• De dichter als beeldhouwer

    De dichter als beeldhouwer

    De poëzie van Nachoem Wijnberg in zijn 21ste bundel Hoe het werkt is niet lyrisch, maar wetenschappelijk van aard. Hij onderzoekt hoe poëzie werkt en probeert dat door te trekken naar andere vormen van kunst, zoals schilderkunst, muziek, beeldhouwkunst, textiele werkvormen, maar ook de vertaalkunst. De techniek van het maken van poëzie staat voorop: als je weet hoe je kunst moet maken, kun je die dan ook verbeteren? De dichter gaat hierbij te werk als een ambachtsman die een product wil neerzetten: alle mogelijkheden van aanpak worden beoordeeld, er wordt aan geknutseld, geschaafd, verbeterd. Alsof de dichter om zijn gedicht heen kan lopen als een driedimensionaal object.

    Het maken van poëzie is arbeid. Door na te denken over hoe poëzie werkt, probeert de dichter ook inzicht te krijgen in zijn eigen werkwijze en dus in zijn eigen geest. Ook de dichter Rutger Kopland probeerde inzage te geven in het vervaardigen van een gedicht in zijn proza-aantekeningen ‘Over het maken van een gedicht’ in de bundel Al die mooie beloften uit 1978. Maar waar het bij Kopland meer om de aanleiding en de inspiratie ging, belicht Wijnberg vooral de technische kant van het plaatsen van woorden, het maken van keuzes, het procedé.

    Poëzie interpreteren laat Wijnberg aan de lezer over. Hij biedt daarvoor keuzes te over, omdat hij zo veel mogelijk interpretaties plausibel wil maken. Elk geschreven woord is een bewuste keuze van de dichter en moet dus voor de lezer verschillende richtingen uit kunnen gaan. Hij maakt hierbij gebruik van de kracht van de herhaling van woorden en zinsneden. Veel gedichten dragen daarom dezelfde titel, alsof een enkel gedicht op verschillende manieren geschreven kan worden. Opvallend zijn ook de vele vergelijkingen, vooraf gegaan door het woord ‘zoals’, dat vaak voorkomt, evenals ‘alsof’, omdat alles met alles vergeleken kan worden in de kunst, want: ‘Alles kan met alles een vorm gegeven worden, in elke kunst/ en, als alle tijd, ook daarbuiten’. (Uit: ‘Zo ver als het gaat’)

    Interpreteren wat er is ingelegd

    Voor Wijnberg gaat poëzie van de lezer terug naar de dichter: de lezer dient te interpreteren wat de dichter er misschien wel, misschien niet in gelegd heeft. Zo is de titel van de bundel op twee manieren op te vatten: enerzijds hoe de dichter te werk gaat bij het maken van poëzie, anderzijds hoe die poëzie inwerkt op de lezer ervan. Voor de lezer is het lezen van deze gedichten als dwalen door een bos, waar Wijnberg én de lezer beiden niet van weten waar het ophoudt of waar het bos op uitkomt: ‘Nog een aanwijzing/ die mij laat raden hoe het verder gaat, […]’.

    In de richting van tijd

    In de richting van tijd
    kan ik niet zeggen dat wat voor een deel verborgen is
    door iets anders daarom verder weg is
    en in welke andere richtingen is diep niet altijd ver?

    Als de achtergrond het verst weg is
    in de richting van tijd is wat op de achtergrond gebeurt
    als een stipje licht waar ik jarenlang
    een afbeelding van mijn afbeelden op kan richten,
    zoals wie de lens een hele nacht open laat staan
    voor één onheldere ster en de maan
    wordt een kromme veeg daaronder. Elke kunst laat tijd langzamer gaan,

    wat druk naar buiten geeft,
    zoals tegen de onderkant van een vleugel
    en meer druk in de richting van waar de kunst opbolt
    in de wind van de tijd.

    Poëzie als ambacht

    Dit is poëzie als ambacht, lastig en ontoegankelijk, al vindt Wijnberg zelf zijn poëzie niet moeilijk: ‘Ik schrijf een zo helder mogelijke tekst als ik kan’. Hij is oprecht en daadwerkelijk geïnteresseerd in hoe poëzie tot stand komt. Deels uit persoonlijke overwegingen, maar ook om te zien hoe het proces van het maken van poëzie doorgetrokken kan worden naar andere dichters en kunstenaars. Deze bundel kent geen afdelingen, omdat de gedichten allemaal gelezen kunnen worden als een aaneengesloten gedachtegang, het denkproces van de dichter. Het ene gedicht leidt naar het andere. Wijnberg maakt gebruik van een visueel hulpmiddel door in te springen in de marge bij bepaalde regels. Alsof de gedichten een kern van belangrijkste regels bevatten, of zoals bij een sonnet een volta, waar het oog onmiddellijk naartoe geleid moet worden.

