• Ik kan veel hebben

    Ik kan veel hebben

    Op het station in ons dorp keek ik de ganzen na die in formatie overvlogen en dacht daarbij aan de auteur T.H. White, van Arthur, Koning voor eens en altijd, die elk jaar eerbiedig zijn hoed afnam als hij de vogels zag gaan. Maar de dame die plotseling naast me opdook en me zag kijken, zei: ‘Daar gaan ze, en ze nemen de zielen van de overledenen mee. Die helpen ze over te gaan, net als de kraaien.’ Ze bewoog heftig met haar hoofd. ‘En ik kan ze zien,’ besloot ze, ‘die zielen, en dat is niet altijd gemakkelijk, hoor.’ Ik knikte braafjes, maar wachtte tot zij in de trein was gestapt en ging zelf in een ander treinstel zitten. Het was tenslotte de dag vóór Halloween met twee dagen daarna Allerzielen en ik had in dit duistere jaargetijde geen zin in een seance onderweg of een sessie met het ouija-bord. 

    Toen ik in Utrecht op een bus zat te wachten, kwam er een sjofel geklede man naast me zitten die aankondigde: ‘Mevrouw, ik ga me voor de trein gooien.’ Ik had hem erop kunnen wijzen dat hier alleen bussen stopten, maar dat leek me flauw. Ik vroeg hem naar de reden en hij zei dat hij die dag jarig was, maar dat helemaal niemand hem gefeliciteerd had. Dat deed ik dus maar, omstandig en welgemeend en ik gaf hem wat geld om een taartje van te kopen, in de hoop dat dit zijn voornemen zou verijdelen. Toen mijn bus wegreed, zag ik hoe de man gebaarde naar een wachtende jongen om zijn oortjes uit te doen, opdat hij zijn verhaal nog een keer kon vertellen. 

    Eenmaal in de binnenstad aangekomen dronk ik een kop koffie in een café, waar ineens een jongeman binnenstormde die zich breeduit tegenover me posteerde en schreeuwde dat hij manisch-depressief was en dat hij zojuist uit het ziekenhuis kwam waar hij de afgelopen vijf weken was opgenomen. Ik gaf toe dat dat niet leuk was en bood hem een kop koffie aan om hem te kalmeren. Zelf kon ik wel wat sterkers gebruiken na drie keer op één dag zo’n ontmoeting met aardige, maar speciale mensen, ieder behept met zijn eigen obsessie. Ik dacht aan het gedicht van Erik Bindervoet, met zijn sneer naar de dichter Rutger Kopland en diens gedicht over jonge sla. Ik dacht dat elk van deze drie mensen een dichter kon zijn.

    Kropland

    Ik kan veel hebben maar
    Dichtende psychiaters vertrouw ik niet.
    Het zijn de gekken
    Die gedichten moeten maken.
    De mensen die het niet weten
    Hoe het zit.
    Wat er aan de hand is.
    Welk pad ze moeten gaan.

    Ik wist heel goed welk pad ik moest gaan: naar de recensentenbijeenkomst van Literair Nederland in het antiquariaat van Hinderickx en Winderickx op de Oude Gracht. Daar aangekomen heb ik de hele avond met aardige, speciale mensen over hun obsessie gepraat, die ook de mijne is: over schrijvers, gedichten, boeken. 

     

    Uit: De mond van de waarheid, (2013)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Liefde voor haviken

    Liefde voor haviken

    Wie begint aan De H is van havik van Helen Macdonald (geb. 1970) doet er goed aan eerst over te schakelen naar De havik van T.H. White (geb. 1906), omdat Macdonald daar haar hele boek door aan refereert. In het begin meldt zij dat White zijn havik wreed behandelt, maar de lezer die daar niet op zit te wachten kan gerustgesteld worden: het woord wreed blijkt te zwaar, al maakt White fouten waar zijn havik Gos de gevolgen van draagt. Daarover later meer.

