• Shortlist J.M.A. Biesheuvelprijs bekend

    Shortlist J.M.A. Biesheuvelprijs bekend

    De shortlist van de tweejaarlijkse J.M.A. Biesheuvelprijs (de prijs voor de beste verhalenbundel) is bekend. Uit veertig inzendingen werd een shortlist samengesteld van vier titels:

    Steff Geelen met De splitsingen, bij uitgeverij Wintertuin
    Julien Ignacio met Goudjakhals, bij uitgeverij Van Oorschot
    Sanneke van Hassel met Milde klachten, bij De Bezige Bij
    Jente Posthuma met Heks! Heks! Heks!, bij uitgeverij Pluim

    De winnaar wordt bekend gemaakt tijdens de feestelijke uitreiking op 20 februari tijdens de Week van het Korte Verhaal. 

    De jury, die bestaat uit Joost Baars, Yra van Dijk, Janita Monna en Daan Stoffelsen laat weten dat ze overweldigd zijn door het ‘grote aantal kwalitatief sterke inzendingen’. En constateren dat het goed gaat met de verhalenbundel. Twee afvallers willen ze expliciet noemen. De heerlijke bundel Aloha van Machteld Siegmann om haar stilistische originaliteit en brille, en het aangrijpende Het net, de duif en de dood van Chaja Polak om haar geserreerde meesterschap.’ Het volledige juryrapport wordt gepubliceerd op de dag van de prijsuitreiking op de website van de J.M.A. Biesheuvelprijs.

    Het prijzengeld wordt volledig gewonnen uit een crowdfunding actie, deze loopt nog tot en met 17 februari.
    Doneren kan hier: https://www.voordekunst.nl/projecten/18239-jma-biesheuvelprijs-2025-1

     

     

  • Verhalen als waardevol document

    Verhalen als waardevol document

    De tien korte verhalen in Milde Klachten van Sanneke van Hassel hebben één ding gemeen: corona. Tegen de achtergrond van de coronapandemie beschrijft Van Hassel het isolement van haar personages. Met oog voor detail en een heldere stijl komen de verhalen vanzelfsprekend en ongedwongen uit de verf. Voor iedereen zo herkenbaar en tegelijkertijd is het nog moeilijk voor te stellen dat de hele wereld ‘in de ban van’ was. De glimlach achter het mondkapje, de perspexschermen op de toonbank, het niet handen geven, buiten afspreken of wachten tot je een winkel binnen mag. Maar ook eenzaamheid, angst, bedreigingen en bezorgdheid voor verlies van dierbaren zijn emoties die in de verhalen worden opgeroepen.

    In niemand die het ziet wonen het ik-personage en Toby samen in een studentenhuis. Het meisje, de ik, houdt in een fluorescerend roze dagboek haar dagen bij. ‘In dit schrift wil ik vooral schrijven over de bijzondere tijd waarin ik ben beland. Van het ene op het andere moment zitten we met zijn allen thuis door een of ander virus.’ Het dagboek is geschreven in de typerende associatieve stijl van een twintigjarige, die haar dagen slijt met afwachten. Haar baantje in de plaatselijke kroeg is gestopt. Ze gaat hardlopen en geeft het typische straatbeeld weer van een Rotterdamse stadswijk (veel van de verhalen spelen in dezelfde wijk in Rotterdam) tijdens corona. Maar eigenlijk gaat het verhaal over haar schuldgevoel, omdat ze niet heeft gezien hoe haar huisgenoot Toby eraan toe is. Hij gaat veel uit en lijkt nogal onbereikbaar, ze slapen een keer samen en daarna ontwijkt hij haar. Totdat hij geheel onverwacht door zijn ouders wordt opgehaald.

    Personages komen terug

    In het tweede verhaal, 1 April, lezen we over het gezin Vuursteen tijdens de lockdown: vader, moeder, twee dochters en de cavia’s die iedere ochtend door de meisjes worden begroet. Vader Arjen houdt zich vooral bezig met het nauwgezet volgen van het coronanieuws, de doden en de regels. Moeder Colet verveelt zich en ergert zich ziek nu de souvenirwinkel waar ze werkt gesloten is. Om de jeu erin te houden bedenkt zij dat iedereen een 1 aprilgrap moet verzinnen. ‘Het is stil in huis. Zonnestralen vallen de diepe gang in waaraan de slaapkamers liggen. De deuren van de meisjeskamers staan een stukje open. Meneer Vuursteen heeft er een beker water opgezet. Zodra zijn dochters hun deuren verder opentrekken, zullen ze een flinke plens over zich heen krijgen. Haha, 1 april!’ Mevrouw Vuursteen heeft een nog veel ziekere grap bedacht.

    In sommige verhalen komen dezelfde personen langs, wat de bundel een mooie eenheid geeft. Zo komt de studente terug in Zwevend balkon. Ze wil haar opa verrassen die in een verpleeghuis zit en dat was geen pretje tijdens de pandemie. Kleindochter mag hem niet bezoeken, dus huurt ze een hoogwerker met een bakje dat tot de derde verdieping reikt. Opa verschijnt op zijn balkon en zo kunnen ze even praten. Wat volgt is een ontroerende, maar ook nietszeggende dialoog en daarom veelzeggend. ‘”Mooi uitzicht heb je, opa,” zei ik. Tegenover het verpleeghuis stond een kerk, op de hoek van een laan met grote huizen en veel bomen. ”Laatst liep er een teckel, die wilde niet naar huis,” zei opa. “Die man had duidelijk haast en sleepte het beest over de grond mee. Kostelijk.”’

    Ingeslopen gelatenheid

    In het verhaal Geduld gaan drie oudere mensen, Marja, Hans en Renske, naar de Matthäus Passion in theater De Doelen in Rotterdam. Het mag weer, de regels zijn versoepeld. Uit de dialoog blijkt dat Marja en Hans de grootouders zijn van Toby uit In niemand die het ziet. Renske heeft haar man kort geleden verloren. Bijzonder aan dit verhaal is de perspectiefwissel, die steeds begint met een zin vanuit een (niet aanwezige) ik-verteller, om dan over te gaan in een van de drie anderen. ‘Er was veel jong publiek, wat ons verheugde. De afgelopen twee jaar hadden we onze kinderen en kleinkinderen minder gezien en het contact met de jeugd gemist. Toen Karin moest thuiswerken wilde Marja voor de jongens zorgen, maar haar dochter durfde het niet aan, hoewel ze bijna overspannen was geraakt.’ Zelfs buurvrouw Vuursteen uit het verhaal met de cavia’s loopt langs, uit het commentaar van de anderen blijkt dat ze niet dol op haar zijn.

