrijft hij in Oberhausen: ‘Omdat ik dat had verzonnen.’ Door de talloze – al of niet reële – feiten gaat het je al snel duizelen. Iemand is niet aangereden door een vrachtwagen, maar ‘aangereden door een vrachtwagenchauffeur uit Krefeld’. Ergens gaat het over een oude vrouw in een verzorgingshuis. ‘Het was mevrouw Moddejonge (de enige vrouw die ik heb zien vissen, de vrouw van de beste turfsteker uit Drenthe, tevens een dief van bijenkorven).’ Krefeld, vissen, turfsteker, dief van bijenkorven, het zijn volstrekt overbodige details die het verhaal waar het om gaat onnodig belasten. Namen van bijfiguren en toevallige passanten plus wat aan hen kleeft, het wordt allemaal genoemd. Deze vermoeiende, aan de ‘biografie’ toegevoegde vermeldingen geven de man die geportretteerd wordt geen reliëf. Mogelijk refereert Moll met zijn uitweidingen aan verhalen of gedichten van andere schrijvers (hij is literair redacteur/journalist bij Het Parool), maar, al of niet het geval, hij weet er geen maat mee te houden.

    Hij had een boeiend personage kunnen zijn
    Wat overblijft is een man in een blauw pak die met paarden zwom, op zich een prachtig gegeven. Deze man, ‘die de horzel die zo hard tegen zijn brillenglas was gevlogen dat het brak op het gras legde en wachtte tot hij weer wegvloog’ en die over een vrouw met wie hij kortstondig omging opmerkte: ‘Ze had een stem die ik niet in huis wilde’, had kunnen uitgroeien tot een boeiend romanpersonage als de zoon zich niet zo had uitgeput in wat hij meende te moeten opvullen. Met soms aardige vondsten, dat wel. Zo laat hij zijn vader vertellen dat deze zich had ingeschreven voor twintig gram as van Momo Lady (een paard, AM) en laat hij hem een enkele keer extreem ontevreden zijn: ‘Terug in de eetzaal trof ik mijn vader in een slecht humeur. Om zijn bord lagen, ik moest even goed tellen, elf onthoofde eieren. […] Ik had hem een dergelijk geintje ook zien uithalen in Bilbao, waar hij veertien koppen koffie liet komen voor hij tevreden was met de sterkte van de koffie.’

    Niet van de straat
    En passant wordt duidelijk gemaakt dat de vader niet van de straat is. Want de geschiedenis moet ook gewicht krijgen. De familie Müller heeft een legendarische achtergrond, met een stamboom en Müller-dagen. Alle familieleden geven namen aan de bomen in hun tuin. Alleen Hermann niet, vermoedelijk omdat zijn zus op jeugdige leeftijd uit een boom viel en overleed, een trauma dat hij op hoge leeftijd nog steeds niet te boven is.
    Hij maakt talloze reizen en reisjes, een feit dat nog eens opgevijzeld wordt met de vermelding dat de zoon verwekt is in Florence en de vader zelf in een hotel in Groningen. Hermann draagt goed gekozen kleding, is belezen – zo suggereert Martin / Moll – en bemint de alcohol.

    Mooie zinnen maar wat veel ‘mijn vader’
    Het boek is opgezet in kleine hoofdstukken met titels in alfabetische volgorde, volgens de abc-spelletjes die vader en zoon geregeld speelden waarbij de ander steeds een naam binnen dezelfde categorie moet noemen, bijvoorbeeld van sporters of filmacteurs. Er staan mooie formuleringen in zoals ‘Eenzaamheid is de drank met niemand kunnen delen. Ik wil het liefst de fles in kruipen, maar er is niemand die de dop erop kan draaien.’ En ‘Mijn vader probeerde dat wel, maar zijn moeder snauwde hem af en zijn vader keek alleen maar hardnekkig uit het raam in de hoop Mexico te zien liggen.’ Daarnaast moet de lezer moet wel erg veel ‘mijn vader’ verduren. Soms dertien keer op een pagina. ‘Mijn vader was graag […] de dertiende man op de maan geweest. […] Mijn vader houdt van lange schaduwen. […] Mijn vader vindt dat er te veel bewaard blijft. Mijn vader heeft Caruso gezien.’ Mijn vader dit en mijn vader dat. Bovendien is door het vele heen en weer springen in de tijd soms niet te volgen over wie en waar het precies gaat. En dan komt Moll ook nog af en toe met niet-bestaande dubbelgangers op de proppen.