    Wat uit beide boeken spreekt is liefde voor (en kennis van) de natuur en de roofvogel, een diersoort waar de doorsnee lezer nou niet het eerst aan denkt als het om dierenliefde gaat. Tijdens het lezen verandert dat. Als een mens een dier beter leert kennen, al is het maar via een boek, ontstaat begrip en sympathie voor het tot dan toe onbekende dier. De havik kent net als ieder ander levend wezen angst, boosheid, tevredenheid en honger. Hij sukkelt in slaap, poetst zijn veren en geeft de kleintjes te eten. Over dat laatste hebben White en Macdonald het overigens niet, hun gaat het om het treinen (niet ’trainen’) – de term in de valkerij om roofvogels zover te krijgen (‘zeeg’ te maken) dat ze zich binden aan die ene mens die hun eten en beschutting geeft er met hen op uit trekt. Beiden zijn gefascineerd door de eeuwenoude valkerij, door de roofvogel als exponent van een machtige natuur. De schuwe, hoog in bomen nestelende havik vertegenwoordigt een voor het menselijke geestvermogen onbereikbare wereld die hem om die reden aantrekt.

    De onervaren White
    Terence White, later wijd en zijd beroemd om zijn Arthur, koning voor eens en altijd, trekt zich in 1936 terug uit de wereld waar hij de dreiging van de oorlog ziet naderen, om in een klein huisje in Buckingham een havik te gaan treinen. Hij heeft geen enkele ervaring met roofvogels, maar denkt dat hij met de richtlijnen uit een paar boeken uit vorige eeuwen zijn havik wel zeeg krijgt. Op de eerste bladzijde getuigt White van compassie en bewondering als zijn havik in een mand met een zak erover wordt bezorgd en de vogel voortdurend met zijn kop tegen de bovenkant bonkt. White schrijft: ‘Maar wat een leven had hij tot dan toe ook gehad. Toen hij een jonkie was, nog niet kon vliegen en een slordig hoopje was met hier en daar wat dons, zo’n dooraderd bloterikje met opengesperd bekje, […] toen was er een griezel naar zijn moeders nest gekomen met net zo’n mand, en had hem erin gepropt. Nog nooit had hij een mens gezien, laat staan dat hij in zo’n ding was opgeborgen, een ding dat onheil ademde, niets natuurlijks had en stonk naar mensen.’ Dat getuigt van begrip voor het dier dat ook nog eens een lange reis achter de rug had. Vervolgens houdt White zijn havik, Gos, drie dagen en nachten wakker in de hoop hem te leren zijn vuist ‘als zitplaats te aanvaarden, daar het voedsel te accepteren en zich een beetje te verzoenen met het leven van de mens’. Dat kun je wreed noemen. De enige verzachtende omstandigheid voor White is dat hij zelf ook wakker moest blijven om met de vogel op zijn vuist rond te lopen. Het was een achterhaalde methode die hij uit de oude boeken had gehaald.

    Rouwverwerking
    Bij Helen Macdonald gaat het er heel anders aan toe. De schrijver/dichter, illustrator, naturalist en historicus is in 2014 al een ervaren valkenier. Bij haar geen fouten, geen onbegrip, alleen liefde en bewondering, mede door toedoen van haar vader ontstaan in haar vroege jeugd. Dan al leest ze Whites havikenboek, zonder er veel van te begrijpen. Maar het boek blijft haar bij, het trekt haar zoals de valkerij haar trekt. De H is van havik omvat drie subliem met elkaar verweven thema’s. Het eerste beslaat de onverwachte dood van haar vader, het tweede de aanschaf en het treinen van de jonge havik Mabel waar ze mee begint als rouwverwerking, en het derde Terence White en zijn boek. Ze duidt Whites gedrag, waarvoor ze niet alleen put uit De Havik maar ook uit Whites andere boeken, brieven en dagboekaantekeningen. Zijn ‘gevecht’ met zijn havik Gos interpreteert Macdonald als een gevecht tegen zichzelf. Hij was bangelijk, wat voortkwam uit een jeugd met ouders die elkaar haatten en bijna letterlijk het huis uit vochten. Zijn moeder had honden, zijn vader schoot ze dood. De kleine Tim was ervan overtuigd dat hij de volgende zou zijn. White zou ook homoseksueel zijn. Naast de slechte jeugdervaringen was ook dat laatste in die tijd geen recept voor een blij leven.