    Een ander opvallend aspect in de gedichten is de ingewikkelde syntaxis van de zinnen, waarbij zorgvuldig lezen en herlezen noodzakelijk is. Op het eerste gezicht lijken de zinnen niet te kloppen, maar dat is slechts schijn. Het enige persoonlijk voornaamwoord dat de dichter gebruikt is ‘ik’. Waar het over gaat, wordt niet direct aangeduid, maar omschreven, zoals in de eerste strofe van het eerste gedicht ‘Wat een begin blijft’:

    Wat het begin kan zijn
    omdat ik niets anders weet
    waarvan meer wegen gaan naar wat het meest als dit is,
    waar het eerste zeggen hoe verder is
    dat ik het begin kan herhalen in plaats van wat ik nog niet weet.

    Maar ook deze omschrijving is zo complex, dat de verwarring bij de lezer toeneemt. De zin lijkt grammaticaal te ontsporen, alsof poëzie in zichzelf een ontregelende werking heeft op de taal of door de gecreëerde chaos juist orde schept.

    Taalvaardigheid van de dichter

    Een kunstvorm die Wijnberg het meeste bespreekt, naast de poëzie, is de muziek. De dichter is gefascineerd door muziek, omdat de werking ervan een raadsel voor hem blijft: “Ik kan hoogstens zeggen/ hoe muziek op mij werkt, niet hoe die werkt’. Soms zijn poëzie en muziek elkaars concurrenten, soms samenzweerders in de strijd om niet vergeten te worden. In het gedicht ‘Techniek’ schrijft Wijnberg: ‘Alle andere technieken/ van poëzie om wat dan ook langzamer/ te vergeten en muziek/ om poëzie langzamer te vergeten.’

    Interessant is ook de vergelijking van poëzie met toneel en dan met name waar het gaat om het spelen van rollen en het dragen van maskers, wisseling van personages. Wijnberg zegt daarover in het gedicht ‘Schrijven, lezen’: ‘Ik lees langzamer, schrijf sneller/ wanneer het om mij heen sneller groter wordt dan ik verder ga,/ het tegenovergestelde van dat ik steeds meer wil overslaan,/ het omgekeerde van dat ik binnen nog steeds als buiten ben.’

    Mag je dit cerebrale poëzie noemen? Hermetische poëzie? Intellectuele poëzie? Het is een intrigerende bundel, die bewondering afdwingt voor de taalvaardigheid van de dichter. Maar als lezer blijf je achter met de indruk dat Wijnberg de ambachtelijke kant van het gedichten schrijven te veel heeft benadrukt. Het geheel brengt onwillekeurig ‘Idee nummer 80’ uit Ideën I van Multatuli in gedachte, waarin een moeder de schoonheid van haar kind graag wil laten zien, maar iedereen alleen maar oog heeft voor het jurkje dat het draagt. Ook Wijnberg heeft alle aandacht voor het jurkje, maar als lezer zou je toch graag ook het kind willen zien dat daaronder schuilgaat.

     

     

  • Woest onrustig

    Woest onrustig

    In het oude jaar was er nog een afspraak met de cardioloog. Hij vroeg hoe het ging, ik lachte, zei goed. De cardioloog keek op zijn beeldscherm naar een hartfilmpje, vroeg om mijn pols. Sprak over hartschade, cardioversie (dat klonk als een eerste of tweede versie van een muziekstuk). Nadeel was mijn vrouw zijn, bepaalde leeftijd enzovoort, verder gezond, haha. Toch de kans op propjes in bloedbanen. En dat willen we niet, besloot hij. Nee, nee, dat willen we niet, zei ik hem na. U moet het rustig aan doen, zei hij. Ik moet het rustig aan doen dacht ik, wist even niet meer wie ik was. Ik voelde me goed, maar wie was dan die vrouw waar deze diagnose bijhoorde? Deuntjes van banger hart en bloedend hart speelden door mijn hoofd. Ik liep rustig door de ziekenhuisgangen naar de uitgang, wachtte rustig op de bus. Thuis liep ik in ‘slow motion’ door het huis, legde handdoeken op kleur, schoof wat met meubelen (rustig).

