• Vederlichte verzen

    Vederlichte verzen

    Zijn jongensdroom om te kunnen vliegen heeft de in 2019 overleden Belgische kunstenaar Panamarenko nooit losgelaten. Heel zijn carrière lang bouwde hij machines met vleugels om die droom te verbeelden. Hij was niet de enige met zo’n droom. Verre van. Al eeuwenlang blijft de mens de vogels bewonderen om hun vliegkunsten. Ook dichters lijken begeesterd te zijn door de gevleugelden van het dierenrijk. Van vogels krijg je nooit genoeg is de waarachtige titel van een bloemlezing Nederlandstalige vogelpoëzie, samengesteld door Jan de Bas en Arie Bijl. Uit die honderdvijftig gedichten kan de lezer trachten achterhalen waarom de titel zo correct aanvoelt en waarom niet alleen dichters, maar mensen uit allerlei geledingen, gefascineerd blijven door vogels en soortgenoten.  

    Vogelvrij en verscheiden

    Ook in deze anthologie vormt de verwondering het startschot om enkele verzen aan vogels te wijden. Een enkele observatie kan volstaan om een hele beeldenwereld en wirwar aan verlangens te ontsluiten. Soms is de wens om bijvoorbeeld een reiger te zijn ook vrij letterlijk te nemen, zoals in een naamloos gedicht van Ed Franck: ‘Eénbenig / spiegel ik me / in een zomerse plas / aan een blauwe reiger / wat weinig / veren voor een vogel / de armen te hoekig / voor sierlijke vleugels // Maar stilstaan / op één been / kan ik al.’ Maar de variatie in aanpak is enorm. Gaande van de puntige abstractie van Judith Herzberg ( ‘bijna nooit zie je een vogel in de lucht / zich bedenken / zwenken terug) tot de absurde humor van Jan Hanlo’s gedicht mus (‘Tsjielp, tsjielp, tsjtielp…’).

    Niet enkel het taalregister maar ook de kwaliteit van de gedichten vertoont in deze bundel sterke schommelingen. Om te kunnen schommelen heb je uitmuntende uitschieters nodig en die zijn zeker aanwezig en bevatten een intense zeggingskracht. Die poëtische intensiteit ontstaat als de dichter zijn lezer vanuit een ordinaire waarneming weet mee te voeren naar een anders onbereikbare gedachte of onbekend gevoel. Zo oppert de dichteres Hanny Michaelis door het observeren van twee duiven die als ‘populaire vredessymbolen’ ‘menswaardig’ met elkaar zitten te vechten de volgende gedachte: ‘leerzaam tafereeltje voor wie / net als ik geneigd is / meer van dieren te houden / dan van de meeste mensen.’  En een opvliegende duif wekt bij Roland Jooris afstand op: ‘Eensklaps en wit / laat zij slechts / verte / in mij na.’ 

    Alledaagse verzen

    Soms blijft zo’n verdieping of bevraging van het vanzelfsprekende jammerlijk achterwege. De beelden verzanden in het alledaagse en ook de taal blijft braaf. In ‘tsjilp’ van Jaap Robben bevatten de verzen een aantal sentimentele strofes die niet verrassend genoeg geformuleerd zijn om echt te ontroeren: ‘voordat ik haar daar leg / hou ik haar stijve lijfje / dicht tegen me aan//.’ Dat is best een aardige en lieve strofe, maar meer ook niet. Wanneer eenvoudige taal de scherpte mankeert om een herkenbare situatie te ontstijgen, dan blijft het gedicht vastplakken aan het banale en wordt daarmee vleugellam. Dat is zeker het geval als je het vergelijkt met de spitsheid in ‘Eén zwaluw’ van Toon Tellegen: ‘Jij, / jij was een zwaluw, / De eerste zwaluw, // en je maakte zeven zomers / zonder één winter ertussenin. //’

    Natuurlijk pretendeert zo’n thematische bloemlezing niet per se baanbrekende poëzie te bevatten en hangt veel af van wat de samenstellers beogen. In hun bondige maar goed toegelichte voorwoord beamen Jan de Bas en Arie Bijl hun hoop dat ‘deze bloemlezing u als lezer inspireert om van vogels en poëzie te genieten’. De verzen van Robben of het reigerverlangen in het gedicht van Ed Franck kunnen dankzij hun laagdrempeligheid inderdaad grote groepen mensen charmeren. En de kwaliteit is allesbehalve slecht. Maar eerder in het voorwoord verklaren de samenstellers dat ‘dichters proberen om in taal door te dringen tot emoties die nauwelijks of zeer gebrekkig in woorden zijn te vatten en het gedrag van de vogel kan de lezer in zijn eigen gedragsspiegel laten kijken.’ Dat doel wordt door de meerderheid van de gedichten in deze bundel dan weer amper behaald.