    In Haarden gaat een jonge vrouw vrijwilligerswerk doen in het vluchtelingenkamp Moria op Lesbos waar ze hele heftige dingen meemaakt. Na terugkeer logeert ze bij haar broer, maar het contact verloopt ongemakkelijk. Hij heeft weinig aandacht voor haar ervaringen en reageert pragmatisch en gevoelsarm. Illuminati gaat over twee jonge vrouwen die worden uiteengedreven door verschillende meningen over het coronabeleid. De Italiaanse Elissa in Berensporen wordt verteerd door heimwee naar Italië. Haar familieleden en vrienden sterven bij bosjes en zij is alleen. Ze werkt thuis, haar man is op reis en ze heeft de zorg voor haar zoontje. Ondertussen verlangt ze hevig naar lichamelijk contact. Het laatste verhaal, Panic Room, is het schrijnende voorbeeld van een huisarts in Oostenrijk die wordt bedreigd vanwege haar uitspraken in de media over vaccinatie.

    Covid-19 is de verbindende protagonist op de achtergrond, maar in Milde klachten gaat het om de personages die in een onzinnige tijd hun leven zo goed mogelijk trachten voort te zetten. Er hangt een sfeer van gelatenheid over de mensen, wat de titel misschien verklaart. Dat maakt de verhalen niet hoogdravend, maar wel heel herkenbaar. Duidelijk wordt dat de impact van de pandemie bij iedereen sporen heeft achtergelaten. Wellicht zullen kinderen die in deze tijd geboren zijn, de verhalen over 25 jaar met interesse lezen. In die zin is deze bundel een waardevol document.

     

  • Niet de oorlog

    Niet de oorlog

    Ik stond in de keuken de spruitje voor in een kikkererwtentaart te halveren. Negen knoflookteentjes lagen op de bakplaat in de oven in hun schilletjes gaar te stoven. Uit het geluidsboxje op de plank boven het aanrecht hoorde ik iemand zeggen dat Marga Minco honderdtwee jaar is. Wow, de honderd al gepasseerd, deze schrijver die altijd in stilte opereerde, is stilletjes ouder geworden. Het was de stem van Annelies Verbeke die het in de aankondiging van de nieuwe podcast van Fixdit noemde. Ook dat Marga Minco de eerste levende schrijver in de podcast over klassiekers geschreven door vrouwen is. Vier schrijvers deelden hun enthousiasme over het werk van Minco en de verhalen in Achter de muur, Verzamelde verhalen. Ik denk Het bittere kruid, het zit erin gebeiteld. En haar terugkeer uit de onderduik toen er niets meer was om naar terug te keren, die sfeer herinner ik me uit haar verhalen. 

    Arnon Grunberg leest het verhaal ‘Iets anders’, waarvan hier alleen de dialoog.
    ‘Waarom deed u het?’
    ‘Ik weet het niet.’
    ‘Hebt u dit al eens meer gedaan?’
    ‘Nog nooit’, zei ze
    ‘Denkt u eens goed na’, zei hij
    Het is werkelijk waar’, zei ze
    Minco lezen is een sprong het diepe in, dan ontstaat langzaamaan een kader, een weten waarover het gaat. Haar dialogen worden geroemd.

    Niña Weijers vertelt dat ze in het Witsenhuis aan het Amsterdamse Oosterpark op de verdieping heeft gewoond waar Minco met haar man Bert Voeten en hun twee dochters van 1949 tot 1960 woonde. Dat Minco de echtelijke slaapkamer, waar net een bed in past, (dat wist Weijers omdat het ook haar slaapkamer was toen ze er woonde) moest ombouwen tot haar werkkamertje. En dat ze, armlastig als ze waren, geregeld in de brede dakgoot klommen, waar ze bleven zitten tot de deurwaarders vertrokken waren. 

    Ik denk aan Marga Minco, die ik enkel uit haar teksten ken,  als een teruggetrokken, bescheiden schrijver. Hoewel je in haar verhalen onderhuidse woede en ongeduld met de dingen proeft. In een interview met Ischa Meijer (deze podcast zet aan tot meer willen weten, Minco uit de kast halen), heeft Minco, die dan al zeventig is, het over Het bittere kruid, dat het met dat tuinpoortje in werkelijkheid anders was. Dat ze het tuinpoortje niet doorging, maar terug naar het huis ging, ‘en bonsde en iemand deed het tuinpoortje open en ik had mijn ster afgerukt – ik ging terug.’ Ze vertelt het verderop in het interview nog een keer, omdat het toch nog anders was. ‘ik had de ster van mijn jas gerukt en liet die trillend aan die mannen zien. Later breng ik dus die jassen naar binnen en vader hield ze aan de praat, (…) toen ben ik weggerend’. Ze ‘huilt een heel klein beetje’, noteert Ischa Meijer.  

    Uit het boxje op de plank boven het aanrecht klinkt de opgenomen stem van Minco, ‘Ik ben niet zomaar gaan schrijven omdat ik iets beleefd heb. Zoals mensen wel zeggen ‘wat ik nou heb beleefd, daar kan ik een boek over schrijven’. Maar je kan net zo goed schrijven vanuit je fantasie. Voor de oorlog schreef ik vanuit mijn fantasie.’ Dat niet de oorlog van haar een schrijver heeft gemaakt, maar dat ze dat al was. Dat wil ze weten.
    Deze podcast laat een Marga Minco zien voorbij Het bittere kruid. Lees haar verhalen, en daarna de kleine roman Nagelaten dagen, waarin alles nog eenmaal bij elkaar komt. Intens proza.

     

     

    Luister hier de Fixdit podcast met: Sanneke van Hassel, Annelies Verbeke, Arnon Grunberg en Niña Weijers.
    Citaten uit: De interviewer, 50 interviews uit 25 jaar interviewen / Ischa Meijer


    inge meijerInge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest, (en hoort).

