• Oogst week 49 – 2022

    Veen, dras, moeras

    Voorin in het boek Veen, dras, moeras heeft Annie Proulx de volgende opdracht opgenomen:

    ‘Dit bescheiden boek is opgedragen aan de inwoners van Ecuador, die ervoor zorgden dat hun land als eerste ter wereld rechten voor natuurlijke ecosystemen in de grond- wet heeft opgenomen. De recente rechterlijke uitspraak dat Los Cedros, het nevelwoud in de Andes, tegen de mijnbouwbedrijven moet worden beschermd, betekent een mijlpaal voor de wereld.’

    De urgentie van dit boek (oorspronkelijke titel Fen, Bog & Swamp) blijkt mogelijk uit het snelle verschijnen van de Nederlandse vertaling; beiden titels verschenen in 2022.
    In Veen, dras, moeras documenteert Proulx de lang onbegrepen rol van de belangrijkste veengebieden bij het redden van de planeet. Veen, drassen, moerassen en mariene estuaria zijn blijkbaar de meest wenselijke en betrouwbare hulpbronnen van de aarde. Proulx beschrijft de geschiedenis en toont de vennen van het 16e-eeuwse Engeland tot de laaglanden van de Hudsonbaai in Canada, het Russische Great Vasyugan Mire, het Amerikaanse Okeefenokee National Wildlife Refuge en de 19e-eeuwse ontdekkingsreizigers die begonnen met de vernietiging van het Amazoneregenwoud.
    The Guardian noemde Veen, dras, moeras ‘Een krachtige aanklacht in prachtig proza tegen onze medeplichtigheid aan de vernietiging van het milieu.’

    De inmiddels 87-jarige Annie Proulx werd bij het grote publiek vooral bekend door (de verfilmingen van) Scheepsberichten en Brokeback Mountain.

    Veen, dras, moeras
    Auteur: Annie Proulx
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2022)

    Uitwissing

    Uit het postuum gevonden manuscript van Thomas Bernard (1931-1989) van zijn eerste, grotendeels autobiografische roman komt een pessimistische, eenzame verbitterde auteur naar voren. Bernard hield tijdens zijn leven de publicatie van dit boek zelf tegen.
    Zijn latere werk getuigt ook van somberte, afkeer van de medemens en van zijn walging voor zijn Oostenrijkse vaderland. Hij werd er tegen wil en dank een succesvoll auteur, hoewel hij kort voor zijn dood nog enorme ophef veroorzaakte. In een toneelstuk beweerde hij o.a. dat Oostenrijk sinds de Tweede Wereldoorlog nog niet veranderd was ten opzichte van de tijd van het fascisme. 

    In Uitwissing, zijn laatste grote prozawerk, staat de vraag centraal of een mens in staat is zich te ontdoen van datgene waar hij zich door zijn afkomst mee belast weet. Deze roman verscheen in 1986, onder de titel Auslöschung. Ein Zerfall, drie jaar voor zijn dood.
    De hoofdpersoon uit Uitwissing worstelt met een ‘Herkunftskomplex’ en wil kost wat kost afstand doen van en afrekenen met zijn achtergrond. In Uitwissing zegt hij:
    ‘Het enige dat ik al definitief in mijn hoofd heb, […] is de titel Uitwissing, want mijn verslag is er alleen maar voor bedoeld om wat erin beschreven wordt uit te wissen, alles uit te wissen wat ik onder Wolfsegg versta, en alles wat Wolfsegg is, alles, […] inderdaad werkelijk alles.’

    Wolfsegg was het landgoed van de schatrijke familie van de hoofdpersoon in Opper-Oostenrijk.

    Uitwissing
    Auteur: Thomas Bernard
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer (2022)

    Bob

    Vorige maand is bij uitgeverij Querido de vertaling verschenen van Bob en ik van de succesvolle Deense schrijfster Helle Helle (1965).
    In alle stukken die over Helle verschijnen staat iets over de manier waarop zij het gewone van alledag behandelt en beschrijft.
    Ook hier op Literair Nederland. In 2015 bijvoorbeeld in een recensie over Als je wilt schrijft Huub Bartman: ‘Het is fascinerend te zien dat het centrale thema van het boek heel realistisch wordt beschreven juist door de zeer gedetailleerde beschrijvingen van Helle Helle van doodgewone kleinigheden die schijnbaar niet ter zake doende zijn. Het wordt op deze wijze ontdaan van alle romantiek en dramatiek. Het wordt heel doodgewoon, heel ordinair en daarin schuilt misschien wel het echte drama.’

