• Vanzelfsprekende onlogica

    Vanzelfsprekende onlogica

    Wat zou jij doen met meer dan twee armen? De octopus, in dit nieuwe verhaal van Toon Tellegen, heeft voor al zijn acht armen een eigen logische functie. Of toch niet? In dit prachtige prentenboek De armen van de octopus lezen we hier meer over.

    […]

    Voor wie bekend is met de fantasierijke dierenverhalen van Tellegen, die vaak een wijze en filosofische ondertoon hebben, zijn er veel herkenbare situaties. Denk bijvoorbeeld aan brieven die worden geschreven in Misschien wisten zij alles en die soms wel of juist niet aankomen. Denk aan de overpeinzingen van de eekhoorn en de mier. Denk aan de speelse en onderzoekende functies van de slurf van de olifant of de steeltjes van de slak. Denk aan bezoek dat zomaar aan kan komen waaien of letterlijk binnen kan vallen.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Een invuloefening

    Een invuloefening

    De liefdesgeschiedenis Dora doet een beetje denken aan de voorstelling The Second Woman van Nat Randall en Anna Breckon die dit jaar in het Holland Festival staat. Georgina Verbaan zal in een theatermarathon honderd keer, met verschillende, voor haar onbekende tegenspelers, steeds dezelfde scène spelen. The Second Woman gaat over een vrouw en een man die dan weer menen van elkaar te houden en dan ook weer niet. De man vertrekt. Een enorme rommel achterlatend.

    In het boek van Toon Tellegen gebeurt iets soortgelijks. Tweeënvijftig keer in het totaal, iets meer dan de helft van The Second Woman. In het boek draait het ook om een man (Vink) en een vrouw (Dora). Hier is het de vrouw die telkens weer naar – in dit geval – het strand vertrekt. Ze laat haar man achter. De rommel die door een buitenstaander of door Vink zelf wordt veroorzaakt, wordt elke keer weer door Vink opgeruimd en opgebouwd voor het nieuwe hoofdstuk.

    Een scène die telkens wordt herhaald

    De scène is in wezen telkens hetzelfde. Vink wordt op een morgen wakker, neemt de kamer in ogenschouw en denkt aan Dora. Hij wil haar eigenlijk meenemen naar het strand, maar kan de woorden niet over zijn lippen krijgen, gelijk Cordelia in King Lear van Shakespeare haar ‘hart niet naar de lippen kan tillen’. Vink ziet een vaas met bloemen staan en aan de muur hangt ‘een klein schilderijtje’. Een volgende keer wordt het tafereel ingevuld: het gaat om ‘een paardenrace in Engeland’. De bloemen blijken rode gladiolen te zijn. Naast Dora komt als personage de heer Leenderts voor, die de gewoonte heeft alles kort en klein te slaan. De vaas met bloemen, het schilderijtje van de muur. Waarom? Hij komt elke ochtend opdagen en waarschuwt Vink, maar waarvoor?

    Dora komt binnen en nu is zij het die naar het strand wil. Ze heeft een picknickmand bij zich. Uiteindelijk gaat ze alleen. Twee jongens staan voor het raam. De een gaat op de schouders van de ander staan, kijkt naar binnen en rapporteert aan de andere jongen wat hij ziet. ‘Gladiatoren,’ bijvoorbeeld. Daarna gaat er een of gaan ze allebei voetballen. Er zijn nog andere constanten: een motorfiets die langsrijdt, een liedje dat op het gazon voor de deur wordt gezongen door een koor onder leiding van een moedeloze dirigent: Bloemen verwelken, schepen vergaan, maar onze liefde, onze liefde blijft altijd bestaan. Boven elk hoofdstuk staat een trefwoord, variërend van aardig, gezellig, tot hartverwarmend enzovoort. In een register achter in het boek zijn ze allemaal nog een keer alfabetisch gerangschikt, als gaat het om een wetenschappelijke verhandeling. Het zijn allemaal emoties en stemmingen.

    Een stuk repetitieve muziek

    Deze opzet doet niet alleen denken aan het toneelstuk The Second Woman, waarvan Tellegen misschien de filmversie uit 1950 kent, maar ook aan een stuk repetitieve muziek uit het Amerika van zo’n tien jaar later (Terry Riley, Steve Reich en anderen): een motief dat telkens wordt herhaald, met aldoor minieme veranderingen, verschuivingen en aanvullingen. Verder gebeurt er niet of nauwelijks iets. Niet in de muziek en ook niet in het oorspronkelijk in 1998 verschenen boek.

    Misschien ga je bij het luisteren naar een stuk repetitieve muziek op het puntje van je stoel zitten en kun je soms zelfs in een bepaalde vorm van trance raken, bij het lezen van een boek als dit moet je doorzetten. Of je legt het boek weg, of je bent nieuwsgierig (het woord komt in het register voor…) en leest door. Ondanks een gebrek aan spanning, die de aandacht soms doet verslappen, wil je weten hoe het afloopt. Als het al afloopt.

    Opeens zit er een ontwikkeling in de karakters. Vonk laat Leenderts’ gedrag en dagelijkse waarschuwing niet zomaar lijdzaam over zich heenkomen. Hij wordt boos (staat in het register), zegt stampvoetend en met zijn vuisten zwaaiend, dat Leenderts stinkt. En het koor zingt opeens een andere tekst, waarin geen bloemen vergaan, maar liefde vergaat. Leenderts wil de schade ten gevolge van Vinks uitval opeens vergoeden. De koordirigent ziet het niet meer zitten en loopt weg, Vinks vrouw blijft thuis en vraagt of haar man Anna Karenina al eens heeft gelezen. Is dat ook als waarschuwing bedoeld? Een roman over een vrouw die verliefd wordt op een ander?
    Het is allemaal eenmalig en de gewone, dagelijkse gang neemt tot op zekere hoogte weer zijn loop. Elk hoofdstuk wordt weer op dezelfde manier opgebouwd. Heeft de verteller, Vink, houvast nodig, vraag je je als lezer af. Is hij misschien aan het dementeren? Er zijn signalen die in die richting wijzen; hij verwart Dora met zijn moeder (Dora? Nora?) en met Leenderts, wordt opeens boos en flapt er iets uit.

    Grotere veranderingen

    De grootste veranderingen liggen in het feit dat het koor opeens binnen staat te zingen, en de twee buurjongens niet langer buiten voor het raam staan, maar ook binnen zijn. Alles lijkt intern te zijn geworden. Geïnternaliseerd als het ware. Ook Dora komt van buiten, wanneer ze Vink komt opzoeken, wat een andere wending aan het geheel geeft. De picknickmand lijkt zo opeens meer op een mand fruit die je aan een bedlegerige in een tehuis komt brengen. Zoals een koor daar soms met hoogtijdagen in de gang staat te zingen. Bedlegerig is Vink steeds meer. Hij kan niet of nauwelijks meer opstaan. Koortsdromen houden hem in de greep en roepen een surrealistische sfeer op.
    Uiteindelijk gaan Dora en Vink toch samen naar het strand. Op de motorfiets. Als lezer mag je invullen wat daar gebeurt. Had Leenderts met zijn waarschuwingen iets voorzien? Of hebben de scherven van de vaas met gladiolen uiteindelijk toch geluk gebracht? Die twee mogelijke eindes geeft Tellegen niet weg. Dat hoeft ook niet. De lezer mag ook wel wat doen. Meer misschien dan je in eerste instantie verwacht bij zulke repetitieve scènes die uit hetzelfde stuk hout zijn gesneden.