    In een van de vele brieven van Geer van Oorschot, wiens gezondheid niet best was (longontstekingen, hartinfarcten), schreef hij dat de dokter hem bevolen had het kalm aan te doen. Dat hij daar direct woest onrustig van werd. Van Oorschot was een gedreven briefschrijver, schreef soms achttien brieven op een dag, waarvan meerdere aan eenzelfde persoon gericht. Carola Kloos (wie is zij?), was een van de ontvangers van de brieven van Van Oorschot. Ze schreef dat de brieven van Geert een soort van ‘praten’ waren. De eerste brief schreef hij met aanhef, zogauw die op de bus was, schreef hij verder, zonder aanhef. Dat noemde hij ‘nog wat doorpraten’. Soms belde hij eerst op om de brief voor te lezen alvorens hem op de bus te doen. Hij was ook een dwingend schrijver. Aan Kees Verheul schreef hij eind 1975 over de voorbereiding van het januarinummer van Tirade, schrijvers hadden zich teruggetrokken. ‘Heb jij wellicht iets moois voor mij liggen en zo niet zou je dan een kleiner of groter stuk voor me kunnen maken? (Liefst een groter stuk!) Wil je me even bellen?’ 

    Rutger Kopland ontving ooit acht brieven op een dag. ‘Zijn brieven bestrijken een breed scala van toonaarden: dramatische bewondering, strenge vermaning, vriendelijke troost, alles trof ik er in aan.’, schrijft Kopland. Ook dat hij Van Oorschots latere brieven ervoer als geschenken. ‘Wie schreef daar en waarom?’ Ja, gaandeweg het lezen van zijn brieven begin ik me dat ook af te vragen, waarom schreef Van Oorschot zoveel brieven, wie was die man, wat moest hier vervuld worden?

    Op Tirade.nu vind ik een tekst van Carola Kloos. Dat Van Oorschot haar op een vrijdagmiddag in december 1987, twee weken voor zijn dood, belde. Drie maanden daarvoor had ze hem bezocht, had eigenlijk al afscheid van hem genomen. Toen zei Van Oorschot, ‘Ik heb nog twee weken te leven.’ Op die vrijdagmiddag in december, toen hij ver over zijn tijd van leven heen zat, belde hij haar. Het werd een ‘doodgewoon gesprekje’. Voor ze neerleggen, zegt hij, ‘Nou, het ga je goed’. ‘Jou ook, Geert’, zegt zij. En dat hij daar om lachen moest. ‘Ik lachte mee. Nou, daag, zei hij. Daag, zei ik. Dat men zo voorgoed afscheid neemt: daag.’, schreef ze. Dit was sterven in het harnas, ik bewonder deze uitgever, zijn gedrevenheid. En dat je woest onrustig wordt van het advies het rustig aan te doen, dat herkende ik wel.

     

    Uit: Brieven van een uitgever / Geert van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Een marktplein

    Een marktplein

    Ik lees Onder literatoren, vijfentwintig schrijversinterviews die tussen 1970 en 1983 door Herman De Coninck geschreven zijn. Prachtige gesprekken. Zoals met Anton Koolhaas die bekend stond als onbenaderbaar, vertelt over zijn dierenverhalen, het heeft over, ‘Het begrijpen dat alle vragen dood.’ Intrigerend, een begrijpen dat allesomvattend wordt, stilstand tot gevolg heeft. Vragen brengen je vooruit, los van je achtergrond creëer je een andere wereld. Het zinnetje  ‘Ik had nooit nieuwsgierig leren zijn.’ is me uit het prijswinnende essay van de Joost Zwagerman Essayprijs, ‘Bruikleen’ van Falun Ellie Koos, bijgebleven. Net zo intrigerend als fnuikend. Je ontwikkeling bevriest als vragen niet gewoon zijn. Het allereerste interview van De Coninck was in 1970 met Jan Wolkers, het laatste interview in het boek is in 1983 met Breyten Breytenbach. Het zijn veelal (witte) mannen en (twee) vrouwen, niemand stelde zich daar toen vragen over.

    Schrijvers uiten kritiek op elkaar in de interviews. Jan Wolkers over Mulisch, ‘Hij is een van die kunstluizen die alleen maar naar Cuba gaan om bruin te bakken in zwembaden (…).’ En Mulisch over Wolkers, ‘… die schrijft altijd maar weer zijn Kort Amerikaans, en de ene keer heet dat Turks fruit en de volgende keer weer anders.’
    De Belgische dichter en kunstenaar Paul Snoek vindt dat dichter en kunstenaar Marcel van Maele teveel schrijft. Hij zou zijn energie beter moeten gebruiken: ‘(…) hij schrijft en hij schrijft maar. De energie die nu in tien gedichten zit, had hij in één gedicht moeten stoppen.’ En dan volgt een heerlijke jaren zestig/zeventig vergelijking: ‘Dat is zoals een huisvrouw die de hele week eten maakt met dezelfde dingen, die telkens weer haar overschotjes gebruikt, vandaag de restjes van gisteren met wat kaas en gratin erop, morgen de restjes van vandaag met weer een ander sausje. Ze blijven altijd aan hetzelfde dingetje peuteren.’ In de muziek noemen ze dat variaties ‘op’. De Coninck schreef honderden interviews voor het blad Humo, een tijdlang was Piet Piryns zijn compagnon, gingen ze samen op pad.

