• Lofzang op de verbeelding

    Lofzang op de verbeelding

    Een vaak geciteerde uitspraak van Albert Einstein is: ‘Logica brengt je van A naar B. Verbeelding brengt je overal’. In De vrolijke verrijzenis van Arago, de nieuwste roman van Tomas Lieske, komt Einstein een paar keer voor, maar niet met dit citaat. Toch zou het uitstekend dienst hebben kunnen doen als motto voor Lieske’s verhaal, dat een geweldig pleidooi is voor wat Einstein debiteerde. Bovendien laat Lieske zien dat de verbeelding daadwerkelijk een rol heeft gespeeld in grote ontwikkelingen in de natuurwetenschappen aan het begin van de 20ste eeuw. Er werd (en wordt) alleen een andere term voor gebruikt: gedachte-experiment.

    Lieske gaf er al eerder blijk van dat hij houdt van grillige associaties, absurde humor en vermenging van fictie en werkelijkheid. De jury van de Libris Literatuurprijs 2001 had daar (in meerderheid) zoveel waardering voor dat ze diens Franklin bekroonde. Met De vrolijke verrijzenis van Arago zou er wel eens een nieuwe nominatie in kunnen zitten; althans als de jury vatbaar is voor de aanstekelijke vertelstijl van Lieske.

    Fiat 519
    De Arago uit de titel is niet de Franse natuur- en sterrenkundige François Arago (1786-1853), hoewel Lieske, gezien de thematiek van zijn roman, vermoedelijk wel aan hem heeft gedacht toen hij diens naam leende voor een vos. Dit dier duikt in de roman op bij een aanrijding in 1999. Roel Pacqué en Angélica Bredius, de ouders van de vijftienjarige Joys, verongelukken met hun gehuurde antieke beige-met-zwarte Fiat 519 op een bergweg in de Dolomieten na een botsing met de vos. Joys raakt in coma en wordt opgepikt door twee zonderlinge mannen met een boerenkar die haar afleveren bij een ziekenhuis in Vipiteno (Oostenrijkse naam: Sterzing). In haar coma ‘ziet’ Joys hoe de vos zich uit het wegdek opricht en haar naar het bos leidt. Joys en de vos worden vrienden en het meisje creëert met hem haar eigen wereld die de lezer terugvoert naar de jaren 20 van de vorige eeuw. De vos (die ze inmiddels Arago heeft genoemd) en Joys (die haar geheugen en haar naam kwijt is) komen terecht op een boerderij bij de Oostenrijkse Simone Werner. Zij neemt haar aan als haar kind en noemt haar Lise. Simone is het die ontdekt dat het meisje een Nederlandse oorsprong moet hebben en getweeën gaan ze op zoek naar haar identiteit. Dat brengt hen naar Leiden waar Paul Ehrenfest, familie van Simone, hoogleraar is. Hij is al in het begin van de roman geïntroduceerd in dezelfde beige-met-zwarte Fiat 519, waarin de ouders van Joys verongelukten, waarmee deze auto als het ware een tijdmachine is. In de zoektocht naar de Lise’s identiteit is een foto waarop een intrigerende vrouw staat een belangrijke sleutel.

    De Sitter
    Simone en Lise trekken de lezer mee in de academische wereld van de vroege 20ste eeuw in Leiden. Allereerst natuurlijk die van Paul Ehrenfest, geboren in 1880, maar ook die van zijn vrienden Einstein, geboren in 1879, Niels Bohr, geboren in 1885 en vooral Willem de Sitter, geboren in 1872, allemaal veertigers dus. Het is een boeiende reconstructie van de natuurwetenschappelijke wereld van die dagen, zoals die door Lieske wordt ingekleurd. Een in historisch opzicht zeer herkenbare werkelijkheid, zoals in de beschrijving van het gezinsleven van Ehrenfest – een bij wijlen zwaarmoedige man, die zichzelf vond falen en grote moeite had om met het Downsyndroom van zijn jongste zoon Vassik om te gaan (hij schoot hem in 1933 dood en pleegde daarna zelfmoord, maar die tragedie laat Lieske buiten beschouwing).
    Bijzonder roerend is de vriendschap die Lise ontwikkelt met de astronoom en natuurkundige Willem de Sitter. Ze stimuleren elkaar te geloven in de kracht van de verbeelding. Net als Joys in haar echte leven zoekt Lise in dat gefantaseerde van haar steeds de randen van wat mogelijk is op (ze balanceert ook fysiek, op touwen of richels). In de gesprekken met De Sitter leert ze dat niet alleen zij, maar ook de wetenschap fantasie nodig heeft. Door zijn geduldige uitleg krijgt Lise, en daarmee ook de lezer, inzicht in bijvoorbeeld de relativiteitstheorie en het heelal en het daarbinnen geldende tijdsbesef.

