• Uitdrukkingen van andere schrijvers als struikelstenen

    Uitdrukkingen van andere schrijvers als struikelstenen

    In een klein dorp, waar iedereen elkaar kent, arriveert een jongen die er heel anders uitziet dan de meeste dorpsbewoners gewend zijn, tenger en haast vrouwelijk:

    ‘[…] zo’n
     jongen die doet of hij een meisje is, zijn vriendelijke

     glimlach, witte tanden, zijn lippen die speels omhoog
     krullen, die engelachtige lokken die omlaagregenen
     langs zijn jukbeenderen, ik moet er niets van hebben.’

    De man die deze woorden uit, beschrijft daarmee de mening van het hele dorp, dat vijandig staat tegenover vreemdelingen in het algemeen en deze jongen in het bijzonder. Toch wordt juist de dochter van deze man verliefd op de jongen. Als reactie daarop slaat de vader de jongen met een stoel tegen de grond. Later drijft het lijk van de jongen in de rivier. Het meisje probeert zelfmoord te plegen door zich op te knopen, maar haar vader weet dit net op tijd te verhinderen. Ze blijkt zwanger te zijn.

    Liefdesverhaal

    Dat is het verhaal, ‘een liefdesverhaal in gedichten’, zoals de ondertitel luidt. De bundel is samengesteld uit een proloog, drie afdelingen die respectievelijk Liefde, Tijd, en Dood getiteld zijn, gevolgd door een epiloog. De middelste drie afdelingen worden voorafgegaan door een citaat uit een Engelstalig lied.

    De proloog springt in het tweede gedicht Liefde al meteen in het midden van het verhaal: in een café krijgt iemand ineens een stoel in zijn gezicht geslagen. Die ‘hij’ blijkt de jongen te zijn, die slechts één keer in de hele bundel met zijn naam Momo wordt aangeduid. Zes mannen die hierbij aanwezig zijn, stamgasten en waard, geven later commentaar op deze gebeurtenis; tegen wie ze hun verhaal doen, wordt niet duidelijk. Later in de epiloog komen zij in omgekeerde volgorde weer aan het woord. 

    Wim

    ‘Als je het precies wilt weten moet je niet bij
     mij zijn ik was moe  en had al wat gedronken
     ik ben geen makkelijke prater sowieso ik kijk

     als niemand kijkt soms naar de sterren buiten
     boven onze domme koppen en weet dan niets
     te zeggen en weet dan het is niets het is niet erg

     we duren zolang het duurt en strompelen als
     het tijd is naar huis staan binnen in de deuropening
     nog even naar onze kinderen te staren schudden

     al bijna afwezig een loos verlangen van onze schouders
     leggen ons stil naast de moeder  van onze kinderen neer

     het is niets en het is niet erg.’

    Meerstemmige klanken

    Het geheel doet denken aan Under Milk Wood van Dylan Thomas, waar zes stemmen het verhaal vertellen. Of de verteltechniek van William Faulkner in The sound and the fury of in As I lay dying, waar ook verschillende stemmen van eenzelfde gebeurtenis belichten en die Hugo Claus inspireerde tot zijn roman De MetsiersDe stoel is een belangrijk gegeven: de afdeling Tijd bestaat uit acht gedichten waarin een stoel centraal staat. Zo is er de stoel die de jongen in zijn gezicht krijgt en de stoel waarop het meisje gaat staan om zich op te hangen: ‘[…] hier wacht de stoel, hier hangt het touw.’ 

    Maar ook is er twee keer een gedicht te lezen dat De kinderen is getiteld, in het begin en aan het einde van de bundel. Het zijn twee gedichten die doen denken aan zangerige kinderrijmpjes, aftelversjes, waarbij het meer om het ritme dan de betekenis gaat. Ze lijken identiek, maar verschillen in enkele woorden. Ze fungeren als een intermezzo, als een Grieks koor dat in een reizang afstandelijk commentaar levert op de gebeurtenissen zonder daarbij in te grijpen. 

