• Oogst week 6 – 2022

    Water scheppen met een lepeltje

    Wiebe Brouwer publiceerde verhalen en essays in literaire tijdschriften als De Gids en Hollands Maandblad. Onlangs debuteerde hij bij Van Gennep met Water scheppen met een lepeltje, het verslag van de laatste levensmomenten van zijn demente moeder. Welke keuzes maak je, wat is goed als het erop aan komt keuzes te maken voor iemand die dat zelf niet meer kan? Het is schier onmogelijk, toch moeten het gedaan worden. Met de laatste dagen van zijn vader in gedachten, die met alzheimer op een gesloten afdeling van een verpleeghuis wegkwijnde, wil hij dit zijn moeder niet aandoen. Zij blijft thuis, met een heel team aan thuiszorgers zal zij tot het einde in haar vertrouwde omgeving blijven. Schrijnend is dan te ontdekken dat moeder haar eigen (vertrouwde) omgeving niet meer herkend. Ze heeft het idee dat ze in een pension zit, wil naar huis.

    Tot hoever moet er nog medische zorg verleend worden, antibiotica bij een longontsteking of niet? Het laatste jaar met zijn moeder wordt bijgehouden in een logboek door het team aan verzorgsters, briefwisselingen met de zus, een vriendin van vroeger, afgewisseld met telefoongesprekken tussen moeder en zoon vanuit haar huis gevoerd.

    ‘Ben jij dat? Hoor ik jouw stem? Wat een geluk dat je me trof. Zeg eens, hoe zijn je kinderen? En hoe is je vrouw? Ik kwam hier toevallig voor een bezoek aan je vader. Maar hij is er niet. Waarschijnlijk is hij vertrokken naar een ander adres omdat het hem hier niet beviel. (…) Ik trof hier een aardige mevrouw die gewoonlijk voor hem zorgt en die kookt nu vanavond voor mij.’

    Sterk en aangrijpend proza van een zoon die zijn moeder ziet verdwijnen.

    Water scheppen met een lepeltje
    Auteur: Wiebe Brouwer
    Uitgeverij: Van Gennep

    Wachten

    Wachten is een fotoreportage van vluchtelingen die wachten in azc’s verspreid door Nederland op de behandeling van hun asielaanvraag. Mona van den Berg documenteert al twintig jaar het onrecht dat zich in de azc’s afspeelt. Op haar vraag waarom mensen zolang moeten wachten op de behandeling van hun asielaanvraag, werd ze overspoelt met cijfers, percentages en bureaucratie. Dit fotoboek is een reactie daarop. Foto’s van mensen die in de azc’s van Emmen, Schalkhaar, Almere, Harderwijk, Amsterdam, Den Helder, Hardenberg, Utrecht, Delfzijl, Luttelgeest, Sint Annaparochie, Heemserveen, hun leven voorbij zien gaan. De vele steden waar vluchtelingen worden ondergebracht is op zich al schokkend.

    Naast de foto’s in Wachten, zijn er gedichten en treffende passages uit de romans van Rodaan Al Galidi in opgenomen.
    In een nawoord schrijft Van den Berg: ‘Tijdens mijn rit naar azc Harderwijk mijmer ik. Het is onbegrijpelijk voor mensen in azc’s. Velen hebben hun familie al jaren niet gezien. Dit zijn mensen wier dromen en ambities verloren zijn gegaan.’

    Mona van den Berg is freelance fotograaf voor The Guardian, Vrij Nederland en Het Parool en hoofdredacteur van een serie bijlagen voor Trouw en de Volkskrant.

    Wachten
    Auteur: Mona van den Berg
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Oeverloos

    Nisrine Mbarki is dichteres, columnist, Arabisch vertaler en programmamaker voor Winternachten. Poëzie, theaterteksten en korte verhalen, van haar hand verschijnene regelmatig in literair tijdschriften als De Gids, Poëziekrant, De Revisor, Tirade en Het Liegend Konijn.

    Onlangs verscheen haar debuutbundel Oeverloos, poëzie die zich afspeelt op de rand van verschillende talen, en de gelaagdheid van het leven aanspreekt. In haar gedichten pelt ze als een archeoloog laagje voor laagje van die gelaagdheid af waardoor het aardse en mystieke, stad en natuur, reizen en stilstaan zichtbaar worden. Het is alsof ze de wereldkaart opnieuw tekent, grenzen verkent van de vrouw in haar rollen van moeder, dochter, echtgenote en schrijfster.

    Haar taal werkt even verstikkend als bevrijdend. Een debuut waarin oude verhalen van generaties terug en nieuwe verhalen samenkomen. Poëzie met een autonoom geluid.

    Oeverloos
    Auteur: Nisrine Mbarki
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • De zomerboeken van Lydia Fris

    De zomerboeken van Lydia Fris

    Medewerkers van Literair Nederland met hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Lydia Fris kijkt ernaar uit in de zomer veel te lezen en noemt hier vijf titels die niet zullen ontbreken in haar vakantietas:

    Ik ben er niet – Lize Spit
    Ik ga leven – Lale Gül
    Een modern verlangen – Hanna Bervoets
    Het kattentheater – Mensje van Keulen, en
    Hoe ik talent voor het leven kreeg – Rodaan Al Galidi.

    Ten eerste Ik ben er niet van Lize Spit, waar ze al lang naar uitkijkt! Ze is nieuwsgierig naar de manier waarop Spit zo’n ingewikkelde ziekte als een psychose in een roman verwerkt. Het tweede boek is Ik ga leven van Lale Gül, omdat dit boek thema’s raakt die Lydia ook tijdens haar master exploreert: uitdrukking geven aan geloofsverlies in Nederlandse literatuur. Het derde boek is de (gesigneerde) verhalenbundel van Hanna Bervoets: Een modern verlangen. Afgelopen Boekenweek mocht ze een inspirerend gesprek met Bervoets voeren. Haar boeken hebben Lydia nog nooit teleurgesteld. Het vierde boek is Het kattentheater van Mensje van Keulen, die ze moet recenseren voor de krant en tot slot Hoe ik talent voor het leven kreeg van Rodaan Al Galidi, die al geruime tijd op haar lijstje stond en haar door vele vrienden is aangeraden.

     

    Lees hier meer van en over Lydia Fris.

  • Van kwaad tot erger in originele beeldspraak

    Van kwaad tot erger in originele beeldspraak

    Toen Rodaan Al Khalidi uit zijn geboorteland Irak vluchtte en uiteindelijk in Nederland terecht kwam, leerde hij zichzelf de Nederlandse taal en begon te schrijven: in 2002 verscheen zijn eerste werk, een bundeling van zijn columns. Onder de naam Rodaan Al Galidi heeft hij inmiddels negen romans geschreven en acht gedichtenbundels, waarvoor hij diverse literaire prijzen mocht ontvangen.

    Neem de titel serieus is zijn negende bundel, opgedragen aan Begoña, die een al dan niet fictieve geliefde blijkt te zijn geweest. We maken kennis met deze geliefde uit vroeger tijden in de eerste helft van de gedichten. Een gemakkelijke relatie lijkt het niet te zijn geweest, ook al wordt er nog liefdevol aan teruggedacht:

    ‘Weet je nog, Begoña? Die verre zomer,
    toen jij en ik op het dak
    de sterren telden
    die zwoele nacht in april.’

    De problemen waaraan de relatie met Begoña ten onder ging en waaronder de ik-persoon nog steeds gebukt gaat, worden doorgetrokken tot op mondiaal niveau. Ruzies worden oorlogen, onbehagen gaat over in ziektes, alles wat elke dag in het nieuws komt, vindt zijn weerslag in de gedichten die volgen op de bitterzoete berichten aan Begoña. Meedogenloos trekt Al Galidi de pessimistische lijn door die zo bedachtzaam werd ingezet, al ontbreekt het daarbij niet aan humor. Soms wordt het  ironisch en zelfs cynisch. Zoals in het eerste van twee gedichten die elkaars pendant vormen: Liefhebbers en Een voor een. Daarin wordt de kruisiging van Jezus aangekondigd, ‘jouw unieke kans om deze tragedie live te volgen’, hoewel de opstanding niet kan doorgaan wegens gebrek aan belangstelling. In het tweede gedicht wordt het publiek dat komt kijken aan het kruis getimmerd.

    Geleidelijk aan wordt de toon van de gedichten grimmiger en de onderwerpen akelig actueel: terrorisme, Amerikaans presidentschap, verkeersslachtoffers. Het taalgebruik van Al Galidi is eenvoudig, maar zo beeldend dat hij ogenblikkelijk zonder veel uit te hoeven leggen een herkenbaar tafereel oproept:

    ‘Een ambulance roept een andere.
    Ik daalde de berg af en zag zijn tenen naar boven.
    Een vrouw riep Pedro! Pedro!’

    Zoals de bundel is samengesteld, zo zijn ook de gedichten opgebouwd. In het begin zorgen frisse versregels voor een argeloze opgewektheid, om dan met een klap een einde te maken aan het geluksgevoel. Want de wereld mag dan wel mooi lijken, Al Galidi weet beter. De wereld is ziek en wordt bevolkt door zieke mensen.

    Op twee derde van de bundel belandt de dichter bij een onderwerp dat van belang lijkt te zijn: psychische ziektes. Ze kwamen al eerder ter sprake in een enkel gedicht, maar nu worden ze gepersonifieerd alsof het levende entiteiten zijn, metgezellen van de dichter in het dagelijkse leven:

    ‘In de oorlog
    gebruikt de mens zijn psychische ziektes.
    In vrede
    gebruiken zijn psychische ziektes hem.’

    Niet alleen de dichter is psychisch ziek, maar iedereen: de hele wereld, zelfs vogels kunnen psychisch ziek zijn. In verschillende versvormen brengt Al Galidi dit aan het licht. Via aforismen, een parlando gedicht en een gedicht in de vorm van een dialoog laat hij de lezer zien dat de hele wereld voor hem een geestelijke nachtmerrie is geworden. De psychische ziektes worden gehanteerd als een metafoor voor alles wat er mis is in het leven.

    Helaas verliest dit gedeelte aan kracht als acht, negen opeenvolgende gedichten een of twee keer de zinsnede ‘psychisch ziek’ bevatten en als het nergens anders over gaat: het wekt ergernis als die woorden alwéér als kleine insecten over de bladzijden kruipen en uit het gedicht naar voren springen. Alsof de dichter bang is dat de strekking de lezer zou ontgaan, zo nadrukkelijk worden deze woorden opgevoerd, maar juist daardoor verliezen ze hun zeggingskracht.

    Een synoniem of omschrijving voor ‘psychisch ziek’ zou al veel goedmaken; in ieder geval meer variatie. Nu voelt het als een opluchting wanneer er een gedicht volgt dat over iets geheel anders gaat.
    In de laatste gedichten overheerst de onmacht om iets aan de wereld te veranderen. De dichter wil zich niet neerleggen bij deze onmacht, maar ziet zichzelf niet in staat om er daadwerkelijk iets aan te doen. Het laatste gedicht heet dan ook Het spijt me en is een verontschuldiging aan zijn geliefde Begoña. Niemand en niets kan gered worden, zelfs Begoña niet:

    ‘Het spijt me dat ik, zelfs
    met al de liefde die ik voor je voel, je niet
    kan laten bestaan.’

    Van liefde tot ruzie en geweld, van kwaad tot erger voeren de gedichten naar een climax van eenzaamheid en hulpeloosheid, waarin de dichter zijn ‘mislukking’ moet erkennen.
    Vrolijk word je niet van deze bundel, maar de originele beeldspraak en de verrassende, directe wijze waarop de dichter iets visueel weet op te roepen, maken veel goed.

     

  • Oogst week 37 – 2018

    De hartenjager

    De vierhonderdste sterfdag van Gerbrandt Adriaensz. Bredero is niet onopgemerkt voorbijgegaan. Op 23 augustus werd zijn laatste rustplaats – tussen Kalverstraat en Rokin – met een plaquette gemarkeerd; Brechtje van Dijk (muziek), Lisanne van Aert (libretto) en Warre Simons (regie) maakten Niet de klucht van koe, ‘een absurde prog-rock opera’ op basis van teksten van Bredero en van René van Stipriaan verscheen De hartenjager: leven, werk en roem van Gerbrandt Adriaensz. Bredero. Het is maar een kleine greep uit dat waarmee de Amsterdamse schilder/dichter herdacht wordt.

    Over het leven van Bredero is weinig bekend. Een traditionele biografie is De hartenjager van Van Stipriaan niet. Niet alleen. Want het eerste deel bevat wel degelijk een reconstructie van het leven van Bredero. Dat Van Stipriaan bij gebrek aan feitelijke informatie niet anders kon dan dat leven zien in het licht van werk en thematiek en tegen de achtergrond van een welvarende stad waar ook het culturele leven bloeit, betekent niet dat hij aan het hineininterpretieren slaat. Hoewel met het nodige voorbehoud – veel is niet absoluut zeker, maar dan kiest Van Stipriaan voor het meest waarschijnlijke – ontstaat daardoor een levendig portret van een naar kennis hongerende Bredero, die als geen ander de veranderlijkheid van mens en maatschappij vastlegde.

    In het tweede deel van De hartenjager vat René van Stipriaan de ontvangst en interpretatie van het werk van Bredero in de loop der eeuwen samen om daar daarna in het derde deel zijn eigen conclusies aan toe te voegen. Hij beschouwt hij de komische, de amoureuze en de religieuze Bredero en betrekt ook leven en werk van diens tijdgenoten bij zijn analyse.
    Dat de belangstelling voor het werk van Bredero al vrij snel na zijn dood wegebde had volgens Van Stipriaan niets te maken met de kwaliteit. Bredero’s beste werk doorstaat volgens hem de vergelijking met dat van Shakespeare. Bredero kreeg echter te maken met wat hij zelf tot motto en leidraad van zijn leven en werk maakte: ’het kan verkeeren’. De samenleving veranderde en opvattingen over taal en literatuur veranderden mee.

    Als er een ding duidelijk wordt uit De hartenjager dan is het de voortreffelijkheid van de uiterst productieve dichter/toneelschrijver Gerbrandt Adriaensz. Bredero, vertegenwoordiger van het neostoïsche gedachtegoed, die zijn klassieken kende en onderdeel uitmaakte van een netwerk van vakbroeders. Hij raakte de kern van het (klein)burgerlijke. Zijn stukken lenen zich zeker thematisch voor heropvoering. Bredero schrok er niet voor terug om heikele thema’s aan te kaarten die nu opnieuw actueel zijn.

    De hartenjager
    Auteur: René van Stipriaan
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)

    Vloedlijnen

    ‘In Vloedlijnen zit een man op het strand. Als hij goed luistert, hoort hij fluisterende, zingende en orerende stemmen die verwoede pogingen doen om greep te krijgen op een ontsnappend leven. Ergerlijk genoeg worden die verhalen stelselmatig onderbroken door stoorzenders die uit een andere wereld lijken te komen. Het dieptepunt van de bundel wordt gevormd door een operalibretto waarin een activist zich tegen beklemmende structuren verzet.’

    Bovenstaande tekst is geen citaat uit de recensie van een tot wanhoop gedreven criticus. Met dit citaat opent de flaptekst van Vloedlijnen, de nieuwe gedichtenbundel van Piet Gerbrandy. Ook dit keer maakt Gerbrandy het zijn lezers niet makkelijk, maar de door de uitgever verstrekte tekst nodigt uit om de zes cycli en dat ene libretto argwanend tegemoet te treden, om vervolgens de teugels van de weerzin gaandeweg te laten vieren en tot de conclusie te komen dat er veel gezegd en ontregeld wordt in Vloedlijnen.
    Een andere vaststelling zou kunnen zijn dat als Piet Gerbrandy in zijn verantwoording niet geschreven had dat een aanzienlijk deel van zijn gedichten al eerder verscheen, dit alleen degenen die de dichter op de voet volgen opgevallen zou zijn. Wie niet zo thuis is in zijn werk zullen vanwege vorm, toon en een consequent suggestief refereren aan vooral samenhang en eenheid opvallen.

    Vloedlijnen
    Auteur: Piet Gerbrandy
    Uitgeverij: Uitgeverij AtlasContact (2018)

    Neem de titel serieus

    Terwijl Rodaan Al Galidi de beminnelijkheid zelve lijkt als hij anderen tegemoet treedt, haalt hij in zijn werk regelmatig hard uit als hij het heeft over de wereld waarin hij beland is. Door de charmante wijze waarop hij het Nederlands hanteert en zijn ongebruikelijke beelden, valt dat niet altijd meteen op.
    Doordat de dichter de zinsnede ‘psychisch ziek’ vaak laat vallen en er ook regelmatig in inrichtingen verbleven wordt, lijkt Neem de titel serieus over geesteszieken te gaan, maar eigenlijk is de rode draad in de bundel ‘lijden onder de druk van de omstandigheden’. Niemand is gevrijwaard van relatiestress, vervreemding en stigmatisering.

    Mijn bestaan

    Soms word ik bang wakker
    dat ik echt besta.
    Angstig tast ik de muren af,
    het bed, mijn nek
    en zoek mijn gezicht,
    maar ik kan het niet vinden.

    Trillend sta ik op.
    Ik doe het licht aan,
    trek mij onrust aan
    en loop alleen
    op de sneeuw die mijn hart bedekt.

    Alles buiten
    is nog steeds zoals het ooit gestapeld is.
    Maar de wereld die mij koesterde,
    tot ik haar geworden ben,
    is verdwenen.

    Meer dan de vorm hebben de gedichten in Neem de titel serieus hun oorsprong gemeen. Die ligt in het waarnemen, in het voelen en vinden.

    De bundel is opgedragen aan Begoña, en omdat het eerste gedicht gaat over een liefde die voorbij lijkt te zijn en Begoña met name genoemd wordt, is de verleiding groot in Begoña een vrouw te zien. Maar ‘zij’ zou ook zomaar iedere buitenstaander kunnen zijn. Dan leest Neem de titel serieus anders.

    Neem de titel serieus
    Auteur: Rodaan Al Galidi
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2018)

    Het epos van sjeik Bedredinn

    Het epos van sjeik Bedreddin een van de klassieke titels uit de Turkse literatuur. Nâzim Hikmet schreef het  toen hij in 1936 in de gevangenis zat vanwege zijn revolutionaire, want communistische, ideeën. De raamvertelling – die begint met een gevangen gezette dichter die het epos van sjeik Bedreddin ligt te lezen en vervolgens door een derwisj meegevoerd wordt de geschiedenis in, waardoor hij een ooggetuige wordt van de door de sjeik aangevoerde boerenopstand in de veertiende eeuw, waar hij vervolgens verslag van doet – weerspiegelt Nâzim Hikmets eigen verhaal. Sjeik Bedreddin voert gewapend strijd tegen de Osmaanse sultan, de schrijver/dichter Himket neemt het met zijn pen op tegen het autocratische regime van de Turkse Republiek. Hikmets verhaal in een verhaal is deels proza en deels poëzie.

    Sytske Sötemann voorzag haar vertaling van een inleiding waardoor duidelijk wordt hoe uit de uit een kosmopolitische en aristocratische familie stammende Nâzim Hikmet een revolutionair groeide die de eerste avant-gardistische dichter van Turkije werd.

     

    Het epos van sjeik Bedredinn
    Auteur: Nâzim Hikmet
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2018)

    Straks komt het

    Hij wijdde al eens een boek aan Marcel Duchamp en in zijn vorige roman verbond hij een verhaal over zijn moeder met de levens van Giorgio de Chirico en Alberto Giacometti. In Straks komt het reist K. Schippers in de voetsporen van Kurt Schwitters, maar gaat het ook over de oorlog en over jazz.

    In Straks komt het ontspint het verhaal zich niet langs de lijnen der geleidelijkheid: K. Schippers associeert er vrolijk edoch vakkundig op los. Dat is inmiddels zijn handelsmerk. In navolging van Kurt Schwitters raapt, verzamelt en assembleert hij. En aan het eind blijkt hij toch een samenhangend verhaal verteld te hebben, waarin  beleefd en verzonnen in elkaar overlopen.

    Straks komt het
    Auteur: K. Schippers
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)
  • Spiegeltje, spiegeltje… Nederland

    Spiegeltje, spiegeltje… Nederland

    Duizend-en-een nachtmerries is een bundel verhalen van de uit Irak afkomstige schrijver en dichter Rodaan Al Galidi. Zijn verhaal is bekend: hij vluchtte uit zijn vaderland, zocht asiel in ons land, leerde zichzelf Nederlands en publiceerde inmiddels zes romans en acht dichtbundels, waarvan de roman Hoe ik talent voor het leven kreeg en de dichtbundel Koelkastlicht erg veel aandacht kregen en goed verkochten.
    Je zou kunnen zeggen dat Al Galidi tot het Nederlandse literaire landschap is toegetreden.

    De 36 korte verhalen in de bundel Duizend-en-een nachtmerries geven een goed beeld van zijn rijke fantasie. De vreemdste ideeën worden op een soepele en originele manier uitgewerkt. Zo is er de man die zichzelf letterlijk tegenkomt; de vrouw die voor het eerste een zwarte man ziet en om de haverklap de politie belt omdat ze denkt dat hij de boef is; de mensen in de sauna die zich beklagen over het feit dat anderen zich niet houden aan het spreekverbod. En zo gaat het nog wel even door.

    Niet alle verhalen zijn even sterk. Rodaan Al Galidi maakt zich er soms wat makkelijk vanaf: een origineel idee een beetje uitwerken, wat flauwekul er in en hoppa, weer een verhaaltje klaar. Een strengere redacteur had hier goed werk kunnen verrichten door het teveel aan kaf van het koren te scheiden.

    De beste verhalen zijn de verhalen die inzicht geven in de manier waarop Al Galidi naar de Nederlander kijkt. Hij vindt ons een nogal angstig, geordend volkje en drijft daar op een mooie, vileine manier de spot mee. In het verhaal De terroristische aanslag op Kim van Dijk bijvoorbeeld laat hij zien hoe groot de verschillen zijn tussen asielzoekers (lees: Rodaan Al Galidi) en de Nederlander. Prachtig en ook gruwelijk. Zitten wij als Nederlander zo in elkaar? Al Galidi houdt je hier een spiegel voor, waardoor je de titel van de bundel deels gaat begrijpen.
    Of lees het verhaal waarin een ik met een kennis de stad ingaat. Die kennis ziet alleen maar gevaar, wapens, en aanslagmogelijkheden, waardoor de ik-figuur steeds banger wordt. Zo zijn de Arabieren altijd terrorist, en de Nederlanders altijd slachtoffer.

    De titel belooft nachtmerries, hoewel Al Galidi zelf aangeeft dat het allemaal wel meevalt. En je hoeft deze ook niet geheel letterlijk te nemen; veel verhalen zijn een beetje nachtmerrieachtig, maar je zou ze ook vrolijk of komisch kunnen noemen als er niet toch aan een aantal een randje zit. Het verhaal over de zoekgeraakte afgeknipte nagel van Saddam Hoessein bijvoorbeeld, of dat verhaal over iemand die een amulet koopt dat hem beschermt tegen aanslagen: ze geven aan uit welke wereld Al Galidi afkomstig is. Ze laten zien dat de schrijver inderdaad nachtmerries beleeft en tegelijkertijd hoe hij daarmee omgaat: hij maakt ze ook belachelijk en spot er mee.

