• Oogst week 40 – 2024

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo

    Groots en onbekommerd, Leven en werk van Belcampo door Nico Keuning is de onlangs bij Querido verschenen biografie van de originele en absurdistische Nederlandse schrijver Belcampo, pseudoniem van Herman Schönfeld Wichers (1902-1990). Halverwege de vorige eeuw was Belcampo een van Nederlands populairste auteurs en stonden de Salamander-pockets met titels als Bevroren vuurwerk en Verborgenheden in menig boekenkast. In 2015 verfilmde Mike van Diem, heel succesvol, Belcampo’s korte verhaal De surprise.

    Belcampo groeide op als notariszoon in het gelovige Rijssen. Op zijn zestiende kreeg  Herman tuberculose en tijdens het revalideren in sanatoria las hij veel, schreef brieven en had alle tijd om te fantaseren. Hij studeerde in Amsterdam, en reisde zijn hele leven veel. Uiteindelijk werd hij schrijver en arts in Bathmen en Groningen. Uit zijn vele brieven komt Belcampo naar voren als een ras-optimist, vrijheidsaanbidder en levensgenieter. Uit zijn vertelkunst rijst het beeld van een visionair die moeiteloos aan de haal gaat met filosofie, wetenschap en religie.

    Keuning is een ervaren biograaf, hij schreef ook over Jan Arends, Bob den Uyl en Willem Brakman. Groots en onbekommerd beschrijft Belcampo’s jeugd en adolescentie boeiend en geeft een compleet beeld van het rijke, avontuurlijke leven van een schrijver, tekenaar, echtgenoot, vader en arts, die altijd in de breedste zin van het woord is blijven zwerven.

     

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo
    Auteur: Nico Keuning
    Uitgeverij: Querido

    Zelfportret

    De Franse schrijver, fotograaf en kunstenaar Édouard Levé (1965 – 2007) wordt wel een  literaire kubist genoemd. Zelfportret (oorspronkelijke titel Autoportrait, 2005)  bestaat uit losse, niet-geparagrafeerde zinnen met beweringen en zelfbeschrijvingen van de auteur. Het is een briljant en ontnuchterend zelfportret, neergeschreven in een verzameling fragmenten. Levé verbergt niets voor zijn lezers en schetst zijn leven in min of meer willekeurige, ritmische zinnen. Zelfportret is in psychologisch, politiek en filosofisch opzicht een juweeltje en naast ‘oprechtheid’ streeft Levé naar radicale objectiviteit.

    Levés boek lijkt in eerste instantie een autobiografie zonder sentiment, alsof het door een machine is geschreven, totdat we door de opeenstapeling van details en droge, spottende toon merken dat we ontwapend worden, geboeid en verrukt raken door niets minder dan perfecte fictie… die geheel uit feiten is opgebouwd.

    Édouard Levé (1965-2007) was een veelzijdige kunstenaar in de traditie van het conceptualisme. Hij debuteerde met Oeuvres (2002), dat minutieuze beschrijvingen bevat van 533 niet-verwezenlijkte installatie- en performanceprojecten. Levé’s laatste boek Zelfmoord  verscheen in 2021, eveneens bij Koppernik.

     

    Zelfportret
    Auteur: Édouard Levé
    Uitgeverij: Koppernik

    De tweelingentrilogie

    De tweelingentrilogie van de Hongaarse schrijfster Ágota Kristóf (1935- 2011) is opnieuw gepubliceerd, en terecht zo vinden haar fans.

    Deze veelgeprezen trilogie, bestaat uit Het dikke schrift, Het bewijs en De derde leugen. Kristóf gebruikte haar eigen ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de communistische dictatuur. Toch is het geen autobiografisch of historisch relaas, maar een wreed, urgent drieluik over wat oorlog en ballingschap met mensen doet.

    Een meedogenloos en beklemmend verhaal, verteld met de rauwe eenvoud van een sprookje, dat de duisterste kanten van de mens blootlegt. Een Kafkaëske onwerkelijkheid, waarin iedereen anoniem is, waarin al het herkenbare (geografisch en historisch) verdoezeld is en alles ongrijpbaar wordt, wat de absurditeit van oorlog en dictatuur versterkt en voelbaar maakt. Geschreven in eenvoudige, uitgebeende taal wordt de gruwelijke realiteit nog aangrijpender.

     

    De tweelingentrilogie
    Auteur: Ágota Kristóf
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.
  • Oogst week 8 – 2023

    Niets dat hier hemelt

    Tomas Lieske is in 1943 geboren in Den Haag. De stad staat voor de ene helft op zandgrond, voor de andere helft op veengrond. Niets dat hier hemelt – Lieskes nieuwste roman – vertelt over de ondergang van een veengebied. Hiervoor is niet de invasie nodig van een heel leger of een tsunami uit de Noordzee. Slechts één familie volstaat om het geboortedorp van de hoofdpersoon te bedreigen. Vijf broers plunderen de omgeving en vinden zelfs een halfdode ruiter op zijn paard. Hun jongste broer, uiteraard Benjamin geheten, laten ze letterlijk in de huid van de paardrijder kruipen. Bear Grylls, eat your heart out…

    In 1992 gedebuteerd met proza geldt Lieske als een laatbloeier. Sinds Oorlogstuinen schreef hij een slordige twintig romans en won hij onder meer de Libris Literatuur Prijs en de Littéraire Witte Prijs. In de vroege jaren ’80 echter oogstte hij al lof met zijn gedichten en essays voor Tirade en de Revisor. Velen werden gecompileerd in Een hoofd in de toendra (1989). Nu voert hij onze hoofden naar veen en moerassen, die wegzinken onder de wreedheid van vijf broers.

    Niets dat hier hemelt
    Auteur: Tomas Lieske
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Zij.

    #MeToo-schandalen komen tegenwoordig in zulke grote getallen aan het licht, dat verontwaardiging plaatsmaakt voor ongevoeligheid. Daarom is Zij. van Maaike Neuville misschien wel het belangrijkste boek van dit voorjaar. De lezer volgt Ada Peeters, een gelauwerde actrice die in de theaterwereld met veel mannen heeft samengewerkt. Het zweet loopt haar over de rug wanneer zij een monoloog zal houden in de stad waar ‘hij’ woont… Neuvilles ervaringen als film- en theatermaker zullen voor Ada’s belevenissen een dankbare inspiratiebron zijn geweest.

    Zij. wordt gepromoot als een boek over intimiteit en overschreden grenzen, zelfs bij wederzijdse instemming. Een verhaal dat het onderscheid tussen dader en slachtoffer vervaagt, maar niet weggumt. De titel alleen al is voer voor speculatie: ‘zij’, is dat de hoofdpersoon? Zijn ‘zij’ de mannen? De vrouwen? Aangezien Neuville evenals Ada actrice is, onder andere in Red Light, ligt een autobiografische lezing voor de hand. Dat Zij. het verhaal van vele Ada’s vertelt, bewijst andermaal de urgentie van deze roman.

    Zij.
    Auteur: Maaike Neuville
    Uitgeverij: Bezige Bij

    Goed komen – een seksuele queeste

    Een populair Nederlands motto luidt: ‘Komt goed.’ Het betekent dat we niet te veel moeten nadenken over de toekomst, waar we beperkt invloed op hebben. Waar Joy Delima vroeger een beperkte invloed op had, mede door gebrekkige kennis en nare ervaringen, was haar seksleven. In plaats van te denken dat het allemaal wel goed zou komen, besloot zij tot een seksuele queeste: Goed komen. De kaft van dit boek eert het vrouwelijke genot door het orgaan af te beelden dat zo vaak wordt gezocht, maar slechts mondjesmaat gevonden.

