• Een documentaire roman

    Een documentaire roman

    Guido Snel, docent Europese literatuur aan de Universiteit van Amsterdam, typeert zijn nieuwe boek, getiteld Reger, als documentaire roman. Hij baseert zijn verhaal op documenten uit het archief van Reger, op interviews en kan uit de eerste hand over hem vertellen omdat ze bevriend zijn geweest.

    Het verhaal speelt zich voor een groot deel af in een snel veranderend Zuid-Afrika (waar Reger geboren is), in Gstaad, op Bergland, op Alonissos en in Amsterdam, waar Reger aan het hoofd heeft gestaan van het spirituele centrum Kosmos. Hij verwijst met naam en toenaam naar sommige mensen, zoals fenomenologisch psycholoog Jan Hendrik van den Berg of Ramses Shaffy. Soms mystificeert Snel wat: zo heeft hij het over een ‘belachelijke Nederlandse schrijver … die zich enkel om aandacht te trekken in het American Hotel liet opbellen.’  Hij vertelt niet wat de pointe is van deze anekdote: wanneer Mulisch opgebeld werd, werd er luidkeels omgeroepen: ‘Telefoon voor de heer Mulisch.’  Waarna hij – aangestaard door de overige gasten – naar de telefoon kon lopen.

    Bronnen van kennis

    Reger is psycholoog en baseert zijn gedachtegoed onder meer op dat van Steiners antroposofie, de Griekse mythen, Veda’s en de I Tjing. Hij is zijn hele leven gefascineerd door Egypte. Hij reist naar de tempel van Seti in Abydos waar de beroemde koningslijst op de westelijke wand van de gang in de tempel afgebeeld staat. Reger is echter meer geïnteresseerd in de meestal over het hoofd geziene lijst op de oostelijke wand, de godenlijst. Reger zou nog eens een baanbrekend boek over Egypte schrijven, maar dat is nooit verschenen

    Het verhaal doet denken aan de schelmenroman. Reger is biseksueel en heeft vele minnaars en minnaressen, hij rookt, drinkt en gebruikt hallucinerende middelen bij de vleet. Veel mannen hebben begeerlijke benen en één van zijn minnaars beschikt ook over ‘een knappe gat en immer stijve lat’. Reger fladdert van de een naar de ander en reist als een moderne Jan Cremer de wereld rond. Er zijn ook dieptepunten, zoals de periode bij Kosmos, die in een fiasco eindigt.

    Stilistische variatie

    De roman is strak gecomponeerd en kent een grote variatie in stijl. Sommige hoofdstukken springen eruit: het zesde hoofdstuk (‘De kosmonauten van Amsterdam’) bestaat uit de weerslag van een groot aantal interviews met medewerkers van Kosmos. De ene geïnterviewde levert daarbij commentaar op wat een andere geïnterviewde zojuist beweerd heeft. Het zevende hoofdstuk, ‘Het boek Jona’, handelt over de belangrijkste figuur in het leven van Reger. Het is één alinea van 27 pagina’s die de lezers wel even naar adem laat happen.

    Het belevenissen van Reger worden met vaardige pen verteld. Voor lezers die ooit in Kosmos zijn geweest, is het leuk dat een gedeelte van het verhaal zich daar afspeelt. Bij een hybride genre is het echter onduidelijk wat werkelijk heeft plaatsgevonden en wat Snel gefabuleerd heeft. Er is echter één minpuntje: waarom zou je een boek kopen dat Reger getiteld is? Het is een gemiste kans dat de titel van het zesde hoofdstuk niet als titel op het omslag staat.

     

     

  • Op zoek naar inspiratie in Beiroet 

    Op zoek naar inspiratie in Beiroet 

    Naar Beiroet is de zevende roman van Gerrit Brand (1956). Hoofdpersoon van deze roman is Edgar Laseur die een galerie heeft in de stad Groningen en op zoek is naar nieuwe inspiratie. Zijn vriend Arthur van den Berg is arabist en wijst Laseur op Libanon als ideale springplank naar het Midden-Oosten. Daar kan hij vast wel inspiratie opdoen en werk van interessante schilders vinden. De internationale kunstmarkt wordt immers steeds meer door rijke oliesjeiks beheerst. Van den Berg weet ook nog iemand die Edgar wegwijs kan maken in de hoofdstad van Libanon, namelijk de persfotograaf Fatima die van de alwetende verteller geen achternaam meekrijgt.

    Das gelobte Land

    Laseur reist af naar Beiroet. Hij hoopt er niet alleen een schilder te vinden die zijn galerie een nieuwe impuls kan geven, maar is ook op zoek naar een impuls in zijn eigen leven. Na 7 oktober 2023 ziet hij een groep jongens die zwaaien met Palestijnse vlaggen en luid juichen. Free Palestine hoort hij hen roepen. Het zijn aanhangers van Hezbollah die blij zijn dat Hamas Israël te grazen heeft genomen, in de eufemistische woorden van Fatima.

    Tijdens zijn reis leest Laseur de roman Das gelobte Land (Het beloofde land) van Erich Maria Remarque die vooral bekend is geworden door zijn roman Im Westen nichts Neues. De vlucht van Joodse vluchtelingen voor de naziterreur uit Das gelobte Land spiegelt Laseur aan het lot van de Palestijnse vluchtelingen voor de Israëlische bombardementen. Het boek van Remarque biedt daardoor een mooie allegorie op de huidige situatie in het Midden-Oosten.

    Eyeless in Gaza

    Laseur moet tijdens zijn verblijf in Libanon ook denken aan een andere roman: Eyeless in Gaza van Aldous Huxley. De titel refereert aan Simson met de lange haren uit de Bijbel, een Jood met bovenmenselijke krachten. God waarschuwt hem: als zijn haar wordt afgeknipt, verliest hij zijn kracht. Simson valt voor de Filistijnse – zeg maar: Palestijnse – Delila, die achter zijn geheim komt en zijn haar afknipt terwijl hij slaapt. Ze levert hem uit aan de Filistijnen die zijn ogen uitsteken en hem gevangen zetten in Gaza. Vandaar de titel van de roman van Huxley: Eyeless in Gaza. In Gaza begint zijn haar weer te groeien en wanneer hij meegenomen wordt naar de tempel van een Fenicische god, vraagt hij of hij even mag uitrusten tussen de steunpilaren. Daar bidt hij tot God en vraagt aan Hem of hij zijn kracht terug kan krijgen. God vervult zijn wens en vervolgens duwt Simson de steunpilaren uit elkaar waarop de tempel instort. Hij komt samen met de Filistijnen om het leven.

    Het boek van Huxley spiegelt niet alleen de huidige situatie in het Midden-Oosten, maar ook de eigen positie van Laseur. Is hij niet blind geweest voor het lijden van de Palestijnen en is hij niet als blindeman op zoek gegaan naar de zin van het leven?

    Kantelend perspectief

    Fatima neemt Laseur mee naar demonstraties (omdat ze daar foto’s moet maken) en laat hem de verwoestingen na de Israëlische bombardementen zien. Laseurs westerse en pro-Israëlische opvattingen kantelen omdat hij via haar Libanon leert kennen en de geschiedenis van dat land beter leert begrijpen. Zijn zoektocht naar een spraakmakende schilder gaat door en door bemiddeling van Fatima maakt Laseur kennis met de schilder Balsam Aridi en hij koopt haar werk voor zijn galerie. Wanneer de dreiging groter wordt, geeft hij gehoor aan het negatieve reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken en keert hij terug naar Groningen.

    Vernissage

    Terug in zijn galerie exposeert Laseur de schilderijen van Aridi. De Libanese ambassadeur komt de expositie zelf openen. Dat is natuurlijk mooi, maar misschien ook wat onwaarschijnlijk daar op de schilderijen wonderlijke voorstellingen van open vulva’s, rechtopstaande en hangende penissen (doorboord of afgebonden) te zien zijn. Of geeft dit blijk van vooringenomenheid en een westerse blik op een land dat voor de helft uit Moslims bestaat? Op de vernissage is ook één zwarte man aanwezig, Kofi Tsiboe uit Ghana. Hij zegt: ‘Zolang je als buitenlander kunst maakt en je aangepast gedraagt is er niets aan de hand. Als er maar niet te veel van jouw soort het land inkomen.’ Zo eindigt de boeiende roman een tikje moralistisch. Het is een indringend verhaal, niet zozeer door de belevenissen van de hoofdpersoon die op zoek is naar inspiratie, maar door de lotgevallen van de vrouwen in Libanon die zwaar te lijden hebben onder oorlog en geweld.