    Een soort Engels
    Het kan niet anders of Lieske zelf moet eveneens een bijzondere sympathie voor deze Willem de Sitter hebben. Hij bezorgt hem als het ware postume lof voor zijn aandeel in de verbreiding van de ontdekkingen van Einstein. De laatste kreeg zijn ideeën, die hij in het Duits had opgeschreven, zo kort na de Grote Oorlog niet in een Duitsvijandige wereld aan de man gebracht. Hun enorme belang werd in Amerika pas bekend doordat De Sitter er een Engelse vertaling van publiceerde. Daarna stond met koeienletters in de krant: EINSTEIN WINT VAN NEWTON.
    Grappig is ook de passage waarin Lieske De Sitter woorden in de mond legt over de Nederlandse taal die in onze tijd heel actueel zijn: Nederlands is de taal van de plassen en de polder. Die mag je nooit laten verdringen door hakkelend Duits of door een soort Engels. (…) Je dient je taal correct te bewaren. Zeker op universiteiten.

    In De vrolijke verrijzenis van Arago worden voortdurend tijdsprongen gemaakt tussen het Leidse leven van Lise en het ziekbed van Joys in Vipiteno, waarin duidelijk wordt hoezeer Lise het geluk ervaart dat Joys ontbeerde. Vooral in die ziekenhuisscènes, speelt Lieske op de gulle lach van de lezer in het kolderieke gedrag van de twee mannen die Joys na het ongeluk vonden en die haar tenslotte naar de sterren voeren.

    De verrijzenis van Arago is een heerlijk boek en een loflied op de fantasie. Als dit geen nominatie voor één van de grote literaire prijzen oplevert….

     

     

  • Oogst week 8

    Het hoofdkussenboek

    ‘Ik heb een hekel aan mensen.
    Ik heb een hekel aan mensen die zich, zonder werkelijk te weten waar het over gaat, in een gesprek over gebeurtenissen uit het recente of een ver verleden mengen en het zicht op het onderwerp van gesprek met hun niet terzake doende opmerkingen volkomen vertroebelen.’

    Een heel herkenbare uitspraak. Maar tijdloos ook, want al zo’n 1000 jaar geleden opgeschreven.
    Sei Shonagon, hofdame aan het Japanse hof in de tiende eeuw schreef wat ze zag, hoorde, dacht en beleefde op in haar dagboek. Bovenstaand fragment is een citaat uit de vertaling vanuit het Engels uit 1988 die toen bij Nijgh & Van Ditmar verscheen. Nu is Het hoofdkussenboek bij Athenaeum verschenen in een rechtstreekse vertaling door Jos Vos.

    De dagboeknotities van Sei Shonagan kunnen nog steeds bekoren. Sei Shonagon schrijft over de (gesloten) hofcultuur, over poëzie, haar eigen avontuurtjes, de natuur. Ze blijkt soms geestig, soms scherp en neerbuigend en altijd vol adoratie voor de keizerlijke familie.

     

     

     

    Het hoofdkussenboek
    Auteur: Sei Shonagon
    Uitgeverij: Athenaeum

    De vrolijke verrijzenis van Arago

    Omslag en titel doen vermoeden dat De vrolijke verrijzenis van Arago ook een vrolijk boek is. Maar zo begint het niet. Joys haalt het bloed onder de nagels van haar ouders vandaan met haar recalcitrante gedrag. Ze zijn met zijn drieën op vakantie maar de 15-jarige puber heeft helemaal geen zin in een reisje door ‘het land waar de citroenen bloeien’. Uit pure lamlendigheid gooit ze op een bergweg één voor één de schoenen van haar moeder het raam uit.

    […] Dus kon het gebeuren dat Roel de zoveelste bocht nam, zuchtend om dat eeuwige gezeik van zijn opstandige, vroegwijze dochter. En dat hij na de bocht vlak voor zijn auto een jonge vos zag opduiken, ontroerend in zijn argeloosheid, de grote ogen in de ronde snuit duidelijk gesperd, de zwarte neus tussen de haren op de witte kaken en pluis, overal pluis. Tegelijk met Roel zag Joys het jonge dier en ogenblikkelijk koos zij partij en commandeerde haar vader, die recht op het dier af reed: ‘Hé, kijk uit, lul!’