    Hoewel Goed komen gepubliceerd werd op Valentijnsdag van dit jaar, beschouwt en behandelt Delima seksualiteit niet als onderdeel van de romantische liefde. Veel meer gaat haar boek over schaamte, zelfwaardering en eenzaamheid. Het is bedoeld voor wie houdt van seks, of ervan wil leren houden. Met name haar openhartigheid en humor worden alom geprezen en leverden haar reeds een wekelijkse column in Volkskrant Magazine op. Na Goed komen is te hopen dat er nog vele hoogtepunten zullen volgen!

    Goed komen - een seksuele queeste
    Auteur: Joy Delima
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Tot ziens! Welkom!

    Tot ziens! Welkom!

    De nieuwe bundel van Arjen Duinker, Autobiografie tot op de dag van vandaag, roept vele vragen op bij de lezer. Dat begint al bij de titel, die verwarring schept, want wat is ‘de dag van vandaag’? De dag waarop de dichter de bundel voltooide? De dag waarop de lezer de gedichten leest? Die kan ook morgen, overmorgen of nog verder in de toekomst liggen. Het is ook geen autobiografie in enge zin die de levensloop van de auteur beschrijft; eerder herinnert de dichter zich voorvallen en gebeurtenissen die voor hem van belang waren, of dingen, mensen en namen die hem toevallig te binnen schieten. Omdat de bundel opgebouwd is uit deze haast losse aantekeningen, zou het woord ´Memoires´ passender zijn. Bovendien ligt de nadruk niet zozeer op de auteur zelf, als wel op de personen die hij gekend heeft. Want het wemelt van de personen in deze bundel: er worden talloze namen genoemd, zonder dat de dragers ervan echt geïntroduceerd worden bij de lezer: vrienden, kennissen, kroegmaten, in een bonte stoet komen ze voorbij. Zwaan en Zazie kunnen als dochters geïdentificeerd worden, maar bij de rest van de namen wordt geen persoonlijkheid omschreven of een reden voor hun nagedachtenis.

    Vreemd vertrouwd

    Het noemen van zo veel namen is enerzijds heel irritant, omdat je de mensen niet kent: het is alsof een onbekende alles met je deelt over zijn familie, die je nooit zult ontmoeten. Duinker houdt je als lezer buiten de deur, met zo veel autobiografische feitjes die je nooit kunt controleren op hun waarheidsgehalte. Anderzijds geeft het een vertrouwd gevoel: de dichter betrekt je bij zijn leven en zijn verleden alsof je een oude vriend bent. De lezer wordt langzamerhand een kroegmaat die de verhalen herkent, bevestigt, omdat ze geen toelichting meer behoeven. Duinker is een verhalenverteller, al doet hij dat niet op de geijkte manier. Belangrijker dan de chronologie van zijn levensloop of het weergeven van de werkelijkheid is de verwoording van zijn herinneringen:

    ‘Ik ben ver weg geweest.
    Zei je dat de zon schijnt
    En dat het winter is
    Wanneer je van mij
    een wervel neemt
    Val ik uit
    Elkaar

    Toen ik een was, wilde ik twee zijn,
    Toen ik twee was, werd ik doorzichtig,
    Toen ik drie was, kwam Kirsten kijken,
    Toen ik vier was, voetbalde ik in de Palamedesstraat.
    Toen ik vijf was, ving ik een kikker,
    Toen ik zes was, kocht ik een rol beschuit,
    Toen ik zeven was, sprong ik uit het raam,
    Toen ik acht was, had ik mijn eerste hersenschudding’

    Dit is pas ‘episch’

    De bundel kan gelezen worden als één lang gedicht. Daarbij nodigt de dichter ons uit op een associatieve reis door zijn geheugen. Dat daarbij gerefereerd wordt aan voorstellingen die de lezer niets zeggen en de dichter alles, is onvermijdelijk.

    ‘[…]
    Een vleermuis is een paard.
    Een paard is een snoek.
    Een snoek is een fazant.
    Een fazant is een gorilla.
    Een gorilla is een spreeuw.
    Een spreeuw is een rendier.
    Een rendier is een zalm.
    Een zalm is een kievit.
    Een kievit is een wasbeer.
    Een wasbeer is een mijt.
    Een mijt is een adder.
    Een adder is een vlieg.’

    Opsommingen, je houdt ervan of je hebt er niets mee. Voor Duinker is het blijkbaar van belang dat de dingen steeds opnieuw benoemd worden en daardoor gestalte krijgen. Dat gegeven doet denken aan de Scheepscatalogus in het tweede boek van de Ilias van Homerus, waarin de schepen de revue passeren die ten oorlog voeren tegen Troje. Over het vermeende aantal schepen bestaan verschillende opvattingen, maar de bedoeling van de lijst is duidelijk: het afdwingen van respect voor de Griekse oorlogsvloot. Duinker wil ook alles benoemd hebben, om zo volledig mogelijk zijn herinneringen op te slaan, uit respect voor alles en iedereen die zijn leven beïnvloed heeft. Hij maakt de opsommingen volstrekt associatief, zoals het geheugen immers werkt. Hierbij gebruikt hij narratieve en visuele geheugensteuntjes: zo laat hij elke versregel met een hoofdletter beginnen, maar ook met vaak dezelfde woordgroep of aanhef, zoals kinderen een verhaal vertellen met ‘en toen…en toen…en toen’, wat de citaten laten zien. De herhaling is noodzakelijk om de opsomming mogelijk te maken, maar schept tevens een geruststellend ritme.

    Herlezen of herleven?

    Het werpt de vraag op voor wie deze bundel geschreven is, voor de lezer of voor de dichter zelf. Soms lijkt Duinker de lezer deelgenoot te willen maken van zijn leven, maar vaker nog lijkt hij alleen voor zichzelf herinneringen te boekstaven om die niet te vergeten. Hij herschept zijn eigen verleden, naar eigen inzicht en eigen wens. Hij heeft geen behoefte aan de werkelijkheid of de waarheid, want de dingen bestaan omdat hij ze benoemt. Slechts observatie volstaat om zijn verwondering te verwoorden, vrij van metaforische versiersels.

    ‘Laat me hier staan,
    Ik heb genoeg van de redeneringen,
    De uitkomsten, de hoerastemming.
    Ik sta op een plein en kijk naar een plein,
    Ik sta bij een hek en kijk naar een hek.
    Ik sta bij een café en kijk naar een café
    Zonder me af te vragen of het kijken gelijk heeft,
    Zonder te weten of het kijken ertoe doet,
    Zonder te weten of het iets oplevert.’

    Dat wil niet zeggen dat de lezer buiten de bundel gehouden wordt. Duinker beschrijft de wereld niet zoals ze is, maar zoals ze geweest is voor hem in het verleden. Met zijn taalgebruik probeert hij die wereld, de vrienden en de steden die hij bezocht heeft weer op te roepen, waarbij melancholie en een soort van heimwee naar wat geweest is de ondertoon vormen. Wie zich overgeeft aan het melodieuze ritme en de muzikaliteit van zijn taal, wordt langzaam binnengetrokken in het universum van de dichter, zonder zich verder af te vragen waartoe en waarheen, drijvend op de kalme stem van de verteller.