  • Barea timmert aan de weg

    Barea timmert aan de weg

    In de prachtige serie Kritische Klassieken van uitgeverij Schokland is dit jaar de indrukwekkende autobiografische roman De weg (La ruta) van Arturo Barea (1897-1957) verschenen. Hierin beschrijft hij de Spaanse aanwezigheid in Marokko die het voorspel tot de Spaanse Burgeroorlog zal vormen. De tekst is al eens eerder vertaald en in 1948 uitgegeven. Dit boek is echter onvindbaar (zelfs de Koninklijke Bibliotheek beschikt niet over een exemplaar), maar gelukkig is er nu een uitstekende vertaling van Mia Buursma. Hub Hermans schreef het verhelderende nawoord. Het register, dat ten onrechte wordt aangeduid als noten, zorgt – net als het kaartje achterin het boek – voor de noodzakelijke achtergrondinformatie.

    Barea is van eenvoudige komaf. Na de dood van zijn vader zorgt zijn moeder voor vier jonge kinderen door als wasvrouw kleren te wassen in de door Madrid stromende rivier de Manzanares. Een oom en tante betalen zijn schoolopleiding. Hij verlaat de school op 13-jarige leeftijd en gaat voor een hongerloontje bij een bank werken. Hij vervult zijn verplichte militaire dienst in Marokko waar hij zich opwerkt tot sergeant. Hij begint te schrijven, houdt een dagboek bij en publiceert enkele gedichten. Na de machtsovername van Francisco Franco vlucht Barea naar Engeland en publiceert zijn boeken in het Engels en in het Spaans voor de Latijns-Amerikaanse markt. Het zal tot na het einde van de dictatuur van Franco duren voor zijn boeken – met groot succes – in Spanje worden uitgebracht.

    Een Afrikaanse kolonie voor Spanje

    Spanje is na de Eerste Wereldoorlog zijn positie van wereldmacht kwijtgeraakt: de Latijns-Amerikaanse kolonies zijn onafhankelijk geworden, terwijl de nieuwe koloniale machten (Britten, Fransen, Portugezen, Belgen en Italianen) volop begonnen zijn met hun verovering van Afrika. Spanje houdt daarom vast aan de Rif in het huidige Marokko, waar de bevolking maar niet wil snappen dat zij gekoloniseerd worden voor hun eigen bestwil en dat hun land niet van hen is, maar van Spanje – de klassieke leugen van elke kolonisator.

    Wanneer Spanje niet eens een kolonie kan domineren aan de overkant van het water op nauwelijks 14 kilometer van zijn eigen kustlijn, dreigt het zijn internationale geloofwaardigheid helemaal kwijt te raken. Daarom worden tienduizenden soldaten naar de Rif gestuurd. Het zijn analfabete boerenzonen, grotendeels afkomstig uit kleine dorpen gelegen in het Spaanse binnenland, waar de armoede soms nog groter is dan in de Rif. De situatie in Spanje is zo slecht dat voor velen vrijwillig in dienst blijven na de dienstplicht de enige kans is op een vast inkomen en – als ze het overleven – op een klein pensioen.

    Koloniale corruptie

    Het behoort tot de taak van sergeant Barea een weg te tekenen en toe te zien op de aanleg ervan in bezet gebied. Vandaar de titel van het boek. Hij ontdekt al snel dat het Spaanse leger door en door corrupt is. Er wordt geld gevraagd voor meer arbeiders dan er daadwerkelijk zijn, officieren steken de niet-uitbetaalde soldij in eigen zak en worden zo slapend rijk. Barea moet alles netjes verwerken in de boekhouding: zolang er een door een meerdere ondertekend bonnetje bestaat, hoeft hij zich nergens druk over te maken.

    Met veel empathie beschrijft Barea de dagelijkse ontberingen van de soldaten: hoe ze bedorven voedsel moeten eten (‘met paprika gekookte bonen vol wormen’) of honger moeten leiden, hoe ze moeten slapen in lekke tenten en hoe de luizen vrij spel hebben in hun ongewassen uniformen. Sommigen gaan naar de prostituees die syfilis hebben, in de hoop besmet te raken: dan mogen ze – samen met de zwaargewonden – terug naar Spanje. Wie echter een bevel weigert op het slagveld riskeert de doodstraf met de kogel. Eén van de hogere officieren is Francisco Franco die krediet heeft bij de soldaten omdat hij één van de weinige hogere officieren is die aan de frontlijn zijn leven riskeert.

    Riffijns verzetsleider Abd El-krim El Khattabi dwingt Spanje in 1923 tot de terugtocht. Dit is de andere koloniale mogendheden een doorn in het oog en Frankrijk helpt Spanje uit de nood. Franco, ondertussen de jongste generaal ooit in het Spaanse leger, onderwerpt met Franse hulp opnieuw de Rif: de Riffijnen worden gruwelijk afgeslacht. Hij doet dat met zijn leger dat hij in 1936 zal inzetten voor een staatsgreep tegen de democratisch verkozen regering in eigen land. Zijn dictatuur zal tot aan zijn dood in 1975 duren.

    Seksuele moraal

    Barea mag thuis herstellen van een levensbedreigende tyfus-infectie. Hij ontdekt dat de Spanjaarden geen weet hebben van de gruwelen die hun landgenoten in de Rif aanrichten en van de ontberingen van de Spaanse soldaten. Wanneer hij na zijn diensttijd uit Marokko terugkeert (met achterlating van zijn vriendin en hond) is hij een overtuigd antikoloniaal en denkt hij ook kritisch na over de seksuele moraal van zijn vaderland waar gearrangeerde huwelijken nog steeds de norm zijn. Gehuwde koppels die zich na de wittebroodsweken als geliefden gedragen, worden met wantrouwen bekeken; dat hoort niet. Mannen moeten hun vrouwen niet lastigvallen, kunnen er beter een vriendin op nahouden of naar de bordelen gaan; vrouwen hebben geen andere taken dan kinderen baren en het huishouden verzorgen.

    Anti-oorlogsboek

    Barea was erbij in de Rif en kan er uit de eerste hand over schrijven. Aan het slot van het boek denkt hij terug aan de aanleg van de weg in de Rif waar een blinde man gedesoriënteerd raakt omdat zijn hobbelige, maar vertrouwde pad verdwenen is. Er ligt nu immers een nieuw aangelegde vlakke weg. Hij vervloekt die weg die volgens hem volgezogen is met bloed. Barea realiseert zich dat de vooruitgang in Spanje betekent dat ook daar veel nieuwe wegen zullen worden aangelegd en vreest dat hierbij evenveel bloed verspild zal worden. Zo laat hij zien hoe de gebeurtenissen in Marokko parallel lopen aan die in Spanje. Hij doet dat zonder zichzelf te sparen. Zijn eerlijkheid overtuigt en maakt het eerste deel van zijn boek tot één van de beste anti-oorlogsverhalen die ooit geschreven zijn, en het tweede deel tot een vileine afrekening met de patriarchale, Spaanse maatschappij.

  • Prachtig verstoorde rust

    Prachtig verstoorde rust

    Autran Dourado (1926-2012) was een Braziliaanse schrijver van romans en verhalen. Zijn roman Opera der doden (Ópera dos mortos) verscheen in 1967 en werd in 1997 in het Nederlands vertaald door Harrie Lemmens. In 2025 is het boek opnieuw (ongewijzigd) uitgebracht. Beide vertalingen bevatten hetzelfde nawoord van de vertaler.

    De roman begint fabelachtig. De eerste zin luidt: ‘Voor ik u antwoord geef op uw vraag, eerst dit:’ Vervolgens ontvouwt zich het verhaal van een familie van grootgrondbezitters en van het huis dat ze bewonen. Lucas Procópio Honório Cota is een potentaat die zijn bezit met ijzeren vuist bestuurt. Zijn zoon, Joāo Capistrano Honório Cota, is een stuk milder. Hij laat een tweede verdieping op het huis bouwen waardoor twee generaties met elkaar verbonden worden, maar het blijft de vraag of ze een eenheid vormen.

    Joāo Capistrano Honório Cota verwijt zijn stadgenoten dat ze zijn droom een politieke carrière na te jagen, gefnuikt hebben; hij keert daarop de stad de rug toe, trekt zich samen met zijn dochter Rosalina terug in het huis en sluit de wereld buiten. De tijd wordt letterlijk bevroren in het huis: de klokken worden namelijk na de dood van grootvader en moeder van Rosalina om precies drie uur stilgezet.

    Rosalina

    Na de dood van grootvader en vader bewoont Rosalina het huis samen met haar dienstmeid Quiquina, die niet kan praten. Overdag maakt Rosalina kunstbloemen, ’s avonds drinkt ze. Ze leidt een geïsoleerd leven totdat ze José Feliciano, die ook Juca de Mus of Zé-van-de-Majoor genoemd wordt, aanneemt als manusje-van-alles. Terwijl Quiquina stom is, maar niet doof, heeft José Feliciano een oog waar hij bijna niets mee ziet. De beangstigende buitenwereld wordt verbeeld door een gapende kloof die José Feliciano panische angst aanjaagt, omdat het hem doet denken aan een open graf.

