• Platonov en de lange adem van de vertaler

     

    Russisch vertaler Aai Prins werkt aan een vertaalproject dat alle verhalen, verschillende novelles en een roman van de Russische schrijver Andrej Platonov (1899-1951) omvat en in twee delen verschijnt in de Russische bibliotheek van Van Oorschot. Het eerste deel, Platonov Verhalen, verscheen in de zomer van 2019 en werd later in het jaar bekroond met de Letterenfonds Vertaalprijs. Het Letterenfonds roemt Aai Prins (1959) als ambassadeur van de Russische literatuur, al is ze daar zelf zeer bescheiden over.

    Als vertaler heeft Aai Prins een lange staat van dienst, maar ook op andere wijze bracht ze de Russische literatuur onder de aandacht. Zo heeft ze vele stukken geschreven over het werk van Poesjkin, Toergenjev, Dostojevski, Tolstoj, Nabokov en Brodsky, en minder bekende auteurs als Garsjin en Kononov. Van 2006 tot 2014 woonde ze in St. Petersburg waar ze Nederlands doceerde aan het Nederlands Instituut en de Universiteit van Petersburg. Een paar jaar geleden hertaalde ze werk uit de Russische bibliotheek van Gogol, Tsjechov en Pasternak. De vertaling van Platonov, het tweede deel, is in uitvoering.

    In april zou ik Aai Prins thuis  in Amsterdam bezoeken voor een interview. Toen gooide corona roet in het eten. Omdat de kans op een ‘live’ ontmoeting wel eens lang op zich kon laten wachten, spraken we elkaar via een Zoom verbinding. Aai Prins vanuit haar zogenaamde ‘datsja’, aan het Markermeer tussen Hoorn en Enkhuizen, met een wat haperende internetverbinding, en ik vanuit mijn eigen keuken. We spraken over het vertalen van Platonov, die er zijn eigen vreemde woordgebruik op na hield, over de lange adem van een vertaler en hoe bewerkelijk deze vertalingen zijn. 


    Hoe brengt een Russisch vertaler het tot ambassadeur van de Russische literatuur?

    ‘Ja kijk, als je begint met studeren weet je eigenlijk nog niet zo goed waar je aan begint. Het was wel uit liefde voor de Russische literatuur dat ik Russisch ging studeren. Ook wel om het exotische dat me erg aansprak. Het was 1977, de tijd van de muur, de Koude Oorlog. Al had ik toen niet de illusie dat ik zelf vertaler kon worden. Ik wilde het wel maar er gebeurde in die tijd niet zoveel in de Russische literatuur. De klassiekers waren grotendeels al vertaald door, of vergeven aan de gevestigde vertalers als Charles Timmer, Karel van het Reve, Kees Verheul, Tom Eekman. Ik had niet de illusie dat ik daar ooit tussen zou kunnen komen. Maar ik had wel de mazzel, dat toen ik afgestudeerd was, ik vrij snel met de Perestrojka mee kon liften op de stroom van literatuur die na de val van de muur opeens uit Rusland kwam. Ik was net klaar en kon gaan vertalen. Maar ik voelde me niet meteen een ambassadeur van iets hoor.


    Waar en hoe bent u met de Russische literatuur in aanraking gekomen, met Platonov? 

    ‘Mijn ouders hadden veel Russische schrijvers in de kast staan, zo ben ik ermee in aanraking gekomen. Platonov kende ik van mijn studie, hij stond bij ons op de leeslijst. Maar in die tijd was zijn hele werk nog niet ongecensureerd verschenen, dus daar was nog niet alles van bekend. We moesten hem lezen, maar eigenlijk ging het me grotendeels boven mijn pet. Het is een vreemde schrijver, hij gebruikt geen algemeen beschaafd Russisch. Dus ik had wel enige kennis van zijn werk. Maar toen ik een paar jaar geleden door Van Oorschot werd benaderd om Platonov te vertalen voor de Russische bibliotheek, ben ik hem pas echt goed gaan lezen en begrijpen.’


    Toen kon het vertalen beginnen, hoe was dat?

    ‘Het was een enorme klus. Een aantal jaar geleden is zijn volledige werk in zeven delen, ongecensureerd en zo volledig mogelijk uitgegeven. Ik geloof dat zijn dochter zijn boeken bezorgd heeft. Ik heb dat toen allemaal gelezen. Daaruit heb ik een selectie gemaakt voor Van Oorschot, het zouden twee delen worden, en ik heb een selectie uit de verhalen gemaakt. Enkele van zijn beroemdste verhalen waren al vertaald door Timmer, maar die vertaling was op basis van de gecensureerde versie. Ik ben nu bezig met het tweede deel.’ Ze houdt een omvangrijk boek omhoog, een indrukwekkende Russische uitgave. 