    De ouders komen om, het meisje sluit vriendschap met het vosje.
    De uitgeverij schrijft ‘De vrolijke verrijzenis van Arago is een verhaal over hartstocht en intens geluk, een liefdesverklaring aan het ene leven dat wij hebben.’

    De vrolijke verrijzenis van Arago
    Auteur: Tomas Lieske
    Uitgeverij: Querido

    De fenomenale meerval

    Na het grote succes in 2017 voor De tolk van Java, verschijnt nu bij De Geus een bloemlezing van de verhalen uit 25 jaar schrijverschap (1984 – 2009). De verhalen uit De fenomenale meerval zijn deels herzien.

    De geheimzinnige meerval duikt in een groot aantal vertellingen op en symboliseert het verlangen naar liefde en het raadsel van de onbereikbare vrouw. Een andere inspiratiebron is het Indische verleden, dat onlosmakelijk verbonden is met het leven van Alfred Birney.

     

    De fenomenale meerval
    Auteur: Alfred Birney
    Uitgeverij: De Geus
  • ‘Hij hoopte dat er ooit iemand zou zeggen dat hij een goed mens was’

    ‘Hij hoopte dat er ooit iemand zou zeggen dat hij een goed mens was’

    Door de waterspiegel is de laatste roman van Tomas Lieske, een inmiddels gearriveerd Nederlands schrijver van gedichten, verhalen en romans wiens werk met diverse prijzen is bekroond. Vaste thema’s in zijn werk zijn spelen met tijd en ruimte, de oorlog, liefde en dood en de stad Leiden. De intrigerende titel verwijst naar het karakter van de roman, naar de zichtbare werkelijkheid van het leven boven de waterspiegel die onlosmakelijk verbonden is met de onzichtbare werkelijkheid onder de waterspiegel. Zo zijn alle hoofdfiguren getekend door- en dus geketend aan hun verleden: de naamloze ik-figuur, de schijnbare hoofdpersoon Sebastian, zijn geliefde Eva en de Hongaar Antal Szabo.

    Het verhaal is opgezet als een raamvertelling. De werkelijke hoofdpersoon, de ik-figuur, is een, als kind door zijn ouders in de steek gelaten, door de oorlog vreselijk gehandicapte man die zich niet meer zelfstandig kan voortbewegen, blind en door brandwonden verminkt. Hij overleeft als een soort plant en vindt zichzelf na de oorlog terug in een tehuis voor zwaar gehandicapte jongens in een onwerkelijk land als Liechtenstein, waar de tijd volledig lijkt te hebben stilgestaan. Dit opvanghuis, in de brochures ‘de villa’ genoemd, heeft ‘iets van doen met Wiedergutmachung en idealisme’ en wordt bestierd door een dame, door de jongens gekscherend mevrouw Heydrich genoemd naar de gelijknamige nazibeul. Doorgaans werden veel van deze jongens, die door de oorlog alles verloren hadden, geadopteerd, maar hij niet. Dit kwam, volgens mevrouw Heydrich, door zijn handicap en verminking, maar dat vond hij maar een liefdeloos verhaal. Hoewel hij in werkelijkheid wel een naam heeft, geeft hij er de voorkeur aan om als een naamloze door het leven te gaan: ‘Een schaduw en een gedachte zijn ook naamloos’. Zijn leven begint kleur te krijgen als hij Sebastian ontmoet met wie hij zich vereenzelvigt. De vraag blijft in het midden of Sebastian niet een geheel door hemzelf verzonnen figuur is om zin te geven aan zijn vegetatieve bestaan.

    Sebastian zwierf langs de Rijn op zoek naar zijn geliefde en komt langs in het tehuis om hem zijn verhaal te vertellen en weer verder trekken. De ik-figuur vertelt het verhaal van Sebastian in een aantal vertelsessies door aan zijn mede-lotgenoten in het tehuis om hun treurige bestaan wat te verluchtigen. Soms geeft hij het met zijn eigen fantasie wat meer kleur. Daar hebben de jongens en hijzelf ook behoefte aan. Dit maakt het verhaal compleet en zo krijgt het zijn eigen logische waarheid. Het gaat immers niet om de officiële werkelijkheid, maar om de mythische versie.