  • Babystapjes of meer?

    Babystapjes of meer?

    Aan de vooravond van de bekendmaking van de nieuwe Nederlandstalige literaire canon valt het manifest Optimistische woede in de brievenbus. In vergelijking met de top-tien van 2002 staat op de lijst met auteurs een (één!) vrouw, namelijk Hella Haasse, doorgeschoten van plaats zesentwintig in 2002 naar plaats acht nu. Op de lijst met titels prijkt zij op plaats twaalf met Oeroeg. Haar naam wordt de laatste tijd terecht vaak genoemd als de vierde grote Nederlandse schrijver naast de zogeheten ‘Grote drie’: Hermans, Mulisch en Reve.

    En toch blijft er voor het schrijverscollectief Fixdit, de auteurs van Optimistische woede, werk aan de winkel. Veel werk kun je helaas wel zeggen. Fixdit bestaat uit de volgende Nederlandse en Vlaamse schrijvers: Yra van Dijk, Sanneke van Hassel, Rachida Lamrabet, Jannah Loontjens, Munganyende Hélène Christelle, Christine Otten, Gaea Schoeters, Shantie Singh, Fleur Speet, Manon Uphoff en Annelies Verbeke.

    Met twee maten meten

    De titel van het manifest, met het woord ‘woede’ erin, is opvallend. Immers: werd een vrouw niet lang neergezet als onsympathiek als zij kwaad wordt? Woede was lang not done, want een vrouw moet beheerst en liefst gelaten zijn. En aan het andere woord, ‘optimistisch’ werd tijdens een door De Balie in Amsterdam georganiseerde avond ook wat getwijfeld. Daarover straks meer.

    Het boek bestaat uit elf over het algemeen sterke stukken tekst van de schrijvers van Fixdit en het wat schreeuwerig opgemaakte Fixdit Manifest in het hart van de uitgave. Met onderaan de pagina’s doorlopend namen van vrouwelijke auteurs. Wat ontbreekt zijn korte biografieën van de schrijvers, al zijn de meeste namen wel bekend. Misschien valt dit in hetzelfde genre als ‘die vermaledijde verklarende woordenlijsten’ die Rachida Lamrabet de deur uit wil doen, omdat je een roman primair met ‘een literaire blik’ moet lezen? Al is dit natuurlijk geen roman.

    Op de vraag waarom vrouwen zoveel minder literaire prijzen dan mannen winnen (iets waaraan Marja Pruis tijdens genoemde avond in De Balie overigens twijfelde), worden in het boek verschillende antwoorden gegeven: door structureel seksisme of door ‘vooroordelen en beelden die we collectief geïnternaliseerd hebben [over] hoe een schrijver eruitziet’ (Shantie Singh). En ook door de vooroordelen van witte lezers ten aanzien van vrouwelijke auteurs van kleur, zoals Rachida Lamrabet schrijft.
    Ook op een andere vraag, of vrouwen minder goed zouden schrijven dan mannen, volgen verschillende antwoorden: nee, maar er wordt in de literaire kritiek met twee maten gemeten en dit idee is een culturele erfenis van eeuwen. 

    Wat is een vrouwenboek?

    Verschillende auteurs zoeken een andere insteek. Zo vraagt Sanneke van Hassel zich bijvoorbeeld af wat een ‘vrouwenboek’ eigenlijk is en concludeert dat het woord gewist moet worden. Fleur Speet vraagt zich af waarom er zo weinig historische romans zijn met een vrouw als hoofdpersoon. Zij stelt dat dit ‘een verdacht genre’ is en de auteurs vaak als ‘vertelster’ worden geafficheerd. Vervolgens komt ze met de vraag of het komt omdat ‘velen van ons niet weten hoe boeiend de geschiedenis van vrouwen is?’ Misschien leidde dit tot het ontberen van een rijke traditie van verhalen op dat terrein. Ze stelt voor ‘trots te zijn op de onderwerpen en thema’s die vrouwen juist vanuit hun eigenheid in de geschiedenis te berde hebben gebracht’. Manon Uphoff noemt gelukkig heel wat uitzonderingen, zoals Jeanette Wintersons Frankusstein, Anne van Eekerens Mary, Hemelse mevrouw Frederike van Maaike Meijer en Het lied van ooievaar en dromedaris van Anjet Daanje.

    De vooruitgang gaat met babystapjes. Zo is er dit jaar weer een vrouw (Lize Spit) aan de beurt om het Boekenweekgeschenk te schrijven en won als zeventiende vrouw Annie Ernaux dit jaar de Nobelprijs voor Literatuur. Maar, schrijft bijvoorbeeld Gaea Schoeters: begin bij jezelf. Als recensent, als lezer, door meer aandacht te schenken aan vrouwen in de letteren om ‘door hun ogen, op een andere manier naar de wereld te kijken’. Jannah Loontjens doet het in dit manifest. Zij gaat in haar eigen werk perspectieven na en perspectiefwisselingen, van man naar vrouw, of liever naar ‘meer ervaringen die bij vrouwenlevens horen’. Of zoals Munganyende Hélène Christelle, die in haar bijdrage komt met enkele namen van ‘intersectionaliteit’, zoals Gloria Wekker die zowel als vrouw als zwarte wetenschapper op de barricaden klimt. Om het noemen van namen gaat het natuurlijk, zoals Gustaaf Peek terecht opmerkte tijdens de avond in De Balie. Pas als er geen namen meer worden genoemd, is iemand echt dood en vergeten. 

    Avond in De Balie

    Die avond viel op de dag na het lanceren van de nieuwe canon en werd georganiseerd in samenwerking met Fixdit. Zo’n avond is een goede zaak, want de canon is iets om over te blijven discussiëren. Het mag geen gestolde opvatting zijn. Praten over literatuur, gendergelijkheid, diversiteit en inclusie is winst. In De Balie mochten onder anderen drie mensen een naam noemen die zij in de canon hadden gemist. Gustaaf Peek kwam met Dé-Lilah (pseudoniem van Lucie van Renesse), Marja Pruis met Patricia De Martelaere, en Nikki Dekker met Andreas Burnier. 