    Met de komst van José Feliciano is de rust in het huis verstoord, zeker als hij ’s nachts Rosalina’s minnaar wordt. Overdag is zij nog steeds dona Rosalina en hij haar ondergeschikte, ’s nachts is ze een vurige vrouw die haar minnaar ontvangt. Die ontdekt dat er niet twee maar zelfs drie verschillende Rosalina’s in één persoon huizen. Voor de genoemde twee is er ook ‘dona Rosalina die had bestaan voor zijn komst naar het huis en die was blijven bestaan tot die ene nacht (…).’

    Katholieke context

    De drie namen van de mannelijke hoofdpersoon, de drie verschillende Rosalina’s, de klokken die om drie uur stilstaan: het cijfer drie komt natuurlijk niet voor niets vaak voor in de roman. In een katholieke context valt onmiddellijk te denken aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De slotzin luidt: ‘Daar ging Rosalina, onze doorn, onze smart.’ Ook die zin valt goed in een katholieke context te plaatsen.

    Afwisselende stijl

    Dourade geeft de directe rede in de tekst zonder leestekens weer en maakt daardoor de innerlijke monologen en de dialogen gelijkwaardig. Die eenvormigheid doorbreekt hij stilistisch: er staan veel korte, elliptische zinnen in de tekst, maar tegen het eind komen zinnen voor die pagina’s lang doordenderen (op pag. 200-202 bijvoorbeeld). Omdat hij de gebeurtenissen via de gedachten, de innerlijke monologen, van de personages vertelt, wisselt hij continu van perspectief: de lezer kruipt in het hoofd van steeds een andere hoofdpersoon.

    Keuzes van de vertaler

    De vertaler heeft ervoor gekozen een paar (Braziliaanse) woorden en begrippen toe te lichten (handig natuurlijk), maar systematisch gebeurt dat helaas niet: wat zijn een fustein, organdie, kroep, manenwolf, cantilene, jabuticaba of een aanrechtkeuken? Het gebruik van Braziliaanse namen wordt doorbroken bij de pony die de Nederlandse naam Vuurvliegje krijgt, en bij Juca de Mus.

    Het opnieuw uitgeven van een vertaling die 28 jaar geleden gemaakt is, houdt het risico in dat woorden die vroeger normaal waren, nu niet meer gebruikt mogen worden. Zo komt de term ‘slaaf’ in de tekst voor. Daarom is het jammer dat het nawoord ongewijzigd is overgenomen: in een nieuw nawoord had de vertaler een verklaring kunnen geven waarom hij vastgehouden heeft aan deze omstreden terminologie.

    Het zijn schoonheidsfoutjes in een prachtig gecomponeerde en adequaat vertaalde roman die dankzij de herdruk nu weer voor iedereen binnen handbereik is. Het verhaal is zeer de moeite waard en wanneer u het boek uitgelezen hebt, weet u ook waar de slotzin van de roman naar verwijst.

    Opera der doden

    Opera der doden

    Autran Dourado

    ISBN 01234

    21312 pagina’s

    Prijs: € 1.312,00

    Buy with Libris
  • Kiezen voor vooruitgang of behoud?

    Kiezen voor vooruitgang of behoud?

    Ismail Kadare, de bekendste schrijver uit Albanië, is geboren in 1936 en vorig jaar op 88-jarige leeftijd overleden. Eind jaren zeventig van de twintigste eeuw publiceerde hij zijn roman Uta me tri harque, in 1985 door Henne van der Kooy uit de geautoriseerde Franse vertaling in het Nederlands overgezet: De brug met drie bogen. Dit jaar is het boek opnieuw uitgebracht.

    Brug over de Oejane

    Kadare laat het verhaal over de brug over de rivier Oejane (gelegen in Albanië) vertellen door Gjon de Monnik. Jarenlang heeft de organisatie met de toepasselijke naam ‘Ponten en Veren’ mensen en vee per boot de rivier overgezet. Tot tevredenheid van Graaf Stres die een deel van de winst opstrijkt. In 1377 krijgt een ziener bij de pont een epileptische aanval waarna hij verklaart dat dit een teken van de Almachtige is: er moet op deze plek een brug gebouwd worden. Een handelsgezelschap, luisterend naar de eveneens toepasselijke naam ‘Wegen en Bruggen’, krijgt vervolgens toestemming van de graaf een stenen brug te bouwen.

    Moet de aanwijzing van de Almachtige gevolgd worden of is de brug de rug van de duivel en wordt iedereen die er overheen zal durven gaan, vervloekt? Het bijgeloof vergroot de angst. Het verzet tegen het bouwen van de brug symboliseert fraai de weerstand tegen vooruitgang en het willen vasthouden aan oude gewoonten. De toekomst is echter niet tegen te houden en men begint met de bouw van de brug.

    Strijd tussen krokodil en tijger

    Dat de brug er niet zonder slag of stoot zal komen wordt aan het begin van het verhaal al duidelijk wanneer een Hollandse (!) monnik aan Gjon vertelt over de strijd op leven en dood tussen een krokodil en een tijger, niet voor niets een water- en een landdier. De twee dieren storten zich op elkaar zonder dat ze erin slagen elkaar te bijten of te slaan: ‘Het leek erop of er aan het gevecht nooit een eind zou komen.’ Blijkbaar is Kadare deze opmerking snel vergeten, want vier pagina’s verder heeft de tijger (het landroofdier) de strijd toch gewonnen en rent hij, met bebloede muil, de savanne in.

    ’s Nachts wordt de brug beschadigd en dat brengt ‘een storm van geruchten en bange voorgevoelens teweeg’: de brug vraagt om een offer. Murrasj Zenebisje voldoet aan de wens van de brug en laat zich onder de eerste boog van de brug inmetselen. Gjon vermoedt dat het om dezelfde man gaat die eerder de brug beschadigd heeft. Is hij een martelaar of is hij het slachtoffer van een vloek? Zijn familie krijgt weliswaar een schadeloosstelling, maar over de verdeling ervan breekt in de familie een enorme ruzie uit.

    Vertaling

    Het verhaal wordt met veel vaart verteld in korte hoofdstukken (ruim zestig hoofdstukken in nog geen 150 pagina’s). De vertaling wordt niet toegelicht en dat laat een aantal vragen open. Waarom is de tekst vertaald uit het Frans en niet direct uit het Albanees? Roel Schuyt vertaalt immers direct uit die taal (ook werk van Kadare). Is de vertaling uit 1985 afgestoft of gaat het om een ongewijzigde herdruk? Komt de soms wat archaïsche taal (die natuurlijk goed past in een verhaal dat in de veertiende eeuw speelt) in de oorspronkelijke taal voor of is deze afkomstig uit de Franse of Nederlandse vertaling?

    Beklemmende sfeer

    De roman van Kadare heeft een beklemmende sfeer, mede door de dreiging van oorlog en de angst voor de komst van vreemde overheersers (de Turken) die een onheilspellende achtergrond bieden tegen spanningen die ontstaan tijdens de bouw van de brug. Door de dreigende achtergrond van oorlog en geweld is het een roman die perfect in de huidige tijdgeest past. En voelen veel mensen heden ten dage niet eveneens angst voor vooruitgang? Welke bruggen zijn er nodig op de elektronische snelweg en wie zal worden geofferd om de bouw van de bruggen dáár mogelijk te maken?

  • Briefwisseling tussen George Sand en Pauline Viardot

    Briefwisseling tussen George Sand en Pauline Viardot

    George Sand (1804-1876) is vooral bekend door haar romans en toneelstukken, zo’n honderd in totaal, haar autobiografie Histoire de ma vie en haar liefdesrelatie met Frédéric Chopin. Ze schreef duizenden brieven en haar vriendenkring omvatte ook andere beroemde mannen: Flaubert, Toergenjev, Alfred de Musset en Delacroix. In het katern met afbeeldingen zijn Sand, Viardot en Chopin afgebeeld, dat spreekt voor zich. Waarom Toergenjev en Alfred de Musset worden afgebeeld is een raadsel: ze worden in de briefwisseling namelijk nergens genoemd.

    Thérèse Marix-Spire heeft de briefwisseling tussen Sand en operazangeres Pauline Viardot (1821-1910) uit de periode 1839-1849 gedestilleerd uit de verzamelde correspondentie van Sand die in totaal zesentwintig delen beslaat. De brieven zijn prettig leesbaar vertaald door Rosalien van Witsen die ook het summiere voorwoord schreef.