    De ik-figuur laat ons kennismaken met Eva, Sebastian en Antal Szabo. De setting is een villa aan de Traunsee, een idyllisch oord in Oostenrijk, de mooiste plek op aarde en net zo onwerkelijk als de villa in Liechtenstein. Sebastian maakt daar zijn opwachting in een schitterend hagelwit adelborstuniform. De ik-figuur constateert: ‘Wat Sebastian zelf niet begreep en wat zijn ouders in hun trots weigerden te zien, was het bizarre in de combinatie van deze adelborstuitmonstering en zijn grote, donkere, droeve kijkers. Alsof hij wel de opleiding met succes had voltooid, maar nu al wist dat hij als eerste zou sneuvelen.’ Aan de ene kant lijkt het een niet bestaande setting, een droomwereld, schijnbaar zonder verleden, maar in werkelijkheid is niets zo voelbaar als juist dat verleden. De blinde en zwaar gehandicapte ik-figuur droomt zich, in de persoon van Sebastian, een wereld, waaraan hij nooit zal kunnen deelnemen. Eva wervelt als een sprookjesprinses door de villa, maar kan haar verleden als oorlogswees van Joodse afkomst niet van zich afschudden. Antal Szabo, redder van Eva, voor wie hij ook seksuele verlangens koestert, en verrader van haar ouders aan de Duitsers, wordt geconfronteerd met zijn verleden in de vraag van Sebastian: ‘Waarom bent u nazi geworden?’ en zelfs de villa blijkt bij nadere beschouwing niet zo mooi als het lijkt, maar verkeert in ernstige staat van verval. De droom van Sebastian valt in duigen als hij toevallig ziet dat zijn sprookjesprinses, Eva, de smerige puistenrug van de Heydrich-adept, Antal Szabo, moet verzorgen, iets dat zij kennelijk vrijwillig doet.

    Als Eva Sebastian later in Leiden komt opzoeken, is deze niet meer gekleed in zijn smetteloos witte uniform. Het sprookje is eigenlijk voorbij, hoewel nog niet helemaal. De ik-figuur, Sebastian, neemt Eva nog even mee in zijn droom van een toekomst als zij vanuit de trein een oude, vervallen toren zien staan, die Sebastian wil omtoveren tot een idyllisch slot waarin zij samen gaan leven en weeskinderen adopteren om deze een gelukkig leven en een fijne toekomst te bezorgen. Als Eva hem later aan deze belofte herinnert, blijkt hij van niets meer te weten. Ook letterlijk groeien Sebastian en Eva steeds meer uit elkaar. Als Sebastian voor zijn werk aan een dam in Spanje onverhoopt getuige is van een verkrachting door Nederlandse arbeiders van een jong meisje uit een dorp dat door de bouw van de dam onder water zal komen te staan, grijpt hij niet in, maar onttrekt zich aan zijn verantwoordelijkheid, die verdwijnt met het dorp onder de waterspiegel. Vanaf die tijd zwerft hij rond, komt niet meer thuis, laat Eva in onzekerheid achter en zal haar nooit meer terugzien. Op zijn zwerftochten  komt hij terug bij de villa waar het allemaal begon. Daar treft hij de gehate Antal Szabo aan, de verpersoonlijking van het kwaad, van de vader van de ik-figuur, die Eva van hem wil overnemen en met wie hij een indringend gesprek heeft over de waarde van zijn liefde voor Eva die uiteindelijk, na de gebeurtenissen in Spanje, door hem lelijk in de steek is gelaten. Dat gesprek loopt uit op een vechtpartij waarin hij alles geeft voor Eva. Nadien blijft hij rondzwerven en komt op een van zijn tochten langs het opvanghuis van de ik-figuur, aan wie hij zijn verhaal vertelt.

    Tomas Lieske heeft een bijzonder boek geschreven, dat je niet na één keer lezen goed in beeld hebt. Het heeft een ingewikkelde structuur waarin voortdurend diverse werkelijkheden in elkaar overvloeien. Het is een razend knap gecomponeerd boek dat toch goed leesbaar is, omdat Lieske een prachtig gevoel voor taal heeft en helder schrijft. Het is lezen en herlezen. Dit kan zowel gezien worden als een compliment, maar ook als een bezwaar. Persoonlijk vind ik het een compliment. Het boek blijft ook intrigeren vanwege de psychologische gelaagdheid en diepgang. Steeds ontdekt de lezer weer nieuwe elementen die fascineren. Dit boek is een grote aanwinst voor de Nederlandse literatuur en verdient het wat meer in het licht gezet te worden.

