• Verstandsverbijstering

    Verstandsverbijstering

    Dat ik pas de volgende ochtend weet dat ik geen pure chocola had moeten eten toen ik achteroverleunend op de bank naar een serie keek die nogal teleurstelde. Er was thee met een tahin blondie, waar dus chocola in zat. Gehakte dadels en cashewnoten had ook gekund. Altijd als migraine me  overvalt, denk ik aan wat ik gegeten, gedaan of nagelaten heb waardoor het beest gewekt werd. Gisteren viel de dag uit mijn handen door nieuwsberichten over de NAVO-top (zet die radio dan toch uit!). Weemakende berichten op X van Rutte ter verwelkoming aan Trump deden me de das om. Dat je op zo’n moment iemand wil pootje haken. Languit wil zien gaan. Ga dan hoeveelheden afwegen, de tahin, suiker, meel, hak een brok chocola in stukken. Bak er wat van.

    Zie hoe weinig consistent ik ben, neem me wel meer dingen voor die ik subiet vergeet. Laatst, ik zat hoog in mijn sociale vaardigheden, nodigde ik een goede bekende die ik lang niet gesproken had, uit eens langs te komen. Ik had gerept van ‘iets lekkers te maken’. Toen weken later de kennis op de afgesproken dag en tijd aanbelde, tegen etenstijd geen aanstalten maakte te vertrekken, drong dat ‘iets lekkers te maken’ zich plots aan me op. Wat is dat toch. Misschien moet ik briefjes ophangen zoals Susan Sontag een briefje met NEE naast haar telefoon legde. Of het beantwoorden van vragen over mijn beschikbaarheid aan anderen overlaten. Dat ik alleen maar nee hoef te schudden.

    In 2019 emigreerde schrijfster Lia Tilon naar Spanje. Ze schreef er een aantal blogs over voor Tirade.nu. Ik zoek ze soms op als ik zoek naar evenwicht, schoonheid. Haar blogs scheppen een ruimte waarin ik verdwijn. Ze bevraagt zichzelf over heimwee, wat dat is. Ik denk aan de jaren dat er dagen van heimwee waren toen ik in het buitenland woonde. Dagen die me nu voorkomen als belangrijk, intens. Dat ik iets mis nu de diepte van heimwee afwezig  is. Dat eigen maken van een nieuwe omgeving. En hoe mooi zij dat beschrijft, daar ben ik dan even, op een prettige manier, jaloers op.

    ‘Aankomen in het huis van een vreemde vertoont nogal wat overeenkomsten met halverwege in een film vallen; om het verhaal te kunnen volgen moeten eerst de koffers worden geopend, de spullen worden uitgepakt. Door te kiezen voor de dezelfde bedkant als thuis, je horloge net als thuis onder het nachtlampje te leggen en je ondergoed naast de T-shirts in de kast, probeer je je vertrouwd te maken met onbekende kamers, je drukt op de lichtknoppen om te zien welke lampen er gaan branden en kijkt in de keuken of de glazen schoon zijn. Pas daarna, als je een beetje een idee hebt van het hoe en het wat, ben je in staat om onderuit te zakken en je schoenen uit te schoppen.’, schreef Lia Tilon in een van haar blogs.

    Dat ik wel weer eens op reis zou willen, halverwege in een film zou willen stappen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

     

  • Stille gedachten

    Stille gedachten

    Wat komt Susan Sontag in het Sarajevo van 1993 brengen? De stad heette volgens de VN-resolutie 824 een VN-veilig gebied te zijn, onder de bescherming van UNPROFOR. Sontag regisseert er een toneelstuk. En wat doet Cody Garner er op hetzelfde moment? Komt hij iets brengen, of eerder iets halen; verhalen, avontuur, liefde, werk? Dat is de vraag in het eerste hoofdstuk van Het Stravinsky-spel van Arthur Japin. En misschien ook wel de centrale vraag in deze historische roman, waarin je als lezer meteen wordt meegenomen, maar die toch niet helemaal bevredigt.