     

  • Wat is het niets?

    Wat is het niets?

    Als twee iconen uit de boekenwereld de handen in elkaar slaan, dan moet het wel vuurwerk geven. Toon Tellegen is niet weg te slaan uit de bestsellerlijsten. Zijn dierenverhalen worden door jong en oud gesmaakt en hij ontving dan ook helemaal terecht tal van prijzen voor zijn hele oeuvre, zoals de Woutertje Pieterse Prijs, de Gouden Uil, de Gouden Griffel  en ga zo maar door. Zijn werk wordt overigens over de hele wereld vertaald en gelezen. Illustrator Thé Tjong-Khing mag zich gerust naast Tellegen plaatsen. Ook zijn werk is veel gelauwerd met tal van prijzen zoals de Woutertje Pieterse Prijs, maar eveneens de Max Velthuijsprijs en drie Gouden Penselen. Hem kennen we natuurlijk van de vele illustraties van Vos en Haas. Het was dus uitkijken naar het verschijnen van Waar gaan we eigenlijk heen, een samenwerking van beide grootheden.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Oogst week 29 – 2023

    Voor elkaar

    Toon Tellegen (1941) schreef een bijna ontelbaar aantal boeken, vooral kinderboeken. Het eerste was Er ging geen dag voorbij – Negenenveertig verhalen over de eekhoorn en de andere dieren (1984). Daarna volgden er nog talloze andere verhalen; grappig, ontroerend, met een filosofische inslag en soms een beetje moraal. Ook volwassenen lezen ze graag.
    Daarnaast publiceerde Tellegen meer dan twintig poëziebundels, en proza voor volwassenen. Bovendien schrijft hij teksten voor film en toneel. Hij ontving vele prijzen, waaronder Gouden en Zilveren Griffels, en voor zijn gehele oeuvre de Constantijn Huygens-prijs, de Theo Thijssen-prijs en de Hendrik de Vries-prijs.

    Dieren spelen vrijwel altijd de hoofdrol in zijn kinderenboeken. Allerlei dieren komen voorbij, vooral Tellegens mier en eekhoorn zijn beroemd. Ook de krekel, olifant, bij, egel, kikker, walvis en nog veel meer dieren fungeren als personages in de korte verhaaltjes waarin een probleem of vraag wordt opgeworpen. Het zijn metaforen voor menselijk gedrag en emoties. Olifant bijvoorbeeld wil graag vliegen en egel wil iemand anders zijn. Bij Tellegen komen ze na een klein avontuur en een ervaring rijker weer met de voetjes op de grond.

    De verzamelde verhalen in Voor elkaar gaan over dieren die elkaar troosten en helpen als er iets verkeerd is gegaan of als iemand verdrietig is. Zo heeft de sprinkhaan in zijn winkel nóg een dag voor de eendagsvlieg en kunnen schildpad en slak niet zonder elkaar bij het wedden wie van hen het langzaamst is.

     

    Voor elkaar
    Auteur: Toon Tellegen
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Gebied 19

    Tijdens de coronapandemie met lock-down en avondklok stelde Esther Gerritsen zich voor hoe het zou zijn als er steevast weinig mensen op straat zouden zijn. Toen ze haar hond uitliet, was ze vrijwel alleen buiten en haar fantasie ging aan het werk. Daar is Gebied 19 uit voortgekomen, een psychologische sciencefictionroman. Sciencefiction is een ‘oude liefde’ van Gerritsen, vertelt ze in een interview op Libris.nl. Ze leest het nog steeds graag.

    In Gebied 19 heeft op aarde een grote verandering plaatsgevonden. Niemand is daar erg verrast over, behalve hoofdpersoon Thomas, die niks heeft zien aankomen. De dag na zijn bruiloft laat hij de hond uit en blijkt hij alleen op straat te zijn. Wel ziet hij een groep mensen bij een buurthuis. Hij piekert, want hij had bij het wakker worden zijn vrouw niet in huis aangetroffen. Een soort depressie maakt dat hij niet kan geloven dat gelukkig zijn voor hem mogelijk is. Het leven voelt onecht, Thomas kan de werkelijkheid niet aanvaarden zoals die is. Uiteindelijk verhuist hij naar een andere planeet waar hij nieuwe inzichten verwerft en leert met de realiteit om te gaan.

    Gerritsen liet zich inspireren door onder meer boeken van Kurt Vonnegut en Ray Bradbury waar aliëns en andere planeten in voorkomen. Maar ‘Gebied 19 gaat uiteindelijk gewoon over relaties,’ zegt Gerritsen.

    Gebied 19
    Auteur: Esther Gerritsen
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus

    Nagenoeg

    De Belg Filip Rogiers (1966) werkte dertig jaar in de journalistiek, onder meer als redacteur en columnist bij De Standaard. Maar nu verruilt hij dat werk voor het onderwijs. Vanaf september gaat hij op een middelbare school Nederlands en Engels geven. De reden is dat hij op zijn zevenvijftigste nog nieuwe dingen wil leren, zegt hij. Eerder gaf hij al lessen journalistiek aan de Erasmushogeschool in Brussel.

    In 2011 publiceerde Rogiers een bundel literaire verhalen, Nauwelijks lichaam, die werd bekroond met de Debuutprijs 2012. In 2015 kwam Verman je uit, zijn eerste roman waarin de hoofdpersoon door overmoed twee keer onderuit gaat. Het boek werd genomineerd voor De Bronzen Uil. In 2018 verscheen de roman Angel over een Canadese Navo-militair die in Noord-Frankrijk is gelegerd tijdens de koude oorlog.

    Nagenoeg is Rogiers’ poëziedebuut. Tussen het eerste en het laatste gedicht zit dertig jaar, de dichter liet zijn werk rijpen. Sommige gedichten verschenen eerder in de Poëziekrant en Het Liegend Konijn. Ze ademen een sombere atmosfeer. Onderwerpen zijn gevreesde intimiteit, gedwarsboomde liefdes en moeizame levens. Dagblad De Morgen bestempelt de teksten als donkere maar glasheldere gedichten. De flaptekst heeft het over ‘meedogenloos hard’.

    Nagenoeg
    Auteur: Filip Rogiers
    Uitgeverij: Uitgeverij Poeziecentrum Vzw
  • Vederlichte verzen

    Vederlichte verzen

    Zijn jongensdroom om te kunnen vliegen heeft de in 2019 overleden Belgische kunstenaar Panamarenko nooit losgelaten. Heel zijn carrière lang bouwde hij machines met vleugels om die droom te verbeelden. Hij was niet de enige met zo’n droom. Verre van. Al eeuwenlang blijft de mens de vogels bewonderen om hun vliegkunsten. Ook dichters lijken begeesterd te zijn door de gevleugelden van het dierenrijk. Van vogels krijg je nooit genoeg is de waarachtige titel van een bloemlezing Nederlandstalige vogelpoëzie, samengesteld door Jan de Bas en Arie Bijl. Uit die honderdvijftig gedichten kan de lezer trachten achterhalen waarom de titel zo correct aanvoelt en waarom niet alleen dichters, maar mensen uit allerlei geledingen, gefascineerd blijven door vogels en soortgenoten.  