     

  • Op de schouders van de zwarte vrouwen voor haar

    Op de schouders van de zwarte vrouwen voor haar

    Neske Beks zegt nadrukkelijk dat zij staat op de schouders van Zwarte vrouwen die vóór haar kwamen. Zij noemt ze bij name. Twee pagina’s lang met elk drie kolommen. Van Toni Morrison tot Manouschka Zeegelaar Breeveld. En last but not least Andre Lorde, die een gedicht schreef onder de titel ‘Echoes’ dat voorin deels als motto is afgedrukt. Lorde leerde haar dat de wereld Zwarte meisjes en vrouwen ‘niet ziet, niet hoort en stigmatiseert’. Zwart met een hoofdletter. ‘Als cultureel statement.’ Als politieke term. Zoals The New York Times dat al een jaar of wat doet en het Stedelijk Museum het deed in de zaalteksten en de catalogus bij de tentoonstelling ‘Kirchner en Nolde. Expressionisme en kolonialisme.’ 

    Zwart, vrouw en ook wit

    Na de Inleiding volgt geen witte maar een zwarte pagina. Een statement dat staat voor ‘de ervaring en het Zwarte perspectief’ waar witte schrijvers ‘een onvolledig verhaal’ vertellen. Ook Toni Morrison deed zoiets in haar The Black Book, dat eindigt met twee zwarte pagina’s. Beks brengt een eerbetoon aan haar, die ze als haar grootste leraar ooit beschouwt. Neske Beks (1972) is schrijfster, film- en theatermaker van dubbelbloed, met Vlaamse, Senegalese, Afro- en inheems Amerikaanse roots. Ze voelt zich ‘in de eerste plaats (…) Zwart, daarna pas (…) vrouw, daarna pas (…) – als dubbelbloed – ook wit’.

    Wat ze onder die woorden, zwart, dubbelbloed, wit verstaat, is de volgende stap die ze zet. Witheid is een sociale positie, zwartheid een cultuur. Het is interessant deze woorden te vergelijken met de verklarende woordenlijst, de ‘Woke’ woordenlijst, die Bas Belleman samenstelde voor Filosofie Magazine (dec. 2021). De conclusie is misschien dezelfde: de woorden zijn ‘niet neutraal en dat mag ook nooit [zo] lijken’ (Belleman). Al zet Beks kanttekeningen bij het begrip ‘Woke’: ‘Woke worden behoeft wat mij betreft meer gedachte-oefening, lezen, reflectie, pijn, eerlijkheid’. Belleman stelde zijn woordenlijst primair samen voor de veelal witte lezer van Filosofie Magazine, Beks schreef haar boek inclusief woordenlijst ‘in de eerste plaats voor Zwarte vrouwen. BIPOC vrouwen’ (‘Black Indigenous and People of Color’). 

    Op oorlogspad tegen onrechtvaardigheid

    Het boek is een bundeling van essays, speeches, enkele brieven en gedachten, ‘een ode aan Zwarte vrouwen’. Een vorm van troost en een uiting van strijd. Deze veelzijdigheid, en de afwisselende vorm en stijl van de verschillende stukken, zijn kenmerkend voor Beks’ werk dat niet in een hokje past en dat is moeilijk wanneer je haar zou willen plaatsen, maar moet dat ook? Het is een rijkdom die ze met de lezer deelt. Of het nu om korte notities gaat, of een uitgebreid essay over bijvoorbeeld Toni Morrison, dat ze voor een tijdschrift schreef en op grond van redactioneel commentaar niet wilde aanpassen. 

    Niet aanpassen – dat kennen we ook uit de serie Liever kroes?! op NPO3 en npo3.nl. Nelly dos Reis wilde haar haar niet langer ontkroezen, zich niet langer anders voordoen dan ze is. Het kostte Beks jaren therapie om zichzelf te durven en kunnen zijn. Op een dag werd we wakker en was ze toch, tegen eerder uitlatingen in, ‘Woke’. Dat wil zeggen: met een verscherpt gevoel voor onrechtvaardigheid, zoals de definitie luidt van Walter Weyns, de Vlaamse socioloog en auteur van Wie Wat Woke?  Ze was een ander ik geworden, een donkerder zelf, op oorlogspad tegen racisme met haar ‘vurige temperament’.

    Op het gevaar af, dat ze – zoals ze schrijft – op een dag gek wordt. Want ze is niet alleen activist voor de Zwarte zaak, maar ook voor bijvoorbeeld LGBTI+-rechten. Ze schrijft en schrijft. Essays en een ontroerende én heftige brief aan haar zoon. Tot vier keer toe herstelde ze van een herseninfarct. Ze vraagt zich af hoe ze activist kan zijn ‘zonder er onontkoombaar zuur en bitter van te worden’ door alle weerstand die ze ondervindt. Het kan – door dit boek te schrijven. Een pijnlijk boek, maar het moet. Het is een proces dat doorlopen moet worden, een weg die moet worden afgelegd. In de hoop dat wit en Zwart elkaar ergens halverwege ontmoeten. Een weg terug is er niet. Maar eerst moet er ruimte zijn voor boeken zoals deze, waarin Zwarte mensen hun pijn kunnen uiten. Een betere gids dan Beks kun je je daarbij nauwelijks wensen.

     

  • Tijdloze gedichten met steeds een ander perspectief

    Tijdloze gedichten met steeds een ander perspectief

    De nieuwste bundel van de Vlaamse dichter Roland Jooris (1936), Vertakkingen roept niet alleen vanwege de titel, die aan bomen doet denken, het gedicht Naamloos van Jan Arends in herinnering, althans de eerste strofen daarvan: ‘Ik / schrijf gedichten / als dunne bomen. // Wie / kan zo mager / praten / met de taal als ik?’ Ook Jooris praat ‘zo mager met de taal’ en schrijft ‘gedichten als dunne bomen’; zijn werk wordt vaak in verband gebracht met de sculpturen van Giacometti, de Lopende Mannen of de Wandelaars, die broodmager en lang uitgerekt voorovergebogen lopen, op weg naar nergens, in ‘een opeenvolging van momenten van stilstand’, zoals Giacometti ze zelf zag. Jooris heeft in zijn bundel een gedicht opgenomen dat aan Giacometti gewijd is:

    Giacometti

    Ooit
    nooit volkomen

    uit het ongewisse
    vandaan

    strak
    in geharrewar
    voorover
    een gevoel dat bewogen
    met eenzaamheid
    instemt

    als naar nergens
    een stap naar graatmager
    vergaan

    Graatmagere sculpturen

    De poëzie van Jooris loopt zoals de sculpturen: graatmager en eenzaam, op weg naar een onbekend doel. Ook de titels van de afdelingen, zoals Benaderen en Terloops hebben een verwantschap met de beelden, ze houden iets behoedzaams in en scheppen afstand. Zo zijn ook in de gedichten de mensen ‘afzijdig betrokken’ zoals Jooris het uitdrukt in het gedicht Venster. De gedichten zelf zijn vluchtig en ongrijpbaar als de muziek waaraan Jooris de afdeling Impromptu heeft gewijd. Zoals bijvoorbeeld het gedicht Sfumato (dit is een techniek waarmee schilders de omtrekken in een schilderij wazig maken en laten vervloeien):

    Sfumato

    In je dromerige aandacht
    een toon als uit een andere
    kamer

    iets wat zich niet
    laat vatten

    iets heel even

    een veeg
    die je vluchtig
    nog hoort op papier

    Sinds zijn debuut in 1956 heeft Jooris in diverse bundels blijk gegeven van een diepgaande interesse in de beeldende- en schilderkunst. Diverse bundels zijn verbonden aan werken van moderne kunstenaars en ook de cycli Naderhand en Ginds zijn eerder geschreven voor een editie met afbeeldingen van werk van kunstschilders. Ook muziek speelt een belangrijke rol in zijn gedichten. Onwillekeurig komt daarbij de vergelijking op met het werk van de componist Philip Glass, die tot de minimalisten gerekend wordt, een term die ook van toepassing is op Jooris.