    Literaire zoekplaat

    In de afdeling Liefde is het naamloze meisje aan het woord. Ze vertelt over haar ontmoeting met de jongen, die op blote voeten uit het niets kwam. In parlando en prozagedichten vertelt ze hoe ze de liefde bedreven, één keer slechts. Er wordt al vooruitgewezen naar hoe de jongen straks als een dode Ophelia in de rivier zal drijven:

    ‘ik ben alleen en drijf traag door de lucht, we zijn fijner in een stapel, staren door tralies, verwijten onze liefste niets, ik ben alleen en zink langzaam tot de bodem, wier voor mijn ogen, honing op mijn wangen, bloesems in mijn haar en de rivier is als jouw schoot, je wiegt me naar beneden, we zijn fijner en staren, ook als we wegzinken in de laatste stuiptrekkingen van het feest, als de band zichzelf in slaap speelt, als alle kaarsen uitgewapperd zijn, het donker en koud wordt, lig ik tussen je benen, met mijn ogen dicht, alsof je mijn broertje  of mijn zusje was.’ 

    Vergeet wat je gelezen hebt

    Binnen deze afdeling is er een cyclus van gedichten samengebracht onder de titel Hooglied. Hier spreken zowel de jongen als het meisje over hun liefde. In de aantekeningen achter in de bundel vertelt Möhlmann dat deze onderafdeling ‘rijkelijk uit de Bijbel put’. Toch is het niet de Bijbel, maar de 27 liefdesliedjes van Judith Herzberg die door de gedichten sterk in het geheugen worden gebracht. En dat is gelijk wat storend werkt, er zitten zoveel verwijzingen en parafrases van andere literaire werken in Dankbaar lichaam, als ook veel citaten die al dan niet letterlijk zijn gebruikt, dat je als lezer argwanend blijft zoeken naar waar die zinsnede of versregel vandaan komt, alsof je bezig bent in de boeken van Waar is Wally?

    Elke keer herken je weer een uitdrukking van een ander, als een struikelsteen in het gedicht. Het gedicht wordt een zoekplaatje, de leeservaring wordt daardoor naar de achtergrond gedrongen en dat is jammer. Zo kwamen Dylan Thomas en Faulkner al voorbij, Judith Herzberg en Vasalis, wier versregels uit De idioot in het bad door Möhlmann zelf al aangegeven worden in de aantekeningen, maar ook Paul Celan met zijn onvergetelijke Todesfuge zien we terug in ‘mijn / melkmeisje, mijn asgrauw, mijn zwart slangen- / kind’ en in ‘asbaklokkige’ verderop in hetzelfde gedicht Waar.

    Jammer is ook dat verhaallijnen die in het begin worden aangegeven, later niet worden uitgewerkt. De komst van de jongen, zijn naam, maar vooral zijn tweeslachtige sekse leken een aanduiding te zijn, maar blijven een belofte die niet wordt vervuld. Het blijft een raadsel waarom de jongen als ‘wijfjoch’ betiteld wordt, tenzij om de ergernis van de dorpsbewoners op te wekken. Daarom blijven de volgende strofen van het gedicht Nog staat de stoel in het luchtledige hangen: 

    ‘[…]
     een dankbaar lichaam neemt genoegen met wat
     het gegeven werd, je bent als man geboren en
     je blijft je geboorte trouw, waar werd een kiem 

     je hoofd ingeduwd dat je geboren werd als vrouw,
     en waar als je nu eenmaal nu een meisje blijkt
     brengt dat bewustzijn je nu verder, nou? […]

    Dankbaar lichaam is zeker een mooie bundel, maar om hem ten volle te kunnen waarderen moet je als lezer alles vergeten wat je ooit gelezen hebt.

     

  • Innemende dichters en meeslepende entr’acts

    De Nacht van de Poëzie, een evenement dat altijd op zichzelf stond, maakt dit jaar voor het eerst onderdeel uit van het International Literature Festival Utrecht (ILFU) en was een feestelijke afsluiter van het veertiendaagse festival. Gepresenteerd door het dichterlijke duo Ester Naomi Perquin en Piet Piryns, waarvan de laatste zijn 30ste Nacht presenteerde wat en passant gevierd werd.