    In Bob en ik komen we alleen te weten over Bob, over de ik krijgt de lezer niet anders te horen dan via Bob. Het stel is net verhuisd, Bob wil wel studeren maar weet niet wat. Wat hij wel weet is dat hij samen wil blijven met de ik en mogelijk ooit ook een gezin met haar wil stichten.

    In 2012 verscheen hier op Literair Nederland ook een recensie over haar boek Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden, waarvoor ze de De Gyldne Laurbær ontving. Deze prijs wordt jaarlijks uitgereikt door de Vereniging van Deense Boekhandelaren.

    Bob
    Auteur: Helle Helle
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2022)
  • Socialere context in autobiografische novellen

    De kelder

    Alle boeken van Thomas Bernhard (1931-1989) lijken op elkaar, alleen is het ene nog beter dan het andere. De autobiografische reeks van vijf novellen over de eerste twintig jaar van zijn leven waaraan Bernhard midden in zijn schrijverscarrière begon te schrijven, heeft binnen zijn oeuvre een speciale status verworven. De auteur doorbrak met deze novellen de lijn van een reeks romans en verhalen met geïsoleerd levende zonderlingen als hoofdpersoon. Alsof hij zich wilde verantwoorden waarom hij tot dusver altijd voor zonderlingen als personages had gekozen. Maar wellicht was er ook de drang om een gevoel van vernedering, van schaamte van zich af te schrijven. Want afgezien van de crisisjaren en de oorlog verliepen de vroege levensjaren van de als ongewenst geboren en door zijn moeder verstoten jonge Thomas Bernhard niet eenvoudig.

    Resoluut rechtsomkeer

    Met de verhaallijn van zijn eigen leven ontstond vanzelfsprekend een socialere context in plaats van de eendimensionaal uitgetekende figuren die tegen een geabstraheerd decor in een nagenoeg plotloos proza verzinken in hun eigen gedachtenspinsels. Deze novellen over zijn jeugd – alle vijf verschenen bij uitgeverij Vleugels – kunnen tot zijn meest toegankelijke werk gerekend worden. De sociale betrokkenheid die er bij tijd en wijle doorheen schemert, is uitzonderlijk in Bernhards oeuvre. De novellen De Kelder (1981) en De Kou (1978) gaan over de sociale misère en grauwheid die het naoorlogse Salzburg in zijn greep hield. Er wordt de existentiële kern van leven en dood in aangeboord. De ontgoocheling en nooddruft in het naoorlogse, verscheurde Oostenrijk gaven daartoe aanleiding. Daarbij heeft Bernard zijn talent voor zwarte humor niet onbenut gelaten.

    De kelder (1976) gaat over Bernhards ervaringen in een kruidenierszaak waar hij in 1947 als zestienjarige ex-gymnasiast belandde. Op de eerste pagina maakt de ik-verteller op weg naar school, resoluut rechtsomkeert om in ‘tegengestelde richting’ naar het arbeidsbureau te gaan. Daar kiest hij voor een – niet voor de hand liggende – betrekking bij de levensmiddelenwinkel van buitenstaander Karl Podlaha, gelegen in de Salzburger achterstandswijk Scherzhauserfeld, die in Bernhards hyperbolische vocabulaire als ‘wanhoopsgetto’ en ‘voorhel’ wordt aangeduid. Deze abrupt genomen beslissing om zijn gehate school te verlaten voor een simpel baantje, loopt als een terugkerend Leitmotiv door deze novelle. ‘Twee mogelijkheden heb ik gehad, dat besef ik ook nu nog, de ene was zelfmoord, waarvoor me de moed ontbrak, en/of het gymnasium verlaten, van het ene moment op het andere, ik had geen zelfmoord gepleegd en was leerjongen geworden.’ 