    Vogelvrij en verscheiden

    Ook in deze anthologie vormt de verwondering het startschot om enkele verzen aan vogels te wijden. Een enkele observatie kan volstaan om een hele beeldenwereld en wirwar aan verlangens te ontsluiten. Soms is de wens om bijvoorbeeld een reiger te zijn ook vrij letterlijk te nemen, zoals in een naamloos gedicht van Ed Franck: ‘Eénbenig / spiegel ik me / in een zomerse plas / aan een blauwe reiger / wat weinig / veren voor een vogel / de armen te hoekig / voor sierlijke vleugels // Maar stilstaan / op één been / kan ik al.’ Maar de variatie in aanpak is enorm. Gaande van de puntige abstractie van Judith Herzberg ( ‘bijna nooit zie je een vogel in de lucht / zich bedenken / zwenken terug) tot de absurde humor van Jan Hanlo’s gedicht mus (‘Tsjielp, tsjielp, tsjtielp…’).

    Niet enkel het taalregister maar ook de kwaliteit van de gedichten vertoont in deze bundel sterke schommelingen. Om te kunnen schommelen heb je uitmuntende uitschieters nodig en die zijn zeker aanwezig en bevatten een intense zeggingskracht. Die poëtische intensiteit ontstaat als de dichter zijn lezer vanuit een ordinaire waarneming weet mee te voeren naar een anders onbereikbare gedachte of onbekend gevoel. Zo oppert de dichteres Hanny Michaelis door het observeren van twee duiven die als ‘populaire vredessymbolen’ ‘menswaardig’ met elkaar zitten te vechten de volgende gedachte: ‘leerzaam tafereeltje voor wie / net als ik geneigd is / meer van dieren te houden / dan van de meeste mensen.’  En een opvliegende duif wekt bij Roland Jooris afstand op: ‘Eensklaps en wit / laat zij slechts / verte / in mij na.’ 

    Alledaagse verzen

    Soms blijft zo’n verdieping of bevraging van het vanzelfsprekende jammerlijk achterwege. De beelden verzanden in het alledaagse en ook de taal blijft braaf. In ‘tsjilp’ van Jaap Robben bevatten de verzen een aantal sentimentele strofes die niet verrassend genoeg geformuleerd zijn om echt te ontroeren: ‘voordat ik haar daar leg / hou ik haar stijve lijfje / dicht tegen me aan//.’ Dat is best een aardige en lieve strofe, maar meer ook niet. Wanneer eenvoudige taal de scherpte mankeert om een herkenbare situatie te ontstijgen, dan blijft het gedicht vastplakken aan het banale en wordt daarmee vleugellam. Dat is zeker het geval als je het vergelijkt met de spitsheid in ‘Eén zwaluw’ van Toon Tellegen: ‘Jij, / jij was een zwaluw, / De eerste zwaluw, // en je maakte zeven zomers / zonder één winter ertussenin. //’

    Natuurlijk pretendeert zo’n thematische bloemlezing niet per se baanbrekende poëzie te bevatten en hangt veel af van wat de samenstellers beogen. In hun bondige maar goed toegelichte voorwoord beamen Jan de Bas en Arie Bijl hun hoop dat ‘deze bloemlezing u als lezer inspireert om van vogels en poëzie te genieten’. De verzen van Robben of het reigerverlangen in het gedicht van Ed Franck kunnen dankzij hun laagdrempeligheid inderdaad grote groepen mensen charmeren. En de kwaliteit is allesbehalve slecht. Maar eerder in het voorwoord verklaren de samenstellers dat ‘dichters proberen om in taal door te dringen tot emoties die nauwelijks of zeer gebrekkig in woorden zijn te vatten en het gedrag van de vogel kan de lezer in zijn eigen gedragsspiegel laten kijken.’ Dat doel wordt door de meerderheid van de gedichten in deze bundel dan weer amper behaald.

    De beelden die wel op het netvlies blijven kleven kunnen echter een prima kennismaking inluiden met een voor de lezer onbekende poëet. Enkele van de interessantste gedichten uit de bundel zijn dan ook al redelijk exemplarisch voor de stijl en taal van een auteur: de minimale abstractie van Roland Jooris of de absurditeit van Hanlo en net zoals in zijn romans behandelt Ted van Lieshout in ‘dag mus’ schuldgevoelens en daderschap: ‘Wij vonden een gewonde mus / en legden hem in een doos. / Anders was hij doodgegaan. // […] Het leven van zoiets kleins is te teer / voor mensenhanden. Hij wijst ons / met zijn pootjes als daders aan.’

    ‘Hebban olla uogala nestas hagunnan’

    Al vanaf de bovenstaande en oudst bekende Nederlandse zin doorkruisen vogels allerhande de poëzie van de lage landen. Nog steeds hebben alle vogels nesten en nog steeds krijgen we nooit genoeg van deze dieren. Ook niet na het doorbladeren van deze bloemlezing. Pauwen, meeuwen, roerdompen, merels, meerkoeten, hoenen… Zo divers als het vogelrijk zich laat gelden, zo veelzijdig is de hedendaagse poëzie. Wie deze anthologie als vogelgids of een verzameling baanbrekende gedichten beschouwt, zal na een tijdje gefrustreerd raken. Misschien is deze lectuur als het vogelspotten zelf. Bladzijde na bladzijde zie je niets op de bladspiegel neerstrijken. Heb geduld en blijf geconcentreerd verder speuren en lezen. Want opeens komt er een magnifiek exemplaar aanvliegen, een uitmuntend gedicht. Volg zijn vlucht en ga op zoek naar meer van deze auteur. Treed in de vleugelslag van Panamarenko en vlieg de vogel of verzen achterna. Deze gevleugelde woorden zullen je meevoeren naar de hoogste boom, naar zijn nest en naar het kloppende hart van de poëzie. 

     

     

  • Toont Tellegen zijn kunsten opnieuw?

    Toont Tellegen zijn kunsten opnieuw?

    Of je nu zijn verhalen over de eekhoorn en de mier leest, of zijn nieuwste gedichtenbundel, de boeken van Toon Tellegen zijn onmiddellijk te herkennen. Het is moeilijk om precies aan te geven hoe dat komt, want zijn algemene thema’s worden ook door andere auteurs behandeld: de dood, het leven, het al dan niet bestaan van God. Ligt het aan de verwondering die zijn verhalen kenmerkt, de verbazing over heel gewone dingen die we als vanzelfsprekend aannemen, of komt het door de heel directe manier van spreken? Want de taal die Tellegen gebruikt, is bedrieglijk eenvoudig. Hij spreekt vaak rechtstreeks een generiek jij aan, met wie hij toch vooral in de meeste gevallen zichzelf bedoelt. Er komen geen grote woorden aan te pas, geen spitsvondige trucjes of dubbele bodems.

