• Bredero, een schrijver die schildert met woorden

    Bredero, een schrijver die schildert met woorden

    ‘Gerbrandt Adriaensz. Bredero is nog altijd beroemd, maar ook pijnlijk onbekend’, verzucht Van Stipriaan in zijn inleiding op De hartenjager, zijn dit jaar in het kader van de herdenking van Bredero’s vierhonderdste sterfdag verschenen biografie.

    Over het leven van deze 17e eeuwse toneelschrijver en dichter is vrijwel niets met zekerheid bekend. Van zijn werk moeten we het hebben, en dat werk is bepaald bijzonder te noemen zowel qua omvang als kwaliteit. Gedurende zijn korte leven schreef hij dertien toneelstukken en honderden liederen en gedichten, waarvan sommige stukken in de loop der tijd een legendarische klank hebben gekregen. Wie heeft er nooit gehoord van de ‘Spaansche Brabander’ en de ‘Klucht van de koe’?

    Geen schrijver in de zeventiende eeuw was zo goed in staat zich in te leven in de hartstochten en beweegredenen van gewone mensen als Bredero. Dit wordt vooral zichtbaar in zijn enorme rijkdom aan woorden en uitdrukkingen, die nog steeds gangbaar zijn in onze taal, bijvoorbeeld samenstellingen als ‘stil-swijghent’, ‘gront-leggher’ en ‘neus-wys’. Hij schildert als het ware met woorden.

    Bredero en Shakespeare in woelige tijden
    Van Stipriaan tracht, naar eigen zeggen, via een intensieve bestudering van zijn werk zo dicht mogelijk bij de figuur Bredero te komen, niet zozeer bij de mens Bredero als wel bij de schrijver. Bij lezing van het boek lijkt dit overigens een nogal kunstmatig onderscheid. Hij vergelijkt het leven en werk van Bredero met dat van Shakespeare zonder daarbij de superieure kwaliteit van het werk van Shakespeare te betwisten. Beiden zijn van betrekkelijk eenvoudige komaf en dus sociale stijgers en beiden schreven in een tijd van hoog oplopende religieuze en politieke spanningen.

    Het heeft er alle schijn van dat Van Stipriaan zich in zijn studie laat inspireren door de veel geprezen Shakespearebiografie van Stephen Greenblatt. Net als Greenblatt vult hij gaten in de overgeleverde informatie over Bredero in met uitweidingen over veronderstellingen op basis van gegevens uit zijn toneelstukken en gedichten. Zo gaat hij uitvoerig in op diens niet beantwoorde gevoelens ten aanzien van Magdalena Stockmans.
    In zijn zoektocht naar Bredero toetst Van Stipriaan, als een goed historicus, diens werk aan de gangbare mores van zijn tijd. Als geen ander kan Bredero een rake schets geven van het kroegleven in de grote stad of de grove boerenlol op een plattelandskermis. Hij drijft voortdurend de spot met opgeblazen windbuilen, botte lomperikken en domme gansjes en kinkels. Zijn stukken zijn dan ook in zijn tijd razend populair.

    Tegelijkertijd schrijft Bredero in een politiek gevaarlijke tijd, namelijk de tijd van het twaalfjarig bestand tijdens de Nederlandse Opstand (1609-1621). Spanningen die gedurende de oorlog nog onderhuids konden blijven, kregen nu de vrije ruimte te exploderen, culminerend in een heuse godsdienststrijd tussen rekkelijken en preciezen (ten aanzien van de interpretatie van de Bijbel), een strijd die uitmondde in een machtsstrijd tussen de aanhangers van Maurits en Van Oldenbarnevelt en uiteindelijk in 1618 in een politieke moord. In Amsterdam was de macht in handen van de precieze burgemeester Reynier Pauw, een humorloze scherpslijper. Voor kunstenaars als Bredero was het dus zaak zich op deze terreinen gedeisd te houden. Nu was Bredero geen uitgesproken religieus of politiek schrijver, maar wel ontegenzeggelijk een aanhanger van het humanistische gedachtegoed van Erasmus ten aanzien van verdraagzaamheid en individueel beleefd geloof in Christus.

    Voor iedereen onverwachts komt Gerbrandt Adriaensz. Bredero op 23 augustus 1618 plotseling te overlijden, op het hoogtepunt van zijn schrijverscarrière. Over de oorzaak van zijn dood tasten wij in het duister. Van Stipriaan maakt duidelijk dat suïcide niet uitgesloten moet worden.