    Beiden proberen met zo weinig mogelijk middelen een zo groot mogelijke impact te bereiken en door te dringen tot wat zij als het wezenlijke zien van respectievelijk de muziek en de dichtkunst. Jooris gebruikt daarvoor korte gedichten met eveneens korte regels, veel verspringingen en witregels, om de nadruk te leggen op zijn observaties en de interpretatie daarvan. Woorden als ‘suggestie’ en ‘illusie’ komen meerdere malen terug in de gedichten, evenals ‘mist’ en ‘vluchtigheid’, om het ongrijpbare dat zijn gedichten kenmerkt, nog te benadrukken.

    Teruggesnoeid tot het hoogstnodige

    Omdat Jooris zijn woorden minimaliseert en zijn gedichten terugsnoeit tot alleen het hoogstnodige, is het niet altijd even gemakkelijk voor de lezer hem te volgen. Met name de gedichten uit de eerste afdeling ‘Stapvoets’ zijn raadselachtig en houden verborgen over wie of wat het eigenlijk gaat. Het zijn abstracties van gevoelens en geven weinig houvast. Als lezer moet je van regel naar regel de wendingen proberen te volgen en de verschuivingen van de kantlijn, alsof je over stapstenen in een beek loopt, of in een boom van tak tot tak klimt om hoger te komen. Of dat bedoeld werd met de titel? In de plantkunde is vertakking de wijze waarop de stengel of de wortelstok zijtakken vormt en nieuwe groeipunten vormt, iets dat heel goed past bij de manier waarop deze gedichten zich laten lezen. 

    De andere afdelingen zijn toegankelijker, al worden ze nooit echt gemakkelijk. Door het zoeken naar al wat weggelaten kan worden, maakt Jooris door middel van taal algemene abstracties die ver afstaan van de concrete werkelijkheid waaruit ze geschapen zijn. Dat verklaart misschien waarom er in de gedichten van deze bundel zo weinig mensen aanwezig zijn: sommige gedichten spreken van een ‘hij’, zonder dat daarbij aangeduid wordt wie daarmee bedoeld is; het hoeft zelfs niet eens op een persoon te slaan. Andere gedichten richten zich tot een generiek voornaamwoord ‘jij’, waar zich meestal ongenoemd toch de eerste persoon enkelvoud ‘ik’ achter verschuilt. Er is slechts één gedicht in de bundel waarin een lyrisch ik aan het woord is:

    Vaak tracht ik te zoeken
    wat ik niet kan duiden, een
    betekenis die zich niet
    prijsgeeft, een nabijheid
    zo vrijblijvend als een
    omschrijving in de verte
    verloren de mist in

    Het is verleidelijk aan te nemen dat Roland Jooris hier in eigen persoon spreekt om de lezer deelgenoot te maken van zijn poëtisch credo. Het klinkt in ieder geval aannemelijk en oprecht. Zijn gedichten in aanmerking nemend, lijkt dat ook te kloppen. De gedichten van Jooris zijn zo abstract dat ze tijdloos worden en steeds een ander perspectief laten zien, dat afhangt van wat de lezer er op dat moment in wil zien.

     

     

  • Als een traag stromende meanderende rivier

    Als een traag stromende meanderende rivier

    In de roman Midzomer, stadsmoe van Bernard Wesseling leidt Rochus Veldman een tamelijk doelloos leven. Als fietskoerier doorkruist hij dagelijks Amsterdam terwijl hij daarbij regelmatig het onzekere lot van zijn vermiste vriend Sjako overpeinst. Soms lijkt hij hem vanaf een afstand te zien, maar als hij de betreffende persoon nadert blijkt het toch weer iemand anders te zijn. Rochus en Sjako waren ondanks hun grote verschillen onafscheidelijk van elkaar. Rochus wil door het leven gaan zonder in al te veel conflictsituaties verzeild te raken terwijl Sjako vooral de rebel was. Sjako vond dat er constant stelling moest worden genomen tegen de burgerlijkheid van de samenleving en de machtsstructuren waaronder de samenleving volgens hem gebukt gaat. Bernard Wesseling debuteerde in 2004 op 25-jarige leeftijd met de roman De favoriet. Daarvoor genoot hij al enige faam als slamdichter. In 2006 won hij met zijn dichtbundel Focus de C. Buddingh-prijs voor beste debuutbundel. Met zijn tweede dichtbundel Naar de daken werd hij genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs.

    Poëtische observaties

    Zijn achtergrond als slamdichter is merkbaar in de tweede roman van Wesseling. De zinnen lezen bij tijd en wijle als verf dat met klodders op het canvas is gesmeten. Elke zin lijkt dan ook een losse indruk van het leven te zijn. Het resultaat is een af en toe wat moeilijk te volgen verhaal zonder duidelijke richting, maar misschien was dat ook wel de bedoeling van de schrijver. Het leidt in elk geval tot soms mooie poëtische observaties: ‘Als ik naar huis loop zie ik onder de kap van de remise een trambestuurder die in zijn tram in slaap is gevallen. Zijn gezicht helverlicht in de cabine, het blauwe jasje dat over de hoge stoel hangt. Omringd door gestalde trams droomt hij zeker van open wegen, zonder dwingende sporen, eindeloos.’

    Aanvankelijk lijkt het er op dat Midzomer, stadsmoe vooral gaat over de zoektocht naar Sjako, maar uiteindelijk gaat het vooral over de queeste van Rochus naar zichzelf. Wie is hij en wat verwacht hij van het leven? Zijn onmacht om deel te nemen aan het leven lijkt te eindigen als hij Alma tegenkomt. Zij neemt hem op sleeptouw en haalt hem over om met haar mee te komen naar het Griekse eiland Lesbos om bootvluchtelingen te helpen. Even lijkt hij een doel in het leven te hebben gevonden en komt er opeens ook wat meer vaart en structuur in het verhaal. Rochus wordt geconfronteerd met vluchtelingen wier levens op drift zijn. Mensen die huis en haard hebben moeten verlaten voor een onzekere toekomst. Hij wordt er geconfronteerd met een gevoel van onvermogen om daadwerkelijk iets voor een ander te betekenen.

    Afstandelijke beschouwingen

    Tot echte interessante bespiegelingen leidt het echter niet. Noch over de vluchtelingencrisis noch over zijn verhouding tot andere mensen en zijn eigen toekomst. Het blijft bij een enkele overpeinzing zoals deze: ‘Alles wat we uitwisselen lijkt van levensbelang. In geen tijden is kennis zo kostbaar geweest. Als ijverige biografen blijven we doorvragen tot het onderwerp is uitgeput, klaar om te worden gekoesterd als wezenseigen. Ik ontdek opnieuw: wie je bent ben je met anderen. Wat je bent ben je alleen. Maar bij hoge uitzondering, zoals nu met Alma, kan het gebeuren dat iemand je wat-heid vat. Ja, zoals ook zij voor mij een begrip is: iets wat elke vergelijking tart.’ Een mooie doordenker over het leven, maar het blijven afstandelijke beschouwingen en we leren Rochus er nauwelijks beter door kennen. 