    ‘Voor het vertalen van die verhalen heb ik eindeloos veel specialisten moeten raadplegen.  Omdat zijn taalgebruik zo bizar is, moest ik heel vaak bij Russen te rade gaan. Dan vroeg ik of het afwijkend taalgebruik was wat Platonov gebruikte, en dat beaamden ze dan. En dan wilde ik weten waarin het afwijkend was. Dan zeiden ze dat je iets niet zo zegt zoals Platonov het zegt. Kijk, je hebt in het vertalen vaak te maken met een bepaald idioom, ‘fraseologische’ uitdrukkingen. Een simpel voorbeeld: in het Russisch zeg je ‘Piet klimt op de boom’, terwijl wij zeggen ‘Piet klimt in de boom’. Dus als er staat dat ‘Piet op de boom klimt’, wordt dat bij mij, ‘in de boom’. Maar er zijn ook veel gevallen waarvan ik denk dat het fraseologisch incorrect is. Dat moet ik dan wel zeker weten, wil ik het in het Nederlands net zo bizar vertalen als het er in het Russisch staat. Als je dan begint aan een boek van achthonderd pagina’s, dan ben je wel even bezig.’


    Er komen veel technische beschrijvingen voor in zijn verhalen, hoe is dat om te vertalen?

    ‘Platonov was zelf technisch onderlegd en dat ben ik niet, maar ik heb wel drie broers die in de techniek zitten, daar kan ik altijd bij te rade gaan, over elektromotoren en zo meer. Maar het gaat in die verhalen ook over ontspoorde wetenschappers. Die wel iets weten maar daarna technisch helemaal uit het lood raken. Dan moest ik weer gaan uitzoeken of dit normaal was, dat ze bijvoorbeeld de aarde konden laten verschuiven, of dat ze een steen de ruimte in konden katapulteren, of was dat totale onzin? Platonov was landbouwkundige, heeft veel expedities gedaan door de hele Sovjet Unie, er komen dan ook heel veel geologische termen in voor. Dan laat ik me adviseren door een geoloog. Dat maakt een vertaling best bewerkelijk.’


    Vertaalt u ingewikkelde beschrijvingen zoveel mogelijk naar het begrip van de Nederlandse lezer?

    ‘Ik wil het liefst dat de Nederlandse lezer zoveel mogelijk dezelfde ervaring krijgt bij het lezen als de Russische lezer. Dus als er iets technisch gepresenteerd wordt waarvan een Russische specialist denkt, nou dat zit aardig in elkaar, dat klopt wel met al die technische dingen, maar dit is een beetje vreemd, dan wil ik dat de Nederlandse specialist dat ook denkt. Ik heb een hele lijst aan specialisten, van banketbakkers tot monteurs. Dan vertel ik dat ik een boek aan het vertalen ben en of ze mij kunnen vertellen hoe dit of dat zit. Ik ben bijvoorbeeld een hele dag rondgeleid door het Spoorwegmuseum door een man die gespecialiseerd is in oude stoomlocomotieven, die heeft mij heel lief ontvangen. Al mijn vragen had ik van tevoren opgestuurd, hij heeft me alles laten zien, hoe het werkt met die ketels, de stookplaat, de koppelstangen.’


    De verhalen zijn chronologisch op jaartal geselecteerd. Het eerste verhaal, geschreven in 1892, is dat zijn allereerste verhaal?

    ‘Ja, en je ziet dat die eerste verhalen nog niet in die heel bizarre stijl zijn geschreven. Je kunt al wel zijn aanzet zien, tot wat in zijn latere verhalen meer naar voren komt, het bezield maken van voorwerpen. Animistisch heet dat, dat je ieder ding een geest geeft. Dat zie je in zijn latere werken veel vaker maar dat is in aanzet al in die eerste verhalen van hem te zien. Ik heb de verhalen zoveel mogelijk chronologisch achter elkaar gezet, maar daar is een zeker voorbehoud bij, want op een gegeven moment kon hij niet meer vrij publiceren. Hij heeft dingen geschreven die hij nergens kwijt kon. De roman die ik nu aan het vertalen ben, heeft hij geschreven rond 1928, maar werd nooit gepubliceerd. Na die roman heeft hij nog verhalen geschreven die wel weer in deel 1 zijn opgenomen. Dus helemaal chronologisch is het niet. Ik heb zoveel mogelijk de data uit de publicaties aangehouden. Maar er zijn ook verhalen die eerst in tijdschriften hebben gestaan, later in verhalenbundels zijn opgenomen, en dan klopt het qua publicatiedatum niet helemaal. Maar waar mogelijk heb ik de chronologie aangehouden.’ 