    Hechte vriendschap

    Uit de brieven blijkt allereerst de hechte vriendschap tussen Sand en Viardot. En dat is meteen ook het grootste bezwaar dat je tegen deze uitgave kunt hebben: naar schatting bestaat een derde uit zinsneden waaruit blijkt dat ze elkaar zo vreselijk missen, uitnodigingen om op bezoek te komen en passages waaruit blijkt hoe teleurgesteld ze zijn als dat niet lukt. Vervreemdend werkt het dat ze elkaar moeder en dochter noemen (Sand is zeventien jaar ouder dan Viardot) en elkaar koosnaampjes geven. Interessant is wel het carrièrepad dat Sand voor Viardot uitstippelt: eerst in Spanje, Italië, Duitsland, Rusland en Engeland als operazangeres gevierd worden, en daarna pas Parijs veroveren. De vele passages over ovationeel applaus, bloemenhuldes en dankbetuigingen geven blijk van het succes van Viardot, maar ook daarin had – zonder informatieverlies – flink wat bekort kunnen worden.

    Sand en Chopin

    Tijdens het verblijf van Chopin op Sands landgoed ontvangt hij vele malen de groeten of laat hij deze overbrengen. In de brieven wordt hij vaak aangeduid met bijnamen zoals Fritz, Chipchop, Chipchip, Chopino, Chopinet of Chopinski. Daaruit blijkt een tweede bezwaar tegen deze uitgave: de vele voor- en bijnamen maken identificatie van voorkomende personen in de brieven niet eenvoudig. In het personenregister wordt namelijk gealfabetiseerd op achternaam, maar daarmee vindt de lezer dus niet iemand terug die met voor- of bijnaam wordt aangeduid. Eén voorbeeld: Daure op pagina 60 en 62 is een verbastering van de naam van de graaf Antoine Henri Philippe Léon Cartier d’Aure die onder de D niet in het personenregister voorkomt. Een simpele verwijzing bij Daure, zie D’Aure had volstaan.

    Uit de brieven is af te leiden hoe de verwijdering tussen Sand en Chopin ontstaan is, aangesticht en aangewakkerd door Sands dochter Solange en haar echtgenoot, de beeldhouwer Auguste Clésinger. Hij heeft vast ook schilderijen gemaakt, maar hem op pagina 146 als schilder typeren doet hem geen recht. Gelukkig wordt in het personenregister wel vermeld dat hij beeldhouwer was. Zijn bekendste beeldhouwwerken zijn Femme piquée par un serpent en het graf van Frédéric Chopin. Dat eerste werk zorgde in 1847 voor veel ophef op de Parijse salon. Het beeld toont namelijk een ontklede vrouw die kronkelend op de grond ligt na de beet van een slang. Vanwege de erotische lading kreeg het beeld de bijnaam ‘Volupté‘ (‘Wellust’).

    Solange en haar echtgenoot verlangen een grotere bruidsschat van Sand, waaraan ze – naar eigen zeggen – niet kan voldoen omdat er dan niets voor haarzelf zou overblijven. Chopin kiest de kant van de dochter en haar man en verdwijnt na negen jaar uit Sands leven. Ze mist natuurlijk de man, maar meer nog zijn muziek.

    1848

    Sand en Viardot hadden genoeg om over te schrijven in het roerige Frankrijk van het midden van de negentiende eeuw: natuurlijk over hun eigen leven, maar ze waren ook getuigen van de revolutie van 1848, de Tweede Republiek en de staatsgreep van Lodewijk Napoleon waarmee Frankrijk voor de tweede keer een keizerrijk werd. Teleurstellend is dat het grootste deel van de dagelijkse beslommeringen uitgebreid wordt weergegeven en de interessante politieke perikelen maar mondjesmaat in de brieven vermeld worden.

    Aan het eind van een brief gedateerd eind maart 1848 vraagt Sand aan Viardot: ‘Verbrand mijn brief’ (pagina 164). Gelukkig heeft Viardot aan die wens niet voldaan. Dat het wel degelijk gevaarlijke tijden waren tijdens de revolutie van 1848 blijkt uit het feit dat Sand bedreigd wordt: in een brief van 8 december valt te lezen dat politieke tegenstanders van Sand haar in La Châtre wilden ophangen (pagina 178).

    Van Witsen eindigt haar voorwoord met de opmerking dat de briefwisseling tussen de schrijfster en de nachtegaal ook na 1849 is voortgezet en dat die brieven te vinden zijn in de verzamelde correspondentie van Sand. Jammer dat die brieven niet toegevoegd zijn aan de gepresenteerde correspondentie. Of bevatten die brieven geen nieuwe informatie ten opzichte van de brieven die Sand en Viardot tussen 1839-1849 aan elkaar geschreven hebben?

     

  • Een mythische heuvel

    Een mythische heuvel

    Rob van der Linden (1957) is voor zijn vorige boeken twee keer genomineerd voor de Libris Literatuurprijs waarbij vooral zijn vertelkunst werd geroemd. Na veertien stille jaren zit hij – zoals gememoreerd wordt op de flaptekst – weer op zijn vertellersstoel. In zijn nieuwste roman De heuvel vertelt hij in veertig hoofdstukken en bijna vijfhonderd pagina’s dat iedereen op een mythische heuvel in Galilea in slaap valt en dat niemand zich bij het ontwaken iets kan herinneren van wat hij eerder van plan is geweest. Deze heuvel is het belangrijkste steeds terugkerende element in het verhaal, naast een aantal dieren, zoals een beer, een hond en een olifant. Deze eerste twee dieren verdwijnen uit het verhaal, maar de olifant blijft terugkeren omdat deze als tekeningetje alle hoofdstukken afsluit.

    In elkaar verstrengelde verhalen

    Van der Linden begint zijn roman in het jaar 572 en eindigt hem in 1988 (wanneer je de epiloog gedateerd op 23 september 2023 buiten beschouwing laat). Naast de vele fictieve figuren komen in de roman ook vele werkelijk bestaande figuren voor. Het verhaal begint in de werkelijkheid bij Procopius, de biograaf van keizer Justinianus, die de wandaden van de keizer beschrijft en het daarom in de roman van Van der Linden beter vindt dat zijn zoon de biografie op de heuvel in Galilea verstopt.

    De tweede hoofdpersoon is Haroen ar-Rashid, een kalief die door slapeloosheid wordt geplaagd en ‘s nachts wordt beziggehouden met verhalen, maar die dreigen op te raken. Hij hoort dat in het land van de Friezen een verhalenverteller leeft, Bernlef genaamd. Het tweede boek dat een rol speelt in het verhaal is het logboek van Liudger die Bernlef van zijn blindheid heeft genezen. De kalief gaat naar de heuvel waar hij natuurlijk uitstekend kan slapen.

    De belangrijkste historische figuur in de roman is Abraham Kuyper, de oprichter van de eerste politieke partij in Nederland, de Anti-Revolutionaire Partij. In 1880 opende hij in Amsterdam de door hem gestichte Vrije Universiteit; zelf werd hij de eerste rector magnificus. Van 1901 tot 1905 was hij minister-president van Nederland. In 1906 maakte hij een reis rond de Middellandse Zee. De fictieve Matthias Bredius, de derde hoofdpersoon van de roman, reist met hem mee en leest in de bibliotheek van het Vaticaan het logboek van Liudger. Daarna komt ook Bredius op die heuvel terecht, waar hij een toevluchtsoord opricht voor iedereen die voor oorlog en geweld op de vlucht is. Ook Jacob Israël de Haan en Harry Mulisch spelen een bijrol in het derde deel van het verhaal.

    Romanconcept

    Het romanconcept van in elkaar verstrengelde verhalen doet negentiende-eeuws aan, een ouderwetsheid die nog versterkt wordt door de hoofdstuktitels die steeds met ‘Over’ beginnen. Niet altijd is duidelijk of een alwetende verteller of een hoofdpersoon uit het boek zelf aan het woord is. Van der Linden speelt daarbij het spel van de vooruit verwijzingen. Dat leidt tot grappige vondsten, zoals een verwijzing in de achtste eeuw naar de Friezen die uit verveling een schaatstocht langs elf terpen maken (p. 70) of naar het brilletje van John Lennon. Hier klinkt de stem door van de alwetende verteller. Sommige woorden zijn duidelijk verbonden aan latere tijden en dan is het nog maar de vraag of dit gewoon vergissingen zijn of bewust aangebrachte sprongen in de tijd. Zo swingden in de zesde of zevende eeuw myriades mugjes zich een ongeluk (p. 34), nemen mensen uit die tijd de kuierlatten (p. 43) en is in de achtste eeuw sprake van een berenhug (p. 103).

    Slim in elkaar gezette roman

    Het verhaal laat zich plezierig lezen. Lezers zullen genieten van deze slim in elkaar gezette en wijd uitwaaierende roman. Op het eind van de roman komt alles keurig op zijn pootjes terecht en heeft de auteur alle losse eindjes vakkundig aan elkaar geknoopt, zoals het hoort bij een meesterverteller.

