• Nieuwe boekhandel!

    In 2013 kreeg ik te maken met nieuwe en hele vervelende eigenaren van het winkelpand dat ik sinds 2001 huurde in de Amsterdamse Hartenstraat. Lui die het helemaal niks interesseerde wat voor winkel of mensen in hun net gekochte panden zaten. Mensen die al dertig jaar op hun etage woonden, werden zonder scrupules gevraagd tegen een kleine vergoeding te vertrekken zodat de etage kon worden omgebouwd tot Short Stay-appartement of studentenhuisvesting. Ze zegden mij ook de huur op en een paar maanden later daagden ze me voor de rechter. Daar is het nooit van gekomen. Maar om dat te voorkomen, moest ik dus wel een advocaat in de arm nemen om me bij te staan in deze onverkwikkelijke verwikkelingen. Aardige jongens dus. Ik besloot al vrij snel dat ik niet onder de nieuwe eigenaren wilde blijven huren. Ik geloof dat er nu in mijn oude winkelruimte een groot schoenenmerk zit en ze betalen meer dan tienduizend euro per maand. De kongsi’s van het grote geld.

    Een wereld van flitskapitaal overwoekert sinds een aantal jaren de kleine, specialistische nerinkjes die ooit de Negen Straatjes en de binnenstad bevolkten. In de jaren voordat ik vertrok, waren er al meerdere boekhandels uit de omgeving vertrokken. Daarom vind ik het zo ongelooflijk dapper, prettig en nodig dat er weer een boekhandel bij is in de binnenstad van Amsterdam.

    Eigenlijk bestaat de winkel al een tijd, maar de nieuwe stichtingsleden blazen nieuw leven in de zaak en stoffen de boeken weer af tot ze glanzen. Ze afficheren zich als ‘Boekwinkel voor het langzame boek, gespecialiseerd in bibliofilie, boekgeschiedenis, boekverzorging en typografie’. De naam is Minotaurus, in de St. Antoniesbreestraat 3d, vlakbij de Nieuwmarkt. Een kleine maar fijne winkel met aandacht voor het ambachtelijke, langzame boek. Een waardige tegenstrever van het jachtige spel van de pandjesbazen en de internationale winkelketens. Het is er heerlijk struinen langs de kasten vol met boeken en uitgaves die je maar op weinig andere plekken tegenkomt. Ik heb er al menig boekenschatje vandaan gehaald. De eigenaren zijn zelf liefhebbers en verzamelaars van het bijzondere en bibliofiele boek en met hun passie en kennis weet de klant zich verzekerd van een blik op de nieuwste, fonkelende kunstenaarsboeken en typografische druksels. Ik wens Minotaurus een mythisch lang leven toe.

    Zie voor verdere info: www.facebook.com/minotaurusboekwinkel

     

     

  • Zot op het boek

    ‘Het laatste boek.’ Van het weekend was het weer raak. De zoveelste doodverklaring van het papieren boek. Op pagina 54 van de papieren variant van V Zomer  Magazine van de VK, stond het weer eens uitgesmeerd over de pagina’s. In vette, rode letters werd ook nog een citaat afgedrukt: ‘Ondingen zijn het: je kunt er niet eens mee op je zij liggen.’ Was getekend: Vincent Everts. Wie? Eh, ja, die ja. Hij schijnt een digitaal denker te zijn, wat dat ook moge betekenen. Leniger is hij van dat digitale denken in elk geval niet geworden. En als besluit van het artikel mocht Everts ook nog zeggen dat ie blij is dat het papieren boek binnenkort tot het verleden behoort.

    Ik word er onderhand een beetje moe van. De schrijver van het artikel (Ianthe Sahadat) laat in het middenstuk nog een aantal wetenschappers aan het woord om de nuances van voor en tegen te belichten, maar de tendens is duidelijk: papieren boeken zijn echt niet meer van deze tijd. Mensen die ik spreek, vinden het vooral een curiosum als je zegt boekhandelaar te zijn. Afgelopen weekend was ik in de Ardennen heuvels aan het beklimmen met een aantal mensen die in de financiële sector werken. Een jurist, zoon van een professor, zelf zeer belezen en cultureel goed onderlegd, kon de vraag niet onderdrukken die ik op feesten en partijen telkens weer mag beantwoorden: ‘Boeken, lopen die nog wel een beetje?’

    Of: ‘Valt er nog een boterham mee te verdienen?’ Men had ook kunnen vragen naar de avonturen die je beleeft als je op boekeninkoop gaat. Of ze hadden kunnen zeggen dat ze het een mooi vak vinden, het boekenvak en dat ze graag ook in een boekwinkel zouden willen werken. Dat werd me 20 jaar geleden nog wel eens met enige jaloezie bekend toen ik als net afgestudeerde jong volwassene in een Amsterdams antiquariaat mijn carrière als boekverkoper begon. ‘Wat leuk zeg, ja, dat zou ik ook wel willen, werken in een boekhandel, dat lijkt me echt prachtig.’ Maar ja, das war einmal.

    Ik ben dan ook blij in oktober te mogen deelnemen aan een boekenbeurs in Antwerpen, want, zo is mijn ervaring, Belgen, vooral Vlamingen, zijn zot op het boek, op het mooie, het bijzondere boek: gesigneerd, genummerd, met een mooie ets ingelegd, een kunstenaarsboek, een bibliofiele editie op handgeschept papier van een nooit eerder gepubliceerd en in de nalatenschap van een overleden dichter gevonden manuscript uit de beginperiode van de woordkunstenaar, uitgegeven in een beperkte oplage. De sensatie van het aanraken en ruiken van een boek dat bij elk exemplaar anders is, wil je toch niet missen. Dat contact is soms prettig en inspirerend, soms tegenvallend of oninteressant, maar ja, zo zijn wij mensen toch ook? Soms prettig, soms onhandig, soms nuffig en soms zelfs heel vervelend, zoals die mensen die er schijnbaar een genoegen in scheppen om andermans passie voor iets of iemand af te serveren als ouderwets.

     

     

  • Vorm en vent

    Vorm en vent

    Ik ben een verzameling aan het aanleggen van secundaire literatuur. Geen romans, verhalen of poëzie komen op een steeds hoger wordende stapel terecht, maar voornamelijk essaybundels of verzamelde stukken over literatuur, over kunst, over schrijven, over  kijken naar kunst, over de stand van de cultuur, enzovoort. Mij heeft dat altijd gefascineerd: vorm en vent tegelijk. Een secundaire bibliotheek dus. Ik broedde er al een tijdje op, al jaren eigenlijk zonder echt de daad bij de gedachte te voegen. Ik weet ook nog niet of het commercieel interessant zou moeten zijn. Ik vind het vooral prettig om labyrintisch bezig te zijn. Ooit toen ik samen met mijn voormalig zakenpartner JOOT begon, dachten we eerst aan de naam Labyrinth voor ons antiquariaat. We hadden zelfs een kleine verzameling boeken aangelegd die onder de noemer ‘labyrinth’ vielen. Die dus op de een of andere wijze – iconografisch, historisch, literair – met het onderwerp labyrinth te maken had.

    Het is een genre dat vooral ook de aandacht had van Joost Zwagerman, die een bloemlezing samenstelde van essays in de Nederlandse literatuur, naast verhalen een ondergeschoven genre in Nederland. Doordat ik begin dit jaar een groot deel van zijn boekenverzameling kocht, gingen er de afgelopen maanden veel essaybundels en secundaire literatuur door mijn handen. In zijn veelzijdige oeuvre heeft hij ook geregeld geschreven over voornamelijk Engelstalige essayisten, columnisten of journalisten zoals Cyril Connolly, Susan Sontag, John Updike en Gore Vidal. In het Nederlandse taalgebied zie je zijn grote interesse voor een schrijver als Gerrit Komrij in het aantal boeken dat Zwagerman van hem bezat en ook las. Bij sommige lezers zie je soms een streepje of aantekening in het eerste of tweede hoofdstuk. Maar Zwagerman las de boeken helemaal uit, gezien het aantal ezelsoortjes aan het einde van het boek.

    Fijn zijn de stukken van schrijvers die ook wetenschapper zijn, of kunstenaar, zoals bijvoorbeeld gedragsbioloog Tijs Goldschmidt. Ze schrijven niet als kenner alleen over hun eigen vakgebied, maar ze zijn juist panoramische kijkers die met verwonderende ogen kijken naar een wereld die vaak minder eenduidig is dan meestal gedacht wordt. Ze laten kruisbestuivingen l plaatsvinden tussen bijvoorbeeld biologie en filosofie, of poëzie en fotografie. Als ik enige consistentie in mijn denken en doen weet te betrachten, dan kom ik nog op mijn secundaire bieb terug.

    Tot slot wil ik nog even kwijt dat ik, ook weer zo’n uitgesteld en nu ingelost verlangen, ben begonnen aan de schrijver A. Alberts. Wat een prachtige stilist. Kraakhelder, maar met oog voor het mysterieuze in het leven. Lezen die man, bijvoorbeeld zijn verhalen in Eilanden (Van Oorschot).

     

     

  • Leegland

    Voor België ben ik niet dit EK. Ik fiets graag in de Ardennen en Brussel, Antwerpen, Gent: leuke steden, maar heb niks met het Belgische voetbal. Vroeger ook al niet. Porto sprak altijd meer tot mijn verbeelding of zelfs Dinamo Zagreb dan bijvoorbeeld Anderlecht of Standard Luik. Geef mij maar Bayern München of Stuttgart. Beieren voelt als een landschappelijk thuis, ook al staan de streek en zijn bewoners voor een conservatief leven, wat me minder aanstaat. Maar het romantische van bergen, bossen en veel leegte, staat me weer wel aan.

    Aan Duitsland denk ik dus vaak. Vandaag ook weer. Ik bladerde door een roman (De zondagsjongen, 1988) van Cherry Duyns, documentairemaker, schrijver en half Duits. Zijn bassende stem kwam al vaker tot me via de radio of de tv. Samen met Armando voedt en stut hij mijn fascinatie voor de oosterburen. De grensstreek heeft ook mijn bovenmatige interesse. Zoals het schuldige landschap in de schilderijen van Armando. De bomen staan er, de weg loopt er, het boswachtershuisje aan de weilandrand: ze hebben gezien wat er gebeurd is – een smokkelaar, een oorlogshandeling, iets onwettigs – maar ze zeggen niks. Ze zijn het decor van het plaats delict. Maar je merkt niets aan ze. Sommige mensen zijn net zo. Wetend, maar zwijgzaam als het graf waar ze anderen in hebben zien storten na het nekschot. Er is nog zoveel leegheid – fysiek als mentaal – die je met je verbeelding kunt vullen.

    Gisterochtend ging ik op de koffie bij een uitvinder en boekenliefhebber, groot deel van zijn leven in Duitsland gewoond trouwens, de liefde achterna – en kreeg een boekje van hem cadeau: Bas Princen, Rotterdam (Witte de With Publishers, 2007). Een fotoboek over allerlei delen van de stad die onbestemd lijken of zijn. Rommelige ruimtes, niemandsland. ‘Urban junk spaces’, zoals architect Rem Koolhaas deze plekken noemt. Het is een thema dat me interesseert: tussengebieden waar weinig of niks gebeurt, die niet door een of andere overgeorganiseerde overheid of ambtenaar tot een bestemming is verheven (of gedegradeerd in sommige gevallen) en volgeplempt met bankjes, een strak rijtje bomen of verkeersborden. Of plekken die nooit zijn volbestemd en afgebouwd. Hekwerken en wegzakkende bankjes in een zanderig leeg stuk boulevard of een parkeerplaats aan de rand van bosschages. Geen mens te zien. Wel veel rommel en overwoekerde ruimtes. De socioloog David Hamers publiceerde jaren terug al Niemandsland over dit verschijnsel (Lemniscaat, 2006). De uitvinder vertelde me dat hij zich vooral ophoudt zo’n honderd jaar terug, rond de jaren 1920, lezend in boeken over het modernisme in de architectuur, toegepaste kunst en design. Hij is bezig met een boek over Rietveld. En af en toe staat de tv aan, om een flard voetbal op te vangen van het EK voetbal. ‘Om toch nog een beetje bij de tijd te blijven.’

     

  • Bushalte

    Bushalte

    Eerder schreef ik al over de bushalte voor mijn huis, op ongeveer 5 meter afstand van mijn bureau. En dat die 5 meter als zoveel meer meters aanvoelen. Zeker, toen een man aanbelde en vroeg of hij bij mij een kopietje kon maken van zijn paspoort. ‘Want ik zie een hoop boeken, dus ik denk dan kopieer je toch?’ Als een onbekende hier binnen stapt, voor een pakketje of een klusje, vraagt diegene onmiddellijk of ik nog wel eens een boek verkoop en of ik er van kan leven. Blijkbaar heeft de gedachte bij hen postgevat dat boeken nog geen droog brood op de plank brengt. Het fascineert me dat over de wereld der boeken zo in uitersten wordt gedacht. Ook hoor ik vaak, ‘Verkoopt het nog een beetje. Boeken?’ Of ze hebben een onrealistisch ontzag voor boeken en de halo van eruditie die erom heen hangt.  Als ik zeg dat ik er van leef, wordt ik meestal een beetje ongeloofwaardig aangekeken. Laatst was er iemand voor de montage van nieuwe sloten op de deuren die vroeg of ik er nog een baan bij heb. Bij mijn weten heb ik nog nooit aan iemand gevraagd of zijn werk genoeg geld oplevert. Ik hoop vooral dat men plezier van zijn of haar werk heeft. Wat je ook doet of bent. De meesten volgen het geld. En dus vragen ze anderen – mij incluis – ongegeneerd naar je inkomsten.

    Gisteren plofte er een brief van de gemeente Amsterdam in de brievenbus. Er wordt een opvang voor 800 vluchtelingen gebouwd op een sportterrein hier 500 meter vandaan. De migratiestroom door oorlog en conflicten is een fenomeen door de geschiedenis heen. Dat Nederland door oorlogsslachtoffers wordt gezien als een veilige haven is een prettige gedachte. Ik ben benieuwd door wie de bushalte voor mijn huis en werkplek over een tijd wordt gebruikt naast de Nederlanders die er nu staan. En hoe de buurt gaat reageren op dit feit. Want we leven in het land van de voldongen feiten (H.J.A. Hofland). Deze week is er op 20 mei een informatieavond, van inspraak is geen sprake. Ik ben sowieso voor opvang van kwetsbare mensen. Toch ben ik zeer nieuwsgierig naar hoe de wereld daar buiten – op 5 meter afstand – eruit ziet als de vluchtelingen er zijn. En hoe alle Nederlanders – van welke afkomst ook – zich hier gaan opstellen. Daarover later meer.

     

  • Intimiteit

    Intimiteit

    De zon schijnt ongenadig, terwijl het pas begin mei is. Het is de herdenkingsweek: geschiedenis, oorlog, vluchtelingen en herdenkingsplechtigheden vullen de dagen in officiële zin. Europa valt uit elkaar, maar de verpozende mensch gaat naar het strand, zet de barbecue aan of gaat naar buiten. Ajax kan vandaag kampioen worden, maar ik weet niet of me dat kan interesseren ook al ben ik lang voetballer geweest. De Giro d’Italia raast ook nog een dag door Gelderland. Ik ga daar woensdag heen om een collectie fotoboeken te bekijken en mogelijk te kopen. Ik ben graag binnen als het buiten te uitbundig zomer is.

    Binnen kijk ik naar mijn door de zon verlichte boekenkast en pak er een boek uit van een Nederlandse fotograaf en blader er door heen: gecraqueleerde foto’s van blote of halfnaakte jonge vrouwen. Hee, buiten is toch binnen gekomen. Ook al doen de foto’s niet zomers aan, niet zoals bij Helmut Newton, knallend van kleur en licht, maar eerder half verscholen achter vitrage, struik, boom of in de schaduw. Het boek heet dan ook In Search of Intimacy, van Henri Senders uit 2014. Fijn, deze geloken en half verscholen portretten van vrouwen, enigszins in de stijl van de jong gestorven Sanne Sannes en de zwervende fotograaf Gerard Fieret. Precies wat mijn gemoed, zoekend naar een lichte, lichtzinnige duisternis, nodig had. De dagen ervoor las ik Gerard Reve en zie nu, toevallig, enige verwantschap in de etherische, metafysische verering van de vrouw, de Moeder, de Maagd, Maria. Nader tot U.

    Ik zet een aantal boeken op de veilingsite Catawiki, kijk naar buiten en zie bij de bushalte voor mijn deur een selfies makend meisje, een beetje melancholisch hangend, in de schaduw, tegen het bushokje aan, voortdurend bezig met haar smartphone en heur haar. Ze zou zo voor de lens van Henri Senders kunnen plaatsnemen.

     

  • Vergetelheid

    Vergetelheid

    Ik bladerde eerst goedmoedig, daarna las ik geboeid en later enigszins getormenteerd de portretten van vergeten schrijvers door Joris van Casteren (Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf, Prometheus, 2006). Sommige van hen hadden zich neergelegd bij hun vergetelheid, anderen klampten zich vast aan de ambitie en hoop ooit weer te mogen schitteren op de Parnassus. Ik voelde mee met hun teleurstelling en afkeer van hun lot. Want als blogger zonder publiek, op een enkeling na misschien, is het toch een lichte vorm van zelfkwelling om over de worstelingen van schrijvers te lezen die ooit wel een lezerspubliek hadden en nu niet meer. Of is dit juist helemaal niet erg? Waarom zou je een publiek moeten hebben? Is schrijven niet allereerst een egöistische bezigheid? En is het na je neergepende zelfbevrediging dan meegenomen dat er een aantal verdwaalde zielen je blogs lezen? Ja, vast wel, maar ongelezenheid maakt of houdt je ook weer autonoom. Niet gaan schrijven met Roderick en Annabelle – de lezende Henk en Ingrid – in het achterhoofd. Ik verkoop online en op boekenbeurzen af en toe debuten van schrijvers waarvan het oeuvre niet bepaald Mulischiaans van omvang gaat worden, maar stokt bij een of twee gepubliceerde romans. Jammer? Nee, ik vind van niet. Knap, denk ik dan, knap dat je een uitgever, een redacteur bereid hebt gevonden, tijd en geld in je te steken. En natuurlijk willen ze die investering tiendubbel dwars aan je terugverdienen, dat je bij De Wereld Draait Door mag aanzitten als Talent Van Het Jaar, maar de meeste debuten zijn als letters in het zand. Ik houd van dat idee. Maak iets moois, iets unieks, maar maak het voor het moment, of voor twee momenten misschien, maar dan, dan waait de wind je werk weg, als losse korrels de lucht in, neemt de zee je creatie weer mee terug in het amorfe en tijdloze van ons uitdijende universum tot alles weer ineenkrimpt en tijd en ruimte niet meer bestaan. En dan kun je dus terechtkomen in het boek van Van Casteren die het prachtige thema van de vergeten schrijver bedenkt en je interviewt en dat je dan kunt zeggen: ‘Ik ben een schrijver, of ik nu publiceer of niet.’ Amen.

  • Allesweter

    ‘Jij weet dus veel, toch?’

    Ik was blij dat de Turkse tabakshandelaar die tegenwoordig door PostNL wordt gebruikt om mijn boekenpakketten in te nemen, ‘toch’ eraan toevoegde, want daardoor kon ik hem meteen uit  de droom helpen.

    ‘Nee joh, ik weet niet alles, gelukkig maar.’

    ‘Maar je doet dus in boeken! Ben je een schrijver? Maak je zelf ook boeken?’

    Ook hierop moest ik nee zeggen.

    ‘Ik verkoop boeken. Ik koop boeken in en verkoop ze weer door naar mijn klanten. In Nederland, maar ook wel eens, zoals nu, naar Canada en Indonesië.’

    ‘O, maar heb je gelezen over die zelfmoordterroristen? Op Facebook. Moet je doen, want het is echt niet zoals je denkt, man. Ik lees ook. Die gasten worden ingespoten met een spulletje ofzo, en ze zijn echt geen moslim. Dat ben ik ook, maar dood maken, dat mag niet, dat staat toch in de Bijbel, of eh, in de Koran.’

    Volgens hem, en dat stond ook ergens op Facebook, ´want niet alles is waar,´ dat die familie, van ´al die banken op die wereld´, de Rothschilds, de aanstichters zijn van alle invasies in niet-westerse landen. Om daar vervolgens iedereen van hun geld door middel van leningen afhankelijk te maken, zodat zij uiteindelijk de wereldmacht hebben. Ik zeg de familie te kennen van naam en van de twee Rembrandts die onlangs door hen zijn verkocht aan Nederland en Frankrijk. Daar kijkt ie me glazig bij aan. Ik lever mijn andere pakjes in en zeg ‘tot morgen’ en loop naar buiten, nog natutend van het college complottheoriën.

    Grappig is ook, bedacht ik me later, dat als ik zeg dat ik iets met boeken doe, ik dan volgens anderen ook automatisch alles gelezen heb en weet. Of dat als je gestudeerd hebt, je alle kennis bezit van het universum en ver daar voorbij. Dat betekent dus ook dat er nog ontzag is voor de wereld van boeken en de wetenschap. In Nederland lijkt dat vaak afwezig, merk ik, in dit laagland van nu, van nut en technologie. En het is ook vooral zo dat Nederlanders met een niet-Nederlandse achtergrond mij als een allesweter bestempelen. Moeras-Nederlanders zijn juist meesters in het afbreken en klein houden van alles wat maar riekt naar kennis, geschiedenis of traditie, behalve als het om folklore gaat of om voetbal, de monarchie en eigen huis en haard. Dat is dan weer mijn eigen gebrouwen complottheorie.

     

    JOOT.NL

     

  • Het beslissende moment

     

    In de inleiding op een keuze uit zijn gedichten (Alles onecht, 1984) schreef Gerrit Komrij over het moment dat hij wandelend, negentien jaar oud, een dichter werd op de Jachthuisweg. ‘In een handomdraai was het gebeurd. (…) Ik kreeg er niets bij, ik werd er niet rijker of vollediger door – het licht ging aan in een kamer, meer niet. De kamer zelf was er al.’ Nu ga ik niet beweren dat ik op een bepaald moment een schrijver of dichter ben geworden, maar bij het lezen van Komrij’s woorden dacht ik wel gelijk terug aan twee momenten die voor mij – achteraf – van beslissende invloed bleken.

    Op mijn zestiende, anno 1988, treinde ik met een vriendje door Nederland. We waren op Tienertour.  Vier bestemmingen in 10 dagen, geloof ik. Voor het eerst in mijn leven alleen op pad. Ik kan me onder andere een camping in Limburg herinneren waar we een paar dagen verbleven. Tukkers hadden een metershoge muur van bierkratten gebouwd die voor mijn gevoel het zinderende zonlicht weg hield van ons tentje. Het was een van mijn eerste alcoholische en delirische ervaringen. Maar ik werd geen alcoholist. Een andere bestemming van de Nedertrip was Rotterdam, en wel het museum Boijmans Van Beuningen. Vraag me niet waarom we daarheen gingen, misschien stond het gewoon in een begeleidend boekje van de NS. Maar de treinreis naar deze havenstad pakte uit als een beslissend moment in mijn leven. We liepen het museum in, het was mogelijk zelfs de eerste keer dat ik een museum betrad, en ‘Páng’ (Komrij): voor mij zag ik een levensgroot triptiek van de Spaanse verfalchimist Salvador Dalí. Een leeg, groots, panoramisch woestijnlandschap met een touwspringend meisje. De leegte van het doek knalde me tegemoet. Ik was verkocht aan de schilderkunst en de wereld die erdoor werd opgeroepen.

    Met boeken had ik zo’n moment toen ik, net student aan de Universiteit van Amsterdam, antiquariaat Book Traffic aan de Leliegracht binnenliep, er langs de boekenkasten struinde en mijn eerste boeken kocht. Daarna kwam ik er meerdere keren per maand. De Amerikaanse eigenaar Herb, legde steeds een paar boeken van net verschenen Nederlandse romans voor me klaar. Het was in de jaren negentig, de tijd van Ronald Giphart, Herman Brusselmans, Serge van Duijnhoven, het tijdschrift Zoetermeer en de Generatie Nix. Een neo-post-punk-gevoel dat een leven buiten de conformistische kaders voorstond. M’n kritische blik op de wereld werd geboren.

    Misschien heb jij ook wel eens zo’n ervaring gehad waardoor je leven een bepaalde richting is opgegaan? Ben benieuwd naar jouw beslissende ervaring. Laat het me weten via redactie@literairnederland.nl.  Ik kom er vast nog eens op terug.

    JOOT.NL

     

  • Alomvattend schrijverschap

    Ongeveer een maand geleden kocht ik de boeken van Joost Zwagerman. Op een zaterdag heb ik van elf uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds een busje volgeladen met zijn boeken. Kast voor kast, plank voor plank zag ik waarmee Zwagerman zijn schrijversleven stutte – Amerika, kunst, popmuziek, cultuurgeschiedenis, literatuur – om een paar van zijn thema’s te noemen. Psychiater Bram Bakker schreef in een van zijn boeken een opdracht aan Zwagerman: ‘Voor de man die alles al weet.’ De schrijvende en sprekende alweter die op enthousiaste en soms zelfs evangeliserende toon sprak over zijn passies.

    Wat me opviel tijdens de vele uren sjouwen met zijn boeken, was een wat meer frikkerig thema dat we minder goed van hem kennen: de hoeveelheid boeken over ‘het vreemde vermaak dat lezen heet’ (S. Dresden). De schrijver was natuurlijk ook een lezer. Een lezer van romans, van essays, van studies, van kunstcatalogi, over filosofie, spiritualiteit, psychische stoornisssen  en ga zo maar door. Zwagerman was ook een lezer over het fenomeen dat lezen zelf is. En dat, wat hij las, uiteraard ook weer gebruikte in zijn eigen werk. Zo lijkt de titel, de inhoud en het omslag van zijn essaybundel Pornotheek Arcadië (2000) best veel op Pornocopia van Laurence O’Toole (1998) dat in zijn boekenkast stond. Veelzeggend is de opening van Zwagermans essaybundel waarin hij het heeft over het writer’s block van Otto Vallei. Vallei was het hoofdpersonage in zijn daarvoor gepubliceerde roman Chaos en rumoer. Ik denk dat het een mechanisme van Zwagerman was om te schrijven over dat wat hem flink bezig hield of zelfs angstig bekroop. Van porno tot zelfmoord, het fascineerde en domineerde hem.

    Het is een unieke en veelomvattende boekencollectie waarin ik al een maand bijna dagelijks verdwaal. Het is echt heel veel. Zijn roman Zes sterren heb ik voorlopig maar van mijn nachtkastje gehaald en in de boekenkast gezet. De nadrukkelijke afwezigheid en de indirecte aanwezigheid van Zwagerman is overdag al zo’n overweldigende en krachtige invulling van mijn werkzame uren, dat ik hem in de avonduren even laat liggen. Ik voelde me wel schuldig want in Zes sterren schreef hij dat zelfmoord betekent dat de mensen er van wegvluchten, ook al zal dat voor zijn naasten, helaas, onmogelijk zijn. Maar ja, het lezen gaat door en ik pakte op weg naar bed een boek van Gerrit Komrij en las over en lachte om zijn bespiegelingen over stront: ‘We zeulen, al kijken we op de eenzaamste kaap naar de indrukwekkendste zonsondergang, onze drol met ons mee.’ Blijkt de volgende dag, dat als ik toch weer in een Zwagerman blader (Het vijfde seizoen), hij het ook heeft gelezen en er, natuurlijk, over schreef. Alomvattend schrijverschap.

     

    Joot.nl

     

  • Naar Berlijn

    Naar Berlijn

     

    ‘Ja! Boekenreizen? Ken je dat niet? Toen mijn man nog leefde, deden we dat regelmatig hoor. Naar Berlijn zijn we ook, ik meen, twee keer geweest.’

    Ik vertelde de mevrouw die ik aan de telefoon had dat ik de afgelopen week een paar dagen in Berlijn was geweest. Ik zoek vaker boeken voor haar, omdat ze zelf geen internet heeft en ik ooit, jaren geleden, bij haar thuis ben geweest en toen een flink aantal dozen met boeken van haar kocht. ‘Via de NRC ging dat geloof ik. Ik ben een beetje vergeetachtig, dus dat weet ik niet precies meer.’ Als ik na het telefoongesprek op ‘boekenreizen’ google, zijn er geen verwijzingen naar een dergelijk tijdverdrijf. Vooral ‘goedkope vakantie boeken’ en ‘boeken over reizen’ verschijnen op het scherm. ‘Dan gingen we dus met gelijkgestemden op reis. Allemaal geïnteresseerd in boeken. En dan was er iemand van de reisorganisatie die ons dan naar antiquariaten en ook wel verzamelaars bracht. Leuk hoor.’

    Blijkbaar zijn er nu minder mensen die dat leuk vinden, of zou dat niet zo zijn? In gedachten ga ik terug naar de – in mijn geheugen – kleurige jaren zeventig of tachtig, de jaren van mijn jeugd. Toen Duitsland nog twee namen had: de BRD en de DDR. Ik hoorde wel eens van oudere antiquaren dat ze heel veel wetenschappelijke collecties uit Oost-Duitsland kochten en er in het Westen een flinke duit aan verdienden, dat laatste vertelden ze er niet bij, maar anders reis je daar niet heen. De cowboy-jaren van het antiquariaat, zonder internet, gedeelde databases en snelle verbindingen en een clientèle die niet keek op een dollar meer of minder. De bestellingen kwamen met bootladingen uit de Verenigde Staten en Canada en de boeken gingen met containers weer terug de oceaan over. Universiteiten en bibliotheken en musea verrijkten zich in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog met boekengoed uit de Oude Wereld.

    Mijn oude werkgever, een Amsterdams antiquariaat, kocht eind jaren negentig nog grote delen van Zuid-Afrikaanse universiteitsbibliotheken op om ze maanden later in containers aan de Nederlandse wal te begroeten. Vervolgens gingen die boeken weer richting andere delen van de wereld, want in Nederland is er meestal weinig animo voor echt antiquarisch goed. We handelen meer dan dat we zelf verzamelen. Uit mijn collectie gaan ook de meeste en mooiste en duurste items, boeken, kunst, foto’s, naar bij voorbeeld London of München, Rome of New York. Zelfs een originele foto van Ed van der Elsken heb ik niet kunnen verkopen aan een Nederlander. Nee hoor, die ging naar de oosterburen. Hun Wilkommenskultur geldt niet alleen de vluchtelingen op deze aardbol, maar ook de kunst uit andere landen. Daar kunnen wij, zuinige en bekrompen Nederlanders nog wat van leren. Nu al weer zin in Berlijn, op boekenreis.

     

    Joot.nl