    Was Platonov een realist of een romanticus?

    ‘De term romanticus laat zich moeilijk met hem verenigen, maar toch zit er wel iets van een romanticus in hem. Maar in de eerste plaats is hij een bevlogen communist, die aanzet tot grootse daden, vaak heeft hij ook irreële hoop, en ondertussen was hij wel een gelovig communist met een keiharde benadering van alles. Dat realisme van hem, dat is in sommige van zijn sciencefiction-verhalen ook weer ver te zoeken. Maar de elementen waarmee hij zijn verhalen opbouwt zijn wel degelijk realistisch. De machines, en zo. Maar goed, zijn verhalen over de kosmos, de ruimtereizen, of dat realistisch is? Misschien, ik weet het niet.’


    Hij was een volgeling van Stalin maar zijn verhalen doorstonden de censuur niet. Stalin wilde hem zelfs uit de partij zetten. Toch bleef hij op dezelfde aanstootgevende wijze doorschrijven.

    ‘Ja, dat klopt, dat bracht hem steeds in de problemen. Hij was in feite een proletariër pur sang, kwam uit een armoedig gezin. Hij was iemand van de toekomst, tot op het bizarre af. Er is dat verhaal over de collectivisatie van de landbouw. Over die boeren die van hun land worden gejaagd, onteigend worden en naar Siberië moeten. De slachtoffers en de hongersnoden die daaruit voortgekomen zijn, heeft hij gezien. Maar hij vond, ‘waar gehakt wordt vallen spaanders’. Hij schreef daar een verhaal over en voerde daarin een paar personen op die een beetje geschift waren en helemaal niet bij het socialisme hoorden, ofwel geloofden in de goede zaak. Hij dacht dat hij bijdroeg aan de goede zaak, door de dingen zo te presenteren. Maar Stalin en zijn trawanten zagen daar een en al kritiek in. Dan kreeg hij op zijn donder, en begreep hij niet waarom. Dat is wel ongelofelijk: a: dat ie zo’n verhaal kon schrijven, er achter bleef staan ondanks dat ie gezien had wat er speelde, en b: dat hij niet snapte dat ie daardoor in de problemen kwam. Platonov is een ingewikkelde persoonlijkheid.’

     

    Wat betekent het winnen van de Vertaalprijs voor u, had u die verwacht?

    ‘Nee, nee, absoluut niet. Ik was ergens een tolkencursus aan het doen, notatietechniek voor synchroon tolken. En toen werd ik gebeld, dat ik die prijs gewonnen had. Het was een ongelofelijke verrassing. En het fijne aan deze prijs, vind ik, dat deze wordt toegekend door vertalers. Ik voelde me daardoor zeer vereerd.

     

    Ging u na de prijsuitreiking vrolijk door met het vertalen van het tweede deel?

    ‘Dat was wel de bedoeling, dat ik gelijk door zou gaan maar dat ging niet zo makkelijk. Nu ben ik aardig op stoom. Al weet ik nu al dat ik het weer niet op tijd zal inleveren. Het is gewoon waanzinnig veel, de roman, Tsjevengoer, die ik nu aan het vertalen ben, is alleen al ruim 400 pagina’s. Dan heb je de hele dag vertaald en aan het eind van de dag zie je die stapel bladzijden maar niet minder worden. Dat eerste deel had het voordeel dat het korte verhalen waren, dan vertaal je een verhaal en dan is het af. Dan kun je zo’n pakketje maken en zien wat je gedaan hebt. Maar met zo’n loeilange vertaling is het lastig om dat op te brengen.’


    Waar gaat die roman over?

    ‘Het is een verhaal over de verzonnen stad Tsjevengoer. Een paar enthousiaste bolsjewieken gaan daar het communisme vestigen. Ze spreken in een vreemd jargon, vol communistische termen, een beetje van alles door elkaar. Ze zijn zeer bevlogen maar wat moeten ze bijvoorbeeld met de  bourgeoisie? Ze schrijven hen een brief dat ze op het plein moeten samenkomen. Ze komen daar ook echt naartoe en worden dan afgemaakt. Kijk dat soort dingen worden hoppa gepresenteerd. Het is gruwelijk, maar het wordt gepresenteerd door welwillende bolsjewieken die daar orde op zaken komen stellen. Dat is een heel klein aspect van de roman, een fragment dat ik net heb gedaan.’