    Dat maakt het ook zo lastig om aan te geven of zijn boeken voor kinderen bedoeld zijn of voor volwassen lezers. Voor de liefhebbers van de verhalen en gedichten van Tellegen doet dat er weinig toe. Hij heeft een zeldzaam groot oeuvre op zijn naam staan, waaronder meer dan twintig dichtbundels. Nu de auteur de tachtig is gepasseerd, behandelt hij in zijn nieuwste bundel, Langs een helling, nog een extra thema: de ouderdom en het verglijden van de tijd. Het leven wordt voorgesteld als een helling waarvan je jeugd de top vormt. Naarmate je ouder wordt, glijd je daar langzaam vanaf. En waar je eenmaal beneden gekomen, bent aanbeland, weet zelfs de dichter niet. Ook de voorkant van de bundel doet denken aan het bekende licht aan het einde van de tunnel, een bestemming in de verte. Het past goed bij de filosofische inslag die in alle gedichten terugkomt:

    Op weg
    Ik wou dat ik langs een weg liep die onbegaanbaar was,
    dat ik moest terugkeren, maar niet terugkeerde
    en maar doorliep en doorliep,
    het verschil tussen begaanbaar en onbegaanbaar nog niet wist.

    Komisch en absurd

    Hoewel de gedichten overwegend komisch en absurd zijn, is er ook een melancholieke toon binnengeslopen. Tellegen bekijkt zijn verleden met weemoed, zoals dat gaat bij ouderdom. Dat terugkijken levert ook teleurstellingen op, evenals het besef dat het leven niet overgedaan kan worden. Er zit niets anders op dan te aanvaarden dat het niet volmaakt is. Toch is Tellegen nooit pessimistisch. Hij weet in de slotregels van zijn gedichten vaak een paradox en een milde ironie te leggen, waardoor een negatief gegeven wordt omgebogen tot troost, ook al is die schraal.

    zij die verdrinken roepen naar elkaar:
    ‘zijn er onder ons ook wanhopigen?’
    niemand antwoordt
    ‘en ongefundeerde optimisten?’
    ‘ik! ik!’
    ‘en waarover bent u dan optimistisch tegen beter weten in?’
    ‘dat we gered zullen worden’
    (Uit: ‘De waarde van het leven’)

    Laat ons niet bestaan

    Voorafgegaan door een gedicht over twee meisjes, zijn ook vijf gedichten opgenomen die doen denken aan Tellegens boek Twee oude vrouwtjes. Hierin staan korte absurdistische verhalen over twee oude vrouwen die na elke wending van het lot opnieuw beseffen niet zonder elkaar te kunnen. In de vijf gedichten in Langs een helling wordt de leeftijd van de twee vrouwen niet specifiek vermeld en hun avonturen zijn per gedicht van ernstiger aard: ze dansen, ze worden gekruisigd, ze kussen elkaar wanhopig, ze nemen afscheid van elkaar en in het laatste gedicht smeken ze hun bedenker om hen alsjeblieft te laten ophouden met bestaan: ‘verzin ons toch niet meer!/ laat ons toch niet bestaan!’ Desondanks laat de dichter ze continu terugkeren. Het is interessant om te zien hoe deze gedichten als korte cyclus apart staan van de overige, temeer daar het vrijwel de enige gedichten zijn – afgezien van het vijfde
    – waarin geen sprake is van een eerste persoon enkelvoud of meervoud, van waaruit Tellegen gewoonlijk schrijft.

    Ook in deze bundel is de ambivalente relatie van de lyrische ik met God aanwezig, met de eeuwige twijfel over Diens bestaan. En mocht Hij bestaan, dient Hij dan bevochten of getroost te worden? Daarover lijkt Tellegen zelf nog geen duidelijkheid te hebben, maar zijn worsteling daarmee levert wel de mooiste gedichten op. De gedichten over de dood zijn eveneens prachtig:

    Verborgen in het struikgewas
    Verborgen in het struikgewas – oude man die ik ben –
    zie ik de dood:
    hij is naakt, hij stapt in het water, het is een warme dag
    heeft hij vandaag niets te doen?
    ik weet wel iemand…
    hij zwemt,
    mooi monster,
    vriend die geen vriend is
    ik sluip weg voor hij me ziet –
    alsof hij me ooit ook maar één tel uit het oog verliest…

    Tellegen brengt in Langs de helling bij elkaar wat zijn poëzie kenmerkt: het eenvoudige taalgebruik, de simpele voorstelling zoals een kind die zou maken, het tikje humor, de speelsheid, maar ook de kracht van zijn goedgekozen metaforen die de gedichten diepte schenken. Achter de directe waarneming gaat een onvermoede diepere betekenis schuil. Deze kwaliteiten maken Langs de helling een typische én een unieke Tellegen.

     

     

  • Eens kijken hoe het met God gaat

    Eens kijken hoe het met God gaat

    God is al tijdenlang aan het verdwijnen in Nederland en daarom is het goed dat Toon Tellegen eens hier en daar gekeken heeft hoe het met hem gaat. Dat heeft, met als titel God onder de mensen een boekje met sprookjesachtige waarnemingen opgeleverd dat een mooie plek verdient in het oeuvre van Tellegen. God is in de beschrijvingen van Tellegen meestal een oude man, slecht gekleed, vaak niet best gehumeurd en teruggetrokken levend. Het is bekend dat hij macht heeft over alles en iedereen, maar hij doet daar eigenlijk niets mee en het kan hem ook duidelijk niet boeien dat hij er iets mee zou kunnen doen. Die macht is hem kennelijk komen aanwaaien, en van weinig belang voor hem, hoe groot dat belang ook is voor de mensen. 

    Exentrieke God

    God kan ook behoorlijk excentriek zijn, laat Tellegen overtuigend zien, als hij Hem bijvoorbeeld dwars door iemand heen laat wandelen. ‘Het lichaam van die man, met een gat er middenin, bleef op straat achter’, noteert Tellegen. God kan ook wrede dingen doen. Zo peutert hij de gehoorbeentjes uit de oren van iemand die naar Zijn idee hem niet wil horen. Dat zijn toch dingen waarvan je als lezer van het boek denkt: jeetje, dat wist ik niet van God. Goed dat Tellegen dat eens uit de doeken doet! Soms maakt God het te bont. Zoals op de dag dat hij op straat iemand jent met de mededeling: ‘Je vreest mij… verzoekt mij om de meest uiteenlopende en onmogelijke zaken, zoals genade, vergeving van zonden, erbarmen, deernis en nog meer van dat soort dingen… terwijl je mij helemaal niet kent, niets van mij afweet en mij van jouw kant niets te bieden hebt.’

    En zoiets gaat deze trouwe gelovige dan te ver: ‘Hij voelde een soort razernij in zich opkomen als een vuur uit een vuurpot diep binnen in hem, waarin zijn kindertijd nog lag te smeulen, zijn vader, zijn christelijke school, zijn huwelijk, zijn plichtsgetrouwheid als belijdend christen… De vlammen laaiden hoog op. (…) Het was een sterke man, hij had vroeger op gewichtheffen gezeten, was ooit districtskampioen in de lichtzwaargewichtklasse geweest, had een paar maal aan de nationale kampioenschappen deelgenomen en ook nog een jaar aan kogelslingeren gedaan op atletiek. Hij tilde God op, knelde hem tegen zich aan, draaide vier keer op zijn hakken rond en slingerde hem midden op straat. ‘Of ik u niet ken…!’ riep hij hem achterna. Hij liet zijn handen weer zakken. Het was zes uur, hij had honger, zijn vrouw wachtte op hem met het eten. Het begon te regenen. De straat was verlaten, er was nergens een levende ziel te bekennen, zelfs geen hond.’