    Midzomer, stadsmoe blijft daardoor een verhaal dat aan de oppervlakte blijft steken. Het verhaal is als een traag stromende meanderende rivier, waardoor het af en toe dreigt te verzanden en het niet altijd even gemakkelijk is om de aandacht erbij te houden. Het pleit wellicht voor Wesseling dat hij de lezer niet te veel gemakkelijke antwoorden mee heeft willen geven. Het leven is immers zelden een mooi afgerond geheel, waarbij alle levensvragen worden beantwoord. Desalniettemin zou een wat strakkere vertelstijl een bevredigender leeservaring hebben opgeleverd. 

     

     

  • Herinneringen van een kunstliefhebber

    Herinneringen van een kunstliefhebber

    Toen K. Schippers in 1995 de P.C. Hooftprijs kreeg stond in het juryrapport: ‘Schippers demonstreert door de jaren heen een oorspronkelijke manier van kijken. Het verrassende van zijn essayistiek is, dat hij door zijn omcirkelende wijze van schrijven de lezer verleidt tot zijn blik’. Dat omcirkelende proza is ook te vinden in Schippers laatste bundel Andermans wegen. Het zijn deels beschrijvingen van de wijze waarop hij films (met name van Billy Wilder), beeldende kunst, muziek en gedichten beleeft. En deels zijn het anekdotische herinneringen aan schrijvers, dichters en kunstenaars als Jan Roeland die niet in één categorie te vangen zijn. Zelfs met omcirkelend proza niet.

    Gefascineerd door kunst

    Schippers is altijd gefascineerd geweest door kunst waarin de kijker, luisteraar of lezer op het verkeerde been wordt gezet. Hij haalt herinneringen op aan Jan Hanlo die dat deed. Of haalt Stanley Brown aan, die aan passanten de weg vroeg naar de straat waar hij al stond. Thom Mercuur, Hans Faverey, Jan Roeland deden het ieder op hun eigen manier. En dat gold ook voor Hans Scholze, René Knip, J.J.Schoonhoven, Annaleen Louwes, György Ligeti om er nog een paar te noemen over wie Schippers anekdotes vertelt in Andermans wegen.

    De anekdotes zijn de moeite waard en zijn bewondering voor de beschreven personen is oprecht. Maar Schippers is zó gericht op wat zij aan kunst produceren dat de mens die zij ook zijn, nauwelijks contouren krijgt. Hij beschrijft hoe zij zich willen laten zien. Toch is het evident dat Schippers probeert wat dieper te graven. Het duidelijkst is dat het geval in de hoofdstukken die gaan over Hans Faverey en zijn vroege overlijden in 1990, hij is dan zesenvijftig jaar. Het hoofdstuk ‘De toetssteen’ dat gaat over de maanden voorafgaand aan Faverey’s dood begint als volgt:

    ’10 oktober 1989.
    E en ik bij Hans. 5 uur. Hans legt het uit.
    Roken, drinken, geen primaire kanker op lever.
    Indien…protest. Een vrouw was ook genezen.
    Vraag aan Lela, later, “speelt hij clavecimbel?”
    Nee, nu niet. Ze zal bellen.’

    Zo gaat het 8 pagina’s door tot eindelijk:

    ‘8.7.90
    Rob A., Erica, Bianca.
    Duitsland – Engel
    ½ 9 u. Lela – Hans ¼ over 4 gestorven.
    R.A.E. en ik erheen – regenjas – lange stappen-
    Hans in pak; sokken;
    donker overhemd.
    Egyptische koning.
    Kaars, boekje; gele roos –‘

    Dagboekaantekeningen

    De bedoeling is duidelijk: via kleine dagboekaantekeningen het stervensproces van Faverey schetsen. Maar de gebruikte steekwoorden roepen alleen voor Schippers zelf een levendige herinnering op aan die momenten, de gemiddelde lezer zal er geen touw aan kunnen vast knopen. Zeker niet als hem onbekend is dat Lela (Zeckovic) Faverey’s Joegoslavische echtgenote was naar wie hij als jonge man jarenlang elke zomervakantie heen reisde tot zij eindelijk mee kwam naar Amsterdam. Het is jammer dat Schippers ervoor gekozen heeft deze aantekeningen niet uit te werken tot begrijpelijke herinneringen. Is het gemakzucht? Dat gevoel ontstaat wel bij het al even onbegrijpelijk begin van het hoofdstuk ‘Zoek’ over de schilder Kees Nieuwenhuijzen.

    ‘Van een schaker kun je een partij naspelen. In een huis kun je wonen en dan maak je de ruimte die het heeft gediend dagelijks mee. Muziek, gedichten, bloedworst met appelschijfjes, een Haagse voetstap van Marianne Hilarides of een schijnbeweging uit de zeventiende eeuw, bewaard op een stilleven met een haring, een vlinder en gepelde druiven. Het is helder in de buurt en zo vult het je bestaan.’
    ‘Gooi maar in mijn pet,’ zal menig lezer geneigd zijn uit te roepen. Maar bij K. Schippers weet je het nooit: misschien was dat wel zijn bedoeling.

     

     

     

  • Verhaal van woede in een impulsief bestaan

    Verhaal van woede in een impulsief bestaan

    Wat moet je als lezer in het hoofd van een onhandelbaar kind? Dat is de vraag die Coco Schrijber’s tweede roman Ola en de dingen oproept wanneer je een pagina of veertig onderweg bent en, net als Ola zelf, behoorlijk in de war bent geraakt.
    Ola is een pubermeisje dat opgroeit in een rustig gezin met een vader die fotograaf is maar ook wel filmt, een moeder die neurowetenschapper is en een broertje dat zij graag plaagt en die dan boos wordt. Als vader plotseling sterft verandert er iets fundamenteels in haar leven. Als daarna ook moeder ziek wordt en haar vraagt euthanasie te plegen begint de psychotische trip die haar leven daarna wordt.

    Dood door stenen schildpad

    De euthanasie mislukt en Ola ontkomt er niet aan haar moeder uit haar lijden te verlossen: ‘Ik pak de fruitschaal die op de grond staat voor als ze moet overgeven, een stenen schildpad die nu op zijn rug ligt. Met een kracht die ik later nooit meer heb gevoeld, sla ik mijn moeder dood’.  Deze laatste zin verraadt een stilistisch probleem in de weergave van Ola’s gedachtegang die in de tegenwoordige tijd is geschreven. De Ola in wiens hoofd we zitten en die we op de voet volgen kán nog niet weten dat ze op ditzelfde moment een kracht gebruikt die ze later nooit meer zal voelen. Ook in de rest van de roman treedt dit probleem op, vooral als Ola’s gedachtegang meningen vertolkt over de wereld en de mensheid die men pas na lange ervaring kan krijgen en die niet bij een puber passen. Maar wie daarover valt is een kniesoor. In elk geval in Ola’s gedachtewereld die sterk lijkt op een LSD-trip waarin niets te gek is.

    Onbeheersbare woede

    Nadat zij haar moeder heeft doodgeslagen knijpt zij in een aanval van pure affectie haar broertje Noah dood en gaat dan – het gezin bestaat immers niet meer – op pad, de wereld in met niet veel meer dan de zilveren  ‘autofocussuperCanoneenschatinjehand-camera’ van haar vader. De wereld bestaat uit slechtheid, weet ze. En dat is precies wat Ola wil, slechte dingen doen. Onderweg in stad, bos en veld wordt ze soms lastig gevallen door een man die iets van haar wil wat zij niet wil. Een enkele keer wil zij iets van een man die dat niet wil. En in alle gevallen levert dat geweld op. Het is een impulsief bestaan met vooral woede als bron van actie.
    ‘Hoe het altijd gebeurt weet ik niet. Ergens in me begint iets te prikken, steeds vinniger, een vuurtje wordt gestookt, opgepookt in mijn ingewanden, aanhechtingen worden doorgesneden, losgesneden. Ongeveer zoals mijn fantasie soms op hol slaat, zo golft mijn woede naar buiten als een kolkende modderstroom uit de bergen.’