    Hoe werkt dit op u door, zulke passages?

    ‘Af en toe grijpt het me wel aan. Het is geschreven in 1928, en dan is die passage waarin de bourgeoisie uit het stadje gesommeerd wordt met een koffertje naar het plein te komen, haast profetisch. De Tweede Wereldoorlog moest nog komen. Zulke passage zijn hard om door te nemen, en ik weet dat er meer van zulke passages komen. Ik heb wel vaker akelige dingen in romans vertaald, daar had ik nooit zo’n last van. Maar opeens zag ik voor me wat daar, en later in het echt gebeurde. Het is natuurlijk een verzonnen stad, maar de gebeurtenissen zijn wel degelijk geënt op de waarheid. Als het ware werpt het zijn schaduw ver vooruit. Het is niet voor niks dat deze roman nooit heeft kunnen verschijnen in de Sovjet Unie.’


    Hoe lang heeft u gewerkt aan het eerste deel?

    ‘Lachend: ‘Dat durf ik niet eens te zeggen, ik heb er in ieder geval een jaar langer over gedaan dan was afgesproken. Ik denk dat ik er toch wel twee, tweeënhalf jaar mee bezig ben geweest. En ik vrees dat ik voor het tweede deel ook meer tijd nodig zal hebben.’ 

    Het is niet alleen de vertaling waar Aai Prins zich mee uiteen zet, bij het eerste deel schreef ze ook het uitvoerige en zeer lezenswaardige nawoord Een man die niet kon liegen, over de mens Platonov en zijn schrijverschap.

    ‘Het manuscript van zijn roman die ik nu aan het vertalen ben, liet hij aan Gorki lezen en die zei, “nou dat krijg je niet gepubliceerd”. Maar Platonov begrijpt niet waarom. Dan gaat hij allemaal brieven schrijven waarin hij zich erover beklaagt dat hij bestempeld wordt als een subversieve schrijver; maar dat komt allemaal in het nawoord van deel twee.’

     

     

     


    Platonov Verhalen / Andrej Platonov / vertaald door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot (2019)

     

     

     

     

     

     

    Foto: ©Gerard van der Wardt

  • ‘Brilletje op de neus, herfst in de ziel’

    ‘Brilletje op de neus, herfst in de ziel’

    ‘Er was eens een vrouw, Ksenia heette ze. Dikke boezem, ronde schouders, blauwe ogen. Zo’n vrouw was het. Hadden u en ik er maar zo een!’ Of: ‘Er leefde eens een boerenvrouw en zij heette Ksenija. Ze had zware borsten, ronde schouders, blauwe ogen. Zo’n soort vrouw was het. Die zou iets voor ons zijn!’ Wie de eerste zin de beste vindt, zal gerechtigheid zien in het feit dat voor het eerst alle verhalen van Babel door Froukje Slofstra zijn vertaald. Zij heeft dit  met behoud van de knispering van het origineel gedaan. Froukje Slofstra is de vertaalster van de eerste zin – de tweede was van wijlen Charles B. Timmer – en is o.a. winnares van de Aleida Schot-prijs voor vertalingen 2007. Onder de titel De Rode ruiterij zijn de verhalen van Babel in dundruk verschenen in de Russische Bibliotheek bij uitgeverij Van Oorschot.

    Toen De Rode ruiterij in 1926 verscheen, was Isaak Babel (1894-1940) op slag beroemd zowel binnen als buiten Rusland. De formalisten droegen hem op handen met literatuurcriticus Viktor Sjklovski voorop. Die wist namelijk wat er ontbrak aan de literatuur van zijn land: ‘De Russische literatuur is grijs als een sijsje, ze heeft een frambozenrode rijbroek nodig en hemelsblauwe leren laarzen’. Welnu, Babel leverde die frambozenrode rijbroek met bijpassende hemelsblauwe leren laarzen op maat! Met zijn zuidelijke temperament en zijn bravoure vloeide er weer warm bloed door de letteren. Zijn bondige, vitale stijl, zijn laconieke toon met verholen ironie en zijn exuberante metaforen lieten de zon weer schijnen. Stilistisch dan, want de inhoud van zijn verhalen over de verschrikkingen van de oorlog loog er niet om.

