• Verbindend evenement van woorden en mensen

    Verbindend evenement van woorden en mensen

     


    De 42ste Nacht van de Poëzie ligt weer achter ons. Twintig nachtdichters, een handvol spetterende entr’actes en tal van andere activiteiten werden in een uitverkochte grote zaal TivoliVredenburg met overgave omarmd en beleden door meer dan 1500 poëzieliefhebbers.

    Als Esther Naomi Perquin, die samen met Piet Piryns het publiek door de Nacht leidt, de zaal begroet met ‘Lieve nachtdieren’ – dan weet je dat het is begonnen: dat wonderlijk intieme evenement van woorden en mensen, taal en muziek, dat naarmate het later wordt meer en meer verbindt. Logisch en bezwerend voor wie er onderdeel van is, niet uit te leggen aan wie het heeft gemist.
    Dat poëzie, actualiteit en engagement hand in hand gaan was al langer duidelijk. Onthutsende ontwikkelingen doen zich onophoudelijk voor op het wereldtoneel en deze klinken in de voordrachten door. Paul Demets neemt zijn gehoor mee in een relaas over een voorgenomen reis naar de brandhaard: “Ik wou de trein naar Gaza nemen”; verbluffend is dat zelfs voor zoiets poëzie zich overtuigend leent. Froukje van der Ploeg dicht over femicide: ’87 procent van je gevaar woont in huis, zit op je bank’.

    In de ban van poëzie

    Twintig dichters, in meer dan een opzicht divers en inclusief, betraden deze Nacht het podium onder het motto van ‘overal smelt het, zwelt het, glimt het – nu gaan de dingen weer beginnen’. Een regel van Judith Herzberg die betrekking heeft op de lente, maar niemand vond het erg dat dit in oktober als inswinger aan beide zijden van het podium prijkte.
    Judith Herzberg (1934) zelf was voor de tiende maal present tijdens de Nacht. Ze zette de zaal aan het denken met haar opsomming van wat allemaal kan worden beschouwd als vormen van gekte. ’tegen poezen praten, ja – maar ook: hopen, en wanhoop net zo goed, is een vorm van gekte’.

     

    Uitgeverij C.J. Aarts en uitgeverij Masjenka

     

    Een andere dichteres hield het publiek een spiegel voor door te stellen dat dit leven ‘lelijk maar dragelijk’ is, onder verwijzing naar protestkunst op de pleinen van Europa ‘met een glaasje gin voor wie het kan gebruiken’. Charlotte Van den Broeck, werkelijk nog maar pas moeder geworden, draagt het gedicht ‘Postpartum beach’ voor met daarin de regels: ‘pas geopende / stug-rood bebloste vrouwen / in hun plotsklaps lege vel blubberende / bloedverliezende vrouwen’.

    Muisstil is het in de vol bezette zaal wanneer een dichter ze met zijn voordracht in de ban houdt. Daarentegen moet van sommige entr’actes gezegd worden dat het – dreunende –  geluidsvolume soms veel te hard stond. Misschien goed om in de late Nacht mensen wakker te schudden, maar nu ontvluchtten velen de zaal uit vrees voor bonkende hoofdpijn of zelfs gehoorschade.

    Voorbij de Nacht

    Het wordt leger in de zaal als het later wordt. Maar de intense sfeer van verbondenheid geldt nog meer voor hen die tot het eind toe blijven. Tot slot is er het prachtige optreden van debutante Lin An Phoa, aangekondigd als ‘grand dessert’ van de Nacht. Ook zij vertolkte geëngageerde poëzie en bevestigt het bestaansrecht van depressieve tienerpoëzie: (‘we hadden geen stijl, wel een streefgewicht’) maar geeft er vervolgens blijk van zelf inmiddels een nieuw stadium te hebben bereikt als dichteres, met haar gedicht: ‘Op een dag zullen we het ons anders herinneren’:

    ‘we zullen het weer met elkaar eens zijn
    dan zullen we doen alsof we altijd al met onze armen ingehaakt
    de straat op gingen met vlaggen en een stuk bezorgkarton
    waarop we na lang nadenken schreven: nee!’