    Waar blijft de tijd

    De Nacht wordt traditiegetrouw geopend door een ‘jonge’ dichter die het voorgaande jaar de Nacht heeft afgesloten. Deze 36e Nacht beet Vicky Francken het spits af met: ‘Liefde is een zwaar beroep, [naar Rogi Wieg] maar ook het dichterschap, want ze sterven te vroeg.’ Waarop ze de dit jaar overleden Menno Wigman – die haar dichterschap voor een deel bepaalde – toedicht: ‘Ik lees je / en ik hoor je / en ik weet dat / je nog leeft.’

    Tussen de optredens door worden op drie schermen opnames vertoond van Nachten van weleer. In zwart/wit beelden komen voorbij: Een jonge Campert met een even jonge Van Kooten, Hugo Claus met Hans van Mierlo, een piepjonge Ingmar Heytze, Vaandrager, Johnny van Doorn, Fritzi Harmsen van Beek, Gerrit Kouwenaar, H.C. ten Berge, Ischa Meijer, Adriaan Morriën, Annie M.G. Schmidt, en je denkt, waar blijft de tijd?

    Er zijn dichters die het niet alleen van lezers maar ook van luisteraars moeten hebben, zoals Delphine Lecompte. In de wandelgangen klinkt dat haar gedichten bij voordracht ‘waanzinnig beter’ overkomen. Zichtbaar gespannen brengt ze haar voordracht tot een daverend einde. Deze Belgische dichteres die strofen leest als: ‘bevangen door smog en weemoed’; ‘Een man verleidt mij met een woordspeling’; en bij wie iemand ‘klinkt als een gewonde reiger’, heeft een grote charme.

    Presentatie

    Arno Van Vlierberghe komt op in zwart hemd waaruit schouders en armen wit afsteken. Met sterke zinnen als – ‘de kunst van het risicoloos denken’; ‘doel dit gedicht is om alle anderen te onttronen’; ‘mooie holle woorden waar iedereen van houdt’ – schudt hij het moreel besef van het publiek flink op. Voor even lijkt hij verbonden met Rogi Wieg, waarvan deze Nacht een beeld voorbij kwam waarin Rogi met ontbloot bovenlijf achter de vleugel zit en zegt: ‘Je moet toch wat doen om op te vallen’.

    Gerenommeerde dichters

    Anton Korteweg refereert aan ‘de moeder de vrouw’ kwestie in de literatuur. Hij leest een gedicht waarin moeder de vrouw het onderwerp is en sluit geserreerd af met: ‘En dat had dan bijna niet gemogen’.

     

    Een van de hoogtepunten is het optreden van Judith Herzberg die ook tijdens een van de eerste Nachten acte de présence gaf. Toen was er veel gelachen, vertelt Piet Piryns, om haar grappige gedichten. Ook nu speelt haar onbevangen voordracht vrolijkheid in de hand. Al is niet alles om te lachen benadrukt ze bij het gedicht waarvoor ze zich heeft ingeleefd in een vrouw die meerdere baby’s ombracht en op zolder verborg. ‘Je moet je in alles kunnen inleven’, vond de dichteres. Herzbergs poëzie is eenvoudig, en steeds met een draai die bevrijdend werkt en de lach oproept. Hilarisch is het gedicht dat ze een ‘gestolen tekst’ noemt, van iemand die al zoekende door haar spullen in een koffer ging en mompelde: ‘ik zal toch niet…, heb ik nu,… waar zou dan,… nee hè…, deze niet,… heb ik nou, nee…, nou ja, zal ik dan… (…).

    Laat je gaan

    Deze 36e Nacht drijft op de woorden ‘Ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht’ van de dit jaar overleden en zeer gemiste dichter F. Starik. Thomas Möhlmann herdenkt Starik met een variatie op het gedicht ‘Gras’ dat Starik tijdens De Nacht van 2016 in grasgroen kostuum voordroeg.