    Eer aan de vader
    Aan het bed in het ziekenhuis in Helsinki leest Martin zijn vader voor wat hij over hem heeft geschreven. En hoopt dat hij er tevreden mee zal zijn. Waarom Hermann midden in de nacht voor een auto is gestapt blijft in het duister gehuld. Martin vraagt het zich niet af. Hij denkt over voorbije tijden, inventariseert en schrijft. Alles wat hij over zijn vader aan taferelen kan bedenken schrijft hij op. Het lijkt alsof Moll een aantal uitgangspunten in een schema heeft gezet, dwarsverbanden heeft aangebracht en het raamwerk met leuke invallen heeft ingevuld. Juist daardoor is Hermann verbleekt. Maar om dezelfde reden, het vastleggen van de vele kleine wederwaardigheden, is de vader met dit boek toch ook geëerd.

     

  • Op zoek naar een onvoltooid verleden

    Op zoek naar een onvoltooid verleden

    Wieslaw Myśliwski (1932) is een van de bekendste en meest gelauwerde Poolse schrijvers van dit moment. Van hem werden in de afgelopen jaren twee dikke romans door Querido in het Nederlands uitgegeven: Over het doppen van bonen in 2009 en Steen op steen in 2012. Beide zijn epische romans over het verdwenen boerenleven in de periode rond de Tweede Wereldoorlog.
    Nu is er al weer een nieuwe, nog dikkere, onder de titel De laatste hand in vertaling verschenen. Daarin laat hij een verteller aan het woord die zich moeilijk hecht aan mensen, plaatsen en dingen. Hij is in zijn leven van plaats naar plaats en van beroep naar beroep getrokken. Het ouderlijk huis (zijn moeder) heeft hij verwaarloosd en de meisjes die hij heeft gekend heeft hij uit het oog verloren of in de steek gelaten.

    Herinneringen
    De roman begint met een beschrijving van zijn adressenboekje dat uitpuilt van de visitekaartjes en met een elastiekje bij elkaar wordt gehouden. Aan de namen is een wereld van herinneringen verbonden aan mensen, die hun eigen verhaal in het boek vertellen. Zo komt een bonte, bijna onafzienbare stoet van figuren aan het woord: geliefden, personen voor wie hij gewerkt heeft, docenten, mensen met wie hij zaken heeft gedaan, lotgenoten.

    De roman is echter veel meer dan een beschrijving van allerlei vreemde snoeshanen uit het leven van de verteller. Het is in de eerste plaats een ideeënroman over een man die op zoek is naar zijn identiteit. Hij gelooft enerzijds niet aan het bestaan van een eenduidige identiteit: ‘Iedereen is tenslotte een soort verzameling van tegen elkaar botsende fragmenten, net verbrande meteoren die door niets met elkaar worden verbonden, uitgebluste hoop, dromen, smeulende verlangens, verspilde gevoelens, voor leugens doorgaande waarheden, en dat allemaal niet eens in staat is rond een gemeenschappelijke as rond te draaien.’ Door het adresboek – de enige vaste plek die hij zich vergunt – naam voor naam door te vlooien,  probeert hij zich telkens weer een beeld van zijn leven te vormen. De ene naam is daarin belangrijker dan de andere en enkele namen schrapt hij. Zijn leven bestaat in feite louter uit de ontmoetingen met al die mensen. Voor hem zijn de anderen niet de hel, maar ze geven nog enigszins vorm aan zijn vormeloze identiteit.

