• Schrijven vanuit het oog van de storm

    Schrijven vanuit het oog van de storm

     


    Deborah Levy begon in 1981 als toneelschijver, in 1985 debuteerde ze met de verhalenbundel Ophelis and the Great Idea, gevolgd door haar eerste roman Beautiful Mutants in 1987. Daarna verschenen er nog zeven romans, twee verhalenbundels en een dichtbundel. De romans Swimming Home (2011) , Hot Milk (2016) en The man Who Saw Everything (2019) werden genomineerd voor the Man Booker Prize, en verschenen in Nederland als Terug naar huis (2013), bij Signatuur, Warme melk (2017) en De man die alles zag (2019), bij De Geus.

    Tussendoor schreef ze aan haar, ‘Living’ autobiografie waarvan het eerste deel, Things I Don’t Want to Know in 2013 werd gepubliceerd. In 2020 verscheen Dingen die ik niet wil weten, in vertaling van Astrid Huisman en Roos van de Wardt bij uitgeverij De Geus. Het tweede deel, The Cost of Living (2018), vertaald als De prijs van het bestaan verscheen eveneens in 2020 in Nederland. Het laatste deel, Real Estate verscheen in 2021, tegelijkertijd met de vertaling, Onroerend goed bij De Geus. De boeken zijn, net als de originele uitgave, ook in Nederland in drie primaire kleuren blauw, geel en rood uitgegeven. 

    Deborah Levy (1959) werd geboren in Johannesburg, Zuid-Afrika. Haar vader was een anti apartheid aanhanger en werd van 1964 tot 1968 gevangen gezet. Nadat haar vader vrijkwam, kreeg hij huisarrest opgelegd. Ze was negen jaar oud toen haar ouders besloten naar Londen te verhuizen waar ze in exil leefden.

     In het weekend van 25 februari is Levy voor een kort bezoek in Rotterdam. Op uitnodiging van Guiding Voices is ze die avond te gast in het Bibliotheektheater waar Ernest van der Kwast haar zal interviewen. Ze overnacht in het Marriott Hotel en zal de volgende ochtend weer vertrekken naar haar schrijversappartement in Parijs. ‘Het is een drukke tijd. Mijn nieuwe roman August Blue verschijnt in mei in Engeland, en een verhalenbundel verschijnt er in Frankrijk. Ik moet dus morgen weer terug in Parijs zijn.’ Als we elkaar die middag spreken in de lounge van het Marriott Hotel, komt ze net terug van een fietstocht met Ernest van der Kwast naar de rivier de Maas en een broodje bal in een café aldaar. Het is haar eerste keer in Rotterdam, en de stad bevalt haar.  

    We spreken over de gedachten van de vrouw die volgens Levy nog te weinig uitgesproken worden. Over het waarom van een ‘levende’ autobiografie. Hoe schrijven haar als kind hielp zich te uiten, dat daar misschien wel haar schrijverschap begonnen is. Welke plaats de vrouw in de literaire wereld inneemt en reizen als voorwaarde om te schrijven.  

    Als vijfjarig kind, nadat haar vader door de politie uit huis was opgehaald, werd Deborah Levy steeds stiller. ‘Het was heel vreemd. Ik was niet echt een stil kind, ik ging alleen steeds zachter praten. Zachter en zachter, tot ze me niet meer konden horen.’ In het eerste deel van de trilogie, Dingen die ik niet wil weten, schrijft ze daarover. Later, op school was er een lerares die haar aanmoedigde om haar gedachten dan maar op te schrijven. ‘Ik schreef in korte zinnen en ontdekte dat mijn gedachten erg luid waren. Schrijven hielp me om te zeggen wat ik dacht, wat er allemaal in mijn hoofd zat.’


    U heeft een ‘levende autobiografie’ geschreven. Wat bedoelt u met ‘levende’?

    ‘Het was een uitdaging om een autobiografie te schrijven in de tegenwoordige tijd. Gewoonlijk wordt deze aan het eind van een leven geschreven, waarin er achterom gekeken wordt. Ik vroeg me af hoe het zou zijn er een te schrijven terwijl je er nog midden in zit, in de storm van het leven. Schrijven vanuit het oog van die storm. Ik was niet geïnteresseerd in een chronologisch verloop van een leven. Ik wilde een autobiografie waarin de verteller zich dingen herinnert terwijl zij bezig is met leven en deze met elkaar verweven. Om deze levende autobiografie te schrijven moest ik wel ergens doorheen. Ik moest er wel in geloven dat mijn gedachten en herinneringen interessant genoeg zijn om over te schrijven.’