     

     

  • Meinummer Tirade – In memoriam

    Meinummer Tirade – In memoriam

    Bij het persklaar maken van het hier te bespreken meinummer van Tirade, kon de redactie niet bevroeden dat het thema In memoriam op de realiteit vooruit liep. Enkele weken later veroordeelde Halbe Zijlstra – zonder slag of stoot – de twaalf meest vooraanstaande literaire tijdschriften in Nederland tot de bedelstaf. Het Letterenfonds kreeg opdracht geen subsidie meer aan deze tijdschriften te verstrekken.

    Volgens Zijlstra worden literaire tijdschriften niet gelezen, dus weg ermee. Een onbezonnen actie die verregaande gevolgen zal hebben voor de literaire ontwikkelingen in Nederland. Met het opdoeken van de tijdschriften zullen ook de redacties verdwijnen. Waarmee het belang van het redactionele advies van een gerenommeerd tijdschrift aan debuterende auteurs, schromelijk onderschat wordt. Zijlstra smoort het toekomstige Nederlandse literaire erfgoed, zonder scrupule, de mond. Een In memoriam is dan zeer toepasselijk, zei het fictief, het biedt troost en geestelijke verrijking aan de literatuurliefhebber in deze moeilijke tijden. En hoop gloort daarna.

    Vijfendertig maal een In memoriam van even zovele schrijvers. Wie heeft nooit een moment gekend dat je eraan dacht hoe je gememoreerd wenst te worden: ‘Van haar voortdurende verbazing werden wij geregeld doodmoe’ (Sasja Janssen), ‘Hij heeft (…) ongeveer 30 kilometer geschreven (…) (Leo Vroman) of: ‘(…) zijn onvermogen binnen de lijntjes te kleuren.'((Detlev van Heest). De werkelijke memorabele feiten, na de dood uitgesproken zal niemand ooit notitie van nemen. Tirade nr. 438. bood auteurs de kans een I.M. over zichzelf schrijven. De ultieme gelegenheid om jezelf eindelijk eens te prijzen waar de kritiek dat nagelaten heeft, of ongestraft te citeren uit eigen werk. Maar ook de donkere kanten treden onverbloemd op de voorgrond, nu er toch niets meer te verrekenen is kan alles gezegd.

    Schrijven over eenzelfde thema door een groot aantal auteurs brengt het risico met zich mee dat het resultaat wat al te eensluidend kan uitvallen, maar daar is hier geen sprake van. Wel kan men – na lezing van pakweg tien bijdragen – spreken van enige I.M verzadiging. Leg het tijdschrift dan even terzijde om het later nog eens door te bladeren – daar nodigt een literair tijdschrift immers toe uit – blader er doorheen, sla een paar I.M.s over voor een later moment en lees nog eens wat terug. Het is genieten om te zien hoe de auteurs met het thema gestoeid hebben. Een enkeling pakte zijn leven samen in een grafsteentekst zoals David Van Reybrouck ‘Hij deed nooit iets in opdracht.’

    In Omheen het gat van Atte Jongstra, spreekt de schrijver de hoop uit dat zijn vrouw gunstig over hem wil denken na zijn dood. Tussendoor vermeldt hij: ‘(…) al schijnt ook zij het leven te hebben losgelaten, zie elders in dit blad (…)’.

    Haar Onvoorzien In Memoriam van Ingrid Hoogervorst, heeft hij kennelijk niet meer kunnen lezen. Hoogervorst is getuige van een gesprek tussen twee stamgaten in een café die haar op haar eigen I.M. verrassen. Waarna zij onopgemerkt het café verlaat en huiswaarts gaat. Zij is niet overleden, zelfs niet fictief.

    Marion Bloem, I.M. en Jan van Mersbergen (zonder titel) memoreren zichzelf enigszins ongemakkelijk. Wie wil er nu over zijn eigen dood schrijven wanneer je ouders nog leven? Jan van Mersbergen belt er zijn moeder maar eens over die terstond een opsomming geeft van herinneringen aan Van Mersbergen en zijn tweelingbroer. Toen ze nog baby waren en zo identiek, dat zijn moeder hem alleen wist te onderscheiden door een paar vlekjes bovenop zijn voet. Over memorabele feiten na zijn dood wordt handig gezwegen. Of het moest zijn dat zijn moeder hem herinneren zal als een van de tweeling die zich altijd zal willen onderscheiden van zijn broer door: ‘(…) dat schrijven van jou (..)’