     

     

  • Pleidooi voor een sterk en verenigd Europa

    Pleidooi voor een sterk en verenigd Europa

    Zijn we in de woorden van Johan de Witt: radeloos (de regering), redeloos (het volk) en reddeloos (het land)? De kwalificaties van De Witt sloegen natuurlijk op het Rampjaar 1672. Het pamflet van cultuurhistoricus René van Stipriaan Afscheid van het oude Nederland gaat over het gevaar van populistische ontwikkelingen in de (Nederlandse) democratie in de 21e eeuw. Bij veel Nederlanders is het nog niet doorgedrongen dat onze democratie en onze individuele vrijheden in groot gevaar verkeren. Van Stipriaan wil de ‘redelijke en optimistische mensen die menen dat het vanzelf wel weer goed komt’ wakker schudden en vraagt zich af of we onze democratie nog kunnen redden.

    Van Stipriaan geeft een kort overzicht van de politieke ontwikkelingen in ons land. In kort bestek beschrijft hij het naoorlogse optimisme, de recessie van de jaren tachtig van de 20e eeuw, de vastlopende verzorgingsstaat en de werkloosheid. Als reactie stuurt het neoliberalisme op een kleinere overheid, lagere belastingen en minder overheidsuitgaven. Het politieke midden wordt kleiner en het aantal partijen aan de flanken neemt toe. Burgers krijgen een vooral op zichzelf gerichte mentaliteit.

    Eind aan de verzuilde samenleving

    Er is in de 20e eeuw een einde gekomen aan de overzichtelijke tijd van verzuiling waarin de mensen zich thuis voelden in een kerkgenootschap, een politieke partij of een vakbond. Ze keken binnen hun zuil naar dezelfde omroep, lazen dezelfde krant, stemden op dezelfde partij en de kinderen gingen naar de bij de zuil horende school. De verzuilde samenleving bood daardoor een zekere geborgenheid en dat gevoel is in de 21e eeuw verloren gegaan. De verzuilde samenleving is een geglobaliseerde en snel veranderende samenleving geworden: angst jezelf of je cultuur te verliezen beheerst daardoor voor veel mensen hun leven.

    Het populistische gevaar

    Van Stipriaan beschouwt het populisme als een gevaarlijke tendens; de kenmerken vat hij samen in zeven vinkjes: Het aanwijzen van een zondebok in specifieke bevolkingsgroepen, het angst zaaien, het schermen met de wil van het volk, het wegzetten van politieke tegenstanders als een vileine elite, het verdacht maken van de rechtsstaat en de rechterlijke macht, het diskwalificeren van de serieuze nieuwsmedia, en het beloven van een nostalgisch nirwana.

    Van Stipriaan heeft dan ook weinig op met de PVV, volgens hem een ondemocratische, openlijk racistische en haatzaaiende partij.  De verkiezingen in november 2023 waarin de PVV de grootste partij is geworden, markeert in zijn ogen ‘een scherpe breuk in de Nederlandse geschiedenis, waarin verdraagzaamheid en het zoeken naar consensus bijna altijd als vanzelfsprekend om de kern van grote politieke families besloten leek te liggen.’

    Migratie

    Mark Rutte had er een handje van als hij lastenverlichting wilde voor het bedrijfsleven: luid roepen dat er Nederlandse banen op het spel staan. De noodzaak naar schatting een miljoen (goedkope) arbeidsmigranten aan te trekken staat haaks op die stelling: er is geen tekort aan banen, maar juist aan werknemers die het werk kunnen verrichten. Het zijn die arbeidsmigranten die een grote druk leggen op de zorg en op de beschikbare huizen. Alleen al in Den Haag bewonen zij 64.000 huizen. Wanneer jonge Nederlanders geen huis kunnen vinden, is de kans klein dat dat komt door asielzoekers, en groot dat het komt omdat er een stuk of tien arbeidsmigranten in wonen, omdat de asielmigranten slechts 10 à 15 procent uitmaken van de stroom aan migranten die naar Nederland komt. De PVV hamert desondanks uitsluitend op het terugdringen van de instroom van asielzoekers die de schuld krijgen van alle problemen, ook als die door arbeidsmigranten veroorzaakt worden.

    Europese Unie

    Populisten geven de schuld van alle problemen niet alleen aan asielzoekers, maar ook aan de Europese Unie. Van Stipriaan pleit juist voor een sterk en verenigd Europa: we hebben elkaar immers hard nodig. De dreiging door het agressieve landjepik van Poetin in Rusland en de onvoorspelbaarheid van president Trump in de Verenigde Staten maken het alleen maar belangrijker dat we als Europa in staat moeten zijn één front te vormen. Van Stipriaan pleit daarom voor verdere Europese eenwording op politiek, economisch, militair en technologisch terrein. Helaas is dat in de huidige werkelijkheid allerminst logisch omdat de lidstaten van de Europese Unie op veel fronten allerminst op één lijn zitten.

    Zouden mensen die de afgelopen verkiezingen op de PVV hebben gestemd, het pamflet van Van Stipriaan lezen of preekt hij alleen voor eigen parochie? Te vrezen valt dat in de bubbel waarin PVV-stemmers zich bevinden, het boek weggezet wordt als linkse prietpraat en dat ze populisten blijven geloven die – ten onrechte – de schuld van alle problemen leggen bij de Europese Unie en bij de asielzoekers.

     

     

  • Manon Lescaut: tussen kunst en kitsch

    Manon Lescaut: tussen kunst en kitsch

    De roman Manon Lescaut uit 1731 is geschreven door Abbé Prévost (1697-1763) en diende als basis voor de beroemde opera van de Italiaanse componist Giacomo Puccini (1858-1924). Dat is allemaal bekend, maar niet helemaal correct. De titel van de roman luidt namelijk: Het verhaal van chevalier Des Grieux en Manon Lescait en de auteur heet voluit Antoine François (Abbé) Prévost d’Exiles. Toen zijn boek uitkwam, werd het meteen verboden vanwege het schandalige gedrag van de hoofdpersonen wat ongetwijfeld heeft bijgedragen aan het onmiddellijke succes. Het is een klassieke raamvertelling: de fictieve markies de Renoncourt heeft het verhaal ‘volkomen exact en waarheidsgetrouw’ opgeschreven zoals de chevalier hem dat verteld heeft. We krijgen daarmee ook de visie van de chevalier op de gebeurtenissen en ook zijn kijk op Manon Lescaut. Zij heeft nauwelijks een eigen stem, behalve in de dialogen met de chevalier. Voor de achttiende eeuw is dat niet vreemd, maar heden ten dage doet dat nogal gemankeerd aan.

    Abbé Prévost

    Abbé Prévost is in 1726 tot priester gewijd, maar het leven als monnik bevalt hem niet en hij gaat naar Engeland. Als huisleraar geeft hij Franse les, maar een leerlinge wordt verliefd op hem waarop hij wordt weggestuurd en de dochter uitgehuwelijkt wordt. Hij wil van zijn pen gaan leven en gaat naar Nederland omdat daar geen gebrek aan uitgevers is. In december 1730 sluit hij een contract met Étienne Néaulme (1701-1753) voor de romanreeks Mémoires d’un homme de qualité. Het zevende deel houdt met deze romanreeks slechts losjes verband: L’Histoire du chevalier des Grieux et de Manon Lescaut waarin de auteur misschien wel zijn liefde voor de Haagse courtisane Lenki Eckhardt heeft verwerkt. Prévost ondertekent zoveel contracten (en incasseert zoveel voorschotten), dat hij niet alle manuscripten op tijd kan inleveren. Op 17 januari 1733 wordt hij in Den Haag failliet verklaard, waarop hij opnieuw naar Engeland vlucht. Daar overspeelt hij zijn hand: in 1733 vervalst hij een schuldbekentenis, een misdrijf waarop hoge straffen staan. Eerloos en geruïneerd keert hij terug naar Frankrijk, waar de paus hem zijn afvalligheid van het katholieke geloof vergeeft: hij mag intreden in een Normandische abdij en wordt later aalmoezenier in Parijs. Publiceren is in die functies blijkbaar geen bezwaar: hij specialiseert zich in romanachtige geschiedenisboeken, biografieën, reisverhalen en vertalingen uit het Engels voor hij op 66-jarige leeftijd overlijdt.

    Het verhaal van Manon Lescaut

    Waar draait het om in de roman over Manon Lescaut? Het is, volgens het voorbericht van markies de Renancour, ter leringe ende vermaak: ‘Het is aangename lectuur en bevat bovendien maar weinig gebeurtenissen die niet tot lering kunnen strekken; ik sticht mijn lezers terwijl ik ze vermaak, en bewijs ze daarmee volgens mij een grote dienst.’