    De beelden die wel op het netvlies blijven kleven kunnen echter een prima kennismaking inluiden met een voor de lezer onbekende poëet. Enkele van de interessantste gedichten uit de bundel zijn dan ook al redelijk exemplarisch voor de stijl en taal van een auteur: de minimale abstractie van Roland Jooris of de absurditeit van Hanlo en net zoals in zijn romans behandelt Ted van Lieshout in ‘dag mus’ schuldgevoelens en daderschap: ‘Wij vonden een gewonde mus / en legden hem in een doos. / Anders was hij doodgegaan. // […] Het leven van zoiets kleins is te teer / voor mensenhanden. Hij wijst ons / met zijn pootjes als daders aan.’

    ‘Hebban olla uogala nestas hagunnan’

    Al vanaf de bovenstaande en oudst bekende Nederlandse zin doorkruisen vogels allerhande de poëzie van de lage landen. Nog steeds hebben alle vogels nesten en nog steeds krijgen we nooit genoeg van deze dieren. Ook niet na het doorbladeren van deze bloemlezing. Pauwen, meeuwen, roerdompen, merels, meerkoeten, hoenen… Zo divers als het vogelrijk zich laat gelden, zo veelzijdig is de hedendaagse poëzie. Wie deze anthologie als vogelgids of een verzameling baanbrekende gedichten beschouwt, zal na een tijdje gefrustreerd raken. Misschien is deze lectuur als het vogelspotten zelf. Bladzijde na bladzijde zie je niets op de bladspiegel neerstrijken. Heb geduld en blijf geconcentreerd verder speuren en lezen. Want opeens komt er een magnifiek exemplaar aanvliegen, een uitmuntend gedicht. Volg zijn vlucht en ga op zoek naar meer van deze auteur. Treed in de vleugelslag van Panamarenko en vlieg de vogel of verzen achterna. Deze gevleugelde woorden zullen je meevoeren naar de hoogste boom, naar zijn nest en naar het kloppende hart van de poëzie. 

     

     

  • Tijdloze gedichten met steeds een ander perspectief

    Tijdloze gedichten met steeds een ander perspectief

    De nieuwste bundel van de Vlaamse dichter Roland Jooris (1936), Vertakkingen roept niet alleen vanwege de titel, die aan bomen doet denken, het gedicht Naamloos van Jan Arends in herinnering, althans de eerste strofen daarvan: ‘Ik / schrijf gedichten / als dunne bomen. // Wie / kan zo mager / praten / met de taal als ik?’ Ook Jooris praat ‘zo mager met de taal’ en schrijft ‘gedichten als dunne bomen’; zijn werk wordt vaak in verband gebracht met de sculpturen van Giacometti, de Lopende Mannen of de Wandelaars, die broodmager en lang uitgerekt voorovergebogen lopen, op weg naar nergens, in ‘een opeenvolging van momenten van stilstand’, zoals Giacometti ze zelf zag. Jooris heeft in zijn bundel een gedicht opgenomen dat aan Giacometti gewijd is:

    Giacometti

    Ooit
    nooit volkomen

    uit het ongewisse
    vandaan

    strak
    in geharrewar
    voorover
    een gevoel dat bewogen
    met eenzaamheid
    instemt

    als naar nergens
    een stap naar graatmager
    vergaan

    Graatmagere sculpturen

    De poëzie van Jooris loopt zoals de sculpturen: graatmager en eenzaam, op weg naar een onbekend doel. Ook de titels van de afdelingen, zoals Benaderen en Terloops hebben een verwantschap met de beelden, ze houden iets behoedzaams in en scheppen afstand. Zo zijn ook in de gedichten de mensen ‘afzijdig betrokken’ zoals Jooris het uitdrukt in het gedicht Venster. De gedichten zelf zijn vluchtig en ongrijpbaar als de muziek waaraan Jooris de afdeling Impromptu heeft gewijd. Zoals bijvoorbeeld het gedicht Sfumato (dit is een techniek waarmee schilders de omtrekken in een schilderij wazig maken en laten vervloeien):