     

    Tom Lanoye tijdens de Nacht van de Poëzie

     

    Traditie van de Nacht is dat de dichter die als laatste optreedt volgend jaar het spits mag afbijten. We zullen ons Lin An Phoa dan zeker herinneren – en toch zal een en ander dan weer anders zijn. Zoals in deze Nacht, toen er een meer dan exuberante toegift volgde door Tom Lanoye die het publiek middels zijn brandnieuwe ‘Reinaard’-bewerking in ronkende vertelling en hoge versnelling meenam naar de Middeleeuwen. Waarna omstreeks half vier de laatste nachtgangers het donker van Utrecht betraden, vergezeld door poëzie tot ver na thuiskomst.

     

     

    Foto’s: Reinder Storm


    De Nachtdichters van dit jaar waren: Judith Herzberg, Yentl van Stokkum, Tom Lanoye, Charlotte Van den Broeck, Pim Lammers, Sophia Blyden, Sasja Janssen, Neeltje Maria Min, Asmae Amaddaou, Sytse Jansma, Lieke Marsman, Marc Reugebrink, Yasmin Namavar, Froukje van der Ploeg, Gustaaf Peek, Bob Vanden Broeck, Paul Demets, Jan Baeke, Lin An Phoa en Peer Wittenbols.

     

  • Vrijheidsdans

    Vrijheidsdans

    Halverwege de jaren tachtig zat een vrolijke en innemende jongen bij Sonja Barend aan tafel. Donkere krullen, bril, Vlaamse tongval. Charmant pakte hij iedereen in met verhalen uit zijn debuutbundel Een slagerszoon met een brilletje. Tom Lanoye, dichter en performer. Wat was die jongen ontwapenend en… vrij. En ook nog aantrekkelijk, zonder acné of vroegtijdige haaruitval. Ik dacht aan hem toen ik begin deze maand de groslijst van de beste LHBTQ+literatuur op weblog Tzum doorscrolde. Een feest van herkenning. Een aansporing om sommige boeken eindelijk eens te gaan lezen.

    Lanoye zou korte tijd later optreden in de kleine zaal van Theater Het Spant in Bussum met zijn programma In de Piste. Ik kocht in de voorverkoop één kaartje, borg het op in een oude agenda en wachtte weken vol ongeduld, tot op de avond van zijn optreden het ongeduld omsloeg in benauwdheid. Wat had ik al die tijd verwacht? In de zaal zaten jongens van mijn leeftijd die ook al driekwart jaar een eenzaam kaartje bewaarden in een oude agenda. Er zou er één zijn – o wat een gelukkig toeval – die de plek naast mij toegewezen kreeg. Één met lichte ogen en licht haar, of donkere ogen met donker haar. Het was me om het even. We zouden om Lanoyes capriolen tegelijkertijd lachen en ontroerd raken en we zouden elkaar vluchtig in de ogen kijken. In de pauze zochten we elkaar op in de foyer, ieder met een flesje cola en een rietje. We zouden niet veel tegen elkaar zeggen, dat zou later komen, maar wel weten. 

    Ik nam op een hoek van de rij plaats, gespannen. De zaal vulde zich met geroezemoes van uitsluitend echtparen, grijs, Goois en geparfumeerd. Voor het licht dimde, joegen mijn ogen langs alle bezoekers. Geen jongen te bekennen, maar dan ook geen enkele. Naast mij bleef de plek leeg, de enige lege plek in de hele zaal! Hoe was dat mogelijk? Alsof die jongen met wie ik een colaatje zou drinken, een lekke band had gekregen, ziek was, of domweg zijn kaartje zoek had gemaakt. De deuren sloten, er kwam niemand gehaast binnen. Ik bleek de enige die alleen was gekomen. 