    Eind jaren zestig begon psychiater Dr. R.H. Hoofdakker als Rutger Kopland poëzie te schrijven. De Coninck vraagt, ‘Toen bent u beginnen te schrijven?’  Kopland zegt, ‘Ja, voor die tijd was het allemaal vanzelfsprekend. Ik was gewoon arts, en… nou ja, dat was ik dan. Maar sindsdien is alles in beweging gekomen, ook om me heen, en ik kan me aan die beweging niet onttrekken.. (…) Ik ben me vragen gaan stellen. Een heleboel zekerheden zijn onder de tafel geraakt.’ Vragen trekken dingen los, morrelen aan bestaande zekerheden. 

    Voor De Coninck betekende het interview met Kopland een kentering in zijn leven. Sinds de dood van zijn vrouw bij een verkeersongeval waagde hij zich niet meer aan poëzie. Kopland zegt dat wat in Poëzie werkzaam is, ‘de troost van de herkenning is’. Hij vertelt over een jongen die een paar dagen in dienst zat en het daar niet uithield. Die jongen zei: ‘Zolang ik die bundel gedichten maar bij me had, kon ik het wel verdragen, want ik had het idee van: die dingen zijn voor mij geschreven, voor mij bedoeld. Zie je,’ zei Kopland ‘het “ik” waar het in mijn gedichten om gaat, dat ben ik niet. het “ik” is een marktplein waar de mensen samenkomen.’ Het bracht De Coninck ertoe te gaan schrijven over zijn verlies.
    Op Cees Nooteboom na zijn alle geïnterviewden zijn overleden. Deze interviews doet ze spreken als waren ze er nog. En dat is mooi.

     

    Onder Literatoren, Vijfentwintig schrijversinterviews / Samengesteld en bezorgd door Thomas Eyskens en Piet Piryns/ De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

  • Iets ongemoeids

    Iets ongemoeids

    Een druilerige zondagmiddag dient om te lezen, boek op bank. Al wordt het steeds moeilijker onbevangen te lezen. Het gebeurt te vaak dat in één week een boek en zijn schrijver op radio/tv èn in de opiniebladen breeduit besproken wordt. Dat er nog andere boeken bestaan buiten die uitzonderlijk lovend en doorbesproken boeken, lijkt nauwelijks een mogelijkheid. De veelheid aan reacties op de nieuwe roman van Pfeiffer maakte mij uiteindelijk leesdoof (de betekenis kon ik niet zo gauw vinden maar het is zoiets als wanneer de inhoud van een boek zo vaak en meerstemmig geduid is, dat je niet meer kunt horen wat de schrijver vertelt). Ik zocht dus iets ongemoeids, een boek waarnaar niemand nog taalde.

    Vanaf de bank tuurde ik naar de stapels boeken op de grond, (de bank een boot, de boeken het water waarop ik drijf), en zag De wateraap. Een witte cover waarop een dierlijk schepsel met een vogeltje op zijn puntige oor op de rug van een goudbruine vis met kippenpoten zat. Wezens van een ander land. Een debuutroman van een mij onbekend auteur. Er zijn schrijvers die in hun proza lijken te roepen ‘kijk mij, kijk naar mij!’ En er zijn schrijvers die zich verbergen voor de lezer, die lijken van geen lezer te weten. Zoals het werk van Minke Douwesz en Miek Zwamborn, daar moest ik aan denken toen ik in De wateraap begon te lezen:
    ‘Naar de slapenden kijk je niet, naar de doden wel. Zonder schaamte. We vonden hem ’s ochtends, liggend in een krul alsof hij sliep, zomaar een ding geworden. Ko legde haar hand op haar smalle keel, alsof ze de groeven en plooien wilde beschermen, en zei dat het nu begonnen was. Ik keek weg. Ze zei het tegen zichzelf, niet tegen mij.’

    Die ‘mij’ is Elke, student biologie, die haar afstudeeronderzoek richt op het fruitvliegje en zijn alcoholadaptatie. ‘Waar het op aankwam was steeds maar weer bewijzen dat de evolutietheorie klopte.’
    Wat daar ligt, ‘in een krul’, is een dode vos. Ko is een zelfvoorzienende oudtante en woont in een huisje onderaan de dijk bij de IJssel. De vos, Ko en de rivier zijn de peilers in deze roman waar de wateraap zich omheen slingert.
 Elke logeert veel bij Ko en helpt met de groentetuin. Elke is zoekende, naar een huid waarin ze past, een identiteit, een oorsprong die haar ruggensteun geeft. Ze gelooft in de hypothese van de wateraap. Een hypothese die aanneemt dat onze voorouders lange tijd in water hebben geleefd. ‘…hoe hij ooit door het water had gewaad, rechtop, met trage passen, hoe zijn handen tot de polsen in het water hingen, de vingers gespreid,…’.