    De uitdrukking ‘de laatste hand’ is afkomstig uit de wereld van de ambachten. Een kleermaker legt de laatste hand aan een jas, een rietdekker legt de laatste hand aan een dak. In zoverre is de titel van deze roman richtinggevend aan het lezen. Niet voor niets is de kleermaker Radzikowski een van de belangrijkste personen in de roman. De roman speelt zich niet af op het platteland, en brengt niet het boerenleven in beeld, maar het leven van ambachtslieden en handelaren in de stad. De titel verwijst ook naar de verteller die als een soort ambachtsman heel nauwkeurig probeert vast te stellen wie er toe deed in zijn leven en wie hij dus zelf is.

    De verteller is lange tijd een fervent liefhebber van pokeren geweest. In het spel gaat het om de laatste hand, in het Engels ‘The last deal’ die bepaalt wie er gaat winnen of verliezen. In gesprek met een onderwijzeres zegt de verteller: ‘Voor het leven zijn we slechts pionnen in het spel dat het leven met ons speelt. Maar wat het voor spel is en wat er op het spel staat, dat weten we niet.’ In het pokerspel staan de regels vast, maar in het leven niet. Hij komt wanhopig tot het besef dat hij geen betekenis aan zijn leven kan verschaffen.

    Maria
    De belangrijkste persoon in zijn leven – Maria – staat niet in het adresboekje. Zij schrijft hem ontroerende liefdesbrieven, die door hem nooit beantwoord worden. Zij is zo anders dan hij. Zij is nooit buiten de stad geweest, waarin zij elkaars geliefden waren. Zij heeft geen behoefte gehad om te vertrekken uit een stabiele omgeving, om levenslang op de vlucht te zijn voor zichzelf, zoals hij. Maria en hij stammen uit andere tijdperken. Zij is gehecht aan een plaats, waar ze elkaar ontmoet hebben toen zij nog maar acht of negen jaar oud was, de plaats waar hij eindexamen heeft gedaan en waar hij in zijn jeugd heeft gewoond. Hij vraagt zich af wat hij voor haar heeft betekend. Het boek eindigt met een onvoltooid hoofdstuk, waarin Maria contact zoekt met de verteller, over de dood heen.

    De auteur geeft in deze roman weinig houvast en dat wekt wrevel op. Waarom zo veel verhalen, waarom zo breedvoerig mensen aan het woord laten die nooit van ophouden weten? De vertaling leest hier en daar ook stroef en dat vergroot het leesplezier bepaald niet.

    Wat na lezing overblijft de is herinnering aan een verstikkende overvloed van het onaffe en het onvolkomene, aan de onmogelijkheid om wat soeps van het eigen leven te maken, maar misschien is dat precies wat de auteur ons wil laten voelen.

     

  • Concept als excuus

    Concept als excuus

    Het gelukkige schrijven is een bundel van 35 essays. In deze bundel probeert Kees ’t Hart zijn vinger te leggen op wat nu precies ‘het gelukkige schrijven’ is. Hij pretendeert niet het gelukkige schrijven ooit zelf bereikt te hebben. Zo is hier een zin uit het eerste essay: ‘Daarom is dit geen gelukkig essay, omdat het veel te opzichtig over het gelukkige schrijven reflecteert.’ Hiermee hebben we meteen al de eerste eigenschap van het gelukkige schrijven te pakken, maar dit maakt nog niet veel duidelijk.