    Sfumato

    In je dromerige aandacht
    een toon als uit een andere
    kamer

    iets wat zich niet
    laat vatten

    iets heel even

    een veeg
    die je vluchtig
    nog hoort op papier

    Sinds zijn debuut in 1956 heeft Jooris in diverse bundels blijk gegeven van een diepgaande interesse in de beeldende- en schilderkunst. Diverse bundels zijn verbonden aan werken van moderne kunstenaars en ook de cycli Naderhand en Ginds zijn eerder geschreven voor een editie met afbeeldingen van werk van kunstschilders. Ook muziek speelt een belangrijke rol in zijn gedichten. Onwillekeurig komt daarbij de vergelijking op met het werk van de componist Philip Glass, die tot de minimalisten gerekend wordt, een term die ook van toepassing is op Jooris.

    Beiden proberen met zo weinig mogelijk middelen een zo groot mogelijke impact te bereiken en door te dringen tot wat zij als het wezenlijke zien van respectievelijk de muziek en de dichtkunst. Jooris gebruikt daarvoor korte gedichten met eveneens korte regels, veel verspringingen en witregels, om de nadruk te leggen op zijn observaties en de interpretatie daarvan. Woorden als ‘suggestie’ en ‘illusie’ komen meerdere malen terug in de gedichten, evenals ‘mist’ en ‘vluchtigheid’, om het ongrijpbare dat zijn gedichten kenmerkt, nog te benadrukken.

    Teruggesnoeid tot het hoogstnodige

    Omdat Jooris zijn woorden minimaliseert en zijn gedichten terugsnoeit tot alleen het hoogstnodige, is het niet altijd even gemakkelijk voor de lezer hem te volgen. Met name de gedichten uit de eerste afdeling ‘Stapvoets’ zijn raadselachtig en houden verborgen over wie of wat het eigenlijk gaat. Het zijn abstracties van gevoelens en geven weinig houvast. Als lezer moet je van regel naar regel de wendingen proberen te volgen en de verschuivingen van de kantlijn, alsof je over stapstenen in een beek loopt, of in een boom van tak tot tak klimt om hoger te komen. Of dat bedoeld werd met de titel? In de plantkunde is vertakking de wijze waarop de stengel of de wortelstok zijtakken vormt en nieuwe groeipunten vormt, iets dat heel goed past bij de manier waarop deze gedichten zich laten lezen. 

    De andere afdelingen zijn toegankelijker, al worden ze nooit echt gemakkelijk. Door het zoeken naar al wat weggelaten kan worden, maakt Jooris door middel van taal algemene abstracties die ver afstaan van de concrete werkelijkheid waaruit ze geschapen zijn. Dat verklaart misschien waarom er in de gedichten van deze bundel zo weinig mensen aanwezig zijn: sommige gedichten spreken van een ‘hij’, zonder dat daarbij aangeduid wordt wie daarmee bedoeld is; het hoeft zelfs niet eens op een persoon te slaan. Andere gedichten richten zich tot een generiek voornaamwoord ‘jij’, waar zich meestal ongenoemd toch de eerste persoon enkelvoud ‘ik’ achter verschuilt. Er is slechts één gedicht in de bundel waarin een lyrisch ik aan het woord is:

    Vaak tracht ik te zoeken
    wat ik niet kan duiden, een
    betekenis die zich niet
    prijsgeeft, een nabijheid
    zo vrijblijvend als een
    omschrijving in de verte
    verloren de mist in

    Het is verleidelijk aan te nemen dat Roland Jooris hier in eigen persoon spreekt om de lezer deelgenoot te maken van zijn poëtisch credo. Het klinkt in ieder geval aannemelijk en oprecht. Zijn gedichten in aanmerking nemend, lijkt dat ook te kloppen. De gedichten van Jooris zijn zo abstract dat ze tijdloos worden en steeds een ander perspectief laten zien, dat afhangt van wat de lezer er op dat moment in wil zien.