    Afwijken van het aanvaardbare

    De ondertitel van De kelder luidt: een onttrekking. Een onttrekking aan de stroming, aan het algemeen aanvaardbare, op basis van een intuïtief genomen besluit blijkt uiteindelijk levensreddend en typeert de naamloze ik-persoon. De alwetende verteller permitteert zich hier en daar af te wijken van de werkelijke levensloop van Bernhard en stuit de lezer op verschillende passages waarin de taal wordt beschouwd als een ontoereikend instrument om de waarheid te dienen. De tekening van het verhaal is realistischer dan we van hem gewend zijn, maar de focus ligt op de uitvergroting van de geestelijke processen van de ik-persoon die een zelfbewuste groei in autarkische richting doormaakt.

    Diens daad om het gymnasium te verlaten en een burgerlijke carrière inruilt voor een betrekking in de armoedigste buurt van Salzburg wordt uitzonderlijk belicht. Het verhoudt zich onweerlegbaar tot de tegendraadse geesteshouding van de controversiële schrijver zelf. Om de uittekening van zulke geestelijke processen ruimte te geven, neemt het verhaal groteske vormen aan en wordt de omgang van de ik-persoon met de buiten de sociale orde geplaatste outcasts sterk geïdealiseerd. Dat hij na een jaar het baantje even makkelijk vaarwel zegt om zijn roeping in de muziek te volgen, is verhaaltechnisch wat minder geloofwaardig. Maar toont des te meer de geestelijke ontwikkelingslijn in zijn levensverhaal. Het levensreddende, het ontkomen aan de dood, is in feite één lange aanzet tot creativiteit, zijn rijping tot kunstenaar. 

     

    Bestel hier het boek.

     

    De kelder
    Auteur: Thomas Bernard
    Uitgeverij: Vleugels

    De kou

    De novelle De kou; een isolement (1981) begint met de verpleging van de ik-persoon als gevolg van een aan het einde van De Kelder opgelopen kou. Opgenomen in het sanatorium valt hij buiten de groep omdat hij de enige blijkt zonder open tuberculose. Hij moet zijn uitzonderingspositie, tegen de stroom in, bevechten. In een grimmige, sarcastische toon tekent Bernard het verblijf in het sanatorium onder de hoede van een regime van nationaal-socialistische geneesheren. Het is een vijandige omgeving, waar iedereen is gekomen om te sterven. Maar de ik-persoon wil genezen in plaats van sterven. Maar voor zijn eigen bestwil moet hij die wens geheim houden en zijn omgeving, met name de artsen, misleiden. Voor de schijn doet hij mee met de zieken. 

    Voortjagende stijl

    In deze tijd komt hij voor het eerst in aanraking met een boek dat hem raakt: Demonen van Dostojevski. Dat Bernard is beïnvloed door Dostojevskis stijl blijkt zonder meer uit de meeslepende, bijna koortsachtig voortjagende stijl, de drang te overleven in deze wereld, dit waanzinnig doolhof. De ik-persoon neemt zich voor belangrijke zaken te noteren op kaartjes, om ze niet te vergeten: ‘Ik dacht dat ik alles van de vergetelheid moest redden, uit mijn hersenen op de kaartjes, wat er ten slotte honderden waren, want ik vertrouwde mijn hersenen niet, ik was het vertrouwen in mijn hersenen kwijtgeraakt, (…).’ Meer dan in zijn andere boeken wordt met de herhaling van bepaalde sleutelwoorden – zeer typisch voor Bernhard – een existentiële noodzaak blootgelegd. 

    Temidden van al zijn potentiële tegenstanders is er één rots in de branding: ‘mijn grootvader, mijn privéfilosoof’. De ik-persoon – in wie toch echt niemand anders dan de jonge Thomas Bernhard kan worden gezien – schrijft zich hier duidelijk in de voetsporen van zijn grootvader die eveneens auteur was, ‘Tegen de zinloosheid in opstand komen en beginnen, werken, denken in louter zinloosheid.’ 

    Enkel leven voor de kunsten

    De appel valt niet ver van de boom. ‘Mijn grootvader had mij de waarheid verteld, niet slechts zijn waarheid, ook mijn waarheid, de waarheid überhaupt, en daarbij ook meteen de totale vergissing van die waarheden (…) Mijn grootvader heeft altijd de waarheid gezegd en zich volkomen vergist, net zoals ik, net zoals iedereen. We zitten in de vergissing als we denken in de waarheid te zitten, en omgekeerd. Absurditeit is de enige mogelijke uitweg. Ik kende die weg, de weg waarlangs je verder komt.’ De weg die hem tegen de gangbare richting in stuurt. Alleen daar zijn antwoorden te vinden op vragen als: ‘waar kom ik vandaan, waar ben ik thuis?’ 