    De Spaansche Brabander, opnieuw op de planken?
    Net als Shakespeare breekt Bredero met de gangbare aristotelische theateropvatting van eenheid van plaats, tijd en handeling, bijvoorbeeld in zijn meesterwerk de ‘Spaansche Brabander’. Dit zeer gelaagde stuk, dat zich op velerlei wijze laat interpreteren, verschijnt in het roerige jaar 1617, maar speelt zich veertig jaar eerder af in Amsterdam dat toen nog katholiek was. Van Stipriaan maakt duidelijk dat dit gegeven wel eens heel belangrijk zou kunnen zijn voor het duiden van de achterliggende bedoeling van het stuk en dus van de schrijver. Wordt het verleden hier gebruikt om het heden te becommentariëren? Niemand die het precies weet.

    Van Stipriaan laat zien hoe het werk van Bredero in de loop der tijd door de mensen is beoordeeld en hoe het ‘sinds het eind van de negentiende eeuw meedeint op de geoliede herdenkingscultuur in Nederland’. Bredero is in sociaal-cultureel opzicht een controversieel schrijver, die zich een waar taalkunstenaar betoont in zijn beschrijving van het alledaagse leven in de kroeg, op de kermis en op straat. Daardoor is hij een perfect ijkpunt om, door de eeuwen heen, de gevoelens van de verschillende maatschappelijke lagen ten aanzien van zijn werk te toetsen. Dit zegt natuurlijk niets over de persoon Bredero, maar wel over de tijdloze kwaliteit van zijn werk en vooral over de tijd zelf. Zo zou het, gezien het tegenwoordig welig tierende populisme met zijn kenmerkende vreemdelingenfobie, een uitdaging moeten zijn voor een geëngageerd theatergezelschap om de ‘Spaansche Brabander’ weer op de rol te zetten. Om recht te doen aan Bredero is het dan wel zaak voor de regisseur zich eerst eens goed te verdiepen in het boek van René van Stipriaan, een meeslepend, maar ook professioneel uitstekend boek, dat de komende tijd zeker als standaard gaat gelden voor Brederovorsers.

     

  • Vertaalslag – literair evenement

    Vertaalslag is een literair evenement voor serieuze (ver)taalliefhebbers waarop de Vertaalengel en de Vertaalduivel worden uitgereikt.

    Zijn of (niet) vertaald zijn, dat is dit jaar bij de Vertaalslag de vraag. William Shakespeare, die universeel is in zijn thematiek en meeslepend zijn taalgebruik maar schreef in het vroegmoderne Engels. En dat leest tegenwoordig nog slechts een enkeling voor zijn plezier. Hoe houden vertalers de legendarische schrijver actueel?

    Tijdens de Vertaalslag 2018 laten prof. dr. Ton Hoenselaars en Tom Lanoye hun licht over deze vraag schijnen. Een blik terug op vierhonderd jaar Shakespeare in het Nederlands, en een vooruit kijken naar de toekomst van een literair fenomeen.

    Kijk voor meer informatie en tickets op in de Tolhuistuin.

     

  • Jazz improvisaties

    Jazz improvisaties

    Het Zuidelijk Toneel & het paleis hadden rond het tournee met King Lear op de website een stemwijzer geplaatst. Als je die invulde, kwam je erachter welk personage uit dit toneelstuk van Shakespeare je het meest nabij kwam. Dat zou voor mij, was de uitkomst, neerkomen op King Lear/Kent/Gloucester, maar dat was niet om te schrikken, aldus het geruststellende commentaar. Het betekende alleen maar, dat ik naar zekerheid in het leven zocht. En dat kan wel een beetje kloppen.

    Het deed me denken aan een schitterende passage in Herfst van Karl Ove Knausgård:
    Voor mijn vader was het protestantse vermoedelijk verbonden met mijn moeders voorbeeldigheid, en dat hij altijd hard reed, altijd andere auto’s inhaalde, was, denk ik nu, een poging om aan alle regels, alle verboden, alle plichten en alle betutteling in zijn wereld te ontsnappen. Politiek gezien was hij liberaal, voor individuele vrijheid en tegen de sterke staat, terwijl mijn moeder juist voor de sterke staat was en zich solidair met de zwakkeren betoonde. Het moge duidelijk zijn dat mijn moeder altijd langzaam en voorzichtig reed.’