    Marion Bloem is bang dat niemand haar ooit, zelfs na haar dood niet, echt gekend zal hebben. Dat je gekend wordt aan de oppervlakte en in uiterlijkheden maar de gelaagdheid in haar wezen, evenals als die in haar boeken – onopgemerkt zal blijven. Een ongerede angst lijkt me, maar wel een die voorbehouden is aan de schrijfster en zeer herkenbaar.

    Interessant is te vernemen hoe schrijvers aan hun einde zijn gekomen.

    Anton Korteweg (1914-2011) stierf in zijn slaap en Theo Kars (1940-2040) vond de dood ‘door eigen hand’. Heel toepasselijk voor: “‘Wie steeds zijn eigen leven heeft geleid, zal ook op het eind daarvan de teugels niet uit handen willen geven, (…),’ aldus Kars in zijn memoires.”

    Minke Douwesz (1962 – 2010) kwam bij een verkeersongeluk om het leven. Zij, die twee poezen en evenzovele romans naliet, schreef een scherpe analyse van haar leven en werk als auteur. Haar romans Strikt en Weg ontstonden vanuit een streven: ‘(…) woorden vinden voor de complexe processen die zich in en tussen individuen afspelen.’ Wie haar werk kent kan beamen dat zij daarin geslaagd is.

    De bijdrage van Maarten Biesheuvel is grandioos. Het schrijven schijnbaar voorbij tekende hij (met ballpoint) zichzelf in memorabele staat op papier: Eva, zijn vrouw gezeten in een (imaginaire) stoel aan het voeteneinde van een kaal bed waarop in naakte, erectionele staat de schrijver, de hand reikend naar zijn mannelijkheid, kreunend zijn laatste adem uitblaast. Met daaronder de tekst: ‘Biesheuvel had een afschuwelijk leven maar gelukkig had hij Eva als vrouw.’

    Verder een In memoriam van onder andere: Tomas Lieske, Piet Gerbrandy, Barber van de Pol, Ton Rozeman, Tsjead Bruinja, Arnon Grunberg, Willem Jardin, August Hans den Boef, Maarten Ascher en Miek Zwamborn.

    Literatuur, in de diepte en de breedte, bij de hoogste en de laagste zin van het woord, zal nimmer verstommen wanneer we Arnon Grunbergs woorden ter harte nemen in zijn Voetnoot van 27 juni jl.. Grunberg ziet weinig heil in protestacties tegen de voorgenomen bezuinigingen. ’Het kabinet bezuinigt, er wordt geprotesteerd. Zo was het vroeger, zo is het nu. Zelden verandert er iets.’ Liever stort hij elk jaar duizend euro in een fonds voor literaire tijdschriften. “Als 199 personen en bedrijven hetzelfde doen, hebben we 2 ton.” En: “Als de kunsten u lief zijn: koop wat minder biologisch rundergehakt en wordt mecenas.” Laat de uitingsvorm van de kunsten niet langer afhankelijk zijn van de grillen van de overheid maar neem je eigen verantwoordelijkheid, lijkt Grunberg hiermee te willen zeggen.

    En als vervolgens heel literatuurminnend Nederland een abonnement neemt op een literair tijdschrift dan zal het ware karakter van de literatuur zich doen gelden.

     


    Website Tirade www.tirade.nu

     

  • Een merkwaardig constructie

    Een merkwaardig constructie

    We gaan knutselen met papier, schaar, lijm of plakband. Als er kinderen in de buurt zijn, roep ze er dan maar bij, want dit willen ze straks ook kunnen. Voor het papier neem je formaat A3, of je plakt even twee A4-tjes in de lengte aan elkaar. Nu knippen we in de lengte een strook van zo’n 4 à 5 centimeter breed. Maak er maar twee, want we gaan er zo twee experimenten mee doen.
    Neem nu de uiteinden van de strook bij elkaar. Plak nog niets vast maar hou ze zo tegen elkaar dat ze een band vormen. Nu draai je één van de uiteindes om en zo plak je ze aan elkaar. Er zit nu een draai in de band. Het resultaat moet er ongeveer uit zien zoals hier. Zo’n figuur heet een Möbiusband en is veel vreemder dan je in eerste instantie denkt.