    Symbolisch voor het geestelijke groeiproces in De kou is dat de ik-persoon eerder opkeek naar een kunstzinnige en eigenzinnige kapelmeester,maar aan het eind de rollen zijn omgedraaid: de ik-persoon is opgeklommen tot voorbeeld voor de kapelmeester. Het ‘ja’ zeggen tegen het leven en het kiezen voor het kunstenaarschap blijken twee loten aan dezelfde stam. De kunstenaar immers, is ‘de van het leven bezetene, de kunstenaar, de verder willende’. Aan het slot is de ik-persoon tot inzicht gekomen dat hij zichzelf beter geneest door weg te blijven van de artsen en dat slechts kunst, met name muziek, hem ware genezing kan bieden.

    Levenslessen

    Nadat Bernhard met deze autobiografische verhalen zijn levensweg had uitgetekend en zijn uitzonderingspositie rechtvaardigde, sneed hij in de daaropvolgende boeken een luchtiger soort nihilisme aan met meer ruimte voor het impliciet komische in de clash tussen waan en werkelijkheid. Meer speelruimte voor de lachfilosoof en de levenskunstenaar. Hoofdpersonen uit zijn latere werk blijken een stuk levensvatbaarder. Ze hebben zich bevrijd uit hun zelfbedrog en lopen zich niet langer te pletter in blinde wanen. Alsof ze zich hebben laten inspireren door de levenslessen uit de autobiografie van Thomas Bernard, hun geestelijke vader. 

     

    Bestel hier het boek.

    De kou
    Auteur: Thomas Bernard
    Uitgeverij: Vleugels (2021)
  • Typische Bernhardroman waar geen normaal mens in voorkomt

    Typische Bernhardroman waar geen normaal mens in voorkomt

    Dertig jaar na zijn dood krijgt de Oostenrijkse toneel- en prozaschrijver Thomas Bernhard (1931-1989) het nog steeds voor elkaar dat Duitstalige kwaliteitskranten er met liefde het zoveelste herdenkingsartikel aan besteden. En dat voor een auteur die in zijn boeken en interviews een nietsontziende minachting jegens de Oostenrijkse cultuur aan de dag legde. Daarbovenop komt nog een groot wantrouwen jegens de medemens en een grote voorliefde voor het kluizenaarschap. Het cultiveren van deze houding heeft hem echter geen windeieren gelegd. Zijn verzameld oeuvre is inmiddels in tweeëntwintig fraai gebonden delen uitgegeven en wereldwijd wordt hij in vele talen uitgebracht. Hoewel de toneelstukken van Bernhard in de jaren zeventig en tachtig veelvuldig werden opgevoerd in Nederland, werd zijn prozawerk minder vertaald dan dat van bijvoorbeeld Günther Grass en Peter Handke. Gelukkig is daar nu wat aan gedaan; in korte tijd zijn er een aantal vertalingen van hem uitgegeven, waaronder de roman Houthakken. Een afrekening uit 1984.

    Typische Bernhardroman

    Houthakken is een typische Bernhardroman. Niet omdat er geen normaal mens in voorkomt, maar omdat de inhoud niet uitmaakt, al het leesplezier moet uit zijn stijl komen. Het is grotendeels een monoloog van een naamloze ik-verteller, gebaseerd op waarnemingen, herinneringen en losgewoelde ergernissen tijdens een zogeheten ‘kunstzinnige’ avondmaaltijd ten huize van het culturele echtpaar Auersberger in Wenen. Ooit, in een ver verleden, was hij daar kind aan huis. De uitnodiging voor dat etentje heeft hij tegen zijn zin aangenomen op de dag dat hij vernam van de zelfdoding – bij Thomas Bernhard is zelfmoord nooit ver weg – van een gemeenschappelijke vriendin uit het artistieke milieu. Enigszins wrokkig hierover moeten hij en de overige gasten ook nog eens tot na middernacht op het diner wachten, daar de eregast van de avond, een acteur van het Weense Burgtheater, vanwege zijn vertolking van het personage Ekdal in Ibsens De wilde eend pas veel later arriveert.