    Susan Sontag (1933-2004) was een Amerikaanse schrijfster en filosofe. Japins partner Benjamin Moser schreef een veelgeprezen biografie over deze gekwelde vrouw: Sontag. In Het Stravinsky-spel raakt Cody Garner – een verzonnen personage en de ik-verteller – in de jaren veertig van de vorige eeuw bevriend met Sontag. Ze ontwikkelen samen een spel, het Stravinsky-spel, waarover straks meer.

    Cody, David, Sue

    Sontag vertelt aan het toneelgezelschap dat Cody komt assisteren bij de productie van Wachten op Godot van Samuel Beckett. ‘Je hebt geen idee’, schrijft ze hem, ‘hoeveel goed ze dat doet, alleen die mededeling al. Dat je hiertoe bereid bent, betekent dat zij door de wereld niet worden vergeten.’ En dat terwijl haar zoon David Rieff (die over zijn moeders laatste levensjaar het boek Swimming in a sea of death schreef), vanuit het getroffen gebied wereldkundig maakt wat er gebeurt. Dit zegt wat over de gespannen verhouding tussen moeder en zoon, die ze destijds heeft achtergelaten toen ze na haar studie in Europa weer terugging naar de Verenigde Staten. Japin geeft dit op die manier fijntjes, en later ook duidelijker, weer.

    Herinneringen voeren Cody terug naar de tijd dat hij in Los Angeles Susan Sontag, bakvis Sue, leert kennen. Ze zijn onafscheidelijk en doen intellectuele spelletjes, zoals het in een platenwinkel raden van het juiste Köchel Verzeichnisnummer terwijl ze naar een stuk van Mozart luisteren. Ze gaan naar films, struinen boekwinkels af, bezoeken tentoonstellingen en concerten.

    Stravinsky en Thomas Mann

    Zo horen ze op een gegeven moment het baanbrekende Le sacre du printemps van Igor Stravinsky in een uitvoering door het Los Angeles Philharmonic onder leiding van Otto Klemperer, een concert dat ook wordt bijgewoond door de componist en diens vrouw. Sue en Cody vinden uit waar het echtpaar woont en gaan op een dag op de stoep zitten luisteren naar pianospel, waarvan ze aannemen dat dit van Stravinsky is. Daar bedenken ze een spel, dat ze het Stravinsky-spel noemen: wat als je een poos(je) van je leven zou kunnen geven om Stravinsky of een andere kunstenaar, zoals de schrijver Thomas Mann, nog grotere kunst te laten maken? Zou je daartoe genegen zijn?

    Want ook op het werk van Mann zijn ze allebei dol, maar of een bijna zestienjarige, al dan niet vroegwijze puber zich daarover uit in woorden als: ‘Hoe hij dit gevoel van vrijheid afzet tegen het beklemmende, onvermijdelijk verziekende, ziekmakende moeras’ valt te betwijfelen.
    Beiden gaan studeren en ontdekken hun geaardheid: Susan (zoals ze zich inmiddels noemt) is bi- en Cody homoseksueel. Ze achterhalen via via Manns telefoonnummer en gaan op theevisite, wat ze achteraf allebei verschillend beleven; Cody begrijpt dat Susan ‘afstand prefereerde boven contact. Dat geldt voor haar idolen, maar misschien houdt ze die afstand uiteindelijk het liefst tot iedereen.’ In tegenstelling tot zoon David, die een band had met Susans vriendinnen, zoals de laatste partner van zijn moeder, de fotografe Annie Leibovitz. Nee, Susan Sontag, vertelt Cody, ‘genoot (…) naast haar roem, haar status (…) de reputatie ook gevaarlijk harteloos en ongeïnteresseerd te zijn, snel opgebrand en dan onnodig beledigend of ronduit bot en wreed.’ Hij verklaart dit ‘uit onmacht, uit verlegenheid, uit die hang naar stille gedachten en dat aangeboren onvermogen om zich in andermans gevoelens te verplaatsen.’

    Opmerkingen als deze geven diepte aan het karakter van Sontag in een verder rustig voortbewegend verhaal in een mooie stijl, zoals we dat van Japin kennen. Soms slaat hij een zijpad in zoals de vergelijking van hiv met de oorlog in Bosnië Herzegovina. Als thema komt hiv in het verhaal terug wanneer Cody’s vriend Eli Marshall eraan overlijdt, een ontroerend gedeelte.