     

    En dan wervelt daar opeens Willeke Alberti, (een van de entr’acts) gekleed in een wijdvallende rode jurk over het toneel. De 74-jarige vedette van het Nederlandstalige lied neemt met haar enthousiasme en nuchterheid (Spiegelbeeld: ‘Ha’, lacht ze, ‘je denkt toch niet…?’) het publiek voor zich in. Armen worden gespreid en het grote meedrijven is begonnen. Later zal de geweldige singer/songwriter, Tallest Man On Earth zijn bewondering uitspreken over deze Nacht en over ‘The Lady in the Red Dress: ‘We don’t have that in Sweden’.

    Aandachtig publiek

    Willem Jan Otten was 20 jaar geleden voor het laatst op De Nacht en zegt: ‘Poëzie kan afwachten’. Met zijn – ‘in u luisteren uitgebroed’ en ‘de rand van vloeiend glas’ – en zijn ‘Gerichte gedichten’ roept Otten een stilte op die magisch is. Zo maakte ook eerder op de avond dichteres Kreek Daey Ouwens met haar zachte stem en heldere taal de zaal opmerkzaam en luisterend.

     

    De Friese dichter Tsead Bruinja maakte indruk met zijn cyclus voor de priester Titus Brandsma (1881). In het Fries draagt hij  zeven minuten voor. Het publiek wordt geraakt door de klank van het Fries en de passie waarmee Bruinja spreekt. De dichter uit Rinsumageest, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als: ‘Zo’n dichter, dat je ook wel uit Rinsumageest had willen komen’.

    De laatste zal de eerste zijn

    Een Nacht als een diner waarvan de gerechten hemels zijn, de wijn niet te versmaden en met een nagerecht dat het geheel in perfectie afmaakt. Na het swingende optreden van de ‘Amsterdam Klezmer Band’ wordt de laatste dichter aangekondigd.
    Debutante Gerda Blees geeft het publiek op de valreep het gedicht ‘Aanwijzingen’ mee: ‘ga niet zomaar / met je hoofd op tafel liggen, mors geen rode wijn / blijf zitten hou je vast en laat de dwaallichten/ de dwaallichten en maak je zinnen af.’
    Een ding is zeker, deze dichteres zal bij de volgende ‘Nacht van de Poëzie’ de spits afbijten.

     

    Er is ook een Nachtpoëziebundel verschenen met gedichten van alle optredende dichters. Bezoekers ontvangen de Nachtbundel gratis, voor de liefhebber is deze nog te bestellen voor € 7,50 via Het Literatuurhuis.

     

     

    Foto’s: Patrick Post

  • Meester in doorwrochte metaforiek en schitterende beeldtaal

    Meester in doorwrochte metaforiek en schitterende beeldtaal

    Poëzie is vaak een veeleer wenken en suggereren dan ronduit zeggen. Wie als lezer resoneert met de gebezigde metaforen kan zeggen dat hij een gedicht ‘begrepen’ heeft. Thomas Möhlmann (1975) toonde in eerder werk, met name het in 2009 verschenen Kranen open, de lezer te kunnen treffen met de schoonheid van zijn taalspel en vergelijkingen nog vóórdat de beeldspraak volledig is geanalyseerd en verstaan.

    In zijn jongste wapenfeit Ik was een hond toont Möhlmann zich opnieuw een meester in doorwrochte metaforiek. De nieuwe dichtbundel kent nog meer kippenvelmomenten. Zoals iemand die laat de liefde vindt ‘als een akker na de oogst’ of ‘de wolkjes die je maakt als je ademt / duren te kort om iets van te maken, iets in te zien’. Of uit een beschouwing over ‘onze liefhebbende ouders’: ‘het zijn / schatten, maar wie graaft ze op’.
    Schitterende beeldtaal van Möhlmann, die in zijn beschouwingen van het alledaagse, en antropologische observaties van menselijke relaties steeds weer grootse zaken in kleine details weet te ontwaren. Meer dan daarvoor lijkt de dichter een appèl te doen op een wij-gevoel in tijden van gierende individualisering.

    Wat het meest opvalt aan Ik was een hond is de hoeveelheid politiek geëngageerde en maatschappijkritische gedichten. Nu was die factor al sinds zijn speelse debuut De vloeibare jongen (2005) her en der in Möhlmanns werk te vinden, maar niet eerder zo veelvuldig en onverholen als nu. Wellicht maken de zorgwekkende internationale ontwikkelingen in de ogen van de auteur de politiek-sociale stellingname een noodzaak, misschien zelfs een plicht – en niet louter een literair stijlinstrument.