    De Rode ruiterij gaat over het verkrachten, moorden en brandstichten door het rode leger als betrof het een volledig uit de hand gelopen studentenfeest. Wraak en sadisme vieren hoogtij. Zo ziet een oud-landarbeider, nu de rollen zijn omgedraaid, zijn kans schoon zijn vroegere heer genadeloos af te rossen: ‘Ik schopte hem een uur lang, of langer nog, en in die tijd heb ik het leven ten volle leren kennen. Met een schot, zeg ik zo, ontdoe je je alleen maar van een mens, een schot is genade voor hem, en een grove nalatigheid ten opzichte van jezelf, met een schot kom je niet bij de ziel, waar die is bij een mens en hoe hij eruitziet. Maar er zijn gevallen, dat ik mezelf niet ontzie, dat ik een vijand een uur lang schop, of langer nog; ik wil het leven leren kennen, het leven zoals het is…’

    In de verhalen duikt vaak een alter ego van Babel op: het bebrilde type dat als buitenstaander getuige moet zijn van de gruwelijkheden. De ik-verteller kent daarnaast ook zijn eigen tragiek: de jood die geaccepteerd wil worden door zijn onbehouwen, viriele wapenbroeders. Zo’n intellectueeltje moest op z’n tellen passen, omdat hij ‘een brilletje op de neus heeft en de herfst in zijn ziel draagt’.

    In het verhaal Mijn eerste gans wordt hij met zijn regiment kozakken ergens ingekwartierd in afwachting van verdere bevelen van de commandant, wiens aanblik de schriele ik-verteller jaloers maakt ‘op zijn stalen, bloeiende jeugd’ en ‘de schoonheid van zijn gigantische lichaam (…). Hij rook naar parfum en de weeë koelte van zeep. Zijn lange benen leken op meisjes, tot hun schouders in glimmende rijlaarzen geklonken.’ Vanzelfsprekend ondertekent zo’n commandant zijn bevelen met een zwierige krul. Wanneer de commandant hem vraagt of hij kan lezen en schrijven, luidt het antwoord bevestigend, meer nog: hij is promovendus in de rechten aan de universiteit van Sint-Petersburg. Haha, hoon is zijn deel! ‘’Moederskindje’, riep [de commandant] lachend uit, ‘met een bril op zijn neus. Wat een minkukel! Ze sturen jullie ongevraagd, maar met zo’n bril ga je eraan hier.’’ Eenmaal ingekwartierd krijgt de verteller te horen: ‘Altijd gedoe over brillen bij ons, niet te stuiten. Een hoogstaand man wordt afgemaakt hier. Maar rand je een dame aan, de meest smetteloze dame, dan ben je de held bij de soldaten.’

    Babel mag dan een zekere fascinatie voor wreedheden aan de dag leggen (reeds in het allereerste verhaal uit 1913 knoopt een oude man zich op), zijn mededogen ligt onmiskenbaar bij de kleine man, die de wrede en chaotische buitenwereld het liefst daar had gehouden waar die hoort, namelijk buiten de deur. Maar ja, het publiek maken van zoveel geweld en terreur begaan door de legers die de heilsleer van de klasseloze maatschappij moesten brengen, was tegen het zere been van de Sovjetautoriteiten.

    Zijn focus op geweld van de rode garde in zijn oorlogsverhalen en het ontbreken van een socialistische strekking werden hem niet in dank afgenomen. Er werd een lastercampagne gestart waarin hij werd afgeschilderd als een ‘Hebreeuswe erotomaan’ die de revolutie zou hebben besmeurd. Maxim Gorki, de wegbereider van het sociaal-realisme hield Babel de hand boven het hoofd, maar hij moest wel beterschap beloven en verhalen over de landbouwcollectivisatie gaan schrijven. Maar daar bracht hij, gelukkig voor ons, weinig van terecht. De tragiek van het menselijke lot tot uitdrukking komend in het streven eraan te ontkomen, lag hem nader aan het hart dan de partijpolitieke agenda van de revolutie. Daarbij nam hij de literatuur te serieus om er de politieke zaak mee te dienen.

    Zijn oeuvre is niet omvangrijk maar na De rode ruiterij laten de verhalen steeds de grote stilist in Babel zien. Maarten ’t Hart heeft ooit over Babel beweerd: ‘Telkens moet je de tanden op elkaar klemmen, want datgene wat Babel met zijn ongeëvenaarde beheersing van het métier ons voor ogen tovert, is zo verschrikkelijk, juist omdat het allemaal laconiek wordt verteld als gold het het verslag van een bijeenkomst van duivenmelkers.’