    Het eerste kwartier ging door deze teleurstelling in een waas voorbij. Ik herinner me de bekende tv-presentator die telkens zo hard en uit de maat lachte, dat iedereen in het zaaltje hem herkende, kijk daar zit die bekende tv-presentator. Een Caribisch-achtig liedje stemde me vrolijk, en Lanoyes poëzie: ‘Mocht ik herbeginnen, ik zou het net zo/ doen: niet om de poen, maar om die/ nieuwe pakken. Die zo glimmend spannen/ om je billen, en om die van elke ploegmaat/in het peloton.’ Mijn teleurstelling verdween. Sterker, die lege plek naast me bleek een zegen. De voorstelling zoog me op, tilde me op, niemand leidde me af. Na het applaus, het doek dat sloot, de lichten die aansprongen, huppelde ik langs de rijen met grijze koppen het theater uit, de koude avond in en ik bleef huppelen tot aan station Bussum–Zuid. Dat doet theater, dat doet literatuur. Zo voelt het dus, dacht ik: vrijheid.

     

    Tzum | Nieuws: De groslijst voor de mooiste regenboogboeken, de beste LHBTQ+literatuur – Tzum


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

  • ‘Paveltje, Paveltje, jij wordt een Komsomolletje’

    ‘Paveltje, Paveltje, jij wordt een Komsomolletje’

    Dat Joseph Roth een eersteklas schrijver is, behoeft geen betoog. Zijn roman Radetskymars over de ineenstorting van de oude, half feodale wereld van het voormalige Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk na de Eerste Wereldoorlog is een monument in de Duitstalige literatuur van het interbellum. Spoken in Moskou is een verzameling reportages, brieven en dagboekaantekeningen waarin het verslag van zijn bezoek aan Rusland in 1926 centraal staat. In het al eerder in 1920 gepubliceerde openingsverhaal ‘Krijgsgevangenschap, herkennen we zijn gevoel voor het vangen en vertalen van de tijdgeest in een anekdote.  Drie Russische krijgsgevangenen, al zo’n drie tot vier jaar zittend op hun bedden in een vergeten barakkenkamp in het Weense Prater, ergens terzijde van het verloop van de tijd, praten met een bezoeker en vertellen over hun geboortestreek: ‘Wanneer de eerste over de Krim vertelt, zien de anderen Odessa en Moskou. De Krim ziet er [uiteindelijk] net zo uit als Moskou en Moskou en Odessa zijn één.’ Voor hen staat de tijd stil, terwijl er in hun geboorteland revolutionaire ontwikkelingen plaatsvinden.

    Leve de Revolutie?
    Als Joseph Roth in 1926 in opdracht van de Frankfurter Zeitung aan een rondreis door de Sovjet-Unie begint, is hij nieuwsgierig naar het socialistische experiment waar hij in beginsel sympathiek tegenover staat: ‘Wat in Rusland ontstaat, is ongetwijfeld een geheel nieuwe wereld. En al ben ik erg sceptisch, ik ben toch blij dat ik hier getuige van kan zijn.’ In Parijs had hij met eigen ogen de verloedering gezien van de zogenaamde ‘émigrés‘, gevluchte en berooide Russische edelen, die het bestaande karikaturale beeld van de Russische zuiplap en de balalaika dansende vorst voortdurend bevestigden: overbodige mensen die ‘ons het plezier deden zich te voegen naar onze clichébeelden’. Nee, de Revolutie moest wel de vooraankondiging zijn van een nieuwe wereld. Hij doet in zijn verslaggeving zijn uiterste best steeds de positieve kanten van de Revolutie te benadrukken al laat hij zich nooit kennen als een blinde gelovige.

    Grote waarheden in kleine dingen
    Roth is op zijn best in het verhalen van de kleine anekdote, in het signaleren van grote waarheden in kleine dingen. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in het verhaal ‘De grens Njegoreloje’ waarin hij een liefdevolle, haast vertederende beschrijving geeft van de bij de douane getoonde inhoud van de koffers van een koopman uit Teheran, waaruit het houten speelgoed naar buiten klimt en de kleine duikelaartjes zachtjes wiebelen op hun met lood verzwaarde buik, of van de koffer vol ondergoed, zakdoekjes en avondjurken van een mooie, jonge, enigszins radeloze vrouw. Rommel van een vijandige, kapitalistische klasse. Hoewel Roth formeel de kant kiest van de proletarische douanebeambte die de koffers van een vijandige klasse controleert, gaat zijn hart meer uit naar het speelgoed van de koopman en de frutseltjes van de dame. Gaandeweg zijn reis neemt zijn scepsis toe evenals de literaire kwaliteit van zijn verslaggeving. Dit wordt duidelijk in het prachtige ‘Jevgraf of het geliquideerde heldendom’ waarin hij afrekent met de leiders van de communistische partij, die de Revolutie verkwanseld hebben.