    Elke verlaat Ko en gaat op reis naar Wenen, waar ze de schrijfster van haar lievelingsboek over de wateraap zal ontmoeten. Het wordt een enorme deceptie, die het boek naar een intens mooi beschreven einde leidt.

    Daarbij heb ik nog nooit in de literatuur zo’n mooie echo van Rutger Kopland horen weerklinken als in De Wateraap:
    ‘Ik verzweeg hoe het was om op je knieën sla te oogsten. Wanneer je met een blikkerend mes de krop van de aarde lossneed, bleef het bittere melksap nog even doorstromen, de voldongen feiten tartend. Maar het was vooral de aanblik van een leeg geoogst bed dat ik slecht verdroeg.’
    Een boek om stil van te worden. Laat Mariken Heitman de lezer vergeten en verder schrijven.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Van de schoonheid en de troost – Rutger Kopland en Wim Kayzer (2000)

    Dichter Rutger Kopland (1934-2012) over herinneringen van een grote tuin, hoge bomen en het geluk van een jeugd. Met mooi gelezen werk en prachtige beelden van de omgeving. Goed om deze dichter nog eens te kunnen horen. Het geluid van de documentaire klinkt soms wat hol, maar luisterend naar de dichter, vallen alle bijgeluiden weg. Portugees ondertiteld, voor wie het nodig heeft.

     

     

     

  • In memorium Rutger Kopland (1934-2012)

    Door Ingrid van der Graaf

    Vorige week overleed in de nacht van 11 op 12 juli de dichter  Rutger Kopland, pseudoniem van de psychiater Rudi van den Hoofdakker. Rutger Kopland werd 77 jaar en publiceerde sinds 1966 meer dan tien poëziebundels en essays. In 1988 ontving hij de PC Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre en in 1998 de VSB Poëzieprijs. Voor zowel zijn kunst als zijn wetenschappelijke prestaties ontving hij twee eredoctoraten.

    Maar hij paste voor een koninklijke onderscheiding. ”Mensen die krom liggen voor het buurthuis of zich belangeloos inzetten voor de lokale sportclub verdienen een lintje”, aldus Kopland in 2005. Evenals de eer om als Dichter des Vaderlands op te treden, liet hij aan zich voorbij gaan. Kopland leefde na een ernstig auto-ongeluk in december 2005 zeer teruggetrokken en trad nauwelijks meer in het openbaar op.

    Als psychiater was Kopland een autoriteit op het gebied van depressiebestrijding. Van 1981 tot 1995 was hij hoogleraar biologische psychiatrie. Tijdens zijn hele loopbaan streed hij voor de erkenning van de ‘zachte krachten in de geneeskunde’, zoals hij dat noemde. ‘Men hoeft geen wereldvreemde holist te zijn om toe te geven dat voor de analyse van een medisch probleem een stethoscoop, een bloedmonster en een scan vrijwel nooit voldoende zijn. Er is zoiets als een gesprek nodig,’ aldus Kopland.

    Kopland debuteerde destijds in Tirade en in 1966 kwam zijn eerste bundel Onder het vee uit.
    Verder publiceerde hij:
    Het orgeltje van yesterday, 1968
    Alles op de fiets, 1969
    Wie wat vindt heeft slecht gezocht, 1972
    Een lege plek om te blijven, 1975
    Al die mooie beloften, 1978
    Dit uitzicht, 1982
    Voor het verdwijnt en daarna, 1985
    Dankzij de dingen, 1989
    Geduldig gereedschap, 1993
    Het mechaniek van de ontroering. Essays over de esthetische ervaringen in poëzie en wetenschap, 1995
    Tot het ons loslaat, 1997
    Over het verlangen naar een sigaret, 2001
    Twee ambachten. Essays over psychiatrie van poëzie, 2003
    Een man in de tuin, 2004
    Verzamelde gedichten, 2006
    Toen ik dit zag, 2008
    Inleiding in de ‘Patafysica, 2010

    Zijn werk werd vertaald in het Frans, Duits en Engels.

    In de Surinamestraat in Den Haag werd op 31 maart 2012 een muurgedicht van Kopland onthuld door wethouder Marjolein de Jong. Het gedicht staat op een blinde muur van het Hofje van Schuddegeest, eigendom van de Koninklijke Haagse Woningvereniging 1854. Gerrit Noordzij bracht de tekst aan. Twee van zijn gedichten zijn sinds 2000 ook gebeiteld in een ijzeren plaat aan de achtermuur van de Steile Tuin in het Arnhemse Sonsbeekpark.