    ‘Het is vrij radicaal om te schrijven over hoe de verteller, die veel op mij lijkt, zich voelt en denkt, over hoe zij het leven ervaart. Het was een nieuw project. Ik moest een stem vinden voor dit vrouwelijke personage die niet te direct maar ook niet te formeel mocht zijn. Een denkende stem die haar emoties de wereld instuurt.’


    Was dit idee er al voor u aan het eerste deel ging schrijven?

    ‘Het eerste deel schreef ik in een reactie op George Orwells’ essay Why I Write. Ik gebruikte de vier punten die hij in zijn essay gebruikte: Politieke doeleinden; Historische drijfveren; Puur egoïsme en Esthetisch enthousiasme. Als eerste zin schreef ik ‘Politieke doeleinden’ op mijn scherm. En ik dacht: het is erg persoonlijk, is dat oké? En ik vond van wel. De stem die ik voor deze drie boeken vond was van groot belang voor mij en ik moest er in geloven dat het op de een of andere manier ook interessant zou zijn voor anderen. Ik moest gaan schrijven om dat uit te vinden.’


    De eerste zin in het eerste boek luidt, ‘Dat voorjaar, toen het leven me zwaar viel en ik in oorlog was met mijn lot en gewoon niet zag welke kant ik op moest, leek ik nog het meest te huilen op roltrappen in treinstations.’ Wat gebeurt daar? 

    ‘Ik zocht naar een structuur om herinneringen een plaats te kunnen geven. De verteller ontdekt dat, wanneer ze op de roltrap omhoog gaat, ze moet huilen. Ze weet niet waarom ze huilt. Later ontdekt ze dat het verleden met haar meereist op de roltrap, haar kindertijd in Zuid-Afrika. Het gaat over dingen die we niet willen weten, maar die we toch wel weten. Ze zijn weggedrukt en komen op onverwachte momenten naar boven; daar zijn ze, klaar om ons iets te vertellen.’

    In het gele boek schrijft Levy, ‘Het grote avontuur van het schrijvende leven is dat je door alle dimensies van de tijd heen een eindeloos aantal ideeën kunt uitwerken.’ Haar levende autobiografie begint in de tegenwoordige tijd waarin Levy gefragmenteerde tijdsbeelden uit het verleden aan toevoegt. Zoals de waarschuwingsborden uit haar kindertijd in Zuid-Afrika, om zwarte mensen de toegang tot de openbare ruimte te verbieden.


    U herinnert zich die waarschuwingsborden uit uw kindertijd? 

    Op dat moment was ik in Brazilië. En daar was opeens het kind van zes jaar dat de verteller was, en net heeft leren lezen. Ze leest alles wat ze ziet. Als ze naar het strand van Durban gaan leest ze: “Dit strand is uitsluitend toegankelijk voor leden van het blanke ras”. Ik wist het niet, maar die waarschuwingen zijn me dus bijgebleven, de wreedheid van die woorden. Op die manier stop je een paar echt slechte dingen in de taal die voor de hele mensheid bedoeld is.’

    Vandaaruit gaat de verteller terug naar Zuid-Afrika. Het verhaal wordt vanuit het kind gepresenteerd , dat eerst naar de nonnenschool in Durban gaat, en later naar Engeland.


    Op u negende vluchtte uw familie naar Engeland. Hoe was dat?

    ‘Het was nogal een overgang. Opeens waren de ochtenden donker en koud en werd er erg veel thee gedronkem. In Zuid-Afrika leerde mijn moeder mij zwemmen in de Indische Oceaan. In Engeland kregen we schoolzwemmen in van die oude Victoriaanse gebouwen. Het was er ijzig koud, met kille stenen vloeren. De Engelsen zwommen met hun hoofd ver boven het water uit. Ik maakte daar grappen over. Dat als het zwembad vol thee zou zijn, elke zwemmer zijn hoofd er wel in zou onderdompelen.’


    In een interview citeerde u de dichter Allen Ginsberg. ‘Notice what you notice’. Wat betekent dit voor u?

    ‘Ik vind het een hele slimme zin. Er is nogal een behoorlijke druk op ons om niet te noteren wat we zien. Het moet mooier of anders gemaakt. Ik vind dat je jezelf de vrijheid moet geven om dat wat je ziet, te noteren. Dat is de taak taak van de schrijver.’


    U noemde de jaren waarin u uw twee dochters opvoedde, de meest vormende jaren voor uw schrijversschap. Hoe dat zo?