    In het eerste deel van het verhaal ontmoet de chevalier Manon Lescaut in een herberg, voordat zij – tegen haar zin – naar een klooster gestuurd wordt. Hij ontfermt zich over haar en ze gaan in Parijs samenwonen, maar hij kan haar niet onderhouden en ‘(…) in plaats van me boos te maken over de bedragen die zij soms over de balk smeet stond ik [de chevalier] direct klaar om haar alles te geven waarvan ik dacht dat het haar zou kunnen gerieven.’ Om aan geld te komen lijkt het erop dat Manon haar toegewijde geliefde bedriegt met een rijke, oudere man. Of wil ze hem enkel een flinke som geld afhandig maken waarmee ze comfortabel met de chevalier kan leven? Er volgen vele verwikkelingen: de chevalier is ‘ (…) geboren voor kortstondige vreugde en langdurig verdriet. Bevrijdde Vrouwe Fortuna me uit de ene afgrond, dan stortte ze me onmiddellijk weer in de andere.’

    Het tweede deel van het verhaal begint ermee dat een jonge edelman verliefd wordt op Manon Lescaut. Ze wil ‘(…) zijn geschenken aannemen en hem dan uitlachen.’ Hij biedt haar inderdaad een huis aan en een royaal jaargeld. Maar hij is wel zo slim dat ze eerst moet komen voordat hij haar het geld geeft. Ze belooft aan de chevalier meteen terug te komen zodra ze het geld in handen heeft. In plaats daarvan stuurt ze een mooi meisje met een briefje van haar: ze blijft liever een tijdje bij haar rijke minnaar om hem zo nog meer geld afhandig te kunnen maken. De chevalier stuurt het meisje terug en twijfelt aan de bedoelingen van Manon Lescaut: hij heeft niets meer dan liefde en trouw te bieden terwijl zij misschien op zijn armoe neerkijkt en met zijn argeloosheid spot.

    Wat interessanter is dan de vele verwikkelingen in het verhaal is de historische achtergrond in het tweede deel: begin 1720 worden meer dan honderd vrouwen uit een gevangenis in Parijs verscheept naar Louisiana, de Franse kolonie aan de Golf van Mexico. Ze zijn beschuldigd van prostitutie, maar de meesten zijn op grond van valse beschuldigingen opgepakt. De overtocht vindt plaats onder erbarmelijke omstandigheden: de vrouwen zitten aan elkaar geketend in een krap scheepsruim, met te weinig eten en drinken, waardoor meer dan de helft van hen de oversteek niet overleeft. Degenen die het wel overleven, moeten in Nouvel Orléans (het huidige New Orleans) een nieuw bestaan zien op te bouwen. Dit lot ondergaat ook Manon Lescaut in de roman. De chevalier reist echter met haar mee en raakt in een duel verwikkeld met een neef van de Gouverneur. Ze vluchten en Manon Lescaut overlijdt in de wildernis. Het slot van het verhaal wordt afgeraffeld: de chevalier keert terug naar Frankrijk.

    Het nachleben van Manon Lescaut

    Het verhaal van Manon Lescaut is bewerkt tot één of meer balletten, toneelstukken, televisieseries, speelfilms en opera’s. Het beroemdst is de opera van Puccini die van Manon Lescaut een tragische heldin maakt met wie het publiek kan meeleven. Ze is daarmee de eerste van de nog beroemdere vrouwen uit Puccini’s latere opera’s: Mimì (La Bohème, 1896), Floria Tosca (Tosca, 1900) en Cio-Cio-San (Madama Butterfly, 1904). In Puccini’s opera valt de chevalier op het eind – wanneer Manon Lescaut is gestorven – gek van verdriet in zwijm op haar dode lichaam.

    In Nederland zijn we inmiddels aan de derde vertaling toe van de roman. Martin de Haan werd voorafgegaan door J.A. Sandfort en Daan de Jong. In zijn inleiding wijst De Haan op ‘(…) de overdreven weergave van de gebeurtenissen zelf, die de personages even onwaarschijnlijk maakt als figuren uit een opera.’ Daarom zijn de gebeurtenissen in dit boek – ondanks alle goede bedoelingen – vooral kitsch en worden ze pas kunst in de opera van Puccini. Naar een opera ga je immers voor de muziek en is het verhaal maar bijzaak.

     

     

  • Het spel-element in onze cultuur

    Het spel-element in onze cultuur

    Hoe komt cultuur tot stand? Volgens de Nederlandse historicus en cultuurfilosoof Johan Huizinga (1872-1945) gebeurt dat ‘in’ en ‘als’ spel. Dat is de centrale boodschap van zijn bekende boek Homo ludens (de spelende mens) uit 1938, dit jaar opnieuw uitgegeven en toegelicht door Anton van der Lem. De rede die Huizinga in 1933 uitsprak op de 358ste ‘dies natalis’ van de Leidse Universiteit, getiteld ‘Over de grenzen van spel en ernst in de cultuur’, geldt als voorloper van Homo ludens en staat eveneens in het boek afgedrukt. Die voorloper komt echter pas na de hoofdtekst, net als de wegwijzer, waardoor de lezer pas op pagina 332 ontdekt dat het eenieder vrij staat eerst de voorloper te lezen. Een wegwijzer met zo’n cruciale mededeling had natuurlijk beter voor in het boek opgenomen kunnen worden. Van der Lem geeft verder een korte, maar heldere biografische schets van Huizinga, beschrijft de totstandkoming van het boek (en van de Duitse en Engelse vertalingen), en Huizinga’s voorbeeldige reactie op de opkomst van het nationaal socialisme in Duitsland en in ons eigen land.

    Spel gaat vooraf aan cultuur: in archaïsche gemeenschappen komt cultuur op in spelvorm; cultuur wordt aanvankelijk gespeeld. Kunst, wetenschap en techniek vinden hun oorsprong in het spel. Dat ziet Huizinga terug in het recht dat nog steeds het karakter van een wedstrijd heeft: je moet je (doel)punt maken, er is een tegenpartij en een (scheids)rechter, en je kunt je zaak winnen of verliezen. De filosofie vindt eveneens haar oorsprong in het spel, zo betoogt Huizinga. De oude Grieken gaven elkaar raadsels op en in de dialogen van Plato komt Socrates als winnaar uit de woordenstrijd. Tegelijkertijd verschilt het spel van alle andere menselijke activiteiten: van alles kun je je afvragen waarom je iets doet, maar niet van het spel. Filosofische reflectie helpt niet: het team dat zich afvraagt of het niet raar is om met 22 man anderhalf uur achter een bal aan te hollen, zal de wedstrijd altijd verliezen.

    Het spel-element in de hedendaagse cultuur

    In het laatste hoofdstuk van Homo ludens gaat Huizinga in op het spel-element (bewust zo door hem gespeld) in de hedendaagse cultuur. Hier komen we het door hem gemunte begrip ludiek (dat in de mode kwam in het Provotijdperk) tegen in zijn vraag: ‘In hoeverre is de ludieke geest vaardig over de mens die die cultuur beleeft?’(pag. 275) Hij constateert dat sport steeds meer betekenis krijgt in de samenleving. Vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw wordt het spel dan ook steeds serieuzer genomen: de regels worden strenger en gedetailleerder uitgewerkt; het komt de prestaties ten goede. De ontwikkeling van de professionele sport zorgt er echter voor dat het spel-element verloren gaat: ‘Het spel is verernstigd, de speelstemming is er min of meer uit geweken.’ (pag. 279) Huizinga concludeert: ‘In de moderne cultuur wordt nauwelijks meer “gespeeld” (…).’ (pag. 290) Maar cultuur kan zonder zeker spelgehalte niet bestaan en cultuur moet binnen bepaalde grenzen gespeeld worden omdat de spelbreker de cultuur zelf kapot maakt.

    Huizinga’s belangrijkste en in de huidige tijd nog steeds relevante waarschuwing gaat over propaganda. Die ‘werkt met de middelen tot hysterische massareacties, en is daarom, ook waar zij spelvormen aanneemt, niet als een moderne uiting van de spelgeest te aanvaarden, maar slechts als de vervalsing daarvan.’ (pag. 296). Een waarschuwing die hopelijk menig hedendaags politicus zich ter harte neemt.

    Hedendaags Nederlands

    Van der Lem heeft de tekst omgezet naar de hedendaagse spelling, maar laat de tekst verder zo veel mogelijk intact. De eerste zin van Homo ludens luidt daardoor: ‘Toen wij mensen niet zo verstandig bleken als een blijer eeuw in haar verering van de Rede ons gewaand had, heeft men als benaming van onze soort naast homo sapiens die van homo faber, de mensmaker, gesteld.’ Dat zal voor veel lezers te hoog gegrepen zijn en die leggen het boek teleurgesteld weer weg. Hoe het ook – en misschien wel beter – had gekund laat de Engelse vertaling zien waar iets meer wordt uitgelegd: ‘A HAPPIER age than ours once made bold to call our species by the name of Homo Sapiens. In the course of time we have come to realize that we are not so reasonable after all as the Eighteenth Century, with its worship of reason, and its naive optimism, thought us; hence modern fashion inclines to designate our species as Homo Sapiens: Man the Maker.’