    Tobben over zijn Godzijn

    Het werd wel eens tijd dat deze minder bekende kanten van God belicht werden en Toon Tellegen doet dat op zijn eigen wijze: eerlijk en onopgesmukt. God is ook eenzaam, dat wordt wel duidelijk. Zo mist hij – om maar iets te noemen – een godin. Misschien dat hij vanwege die eenzaamheid eens in het hoofd van een mens kroop (‘Op een dag ontdekte een man dat God zich schuilhield in zijn hoofd. Alsof het buiten zijn hoofd regende of gevaarlijk was voor hem’) of een ander mens van dichtbij voortdurend bleef aankijken (‘Een man zag voortdurend het gezicht van God voor zich.’) tot die er tureluurs van werd en God ging uitschelden.

    Dat God voortdurend aan het tobben is over zijn Godzijn, en wat hij daarmee aan moet, dat beschrijft Tellegen in meerdere van deze stukjes in deze bundel ZKV’s. Vooral zijn onsterfelijkheid is voor God een straf. In één van de verhalen looft hij 1000 euro uit voor wie hem dood kan maken. Maar dat lukt tot zijn spijt niemand. Als hij voor het raam van een liedjescomponist probeert zichzelf op te hangen aan de beuk in diens tuin gaat dat voortdurend mis, omdat hij de lus niet goed om zijn nek krijgt, of het touw breekt, of de stoel waarop hij staat wil niet omvallen. De liedjescomponist ziet het gebeuren: ‘Dit voorval herhaalde zich vervolgens gedurende lange tijd dagelijks voor zijn raam. Hij achtte het waarschijnlijk dat God om een of andere reden dood wilde gaan, maar daartoe niet in staat was. Alsof alleen mensen over hun leven konden beschikken en hij niet. Wij zijn gelijkzijdige driehoeken, zei hij tegen zichzelf. Hij vond dat een verontrustende gedachte, hij kon niet uitleggen waarom.’

    Behalve de boodschap dat God – áls hij al bestaat – méér mens is dan wij denken, lijkt dit wel de voornaamste conclusie van Tellegen’s onderzoek naar de relatie tussen ons en Hem: wij zijn gelijkzijdige driehoeken en dat is een verontrustende gedachte, zonder dat we weten waarom. Goed dat iemand dat nu eens opgeschreven heeft!

     

  • Oogst week 13 – 2019

    Vallen is als vliegen

    Alleen maar ervaren en gewaardeerde Nederlandse schrijvers, deze week in de Oogst.

    In Vallen is als vliegen valt de zestien jaar oudere zus van de hoofdpersoon, uitgehongerd en uitgedroogd, van de trap en sterft. Dat doet de woede van de schrijfster ontbranden. De dood van Henne Vuur, ooit haar ‘schaduwmoeder’, dwingt haar een gruwelijk en angstwekkend verleden onder ogen te zien.

    De nieuwe roman van Uphof begint direct met die val:

    ‘Henne Vuur

    Op 13 november van het jaar 2015 viel Henne Vuur van de trap en stierf, enkele uren vóór een groep uitgaande jongeren in de Bataclan te Parijs voorgoed weerhouden werd van verdere onschuldige uitstapjes.
    Henne Vuur was mijn zus. Mijn moeders eerstgeborene.
    Ze lag onderaan de trap en weigerde de ambulance. Ondanks aandringen van arts en ambulancemedewerkers om zich te laten opnemen in het ziekenhuis, aangezien ze ernstig ondervoed was en uitgedroogd.
    Ik had haar in geen jaren bezocht en wist niet eens wat haar adres was. In mijn leven was ze weinig meer dan een terugkerend moment van bespotting op onze jaarlijkse Familiedag van de Doden. Moest je ze nou eens zien: die moeder, altijd en eeuwig met haar volwassen zoon in zijn hakke-hakke-puf-puf-invalidenwagentje. Deed het niet denken aan Psycho? Wat een bizar en ongelooflijk paar!’ […]

     

    Vallen is als vliegen
    Auteur: Manon Uphoff
    Uitgeverij: Querido

    De onverwachte rijkdom van Altena

    Jan van Mersbergen viert op vier april a.s. vanaf 17.00 uur de presentatie van zijn nieuwe roman bij boekhandel Athenaeum op het Spui in Amsterdam.

    In een dorp verschijnt een persoon met de mededeling dat de man is overleden die dertig jaar eerder een geliefd meer door een hek liet omheinen en afsluiten. Waarom deed hij dat? De dorpelingen denken dat hij voor zichzelf deed. Maar is dat zo? Diens dochter komt vervolgens met de sleutel van het hek.

    Het boek begint als volgt:

    ‘1 horizontaal: Beloning voor de portier

    Er staat een Chinees voor de cafetaria.
    Dat is niet een van de opgaven van de puzzel die hier voor me ligt, al zou het ervoor door kunnen gaan. Ik denk aan iets heel anders en dat begon met die Chinees, bij de cafetaria. Daarvoor gebeurde er veel en daarna gebeurde er nog veel meer, geloof me, maar het werd in gang gezet door die oude Chinees op het stoepje.
    Het zou iets met bami kunnen zijn, als die Chinees een crypto was, of met mayo. De eerste opgave van deze puzzel, één horizontaal, is: Een beloning voor de portier.’ […]

    De uitgeverij: ‘De onverwachte rijkdom van Altena laat zien dat delen pas zin heeft als iedereen ervan profiteert. Een intrigerend verhaal over afgunst en solidariteit onder de uitgestrekte hemel van de Nederlandse polder.’

     

    De onverwachte rijkdom van Altena
    Auteur: Jan van Mersbergen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Voorwaarts

    Eva Meijer (1980) debuteerde in 2011 met Het schuwste dier (2011). Later volgden  Dagpauwoog (2013) en Het vogelhuis (2016), beiden op Literair Nederland besproken.

    Meijer (filosoof, kunstenaar, singer-songwriter en schrijver) is zowel voor haar literaire als essayistische werk genomineerd voor verschillende prijzen, haar werk wordt in veel landen vertaald en zij won in 2017 de Halewijnprijs voor haar gehele oeuvre.

    Op haar blog van 16 maart jl. schrijft ze over haar nieuwe roman Voorwaarts!:

    Uit betrouwbare bron vernam ik dat mijn nieuwe roman Voorwaarts al in de winkel ligt. Nog voor ik het boek zelf gezien heb. Dus ren naar je favo boekhandel en koop het voor jezelf, je geliefde, en/of je buurvrouw. Over het boek:
    In 1923 verlaat een groep anarchisten Parijs om nabij Luynes een commune op te richten. Veganisme, nudisme en gelijkheid tussen man en vrouw bieden volgens hen de mogelijkheid om in harmonie met de aarde te leven. Bijna honderd jaar later leest student politieke filosofie Sam een oude uitgave van het dagboek van één van hen, Sophie. Sam raakt betoverd door de verhalen over het leven op de boerderij, haar liefde voor Clémence, en de vele discussies die ze hebben over de juiste manier van leven. Ze overtuigt haar eigen vrienden om de stad te verlaten en zelfvoorzienend te gaan leven. In het noorden van het land krijgen ze te maken met spirituele gelukszoekers, geldminnende makelaars, de grenzen van de open liefde en de beklemming van afzondering. Hun dromen lijken niet bestand tegen het experiment en één voor één verlaten ze het huis. Of kan het toch anders? Voorwaarts is een roman over liefde en vrijheid, en de strijd voor wat de moeite waard is.’