    Ik heb, denk ik het meest met Knausgårds moeder: voor een sterke staat, solidair met de zwakkeren en – in de tijd dat ik nog een auto had – voorzichtig rijdend. Maar ik herken wel zijn vaders poging om aan alle regels, alle verboden, alle plichten en betutteling te ontsnappen. Enige recalcitrantie is mij ook niet vreemd.
    Misschien hield Knausgårds  vader, meer dan zijn moeder, wel van jazzmuziek, improvisaties die regels aan hun laars lappen. Maar dat niet alleen; Gert Verbeek, een oud-collega, schreef op zijn blog over de film M (Sara Forestier): ‘Het lijkt erop dat de regisseuse haar film een realistische tintje heeft willen meegeven door improvisatie toe te laten. Het voordeel daarvan is dat de acteurs alle ruimte hebben om zich vrijuit uit te drukken.’ En dan komt zijn – en mijn bezwaar –: ‘Het grote risico is dat ze geen maat weten te houden en hun overdaad aan teksten uitmondt in vrijblijvend gekeuvel waarbij de gedachten bij de kijker dreigen af te dwalen.’

    Dat is wat ik namelijk ook tegen sommige (jazz)improvisaties heb: de ideeën rijgen zich aaneen zonder dat er op een gegeven moment nog een lijn te ontdekken valt. Maar, dat moge duidelijk zijn, dat geldt lang niet voor alle improvisaties. Er is één pianiste die het zó mooi doet, dat ik er wel pap van lust: Kaja Draksler. Zij weet eenvoudige thema’s uit te werken tot stukken die staan als een huis, doorwrocht én van een verfijnde structuur. Wat ze doet, beweegt zich tussen improvisatie en compositie. Het is spannend, maar nooit oeverloos zoals in de film M. Verre van dat. Het is allemaal weloverwogen en niet in een hokje te stoppen, oftewel jazz oftewel modern klassieke muziek. Dat maakt haar tot één van de interessantste musici van dit moment, denk ik.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Vogelenzang

    Vogelenzang

    Toen Tom Lanoye in ‘De Wereld Draait Door’ een stukje uit zijn solo Ten oorlog voorlas, dacht ik: O nee hè, niet wéér zo’n over de top Shakespeare-achtig stuk à la die andere Vlaamse voorstelling, Risjaar Drei, door Toneelhuis Olympique Dramatique. Niets was minder waar, gelukkig zaten er ook verstilde momenten in. En belangrijker nog: de insteek was uiterst origineel. In drie achtereenvolgende ‘afleveringen’ schetste Lanoye een evolutie van de taal, beginnend bij de vijfvoetige jambe van de vroege Shakespeare (daar zit meer swing in dan in het Franse alexandrijn, aldus Lanoye) en eindigend met Richard III (inderdaad, weer Risjaar Drei) die spreekt ‘in de wegwerptaal van de razendsnelle beeldcultuur’, aldus het programmaboekje.

    Tegen het eind van de voorstelling zegt Lanoye, en het wordt voor de duidelijkheid nog even geprojecteerd op een doek achter op het podium:

    bevrijd van taal
        nachtegaal

    Even later komt er nog een leeuwerik voorbij. Respectievelijk een vogel die prachtig zingt en eentje die bij onweer omhoog vliegt en daarmee al eens eerder symbolisch werd opgevoerd in een onvergetelijke cabaretvoorstelling door Sito en Marijke Hoving.

    Wanneer het er écht om draait, laat taal ons in de steek. Uitten koningen als Richard III en regeringsleiders zich alleen maar in gebral, in nietszeggende, zichzelf vrij pleitende uitspraken als ‘Met de kennis van nu’ of – zoals de solovoorstelling eindigt – met een kinderliedje: Een, twee, drie vier, hoedje van, hoedje van …., waarbij Lanoye – ook al weer heel symbolisch – ‘papier’ onuitgesproken liet. En de zaal, die het begreep, ook. Wat rest is vogelgezang of woordloze muziek, of een combinatie van beide zoals in de muziek van Olivier Messiaen.

    Die twee vogeltjes, de nachtegaal en de leeuwerik, parachuteerden mij vanuit de Amsterdamse Stadsschouwburg tientallen jaren terug, naar een concert in het kader van het Festival Religieuze Muziek in Maastricht. Een uitgelezen gezelschap met, als ik me goed herinner, George Pieterson (klarinet), Vera Beths (viool), Anner Bijlsma (cello) en Reinbert de Leeuw (piano) speelden er op een avond Messiaens Quatuor de la fin du temps. De componist schreef dit stuk in 1941 tijdens krijgsgevangenschap in Görlitz (Silezië). Het is de klarinet die in het deel L’abîme des oiseaux vogelzang imiteert. Of liever misschien: een vogel is, vrij vliegend in de lucht, zoals de vlinders die kinderen in Theresienstadt tekenden en waarover Pavel Friedman in 1942 dichtte:

    Zo’n schittering van geel,
    Vloog onbelemmerd de hoogte in,
    Weg, ik weet het zeker, omdat
    Hij onze wereld vaarwel wilde kussen.