    Het boek is inherent ook een aanklacht tegen de bezuinigingen op kunst. De verteller heeft het over ‘het nut van moderne kunst in een (…) uitzichtloze situatie’ zoals in Sarajevo. Al is het woord ‘nut’ misschien niet zo goed gekozen, de boodschap is duidelijk. Een boodschap die in dit geval misschien duidelijker verankerd had kunnen worden in de vraag of de personages nu iets kwamen brengen of halen. En of ze nu écht zelf dat Stravinsky-spel hadden willen spelen.

     

     

  • Gewoon doorroken

    Gewoon doorroken

    Op bezoek in het ziekenhuis zag ik een man in verfomfaaide nachtkleding door de ziekenhuisgangen naar de uitgang lopen, een infuus stellage voor zich uitduwend. Buiten liep hij naar een soort bushokje. Daar haalde hij met een hand, de ander werkloos op de infuus stellage, een pakje rookwaar uit zijn vestzak. Met zijn mond trok hij er een sigaret uit. Hij stopte het pakje terug, stak de sigaret aan, inhaleerde diep en keek bij het uitademen, alsof hij nu pas ontwaakte, om zich heen. In mijn hoofd klonk, ‘Sukkel, waarom stop je niet met roken?’ Alsof je de dood met een rookgordijn op afstand kunt houden. Zou het zo werken? Sigmund Freud zou het geweten moeten hebben. Toen hij zelf leed aan necrose in de mondholte, er een gat in zijn wang ontstond, bleef hij gewoon doorroken. We leven alsof er geen einde aan komt, tot er iets hapert en het begrip sterfelijkheid zijn betekenis krijgt. In de roman Alle mensen zijn sterfelijk van De Beauvoir vindt een ontmoeting plaats tussen een vrouw die het liefst onsterfelijk zou willen zijn, en een man die daadwerkelijk onsterfelijk is, al eeuwen leeft. Zijn grootste wens is dood te gaan. Dat wat we nog nooit ervaren hebben, te willen aangaan. Het zou iets voor een Bucketlist kunnen zijn.

    Schrijfster Katie Roiphe kreeg op haar twaalfde een ernstige longinfectie, de helft van haar longen werd operatief verwijderd. Ze raakte op die leeftijd geobsedeerd door boeken over volkerenmoord. Leest Elie Wiesel, Primo Levi, ontleent er een bepaald soort genoegen aan. ‘Ik wil kinderen zien sterven.’ Misschien omdat de dood haar zo dicht was genaderd dat ze wilde weten wat het is om te sterven. Later maakt ze een boek over het sterfproces bij schrijvers en kunstenaars, mensen met een verbeeldingskracht die de hare te boven gaat. Ze schrijft over de laatste dagen van John Updike, Maurice Sendak, Susan Sontag, Dylan Thomas. Ze las nauwkeurig hun brieven, dagboeken, aantekeningen, manuscripten. Alles om te weten of de dood omarmd danwel ontweken werd.

    Nadat Susan Sontag in 1974 tegen alle medische verwachtingen in borstkanker overleeft, verkeert ze tijdenlang in een roes. Ze zegt, ‘Het heeft mijn leven zoveel intenser gemaakt, heerlijk is dat.’ Dat je opeens weet waar je prioriteiten liggen, zin zich onderscheidt van onzin. John Updike schreef tot het laatste moment, zij het geen proza, maar gedichten over zijn laatste momenten. ‘leven, ja, dat is mooi, / maar niet leven – omgetrokken worden, / een nauwelijks hoorbaar knakje, / in bloei nog en nog altijd / naar het zonlicht uitgestrekt – / ook mooi, laat die fotosynthese toch, / het is mooi mooi geweest.’
    Als Maurice Sendak de tachtig nadert wordt hem gevraagd of hij geobsedeerd was door de dood, ‘Een beetje wel.  Het is zo’n curieus gebeuren.’ Dat in al zijn kinderboeken de dood aanwezig is. Max en de Maximonsters geen onschuldig kinderboek is.
    Roiphe had niet de moed om stervenden in een hospice of oorlogsgebieden te bezoeken. Haar eigen vader wilde ze niet zien toen deze overleden was. Als ze de ‘echte’ wereld wilde zien, sloeg ze altijd een boek open, schrijft ze. Ook daarin zit een obsessie, het voeden van de geest door een boek te lezen, of doorroken als het einde nabij is.