    Dat juist een acteur in de spotlights staat, wekt geen verbazing, want dit boek gehoorzaamt – zoals veel van Bernhards romans – aan de wetten van het toneel. De personages, waarvan sommigen naamloos blijven, worden geen wezens van vlees en bloed maar worden door overdrijving van de onbetrouwbare ik-verteller, overbelicht. Er heerst eenheid van plaats, handeling en tijd. De ik-verteller zit het grootste deel van het boek in het halfduister in een ‘oorfauteuil’, gescheiden van de andere aanwezigen. In de misschien vier, vijf uren dat dit verhaal kent, ziet de ik-verteller kans 255 pagina’s non-stop claustrofobisch in vaak lange, complexe zinnen bij elkaar te filosoferen, op een wijze die bedwelmend werkt. Dit boek openbaart zich tot een heuse pageturner; niet uit nieuwsgierigheid hoe een en ander afloopt, maar omdat je gekluisterd raakt aan de stijl van deze groteske, rapsodische jeremiade.

    Monoloog zonder begin of einde

    De monoloog in Houthakken kent geen begin of einde en bovenal geen nuancering, maar is zichzelf genoeg. Het verhaal is slechts decorum, een excuus om een keten aan gedachten te laten ontkiemen. Zoals een kettingroker de ene sigaret met de andere aansteekt, zo wordt hier de ene gedachte aan de andere geregen. In een bezwerende stijl die zonder meer maniëristisch is te noemen. De geperfectioneerde stijl is de ware inhoud waaraan alles is opgeofferd. De lezer bevindt zich nergens midden in een verhaal, maar voortdurend in het ritme van Bernhards stijl. Dat rechtvaardigt het feit dat dit boek geen witregel, geen alinea, kortom geen pauzemoment heeft. De monoloog die op het retorische middel van de hyperbool drijft, en waarvan de zinnen onderkoeld en helder gecomponeerd zijn, is geheel ingebed in een navertelde constructie. De daarmee bewerkstelligde eenheid van vertelperspectief, is een constante bij Bernhard. De lezer stuit voortdurend op de veelvuldig herhaalde frase, ‘dacht ik in de oorfauteuil’, waardoor men beseft dat alles door de ik-verteller achteraf is beschreven.

    Ritmische compositie

    Dit schept niet alleen een zakelijke afstand tot het subjectieve en compromisloze van het verslag, maar verleent ook aan de tekst een gelijkmatig patroon. Er ontwikkelt zich zodoende een ritmische compositie. Daarbij reflecteert de ik-verteller ook vaak van het particuliere naar het algemene, waardoor het een filosofische vorm krijgt.
    In een boek met een grote eenheid van stijl mag nagenoeg iedere zin typerend heten: ‘We weten al tientallen jaren dat iemand die ons nastaat een lachwekkend iemand is, maar pas na tientallen jaren zien we het ineens, dacht ik in de oorfauteuil’.
    De tekst met al zijn rijkdom aan herhaling van woorden en zinsflarden kent een grote muzikaliteit. Het zal geen toeval zijn dat in deze vertelling Ravels Bolero op de draaitafel wordt gelegd, een compositie die zich eveneens kenmerkt door een bezwerende herhaling van het ritme. Al flakkert aan het eind wel iets van een verhelderend inzicht, vertolkt door de ‘Burgacteur’ die zich inmiddels aan de nodige glazen wijn te goed heeft gedaan. Hij stelt de kunstmatigheid van de cultuur tegenover het ideaal van de natuur: ‘De natuur in gaan en in die natuur niets dan echt en voor altijd thuis te zijn, dat zou hij als het hoogste geluk ervaren. Het bos ingaan, diep het bos in, zei de Burgacteur je helemaal aan het bos overgeven, dat is het altijd geweest, de gedachte niets anders dan zelf natuur te zijn. Bos, bomen, houthakken, dat is het altijd geweest’.