     

     

  • Ongrijpbare gedichten

    Ongrijpbare gedichten

    Ongrijpbaar. Dat is het woord dat zich opdringt bij het lezen van de gedichten van Roland Jooris. De gedichten zijn niet lang en de dichter gebruikt geen moeilijke woorden. De situaties of plaatsen die Jooris soms in enkele woorden oproept zijn eenduidig. Maar wat de dichter met zijn gedichten wil uitdrukken blijft ongrijpbaar. Misschien moet men iets kennen of kunnen of weten om deze poëzie te lezen en te verstaan. Misschien is deze poëzie juist wel steengoed door de bloedwarme ‘ongrijpbaarheid’. Het leven zelf is ook vaak onbegrijpelijk. Toch?

    Kroonjaar
    Voor de Vlaamse dichter Roland Jooris was 2016 een kroonjaar. Hij vierde zijn tachtigste verjaardag. Het was zestig jaar geleden dat hij debuteerde. Het was veertig jaar geleden dat hem de tweejaarlijkse poëzieprijs van De Vlaamse gids werd toegekend. En zijn bundel Bladgrond verscheen, de zestiende bundel sinds zijn debuut in 1956.
    Bladgrond bestaat uit een kleine veertig gedichten, die zijn verdeeld over zeven afdelingen. Uit de afdeling ‘Basaal’ bijvoorbeeld komt het volgende gedicht:

    Het drijven van
    ondergrond

    Het bezonken gelaagde

    De klaarte van het wachten
    op een kier

    Uit de afdeling ‘Oponthoud’ komt TAK:

    TAK
    Het nog even bewogen
    buigzaam uiterste   

    Het bijna losgeraakte
    hulpeloze

    Het beven dat zich
    tekent

    Het ongrijpbare zelf benoemt Jooris dikwijls expliciet. In de bescheiden hoeveelheid tekst die de bundel Bladgrond feitelijk behelst is een overdaad aan te treffen van zinsneden als ‘het niet bestaande’, ‘buiten elk bereik’, ‘als iedereen weg is’, ‘onder aan de verte’, ‘veraf in de nacht’, ‘uit zijn evenwicht’, ‘niet te duiden’, ‘alles lost op’, tijdloos getrappel’. Daarnaast is vaak sprake van ‘nevel’, ‘mist’, ‘het wazige’, ‘verwarring’, ‘vervagen’, ‘oeverloos’, ‘bewolken’, ‘in de war’, …

    Nieuwe kleren van de keizer
    Roland Jooris schrijft stille poëzie. De gedichten bestaan uit woorden van een waarnemer, die met intense overgave kijkt, bewust sensaties ondergaat, deze tot een soort eigen, karige, vage essentie terugbrengt en verwoordt. Maar … Wat is dat toch met mannen van een zekere leeftijd? De dichter is zo zuinig. Zijn woorden lijken aan een stijf dichtgedraaide kraan te zijn ontwrongen, met geweld bijna. Vandaar ook die notie van het essentiële. En natuurlijk is het de muziek die de dichter openbreekt – ‘verbeten schor’ weliswaar, maar toch. Zie bijvoorbeeld het gedicht SOLO:

    Je slikt je zingen in

    Je kijkt naar wat je meent
    te weten

    Een onthutst gerucht
    komt uit vervagen
    tevoorschijn

    Het onmogelijk absolute
    ligt eigenzinnig op de punt
    van je tong

    Als op een cello
    schrijnt
    verbeten schor
    je hardnekkige
    geslotenheid

    Ook in het gedicht ‘Ingeving’, waarin sprake is van strijkers, benoemt Jooris opeens de precisie ‘die het onverklaarbare in zijn heelal openbaart’. Andermaal is het muziek die harmonie schept. Voor de een zullen de gedichten van Roland Jooris in hun ongrijpbaarheid van een veelzeggende pracht zijn, want juist daardoor zijn ze o, zo herkenbaar of poëtisch. Voor de ander zijn het misschien, ook na herhaaldelijk lezen en proeven, de nieuwe kleren van de keizer. De lezer mag het zeggen. Jooris biedt daarvoor alle ruimte.