     

     

    Het uur van het violet / Katie Roiphe / vertaling Anne Jongeling / Uitgeverij Hollands Diep (2017)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft op het snijvlak van literatuur en het gewone leven.

  • Mens achter de mythe

    Mens achter de mythe

    Susan Sontag (1933-2004) was in 1975 herstellende van borstkanker en had een manusje-van-alles nodig voor achterstallige correspondentie. Op voordracht van de redactie van The New York review of Books belde Sontag Sigrid Nunez (1951) die net afgestudeerd was met een master of fine arts aan de universiteit van Columbia. Ze woonde bij Sontag om de hoek en kon wel een baantje gebruiken. Nunez was niet erg onder de indruk van haar werk. ‘Zoals veel lezers vond ik de essays boeiend en de romans moeilijk om door te komen.’
    Toch zei ze ja, zonder enig idee te hebben wat er van haar verwacht werd. Nunez’ relatie was net verbroken en ze moest uit haar appartement, Susan wist dat. De jonge Sigrid was daardoor makkelijk te paaien en trok op aandringen van Susan bij moeder en zoon in. Op dat moment werkte Sontag aan het essay ‘On Photography’ (1977), wat haar als essayist grote faam zou brengen. Susan stelde Nunez voor aan haar zoon David Rieff, achteraf een vooropgezet plan om hen te koppelen en ze bleef er ongeveer anderhalf jaar wonen.

    Oprecht relaas

    Na Sontags dood schreef Sigrid Nunez, die ondertussen meerdere romans op haar naam had staan, haar memoires, wat resulteerde in Sempre Susan. A memoir of Susan Sontag (2011), vertaald door Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap als ‘Sempre Susan, herinneringen aan Susan Sontag’. Het is een oprecht en persoonlijk relaas geworden over een intrigerende persoonlijkheid, beroemde essayist en criticus, dat slechts 120 bladzijden beslaat. Benjamin Moser, die in 2019 de lijvige biografie ‘Sontag: Her Life and Work’ publiceerde, heeft op deze memoires kunnen steunen.

    De lezer krijgt een volledig beeld van de dan 43-jarige Sontag, en van de 25-jarige Nunez die zichzelf niet spaart, terwijl ze haar relatie met David Rieff buiten beeld houdt. Schijnbaar ongedwongen ontleedt Nunez in helder proza haar gesprekken met Sontag; haast intiem besteedt ze aandacht aan haar gewoontes, opinies, vriendschappen, gedachtes, gebrek aan humor, angsten en haar moederschap. Alles komt aan bod. Sontags vader overleed aan TBC toen ze vijf jaar was. Ineens kwam hij niet meer thuis. Ook Nunez’ vader overleed toen ze heel jong was. Dat schiep ongetwijfeld een band.

    Susans moeder hertrouwde met meneer Sontag. Met haar stiefvader had ze een redelijke relatie, maar haar moeder was narcistisch en een alcoholist die haar dochter negeerde. Ze bleef er haar hele leven last van houden. ‘”Gierig was ze ook. Ik kreeg nooit ook maar een cent van haar. Zodra ik naar school ging, was ik op mezelf aangewezen. Ik had wel dood kunnen hongeren.” Iedereen die Susan kende, kende dit verhaal en wist hoe diep haar wrok zat, ze beschouwde zichzelf als een verwaarloosd of zelfs verlaten kind. […] ‘Een wond die nooit heelde.’

    Uitmuntende en eeuwige student

    Susan bleek een uitmuntende student, ze was heel ambitieus en serieus en raakte geobsedeerd door kunst en literatuur en las alles wat los en vast zat. Dankzij haar werkdrift en competitieve gedrag viel ze al gauw op in de intellectuele wereld. Ze trouwde met Phillip Rieff, samen kregen ze een zoon David (1952). De relatie hield geen stand, zoals geen enkele relatie van Susan Sontag lang stand hield. Over haar moederschap schrijft Nunez, dat Susan David als haar gelijke beschouwde en misschien zelfs een vaderfiguur in hem zocht. In ieder geval gingen er een hoop roddels en praatjes rond over de zeer symbiotische relatie die ze met haar zoon had. Als zij een werkaanval had en niet gestoord wilde worden hield ze hem bij zich, zodat hij haar sigaret kon aansteken. Hij was toen tien jaar.

    Susan leefde als de eeuwige student, het appartement was sober en bestond vooral uit boeken. Ze was stoer, mannelijk, droeg jeans en sneakers en was een onafhankelijke vrouw. Ze werkte nachten door, rookte als een ketter en gebruikte speed om op de been te blijven. Ze kookte nooit, was verzot op reizen, had een leger vrienden, maar ook veel vijanden en was chronisch jaloers op andermans succes. Zo was ze jaloers op Nunez wanneer deze iets samen met David wilde doen. Ze wist zich er altijd tussen te dringen, waarmee de titel ‘Sempre Susan’ verklaard is.

    ‘Ze zorgde er altijd voor dat haar geest iets te doen had. Als er niets was om haar te verstrooien sprong haar geest op zwart, zei ze en ze vergeleek het met de ruis op het televisiescherm als een zender die uitzendingen staakte. […] Op zwart? Niets wat je er zelf op zou kunnen projecteren? Geen dagdromen, geen fantasie, geen mijmeringen of herinneringen, geen gedachte aan werk in wording, aan mensen, aan dingen die je van plan bent te doen? Helemaal geen gedachten? […] Dat zwarte scherm, zo maakte ze duidelijk, was iets angstwekkends.’ Ze vreesde het alleen zijn dermate dat ze na een avond met vrienden, de slaapkamer van David en Nunez binnenkwam om hen haar belevenissen te vertellen.

    Liever romanschrijver

    Sontag werd geroemd om haar essays, maar Nunez memoreert dat ze liever een gelauwerd romanschrijver was geweest. Haar romandebuut The benefactor (1963) werd aanvankelijk positief ontvangen maar zakte al snel naar de achtergrond. Ook haar andere romans werden afgedaan als plotloos en langdradig, evenals haar films. ‘Het krenkte haar dat de fictieschrijvers die zij zo bewonderde en overal aanraadde andersom haar werk niet prezen, leken zelfs helemaal geen voorvechters van haar fictie te zijn, zelfs niemand onder haar vrienden.’

    Sontag overleefde tweemaal kanker, maar stierf uiteindelijk aan MDS, een voorloper van een snel voortschrijdende leukemie. Ze was doodsbang voor de dood schrijft David Rieff over zijn moeders laatste kankerfase. ‘De gedachte aan het definitieve einde bezorgde haar zoveel pijn en angst dat ze er bijna krankzinnig van werd.’
    De kracht van Sempre Susan is dat Nunez een compleet en eerlijk beeld schetst van Susan Sontag met zowel positieve als negatieve kanttekeningen. Ze oordeelt niet en haar bewondering voor Sontag blijft van kracht. Nunez’ memoires beginnen verwachtingsvol als ze het verhaal vertelt van de mens achter het idool. Alsof ze zich gaandeweg steeds meer herinnert, pelt ze heel natuurlijk de lagen van Susans persoonlijkheid af tot er een kwetsbaar, eenzaam en ontevreden mens ontstaat, die spijt had van alles wat ze niet was.

  • Sontag

    Sontag

    Alles klopte. Het Bretonse vakantiehuisje had strooien muren en lag op een heuvel. Daar beneden zag je enkel bos, hei en brem. De tuin bestond uit hooiachtig gras met fruitbomen, tussen twee daarvan hing mijn hangmat. Een amandelcroissant op de grond ernaast. Perfect gedoseerd viel er schaduw op mijn boek. Tussen de planken van de veranda schoten hagedissen weg. Er was tijd. Ik las de biografie van Susan Sontag. Het allereerste wat ik van haar las, waren haar eerste dagboeken (verzameld onder de titel Herboren). Ik herlas ze minimaal drie keer. Steeds werd ik gegrepen door de storm van ideeën en de rijkdom van haar woelige intellect die boven alles aanstekelijk was. Het contrast met haar gevoelsleven kon niet scherper. De vele affaires en relaties met mannen en vrouwen vielen met name op door een schrijnende herhaling van zetten. Ik begon hongerig aan haar biografie en las met haast, alleen naar zee ging het boek niet mee (te zwaar).

    Weer die boekenarme jeugd en alcoholische moeder maar altijd al een intense denker, altijd een gebrekkige geliefde. Ook haar moederschap kwam er weer bekaaid vanaf. Dat ze op vrouwen viel, bleek helder uit haar dagboeken. Waar ik minder van op de hoogte was, waren haar onvermoeibare pogingen dit te verbergen en ontkennen. Ook nadat iedereen het eigenlijk wel wist. Je kon niet over Sontag praten en haar verholen homoseksualiteit ongenoemd laten. Bladzijde na bladzijde werd de vrouw intelligent, maar met groot mededogen door biograaf Moser ontleed. Ondertussen liep de vakantie ten einde, net als het boek en ik vertraagde, zoals altijd, zoals ik ook ooit de geweldige biografie over Salinger niet uitlas. Het einde kende ik al, iedere pagina een duister stapje dichterbij. Dus rees de vraag waarom ik sowieso aan biografieën begon, als ik ze toch niet eindigde.

    Uiteindelijk gaat het natuurlijk om de kunst en niet de kunstenaar. Tegelijkertijd ga ik als eerste overstag wanneer ik mijn hand kan leggen op de biografie van een favoriete schrijver. Om een glimp op te vangen van de achterkant van het borduurwerk?
    Deze biografie was in ieder geval meer dan dat, hij was rijkelijk meerstemmig. Daaruit bleek, veel meer dan uit haar eenstemmige dagboeken, dat zelfinzicht niet Sontags grootste kwaliteit was. Misschien was ze te goed geworden in verbergen. Een ontluisterend besef. Want verschilde zij daarin eigenlijk van ons? Van wie zouden er na onze dood vergelijkbare conclusies getrokken kunnen worden? Het is één van mijn grotere angsten, door anderen scherper gezien te worden dan door mezelf. Misschien lees ik daarom biografieën, om zoveel mogelijk stukjes mens te zien. Om de ander voor te blijven.
    Inmiddels had ik genoeg coquille Saint-Jacques gegeten voor een heel jaar en het legen van het droogtoilet was geen onverdeeld genoegen. Dus zwaaiden we naar de zwierige eigenaar van het huisje en reden terug. De laatste vijftig pagina’s wachten geduldig.

     

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Benjamin Moser wint Pulitzer Prize 2020

    Benjamin Moser (1976) werkte zeven jaar aan de biografie van schrijver en activist Susan Sontag (1933-2004), dat boek wordt nu geprezen om zijn volheid aan gegevens, waarvan schrijver Sigrid Nunez al zie dat zij zich niet kon voorstellen dat er ooit nog een ander boek over haar [Sontag] geschreven hoeft te worden. Deze week werd zijn werk bekroond met de Pulitzer Prize 2020 in de categorie biografie.

    In Sontag Haar leven en werk, vertaald door Lidwine Biekman en Koos Mebius, onderzoekt Moser onder andere het werk van Sontag waarop haar reputatie berustte. Susan Sontag is bekend van haar activistische essays en boeken als In Amerika en Tegen interpretatie. Haar werk handelt over conflicten in de wereld (de oorlog in Vietnam), mensenrechten, linkse ideologieën en communisme, maar ook over cultuur en fotografie. Als haar biograaf mocht Moser als enige gebruikmaken van Sontags privéarchieven. Daarbij interviewde hij wereldwijd honderden mensen, van wie velen nooit eerder over haar spraken, zoals Sontags laatste partner Annie Leibovitz.

    De jury over: ‘An authoritatively constructed work told with pathos and grace, that captures the writer’s genius and humanity alongside her addictions, sexual ambiguities and volatile enthusiasms.’

    Benjamin Moser is biograaf, redacteur en vertaler Frans, Spaans, Portugees en Nederlands. Hij studeerde en promoveerde in Utrecht waar hij nu zo’n twintig jaar samenwoont met schrijver Arthur Japin en uitgever Lex Jansen.

    Toen het nieuws Moser bereikte twitterde hij, ‘I want to tweet something that captures this moment but the only thing I can think of is omfg’.

    De Pulitzer Prize is een belangrijke Amerikaanse journalistieke prijs die sinds 1917 wordt uitgereikt. Dit jaar liep de uitreiking van de prijs wegens de coronacrisis enige vertraging op en vond uiteindelijk online plaats. De Pulitzerprijzen zijn de jaarlijkse  onderscheidingen voor journalistiek en kunsten.

    Sontag Haar leven en werk verscheen bij De Arbeiderspers.

     

    Rechtenvrije foto: Wikipedia

     

  • Masterclass

    Zondagnacht lag ik er wakker van dat ik die zaterdag daarvoor in aller vroegte op weg was gegaan naar een pand aan de Raamgracht in Amsterdam. Aldaar zou ik een Masterclass volgen, geheel vrijwillig en ik betaalde er, ook geheel vrijwillig, een flink bedrag voor. Ik had me goed voorbereid op dit weekend. Toch raakte ik aan het dwalen op de Wallen. Ik was er niet om rond te kijken maar zag veel. Terwijl ik over de Zeedijk richting Nieuwmarkt liep, overviel me plotseling het verlangen daar deel van uit te maken. Van dat leven waarvan geen dag zeker is hoe de afloop zal zijn. Weg met de conventies. Een stap opzij doen, weg van de zekerheden die voor me liggen. Een van die illustere cafés induiken waar voor tien uur ‘s morgens het bier al op tafel staat. Maar die Masterclass kostte me een rib uit mijn lijf dus spoedde ik mij voort. Er werd op mij gewacht.

    Toen ik een half uur te laat binnenkwam, was de (zelfbenoemde) ‘Master’ die – dat begreep ik later want hij is ook columnist voor Trouw en schreef er een column over – zichzelf niet serieus neemt, aan het woord. Ik schoof schielijk aan bij een getourmenteerd schrijfster, een recensielezer, een schrijvende bibliothecaresse, een zelden schrijvende computervrouw, een in het zwart geklede man, een postmodernistische dame, het meisje met de rechte rug en de neergeslagen ogen en een paar deelnemers die de hele class zwijgend doorstonden. Wat op zich nogal knap was. We hadden de verhandeling ‘Against Interpretation’ (1964), van Susan Sontag gelezen. Alsook een nog niet gepubliceerde roman van een schrijver die alleen maar over zichzelf schrijft, (zo oordeelde de gastdocent, recensent Vrij Nederland) die zondagmiddag langs kwam, en waarover wij een recensie moesten schrijven. De Master vroeg wat we van het stuk van Sontag vonden. De getourmenteerde schrijfster riep dat ze het er niet mee eens was. Dat ze het regelrechte onzin vond wat Sontag beweerde.

    ‘Hum’, humde de Master en vroeg wat we van de roman vonden van de schrijver die alleen maar over zichzelf schrijft. Er was er één die het wel een leuk boek vond. Verschillende deelnemers noemden wat ze geschreven hadden, een boekverslag. De getourmenteerde schrijfster vond het een irritant boek, evenals de in het zwart geklede man. Ikzelf vond de roman een vermakelijke klucht, waarbij er nog net geen lijk uit de kast viel.

    Wat we leerden was dat een recensent zich dient af te vragen: a) Wat bedoelt de schrijver, b) Slaagt hij daarin en c) Wat vind ik daar van. En dat je niet moet vergeten te laten weten wat een roman met je doet. ‘Dus als het me irriteert, zei de getourmenteerd schrijfster, dan kan ik dat gewoon opschrijven.’ En een titel is ook belangrijk, ‘doet dat de redactie dan niet’ zei de in het zwart geklede man met het Groningse accent. Het meisje met de rechte rug en de neergeslagen ogen glimlachte een verholen glimlach. Steeds weer, op momenten dat ze ermee instemde met wat er gezegd werd, plooide die glimlach zich rond haar lippen. Het was van een schoonheid waar ik mijn ogen niet van af kon houden. De Master zag het meisje met de neergeslagen ogen niet zitten. Ik voelde me bevoorrecht. Toen zei de Master: ‘Oh ja! We hebben het nog niet over het perspectief gehad. Vanuit welk perspectief een roman geschreven is.’ En toen verlangde ik naar de borrel die ook op het programma stond.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en een onophoudelijk lezer.