    Zien we Roth eerder zelf nog hoog opgeven van de prestaties van de Revolutie aan de hand van getallen en statistieken, in Jevgaf‘ rekent hij af met dit getallenfetisjisme dat de partij-elite gebruikt als schaamlap voor de voortschrijdende verburgerlijking van de revolutionaire idealen. De grootmoeder die haar kleinkind wiegt met de woorden: ‘Paveltje, Paveltje, jij wordt een Komsomolletje’, de Komsomol die het mogelijk maakte met een staatsbeurs naar het buitenland te gaan; het achtjarige Pioniersmeisje dat op plechtige toon verklaart: ‘Ik geloof niet in God, ik geloof in de massa!’.  Allemaal uitingen van kleinburgerlijkheid evenals de kop van Lenin op een inktpot en die van Marx op het heft van een briefopener, te koop in de kantoorboekhandel. Het is lachwekkend en banaal. Toch blijft hij uiteindelijk vrij positief over de sociale en materiële verworvenheden van de Revolutie, zeker afgemeten aan, wat hij noemt, de wereld van de in decadente banaliteit zwelgende westerse mens. De geestelijke basis voor de nieuwe wereld ziet hij echter niet meer uit Rusland komen, maar veeleer ontspruiten aan de pioniersmentaliteit van de Amerikanen, weliswaar zonder hun godsdienstige inspiratiebron te omarmen.

    Wat een voltreffer!
    Spoken in Moskou is een fascinerend boek, ingeleid door Tom Lanoye, die het boek enthousiast en vakkundig in Roths’ persoonlijke perspectief plaatst, onontbeerlijk voor de niet ingewijde in zijn werk. Het boek is een zoektocht naar een betere wereld, naar morele ankers. Roth is getuige geweest van gebeurtenissen die de toenmalige wereld op haar grondvesten heeft doen schudden. Als journalist heeft hij geprobeerd hier greep op te krijgen door daar verslag van te doen. Als literator heeft hij geprobeerd deze ontwikkelingen te verinnerlijken door te trachten een beeld te geven van de doorwerking daarvan op het leven van individuele mensen. Voor hen die vertrouwd zijn met het oeuvre van Joseph Roth is dit boek een absolute must. Voor historische geïnteresseerde mensen, die Joseph Roth wel bij naam kennen, maar niet vertrouwd zijn met zijn werk, is dit boek een aanrader en wellicht een opmaat naar zijn literaire werk. Maar het is niet alleen vanwege Joseph Roth een fascinerend boek, het is ook een prachtig boek door de uiterst sfeervolle prenten van Gerda Dendooven, fijnzinnig en perfect toegesneden op de socialistische prentkunst uit de jaren twintig, met een eigentijdse knipoog. Wat een voltreffer!

     

  • Vertaalslag – literair evenement

    Vertaalslag is een literair evenement voor serieuze (ver)taalliefhebbers waarop de Vertaalengel en de Vertaalduivel worden uitgereikt.

    Zijn of (niet) vertaald zijn, dat is dit jaar bij de Vertaalslag de vraag. William Shakespeare, die universeel is in zijn thematiek en meeslepend zijn taalgebruik maar schreef in het vroegmoderne Engels. En dat leest tegenwoordig nog slechts een enkeling voor zijn plezier. Hoe houden vertalers de legendarische schrijver actueel?

    Tijdens de Vertaalslag 2018 laten prof. dr. Ton Hoenselaars en Tom Lanoye hun licht over deze vraag schijnen. Een blik terug op vierhonderd jaar Shakespeare in het Nederlands, en een vooruit kijken naar de toekomst van een literair fenomeen.

    Kijk voor meer informatie en tickets op in de Tolhuistuin.