    Van kwaad tot erger

    Een enkele keer ontmoet zij een andere straatbewoner waar zij mee optrekt. Zoals de Liberiaanse oud-kindsoldaat Chidi die op stations mannen aftrekt en ze dan chanteert met het plaatsen van Ola’s camera-opnamen op youtube als dreiging. Maar ook die relatie loopt spaak als ze met het verdiende geld schoenen willen kopen.
    ‘De verkoper verspert ons de doorgang: “Ik wist het wel. Ordinaire diefjes.” Die toon, die druipende minachting. In mijn zwarte drift haal ik uit met mijn zakmes, iemand gilt. Ik zie in mijn ooghoek Chidi ervandoor gaan, de verkoper weert me af met zijn hand, waarom, ik doe niks, maar dan doe ik het toch. Ik steek mijn zakmes er dwars doorheen. Druppels sprietsen op mijn jasje. Godver. Alles beweegt ineens heel traag, ik hoor de verkoper krijsen maar ook weer niet, bijna kan ik horen hoe mijn mes door zijn vlees gaat als ik terugtrek. Dat geluid. Zuigend.’ Chidi ziet zij niet meer terug.

    Nachtmerrie met uitgesteld einde

    Coco Schrijber is naast schrijver ook filmmaker en dat is aan de stijl van deze roman af te lezen. En aan de onbedwingbare behoefte van Ola om alles te filmen met de camera die haar vader haar heeft nagelaten. Na Chidi en de vele gebeurtenissen die de politie zou omschrijven als ‘incidenten’ ontmoet zij in een woud een al wat oudere stroper, een Servische ex-soldaat, die haar tweede tijdelijke vriend wordt. Met hem zet ze de nachtmerrie voort die haar leven is. De lezer begrijpt dat Ola eigenlijk al die tijd op de vlucht is voor iets wat ze heeft gedaan en vermoedelijk haar overleden vader betreft. De man van wie zij hield en die van haar hield en van wie zij de camera-obsessie heeft geërfd.

    Maar het duurt lang voordat in de roman iets van Ola’s geheim wordt opgehelderd. Te lang eigenlijk. Het verhaal doet sterk  denken aan een nachtmerrie waarvan je als dromer zo verlangt naar beëindiging dat je besluit wakker te worden. De ene lezer zal dat eerder doen dan de andere, maar de behoefte aan een sneller eind van deze 253 pagina’s tellende angstdroom zal – vrees ik – iedereen krijgen.  Jammer toch wel.

     

  • Oogst week 47 – 2019

    Alleen de bergen zijn mijn vrienden

    Deze week in de oogst een boek dat een ongewone geschiedenis verbeeldt, van schrijver Behrouz Boochani, de tweede roman van documentairemaakster Coco Schrijber en een nieuwe roman van de Franse schrijver Cristophe Botanski.

    Behrouz Boochani behaalde een master in de politieke wetenschappen, als journalist zette hij zich in voor de rechten en de cultuur van de Koerden in Iran. Toen er voor hem gevangenschap dreigde, besloot hij enkele maanden onder te duiken en in 2013 vluchtte hij naar Australië waar hij tegen alle verwachtingen in gevangen werd gezet op het eiland Manus, een uithoek van Papoea-Nieuw-Guinea. Op een naar binnen gesmokkelde mobiel beschrijft hij het leven in het kamp waar honderden mannen in veel te krappe ruimtes verblijven. Hoe beveiligers hun geweld te pas en te onpas gebruiken, de mannen vernederen. De uitzichtloosheid, de wanhoop en de zelfverminking. Alleen de bergen zijn mijn vriend is een Koerdisch gezegde en als boek een aanklacht tegen het onmenselijke vluchtelingenbeleid, geschreven op een mobiel. Nadat zijn boek door Australiërs massaal gelezen werd, ontvangt hij begin dit jaar de Australische Victorian Award, de jury heeft het over: ‘een mooi en precies schrijven dat literaire tradities uit de hele wereld door elkaar weeft’. Ondertussen wacht Boochina nog steeds op zijn papieren om als vrij man door het leven te gaan.

    Deze maand kwam het boek uit bij Uitgeverij Jurgen Maas in vertaling van Irwan Droog.

    Alleen de bergen zijn mijn vrienden
    Auteur: Behrouz Boochani
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    De voyeur

    De voyeur is de tweede roman van journalist en schrijver Christophe Boltanski (1962). Met zijn debuut De schuilplaats schreef Christophe Boltanski een monument voor een familie en de huizen waar ze woonden, hij won er verschillende prijzen mee. In De voyeur probeert een zoon het leven van zijn overleden moeder te reconstrueren aan de hand van haar troosteloze appartement waar ze van alles bewaarde en nooit schoonmaakte. Dan blijkt ook dat ze schreef, op een Olivetti-typemachine. Hij vindt het manuscript, over een voyeur. Dan blijkt dat zijn moeder haar eigen leven beschreven heeft en het vermoeden dat ze werd gadegeslagen. Over haar studententijd in de jaren vijftig aan de Sorbonne, tijdens het hoogtepunt van de Algerijnse oorlog. Is het werkelijk zijn moeder die in cafeetjes droomde van een heroïsch leven en zich aansloot zich bij de onafhankelijkheidspartij FLN? Ook in deze tweede roman schetst Boltanski, die niet voor niets journalist is, met veel details een levendig beeld van een Frankrijk ten tijde van radicale sociale verandering.

    De voyeur
    Auteur: Christophe Boltanski
    Uitgeverij: Cossee

    Ola en de dingen

    Coco Schrijber (1961) is documentairemaakster en publiceerde in 2015 haar eerste boek, De luchtvegers, een existentiele zoektocht. In haar tweede boek, Ola en de anderen, gaat het ook om een zoektocht, vanuit het perspectief van een kind. Verder is er geen vergelijk tussen haar debuut en deze roman. Ola is een explosief meisje, onverschrokken, meedogenloos. Ze is vol vuur, een vuur alsof dat bepaalde dingen uit haar hoofd moet verdrijven. Ze is steeds onderweg, rennend, zoekend, dwingend. Het ontwikkelingsverhaal van een kind, dat zich ergens van los moet maken, wat, is niet direct duidelijk. Maar gaandeweg het boek bedaart ze, vindt haar gelijke in een vriend. Een met vaart geschreven boek.

    In 2016 plaatsten we een interview met Coco Schrijber, door Carolien Lohmeijer.

    Ola en de dingen
    Auteur: Coco Schrijber
    Uitgeverij: Querido
  • Goethes Stein des guten Glücks

    Goethes Stein des guten Glücks

    Op verzoek van de Franeker Kunst Stichting schreef Kees ’t Hart in 2011 een novelle van 72 bladzijden getiteld Het beeld van Goethe. Die Stichting is opgericht ter bevordering van kunst in de openbare ruimte. De novelle van Van ’t Hart was bedoeld als inspiratiebron voor huidige kunstenaars om het rijke verleden van Franeker te vertalen in moderne kunst. De verhaallijn in deze novelle is identiek aan de verhaallijn in De ziekte van Weimar.