    Het Letterkundig Museum in Den Haag brengt een hommage aan de dichter. Kopland schonk in 2006 een groot deel van zijn literaire archief aan het museuM.

    In November 2011 werd er een symposium gehouden over de levensbeschouwlijke aspecten in het werk van Rutger Kopland. Waarvan hier een verslag geschreven door Heleen Rippen.

    De literaire website Tzum plaatste een mooi I.M. Rutger Kopland van Coen Peppelenbos.

    Op de site van Van Oorschot memoreert Wouter van Oorschot dat Rutger Kopland, een van de auteurs was die de uitgeverij trouw bleef na de dood van  zijn ouders. ‘Van alle door mijn ouders uitgegeven auteurs die de uitgeverij trouw bleven na de dood van mijn vader in 1987, was Rutger Kopland als laatste nog in leven.’

    Beluister hier het gesprek op radio 1 met Menno Hartman, hij was de redacteur van Kopland bij uitgeverij Van Oorschot.

     

  • Symposium: Levensbeschouwelijke aspecten uit het werk van Rutger Kopland

    Symposium: Levensbeschouwelijke aspecten uit het werk van Rutger Kopland

    Op Sint Maarten, de elfde van de elfde in het jaar elf werd in het Academiegebouw in Utrecht het symposium Onze vluchtige plek van de waarheid gehouden. Een dag gewijd aan levensbeschouwelijke aspecten uit het werk van de dichter Rutger Kopland.

    Wat hebben Sint Maarten en Kopland met elkaar gemeen? Sint Maarten heeft net als Kopland ook een andere naam: Sint Martinus. Hij is beschermheilige van de stad Utrecht, maar ook van Groningen, waar de dichter Rutger Kopland, pseudoniem van Rudi van den Hoofdakker, van 1981 tot 1995 hoogleraar biologische psychiatrie was.
    Toen Martinus in het jaar 371 tot bisschop van Tours werd gekozen verborg hij zich, zo gaat de overlevering, in een ganzenhok omdat hij zich die roeping niet waardig achtte. Het gegak van de ganzen verried hem waarna hij alsnog tot bisschop werd gewijd.
    Kopland schreef een gedicht getiteld Ganzen met de versregel: ‘godvergeten hoog hun dunne geschreeuw’. Het geschreeuw van deze vlucht hemelbestormers laat hij contrasteren met de existentiële verlatenheid van de mens.

    En terwijl de levensgeschiedenis van Sint Martinus op een muur  van de Domkerk staat afgebeeld, was Kopland op een steenworp afstand daarvan in de Aula van het Academiegebouw in levende lijve aanwezig om geëerd te worden door wetenschappers en andere belangstellenden.
    Er zijn tijden geweest dat Rudi van den Hoofdakker niet graag had dat hij dichter-psychiater werd genoemd. ‘Het leek wel of er sprake was van een aan-uit-knop van den Hoofdakker-Kopland’ merkte Bram Bakker, eveneens psychiater en schrijver, hierover ooit op. Van den Hoofdakker voelde niks voor mengsels als dichterlijk psychiater of  psychiatrisch dichter. Hij wenste zijn twee ‘ambachten‘ zoals hij ze noemde, strikt gescheiden te houden ten bate van anderen en ten bate van zichzelf. Die strikte scheiding was tot zijn emeritaat als hoogleraar in 1995 ongetwijfeld nuttig. Daarna werd hem in 1999 en in 2000 door respectievelijk de Universiteit voor Humanistiek en de Universiteit Utrecht tweemaal een eredoctoraat uitgereikt voor zijn gehele oeuvre. Deze feestelijke dag was opnieuw een lofzang in stereo: hij werd eervol toegesproken als dichter, als psychiater maar ook als belangrijk vertegenwoordiger van beide werelden tegelijk.

    Het programma begon met een een stuk uit Die Kunst der Fuge van Bach, gespeeld door Jaap Jan Steensma op het orgel van de Aula. Geen toeval uiteraard, want Kopland schreef zelf een cyclus van vijf gedichten die hij die Kunst der Fuge noemde en die net als Bach’s muziek, variaties in taal bevat op thema’s als vluchten, dwalen, herinneren, verdwijnen.
    Na de orgelklanken werden enkele gedichten van Kopland uit deze cyclus voorgedragen door Frederiek Muller. En zo zaten we al snel in het hart van het werk van Kopland.