    Möhlmann richt zijn pijlen in deze gedichten op de westerse omgang met vluchtelingen, op klimaatontwrichtende milieuvervuiling en de dreiging van populistisch gedachtegoed. Het beste komt dit alles samen in ‘We xeroxen’, waarin met een knipoog naar het klassieke gedicht ‘Impasse’ van Martinus Nijhoff de zich superieur wanende westerling een spiegel krijgt voorgehouden:

    waarover wil je, nu het brandt aan de randen
    en de zee met drenkelingen raakt ingedamd

    nu de barbaren weer niet aan de poort maar in ons
    midden hun vlaggen hijsen, we van onze vertrouwde

    doodsbenauwde buren weer meer dan van vreemde smetten
    de vrezen hebben, waarover wil je schrijven, wil je dat ik

    schrijf? We staren dof naar onze eigen handen, kunnen
    tachtig jaar naar achteren kijken en zien de toekomst niet.

    Möhlmann maakt gehakt van de hypocrisie van het belerende Westen. Dat zien we in bovenstaand gedicht, maar nog meer in het venijnige ‘Rechten’, waarin de auteur blootlegt hoe wij universele gelijkheid prediken, behalve als het aankomt op de Grieken, Afrikanen en andere volkeren die het er zogenaamd zelf naar gemaakt hebben. Om het westerse superioriteitsgevoel nog verder op de hak te nemen, toont hij de geestelijke afstomping die smartphones en social media tot gevolg hebben. Zoals in ‘Tussenstop’ haarfijn wordt geanalyseerd hoe ‘al die jonge mensen’ zich overgeven aan de druk en dwang van social media, waarvan de etiquette hen in bejaarden verandert met ‘gebroken Engels, gebrekkig geheugen / hun korte samenvattingen van familiesituaties / geruisloze instemming, vergelijkbare samenvattingen / van vergelijkbare familiesituaties, prima getimede / stiltes.’ Een feest van herkenning voor wie met enige regelmaat Facebook of Whatsapp frequenteert.

    De kritieken van Möhlmann doen denken aan de tierende dichtbundel Duetten (2016) van Ilja Leonard Pfeijffer en Erik Jan Harmens, die zich hierin beiden van hun meest kwaad-geëngageerde zijde lieten zien. Daarin klinkt het, na een eloquente beschrijving van de holheid van de zich beschaafd wanende westerse consumptiemaatschappij die grossiert in ‘debiel geconsumeer’: ‘Ik snap het wel dat iemand maait met zijn geweer / Beschiet en blaas maar op die boel. Het gaat niet meer’

    Naar het einde van de bundel toe verandert de toon gradueel en sluipt er meer wanhoop in de gedichten, om in openlijke nonchalance uit te monden. Hiermee toont Möhlmann de ontwikkeling van het publieke debat over bovengenoemde schrijnende kwesties door de jaren heen. Dat begon vaak strijdbaar, werd meer desperaat toen mensen door hen gewaande zekerheden zagen wegebben en mondde geregeld uit in het defaitistisch in de lucht gooien van de handen: denk aan discussies over klimaatverandering, economische crises en conflicten in verre oorden.

    Maar ook Möhlmann zelf lijkt weinig hoop te hebben dat het Westen tijdig tot inzicht komt. In het gedicht ‘Alles is groei’ fulmineert hij tegen het kortetermijndenken en het de waan van de dag najagen, die het trekken van tijdloze lessen in de weg staan: ‘de ochtend is aan wie is opgestaan / de katernen en bladwijzers blijven / tussen jam en sap wachten op een beter / moment om ons in het gezicht te slaan’

    Het gedicht ‘We zullen’, waarmee zowel de lange dichtreeks ‘Alle vogels die hun vleugels uitslaan’ als de bundel besluit, illustreert nog eens het na-ons-de-zondvloed-sentiment dat in westerse consumptiemaatschappijen domineert. Of, in Möhlmanns woorden:

    ‘Zeker, mijn liefste, ze zullen, maar wij zullen meer, ze
    zullen zullen, maar met speels gemak zullen we meer

    wat ze ook zullen: ze maken geen enkele kans want wij
    zullen meer, we leven allemaal niet meer dan gemiddeld

    tachtig jaar, zij niet en wij niet maar zie maar mijn liefste
    wat wij uit die zeg veertig jaar nog kunnen peuren terwijl

    zij, ach ze zullen maar en zullen, geef ze honderd jaar voor
    mijn part en nog zullen ze niet meer dan wat ze zelf zullen’

    Ik was een hond is Möhlmanns sterkste en meest sprekende werk tot nu toe. In deze vierde bundel heeft het esthetische taalspel van de dichter een imposant hoogtepunt bereikt, iets wat hoge verwachtingen wekt voor de opvolger. Het valt te bezien of Möhlmann daarin net zo fel zal uithalen naar een wereld die steeds meer met zichzelf in de knoei raakt. Maar laat die toekomstmuziek voor nu nog verstommen, met Ik was een hond komen poëzieliefhebbers moeiteloos de nakende zomer en de komende honderd achtuurjournalen door.

     

     

  • Oogst week 13

    Ik was een hond

    Wie een dichtbundel publiceert onder de titel Ik was een hond, heeft het bedenken van intrigerende titels onder de knie. Ik was een hond is de vierde dichtbundel van dichter Thomas Möhlmann, die eerder al twee poëziebloemlezingen publiceerde. Möhlmann, redacteur van poëzie tijdschrift Awater, doceert aan ArtEZ Hogeschool voor de kunsten in Arnhem. Zondag 2 april aanstaande is hij te gast in VPRO Boeken (11:20, NPO1)

    Ik was een hond
    Auteur: Thomas Möhlmann
    Uitgeverij: Prometheus, Uitgeverij

    Het liegend konijn jaargang 15, nr. 1

    Het is een goede week voor de poëzie, moge duidelijk zijn, met naast de nieuwe bundel van Thomas Möhlmann het verschijnen van het nieuwe nummer van Het liegend konijn. Sinds jaar en dag is het exclusieve poëzietijdschrift, dat tweejaarlijks verschijnt, de opstap voor vele (jonge) dichters naar een carrière in de poëzie. Het eerste nummer van dit kalenderjaar brengt weer een bonte mix van bekend en onbekend talent, met namen als Kira Wuck, K. Michel, Piet Gerbrandy en Elvis Peeters, maar ook Iduna Paalman, Lotte Dodion, Tina van Baren en vele anderen. Er valt genoeg te beleven in gedichten, dus!

    Het liegend konijn jaargang 15, nr. 1
    Auteur: Onder redactie van Jozef Deleu
    Uitgeverij: Uitgeverij Pelckmans

    Van licht en donker

    Een van de interessantere uitgeverijen om in de gaten te houden is die van Jurgen Maas. Zijn de Nederlandse letteren te wit? Zo niet bij Maas, die zich vooral lijkt te laten te leiden door eigen interesse en opgewekte nieuwsgierigheid. Van licht en donker is ook weer een uitgave waar deze lezer even de wenkbrauwen bij fronste (op een vrolijke manier, overigens). Want wat is het nu voor boek? De site meldt: ‘In 2016 was het honderd jaar geleden dat in de grote zaal van filmhuis Cinecitta in Tilburg voor het eerst een film werd vertoond, Salambò (1914) van Domenico Gaido. A.H.J. Dautzenberg en Diederik Stapel schreven in het jubileumjaar van het filmhuis wekelijks en om beurten een betoog over cinema. Hun projecties zijn een meanderende collage van impressies en interpretaties, stukjes filmgeschiedenis en autobiografische schetsen, die getuigen van een diepe liefde voor film.’
    Bij het kopje Genre, op de website, staat ‘Nee’. Is dat de bedoeling? Mijn nieuwsgierigheid wekt het.