     

    Voorwaarts
    Auteur: Eva Meijer
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De verboden tuin

    Dan de heruitgave van de debuutroman De verboden tuin uit 1986 van Wessel te Gussinklo die hem meteen de Anton Wachterprijs opleverde en een debutantenbeurs van het Fonds voor de Letteren

    De verboden tuin beschrijft het leven van een kind met een blik op de wereld zoals alleen kinderen die hebben. De roman beschrijft ook de wijze waarop je – zowel kind als volwassene – probeert je de wereld toe te eigenen. Het heimwee naar de ongeschondenheid, naar het samenvallen van de eigen werkelijkheid met dé werkelijkheid: een droom die in iedereen leeft, maar die bij het kind nog ongerept is.

    De verboden tuin is de eerste roman met als hoofdpersoon Ewout Meyster, die later terug zal keren in de romans De opdracht en De hoogstapelaar.

     

     

    De verboden tuin
    Auteur: Wessel te Gussinklo
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Een van ons zal omkijken

    Tot slot de meester Toon Tellegen die een bloemlezing samenstelde uit al zijn gedichten. In al zijn bundels dicht hij over ons, de mens, over het leven, de liefde, de twijfel en de dood. De uitgeverij schrijft daarover: ‘Soms zijn die gedichten ingetogen en melancholisch, dan weer spreken ze met uitroeptekens van hoop, verlangen en geluk. En steeds gaan ze over herkenbare gedachten en gevoelens, van het verdrietigste treurgedicht tot de gloedvolste liefdespoëzie.’

    Geniet ervan!

     

    Een van ons zal omkijken
    Auteur: Toon Tellegen
    Uitgeverij: Querido
  • Het belang van een boek

    Het belang van een boek

    Het was vrijdagavond en ik mocht kiezen. De regen had alle opties buiten de boeken geëlimineerd. Verspreid door de kamer lagen de volgende mogelijkheden. Het bed: Bright earth, Art and the invention of colour door Philip Ball, omdat een leraar op de kunstacademie had gezegd dat het goed was om te beseffen dat tubes verf in alle kleuren van de regenboog niet zomaar op een dag uit de lucht waren komen vallen.
    Tafeltje naast het bed: Birk door Jaap Robben, omdat mijn nieuwe liefde had gezegd dat ik het moest lezen; Astronaut door Pieter Kranenborg, omdat ik tegen Pieter Kranenborg gezegd had dat ik het zou lezen voordat ik een biertje met hem zou gaan drinken; De uitvreter / Titaantjes / Dichtertje / Mene Tekel door Nescio, omdat het al zo lang geleden was; Living as a river, Finding fearlessness in the face of change door Bodhipasaka, omdat het fantastisch zou zijn nooit meer bang te hoeven zijn voor het verstrijken van de tijd. Beleef uw huis door Hans Uylenburg, omdat het grappig was om interieuradviezen uit de jaren zeventig te lezen.

    Bovenkant kastje aan voeteneind bed: De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB poëzieprijs als bewijsmateriaal dat poëzie wél nuttig en maatschappelijk relevant is, écht wel, écht wel.
    Het bureau: Verborgen gebreken door Renate Dorrestein, zodat ik bij mijn optreden als talentvolle jonge auteur tijdens een hommage aan Renate Dorrestein enige parate kennis van haar werk tentoon zou kunnen spreiden; Het hemelse gerecht, om dezelfde reden.
    De vloer: Als je een meisje bent door Maartje Smits, ook te leen gekregen van mijn nieuwe liefde, omdat we haar laatst hadden gezien onder een lampenkap; De wereld der planten 1 en De wereld der planten 2, omdat er mooie sexy plaatjes in stonden (vergeet food porn, plantenporno is veel opwindender); Expanded painting door Mark Titmarsh, omdat ik overwoog een schilder in bredere zin te worden; Poëziekalender 2015, omdat je die gedichten gewoon tot in het oneindige kon hergebruiken.

    Ik wist het niet. In alle opgenoemde boeken had ik recent gelezen, geen ervan verwachtte ik op korte termijn uit te lezen. Behalve misschien de twee van Renate Dorrestein, want als ik die niet uit las vóór 10 juni was ik er niet zeker van of mijn jeugdige talent genoeg zou zijn om alles wat ik niet van haar gelezen had te compenseren. Maar het was vrijdagavond en op vrijdagavond streefde ik ernaar om niets te doen wat moet.

    Ik koos Toon Tellegen. Ik vond hem in het kastje aan het voeteneind van mijn bed en zocht het gedicht op dat zojuist mijn hoofd binnen was gevlogen. Ik mocht kiezen. / Ik wist het niet. / Ik koos de vrede. Dat was het begin. En daarna liet Tellegen de waarheid en de schoonheid, de wijsheid en de weemoed, en zelfs de liefde gaan, zodat alleen de vrede overbleef. En in de hemel hing een andere zon. En de regen tikte op het ronde daklicht en een vliegtuig kwam laag overvliegen en hoewel het buiten koud geworden was, bleef het binnen warm.

     


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze nog eens maar nu een dichtbundel, Dwaallichten.

  • Een broer uit duizenden – hilarische jeugdherinneringen

    Een broer uit duizenden – hilarische jeugdherinneringen

    Toon Tellegen (1941), opgegroeid in het Zuid-Hollandse plaatsje Den Briel als zoon van de plaatselijke dokter, had een zes jaar oudere broer, Ben Tellegen. In De Seringenboom haalt Tellegen herinneringen aan hem op. De grote broer was een held voor de jonge Toon: de sterkste jongen ooit, de grootste eter ooit, de ergste durfal ooit. Een combinatie van Dik Trom, Pietje Bell en Pipi Langkous.

    Broer Ben wilde alleen iets doen als het gevaarlijk was. Hij stak een vinger in een stopcontact om elektriciteit te proberen, schoot een voetbal verder weg dan men voor mogelijk hield, at met gemak 24 boterhammen of vijftig gehaktballen, en nam één keer – maar wel definitief – wraak op wie hem tegenwerkte. Hij brak alles wat er te breken viel en verloor een vinger.

    Held en beschermer

    Daar kon het jongere broertje alleen de grootste bewondering tegenover stellen. En een vaag maar plezierig vermoeden koesteren dat zijn held het ook een beetje deed om die bewondering te verdienen. Want behalve één keer, toen Ben hem probeerde te verkopen aan een kale oude man met een rode snor maar diens rijksdaalders afkeurde omdat ze vals zouden zijn, gedroeg de oudere broer zich als Toons beschermheer. En die beschrijft zichzelf in deze herinneringen als een bangige acht- en negenjarige, toonbeeld van braafheid en goedgelovigheid, en zowel gezegend als gestraft met een rijke fantasie. Alle personages in De seringenboom lijken dan ook weggelopen uit de sprookjes van Grimm, maar in tegenstelling tot die sprookjes hebben de beschreven avonturen van Ben geen moralistische inslag, ze zijn eerder anarchistisch.
    Ben geloofde dan ook niets en niemand en rekende met elke zekerheid snel af:
    ‘Mijn broer wilde altijd alles weten. We gingen naar de kerk voor het laatste avondmaal. Mijn broer vroeg: “Is er dan volgend jaar geen avondmaal meer?” Mijn moeder zei: “Jawel, dan ook weer.” “Dan is dit het voorlaatste avondmaal,” zei mijn broertje.’