    ‘Het was niet zo dat ik in die tijd alleen maar thuis aan het koken en opruimen was. Ik gaf les op de kunstacademie en deed journalistiek werk. Maar ik kon niet schrijven aan een roman in die tijd. Wel schreef ik korte verhalen maar een roman lukte me niet. Toen begon ik ‘s nacht te schrijven aan Swimming Home. Als iedereen in bed lag, schreef ik tot vier uur in de ochtend. Ik deed er twee jaar over. Nog steeds als ik op een literair festival moet voorlezen uit dit boek, voel ik op bepaalde bladzijden de nachtelijke stilte, het alleen zijn met mezelf en het schrijven aan dit boek. Het heeft me geleerd om door te schrijven, al was het in de nachtelijke uren.’


    In uw boeken vraagt u zich af wie bepaalt hoe vrouwen moeten leven. Wie bepaalt dit?

    ‘Vanuit de samenleving  is er een bepaald beeld van hoe de vrouw zich zou moeten gedragen, hoe we eruit moeten zien, wat we mogen zeggen. In die zin is er zeker al veel veranderd, maar we zijn er nog lang niet. Vrouwen krijgen nog steeds niet dezelfde waardering voor hun werk als mannen. Het beeld van hoe een vrouw zich zou moeten gedragen zit nog sterk verankerd in de samenleving, en dat wilde ik onderzoeken. Tegelijkertijd heb ik groot respect voor vrouwen die overal een ‘thuis’ kunnen creëren. De vrouw is de architect van de huiselijke ruimte. Dat vind ik groots, dat een vrouw dit doet voor anderen, ook al zijn het haar kinderen en haar man. Dat interesseert mij, hoe de vrouw denkt en hoe zij zich in de wereld begeeft.’


    U werd op een literair feestje eens onbeschoft bejegend door een bekend schrijver. Hij ondermijnde uw schrijversschap. U schrijft: ‘De waarheid was dat hij alle vrouwelijke schrijvers beschouwde als pachters van zijn land.’ Is dit nog steeds zo?

    ‘Ook hier is er wel wat veranderd. Er publiceren nu zoveel vrouwen. Toen ik op mijn vijftiende dacht dat ik misschien wel schrijver wilde worden, had ik geen voorbeeld. In ons huis stond een rij boeken met schrijversinterviews met de namen op het omslag. Daar stond geen vrouw bij. Dat was de boodschap aan mij, geen vrouwen in de literatuur. Gekleurde mensen zullen dezelfde ervaring hebben gehad, mensen van kleur stonden er ook niet bij.’


    U reist veel, is dat voor u belangrijk om te kunnen schrijven? 

    ‘Het een kan niet zonder het ander voor mij. Ik kan niet vanuit een plek werken, om te kunnen schrijven moet ik de wereld in. Deze levende autobiografie is daarvan het resultaat. Ik draag mijn vertalers, die mijn boeken aan de wereld bezorgen, dan ook een warm hart toe.’

     

     


     

     

     

     

     

     

    Levende autobiografie door Deborah Levy:
    Dingen die ik niet wil weten 
    De prijs van het bestaan
    Onroerend goed
    Verschenen bij uitgeverij De Geus

     

  • Alleen achterblijven met een bananenplant

    Alleen achterblijven met een bananenplant

    Wat maakt een huis tot een thuis? In Onroerend goed, het derde deel van haar autobiografische essaytrilogie, verkent Deborah Levy de betekenis van ergens wonen. Behalve een daadwerkelijk bestaande woonplaats, staat het huis als metafoor voor een zelfstandig, creatief leven als een vrouw van middelbare leeftijd. Maar wat gebeurt er als het gedroomde huis niet overeen wil komen met de werkelijkheid?  Van origine toneelschrijfster, Deborah Levy (1959), publiceerde drie bundels korte verhalen, een gedichtenbundel en acht romans. In 2014 verscheen Dingen die ik niet wil weten, het eerste deel van haar essaytrilogie, en in 2019 het tweede deel De prijs van het bestaan. Daarin vertelt Levy over haar schrijvend leven als een gescheiden moeder van twee jonge kinderen, wonend in een aftandse flat in Noord-Londen. Onroerend goed bouwt verder op de thematiek van de twee eerdere autobiografische essays. Levy, nu bijna zestig, wordt geconfronteerd met de volgende veranderingen in haar leven.