    In deze uitgave van Homo ludens staan veel illustraties. Voor een hedendaags vooral visueel ingesteld lezerspubliek is die keuze goed te verdedigen. Bijzondere vermelding verdient de boekverzorging door Brigitte Slangen: die is voorbeeldig en past – door de klassieke uitstraling – perfect bij deze klassieke tekst.

     

     

  • Met een volstrekte eerlijkheid

    Met een volstrekte eerlijkheid

    Jan de Rooy heeft met Ethel in Wonderland een hybride vorm tussen biografie en autobiografie uitgebracht. In een traditionele biografie beschrijft de biograaf het leven van degene die in de biografie centraal staat. In een autobiografie wordt uiteraard het eigen leven verteld. De Rooy heeft echter een biografie in de ik-vorm geschreven. Hij staat als auteur op omslag en titelpagina, maar heeft zich vervolgens uit de biografie geschreven. Zijn hybride biografie is dan ook gebaseerd op een jarenlange vriendschap tussen biograaf en hoofdpersoon, op vele gesprekken die ze gevoerd hebben en op de (dagboek)aantekeningen van Ethel zelf. Wat bij lezen meteen opvalt is de volstrekte eerlijkheid waarmee het verhaal zich ontrolt: vrienden en familie worden niet gespaard in dit goudeerlijke en daardoor waardevolle document. Wat verder opvalt is de geringe aandacht voor de boeken die Ethel geschreven heeft. Het is geen auteursbiografie: niet haar boeken, maar de gebeurtenissen uit haar leven staan centraal. De hybride biografie heeft daardoor een sterk anekdotisch karakter.

    Ethel Portnoy (1927-2004)

    De Ethel uit de titel van het boek is de in Amerika geboren schrijfster Ethel Portnoy, dochter van Russisch-Joodse immigranten. Op school schrijft ze een opstel: mijn eerste zoen. Het is de gewoonte dat opstellen voorgelezen worden in de klas. Na het voorlezen van de titel gaat er een schok door het leslokaal. Portnoy wacht even voor ze verdergaat. De leerlingen hangen aan haar lippen. Ze bouwt de spanning op door te vertragen naarmate het moment van de zoen dichterbij komt. Ze geniet van de aandacht die haar ten deel valt, en begrijpt in één klap de macht van het woord.

    Portnoy studeert in Amerika letterkunde en Frans en vertrekt in 1950 met een Fulbrightbeurs naar Parijs. In die stad ontmoet en trouwt ze de Nederlandse schrijver Rudy Kousbroek. Via hem komt ze in contact met Nederlandse schrijvers (de Vijftigers) en schilders (Cobra) die na de Tweede Wereldoorlog naar Parijs zijn gegaan: op dat moment nog het centrum van de (kunstenaars)wereld.

    Portnoy studeert bij Claude Lévi-Strauss en Roland Barthes en werkt bij het International Theatre Institute van Unesco. In die tijd krijgt ze ook twee kinderen (Hepzibah en Gabriel). Ze verhuist in 1970 naar Den Haag waar haar echtgenoot af en toe opduikt, terwijl hij in de Parijse woning blijft wonen. Ze hebben een vrij huwelijk en beiden maken daarvan gebruik om er minnaars en minnaressen op na te houden. Ook dit deel van haar leven wordt volstrekt eerlijk verteld. Portnoy ontwikkelt zich in Den Haag tot een veelgelezen schrijfster waarbij ze put uit de vele volgeschreven archiefkaartjes.

    Ook na de scheiding van Kousbroek blijft hij aanwezig in het leven van Portnoy. Ze schrijft af en toe liefdevol over hem, maar soms ook vilein, bijvoorbeeld over de ruzie tussen Kousbroek en hun zoon Gabriel over haar mémoires (op z’n Frans geschreven) en de tekst die op haar grafsteen moet komen te staan. Portnoy is bang dat Kousbroek met de aantekeningen aan de haal gaat of dat Hepzibah alles naar het Letterkundig Museum (het huidige Literatuurmuseum) zal brengen. Daarom geeft ze het materiaal aan Jan de Rooy die het voor de hybride biografie heeft aangevuld met informatie uit de eerste hand van zoon Gabriel en van nog levende vrienden en vriendinnen.

    Terug naar Amerika

    Op 25 mei 2004 overlijdt Portnoy, 77 jaar en 77 dagen oud. Drie dagen later organiseren Hepzibah en Gabriel voor haar vrienden en vriendinnen een bijeenkomst om afscheid te nemen. Een dag later begeleiden haar kinderen haar naar New York waar ze op 30 mei tussen haar vader en moeder begraven wordt.

    De schrijfster

    1978 was een belangrijk jaar voor de schrijfster die Portnoy wil zijn: ze richt met Hanneke van Buuren en Hannemieke Postma het feministische tijdschrift Chrysallis op, een blad dat openstaat voor alle vrouwen die over literatuur en kunst willen schrijven. Het blad wil laten zien hoe vrouwen zouden kunnen schrijven als ze alle kansen kregen om dat te doen en zich kunnen bevrijden van opgeplakte verwachtingen. Hetzelfde jaar verschijnt haar toneelstuk Belle van Zuylen ontmoet Cagliostro én haar bekendste boek Broodje Aap waarin ze bizarre verhalen opdist die als waarheid gepresenteerd worden, maar waarvan iedereen wel kan weten dat het om verzinsels gaat. Het titelverhaal gaat bijvoorbeeld over een hotdog-verkoper die apenvlees in zijn hotdogs verwerkt zou hebben. De titel is een gevleugeld woord in het Nederlands geworden: een broodje-aapverhaal.

    Wonderland

    In het begin van het boek verklaart De Rooy wat hij bedoelt met het begrip wonderland uit de titel: Portnoy gaat van het leven genieten wanneer ze de wondere wereld van film, theater en literatuur ontdekt (met ongetwijfeld een verwijzing naar Alice). De ondertitel van het boek luidt: Hoe de Amerikaanse Ethel Portnoy een Nederlandse schrijfster werd. Portnoy schrijft namelijk in het Engels en haar teksten worden in het Nederlands vertaald door onder anderen Rudy Kousbroek en hun dochter Hepzibah. Dit is waarschijnlijk de reden dat ze – hoewel ze zich een Nederlandse schrijfster voelt – geen Nederlandse literatuurprijzen heeft gekregen. Wel krijgt ze in 1991 de Annie Romeinprijs van het feministische maandblad Opzij, een bekroning voor schrijfsters wier werk bijdraagt aan de ontplooiing, bewustwording en emancipatie van vrouwen.

    Op het omslag van de (auto)biografie staat een foto van Portnoy met zoon Gabriel. Dat Rudy Kousbroek verliefd is geworden op deze sprankelende vrouw hoeft geen verbazing te wekken. Het boek bevat een schat aan illustraties (waarvan de foto’s helaas in zwart-wit afgedrukt zijn). Het uitgebreide personenregister laat zien hoe innig haar leven verbonden is geweest met de culturele elite in Nederland. Uiteraard is iedereen in het register gealfabetiseerd op de achternaam, maar in de tekst worden vrienden en vriendinnen vaak aangeduid met uitsluitend hun voornaam. Gelukkig staan zowel hun voor- als achternamen op pagina 387 vermeld in het dankwoord zodat de lezer eenvoudig kan nagaan naar wie de voornamen Yolanda of Thérèse verwijzen.
    Blijft over de vraag: waar blijft de biografie van Rudy Kousbroek?

     

     

  • Vernieuwend essayist geworteld in een traditie

    Vernieuwend essayist geworteld in een traditie

    Rudy Kousbroek (1929-2010) wordt vooral herinnerd vanwege zijn essays. Hij ontving daarvoor meerdere prijzen, waaronder de Essayprijs van de gemeente Amsterdam (1969), de P.C. Hooftprijs (1975) en de Jan Hanlo Essayprijs (2005).
    Sinds 2010 wordt er ieder jaar op initiatief van uitgeverij Augustus, NRC, De Gids en De Rode Hoed een Kousbroek-lezing georganiseerd, uitgesproken door een toonaangevend essayist en aansluitend bij thema’s uit het werk van Kousbroek. Hiermee wordt de herinnering aan van de belangrijkste essayisten die Nederland heeft voortgebracht levend gehouden.