    Messiaen kuste de gevangenen toen, en de mensen van nu in een tijd van onzekerheid. Woordloos.


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • De kracht van Shakespeare in Salon Saffier

    Dit jaar is het 400 jaar geleden dat Shakespeare overleed. Shakespeare-kenner Paul Franssen vertelt in Salon Saffier over het leven en werk van de Engelsman en vraagt zich af waarop de huidige roem en reputatie van Shakespeare gebaseerd is. Wat is zijn kracht? Met voorbeelden uit Julius Caesar en De Koopman van Venetië.

    Actrice Judith Linssen zingt liederen uit diverse toneelstukken van Shakespeare en speelt een monoloog uit As you like it.

    Za. 22 okt.: Cinema Shakespeare

    13.30 uur: Shakespeare in love – een filmkomedie met het personage William Shakespeare in de hoofdrol.
    Inleiding Paul Franssen.
    Toegang: € 10,00 (combi met avondfilm € 15,00)

    20.00 uur: The Merchant of Venice – een film naar Shakespeares gelijknamige toneelstuk met de befaamde Al Pacino als Shylock. Inleiding Paul Franssen.
    Toegang: € 10,00 (combi met middagfilm € 15,00)

     

    Meer informatie/reserveren:   www.salonsaffier.nl  | 030 – 6701020

     

     

  • Steenhouwers en Leeglopers

    Steenhouwers en Leeglopers

    De geschiedenis van de schilderkunst is grotendeels een geschiedenis van rijke mensen. Wat logisch is, want als je moet buffelen om je kostje te winnen heb je weinig tijd om te schilderen. Laat staan geld om een schilderij te kopen, een luxeproduct. Met als gevolg dat, wat schilders uitbeelden lange tijd net zo luxueus was als de klanten waarvoor ze schilderden, zelfs als ze bittere ellende schilderden.

    Maar er kwam een moment dat het gewone leven zijn intrede deed in de schilderkunst. Toen Vlaamse schilders zoals Jan van Eyck hun religieuze voorstellingen in gewone, huiselijke omgevingen plaatsten. Al bleef er ook toen wel wat verheerlijking in de uitbeelding van het gewone leven over. Maar dat veranderde bij Gustave Courbet. Hij gaf arme mensen in zijn schilderijen een hoofdrol op een wijze die daarvoor nog niet was getoond. Een prachtig voorbeeld hiervan is de Steenhouwers uit 1849, geschilderd één jaar na de publicatie van het Communistisch Manifest van Marx en Engels. Hier is de armoede verre van verheerlijkt en Courbet schilderde het leven van arbeiders meedogenloos realistisch. Wat misschien voor hedendaagse ogen niets bijzonders lijkt, maar in zijn tijd vernieuwend was. Courbet toont het harde leven van twee steenhouwers zonder opsmuk, waarbij de ene steenhouwer toch echt te jong en de andere te oud lijkt voor het zware werk. Het schilderij is zo ruw geschilderd dat het in alles een aanklacht lijkt te zijn tegen de barre omstandigheden van arbeiders (en van de gepolijste academische schilderkunst van die tijd). Alsof Courbet tot in zijn penseelstreek de ruwheid van het leven wilde laten zien.

    In de literatuur zie je volgens mij een vergelijkbare ontwikkeling. Ook daar kom je in de vroege literatuur niet echt veel arme sloebers in een ongepolijst setting tegen. Zo zijn de meeste hoofdpersonen uit Shakespeare’s verhalen misschien wel ongelukkig, maar niet onbemiddeld. Ook hier kwam een omslag, geïnspireerd op de ellende van de industriële revolutie. Charles Dickens wijdde er vrijwel zijn gehele oeuvre aan.

    Ook bij Giovanni Verga staat in De Leeglopers (1881) de onderkant van de samenleving centraal. Deze roman is de literaire tegenhanger van Courbet’s Steenhouwers. Net als Courbet is Verga meedogenloos en realistisch in zijn uitbeelding van het harde lot van de vissersfamilie, Leegloper. Ook hier zijn de hoofdpersonen veelal te oud of te jong voor de vele ongelukken die hen treft. En net als bij Courbet is het taalgebruik van Verga, zijn ‘penseelstreek’, direct en zonder opsmuk: “Hebben jullie het dan soms beter, met al dat gewerk en dat zinvolle gesloof? Het is ons ellendige lot!”

    Een lot dat dan misschien ellendig is, maar wel weergaloze literatuur oplevert. Want het leed van de Leeglopers mag dan verschrikkelijk zijn, het levert net als bij de Courbet’s Steenhouwers een prachtig kunstwerk op.