    Emoties
    Zelf raakt Macdonald tijdens haar rouwverwerking en het treinen van Mabel in een depressie. Haar baan bij de universiteit is afgelopen en dientengevolge moet ze haar huis uit. Iedere dag gaat ze met Mabel op haar vuist op pad, leert de havik niet bang voor mensen en menselijk lawaai te zijn, terwijl zijzelf het liefst onzichtbaar voor de ogen van anderen blijft. Als de tijd rijp is, laat ze Mabel los vliegen en jagen. De  eerste keer dat de jonge havik een prooi slaat schrijft Macdonald: ‘Ik staar naar de havik met haar klauwen in de dode fazant, en dan kijkt ze me met haar woeste ogen recht aan. Ik ben verbaasd. Ik had me nooit een voorstelling gemaakt van de emoties die zo’n tafereel bij me zou oproepen. Bloeddorst? Wreedheid? Nee. Niets van dat alles. […] Ik kijk naar de havik, de fazant, de havik. En alles verandert. De havik is niet langer de bezorger van een gewelddadige dood. Ze wordt een kind. Het treft me diep in mijn ziel. Ze is een kind. Een baby-havik die zo-even heeft uitgedokterd wie ze is. Waarvoor ze op deze aarde is.’ Eerder heeft Macdonald al ontdekt dat Mabel speelgedrag vertoont door haar kop ondersteboven te houden. Eigenlijk is een spelende roofvogel onvoorstelbaar, toch gooit ze Mabel een prop papier toe die deze met haar snavel vangt en teruggooit. Macdonald is ontroerd.

    Dood
    In de natuur leert een havik van zijn ouders hoe hij een prooi doodt. In gevangenschap leert hij dat niet en neemt de havikier die taak op zich om de prooi niet onnodig te laten lijden, want een havik die niet weet hoe hij zijn prooi moet doden begint er meteen aan te eten. Dus splijt White met een groot scherp mes in één slag de kop van een konijn en breekt Macdonald het de nek. ‘Ik was blij als Mabel een succes boekte, en ik rouwde vanwege dat ene konijn,’ schrijft Macdonald. ‘Ik leerde me tijdelijk verantwoordelijk te voelen voor het lot van een konijn dat Mabel stevig in haar klauwen hield, het vast te pakken en de genadeslag toe te brengen. […] Ik leerde dat je tanden op elkaar doen niet hetzelfde was als onverschillig zijn. Het konijn was altijd belangrijk, zijn leven werd nooit gebagatelliseerd. Ik was verantwoordelijk voor zijn dood.’ Het raadsel dood blijft haar bezighouden totdat ze van haar depressie genezen is.

    De klap was overweldigend
    White verliest Gos. Uit onwetendheid heeft hij hem niet goed behandeld. Ten eerste door het dagen- en nachtenlange waken om Gos te onderwerpen, ten tweede door hem te veel eten te geven waardoor Gos een slechte conditie heeft. Ten derde: als hij Gos van een afstand naar zich toe laat vliegen, rent hij weg omdat hij de auto van zijn buurvrouw ziet aankomen en hij haar iets wil zeggen. Gos, die net geleerd had om naar White toe te vliegen, raakt daardoor in verwarring. Macdonald heeft het ook nog over schade aan de pennen van Gos’ staartveren waardoor het dier niet goed kan vliegen, maar vermeldt niet dat White die geduldig en zorgzaam heeft gerepareerd.