    Het beeld van Goethe

    De senaat van de Academie van Franeker wil in 1807 een monument oprichten ter ere van de wetenschap en maatschappij, omdat de gevreesde sluiting door Napoleon is afgewend. Men heeft het oog laten vallen op een beeld dat in de tuin van het huis van Goethe staat, en wil zijn toestemming vragen om een replica te mogen maken. Dat beeld, Der Stein des guten Glücks geheten, bestaat uit een kubus met daarop een bol. De kubus representeert het rustende, de bol staat voor het beweeglijke, maar omdat de bol rust op de kubus, staat het geheel voor Het Geluk. Je moet het maar weten, maar gelukkig is er Wikipedia.
    ’t Hart situeert zijn roman begin negentiende eeuw wanneer Lodewijk Napoleon Koning van Holland is, de Verlichting over zijn hoogtepunt is en de tijdgeest romantischer wordt. In die overgang tussen twee tijdgeesten is de melancholieke, ietwat neerslachtige en introverte twintiger Albert van Huszen, de hoofdpersoon. Hij lijdt aan voortijdige zaadlozingen, wat zijn verhouding met vrouwen er niet gemakkelijk op maakt. Wanneer hij op afstand een mooie vrouw ontwaart krijgt hij ‘prematuur geschutsvuur’.

    Albert van Huszen is assistent-pedel van de Friese Academie in Franeker; omdat hij zo goed Duits spreekt krijgt hij de opdracht om mee te reizen met enkele senaatsleden naar Weimar om Goethes toestemming te vragen een replica van het beeld te maken. De senaat is diep onder de indruk van dit beeld. Hoewel het beeld niet bijster bijzonder is, geven de diverse senaatsleden er hoog over op en ieder heeft zo zijn eigen hooggestemde uitleg. Goethe heeft het beeld laten vervaardigen als totem, als monument, al blijft onduidelijk wat nu precies zijn bedoeling ermee was.

    Albert van Huszen is verheugd dat hij Goethe gaat spreken. Hij heeft namelijk uit teksten in Das Leiden des jungen Werthers opgemaakt dat Goethe ook lijdt aan ejaculatio praecox. Hij hoopt van Goethe te vernemen hoe hij daar vanaf kan komen. Heeft Albert het bij het rechte eind? Historische bronnen geven daarover geen uitsluitsel.

    Het verhaal

    Het boek bestaat uit twee delen; het eerste deel speelt zich af in Franeker, het tweede deel behelst de reis per koets naar Weimar en vervolgens het wachten op een ontmoeting met Goethe. Het eerste deel is interessant vanwege de beschrijving van het leven van Albert in Franeker en van de maatschappij van destijds. Het boek begint – en eindigt -met zijn bezoek aan een tent waar Indianen uit Noord-Amerika worden tentoongesteld; de wetenschappelijk gefundeerde nieuwsgierigheid naar andere volken past in die tijd. We maken kennis met de leefwereld van Albert met zijn vriendinnen, met zijn zus, met zijn collega’s. Hij is een meester in het schaken en geeft les aan zonen van senaatsleden. ‘Schaken gaf hem het diepste gevoel van geluk. Tijdens het naspelen van partijen had hij soms het gevoel te snappen wat vrouwen voelden. Hij had nog nooit met een vrouw gepaard, ook niet met Louise, wel in haar schoot gelegen en zijn vocht geofferd, al voelde het niet als een offer.’  Hier legt ‘t Hart een bijzonder verband tussen schaken en lust: gaat het over de Verlichting versus de Romantiek?

    In het tweede deel – dat de helft van het boek beslaat – gebeurt daarentegen weinig interessants. Het is vooral een beschrijving van de reis van Franeker naar Weimar, van de ontberingen die het gezelschap onderweg lijdt, van het verblijf in Weimar en de moeilijkheid om met Goethe in contact te komen. Hier toont ‘t Hart zich een reisverslaggever die veel ‘onwetenswaardigheden’ opvoert. Het vergt nogal wat uithoudingsvermogen van de lezer.

    In het eerste deel worden personages opgevoerd die allen volgens de typeringen van Lavater (1741-1801) worden gekarakteriseerd. Lavater was in die tijd beroemd met zijn boek over fysionomie: het karakter van een mens is af te lezen aan zijn uiterlijk en dan vooral aan zijn gezicht. ‘t Hart gebruikt zijn typeringen veelvuldig in het eerste deel om de mensen met wie Albert in contact komt te kenschetsen, maar diept het karakter van de desbetreffende persoon niet verder uit. Lavater was in die tijd heel populair en opmerkelijk is wel dat Goethe niets moest weten van de denkbeelden van Lavater; in Das Leiden des jungen Werthers doet hij diens inzichten af als dweperijen.

    Waardering

    De titel blijft onduidelijk. Bedoelt ’t Hart met de ziekte van Weimar te wijzen op Goethe, die dezelfde ziekte zou hebben als Albert? Of duidt de titel op de chaotische toestand in Weimar in die tijd?
    Met name het tweede deel van het verhaal boeit maar matig. De rode draad, – de reis naar Weimar om Goethes toestemming te vragen voor een replica van het beeld –  is dun, er wordt voortdurend uitgeweid over zaken zonder dat het verband met andere elementen in het verhaal duidelijk wordt. Als lezer wacht je af, maar je verwachtingen worden niet ingelost.

    Tot slot moet je als lezer een behoorlijke kennis hebben over de periode waarin het verhaal zich afspeelt om je te kunnen inleven. De kennissen van Albert worden bijvoorbeeld ingedeeld naar het kenmerk: voor of tegen de onthoofding van Lodewijk XVI in 1793, zonder dat duidelijk wordt wat dat betekent voor de plaats van de betreffende persoon in de maatschappij van toen dan wel zijn karakter of denkbeelden.
    De dunne verhaallijn wordt nauwelijks gecompenseerd door interessante anekdotes, spannende ontmoetingen, leuke gebeurtenissen of wetenswaardigheden, wat het lezen van dit boek weinig vreugdevol maakt.

     

  • Het nietige van de mens in essayistische roman

    Het nietige van de mens in essayistische roman

    In Flessenpost uit Reykjavik schetst schrijver en violist Laura Broekhuysen (1983) met rake, zintuiglijke bewoordingen de geïsoleerde fjord en de stad Reykjavik, waar zij en haar gezin afwisselend wonen. Broekhuysen emigreerde naar het geboorteland van haar geliefde, de IJslandse componist Einar Torfi Einarsson. Ze deed in Winter-IJsland (2016) verslag van hun eerste jaar daar met hun jonge dochtertje, en in verwachting van hun zoontje. Met Flessenpost uit Reykjavik pakt ze de draad van haar relaas weer op. Beide boeken zou je kunnen lezen als ‘enkel’ literaire dagboeken, reflecties op het leven van alledag in een nog relatief onbekende leefomgeving, maar daarmee zou je haar ernstig tekortdoen. Ze snijdt legio veelomvattender thema’s aan: nationale identiteit, migratie, taal, de rol van literair erfgoed en cultuurverschijnselen.

    Tastbare beschrijvingen

    Broekhuysen heeft een bijzonder talent voor het tot leven brengen van haar omgeving en de waarnemingen die ze doet: ze laat haar lezer de zeelucht ruiken, de vlieger Pórarinn klapperend in de straffe wind. Kleuren, smaken en aanrakingen omschrijft ze indringend en poëtisch, IJsland wordt tastbaar. De continue strijd met de elementen en de afstand tussen de fjord en de bewoonde wereld bepalen het leven op het eiland, een bijna unieke ervaring in een tijdsbestek waarin smartphoneprikkels en comfort onze levensstijl dicteren. In een aangenaam tempo loodst Broekhuysen de lezer door de natuur en door Reykjavik waarbij ze alles benoemt wat haar op die route opvalt, zowel in positieve als negatieve zin. Haar persoonlijke worsteling met integreren en talige obstakels is daarbij leidend: ze neemt noodgedwongen de rol van ‘de ander’ aan.