    Wat deze drie sprekers deden, was opmerken wat Fleur Speet in het manifest schrijft: het werk van vrouwelijke auteurs moet in hun eigenheid worden gelezen, ‘niet in vergelijking tot mannelijke auteurs, niet met de huidige canon als maatlat, maar in vergelijking tot henzelf’. Als ‘autonome kunstenaars’, schrijft Manon Uphoff. Door mannen en vrouwen die zich niets aantrekken van welke canon dan ook. In de uitgeverswereld, door auteurs, de literaire kritiek, docenten, bibliothecarissen en lezers. Dan zijn we meer dan een babystapje verder.

     

  • Romantiek

    Romantiek

    Verhuizen is wel een ding. Achttien keer trok ik van het ene naar het andere adres, bewoonde kamers, appartementen, huizen. Soms voor de duur van een jaar, een half jaar, vaker zeven of drie jaar. Tegenwoordig zegen ik mezelf in stilte, we wonen al acht jaar (acht jaar!) in hetzelfde huis. Hardop zeg ik, ‘Nee hoor, wij zitten hier goed, wij blijven hier tot het einde der dagen’. Als was ik het verhuizen moe. Toen hoorde ik over een koetshuis aan de rand van het dorp, dat te huur staat. Ik ging er wandelen, liep achterlangs, keek over de heg, liep voorlangs, keek de oprit langs. En zag mogelijkheden. Ik ken het huis, alle dagen dat ik naar de stad fiets kom ik er voorbij. Met ruimte voor aanleg van een moestuin, het houden van kippen, stond in de annonce. Het huis met koetshuis deed zich anders voor nu ik mezelf er zag rondlopen, door openslaande tuindeuren het terras betredend. De verhuur is op basis van gunning, hoofdbewoners en huurders moeten elkaar liggen. Daarvoor dient een aanbevelingsbrief geschreven, er zijn anderen die er ook willen wonen. Nu zin ik op een brief waarbij ik eventuele nadelen (niet vermogend, maar genoeg tijd voor onderhoud van erf en tuin; drie katten, goede muizenbestrijders), als voordelen wil inzetten.

    Ondertussen blader ik gretig door een lijvig boek, zwaar als een motoronderdeel, met veel foto’s, tekeningen. Zo’n boek waar ik anderen mee lastig val. Kijk, luister, wist je, zal ik je iets voorlezen? Er staan prachtige verhalen in, reisverhalen, interviews. Jan Cremer, Anna Blaman en Jan Arends worden genoemd. Een motor die het gevoel van vrijheid vertegenwoordigt in een verhaal van Sanneke van Hassel. De rode Honda van haar vriend die al jaren ongebruikt op de stoep staat. ‘Hij staat daar opdat mijn man kan wegrijden.’ Carel Helder over een man die een Moto Guzzi kocht, ermee naar de Guzzi fabriek in Italië rijdt, in zijn garage vloerverwarming laat aanleggen. Daar op lange winteravonden naar zijn motor zit te kijken.

    Ik denk aan de grote schuur belendend aan het koetshuis. Lees verder over motorclubs, reizen en de dood. Een motorrijdende vrouw verliest haar lief in het Himalayagebergte, hij schoot met zijn motor 300 meter de diepte in, dood. God, wat een leven. Ze blijft nog maanden in Tibet, besluit dan, ‘Ik zal rijden tot ik heb gevonden’. Het verhaal gaat dat samensteller Paul Abels op bezoek bij A.L. Snijders, deze zijn motor, een Moto Guzzi aanbood om er een ritje op te maken. Dat leek Snijders niet verstandig. Na de koffie wordt Abels uitgezwaaid door Snijders. Op de snelweg met een vaart van 120 km loopt de motor vast. Hij kwam er goed vanaf, het zette aan tot dit boek, Motorrrraria, waarin levens liefdes en ongelukken gebeuren.
    Klinkt nu op mooie dagen het allesdoordringende geronk van motoren die over de dijk het dorp naderen, hoor ik opeens de romantiek daarachter, heb weet van een Moto Guzzi.

     

    Motorrrraria /samenstelling Paul Abels / AFdH uitgevers (2011)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met mondkapje en schrijft over bewegingen aan de randen van de literatuur

  • Tomaten en Biesheuvel

    Tomaten en Biesheuvel

    Er was eens een vriendengroep die elkaar gevonden hadden in het korte verhaal. Van de zes vrienden was er een verhalenschrijver, waakte een ander over de juiste woordkeuze, was er een handelaar in verhalen, een verteller, een luisteraar en de zesde voorzag de opbouw van de verhalen van een kritische noot. Eens in de maand troffen ze elkaar in een huis met zes kamers in het Oosten van het land. Dan reisden ze daar met koffers vol verhalen, flessen calvados, wijn, en één paar schone sokken naar toe. Nadat ieder zijn spullen had uitgepakt, de calvados en wijn in de keuken op het drankflessenschap waren bijgezet, kookten ze gezamenlijk een maaltijd. Toen de tomaten gesneden waren, de eieren gekookt, schoven enkele vrienden om de keukentafel en werden de eerste glazen gevuld. De verteller, popelend om als eerste een verhaal te vertellen, vroeg: ‘Duurt het nog lang voor de aardappelen gaar zijn?’ Nog twintig minuten’, zei de handelaar in verhalen.

    En zo begon de verteller, die wachttijd ziet als een lege hand die gevuld moet worden, te vertellen. ‘Ik las in een  boek van fijnbladig papier een verhaal geschreven door een Angstkunstenaar. Een verhaal dat me deed beseffen dat je bij wat je ook onderneemt, op alles voorbereid moet zijn.’ ‘Begin nu maar’, zei de verhalenschrijfster, ‘anders zijn zo de aardappelen gaar’. Welnu: ‘Er waren twee pastoors van plan waren de St. Pietersberg bij Maastricht – bestaand uit een doolhof aan gangen waar zelfs gidsen niet verder dan dertig meter naar binnen durfden gaan – te onderzoeken. Op hun vrije dag gingen ze met een haspel, waarop vierduizend meter dun touw en wat kaarsen de berg binnen. Voor ze het gebergte betraden, ontstak een journalist van een landelijke krant, hun kaarsen. Welgemoed liepen ze door duistere gangen met flakkerende kaarsen, het dunne touw gestaag afdraaiend van de haspel. Na honderden meters wilde de ene pastoor weten hoe donker het nu zou zijn, zonder kaarslicht. Beiden blazen hun kaars uit. ‘Donker hè?’, zei de een. ‘Huu’, zei de ander, ‘Maar we moeten weer verder. Heb jij vuur, lucifers of aansteker?’ ‘Nee, ik rook niet.’ In het aardedonker vielen ze in een kuil, het dunne touw dat ze naar de uitgang moest leiden, knapte en ze stierven een langzame dood.