    Op een dag gaat White de buitenboel schilderen en om het Gos zo plezierig mogelijk te maken laat hij de deur van het valkenhuis openstaan, zodat de havik aan een verlengde langveter zowel binnen als buiten een beetje kan rondvliegen. Als White weer kijkt waar Gos is, blijkt de havik verdwenen. Het touw aan de langveter was gebroken. ‘Ik herinner me niet wanneer mijn hart precies ophield met kloppen,’ schrijft hij. ‘De klap was overweldigend en zo onherroepelijk na zes weken van onvoorwaardelijke trouw (van zijn kant, AM), dat de boodschap gewoon niet tot me wilde doordringen.’ En dan volgt er een schitterend, pagina’s lang stuk waarin White Gos eerst nog in de bomen ziet en tevergeefs probeert hem in de stromende regen naar zich toe te lokken, en nog uren en uren zoekt en roept. ‘Er volgden twee dagen van ontreddering […] terwijl ik tegelijkertijd de omgeving afspeurde. Ik sliep weinig maar liep des te meer.’ Gos is nog in de buurt, bestrijkt een gebied van vijftien kilometer, weet White, en soms ziet hij hem tamelijk dichtbij. ‘Het gaf me een heel speciaal gevoel als ik hem zijn majestueuze cirkels zag draaien, een gevoel dat ik nooit eerder had gehad bij een wild dier […] Hij leek me heel gelukkig.’

    Geen mens meer
    Macdonald gaat zich in haar psychisch ontredderde staat steeds meer met Mabel identificeren. ‘Pas wanneer mijn blik zich vereenzelvigde met die van de havik begreep ik het waarom ervan […] Met de havik jagen voerde me naar de grenzen van het mens-zijn. Vervolgens overschreed ik ze, naar ergens waar ik helemaal geen mens meer was. […] Soms droom ik dat ik in bomen klim die splijten en omvallen, of dat ik in een piepkleine zeilboot zit die kapseist op een bevroren zee. […] Ik weet inmiddels wel dat ik niets en niemand meer vertrouw.’ Tot die conclusie gekomen en steeds verder verwijderd van een sociaal leven met werk en menselijke communicatie, wendt ze zich tot de huisarts en begint antidepressiva te slikken.

    Het boek
    White gaf het plan om een boek over zijn havikierspogingen te schrijven op. Hij had gefaald en verwachtte dat echte valkeniers zijn belevenissen met Gos alleen zouden minachten. Pas vijftien jaar later, toen hij wel een ervaren valkenier was geworden, kon hij zijn aantekeningen in de juiste proporties plaatsen en maakte hij er een boek van dat voor een groter publiek was bestemd.

    In 1936, als hij Gos verloren heeft, schrijft hij: ‘De deerniswekkende constructies, de rekken, het slot op de deur, de reserveschoentjes, als ik er maar naar keek werd ik innerlijk verscheurd.’ Ook hij identificeerde zich met het wilde dier in de hoop op een bondgenootschap. ‘Ik was zelf half vogel geworden en had al mijn liefde en aandacht en huishoudgeld in zijn toekomst geïnvesteerd…’ Later begreep hij dat hij het zeeg maken van de havik te veel had gezien als een strijd tussen twee machten, dat hij een gevecht was aangegaan waar hij een meester had moeten zijn.

    ‘Een havik is geen huisdier,’ schrijft hij in 1951. ‘Je moet er dus ook niet sentimenteel over doen. Je verlangt geen blijken van aanhankelijkheid, dwingt geen ontzag of dankbaarheid af. Het is een balsem voor de verborgen wreedheid van de menselijke ziel.’ Geen blijken van aanhankelijkheid, verborgen wreedheid van de menselijke ziel… zo voelde White het, een erfenis van zijn hardvochtige ouders die hij dan doorziet en onder controle heeft.

    Eruditie en zelfspot
    Het zijn allebei prachtige boeken, waarin ook een stadse lezer de schoonheid en de kracht van de natuur ervaart en zelfs de hang naar verbondenheid ermee. Daartoe behoort ook de pijn van de dood en van de wreedheid die leven heet. White en Macdonald hebben dat goed begrepen. De schoonheid van de boeken zit niet alleen in wát de auteurs vertellen maar ook in het hoe. De erudiete Macdonald beschrijft allerlei zijweggetjes zoals het vliegtuigspotten van haar vader, met details, namen en feiten. Die kennis toont ze ook wanneer ze het over planten en dieren heeft. De vermaarde White uit zich in soms droogkomische opmerkingen en zelfspot: ‘Hoe het kan dat alles de volgende ochtend niet in een drama eindigde, is niet te bevatten. Ik was een slecht mens en een alcoholist en ik kon alleen maar concluderen dat God zulke mensen gewoon hun gang liet gaan.’ En als hij de los vliegende Gos roept: ‘ Ik stelde hem ervan op de hoogte dat de Heer mijn Herder was…’ (De psalm De Heer is mijn Herder fluit White als herkenningsmelodietje voor Gos als hij hem op zijn vuist wil hebben.)