    Nu gaan we de band in de lengte doormidden knippen. Zet de schaar ergens in het midden van het papier en knip in de lengterichting totdat je weer bij het begin bent en de band in twee delen is geknipt. In twee delen? Nee hoor, het resultaat is één Möbiusband die twee keer zo groot is. Hoe kan dat nu?
    Als het goed is hebben we nog een band liggen daar gaan we een tweede knip experiment mee doen. Ook deze knippen we in de lengterichting. Alleen hier beginnen we niet in het midden. We knippen hier een smalle en een brede band, dus zet de schaar erin op ongeveer een derde van de breedte. Knip dan rustig in de lengte richting en je ziet na een tijdje iets vreemds gebeuren. Het knippen duurt twee keer zo lang. Het resultaat bestaat uit twee Möbiusbanden. Een kleine en een grote, en ze zitten ook nog eens in elkaar.

    Voor wie het allemaal wat onduidelijk is of niet van knutselen houdt, is er dit filmpje. Daarin is te zien dat een Möbiusband een merkwaardige constructie is. Stel je voor dat je in een achtbaan zit die zo’n vorm heeft. Vanuit je wagentje bekijk je de wereld en dan dan zie je opeens dat alles kantelt…
    Alles kantelt is de titel van de nieuwste roman van Tomas Lieske en de Möbiusband speelt er een niet onbelangrijke rol in. We hebben dus niet helemaal voor niets geknutseld. Lieske vertelt het verhaal van Anton Milot, of Saint Milo, zoals hij zich later is gaan noemen. Anton is 34 en vertelt zijn verhaal halverwege de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Hij lijdt aan een vorm van epilepsie die zijn geheugen beïnvloedt en hem zo in de war brengt dat hij gelooft personen en dingen te zien die er niet zijn. Na het innemen van nieuw medicijnen ontmoet hij op een dag zichzelf. Niet als spiegelbeeld of tweeling, maar als een jongetje van zo’n acht à tien jaar oud.

    Je zou kunnen zeggen dat de jonge Anton de verpersoonlijking is van de herinnering. De jonge komt met herinneringen die leven, ademen en nog warm nagloeien. Wat bij de volwassen Anton uitgedoofd en onder het stof ligt, komt in de woorden van het kind tot leven.
    Het moet gezegd worden: Lieske schrijft bij vlagen betoverend mooi proza. Alleen daarom al is het boek een aanrader. Als hij even zijn best doet komen levenloze voorwerpen tot leven, zweven melancholie en nostalgie boven de pagina’s en vergeet je even dat je met woorden te maken hebt. Ook bewonderenswaardig is de manier waarop hij zijn twee grote onderwerpen origineel weet te houden. Want jeugdherinneringen hebben we immers al zo vaak gelezen. Hoe maak je van het zoeken naar de verloren tijd nog een moderne, opwindende speurtocht? Toch lukt het Lieske. Dat komt door zijn taalgebruik en ook door de vondst van de ontmoeting tussen de jonge en volwassen Anton.

    Het kind en de volwassene zijn met een Möbiusband met elkaar verbonden. Of misschien moet je zeggen dat een grote en een kleine Möbiusband in elkaar vastzitten, zoals in ons tweede knip experiment. De volwassene kijkt terug en ziet zichzelf alleen door tijd, niet door ruimte gescheiden. Toch is het verschil zo groot dat de jonge Anton bijna een ander lijkt. Ergens tussen hen in kantelt de Möbiusband.
    ‘Zijn leeftijd valt het best te omschrijven als de leeftijd waarop alles nog onschuldig is, maar je ziet dat het gaat kantelen. Een kind, ontroerend lief, maar het gaat veranderen. Straks gaat het vrolijk lachen over in berekening; straks ontstaat de verliefdheid die verwart; straks wordt het lichaam ineens niet meer naakt getoond en begint de schaamte.‘

    De herinneringen die de twee Antons gemeen hebben zijn die van een Haags gezin, vlak na de Tweede Wereldoorlog. Het gezin woont in het Bezuidenhout dat grotendeels in puin ligt. Het boek opent met het portret van de vader. Een man die in de herinnering van de jongen enorme afmetingen aanneemt en het niet nalaat indruk te maken. Een groot deel van het boek draait om hem, maar niet uitsluitend.
    Het andere deel van de herinneringen gaat over Rosemarie. Een Duits meisje dat in 1949 in het Haags gezin wordt opgenomen. Voor een jaartje wordt gezegd, maar het zal uiteindelijk zeven jaar duren voordat ze weer weg gaat. Rosemarie heeft in Duitsland het nodige meegemaakt, al wordt niet helemaal duidelijk wat precies. Ook blijft het een geheimzinnig waarom ze precies in het gezin is geplaatst. Haar moeder leeft nog, maar ze kan niet terug. Ze heeft nachtmerries, heimwee en in de loop van de jaren wordt ze steeds opstandiger.