    Los van het feit dat de oorlogsverhalen niet van subtiele humor zijn gespeend, toont Babel zich wat dat betreft een waardig opvolger van Gogol. De Verhalen uit Odessa toonden al een neiging tot het groteske in de tekening van de maffiakoningen uit de getto’s. Babels gevoel voor het komische gaat helemaal los in In het souterrain. Dat inzet met: ‘Ik was een leugenachtige jongen. Dat kwam van het lezen.’ Al dat lezen hield de jongen van het echte leven weg. Dan komt Mark Borgman, beste leerling van de klas en zoon van een bankdirecteur, in het vizier, omdat hij gebogen zit over een boek van Spinoza waarover hij zijn klasgenoten onderhoudt. De twee sluiten vriendschap en de verteller is helemaal beduusd als hij bij de rijke familie over de vloer komt: ‘Mijn  twaalfjarige hart zwol van de vreugde en de lichtheid van andermans rijkdom. (…) Ik had niets om tegenover die eindeloze weelde te stellen.’

    Hoe de verteller met zijn steeds luider gedeclameerde Shakespearezinnen het kabaal en de dronkenmanspraat van zijn oom en diens metgezel tracht te overstemmen en zijn eigen onrust te overschreeuwen, is onvergetelijk. Het gevloek en getier zijn niet van de lucht. ‘Mijn eigen doodsnood versmolt met de reeds voltrokken dood van Ceasar.’ De regie van het gebeuren ontglipt hem. ‘De kleine Borgman stond op van zijn stoel. Hij keek bleek om zich heen. De finesses van de Jiddische godslasteringen ontgingen hem, maar de Russische vloeken, die [de oom] evenmin schuwde, kende hij. De bankierszoon verfrommelde zijn pet in zijn hand.’ Als de weggestuurde opa ook nog op dit lawaai afkomt is de chaos compleet en maakt Mark zich uit de voeten. ‘’Niets aan de hand’, mompelde hij, terwijl hij de vrijheid tegemoet vloog, ‘echt, niks aan de hand…’ Zijn schooluniform en zijn pet met de opstaande rand flitsten over de binnenplaats’. Dat de wereld van de verteller daarmee is ingestort behoeft geen betoog.

    Dat de wereld van de schrijver Babel zelf op instorten stond, stond toen al in de sterren geschreven. Na 1926 ging de officiële kritiek zich van hem distantiëren. Zijn vele reizen naar het buitenbeeld waar zijn eerste en tweede vrouw zich ophielden, zijn falen te voldoen aan de sociale opdracht die schrijvers was opgelegd en zijn kritiek op de mores van het Stalinistische regime werden hem hard aangerekend. Babel kreeg het moeilijk. Er brak een periode van zwijgen aan. In 1934 betitelde hij zichzelf ironisch als ‘de grootmeester van het zwijgen’. Zo Babel de kracht van zijn eigen talent heeft voorvoeld in een verhaal uit 1916: ‘Als je erover nadenkt, valt dan niet op dat er in de Russische literatuur nog geen echte, vreugdevolle, heldere beschrijving van de zon voorkomt? (…) Mensen voelen dat het tijd is voor nieuw bloed.

    Ze krijgen het benauwd. De literaire Messias, op wie ze al zo lang en vergeefs wachten, zal daarvandaan komen: uit de zonnige steppen, omspoeld door de zee’, zo zou men kunnen menen dat hij zijn eigen tragische levenseinde peilde in het slot van het verhaal Guy de Maupassant. Nadat hij gelezen heeft onder welke miserabele omstandigheden deze Franse auteur op tweeënveertigjarige leeftijd in een gekkenhuis is gestorven, staat er: ‘De mist reikte nu tot aan mijn raam en verborg het universum. Mijn hart kromp samen. Een voorbode van de waarheid beroerde me.’ In mei 1939 werd Babel gearresteerd door de geheime politie. Zijn manuscripten werden in beslag genomen. Na ondervragingen en folteringen werd hij in de nacht van vrijdag op zaterdag 27 januari 1940 geëxecuteerd en in een gemeenschappelijk graf gedumpt. Als het niet zo godgeklaagd oneerbiedig klonk, zou men kunnen zeggen: gelukkig hebben we zijn verhalen nog.