    Johan Goud, hoogleraar Religie en zingeving in literatuur en kunst en initiatiefnemer van deze dag, sprak een inleiding uit getiteld ‘Verdwalen, dwalen en zwerven’ over mystiek en nauwkeurigheid in het oeuvre van Kopland. Goud is bevriend met Kopland en zeer vertrouwd met zijn oeuvre. Terwijl in Kopland’s gedichten telkens de eindigheidsvragen worden opgeworpen is God ‘gecompliceerd afwezig’ in diens werk, stelde Goud. Hij typeerde het werk van Kopland aan de hand van het begrip ‘Genauigkeit’. Een term van de schrijver Robert Musil die duidt op een vorm van nauwkeurig bekijken, beluisteren en onderzoeken van nieuwe gebieden maar zonder de intentie de opgedane ervaring direct vast te leggen in nieuwe kennis. Kopland’s oeuvre kritiseert net als Musil de tegenstelling tussen observatie en participatie, tussen ordening en irrationaliteit en tussen ratio en mystiek.
    Goud schetste hierna een drieledig profiel van de dichter: Kopland als onbevangen kijker, als sterfelijk verzoener en als wijzer naar een onbegrepen wereld. Langs deze lijnen wordt telkens een zelfde zoektocht verwoord, namelijk naar het moment waarop herinnering en verlangen samenvallen. ‘Voor het verdwijnt leeft men er in herinnering en verlangen naartoe en daarna is er niets meer’, citeerde Goud de dichter.

    De bijdrage van Marjoleine de Vos, neerlandica, dichteres en redacteur van NRC Handelsblad, was gewijd aan het thema terugkeren en de onmogelijkheid daarvan in het oeuvre van Kopland.
    Zij besprak het gedicht Winter van Breughel, de heuvel met jagers een gedicht dat Kopland schreef geïnspireerd door het schilderij van Pieter Breughel de Oude uit 1565. Op het schilderij staat een groep jagers in de sneeuw. Ze kijken samen met hun roedel honden naar een dorp dat beneden aan de heuvel ligt. De strofe over deze thuiskomst ‘Een terugkeer, maar bijna zo / langzaam als stilstand’ is een constante in het werk van Kopland volgens De Vos. ‘Waar zou je naar terug willen keren?’ Naar huis, waar je gelukkig was, voorgoed. Religie leeft van dat verlangen stelde De Vos. Maar dat verlangen naar voorgoed gelukkig zijn wordt telkens gekeerd, want alleen in het voorbijgaan is het leven, weten we. De dichter Jorge Luis Borges verwoordde dit als volgt: ‘Er zijn geen andere paradijzen dan verloren paradijzen’.
    In een fraaie verdichte vorm cirkelde zij rondom de thematiek van de tijdelijkheid van een plek die je dierbaar is, maar die je niet toebehoort. Dit komt veelvuldig terug in Kopland’s gedichten, of ze nu over zijn geboortegrond Twente gaan of over een Indianen-opperhoofd dat spreekt over de onmogelijkheid van grondbezit. De mens, eenzaam met zijn woorden die het onverschillige universum en de onvermijdelijke eindigheid niet kunnen veranderen. Dit pijnlijke besef werd door Kopland bij de dood van zijn trouwe huisdier ooit zo verwoord: ‘De hond is nergens meer, iedere dag’.
    De Vos eindigde met de stelling dat een gedicht soms geen belang heeft bij andere woorden. Toch waren haar woorden middenin de roos.

    Stefaan Evenepoel, was de derde spreker die het zuiver hield bij het dichterschap van Kopland. Evenepoel, docent aan de Universiteit van Gent, sprak over de formuleringen en de meerduidige interpretatie die Kopland’s gedichten toelaten. Hij fileerde onder meer het gedicht ‘Aan een vijver’ waarin geluk, weemoed, eenzaamheid, en melancholie over elkaar heen buitelen. Vaak is bij Kopland sprake van het omkeren van paradoxen;  het aan elkaar koppelen van tegengestelde betekenissen, waardoor de lezer uiteindelijk achterblijft in de mist.
    Evenepoel stond ook stil bij de humor van Kopland als ‘patafysicus’. Een patafysicus parodieert wetenschappelijke kennis en  maakt er iets absurds van. Hij kiest niet, maar laat meerdere mogelijkheden open waardoor betekenissen zich laten verdubbelen. Dat kan lachwekkende spanning en soms zelfs duizeligheid veroorzaken.

    Ben Peperkamp, hoogleraar Moderne Letterkunde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam sprak over de wetenschappelijke en psychiatrische aspecten van Kopland’s werk en verbond daarmee het werk van de psychiater en de dichter.  De essays van Kopland met kritiek op het ‘vraatzuchtig reductionistische’ mensbeeld van zijn medische vakbroeders en –zusters  komt terug in het gedicht Chemie van de ziel. In dit gedicht wordt voelbaar gemaakt dat zoiets als een gelukkige herinnering niet teruggevonden kan worden in moleculen of in wetenschappelijk formules.