    Deze boeken lezen is puur genieten van verhaal en stijl.

     

  • Een man, een vogel

    Een man, een vogel

    Hij leek me heel gelukkig.’ De met zoveel moeite afgerichte havik is ontsnapt en White, schrijver en valkenier, ziet dat het beest dan pas, letterlijk en figuurlijk, in zijn element is. In een notendop geven die woorden de ambivalentie weer van het temmen van zo’n vogel. Want het dier, in Duitsland uit het nest geroofd, is naar Engeland vervoerd en bij White beland om te worden afgericht. En africhten houdt in: klein krijgen door honger en slapeloosheid, onderwerpen en afhankelijk maken van de trainer voor zijn voedsel. De dressuur verdringt de natuur.
    De trainer houdt van zijn dier, zeker, en gaat tot het uiterste voor een snelle, doelmatige training waarbij hij ook zichzelf niet ontziet, maar het dier dient geknecht en van zijn natuurlijke levenswijze beroofd.

    Erudiete kluizenaar
    White, die in 1939 de havik Gos africhtte – het verhaal dat de lezer krijgt voorgeschoteld is volgens de auteur een getrouw verslag – doet wat hij kan om én het dier én zichzelf én de oude boeken over roofvogeltraining recht te doen en komt terecht in een baaierd van gemengde gevoelens, hardvochtigheid en toegeeflijkheid.

    De schrijver schetst zichzelf als een intellectueel die de wereld de rug heeft toegekeerd in het besef dat de wereldpolitiek elk moment alles en iedereen kan gaan overheersen, ‘een laffe kluizenaar op de vlucht voor zijn medemensen.’ Hij toont overvloedig z’n eruditie door de vele verwijzingen naar de klassieken en Shakespeare. Hij is een pessimistisch cultuurfilosoof met ook voor die tijd al dwarse uitspraken over vrouwen (moeders van grote gezinnen, díe weten pas waar het in het leven op aan komt; wijze vrouwen kiezen voor het fornuis). Hij heeft wel iets van zo’n ‘typisch Britse’ excentriekeling:

    De omgang met Gos in zijn ultieme onbezoedelde afzondering was beter dan het eeuwige grimmige conflict tussen man en vrouw of de onvolwassen machtsstrijd die mannen dreef tot zakendoen, rijden in Rolls-Royces en oorlog voeren.

    Hij lijkt aanvankelijk te slagen in het africhten van Gos.  In dit boek, dat de vorm heeft van uittreksels uit het dagboek dat hij heeft geschreven ‘met de vogel op mijn linkerhand en aantekeningen makend met mijn rechterhand op mijn knie’, volgt de lezer de voortgang van de dressuur op de voet. Het relaas is af en toe erg minutieus, compleet met technische tekeningetjes.

    White is gedwongen zich de nodige ontberingen te getroosten: afzondering, chronisch slaaptekort en eindeloos wandelen met de zware vogel op de hand. ‘t Is bar en boos. En wie is er eigenlijk de baas? De eisen die de onderneming stelt aan de vogel, betekenen tevens een leerschool voor de mens. Dit resulteert in een soort ‘Zen en de kunst van de roofvogeltraining’, een geestelijk avontuur: ‘Zit stil, havikier, op Gods vuist, net zo stil als Gos op de jouwe.’

    Gos c.s.
    Vogels en boeken over vogels zijn momenteel populair. Dit boek uit 1951, eerder al eens in een vertaling van Max Schuchart verschenen onder de titel De vlucht van de havik, ligt nu voor ons in een nieuwe vertaling van Jolande van der Klis. Na het succes van onder meer De H is van havik van Helen MacDonald waagt de uitgever het erop. White is tenslotte een grote naam vanwege The Once and Future King, over koning Arthur, en hij schijnt J.K. Rowling beïnvloed te hebben.
    Het boek onderscheidt zich sterk van hedendaagse boeken over dieren, doordat het niet sentimenteel is, niets zegt over natuurbederf en de rol van de mens in zijn omgang met dieren niet ter discussie stelt. Het schetst dieren regelmatig op ‘ouderwetse’ wijze: Gos had normaal gesproken de sombere en opmerkzame gezichtsuitdrukking die karakteristiek is voor de meeste roofdierachtigen. Wij zijn strijdbaar vanwege onze minderwaardigheidscomplexen. Zelfs de ironische trek om de bek van een snoek doet iets depressiefs vermoeden.