    Tijdens zulke dagen ontstond er bij de vriendengroep van het korte verhaal, het idee een prijs in het leven te roepen voor de beste korte verhalenbundel van het jaar. Een prijs om het verhaal onder de aandacht te brengen, die de winnaar en niet-winnaars op scherp moet zetten nog meer verhalen te schrijven. De prijs moest vernoemd naar de meest unieke verhalenverteller aller tijden, J.M.A. Biesheuvel, en zo geschiedde. In 2020, het vijfde jaar, viel er een hiaat (te weinig prijzengeld, keuze aanbod te klein), knapte het draadje van geloofwaardigheid (door schrijvers als Sanneke van Hassel, Thomas Verbogt te negeren) en zou de prijs een langzame dood sterven.

    Eert het verhaal en zijn verteller zoals uw vader en uw moeder en God in de hemel in de gedaante van Karel van het Reve, zou Biesheuvel kunnen zeggen. De prijs had hoe dan ook uitgereikt moeten worden.

     

     

    Geïnspireerd op het verhaal ‘Vier mannen’ uit de Angstkunstenaar (1987) in Verzameld werk 3 / J.M.A. Biesheuvel / Van Oorschot.


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Omnibus 

    Omnibus 

    Het klinkt als een mantra door mijn hoofd, al weken. Steeds wil ik zeggen ‘weet je wat ik zou willen?’ Maar eerst moeten er koffiebonen gemalen, het espressopotje op het vuur gezet, havermelk schuimen, luisteren naar berichtgevingen uit de krant die vanaf de keukentafel worden voorgelezen. Er was een stil verheugen, alsof het een geheim was. Zoals een exceptioneel goed boek dat weinig bekend is, wel ‘best kept secret’ wordt genoemd. Ik denk eraan als ik een zwerver in het park tegenkom, of een vrouw alleen, die me op een bepaalde manier in haar verschijning bekend voorkomt, of een man die zichzelf in een huwelijk achterliet. Dan denk ik aan de verhalen van Sanneke van Hassel.
    Het verhaal van een Kaapverdische man, die zijn dromen in de jaren dat hij als buschauffeur in Nederland werkt, ziet vervliegen.  Naarmate hij meer verlangt naar zijn familie, het strand, de oceaan, waar hij opgroeide, hoe afweziger hij wordt.

    Alleen ging hij nog wel eens terug, hoefde hij maar een ticket te kopen, nu vier, voor zijn vrouw en twee kinderen. Op een dag komt er een oude vrouw de bus in. Ze heeft vingers als ‘stokjes’ en een ‘papierdunne huid’. Ze gaat naast hem staan, kijkt afwezig mee door de voorruit. Hij vraagt zich af, terwijl ze langs de buitenwijken rijden, of ze verlangt naar de velden van toen waar nu huizen staan. Hij verzint in haar een bondgenoot in het verlangen naar vroeger. Als hij ‘s avonds laat thuis komt, zegt zijn vrouw ‘Ik heb naar tickets gezocht.’ Maar het is te duur.
    Of dat verhaal over een buurt waar families met uiteenlopende achtergronden wonen. De boel staat op scherp, door de gebeurtenissen en door hoe de schrijver, zichzelf corrigerend, het vertelt.

    ‘Op straat, voor ons huis, lag een zwarte scooter op zijn zijkant. Ernaast stond een jongen jammerend voorovergebogen, met zijn handen op zijn knieën. Hij had donker haar, een smal postuur en hij droeg een wit trainingsjack. Een Marokkaan, dacht ik.’ En dan: ‘een Marokkaanse Nederlander, geen Marokkaan.’ Verderop in het verhaal schrijft ze, ‘ wat doet het ertoe waar al die mensen en hun voorouders vandaan komen?’
    En er is dat bejaarde Amerikaanse stel, hun huwelijk versleten, dat naar Europa reist. ‘Nooit had hij behoefte in het verleden te graven. Tot vorig zomer, onder de magnolia vierde hij zijn zeventigste verjaardag. Na afloop ging hij nog even in de serre zitten. In het schemerdonker, tussen de lege glazen van de gasten, stond de foto van zijn vader (…), de stuurse mond, de harde blik.’ Dan, met barse stem tegen zijn vrouw, ‘Ik wil erheen. Naar de stad waar mijn vader vandaan komt.’, en ze gaan.

    Wat ik dus wil zeggen, is dat ik droom van een omnibus met alle verhalen van Van Hassel. Zo’n kilo wegend verzamelboek, net als Alice Munro en Clarice Lispector, want zo goed zijn de verhalen van Van Hassel. Je wilt ze allemaal hebben.

     

    Citaten uit: Nederzettingen van Sanneke van Hassel / De Bezige Bij


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar belevenissen onderweg en aan de rand van de literatuur.

  • Spannende portretten van gewone mensen

    Spannende portretten van gewone mensen

    Sanneke van Hassel (1971) staat bekend als pleitbezorger van het korte verhaal. Ze publiceerde meerdere romans en verhalenbundels en won in 2013 de Anna Blamanprijs voor haar gehele oeuvre. Nederzettingen is haar meest recente verhalenbundel met zestien korte verhalen die allemaal gaan over een thuis of juist het gebrek daaraan.

    Van Hassel schrijft geen epische verhalen met grootste plotwendingen. Haar stijl doet denken aan de geschreven portretten op Instagrampagina Humans of New York, waarop dagelijks een foto verschijnt van iemand die de fotograaf is tegengekomen op straat. De personages van Van Hassel kun je ook zomaar tegenkomen: het is degene die gaat kijken bij een ongeluk, uit de tram stapt bij halte Javabrug of een busbestuurder in Rotterdam. In elk van de zestien verhalen uit Nederzettingen spelen zulke mensen een hoofdrol.