    De lange weg van vrouwen

    Haar jongere dochter gaat het huis uit en Levy blijft met een bananenplant alleen achter. Haar dromen heeft ze nog: een ‘ingebeelde eigendomsportefeuille’ die ze vult met een oud huis met een granaatappelboomgaard en uitzicht op de zee en voorwerpen die dierbaar voor haar zijn. Als tussentijdse oplossing huurt ze een schuur waarin ze kan schrijven. Maar ook dat blijkt tijdelijk: de krasse eigenares in wier tuinschuur Levy schrijft verkoopt haar huis en Levy moet uitwijken naar een nieuwe schuur. Dat gaat niet zonder horten en stoten, want eerst moet ze haar bezittingen uitspitten. Die brengen oude herinneringen naar boven die haar bewust maken van de lange weg die vrouwen moeten afleggen om een zelfstandig bestaan te leiden en niet louter ‘voor het geluk van anderen’ leven. 

    Ze reist naar een literair festival in Mumbai, naar Parijs waar ze een fellowship heeft, naar Berlijn om een vriendin te ontmoeten en naar een villa in Griekenland. Onderweg laat ze zich gidsen door de werken van onder meer Virginia Woolf, Marguerite Duras, Georgia O’Keeffe en James Baldwin, net zo goed als door vrienden. Aan kritische vriendinnen heeft ze geen gebrek, maar het is de ultiem relaxte ‘beste mannelijke vriend’ die haar de nodige spiegel voorhoudt. Terwijl hij, net zoals zij, een bende van zijn leven maakt, ziet Levy aan hem wat zij niet is. ‘Hij en ik [zaten] aan elkaar vast, in voor- en tegenspoed, armoede en rijkdom, in ziekte en gezondheid.’

    Een parallel leven

    In een interview merkte Levy op dat haar boeken geen manifesten zijn, ondanks dat ze veel over de positie van vrouwen schrijft en vaak gezien wordt als een feministische schrijfster. Haar essays zijn herinneringen, memoires, gebaseerd op de persoonlijke situatie van een ik-verteller die op Levy lijkt maar niet met haar samenvalt. In Onroerend goed gaat het dan vooral om de omstandigheden waarin een ouder wordende vrouw leeft en droomt. Haar ingebeelde huis is een bescheiden utopie, een droom met ongeveer realistische afmetingen, een plek waar zich thuis en warm te voelen – een droom die er is om oude dingen in een nieuw licht te kunnen zien. Die droom heeft ze hard nodig:
    “Sterker nog,” zei ik, “ik draag dat huis al mijn hele leven met me mee.”
    “Dat moet loodzwaar zijn,” luidde Agnes’ reactie. “Waarom laat je het niet los?” Ik gebaarde met mijn sigaret naar haar voeten. “Nooit! Als ik dat huis niet had om naar uit te kijken zou ik instorten.”‘

    Parabel over een schrijvend leven

    Het gedroomde huis, ofwel het ‘ingebeelde eigendomsportefeuille’, verleent onderdak voor al haar spullen. De revue passeren caractèreschoenen, zijden nachtponnen, houten speelgoedpaarden, elektrische fietsen – en die ene bananenplant, die volgens haar dochter ‘het derde kind’ is. ‘Ik was spullen voor een parallel leven aan het verzamelen, of een leven dat nog niet was geleefd, een leven dat nog gecreëerd moest worden. In zekere zin leken deze voorwerpen op de vroege versies van een roman.’ 

    Zo wordt Onroerend goed – naast al het andere – een boek over een boek, of een boek in een boek. Dat maakt deze afsluiting van Levy’s essaytrilogie tot een slim parabel over een schrijvend leven, waarin dromen kans maken om werkelijkheid te worden – als tekst. Maar Levy laat niet bij een literair-filosofische verkenning naar de reikwijdte van literatuur. Zij zet zichzelf met al haar grillen en onhebbelijkheden in het spel. Dat maakt Onroerend goed tot een uiterst benaderbaar én smeuïg verhaal, waarin je als lezer de stem van Levy hoort, in alle toonaarden. 

     

     

  • De buitenwereld die binnendringt

    De buitenwereld die binnendringt

    Jenny Offill (1968) brak in 2014 internationaal door met haar roman Verbroken Beloftes. Haar nieuwste boek sluit aan bij het hedendaagse thema: klimaatverandering. In Weersverwachting laat ze zien hoe  naderende rampen’ langzaam ons leven binnendringen en, zonder dat het met veel bombarie gepaard gaat, een dagelijks onderwerp worden.
    In Weersverwachting maken we kennis met Lizzie, een bibliothecaresse die werkt in de universiteitsbibliotheek waar ze eigenlijk zou promoveren. Ze is getrouwd, heeft een kind, een hond en een broer met een verslavingsverleden. Voor die broer zette ze haar academische ambities permanent op pauze. Het overmatig in de gaten houden van haar broer en diens kans op een terugval, bieden haar het perfecte excuus om ook haar eigen leven en huwelijk in de wacht te zetten.