    En de door hem mishandelde duiven beschrijft hij zo: Wat een vredelievende en verstandige beestjes waren het toch, helemaal niet bloeddorstig maar toch ook geen angsthazen. Echte modelburgers, bedacht ik, die zich van alle vogels ongetwijfeld het meest aangesproken voelden door de uitgangspunten van de Volkerenbond.
    En dan is Gos klaar voor de laatste proef: het vangen van een prooi in het wild en die terugbrengen naar zijn baas. White drinkt zich alvast triomfantelijk een stuk in de kraag en ‘brengt een toost uit op de verdoemenis van al mijn vijanden’. Maar de vogel ontsnapt en daarmee eindigt deel 1, dat ruim de helft van het boek beslaat.

    Het korte deel 2 behandelt de droeve periode die daarop volgt, waarin White tevergeefs naar Gos op zoek is en tegelijk met behulp van vallen een sperwer tracht te vangen, ook zonder succes. De toon is neerslachtig. Beschouwingen over geschiedenis en samenleving – o tempora! o mores! – nemen toe, evenals de verwijzingen naar Shakespeare. Boeiend is de bespreking van The Taming of the Shrew. ‘Petruchio temde zijn Kate als een havikier zijn havik en wist dat maar al te goed.’ Uitvoerige citaten onderbouwen zijn stelling. Ook leuk is de aandacht voor de roofvogelvangst in Valkenswaard, die kennelijk ooit als exemplarisch bekend stond.

    Deel 3 ziet de komst van Cully, de opvolger van Gos. Want er is White alles aan gelegen ooit een havik zover te krijgen dat ook die laatste proef slaagt. Het verslag daarvan besluit het verhaal, waarna nog een kort post-scriptum volgt dat onder meer kort ingaat op de toekomst van de roofvogelhouderij.
    De titel slaat dus niet slechts op een specifieke havik, al speelt Gos naast White de hoofdrol, maar ook op de soort in gevangenschap en op het werk van de trainer. Zelf een havik africhten, zo had het boek ook kunnen heten, met als ondertitel En wat dit doet met ú.

    Tarsel
    Iets over het Nederlands. Dat is adequaat, al laat de vertaalster wel eens een steekje vallen (‘licentiewetten’) en blijft ze hier en daar te dicht bij het origineel (‘miserabel’ voor ‘miserable’, ‘hymne’ voor ‘hymn’). Niet iedereen zal het op prijs stellen dat er zoveel valkeniersjargon wordt gebruikt, zoals het hierboven aangehaalde ‘havikier’ (dat in Van Dale niet voorkomt) en woorden als ‘muiten’, ‘treinen’ (beide niet in de gebruikelijke betekenis), ‘zeeg’,‘tarsel’ en vele andere. Daar staat tegenover dat er een uitvoerig notenapparaat is toegevoegd, waarin alles wordt toegelicht.

    Al met al is dit een apart en onderhoudend boek, weldadig eigenzinnig (menig lezer zal zich ergeren), goed geschreven, vol geploeter en getob aan de kant van de verteller, vol mooie natuurwaarnemingen en vol verbazingwekkende praktijken die getuigen van grote kennis en vindingrijkheid en toewijding aan de gevangen vogels.
    Die praktijken zijn nu, bijna driekwart eeuw later, in veler ogen onacceptabel geworden. Toch vinden er meer en meer roofvogel- en uilenshows plaats. Vogelbescherming Nederland en de Werkgroep Roofvogels Nederland raden het houden – én bezoeken – van dergelijke evenementen ten sterkste af.
    Wie daar wegblijft, kan dankzij De havik toch nader tot de roofvogels komen.