     

  • Vogelenzang

    Vogelenzang

    Toen Tom Lanoye in ‘De Wereld Draait Door’ een stukje uit zijn solo Ten oorlog voorlas, dacht ik: O nee hè, niet wéér zo’n over de top Shakespeare-achtig stuk à la die andere Vlaamse voorstelling, Risjaar Drei, door Toneelhuis Olympique Dramatique. Niets was minder waar, gelukkig zaten er ook verstilde momenten in. En belangrijker nog: de insteek was uiterst origineel. In drie achtereenvolgende ‘afleveringen’ schetste Lanoye een evolutie van de taal, beginnend bij de vijfvoetige jambe van de vroege Shakespeare (daar zit meer swing in dan in het Franse alexandrijn, aldus Lanoye) en eindigend met Richard III (inderdaad, weer Risjaar Drei) die spreekt ‘in de wegwerptaal van de razendsnelle beeldcultuur’, aldus het programmaboekje.

    Tegen het eind van de voorstelling zegt Lanoye, en het wordt voor de duidelijkheid nog even geprojecteerd op een doek achter op het podium:

    bevrijd van taal
        nachtegaal

    Even later komt er nog een leeuwerik voorbij. Respectievelijk een vogel die prachtig zingt en eentje die bij onweer omhoog vliegt en daarmee al eens eerder symbolisch werd opgevoerd in een onvergetelijke cabaretvoorstelling door Sito en Marijke Hoving.

    Wanneer het er écht om draait, laat taal ons in de steek. Uitten koningen als Richard III en regeringsleiders zich alleen maar in gebral, in nietszeggende, zichzelf vrij pleitende uitspraken als ‘Met de kennis van nu’ of – zoals de solovoorstelling eindigt – met een kinderliedje: Een, twee, drie vier, hoedje van, hoedje van …., waarbij Lanoye – ook al weer heel symbolisch – ‘papier’ onuitgesproken liet. En de zaal, die het begreep, ook. Wat rest is vogelgezang of woordloze muziek, of een combinatie van beide zoals in de muziek van Olivier Messiaen.

    Die twee vogeltjes, de nachtegaal en de leeuwerik, parachuteerden mij vanuit de Amsterdamse Stadsschouwburg tientallen jaren terug, naar een concert in het kader van het Festival Religieuze Muziek in Maastricht. Een uitgelezen gezelschap met, als ik me goed herinner, George Pieterson (klarinet), Vera Beths (viool), Anner Bijlsma (cello) en Reinbert de Leeuw (piano) speelden er op een avond Messiaens Quatuor de la fin du temps. De componist schreef dit stuk in 1941 tijdens krijgsgevangenschap in Görlitz (Silezië). Het is de klarinet die in het deel L’abîme des oiseaux vogelzang imiteert. Of liever misschien: een vogel is, vrij vliegend in de lucht, zoals de vlinders die kinderen in Theresienstadt tekenden en waarover Pavel Friedman in 1942 dichtte:

    Zo’n schittering van geel,
    Vloog onbelemmerd de hoogte in,
    Weg, ik weet het zeker, omdat
    Hij onze wereld vaarwel wilde kussen.

    Messiaen kuste de gevangenen toen, en de mensen van nu in een tijd van onzekerheid. Woordloos.


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • Wel of niet lezen

    Wel of niet lezen

    De afgelopen jaren ben ik geïnteresseerd geraakt in gedwongen migratie en de daarmee samenhangende problemen. Het levert soms stress op. Er lijkt een tsunami aan literatuur over me te worden uitgestort. En dan denk ik vooral aan romanciers die het als thema kiezen. Het idee vliegt me wel eens aan: hoe hou ik dat allemaal bij?
    In zijn nieuwste roman Zuivering van Tom Lanoye neemt hoofdpersoon Gideon Rottier een Syrisch vluchtelingengezin in huis. Moet ik dus lezen. Van mezelf. Het zal er nog wel van komen, al is het maar omdat ik Lanoye om zijn taal graag onder ogen heb.