    Eigen leven 

    Naast haar werk in de bibliotheek wordt ze door haar voormalige promotor gevraagd mee te helpen met het ontwikkelen van een podcast rondom klimaatverandering. Lizzie’s taak is om de vele vragen die per e-mail binnen komen te categoriseren. Sommige mensen mailen vanuit geloofsovertuiging, nieuwsgierigen willen weten wat ze te wachten staat en er zijn de zogenaamde ‘preppers’. Deze laatste categorie is al tijden bezig een minutieus plan te maken voor wanneer de ramp toeslaat. Welke plek is het veiligst bij de veranderende temperaturen? Hoe leer je je kind survivalskills aan? Langzaam maar zeker begint ook Lizzie prepgedachten te krijgen. Deze blijven echter altijd op de achtergrond. Want: uiteindelijk krijgen je eigen leven en de directe zorgen die daarbij horen, toch voorrang op het grotere geheel.

    Voor Lizzie zijn deze directe zorgen voornamelijk haar broer Henry, wiens verslavingsachtergrond en recente vaderschap veel aandacht opeisen. Met het in huis nemen van haar onstabiele broer, lijkt ze hem voorrang te geven op haar eigen gezin. “De vorige keer dat Henry verzoop was ik hem meteen achterna gesprongen. Ik stopte met mijn proefschrift en heb het nooit meer afgemaakt.” Daarbij blijkt hij een slechte huisgenoot. ‘Henry drinkt alle melk op. Henry raakt de afstandsbediening kwijt. Henry schreeuwt tegen Eli omdat hij zo vroeg de woonkamer binnenkomt.’ Net als ze dat bij zichzelf doet, besluit Lizzie Henry voornamelijk te helpen door hem met anderen te vergelijken en hem op die manier ervan te overtuigen dat hij een goed mens is. ’”Je moet me helpen Lizzie”, zegt mijn broer. […] “Ik help je al.” Ik zet hem op de bank, zet My Strange Addiction aan. […] Ik eet in elk geval geen talkpoeder, troost ik mezelf.’

    Weersverwachtingen is een snel en gemakkelijk te lezen roman. De alinea’s met veel witregels, korte zinnen en overpeinzingen creëren een versnellend effect. Is het omdat Offill op deze manier het steeds sneller naderende onheil van klimaatverandering wil illustreren? Of omdat ze wil laten zien hoe het nieuws ons dagelijks leven bijna onmerkbaar binnensluipt? De vele losse alinea’s komen fragmentarisch over, bijna als ware het dagboeknotities. Offill vindt het niet nodig om situaties of personen te introduceren. Lizzie spreekt simpelweg over ‘de vrouw met de megafoon’ en over ‘Sylvia’. 

    Gekunsteld literair

    De toon, overpeinzingen en vergelijkingen doen soms geforceerd aan, zoals de beschrijving van producten in de supermarkt die ‘proberen hun ware aard te verkondigen’ maar hun ‘glans verliezen onder de afgrijselijke muziek’. Het zal bedoeld zijn als een metafoor voor het drugsgebruik van Lizzie’s broer en hoe deze drugs om aandacht blijven schreeuwen, gelijk aan de schreeuwerige reclame voor supermarktproducten. Maar om dit als ‘ware aard verkondigen’ te beschrijven in een reclamesetting doet ronduit gekunsteld aan.  

    Dat wil overigens niet zeggen dat er geen mooie beschouwingen in Weersverwachting te vinden zijn. De alledaagse dingen die mensen doen, weet Offill goed weer te geven. Zoals de oude man in Lizzie’s bibliotheek die constant zijn wachtwoorden vergeet. Of de onderliggende kritiek op de Verenigde Staten die ze sierlijk weet te verpakken in deze passage: ‘Zo was het ook na de aanslagen van 11 september. Er hing zo’n gegons in de lucht. Overal praatte iedereen over hetzelfde […] Ik had met een vriend in een cafeetje afgesproken voor koffie. Zijn familie was een week voor de afzetting van de sjah uit Iran gevlucht. Hij wilde het niet over het gegons hebben. Toch bleef ik aandringen. Jouw volk is eindelijk in de geschiedenis beland, zei hij. De rest van ons is daar al.’ 