    Hoewel Van Hassel schrijnende gebeurtenissen beschrijft die op een drama kunnen uitlopen, wordt het nergens ongeloofwaardig. In het verhaal ‘Plastic man’ vindt een zwerver bijvoorbeeld een lijk: ‘Ik zag het drijven. Met zijn gezicht naar beneden. Het was een man in een beige jack. Het jack was een ballon. Zijn handen, grauw en opgezwollen. Zijn haar waaierde om zijn hoofd. Ik heb hem met een stok in de richting van het pad geduwd.’ Juist deze simpele zinnen zijn doeltreffend: niet alleen zie je het lijk drijven, ook zegt dit veel over de zwerver. Kennelijk kan de zwerver geen hulp halen of iemand bellen, maar niets doen is ook geen optie.

    Naderend onheil

    Een ander voorbeeld van goed uitgewerkt drama is het verhaal ‘Ik hoor het wel als we gaan inpakken’, over een gezin dat uit de stad vertrekt om landelijker te gaan wonen. De hoofdpersoon en haar man zijn goed bevriend met dit gezin: ‘In een van de laatste verhuisdozen die in de hal stonden, stopte Flip een fles champagne die ze bij het openmaken zouden vinden.’
    Een paar pagina’s verder, wanneer de hoofdpersoon en Flip op bezoek gaan bij het gezin, is de sfeer omgeslagen: ‘Ze liep voor ons uit als een makelaar voor een koppel waarvan ze vermoedt dat ze niet werkelijk geïnteresseerd zijn, plichtmatig deuren openend, verlichting aan en uit doend. In het huis was alles wit, de muren, de meubels, de kleden op de vloeren.’
    Hoewel het verhaal geen horrorelementen bevat, is Van Hassel erin geslaagd het dreigend te maken. De verhoudingen tussen de personages staan op scherp en ieder moment kan er iets vreselijks gebeuren.

    In meerdere verhalen schuilt een dreiging. Het eerste verhaal uit de bundel, ‘In onze straat’, gaat bijvoorbeeld over een ongeluk met een scooter waarbij verschillende nationaliteiten betrokken zijn en de hoofdpersoon gaat bemiddelen. ‘Het zwijgen breidde zich uit. Hoe iedereen elkaar vijandig aankeek – “Mijn fiets,” ik probeerde luchtig te klinken, “was een keer per ongeluk tegen een busje gevallen, en toen heeft de verzekering alles vergoed. Dat ging heel gemakkelijk.” Iedereen bleef zwijgen.’
    ‘It’s not how good you are’ speelt zich grotendeels af tijdens een bijeenkomst voor zelfstandig ondernemers, waarbij de sfeer steeds verstikkender wordt: ‘Ze ging in een hoek zitten, zo ver mogelijk van de deur. Achter de glazen pui waren de mistflarden uitgegroeid tot een wolk, die hen van de wereld afschermde.’

    Alles klopt

    De meeste verhalen zijn gesitueerd in Rotterdam. We zien de stad niet alleen door de ogen van de zwerver, een buschauffeur of een moeder, maar in ‘De geur van mandarijnen’ ook door de ogen van een Schotse vrouw: ‘Anderhalf jaar werkte ze hier nu maar ze kende niet veel meer dan een handvol restaurants en winkels hier in de buurt. Haar appartement was een paar flatgebouwen verder, de trein naar het vliegveld ook.’ De hoofdpersoon zal een jaar later worden overgeplaatst naar Londen, maar wanneer ze na haar werk naar een café gaat, ontdekt ze toch iets wat haar aan deze stad bindt.

    Alle zestien verhalen zitten goed in elkaar. Van Hassel  benadert haar onderwerp vanuit verschillende invalshoeken  en dat maakt de bundel zeer afwisselend. Ieder verhaal onderscheidt zich, geen enkele vertelling had weggelaten kunnen worden en het boek leest als een geheel; het klopt precies. Bij ieder verhaal zit je binnen drie zinnen in het hoofd van de verteller. Meestal heb je geen idee hoe het zal aflopen, maar wanneer je het denkt te weten, heb je het zonder uitzondering mis. Het boek bevat geen pretentieuze taal, iedere verteller heeft een eigen stem waardoor de verhalen tot leven komen.
    Niet alleen is Sanneke van Hassel pleitbezorger van het korte verhaal, Nederzettingen is ook een fantastisch uithangbord voor dit genre.

     

  • Een ode aan woorden die werken

    Een ode aan woorden die werken

    Debuterend dichter Dean Bowen besteedde eind mei een belangrijk deel van zijn spreektijd tijdens de avond dat de C. Buddingh’ Prijs uitgereikt werd aan het noemen van namen. Ruim twee minuten liet hij de namen klinken van niet-witte Nederlandse schrijvers: ‘Ik  herhaal hun namen, zodat ze niet uit monden gewassen worden.’
    Wat Dean Bowen deed, was geen overbodige luxe. De meeste namen die hij noemde, zeiden het aanwezige publiek – hoe literair onderlegd ook – hoogstwaarschijnlijk niets. Zoals de literatuur uit de (voormalige) overzeese gebiedsdelen voor de meeste toeschouwers grotendeels (nog) onontgonnen gebied is.

    Dean Bowen is een dichter die in zijn werk ‘de dynamiek van de samengestelde identiteit’ onderzoekt. Zijn ‘canon’ was een statement, zoals ook zijn gedicht .canon in de genomineerde bundel Bokman een statement was. Halverwege een verder witte bladzijde staat alleen die ene regel: ‘Ik  herhaal hun namen, zodat ze niet uit monden gewassen worden’.

    Raoul de Jong is een schrijver die op een heel andere wijze dan Dean Bowen bezig is met identiteit.
    Maar hij zoekt ook en ook zijn zoeken mondt uit in verhalen. Weliswaar schrijnen die van hem minder dan die van Dean Bowen, maar hun zeggingskracht is er niet minder door. Zijn meeste recente verhaal werd een vertelvoorstelling over de geschiedenis van Suriname.

    Tweemaal nam hij op het toneel plaats achter een schrijftafeltje om te vertellen hoe hij na een ontmoeting met zijn Surinaamse vader de confrontatie met Suriname en daarmee met zijn eigen identiteit aanging. Zijn ervaringen in het land van zijn voor- en voorvoorouders vormden de rode draad, maar in In Suriname: een ode aan Surinaamse helden hadden velen een aandeel. Raoul de Jong en Sanneke van Hassel vervlochten zijn verhaal met teksten over het (slavernij)verleden van een land dat al voor de koloniale inmenging van Nederland een samengestelde identiteit had.