    Beeldend en subtiel proza

    De anekdotes die Toon Tellegen over zijn broer opschrijft zijn vaak hilarisch en ook de kanttekeningen van moeder Tellegen bij het karakter en gedrag van de diverse Briellenaren tikkelen de lachspieren:
    ‘Onze melkboer, een lange magere man met gele tanden die volgens mijn moeder de melk verdunde in een verhouding van een op tien en die volgens een jongen in mijn klas in de melk spuugde om te zien of die nog vers was, groette ons. Hij kwam uit het huis van een weduwe die, volgens mijn moeder, op hem leunde. Ik zag haar wel eens lopen, stapje voor stapje. Hij was een soort wandelstok voor haar.’

    Maar keer op keer slaat de fantasie met verteller Toon op hol:
    ‘Mijn moeder stond halverwege de preek op, schudde haar hoofd, liep door het gangpad naar voren, klom het kleine trapje naar de kansel op, zei dat ze het totaal niet met hem eens was, streek een lucifer af en stak zijn broekspijpen onder zijn toga aan, en de dominee zweefde als een brandend vloeipapiertje omhoog tot hij tegen de nok van de kerk botste en zwartgeblakerd naar beneden viel tussen de voorste gelovigen in.’
    Deze mooie zin is een goed voorbeeld van Tellegens verraderlijk eenvoudige maar o zo beeldende en subtiele proza.

    De echte Ben

    Waarheidslievende lezers kunnen zich na lezing van De Seringenboom afvragen hoe Ben Tellegen in werkelijkheid was. Voor hen zijn er de boeken van Briellenaar Rens van Adrighem, en dan met name de titels Lol trappen: de Brielse maskerade en Markante Briellenaren, beide verschenen in 2011.
    Ben Tellegen vertrok op zijn achttiende uit het ouderlijk huis, zijn jongere broer vol verdriet achterlatend. Alhoewel hij dacht nooit te zullen sterven, deed hij dat uiteindelijk toch, tachtig jaar oud, in 2016 in het Peruaanse plaatsje Tingo Maria, met voor en naast zijn huis de rivier La Huellaga. Wie googelt met de trefwoorden Ben Tellegen en Tingo Maria vindt op Youtube een filmpje dat Ben in maart 2013 plaatste over deze kolkende rivier in de regentijd. Uit de begeleidende tekst blijkt dat Ben zuinig met woorden was. Wat hij daar in Peru heeft uitgespookt en meegemaakt, dat zal zijn broertje Toon hopelijk ooit bedenken en ons er dan over vertellen.

     

     

  • Oogst week 10

    Stilte, ruimte, duisternis

    Kester Freriks legt de lat hoog. Zijn Stilte, ruimte, duisternis: verkenningen in de natuur moet ‘een kaart in proza’ zijn ‘met als doel de waarden stilte, ruimte en duisternis op te sporen en aanschouwelijk te maken’. Zijn vertrekpunt is de natuur, maar hij gaat niet alleen de confrontatie met het diverse Nederlandse landschap aan. Hij reageert ook op kunstwerken en gaat in gesprek met de makers.
    Dat levert een divers, persoonlijk gekleurd drieluik waarin Kester Freriks een vrij dwingende gids is die de lezers langs gebaande paden en over avontuurlijke sluipwegen voert. Klassieke werken – literatuur, beeldende kunst, muziek en wetenschap – ontbreken niet, maar Freriks kiest ook minder voor de hand liggend.

    Er is een wat merkwaardige bijrol weggelegd voor Joost Zwagerman in het deel over stilte. Zijn De stilte van het licht: schoonheid en onbehagen in de kunst ontbreekt in de literatuurlijst, terwijl Freriks het deels ook over de door Zwagerman geselecteerde en besproken kunstenaars baseert en hij een aantal bladzijden aan het boek en de door Zwagerman georganiseerde tentoonstelling Silence out loud wijdt.

    Stilte, ruimte, duisternis
    Auteur: Kester Freriks
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep

    In de wildernis

    Wat oer en ongerept is, dat gaat het voorstellingsvermogen van de mens te boven. Die heeft in de loop van zijn aanwezigheid op aarde zoveel ingegrepen dat van natuur nauwelijks sprake meer is. Dat neemt niet weg dat er mensen zijn die in staat zijn zich op een authentieke wijze tot de omgeving waarin ze belandden weten te verhouden. Neem Henry David Thoreau die in Walden of leven in het bos verslag deed van zijn ‘ontberingen’ aan de oever van zijn pond op loopafstand van het dorp. Of Sylvain Tesson die met Zes maanden in de Siberische wouden een eerbetoon aan Thoreau brengt, maar onder erbarmelijker omstandigheden de winter moest zien door te komen.

    In het rijtje avonturiers met hart voor de natuur past ook John Muir die halverwege de negentiende eeuw met zijn ouders van Schotland naar de Verenigde Staten van Amerika emigreerde en in Wisconsin terechtkwam. Hij zal zich ontpoppen als de eerste natuurbeschermer in de VS. Dankzij hem bestaan er nationale parken en is landschap deels gevrijwaard van al te menselijk ingrijpen.
    John Muir schreef ook. In In de wildernis: tochten door Wisconsin, Nevada, Californië en Alaska zijn verslagen gebundeld van zijn reizen door diverse staten. Dat hij onderweg onder de indruk was, is zacht uitgedrukt.

    In de wildernis
    Auteur: John Muir
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    De gulheid van de zeemeermin

    Vijf verhalen telt de postuum verschenen bundel De gulheid van de zeemeermin van Denis Johnson. Vijf relatief lange, korte verhalen waarin de schrijver op stoom komt zonder zichtbaar te versnellen en nooit ergens echt nadruk op legt. Hij doet ook geen moeite zaken mooier voor te stellen dan ze zijn.
    Maar rauw en hoekig zijn die verhalen niet. Johnson kiest zijn woorden zo voor de hand liggend raak en zijn toon is zo onontkoombaar dat ze van een tijdloze vanzelfsprekendheid zijn.

    Terwijl zijn onderwerpen en de entourage waarin zijn verhalen zich afspelen dat niet zijn er bovendien onder het oppervlak van alles gebeurt. Zijn eenvoud is schijn. Zijn verhalen zijn minstens zo gelaagd als zijn romans. En dan zijn het ook nog eens verhalen die hij schreef terwijl de dood hem op de hielen zat. Dat is voelbaar.

    De gulheid van de zeemeermin
    Auteur: Denis Johnson
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Beladen erfgoed:

    Frans van Hasselt koos zelf voor Griekenland als standplaats. Dat was in 1959, hij bezocht het land toen voor de vijfde keer. Zijn hele arbeidzame leven zou hij voor het (Algemeen / NRC) Handelsblad gedegen stukken schrijven die getuigen van zijn betrokkenheid bij het land en de bevolking. Behalve die journalistiek volledig verantwoorde reportages leverde zijn verblijf ook lichte stukken op die soms de vorm van een column kregen, maar die hij zelf graag als ‘correspondenties’ aanmerkte. Ze verschenen verspreid en werden regelmatig gebundeld. Stukken die soms over een specifiek onderwerp gingen  (Verslaafd aan Griekse muziek), maar vaak bleek wat hem opviel in het dagelijks leven geschikt genoeg als onderwerp.