    Geforceerde urgentie

    Een ander gegeven dat voor de hand ligt is de spiegel die Offill ons met Weersverwachting lijkt te willen voorhouden. Lizzie is iemand uit de gegoede middenstand. Een vrouw die zich bewust is van het multiculturele gehalte van haar buurt, maar die ook haar best doet om haar zoontje bij de speciale ‘Eagles’ te krijgen: een vertakking van de school voor kinderen met bovengemiddelde potentie. Ze doet erg haar best om voor de buitenwereld een goed mens te lijken. Haalt boodschappen bij de eco-winkel, maakt taxiritjes bij taxichauffeur wiens bedrijf kopje onder dreigt te gaan en gaat naar meditatieles. Maar in de zomer komt haar ware aard boven: ‘Ik loop de woonkamer in en zet de airco op z’n hoogst. Ben vindt het verspilling om hem zo hoog te zetten. Stel dat we het netwerk overbelasten. Maar ik heb het heet en dat is belangrijker.’ Haar zoontje vat het al vroeg in het boek  samen door te vragen: ‘Weet je zeker dat je mijn moeder bent? Soms lijk je daar gewoon geen goed genoeg mens voor.’

    In de tijdspanne dat we Lizzie volgen, laat Offill zien hoe grote veranderingen en groot nieuws in de wereld, zoals klimaatverandering, de verkiezing van Trump, de #MeToo beweging, langzaam maar zeker het dagelijks leven van mensen binnendringen. Ze bespreken deze veranderingen tijdens het eten aan de keukentafel. Googelen naar manieren om zich voor te bereiden en veilig te houden. Offill schrijft: ‘Vrouwen van vruchtbare leeftijd worden aangespoord om een spiraaltje te laten plaatsen’ en Lizzie’s man vraagt zich af of ze een geweer moeten aanschaffen waarop Lizzie redeneert: ‘Maar dit is Amerika. Als je minder dan drie mensen doodschiet haal je het nieuws niet eens. Ik bedoel, dat is toch wel het laatste recht dat ze zullen afnemen?’ Hiermee refereert Offill waarschijnlijk aan het gangbare wapenbezit in Amerika en de vele openbare schietpartijen en ‘school shootings’ die plaatsvinden. Offill snijdt dit onderwerp echter zo terloops en kort aan, dat niet helder wordt wat Lizzie’s standpunt in deze discussie is. Het woord ‘recht’ zou kunnen wijzen op een voorstanderspositie. 

    In essentie vooral haar eigen problemen

    Door het grote met het triviale te vermengen, en daarbij het triviale meer gewicht mee te geven dan de ‘echt grote problemen’ ontneemt Offill zichzelf de kans om een sterke stem toe te voegen aan de maatschappelijke thema’s. Het resultaat is een ietwat zeurderig personage dat zich vooral voor de buitenwereld goed voordoet maar in essentie vooral om haar eigen problemen geeft. Daar maakt natuurlijk niet alleen Lizzie zich schuldig aan, wat wordt geïllustreerd wanneer zij verlekkerd naar Extreme Couponing programma’s kijkt en beschrijft: ‘De presentator vertelde dat ze haar huis onlangs had verbouwd om de bulkaankopen te kunnen opslaan en nu met haar gezin in het half afgebouwde souterrain woonde.’ Zo laat Offill zien dat de mensheid alsmaar meer en meer wil. Ook als dit betekent dat mensen hun eigen huis (of de aarde) daarvoor openbreken en in het puin moeten wonen.

     

  • Oogst week 7 – 2020

    Weersverwachting

    Deze week een scherpzinnige roman van de Amerikaanse Jenny Offwell, een trilogie in toneelteksten van Judith Herzberg en de eerste roman van de Zambiaans/Amerikaanse Namwali Serpell.

    De Amerikaanse schrijver Jenny Offwill (1968) wordt na haar laatste roman Verbroken beloften – over een vrouw die kunstenaar wil worden maar zichzelf verliest in het (ook bij Rachel Cusk een leidend thema) moederschap – op een lijn geplaatst met de Britse Anne Enright en Rachel Cusk. Dat Offwell een scherp observator is en dit in prachtige zinnen beschrijft, blijkt ook uit haar derde roman Weersverwachting. Een roman over een jonge vrouw, met een bijbaantje in de bibliotheek van de universiteit waar ze eigenlijk wilde promoveren. Maar haar zorgen om haar broer, een exverslaafde en voor het eerst vader geworden, leidden haar af van dat doel. Ze voelt zich verantwoordelijk voor hem, wat ten koste gaat van haar eigen leven en dat van man en kind. Als ze door haar voormalige promotor, een klimaatwetenschapper en populaire podcasthost, gevraagd wordt te helpen bij het verwerken van een groeiende stroom aan brieven en mails, begint ze vragen te beantwoorden van klimaat- en religieuze doemdenkers. Het verdiepen in deze rampenpsychologie maakt dat ze steeds minder goed in staat is een overlevingsstrategie voor zichzelf te bepalen, om te kunnen ontsnappen aan een leven dat ze niet gewild heeft.