    Dat Kousbroek na zijn dood nog actueel is, blijkt uit de in december 2017 verschenen dissertatie van Rudy Schreijnders Rudy Kousbroek in de essayistisch-humanistische traditie. De belangrijkste vraag die Schreijnders in zijn promotieonderzoek stelt is: ‘In hoeverre kan de essayist Rudy Kousbroek worden beschouwd als representant van de essayistisch-humanistische traditie waartoe ook Montaigne en Multatuli kunnen worden gerekend?’
    Schreijnders typeert zijn onderzoek als een literair- of cultuurhistorische studie. Hij maakt een interpretatieve historische en vergelijkende reconstructie van het essay en plaatst het essay in de humanistische tradities. Het definiëren van ‘essay’, ‘humanisme’ en ‘traditie’ blijkt echter nog niet zo eenvoudig. ‘Wat een essay precies is, is moeilijk te zeggen,’ schrijft hij.

    De definitie van essay
    Voor de theorievorming maakt hij onder andere gebruik van De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays, de bloemlezing die Joost Zwagerman in 2008 samenstelde. Schreijnders citeert uit Zwagermans inleiding: ‘Bij Nederlandse essayisten wijst Joost Zwagerman (…) op continuïteit: Multatuli is erflater en voorbeeld voor auteurs als Gerrit Komrij, Hugo Brandt Corstius en Willem Frederik Hermans en Zwagerman ziet Multatuli’s Ideeën als een oerbron voor de essayistiek in Nederland.’ Zwagerman omschreef in zijn inleiding tot de bloemlezing het essay zo: ‘Denken op persoonlijke titel, zonder strikt wetenschappelijke pretenties maar met des te meer aandacht en liefde voor de vorm, de stijl – dát tekent doorgaans de essayist.’

    Schreijnders vindt bij de (taal)filosoof Ludwig Wittgenstein in zijn Philosophische Untersuchungen een alternatief voor het eenduidig definiëren van begrippen. Wittgenstein gaf als voorbeeld dat familieleden op elkaar kunnen lijken en van elkaar kunnen verschillen, maar dat er toch een samenhang is. Hij noemt dat ‘familiegelijkenissen.’ Voor zijn definitie van het essay laat Schreijnders het bij de constatering dat er ‘familiegelijkenissen’ tussen essays bestaan, waardoor ze soms het ene dan weer het andere kenmerk met elkaar gemeen hebben.

    Het doorgeven van waarden
    Ook ‘humanisme’ blijkt lastig te definiëren. Een belangrijk kenmerk is het recht van de mens om alles te bevragen en te bekritiseren zonder inmenging van staat of kerk. Het zijn de ideeën uit de Verlichting en uit het vrijdenken. Het zoeken naar waarheid staat centraal. Schreijnders betoogt dat het essay als vertegenwoordiging of belichaming van humanisme kan worden opgevat. Traditie en humanisme hangen nauw samen, want in het humanisme is het doorgeven van waarden van wezenlijk belang. Traditie komt uit het Latijn: trádere. Dat betekent overleveren, doorgeven. Het belangrijkste argument om bij essays te kunnen spreken van een traditie is dat ‘essayisten zich bewust zijn van en reageren op eerdere essayisten’.

    Aan de hand van vijf kenmerken toont Schreijnders aan dat zijn drie essayisten als representanten van de essayistisch-humanitistische traditie beschouwd kunnen worden. Bij hen is de blik gericht op de wereld en de mens. Een kritische kijk op die wereld en op zichzelf is daarbij cruciaal. Bovendien kijken zij ‘over de grenzen’ van literatuur en filosofie heen. De waarheid zoekende en autonoom denkende essayisten koppelen stijl en ironie aan het schrijven van hun essays; stijl om te overtuigen en ironie om te bekritiseren.
    Aan de hand van deze kenmerken bespreekt Schreijnders werk en leven van zijn drie Michel de Montaigne, Multatuli en Rudy Kousbroek. Met deze structuur lijkt de dissertatie een invuloefening geworden: kruisjes zetten om de verwantschap tussen de drie auteurs in kaart te brengen. Maar het is meer dan dat: Schreijnders slaagt er in dat te doen aan de hand van sprekende voorbeelden en goed gekozen citaten.

    Kritische kijk op religie
    Schreijnders wijdt aan elke auteur een hoofdstuk. Dat over Kousbroek is het uitgebreidst en het overtuigendst. Naast het beschrijven en het afvinken van de vijf kenmerken gaat Schreijnders in op vijf beslissende momenten – kantelpunten – in het leven van Kousbroek. Een daarvan is de ‘afval van het geloof’. Al op zeer jonge leeftijd is Kousbroek kritisch op het geloof.
    Het belangrijkste onderwerp in zijn essays blijkt de strijd tegen religie. Religie biedt volgens Kousbroek valse hoop: ‘religie speldt mensen wat op de mouw. Het steekt hem dat gelovigen vinden dat ze wel het recht hebben niet-gelovigen de morele les te lezen (en het liefst de wet voor te schrijven), maar menen zelf gevrijwaard te zijn van kritiek.’ In Hoger honing zijn zijn essays over religie verzameld. Bekender zijn de bundelingen Anathema’s (negen delen) en Fotosynthese (drie delen) die Kousbroek zelf samenstelde.

    Stendhal en Lucebert
    Schreijnders schrijft met aanstekelijk enthousiasme over de diverse onderwerpen in Kousbroeks essays. Mooi zijn de passages over schrijvers die hij bewonderde, zoals de Franse schrijver Stendhal en de Nederlandse dichter Lucebert. Bij Stendhal herkende hij de grote afkeer van religie en de liefde voor dieren. Lucebert bewonderde hij om zijn poëzie. Kousbroek stopte met het schrijven van gedichten nadat hij die van Lucebert las. Hierin valt de kritische kijk van de essayist, ook op zichzelf, te herkennen. Kousbroek: ‘Wedijveren met iemand als Lucebert, dat kon ik absoluut niet. De weinige navolgers die hij had zijn dan ook allemaal roemloos ten onder gegaan. Hij was een profeet, iemand die stemmen hoort. Hij was in elk geval zó’n komeet aan de hemel, dat hij mij als dichter volledig tot zwijgen heeft gebracht.’

    ‘Familiegelijkenissen’
    In het laatste hoofdstuk komt Schreijnders terug op de ‘familiegelijkenissen’ tussen zijn drie essayisten. Hij concludeert dat de essays van Montaigne, Multatuli en Kousbroek inderdaad in de essayistisch-humanistische traditie passen. Van grote betekenis is daarbij dat Multatuli zich heeft uitgelaten over Montaigne, en Kousbroek over Montaigne en Multatuli.
    Schreijnders schrijft dat alle drie in de essaytraditie vernieuwers genoemd kunnen worden: Montaigne is de grondlegger van het genre. Multatuli en Kousbroek vonden een nieuwe vorm; Multatuli presenteert zijn Ideeën als genummerde invallen en Kousbroek neemt in zijn Fotosyntheses een illustratie of foto als het beginpunt van het essay. De drie waren hun tijd vooruit. Montaigne schrijft voor het eerst over zichzelf. Dat was in de zestiende eeuw niet gebruikelijk. Multatuli kiest eveneens nieuwe onderwerpen, zoals feminisme en onderdrukking. Denk aan de inheemse bevolking in Nederlands-Indië. Kousbroek schrijft al heel vroeg stukken over brein en computer.

    Inspiratie
    Ondanks het schematische karakter van zijn dissertatie – elk hoofdstuk heeft dezelfde opbouw met de vijf kenmerken en een conclusieparagraaf – heeft Schreijnders een zeer leesbare dissertatie met goedgekozen citaten en voorbeelden afgeleverd.

    Hij sluit zijn proefschrift af met de woorden: ‘Ik spreek tot slot de hoop uit dat de essays van Kousbroek, net als die van Montaigne en Multatuli, niet alleen voor mij maar voor een grotere groep humanisten en vrijdenkers inspirerend zullen zijn.’

    Zijn gedegen boek zorgt ervoor dat Kousbroeks werk weer onder de aandacht komt. Het laat ook zien dat de essays van Kousbroek over onderwerpen gaan die ook nu nog actueel zijn. En wellicht inspireert hij nieuwe onderzoekers om andere essayisten in de traditie te plaatsen. Een voorzetje geeft hij al: Karel van het Reve en Bas Heijne. Een biografie over Kousbroek is er nog niet. Schreijnders heeft al veel interessant biografisch materiaal verzameld. Hij schrijft dat hij zijn archief met artikelen en boeken van en over Kousbroek daarvoor graag beschikbaar stelt. Hij zou die biografie natuurlijk ook zelf kunnen schrijven.

    Rudy Schreijnders (1950) is literatuurhistoricus. Hij schreef dit boek als proefschrift bij het J.P. van Praag Instituut en de Graduate School van de Universiteit voor Humanistiek.