    Op het toneel zaten bijna alleen maar niet-witte mensen – Pierre Bokma was de uitzondering, en ook in de zaal waren de witte mensen in de minderheid.

    Sanneke van Hassel bepleitte het opnemen van fictie in de voorstelling, en vanzelfsprekend zaten daar namen uit de canon van Dean Bowen tussen. Hun teksten vulden de geschiedschrijving en de berichtgeving in de media aan.
    Schrijvers genieten nu eenmaal een vrijheid die officiële instanties niet hebben. Zij kunnen de klemtoon leggen waar ze willen. Zij hoeven zich niet aan de feiten te houden. Terwijl zij toch de waarheid blijven spreken.

    Zwart en wit werd geraakt door In Suriname: een ode aan Surinaamse helden. De zaal zinderde. Niet iedereen zal hetzelfde gevoeld hebben. Niet iedereen zal hetzelfde verhaal gehoord hebben, maar de woorden deden hun werk. Ze drongen door tot de kern. Ze kwamen aan. Ze legden een vinger op een zeer zere plek.
    En ze luchtten op.

     

    De canon van Dean Bowen (eigen opname):

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

     

  • Op drift geraakt

    Op drift geraakt

    Je zou kunnen zeggen dat de tweede roman van Sanneke van Hassel gaat over ‘boze Nederlanders’, of zoals Sybrand Buma ze onlangs herdoopte ‘gewone Nederlanders’, en een personage dat daar lijnrecht tegenover staat. In Stille grond zet Sanneke van Hassel haar personages in om twee parallelle werelden uit te werken die elkaar niet of nauwelijks raken en mensen ten tonele te voeren die naast of langs elkaar leven.
    Landa en Leon vormen samen met hun pasgeboren dochtertje Cato de ene verhaallijn,  Johannes en een dakloze vrouw die hem uit het lood slaat de tweede.
    ‘Gewone’ flatbewoners in Rotterdam aan de ene kant en een man die in de opvang er tegenover werkt aan de andere kant. De verbindende schakel tussen beide werelden is de daklozen- en verslaafdenopvang Smallenburg met de bijbehorende volkstuin pal tegenover de goud gespoten flat waar het jonge gezin woont. Voor die volkstuin is Johannes verantwoordelijk.
    Op de plaats van de volkstuin had een plantsoentje moeten komen en dat dit niet zo is, zit Landa dwars; het moet en zal er koste wat kost komen. Als tegenwicht tegen alle ellende voor de deur.

    Landa en Johannes
    ‘Het gaat niet goed in dit land, en hier is dat al jaren te zien (…). De mensen zijn op drift, ze zorgen niet meer voor elkaar en al helemaal niet voor de plek waar ze wonen’ meent Landa. Johannes heeft een andere kijk op de zaak, en op de wereld. Al jong vroeg hij zich af waarom mensen ‘elkaar links laten liggen en zelden een ander oprapen.’ Hij kiest ervoor om ‘niet tegen de politiek of het systeem te strijden’, maar om mensen te eten te geven, ze te helpen met hun papieren, en een bed voor ze zoeken. Ook als hij door Wouters, zijn leidinggevende, namens Smallenburg naar vergaderingen gestuurd wordt, blijft hij zijn eigen uitgangspunten trouw.

    Tegenover het goed uitgewerkte karakter van tobber Landa staat Johannes, die qua karakter een minder sterke ontwikkeling doormaakt en een gelijkmoedige en zachtmoedige, christelijk opgevoede liefhebber van de motetten van Bach blijft. Hij is in staat ‘de menselijke ellende in toom’ te houden en te overstijgen, hoewel een dakloze vrouw hem het hoofd op hol brengt.
    Leon, Landa’s echtgenoot, is een realist. Als hij hoort dat zijn vrouw contact heeft gehad met Jos de Palm van de Volkspartij (gebaseerd op Leefbaar Rotterdam) over ‘het zooitje aan de overkant’, vindt hij dat ze haar tijd beter aan het zoeken naar werk had kunnen besteden. De Palm is overigens een karakter dat als seksistische Bourgondiër wat karikaturaal is uitgewerkt. Landa trekt het contact met De Palm en de Volkspartij zelfs nog wat aan, en gaat mondjesmaat zoeken naar werk. Thuis hebben ze inmiddels een oppas, dus dan gaat dit allemaal wat makkelijker. Toch weet ze niet helemaal wat ze van de Volkspartij moet denken, omdat ze ook weet dat De Palm op de dure grond wil bouwen. Maar van denken komt doen en tegelijk ook, zonder al te grote gevolgen overigens, laten … Een kleine, geestig en beeldend beschreven scène in de roman.

    Het boek, dat in een prettige, heldere stijl is geschreven, legt het huidige tijdsgewricht genadeloos bloot. De vraag is wie op drift zijn: daklozen en verslaafden – of verder doorgeredeneerd asielzoekers – of de gegoede middenklasse.
    Het verhaal zelf is klein en overzichtelijk gehouden. Er zijn maar een paar personages, elk met zijn/haar eigen vocabulaire. De roman geeft ook onderhuidse kritiek op de al evenzeer op drift geraakte politiek. De ‘gewone burger’ weet de weg naar een politieke partij als de Volkspartij wel te vinden en wordt daar juichend binnengehaald. De daar overheersende vriendjespolitiek wordt overtuigend beschreven. Alles is raak geobserveerd en zorgvuldig genoteerd. Sanneke van Hassel is niet alleen als schrijfster van verhalen maar ook als auteur van romans iemand om te blijven volgen.

     

     

  • Internationale poëzie en Strak proza in Terras en De Revisor

    In de eerste editie van Terras,  geeft de achtkoppige redactie (waaronder Micha Andriessen, Kim Andriga, Erik Lindner, Hélène Gelèns en Miek Zwamborn) toe dat de naam Terras niet toevallig een anagram is van Raster (1977-2008). Raster is de inspiratiebron waar de redactie op vaart. De redactie is tevens de bewaarder van de literaire erfenis van Raster met een website. Evenals voorheen Raster, richt Terras de aandacht vooral op internationale literatuur.