    Weersverwachting
    Auteur: Jenny Offill
    Uitgeverij: De Geus

    Leedvermaak trilogie

    Vorig jaar ontving Judith Herzberg de prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren. Herzberg is vooral bekend als dichter, minder bekend is dat ze ook een van onze belangrijkste toneelschrijvers is. In 1982 schreef ze het stuk Leedvermaak dat als een mijlpaal wordt gezien in de toneelgeschiedenis en in 1989 verfilmd door Frans Weisz. Een weergave van hoe de oorlog doorwerkte in de levens van latere generaties. Dertien jaar later schreef Herzberg Rijgdraad (1995), en nog weer zes jaar later Simon (2001). Hoofdrol spelen Nico en Lea, haar ouders Ada en Simon, Dory (de ex van Nico), Lea’s onderduikmoeder Riet, Nico’s vader en stiefmoeder Zwart en Duifje, kinderen en kleinkinderen.
    Als geen ander weet Herzberg  In schijnbaar terloopse en zo eigen aan Herzberg, luchtige dialogen vorm te geven aan het ongemakkelijke leven van onderduik- en kampoverlevers na de oorlog. De toneelteksten kenmerken zich door een zwijgend wegkijken, een niet kunnen (of willen) begrijpen van de ander.
    De trilogie is een klassieker en al lange tijd uitverkocht. Dat er een nieuwe editie van Leedvermaak Trilogie verschijnt, heeft te maken met de opvoering van alle drie de toneelstukken in een marathonvoorstelling dit voorjaar door Het Nationaal Toneel, een bijzonderheid, want niet eerder werd de trilogie in zijn geheel uitgevoerd. De nieuwe editie van deze klassieker is het begin van een integrale uitgave van het hele toneeloeuvre van Judith Herzberg. Iets om naar uit te kijken.

    Leedvermaak trilogie
    Auteur: Judith Herzberg
    Uitgeverij: De Harmonie,

    De rook die dondert

    Professor Engels en schrijver Namwali Serpell (1980, Zambia) woont sinds haar negende in de Verenigde Staten. Haar korte verhalen werden gepubliceerd in literaire tijdschriften, verschillende daarvan werden bekroond, zoals in 2015 met de ‘Caine Prize for African Writing’. Haar roman De rook die dondert (The Old Drift) verscheen onlangs in vertaling van Linda Broeder bij AtlasContact.
    Een ingenieuze roman over het lot van drie vrouwen die om verschillende redenen in Zambia wonen. Agnes, de blinde dochter van een Britse parlementariër wordt verliefd op een ingenieur. Ze gaat er met hem vandoor naar zijn thuisland Zambia, dat op het punt staat onafhankelijk te worden. Sibilla groeit als buitenechtelijk kind op in een gehucht in Italië, ze is van top tot teen bedekt met haar. Ze vlucht met haar geliefde naar Zambia om een nieuw leven op te bouwen. Wiskundige Matha, is in Zambia geboren, en wordt overvallen door een eindeloze tranenvloed nadat ze ongewenst zwanger bleek en gedwongen werd een veelbelovende carrière op te geven. De levens van de kinderen en kleinkinderen van deze vrouwen raken in de daarop volgende decennia onvermijdelijk verbonden met het lot van een hele natie.

    De rook die dondert
    Auteur: Namwali Serpell
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 45 (2018)

    De akte van mijn moeder

    De Hongaar András Forgách (1952) is in eigen land een bekende schrijver. Men kent hem ook van zijn werk als vertaler, toneelschrijver en beeldend kunstenaar. In de jaren zeventig en tachtig was hij actief in verzet tegen het Sovjetregime.

    Zijn nieuwste roman De akte van mijn moeder is gebaseerd op de waarheid. Een waarheid waar hij dertig jaar na het overlijden van zijn moeder bij toeval achterkomt omdat een oude jeugdvriend hem daarop attendeert. Het blijkt dat zijn moeder, op wie hij dol was, vanaf 1975 tot aan haar dood gespioneerd heeft voor de geheime dienst. Zij rapporteerde over bekenden, haar vrienden, en zelfs over haar echtgenoot en kinderen. Dat zijn ouders Stalinisten waren, wist Forgách wel. Maar dat zijn moeder zo ver zou gaan, was een schok voor hem.

    Het boek is inmiddels in 14 landen vertaald en wordt ook verfilmd.

    De vertaalster, Rebekka Hermán Mostert, over dit boek: ‘Het is een boek met tanden, bij vlagen hilarisch, soms dor irritant, soms heel raak en roerend, maar zeker informatief, op het randje van exhibitionistisch. Hongarije in de ‘soft-socialistische’ late jaren, met mensen voor en tegen, onmachtig in en buiten het systeem, Israël en de Arabieren, de Holocaust, toe maar. Met talloze excursen, feiten en namen tussen neus en lippen door, die je langs even zovele nieuwe paden sturen. Een lange, ongemakkelijke blik in de keuken van een schrijver die aan systeemontleding doet, en daarbij zichzelf en de zijnen niet spaart. Een poging tot reconstructie. Een ontdekking van een wereld en werelden. Een altaar voor moeilijke liefde.’

     

     

     

     

     

     

    De akte van mijn moeder
    Auteur: András Forgách
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Mijn zusje, de seriemoordenaar

    Na Forgàch die schrijft over het verraad van zijn moeder, nu een ander ‘familieboek’, Mijn zusje, de seriemoordenaar, over twee bizarre zusjes. De één, de mooie Ayoola, vermoordt na verloop van tijd al haar vriendjes, de ander, Korede ruimt de boel op wist alle sporen. Totdat Ayoola ingaat op de avances van een man op wie Korede heimelijk verliefd is.

    Oyinkan Braithwaite studeerde rechten en creatief schrijven, werkte voor online magazines en een Nigeriaanse uitgeverij en treedt ook op als als poetry slammer. Ze wilde altijd al schrijfster worden en publiceerde Mijn zusje, de seriemoordenaar op een online platform. Omdat ze zoveel enthousiaste reacties kreeg, stuurde ze het naar een uitgever. Inmiddels is haar debuut een groot succes en zijn de filmrechten ervan verkocht.

     

     

    Mijn zusje, de seriemoordenaar
    Auteur: Oyinkan Braithwaite
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Voor wie in het donker op mij wacht

    Als je wakker wordt moet je altijd even aan de dag wennen’
    en dat is helemaal niet waar, ik hoef helemaal niet aan de dag te wennen, waar ik aan moet wennen is dat ze dingen verplaatsen zonder mij iets te vragen, ze doen gewoon waar ze zin in hebben, de dame op leeftijd schudde het kussen op, hielp me rechtop te gaan zitten
    ‘Voorzichtig want u hebt al vaker geknoeid’
    gaf me mijn pillen en schonk thee voor me in, terwijl de kat als water op de grond gleed, als ze langs mijn benen strijkt hoor je een motortje dat ronkt tot zijn staart voorbij is en hij me vergeet, heel even moest ik denken aan Faro, aan mijn moeder, als ze ’s avonds de soep op tafel zette, en mijn vader, die met zijn servet half in het boordje van zijn hemd en half in zijn hand, in bretels en zonder colbertje
    ‘Kom eens hier’
    zei dat ik mijn tong moest uitsteken, zijn wijsvinger natmaakte en een vlek van mijn neus wreef’

    (…)

    Nauwelijks interpunctie, het is niet altijd duidelijk over wie de hoofdpersoon het heeft, herinnering en werkelijkheid wisselen elkaar af. Je moet er wel bijblijven bij het lezen van Voor wie in het donker op mij wacht van António Lobo Antunes.

    Voor wie in het donker op mij wacht gaat over de kracht van het geheugen en tegelijkertijd het verliezen van herinneringen.
    De 79-jarige Celeste is de verteller. Ze lijdt aan alzheimer en is overgeleverd aan de zorg van een oudere vrouw en de neef van haar tweede echtgenoot. Hoewel het spreken haar steeds slechter vergaat, probeert ze haar herinneringen vast te houden – aan haar jeugd in de Algarve, haar jaren als actrice en haar twee huwelijken. Als actrice verplaatst ze zich bovendien voortdurend in de mensen die haar omringen en verzint ze levens voor hen.

    Voor wie in het donker op mij wacht
    Auteur: António Lobo Antunes
    Uitgeverij: Ambo|Anthos