    Ik heb het over dit boek vanwege een recensie in De Groene door Kees ’t Hart (die zelf in De keizer en de astroloog in zekere zin ook over een vluchteling schreef, maar dan van een heel ander type). Hij vraagt zich af wat Lanoye eigenlijk wil met zijn roman: ‘Moet ik aan het denken worden gezet over kwesties waarover ik het al lang met hem eens ben?’ En even verder: ‘In romans hoop ik altijd op rare invallen, een krankzinnig idee, een overdreven visie die nergens op slaat, een verwoestende blik (…) Ik hoop op romans waarin het erom gaat ongelijk te krijgen’.

    Het deed me denken aan de falsificatietheorie van Karl Popper, die kritisch onderzoek eist: is datgene waarover we het eens lijken te zijn wel houdbaar? Maar ik greep ook terug naar een passage die ik me herinnerde van Bohumil Hrabal in zijn Praags ironie. Hij blikt daarin terug op wat hij in zijn leven schreef: boeken boordevol reflecties en metaforen, maar ook boeken met kale zinnen. Boeken waar hij doodsbang voor was en boeken waarom hij moest lachen. Bellettrie naast journalistiek werk. Boeken waarin zijn levenslot besloten lag maar ook boeken die louter vermaak beoogden. Ik hou van Hrabal en ik weet dat ik me bij diens passage afvroeg of ik dat allemáál zou willen lezen.

    Kees ’t Hart stelt een boeiende persoonlijke onderzoeksvraag. Waarom zou ik de nieuwe Lanoye willen lezen? Wat is het precies waarom ik van Hrabal hou? Op deze vraag heb ik wel een antwoord (hoewel ik lang niet alles van deze Tsjech ken): hij voert me mee op gedachtestromen die me voortdurend confronteren met mijn eigen wijze van denken. Hij biedt mij vooral ‘de rare invallen’ waarover ’t Hart het heeft. Hij blijft nog steeds nieuw voor me.
    Het is lastiger om dat van Lanoye (ook van hem las ik niet alles) te zeggen. Een taalvirtuoos, dat is hij zeker. Hij weet me te vangen. Maar hij verrast me niet altijd. Zijn Gelukkige slaven vond ik spannend, geraffineerd opgezet. Maar ben ik er veel wijzer van geworden over stroperij, jacht op neushoorns, illegale handel en fraude?
    Ik zal Zuivering waarschijnlijk lezen. Maar ik hoop wel – weer in de woorden van Hrabal – ‘achter dingen van de wereld te komen die ik niet weet…’


    Adri Altink recenseert voor LiterairNederland en heeft belangstelling voor (cultuur)geschiedenis. Hij werkt als vrijwilliger met vluchtelingen. Zijn ervaringen daarmee deelt hij in zijn columns.

  • Poëzie op Septemberfestival in Gaasbeek

    Poëzie op Septemberfestival in Gaasbeek

    Tijdens de 3e editie van het Septemberfestival is ook dit jaar weer plaats voor poëzie. Op stemmige zolderruimtes en speelpleinen geven Carmien Michels, Bart Stouten, Tom Van de Voorde, Stefan Hertmans en Tom Lanoye inkijk in ongepubliceerd werk en zorgen ze voor een bijzondere performance.

    Programma

    16:00
    Poëzie
    Op een stemmige zolder aan het dorpsplein ontdekken we Carmien Michels, jonge koningin van de poetry slam. Bart Stouten, legendarische Klara-radiostem, én markant poëzietalent Tom Van de Voorde.

    17:30
    Slotpodium Poëzie
    Stefan Hertmans, dichter pur sang, begeleid door Peter Hertmans (gitaar) en Nicolas Thys (contrabas).
    Tom Lanoye, allround auteur en performer, brengt een poëtische tekst die hij nog niet eerder reciteerde.

    Bekijk hier het volledige programma van het Septemberfestival in Gaasbeek.