    Harry Kunneman, hoogleraar Sociale en Politieke Theorie aan de Universiteit voor Humanistiek had het zelfs over Rudi Kopland, een samentrekking van de naam van de psychiater en de dichter en ziet in zowel zijn gedichten als in zijn wetenschappelijke werk de pijnlijke ontnuchteringen van ons huidige vooruitgangsgeloof weerspiegeld. Dat vooruitgangsgeloof noemde hij ‘ziende blind en moreel kippig’. Onze tijd kent twee menselijke vluchtwegen: de religieuze ‘naar boven’ en de technische wetenschappelijke, de ‘vlucht naar voren’ maar feitelijk moeten we het zien uit te houden in ‘de moerassigheid van het bestaan’. Die dient zich volgens Kunneman aan in de vorm van relationele, existentiële en fysieke onzekerheid door een onvermijdelijk tekortschieten van kennis en een gebrek aan bestendigheid. In het moeras speelt vaak de vraag: is dit een boomstam of een krokodil?  Omdat we er ons in tegenstelling tot de baron van Münchhausen niet uit kunnen trekken, zullen we er moeten aarden.
    De grote verdienste van Rudi Kopland’s humanisme is volgens Kunneman dat hij onze ‘geestesziekten’ beziet met een onbevangen en empatische blik.

    Die empatische blik werd direct geproblematiseerd door Arnon Grunberg in zijn lezing. Grunberg liet de poëzie van Kopland voor wat zij was en haakte in op het essay De mens als speelgoed  uit 1995.  In dit essay bekritiseerde Van den Hoofdakker ondermeer zijn biomedische collega René Kahn (UMC) die wel schrijft over hersenen en hormonen maar die zodra het over hersenen en gedrag gaat, de mens verdinglijkt en hem gaat behandelen als ware hij een kapotte speelgoedauto. Kortom, menselijk ellende wordt teruggebracht tot farmacologische manipuleerbare gedragsvormen en daartegen keerde Van den Hoofdakker zich al in dat essay en Grunberg met hem. Ook had Van den Hoofdakker, in navolging van Freud, empathie, een term afkomstig uit de esthetica van de filosoof  Theodor Lipps, in wezen goed noch slecht genoemd. Pharmaceutica zou je dus empathie in tabletvorm kunnen noemen.

    Grunberg stelde vervolgens dat empathie als neutraliteit wel eens tot ons zou mogen doordringen aangezien humanisten en christenen dit tot een van hun belangrijkste afgoden hebben gemaakt.
    Freud’s vinding was dat ‘de eenheid van het ik een precaire aangelegenheid’ is. Dat ‘ik’ krijgt onophoudelijk te maken krijgt met tegenstrijdige verlangens en verboden. Grunberg vermenigvuldigde dat probleem door daarbij ook nog eens de vaak onuitgesproken normen van de omgeving  te betrekken en kwam met verrassende vondsten.
    Normaal gedrag is assimilatie, is een overlevingsstrategie, stelde hij. En vrijheid kan worden begrepen als de mogelijkheid om gedragsbeïnvloeding door bijvoorbeeld psychiaters, af en toe succesvol te weerstaan. Sterker nog: wij zijn buiksprekers die weer door ander buiksprekers in bedwang worden gehouden. Wellicht is de enige manier om het uit te houden in dit leven juist door alles als een spel op te vatten. ‘We zijn dus wel degelijk speelgoed’ was Grunbergs tegenspel aan Van den Hoofdakker. Soms moeten we aan anderen vragen: ‘Maak me alstublieft niet kapot. Andere mensen willen ook nog met me spelen’.

    Aan het einde van het programma kwam Kopland zelf het podium op en las nog zeven gedichten voor. Zijn eigen gedichten over de grazige weiden van psalm 23, over verlies, de dood  het hiernamaals. Daar stond een krachtige maar broze man. Misschien mogen we hem wel een moderne schutspatroon van de herinnering en het verlangen noemen.

    Kopland kreeg een staande ovatie en hief de bloemen die hij net in ontvangst had genomen hoog in de lucht.

    In 2012 verschijnt bij uitgeverij Klement de bundel Het leven volgens Rutger Kopland, Onze vluchtige plek van de waarheid. Hierin zijn de bijdragen van alle sprekers opgenomen, naast een uit 1996 daterend interview van Johan Goud met Rutger Kopland. Daarnaast  zijn gedichten van Kopland toegevoegd, die geïnterpreteerd en van commentaar voorzien zijn door o.a. Tom van Deel en Jaap Goedegebuure.

     

     

  • Rutger Kopland leest uit Toen ik dit zag

    [youtube:http://nl.youtube.com/watch?v=Xr4hkQkKOgk;autoplay=0 300 250]
    Rutger Kopland leest de cyclus ‘Aan het grensland’ uit de nieuwe bundel Toen ik dit zag.