    Verderop in het boek komen er nog meer eigenschappen aan bod. Zo schrijft ’t Hart dat het gelukkige schrijven gaat om het in stand houden van onschuld, het bestrijden van evidenties, dromerig willen zijn, het ondergraven van vanzelfsprekendheid. Hij blijft niet alleen bij het gelukkige schrijven, maar gaat ook verder naar de gelukkige schrijver, het gelukkige lezen, musiceren en schilderen. De gelukkige schrijver moet niet te veel nadenken, maar gewoon schrijven. Hij moet ongelijk blijven hebben, verbazen en boeien, gelukkig maken. ‘De gelukkige schrijver wil niets betekenen en demonstreert dat keer op keer in het volgende boek.’ De gelukkige schrijver schrijft om te vergeten net als de gelukkige lezer leest om te vergeten en niet om te leren.
    ‘t Hart  suggereert dat als de gelukkige schrijver maar gelukkig schrijft, het gelukkige lezen hier als vanzelf uit voort zal vloeien. Veel duidelijker dan dit wordt het concept van het gelukkige schrijven helaas niet omschreven.

    Vergelijkbare werkwijze
    Kees ’t Hart (1944) is schrijver van romans, recensies, essays en gedichten, maar hij is ook neerlandicus. Hij heeft aan de Universiteit van Amsterdam Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd en zijn achtergrond in de taalkunde komt in dit boek goed naar voren in de korte analyses van gedichten of andere stukken tekst. Dat hij zeer geboeid is door het schrijfproces werd al eerder duidelijk in het boek De kunst van het schrijven (2007). In dit boek interviewt hij vijf auteurs en analyseert hij aan de hand van het interview de eerste pagina van hun roman.

    In dit boek is zijn werkwijze vergelijkbaar. ’t Hart legt het concept van het gelukkige schrijven uit aan de hand van verschillende schrijvers en hun werken. In de boeken van Mark Twain, Herman Gorter en Vincent van Gogh vindt ’t Hart het gelukkige schrijven. Karel van het Reve, en zijn drang om altijd zijn gelijk te behalen, wordt als voorbeeld gesteld van hoe het niet moet. Het boek bewijst een grote belezenheid van Kees ’t Hart. Er worden veel (grote) namen genoemd en veel verschillende werken behandeld, maar laat dit geen reden tot afschrikken zijn. Het is niet nodig al de genoemde werken gelezen te hebben om het punt van ’t Hart te begrijpen. Sterker nog: hij schrijft soms zo enthousiast en aanstekelijk dat je al de genoemde verhalen, gedichten en boeken zelf wilt gaan (her)lezen.

    Een beetje veel van het goede
    De boeken en andere werken die worden genoemd, moeten dienen als argument om zijn theorie over het gelukkige schrijven te ondersteunen. Maar naarmate het boek vordert lijkt het gelukkige schrijven steeds meer op de achtergrond te raken. Het lijkt bijna een excuus om het te kunnen hebben over de auteurs en hun werken. Wat op zich alsnog zeer interessante lectuur oplevert, maar men hoeft dus geen stappenplan richting het gelukkige schrijven te verwachten.

    De essays zijn lekker los en vlot geschreven. Het verhaal over de ontmoeting met een van zijn favoriete schrijvers, de analyse van het werk van Brusselmans, achtergrondverhalen bij schrijvers en hun werken, de brieven van Van Gogh, het is allemaal heel vermakelijk om te lezen. Ook komen er in het boek nog wat interessante vraagstukken naar voren over bijvoorbeeld lerarenliteratuur. ‘Een leraar of lerares is in literatuur (en film) in principe iemand die niets kan en dat altijd probeert te verbergen achter idealistische of rancuneuze of excentrieke façades.’ Waar komt dit idee vandaan?

    Het gelukkige schrijven is een interessant en vermakelijk boek om te lezen. Zonde is dat ’t Hart in zijn essays soms kwantiteit boven kwaliteit verkiest, en zijn analyses soms meer de breedte dan de diepte ingaan. Toch is het boek een aanrader. Het ergste dat kan gebeuren, is dat je na het lezen van dit boek de ander genoemde werken ook wilt lezen.