    Zonder taal

    Haarfijn levert zij kritiek op dat beeld van de ander, dat tegelijkertijd context gebonden en universeel is. Het draait allereerst om iemand die de taal niet machtig is, niet is geïntegreerd in het culturele leven van zijn nieuwe woonplaats en zich nooit heeft verdiept in de legenden en sagen van de oorspronkelijke bevolking – die laatste zijn op IJsland heilig. Verhalen verbinden: taal is een wapen, een manier om jezelf een identiteit aan te meten en je te verbinden met degenen die hun ervaringen en herinneringen al tijdenlang op diezelfde manier vormgeven. Exemplarisch is het feit dat Broekhuysens dochtertje op school een IJslands liedje aanleert dat al snel veel minder onschuldig blijkt te zijn dan haar moeder had gehoopt, maar dat de kinderen als vanzelfsprekend wordt aangeleerd. Opeens blijkt haar dochter beter geïntegreerd dan zij, hoewel zij nog niet op de hoogte is van de diepere betekenis van de liedtekst.

    Spiegelend integratieproces

    Haar onmacht zich als IJslandse te bewegen koppelt Broekhuysen aan het integratieproces van immigranten in Nederland. Aanpassing moet vooral snel gebeuren – hoe sneller en vlekkelozer, hoe beter. Maar aanpassing duurt jaren, zo niet een mensenleven, en hangt af van de aansluiting bij iemands oorspronkelijke referentiekader.
    Ze concludeert: ‘We zijn niet in staat betekenis te geven aan de parameters omdat we ze niet van binnenuit kennen. […] De informatie die we ontvangen vindt nergens een bedding.’ IJsland lijkt in die zin soms een onneembare vesting, waar mensen afkerig zijn van buitenstaanders – een beeld dat gelukkig al snel begint te wankelen. De eerste voorzichtige gesprekken met de andere ouders, Broekhuysens ingeving om haar viool mee naar school te nemen en voor de kinderen te spelen, de manier waarop ze toenadering zoekt tot haar schoonfamilie en die ook vindt, zijn individuele maar veelzeggende overwinningen.

    Blauwdruk van een samenleving

    Zonder generaliserend of aanmatigend te zijn legt Broekhuysen haar blauwdruk van de IJslandse samenleving naast haar beeld van de Nederlandse en raakt ze aan algemene maatschappelijke pijnpunten. Flessenpost uit Reykjavik is echter niet alleen een geslaagde essayistische roman, maar ook een zorgvuldig uitgevoerde compositie. De weidsheid van het woeste IJslandse landschap contrasteert scherp met het huis in de fjord en de isolatie van het gezinsleven, benadrukt de kwetsbaarheid ervan. De minutieuze wijze waarop Broekhuysen het natuurgeweld en het nietige van de mens beschrijft, roept hier en daar associaties op met passages uit Willem Frederik Hermans’ Nooit meer slapen.

    Broekhuysen analyseert ruimten, voorwerpen, mensen en woorden en elke observatie draagt bij aan de gelaagdheid van haar verhaal. De indeling van het huis en de vormgeving van het interieur koppelt ze bijvoorbeeld aan de werking van haar twee hersenhelften, als metafoor voor de eenwording van mens en directe leefomgeving. Ook haar integratie in het thuisland van haar man krijgt metaforisch gestalte: van weggewaaide vlieger naar het samen stekken van een plant en naar verstrengeling van vliegertouw met pas geplante boom; van los zand naar vaste grond onder de voeten, van aarzelende ‘kant-en-klare’ zinnen bij de bakker en slager naar intieme gesprekken. Flessenpost uit Reykjavik is een krachttoer die leest alsof het Broekhuysen nauwelijks moeite kostte – het opschrijven ervan dan.

     

  • Oogst week 37

    Flessenpost uit Reykjavik

    Drie Nederlandse auteurs in de oogst van deze week, een schelmenroman, een reflectie op een leven als immigrant in IJsland en een poëziebundel, ontstaan in de strijd tegen tinnitus.

    Laura Broekhuysen (1983) studeerde viool aan het Conservatorium van Amsterdam, maar met schrijven was ze er al vroeg bij. In de laatste jaren van haar VWO opleiding schreef ze een jeugdboek Zand erover (Lemniscaat 2002). In 2014 verhuisde ze met man en kind naar IJsland waar ze het schrijven weer oppakte. Flessenpost uit Reykjavik is haar vierde boek, een reflectie op haar immigrant zijn, haar drietalige huishouden, op het pendelen tussen fjord en stad – en op het achtergelaten Nederland, dat naarmate de tijd verstrijkt steeds meer op een verhaal gaat lijken en IJsland de enige realiteit is want, ‘Het lastigste van IJsland is dat je er niet meer weg wilt als je er eenmaal woont,’schrijft ze in haar boek. Binnenkort de recensie!

    Flessenpost uit Reykjavik
    Auteur: Laura Broekhuysen
    Uitgeverij: Querido

    De heilige

    Twaalf jaar geleden was Martin Michael Driessen (1954) nog regisseur, dertig jaar werkte hij voor Duitse theaters en regisseerde vele toneel- en operavoorstellingen. Toen koos hij ervoor zich te settelen in Nederland, voor het isolement van Puttershoek om zich meer (in 1999 verscheen zijn eerste roman Gars al) op het schrijven te gaan richten. De heilige is zijn achtste roman en draagt als ondertitel Een schelmenroman.

    Over Donatien, geboren in het jaar van de Franse Revolutie en de verteller van deze roman. Hij leeft in de tijd van Victor Hugo, die hij ook ontmoet. Hij helpt bij het opstellen van de Schaal van Beaufort en rondt Kaap Hoorn tijdens een krankzinnige expeditie. Als struikrover maakt hij de Vogezen onveilig en wordt aanbeden door mannen en vrouwen
    Zijn persoonlijkheid is net zo veranderlijk als zijn moralistische instelling. Dan weer heet hij Donatien, dan weer Donatienne, en ten slotte Dieudonné. Uiteindelijk zal hij de geschiedenis ingaan als de heilige Dieudonné van Metz.

     

    De heilige
    Auteur: Martin Michael Driessen
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Niet het krassen van de kraai

    A.H.J. Dautzenberg lijdt aan tinnitus en noemt dit zelf: auditieve kanker. Meestal kan hij het kabaal in zijn kop redelijk verdragen, maar soms wordt hij nagenoeg gek van de nucleaire ruisgeluiden. Het is een steeds weer zoeken naar een manier om hiermee om te kunnen gaan. Tijdens een snorkelvakantie op het stille eiland Gozo kreeg hij echter een lumineus idee. ‘Wanneer ik weer eens opgesloten zit in een knipperende tl-lamp, een slijpende tandartsboor of een piepende remschijf probeer ik het atonale lawaai enige lyriek en schwung mee te geven, een cantabile melodie.’
    Dautzenberg keerde van het eiland terug met een bundel tinnitusgedichten. Waarmee hij zijn binnenwereld een beetje bewoonbaar houdt. Een bespreking van deze bundel is binnenkort te verwachten.

     

    Niet het krassen van de kraai
    Auteur: A.H.J. Dautzenberg
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim