• Lange ketens met kwetsbare schakels

    Lange ketens met kwetsbare schakels

    De bundel Wat wij doen dat heet bewaren, van Siel Verhanneman valt uiteen in twee delen: Psoas, de zielenspier, en Uterus, daar waar het nieuwe leven ontkiemt. Twee plaatsen in het lichaam waar grote verlangens en gevoelens beleefd en bewaard worden.
    Samengebracht in deze bundel gaan die verlangens en gevoelens vooral over moederschap en het doorgeven van leven in de breedste zin van het woord. Daarbij beschrijft de dichter zichzelf niet zelden als een schakel in een lange familielijn, tussen een vader die er niet meer is en een dochter die gezond en wel het levenslicht ziet. Een kind waarin de dichter een betere, sterkere versie van zichzelf projecteert. Maar niet zonder spijt, want ooit wordt dit kind volwassen en moet het worden losgelaten; en niet zonder angst, want het lot komt in vele gedaanten en spaart niemand.

    ‘Ik herken een zus in liedjes op de radio, / ik zie een vader achter het stuur van rode wagens. / Deze soort van missen vindt geen plek in ons vrolijk circus / waar we verdriet als roze koeken delen. / Deze soort van missen hoort bij de eerste golven / die zich terugtrekken net voor ze mijn tenen raken.’

    Van vasthouden naar loslaten

    Van de vele vormen van verlies getuigt Verhanneman in meerdere gedichten, genadeloos eerlijk en open. Daarmee cirkelt de hele bundel rond dat ene thema: de kwetsbaarheid van het leven. In het begin is dat vooral het verdriet om een mislukte zwangerschap dat al dan niet met een partner kan worden gedeeld.

    ‘Vandaag verloor de vrouw alweer een vrucht, / een idee van jou, tot je afsterft? / Oplost, waarin? / Uitstroomt, waarheen? // Op zoek naar een schuldige / eindigt ze steeds bij jaar vermoeide handen, / gespannen spieren, de kraaienpoten, / het onafgebroken drammen in haar hoofd / hoe graag ze jou hier wil houden, / kan het niet in alle rust / loslaten // het allerkleinste deeltje in haar / geen plek kan vinden. // Het is de natuur, zegt de man / die elke nacht naast haar slaapt, / verzwijgt hoe die voor de vrouw / veel wreder is,’

    Verderop in de bundel is er dan eindelijk een voldragen kind dat na de beschutting van de moederschoot nog een tijdlang gevangen zit in de symbiose buiten het lichaam. Zuigend en zogend innig verbonden totdat het los van het moederlijf kan bestaan en een eigen mens wordt. En de moeder met lede ogen en een bloedend hart moet aanzien dat dit kind behalve een eigen, zelfstandig lichaam ook een eigen geest heeft en herinneringen die in beider DNA liggen opgeslagen, maar die toch niet voor beiden dezelfde waarde en belangrijkheid hebben.

    Is loslaten minder moeder zijn? / Hoe bewaar ik een baby die niet meer / tussen mijn wiegende armen past, hoe hou ik / later de peuter, kleuter, tiener vast / in een volwassen lichaam, zoveel verder bij mij vandaan.’

    Poëzie als een dagboek

    De behoedzaamheid die past bij het thema ‘groei’ bepaalt de continuïteit van de bundel. Waarbij Verhanneman ook nog eens een chronologische volgorde aanhoudt, zodat de gedichten van voor naar achter bijna lezen als een persoonlijk relaas. De veelgebruikte ik-vorm maakt het allemaal nóg persoonlijker. Minutieus en met een ongekende intimiteit wordt dit proces van jaren beschreven. Ondenkbaar bijna om als lezer níet geraakt te worden door het feit hierbij betrokken te worden. Tegelijk maakt die voorzichtigheid de bundel hier en daar zwak. Al was het maar door het ontbreken van heftige uitbarstingen en verrassende wendingen. 

    Daarbij is de intimiteit van dien aard dat de lezer bij tijd en wijle het gevoel bekruipt een dagboek te lezen in plaats van een poëziebundel, waarbij het vertelde – hoe fijnzinnig en poëtisch geschreven ook – meer het karakter heeft van proza. En een heel persoonlijk proza bovendien. Wat een versmalling tot gevolg heeft voor wat betreft het lezerspubliek. Niet iedereen zit op zulke intieme ontboezemingen te wachten; niet iedereen voelt de behoefte het dagboek van een ander te lezen.

    ‘Ik kijk naar deze vreemde moeder / die mij vertelt hoe graag ik / een tweede kind wil. / Dat ik het vechten verlang / om het gebrek aan plek / op mijn lichaam. / … en kan ik / nog een tweede keer / tot zo’n oerversie van mezelf / geboren worden?’

    Een andere zwakke plek: door deze al te persoonlijke invalshoek ontbreekt de blik naar buiten bijna helemaal. Terwijl dat ‘naar de wereld kijken door de ogen van een ander’ iets is dat liefhebbers van poëzie toch graag zoeken in een gedicht. Zowel voor de inhoud, het thema, als voor vorm, de specifieke verbeelding van het vertelde, heeft deze naar binnen gerichte blik consequenties.

    Kunst in een instrumentele rol

    Het enige dat een gezond tegenwicht biedt en de inhoud wegtrekt uit die al te persoonlijke benadering, is de interactie met diverse kunstwerken. Bij 26 van de in totaal 41 gedichten is er een verwijzing naar een kunstwerk van een bekende of minder bekende kunstenaar. Behalve bij de wederwaardigheden rondom het moederschap mag de lezer ook getuige zijn van het proces dat zich als gevolg van deze interactie in de dichter zelf voltrekt.

    ‘Ik denk na bij welk kunstwerk je zou passen, / bladerend door O’Keeffe glimlach ik om een perzik, / bij Chagall staat alles zo snel in brand. / Daar gebeurt het, in die vlammen vang ik een glimp / van je toekomst zonder seizoenen,’

    Zo komt buiten toch binnen en kan het ook over andere dingen gaan. Al is de richting niet zo dat de dichter middels het gedicht de aandacht van de lezer naar buiten, naar het betreffende kunstwerk stuurt. Eerder heeft het kunstwerk een instrumentele rol en helpt het de dichter om de geleefde ervaring te kunnen verbeelden in zoiets taligs als een gedicht. Dus toch weer de blik naar binnen. De beschreven ervaringen blijven dicht bij de beleving van het eigen lichaam, de eigen seksualiteit, de kwetsbare familieverbanden, en zijn daardoor te persoonlijk om universeel te kunnen worden. Er ís een buitenwereld, maar de beweging is van buiten naar binnen en niet omgekeerd.

    De unieke waarde van poëzie

    Het enige achterdeurtje dat leidt tot een meer trans-persoonlijk verstaan van deze gedichten is de herkenbaarheid voor vrouwen – en enigermate ook voor vaders en partners – die ooit ergens in hun leven een vergelijkbare situatie hebben meegemaakt.
    ‘Op klaarlichte dag strekt ze uitdagend haar fijne poten / boven haar hoofd, wikkelt elegant haar spinrag / om alle ophef, zacht is hoe zij monden snoert. // Haar eieren trillen, / zij weten dat dit de moeder is / die hun wereld wel bijeen zal houden.’

    Behalve over mensenbaby’s en dat o zo kwetsbare groeiproces, gaat het veel over natuurlijke, organische dingen. De eieren van de spin van Louise Bourgeois, vogels en nesten, bomen en bloemen van allerlei soort. En behalve in de keuze van thema’s en beelden is die voorzichtigheid, die nadruk op kwetsbaarheid er ook in de taal zelf. Nergens is die hard of bot, kil, stoer of zakelijk. Met wondermooie titels die op zichzelf al poëtische miniatuurtjes zijn: Onze hoop rust in haar eieren, Tweedekansbegrafenis, Madeliefjes plukken, Ontglip-me-nietje.

    Poëzie als een geheime tuin met veel moois om van te genieten doch slechts toegankelijk voor een klein, select gezelschap. Maar is dat niet precies de kracht en de unieke waarde van poëzie, dat het geen mainstream-gebeuren is dat de grote massa met een doorsnee aanbod tevreden stelt? Anders dan proza, dat zich in duidelijke genres laat indelen en herkennen, speelt poëzie zich meesttijds af in een kunstig labyrint met vele niches.



  • Oogst week 18 – 2025

    Tijd voor vrede

    Charles Ducal (pseudoniem van Frans Dumortier) is dichter en schrijver. In 2014 werd hij aangesteld als eerste Dichter des Vaderlands van Belgie. Zijn eerste bundel Het huwelijk verscheen in 1987. 
    Ducal schrijft op het oog klassieke poëzie in een klassieke vorm, die direct toegankelijk is. Inhoudelijk gaat het vaak over (innerlijke) conflicten, en niet zelden spreekt er ook een grote maatschappelijke betrokkenheid uit zijn werk. Of hij nu schrijft over het persoonlijke en intieme of over grotere sociale thema’s, met zijn gedichten weet hij de lezer te raken. 

    Dat de wereld in brand staat, klinkt duidelijk door in deze geëngageerde bundel, waarin de toestand van de wereld verweven wordt met de intieme thema’s van liefde, geloof, dood en afscheid nemen. Tijd voor vrede. In een wereld die ziek is van geweld. Vrede, niet als een naïef geloof, maar als een gerijpt inzicht. Het bijzondere is dat Ducal de gevoelens van angst, wanhoop en uitzichtloosheid die bij deze tijd horen op universele en tegelijk persoonlijke manier weet te vangen. In toegankelijke, beeldrijke taal nodigt deze bundel uit tot reflectie over de tijd waarin we leven, en hoe we omgaan met onze sterfelijkheid. Zelfbewuste en uiteindelijk hoopvolle poëzie ook, die de kracht van het woord inzet als houvast in de onzekere wereld van vandaag.

    Spertijd

    Ik droomde dat ik in een verboden nacht,
    het was oorlog, over straat liep en een vrouw
    gebogen over een rioolput zag, waaruit zij
    eendenkuikentjes naar boven haalde.

    Ik wist dat het aan mij was te bepalen
    wat vervolgens te gebeuren stond, maar
    het was oorlog, makkelijk als de huizen branden
    en de bomen scheuren, maar moeilijk

    in geval van meer en nog meer eendenkuikens
    die zich verspreidden over heel de stad,
    zo licht en goedgelovig of het niet verboden was.

    Ik denk dat ik ze een voor een heb doodgetrapt.



    Tijd voor vrede
    Auteur: Charles Ducal
    Uitgeverij: Atlas Contact (2025)

    Neem ruim zei de zee

    In 2015 kwam Sholeh Rezazadeh vanuit Iran naar Nederland. Drie jaar na haar aankomst schreef ze haar romandebuut De hemel is altijd paars. Inmiddels is ook haar tweede roman verschenen, Ik ken een berg die op me wacht. Ze schreef altijd al poëzie, maar er waren geen plannen om haar gedichten uit te geven. Omdat zij de poëzie zo miste in de Nederlandse samenleving, kon een eerste bundel niet lang uitblijven. Neem ruim zei de zee is een verzameling van de gedichten die Rezazadeh in de afgelopen vijf jaar heeft geschreven.

    In deze bundel komen we vertrouwde elementen tegen die ze ook in haar twee romans veelvuldig verwerkte: rivieren en zeeën, bomen en bergen, vissen, vogels en vlinders. Net als in haar romans is de natuur geen achtergrond maar een echt personage dat ziet en voelt, dat liefheeft en vergeet. De mens zelf is een feilbaar wezen dat wanhopig zoekt naar liefde en verbinding maar zich ook verbaast over het gebrek aan aandacht voor de ander. In een prachtig parlando, dat schatplichtig is aan de oude Perzische dichters, dicht Rezazadeh over de kracht van de natuur en de onmogelijkheid om de ander te kennen. Voor haar poëzie ontving ze de El Hizjra-Literatuurprijs.

    waar ga je naartoe
    mijn naïeve reiziger?
    weet je dan niet
    dat eenzaamheid
    in iedere koffer zit?
    met alle enkele reisjes
    ga je niet bij jezelf weg

    alle tranen die je in je
    mouw verbergt
    zullen vallen
    voor het oog van de zon

    ze blijven niet
    dat kunnen ze niet

     

    Neem ruim zei de zee
    Auteur: Sholeh Rezazadeh
    Uitgeverij: Ambo Anthos (2024)

    Wat wij doen dat heet bewaren

    De vierde dichtbundel van de Vlaamse Siel Verhanneman (1989), getiteld Wat wij doen dat heet bewaren, vormt een tweeluik met haar vorige dichtbundel: Wat nu met het licht dat binnenvalt (2022).

    Ze onderzoekt hierin de rituelen die we nodig hebben om de angst om ouder te worden of kind te blijven te bezweren. Ze vindt twee plaatsen in het lijf waar grote verlangens en gevoelens bewaard worden: de uterus, waar het moederschap kiemt, en de psoas, de spier van de ziel. Beeldende kunst biedt haar afstand om aan zelfonderzoek te kunnen doen en grip te krijgen op het moederschap, de liefde, het verdriet en de toekomst. 

    Naast haar dichtbundels, waarvan ze de eerste in eigen beheer uitgaf, schreef ze ook een roman. Rouw en verdriet spelen een grote rol in haar werk nadat in 2013 haar vader stierf en drie jaar later haar zus. Nu ze zelf moeder geworden is, onderzoekt ze in haar nieuwe bundel de functie en de symboliek van de baarmoeder als plaats van het ontstaan van nieuw leven.

    Wat wij doen dat heet bewaren is één van de vijf bundels die op de shortlist van De Grote Poëzieprijs 2025 stonden.

    Madeliefjes plukken

    In de vroege ochtend gaan de knopjes open,
    haar borsten in bloei, zakken lieflijk opzij.
    Schuift ze ondertussen vingers naar spannende oorden,
    ze strelen de steel en nerven van het opgekrulde blad.

    Tussen haar benen plukt ze driftig de madelief
    die tegen de herfst protesteert
    met een zomers verlangen, elk blaadje dat knapt
    een zij houdt niet van mij,
    zij houdt van mij.

    Ze likt met een finale zucht
    haar eigen nectar van vingertoppen
    proeft met trots
    alsof ze zonet zichzelf
    heeft bevrucht.

    Geïnspireerd door Yellow Hickery Leaves With Daisy, olieverf op doek van Georgia O’Keeffe, (1928)

     

    Wat wij doen dat heet bewaren
    Auteur: Siel Verhanneman
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2024)