    In het nulnummer van Terras ligt het accent op poëzie. Erik Lindner schreef een mooi portret van de Chinees-Taiwanese dichter Shang Ch’in (1930-2010). Op 15 jarige leeftijd wordt Shang Ch’in opgepakt door plaatselijke troepen en in een schuur opgesloten. Een schuur vol literatuur, waar hij eerst niets mee doet maar die hij later gaat lezen. Hierna volgt een leven van gevangenschap en ontsnappingen. Vanaf 1955 schrijft hij prozagedichten. Lindner ontmoette Shang Ch’in tweemaal in zijn leven waarover hij een mooi verslag schreef.
    Lindner is ook verantwoordelijk voor de inleiding bij de gedichten van de Zweedse dichter Lars Gustafsson in vertaling van Bernlef.

    De dichter K. Michel vertaalde de gedichten van de Amerikaan Russel Edson (1935) en schreef een inleiding op zijn werk, ‘nagenoeg allemaal prozagedichten die nog het meest doen denken aan duistere sprookjes’. Michel typeert Edson als een een soort kruising van Beckett, Charms, Michaux en Gerdrude Stein, waarbij hij zich tegelijk afvraagt wat deze typering bijdraagt aan het beeld van Edson. Als kennismaking met deze relatief onbekende dichter biedt het in ieder geval een kader voor wie hem kennen wil. Luister: ‘En zo kwam de zon door het raam van een kamer en wekte / een persoon die koffie schonk uit een mok in zijn hoofd.’ (Uit het gedicht: Verschijning)
    De poëzie van de Australiër Les Murray wordt ingeleid door Mischa Andriessen, waarbij hij ingaat op de ‘in een veelheid  aan vormen gevangen tegestrijdigheden’ van Murray’s poëzie. Hélène Gelèns gaf zich gewonnen voor de poëzie van de Duitse dichteres Monika Rinck met het gedicht, ‘vijver’.
    Van de Fransman Pierre Michon, een fragment uit zijn onlangs gepubliceerde boek, Elf.

    En een verhaal van de Amerikaanse schrijver Richard Powers (1957), Gemeten maten. Waarin Powers een mensenleven afmeet tegen de leesgeschiedenis van een boek. De inleiding hierop werd geschreven door Jan Pieter van der Sterre.
    Bijdragen (zonder inleiding) werden geschreven door Janneke Wesseling, Tonnus Oosterhoff, Jan Baeke en Anneke Brassinga, auteurs van eigen bodem waarbij de redactie er waarschijnlijk van uitging dat zij geen voorspraak nodig hebben. Terras toont zich veelzijdig in haar opgenomen stukken. Enige minpunt is de layout, die leest niet prettig. Het geeft een wat rommelige indruk en dat heeft te maken met de inleidingen die steeds in twee kolommen per pagina gedrukt zijn. Hiermee wordt de illusie van een krantenpagina gewekt, maar de bladzijden zijn duidelijk te klein om met twee kolommen te werken.

     

    In de tweede editie van De Revisor, die toch net even wat lekkerder oogt en in de hand ligt, veel sterk proza. Het lastige met een literair tijdschrift is dat er een grote verscheidenheid aan literatuur in staat. Soms, heel soms kun je niet verder lezen, na een verhaal zoals De stok van Bart Koubaa, waardoor alle andere bijdragen in het niets verdwijnen. In een ritmisch dwingende stijl verhaalt Koubaa over een jongeman en een stok, die hij vond toen hij veertien was. Een is een rusteloze, ontheemde jongeman voor wie die stok het enige kader in zijn leven blijkt. Het is een gewelddadig verhaal, zonder dat er daadwerkelijk geweld in voor komt. Achter de woorden (niet ertussen, want die zijn hermetisch gesloten) is een wereld voelbaar van angst en voortvluchtig zijn. Adembenemend verteld.

    Elke Geurts schreef Terug naar huis. Het verhaal wordt verteld door de 15-jarige Erica, die samen met haar ouders in het ziekenhuis is waar haar doodzieke babyzusje Summer is binnengebracht. Een gezin dat niet in orde is. De moeder en vader zijn niet sterk begaafd en dochter Erica voelt zich voor het welzijn van haar zusje verantwoordelijk. Maar het verplegend personeel stuurt haar, als minderjarige, naar huis. Erica is een sterk karakter, met veel  ontwijkend gedrag. De scène waarin ze, alleen in de taxi naar huis wordt gebracht, verklaart veel. En zo zijn er meer, veel meer mooie stukken proza in De Revisor van onder meer Sanneke van Hassel, Rob van Essen, Richard de Nooy, een echt kort verhaal van Gerbrand Bakker en een intrirgerende brief(wisseling) in Je sneeuwvlokje, Brieven aan Christophe Vekeman, van Peter Terrin. Victor Schiferli schreef een mooie reeks gedichten met De man van vroeger. Meer gedichten van o.a. Martijn den Ouden (die vorig jaar debuteerde met Melktanden), Anneke Brassinga en Hans Groenewegen. Jan van Mersbergen schreef een essay getiteld Helden, slachtoffers, rampen. Erik Lindner ontmoette Colin Newman, voorman van de punkband Wire. Hij was ooit fan, maar is inmiddels de punk ontgroeid. Des te beter kan hij de band volgen in hun ontwikkelingen. Want het ‘venijn’ van punk is geheel uit Wire verdwenen.

    De Fransman Daniel Cunin is literair vertaler, hij schreef: Van Duinkerken tot Vlieland, van Hadewijch tot Hafid. Het is de visie van een Franse lezer over de Nederlandse literatuur. Vertaald door Jan Pieter van der Sterre. Daan Stoffelsen schreef het redactionele stuk, een zoektocht – met veel vragen en twijfels -naar literatuur. De Revisor: een literair avontuur.

     

    Terras
    Uitgeverij Perdu
    verschijnt 3 x per jaar
    Prijs los nummer: € 12,50
    Abonnementen: € 30,-

    De Revisor
    Uitgegeven door:
    Querido / Stichting De Revisor
    verschijnt tweemaal per jaar
    Prijs los nummer: 19,95