    Beladen erfgoed: het Griekenland van voor de crisis dat postuum verschijnt, was bedoeld als een geschiedenis van het moderne Griekenland. Beladen erfgoed moest een veelomvattend boek worden waarin de ontwikkeling van Griekenland sinds de burgeroorlog; de Junta, kerk en staat; minderheden; politieke families en hun schandalen; de relatie tussen Griekenland en Europa; het conflict met en over ‘Macedonië’ en de Griekse economie aan bod zouden komen.
    Frans van Hasselt had een eerste versie af toen Griekenland in 2008 op de rand van een crisis belandde.

    De crisis duurde en duurde en had grote gevolgen voor Griekenland. Van herschrijven en actualiseren van het manuscript kwam het door het overlijden van Frans van Hasselt in 2011 niet meer. Voor zover nodig om het Griekenland van voor de crisis te begrijpen zijn voetnoten toegevoegd.

    Beladen erfgoed:
    Auteur: Frans van Hasselt, i.s.m. Agnes van Dijk (met een voorwoord van Hero Hokwerda)
    Uitgeverij: Uitgeverij 'Ta Grammata'

    De seringenboom

    Twee jaar geleden overleed de grote broer van Toon Tellegen. In De seringenboom: herinneringen aan mijn broer haalt hij herinneringen op. Groteske herinneringen aan de tijd dat ze allebei nog thuis woonden. De verteller neemt de rol van bewonderende broer op zich die zich nergens over verbaast en zijn zes jaar oudere  broer vele heldendaden en eigenzinnige opvattingen gunt.
    Pas gaandeweg dringt door dat sprake moet zijn van schromelijk overdrijven als gevolg van een oververhitte fantasie. Heeft Toon Tellegen toch weer literatuur gemaakt van zijn familieleven.

    De seringenboom
    Auteur: Toon Tellegen
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    De trooster

    Vroeger dan verwacht arriveert de in opspraak geraakte staatssecretaris van Financiën Henry Loman bij het klooster voor zijn retraite. Er wordt hem opengedaan door Jacob, de conciërge, die zich in zekere zin over hem ontfermt. Jacob groeit dankzij de komst van Loman in een rol.
    Esther Gerritsen laat hem een verteller zijn met een verlangen van doorslaggevende betekenis te zijn, maar die in wezen vooral afhankelijk en ondergeschikt is. En dus moet alles wat hij zo eenvoudig en doeltreffend weet te verwoorden met een korreltje zout genomen worden en blijkt De trooster een lijdensverhaal.

    De trooster
    Auteur: Esther Gerritsen
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus
  • Uitzonderlijke poëzie, liefst hardop voorlezen

    Uitzonderlijke poëzie, liefst hardop voorlezen

    Er zijn in onze taal enkele lange gedichten geschreven die beroemd zijn geworden. Mei van Gorter is wel de bekendste (Gorters gedicht Pan is nog veel langer maar minder bekend), en denk bv. ook Cheops van Leopold, Het uur U van Martinus Nijhoff of – van meer recente datum –  het Portret van Olivia de Havilland van Jules Deelder. Gedichten hebben toch al gauw de reputatie moeilijk te zijn, misschien is dat de reden dat lange gedichten nog minder makkelijk direct aanspreken. Befaamd is het even bondige als puntige commentaar van Hendrik de Vries: ‘Gorter, Gorter: Korter, korter!’

    Toon Tellegen heeft dit niet weerhouden een gedicht te schrijven dat precies eindigt op bladzijde 99, onder de titel De optocht. Verslag van een ooggetuige. Het verscheen voor het eerst in 2012; in 2016 kwam de vierde, herziene druk uit, speciaal vervaardigd ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van de auteur, met tekeningen van Annemarie van Haeringen.

    Toon Tellegen is een intrigerende figuur. In zijn werkzame leven was hij huisarts, als dichter (voor volwassenen) debuteerde hij relatief laat, omstreeks zijn veertigste. Enkele jaren daarna verscheen zijn eerste boek voor kinderen, met min of meer sprookjesachtige, sjieker gezegd: allegorische verhaaltjes over dieren (de mier en de eekhoorn). Daarna produceerde Tellegen met succes een stroom aan boeken: poëzie, proza, toneel, werk voor kinderen … tientallen titels die bovendien regelmatig herdrukt worden. In 2007 verwierf hij voor zijn hele oeuvre de Constantijn Huygens prijs.

    De optocht is een lang gedicht voor volwassenen. Het lijkt erop dat het de dood is, die een enorme stoet in ogenschouw neemt van – tja, zeg het maar: kandidaten …? gegadigden …? slachtoffers …? Telkens begint een alinea met ‘Daar zijn …’ of ‘En daar …’ of ‘En achter hen komen …’ – en dan volgt een opsomming van de lieden die voorbij komen. Zeer gevarieerd, zeer uitgebreid, zeer barok.  En elk afgerond fragment eindigt met ‘Pats!’. De dood die iemand wegplukt? Doodslaat? Een nieuwe dimensie in mept? Kenmerkend voor de dood is in elk geval dat iedereen – hoe verschillend ook – met dezelfde klap zijn lot moet ondergaan. De tekst is te rijk en te overdadig om voor een indruk een fragmentje te selecteren – dit lange gedicht is eigenlijk ook niet in de eerste plaats poëtisch maar veeleer dramatisch: de lezer bekruipt al lezend de behoefte om de tekst voor zichzelf hardop voor te lezen. De tekst zou het ook uitstekend doen in de vorm van een vertolking op toneel.

    En wie komen er dan allemaal voorbij in die optocht? Het begint met ‘vrouwen, gedreven door lichtzinnigheid’, dan volgen ‘mannen, met hun pijnlijke tekortkomingen’ en ‘kinderen, doorzichtig en ingewikkeld’. En voorts de zelfgenoegzamen, beroemde moederskindjes, de onaantrekkelijken, gewone mensen, zij die ‘Koest!’ roepen tegen de dood, de verfijnde vrijdenkers, de genoegdoeningzoekers, de promiscue voorgangers van de zelfredzaamheid

    […] de opsporingsambtenaren van de verbeelding, de omstreden aanstichters van de geleide middelmaat, de onbedreigde alleenheersers over het imperium van de proefondervindelijke volgzaamheid, de starre stalactieten van de contraproductiviteit […]

    maar ook

    een sluiks als een slinkse slang door het slanke gras sluipend meisje, met fonkelende ogen en alle honger van de wereld, ze wil veroveren, ze wil verslinden, ze wil nagenieten …

    Deze uiterst beperkte keuze doet volstrekt geen recht aan Tellegens zeer uitbundige tekst. Op zichzelf frappant ook: het zegt iets over de hechtheid van dit lange gedicht met zijn ogenschijnlijke willekeur, dat er moeilijk een paar zinnen uit te lichten zijn zonder er meteen ook afbreuk aan te doen.

    Vooral als je in de stemming bent voor een lyrische show, dood of geen dood: lees dit gedicht. Lees het hardop. Lees het hardop voor aan een of meer geïnteresseerden – en geniet van de verrassende en grote rijkdom in woord en beeld, van de merkwaardige, meeslepende zeggingskracht van Tellegens uitzonderlijke poëzie.