    Van licht en donker
    Auteur: Anton Dautzenberg ; Diederik Stapel
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas
  • Leve de poëzie

    Leve de poëzie

    Op Radio 1 zendt de EO dagelijks het programma Dit is de Dag uit waarbij steevast een dichter wordt uitgenodigd een sneldicht te schrijven bij een onderwerp van de uitzending. Uitgeverij Brandaan bundelde de vijftig beste gedichten. Een stoet aan sneldichters, cabaretiers en liedjeszangers passeerde de revue. Ingmar Heytze, Hanz Mirck, Wietske Loebis, Thomas Möhlmann, Frank van Pamelen, Ruben van Gogh, Alexis de Roode, Daniël Dee en Rikkert Zuiderveld om er maar enkelen te noemen. De dichters hadden dus vaak maar een uur de tijd om iets te brouwen. Vreemd genoeg staat dit de kwaliteit van deze 50 verzen niet  in de weg. Een dichter blijft kennelijk een dichter ook al staat deze onder tijdsdruk. Eerlijkheidshalve zij hier wel gezegd, dat er veel gedichten zijn verdwenen en ook zijn dichters na een slecht optreden niet nog eens gevraagd voor de uitzending. Dat is verstandig geweest van de programmamakers. De bijzondere verzen overtuigen. Zo was Alexis de Roode getuige van de aanslag op koningin Beatrix bij de Naald in Apeldoorn, toen de uitzending hot from the spot werd uitgezonden op nog geen 100 meter van de plaats des onheils:

    ‘Koninginnedag 2009’
    De koningin was een wandelende bloem vandaag
    de Loolaan een warme mensenhaag
    het koninklijk huis was van iedereen
    wij allen een beetje koning vandaag.
    Maar 1 man voelde zich koning te veel;
    een auto ging dwars door de mensen heen.
    Maxima zag het, hand aan haar mond.
    Het Nederlands volk grijpt naar het hart.
    De vlaggen werden witte lakens.
    Oranje maakt plaats voor zwart.

    Vier mensen niet meer: Ontferm U Heer.

    De meest uiteenlopende onderwerpen komen aan de orde en dat is eigenlijk wel een voordeel van deze bundeling. Het brengt variatie en verrassing. Wat te denken van een Ode aan de postbode of van verzen over hoofdrekenen, de kredietcrisis, Afghanistan, de PVV, de taxi, JSF en Europa? Het mooiste, ontroerendste gedicht werd door Thomas Möhlmann gemaakt. Aanleiding was een wanhoopsactie van een 42-jarige Iraanse asielzoeker die van een brug bij Nijmegen wilde springen, omdat hij dreigde te worden uitgezet:

    ‘Hier vandaag’

    Bij Nijmegen staat een man op de boog
    op de tweede boog van een brug en
    een stuk verderop begint een ander

    een ander leven, beantwoordt iemand
    rustig vragen vanuit zijn werkkamer
    gewoon en choquerend als zuurkool:

    dingen worden op de agenda gezet
    met een doel, met alle stoplichten
    uit, met zo min mogelijk lastendruk.

    Waar velen verantwoordelijk zijn
    zijn weinigen verantwoordelijk dus
    per saldo komt het geweten van buiten.

    We maken klanten van burgers en
    beleggers van spaarders, redden rozen
    van de straat en we komen geen stap

    vooruit maar de remmen zijn los, daar
    betalen we voor, de verantwoordelijk-
    heid wordt eerlijk verdeeld onder

    anderen en op de boog aan het eind van de rit
    staan de rustgevende regels, de verkeershinder
    wordt verminderd, gekoesterd, hervat.

    Een ander hoogtepunt is het fraaie Spree killer van Ingmar Heytze n.a.v. het bloedbad dat een 17-jarige Duitse scholier aanrichtte op een school. Een lichtere noot verzorgt Wietske Loebis met haar light vers over probleemwijken. Tuinstraat 33c/ na het stuken en behangen/ eventjes de vloer vervangen(…). Ze treedt duidelijk in de voetsporen van Drs.P. En ook Frank van Pamelen, die dagelijks in de krant voor politieke verzen zorgt levert een lichtere bijdrage.
    Het is zoals scheidend programmapresentator Arie Boomsma, die afzwaait bij de EO uitroept: “Leve de Poëzie!”
    Een bundel om van te snoepen.