    Komische vertelling in groteske stijl

    Dit moment van inzicht bezegelt ook de afloop van het kunstzinnige avondmaal, want weldra vertrekken de gasten. Eenmaal in de buitenlucht vat de ik-verteller het plan op om over de kunstzinnige avondmaaltijd te schrijven en wel ‘meteen en direct en meteen en meteen, voor het te laat is.’ Of je intussen het teruggaan tot de natuur als een boodschap mag zien, valt te betwijfelen. De verteltrant van de onbetrouwbare, welbespraakte verteller is namelijk zonder meer ironiserend. Hij past een frequent gebruik van cursief gedrukte woorden toe, bij wijze van het citeren van iemand die de ik-verteller op de hak neemt. Houthakken is in weerwil van zijn stroom aan pessimisme en negativiteit een door en door komische vertelling in een groteske stijl, met hier en daar passages die aan slapstick raken. Het staat vol zinnen waarvan je popelt ze aan anderen voor te lezen. Bernhard geeft de indruk enkel voor jou en nog een handjevol outsiders te schrijven.

    Ofschoon de polemisch ingestelde ik-verteller onmiskenbaar nietsontziend met anderen afrekent, haalt hij ook zichzelf bij tijd en wijle naar beneden: ‘We verwijten al deze lieden alles wat maar onuitstaanbaar en weerzinwekkend is en zijn misschien nog wel veel onuitstaanbaarder en weerzinwekkender dan zij’. Hij pendelt tussen eerlijkheid en onbetrouwbaarheid, maar stuit overal op pijnlijke conclusies, waarin wat hij eens bewonderde het hevig moet ontgelden. Maar werkelijk fnuikend is de vaststelling dat eraan ontsnappen een illusie is. Het bezetene van zijn redenering schiet door naar het absurde. In zijn overdrijving fabriceert de ik-verteller haast als vanzelf nieuwe opeengestapelde woorden: ‘Wenen is een vreselijke genieënvernietigingsmachine (…) een ontstellende talentenvermorzelingsinstelling’.

    Gelezen als sleutelroman

    Uit de nihilistische werkelijkheid ensceneert Bernhard zonder meer een komedie, of beter, een tragi-komedie. Hierin is hij verwant aan Samuel Beckett. Niet voor niets draagt een boek over Thomas Bernhard een citaat van hemzelf als titel ‘Es ist alles lächerlich, wenn man an den Tod denkt’. In de grootste misantropen verschuilen zich niet zelden de grootste moralisten. Bernhard staat wat dat betreft ook in het voetspoor van de Oostenrijkse dichter en pamflettist Karl Kraus.
    Ofschoon men omtrent de ik-verteller weinig te weten komt, rijst uit zijn herinneringen wel het beeld op van een in de jaren vijftig moeizaam gedebuteerde dichter. Deze werkte zich op in artistieke kringen, zoog zichzelf zo vol tot hij genoeg had om zichzelf overeind te houden en elders zijn schrijversloopbaan gestalte kon geven. Parallellen met Bernhards beginnende schreden op het schrijverspad liggen voor het oprapen. Evenals de toespelingen op bestaande figuren in dit boek, dat bij verschijning als een sleutelroman werd gelezen en een schandaal ontketende. De componist Gerhard Lampersberg zag zich naar zijn smaak al te duidelijk geportretteerd in de snobistische en voortdurend dronken Auersberger. Hij spande een rechtszaak aan tegen publicatie van het boek. Met het gevolg dat Holzffällen – Eine Erregung één van Bernhards best verkopende titels werd.

    Om Bernhard in een Nederlandse context te plaatsen, is hij te vergelijken met W.F. Hermans, voor wie rancune ook de motor van een productief schrijverschap was. Vanwege het allesbepalende van zijn geperfectioneerde stijl gold Bernhard, net als Gerard Reve – waarmee hij zeker ook te vergelijken valt -, als schier onvertaalbaar. Maar deze, als een voortdenderende trein lezende vertaling, ontkracht deze mythe volledig. Dat kunnen beide vertalers op hun conto schrijven. Dan te bedenken dat uit dezelfde jaren tachtig nog twee boeken dateren die zich qua stijl en niveau met Houthakken kunnen meten, te weten Der Untergeher en Auslöschung. Eveneens boeken die de potentie hebben vanwege hun overdonderende stijl je compleet van de sokken te blazen. In een ideale wereld zouden ook deze twee boeken in het Nederlands worden overgezet. Want in deze tijd is er behoefte aan troost. Al was het maar door te menen dat het leven pas echt ondragelijk zou zijn als Thomas Bernhard ons geen reden gaf erom te lachen.