     

     

  • Tom Lanoye over Sprakeloos

    [youtube:http://www.youtube.com/watch?v=HXUD8kkMLFc;autoplay=0 250 250]

  • Een prachtig eerbetoon

    ‘Bespaar ons die strijdkreet van de schoolfrik, dat afgezaagde “Geen woord te veel”. Een adagium dat je blijkbaar ook nog eens hoort uit te spreken alsof je juist een nachtemmer azijn hebt leeggedronken.’ Tom Lanoye maakt zijn positie in het literaire landschap duidelijk met deze stelling in de vorige jaar uitgekomen autobiografische vertelling Sprakeloos. In een handleiding, daarin moet geen woord teveel staan, vindt hij en hij vervolgt met de programmatische zinnen: ‘Maar als het gaat over letteren die niet in de eerste plaats naar schoonheid haken, maar naar waarachtigheid, zelfs al moeten ze daarvoor uit hun voegen barsten en knarsen en botsen en krijsen? Kom dan om de liefde Gods niet elke keer en bij ieder thema aankakken met dat vervloekte “Minder is meer”, dat bij enkele grootmeesters, ik geef het grif toe, briljante boeken heeft opgeleverd, tijdloze teksten, nederigmakende chefs-d’oeuvre, maar dat daarbuiten voornamelijk wordt misbruikt door onmachtigen en ongetalenteerden om hun gebrekkige greep te verhullen op zowel hun materiaal als hun materieel.’

    Opmerkelijke uitspraken, juist in een boek dat de titel Sprakeloos heeft en die verwijst naar de moeder die door enkele beroertes getroffen wordt en een vorm van afasie krijgt waardoor haar spraakvermogen ernstig wordt aangetast. Dit boek zet de auteur tegenover die ziekte. Dit boek dat draait om de moeder Josée Verbeke is een taalbouwsel van protest tegen de dood van de moeder, tegen de stilte. Dit is het boek dat de slagerszoon met een brilletje beloofd had aan zijn zeer liefdevol beschreven vader, maar dat hij pas kon afmaken na diens dood. Dit is een boek waarbij je op elke bladzijde de noodzaak voelt dat het geschreven moest worden. Het is een prachtig eerbetoon geworden aan zijn ouders.

    Sprakeloos is opgedeeld in drie delen: ‘Hij’, ‘Zij’ en ‘Ik’. Het eerste deel vormt de aanloop tot het schrijven. Je ziet een schrijver die zich aan het oppeppen is om een grootse prestatie neer te zetten. Lanoye aarzelt en stelt uit, maar weet uiteindelijk precies wat hem voor ogen staat. ‘Want zoals men niet kán vertellen over haar zonder uit te weiden over hem, zo kan ik niet schrijven over hen beiden zonder uit te weiden over de godganse wereld die ik heb leren kennen, en waarover zij regeerde, jarenlang.’ En dat is precies wat er in deel twee, dat verreweg de meeste ruimte inneemt, gebeurt. Lanoye brengt zijn jeugd tot leven, het stadje Sint-Niklaas en dan vooral de buurt waar de ouders van Lanoye een slagerij hadden. Ook de mensen die in de winkel kwamen worden beschreven, evenals de carrière in het amateurtoneel van zijn moeder. Zijpaden worden ingeslagen, omwegen gemaakt, alle verhalen uit het verleden worden van stal gehaald en die voorkomen dat de moeder gereduceerd wordt tot het geestelijke wrak dat ze in haar laatste jaren was.

    Tegenover de ontmenselijking in de kliniek, zet Lanoye het dagelijkse leven van weleer waarin de moeder de spil in huis was. Aardige anekdotes worden afgewisseld met minder prettige herinneringen, bijvoorbeeld aan zijn eigen coming-out, die vooral als een schande voor de familie werd ervaren. Maar naast haar branie komt ook haar radeloosheid aan de orde als haar oudste zoon bij een ongeluk om het leven komt.
    Als je bij het derde deel aankomt, dat slechts kort het einde beschrijft van de ouders en waarin de schrijver de rekening opmaakt van dit boek, dan kun je als lezer slechts diep buigen voor een schrijver die je in een paar honderd bladzijden een complete wereld heeft geschonken en in al die taalvirtuositeit waarachtig is gebleven.

    COEN PEPPELENBOS

    TOM LANOYE ? Sprakeloos. Prometheus, Amsterdam, 360 blz. €19,95