    De aanwezigheid van Rosemarie groeit in het leven van de jonge Anton uit tot een prachtig bloeiende jeugdliefde. Het kind weet de blijdschap en de verwondering prachtig te doen herleven. Anton de volwassene kan weinig anders dan het hoofdschuddend aanhoren. Voor hem is die jeugdliefde voorbij, afgesloten, opgeborgen en half vergeten. Hij is veel meer bezig met het recente verlies van zijn vrouw met wie hij vier jaar dolgelukkig is geweest. Bovendien kan hij de jongen, die nog zo vol is van Rosemarie, niets over de toekomst vertellen. Hij kan hem zijn jeugd niet ontnemen.

    Dat de oudere Anton zijn vrouw is verloren, blijkt een thema dat het boek net iets te vol maakt. We lezen over Antons vader, dan de opbloeiende liefde voor Rosemarie en moeten daar tussendoor ook nog verwerken hoe de volwassen Anton zijn grote Liefde onder een bus ziet komen. Hoe indringend het ook geschreven is, het is een element dat de opbouw van de roman eerder verstoort dan aanvult.
    De compositie van deze roman is niet zo eenvoudig. Lieske heeft gekozen voor een Möbiusband en nu moet hij er dus in slagen het geheel rond te krijgen. Dat blijkt lastig. De twee Antons reizen samen door Duitsland en hebben zo de tijd om herinneringen op te halen. Maar waarom Duitsland? Waarom de jaren zeventig? We weten dat Rosemarie voorgoed weggaat, maar hoe? Welke rol speelt de vader? Al die lijntjes moeten uiteindelijk bij elkaar komen en daar vergaloppeert Lieske zich naar mijn idee.

    Veertig, vijftig bladzijden voor het eind kantelt de roman. In de eerste hoofdstukken heeft Lieske er nog voor gezorgd dat de ontmoeting tussen de twee Antons geloofwaardig is door epilepsie en medicijnen als verklaringen op te voeren. Ook de scheiding tussen de jongen en de volwassene wordt consistent gehouden doordat de jongen niets te weten krijgt over de toekomst. Maar nu gebeurt er iets vreemd. De jongen is acht, hooguit tien jaar oud maar heeft in het laatste deel herinneringen die horen bij de dertienjarige Anton. De truc met de jongen werkt zo goed omdat de herinneringen in hem nog zo vers zijn. Maar het laatste gedeelte hoort bij een jongen die ouder is en dat klopt niet helemaal.

    Vreemder is het dat de laatste hoofdstukken steeds intensere gebeurtenissen beschrijven die de volwassene zich niet of nauwelijks kan herinneren. Dat neemt zulke vormen aan dat je hier van verdringing kunt spreken. Heeft de volwassen Anton zijn liefde voor Rosemarie nu verdrongen? Helemaal duidelijk is dat niet. Lieske probeert niets te psychologiseren en van Freudiaanse trucs wil ik hem zeker niet beschuldigen. Maar de constructie overtuigt niet, en dat is jammer.

    De compositie van deze roman zit zo in elkaar dat hoe innig, intiem en waardevol de gebeurtenissen voor de jongen zijn, deze gespiegeld moeten worden in de gedachten van de volwassen Anton. Lieske laat dat op het laatste moment los, en dat verstoort de zo mooi opgebouwde magie.
    Diegenen die van prachtig gecomponeerde romans houden, hebben reden om deze roman mislukt te noemen. Maar er zit veel meer in deze roman dan alleen de compositie, de Möbiusband en een niet erg overtuigend plot. Lieske tovert soms met woorden, weet de intimiteit van jeugd en de blijdschap van verliefdheid prachtig op de bladzijden te krijgen en verdient het alleen daarom al om bewonderd te worden.

    Alles kantelt is een boek dat niet helemaal gelukt is, maar wat je desondanks toch niet had willen missen. Iets wat niet van waarde is, knip je in stukken en die gooi je vervolgens weg. Deze roman knip je in stukken en blijft wonderwel intact. Dat is geen knutselwerk meer.