    Opvallend is een tweede thema in deze bundel: naast de verhalen waarin hij de Nederlanders bespot, is in veel verhalen de hoofdpersoon op zoek naar een andere plaats, een ander leven, een andere identiteit zelfs. Fantasie dus ook in het opzicht van: ik wil wat anders, of andere mensen willen wat anders van mij, of: ben ik wel tevreden, zit ik wel op de goede plek, ben ik wel op de juiste planeet? Al Galidi geeft hier inzicht in de wereld van de asielzoeker die zeker welkom is maar zich niet thuis voelt.

    Binnen dit thema is het verhaal De zomerdag van Jelle tekenend. Daarin wordt Jelle wakker uit een nachtmerrie (de enige echte die Duizend-en-een nachtmerries voorkomt): zijn hoofd zit vol, de ideeën bijten en krabben hem. Hij wil zijn ideeën met een mes te lijf gaan, maar deze worden nog bozer. Alles goed, vraagt de buurvrouw. Ja, ik ben aan het opruimen, antwoordt hij. Om de boel te ontvluchten gaat hij naar het strand, waar hij tenslotte verandert in een stier. Het was Jelles mooiste zomerdag, die dag waarop hij in een stier veranderde. Eindelijk was hij vrij en durfde hij zijn wereld af te breken en een nieuwe wereld op de ruïnes te bouwen. Zíjn wereld.
    Dat zoeken, vinden en veranderen niet voor iedereen de beste oplossing is, verwoordt hij in een ander verhaal: Ik realiseerde me dat zij die zichzelf hadden gevonden, helemaal niet gelukkig leken. Ze waren eerder woedend, of zelfs gewelddadig. Ik stopte even, bleef staan en draaide me toen om. Ik liep terug.

    Al Galidi’s taalgebruik is bloemrijk en vliegt alle kanten op: het houdt de lezer behoorlijk bij de les, de lezer moet alert blijven wil hij al die mooie beelden tot zich door laten dringen. Een merel trekt een worm uit de grond. Vervolgens begint hij hem in stukken te pikken en op te eten. Hij zal die worm veranderen in mooi gezang.
    Af en toe een verhaal lezen en laten bezinken: de schoonheid van zowel taal als inhoud komt vanzelf bovendrijven.

  • Een stem krijgen

    Een stem krijgen

    Het kon niet uitblijven of de stroom vluchtelingen van 2015 en 2016 moest de literaire kunsten binnenkomen. Al in 2015 verschenen diverse theaterstukken over het thema. Net uit is de roman De dood van Murat Idrissi van Tommy Wieringa. Vorige week zag ik Wende Snijders in haar overdonderende voorstelling Mens het aangrijpende lied De wereld beweegt zingen met de regels: ‘Er vallen mensen uit de hemel / Zet de vangnetten uit / Er vallen mensen in het water / Zet de vangnetten uit (…) Haal die mensen uit het water / Leg je blote handen open / Laat ze niet liggen en verdommen’. En in april gaat de Annie M.G. Schmidtprijs misschien wel naar Kiki Schippers. Ze zong afgelopen jaar in de theaters Er spoelen mensen aan, met de confronterende regels ‘duw ze terug in het water / duw ze terug in de zee / duw ze terug in de golven / want wij zijn de vrijheid voorbij.’

    Het zijn allemaal voorbeelden van kunstenaars die niet onbewogen kunnen blijven bij wat ze zien. Maar de vluchtelingen zelf krijgen ook een stem. Sinds begin dit jaar is Amal Karam, in 1996 gevlucht naar Nederland, stadsdichter van Nijmegen. Rodaan al Galidi, in 1998 in Nederland aangekomen na een lange vlucht uit Iran, is met liefst vier gedichten vertegenwoordigd in zijn bloemlezing van de Nederlandse poëzie van de 20ste en 21ste eeuw van Ilja Leonard Pfeijffer. Bovendien is hij opgenomen in Dichters van het nieuwe millenium van Jeroen Dera c.s.

    Ik lees niet veelvuldig poëzie, maar sinds een paar maanden steek ik af en toe een klein handzaam boekje bij me van Daan Bronkhorst. Hij publiceerde voor Amnesty International over mensenrechten en China, maar bezorgde ook een paar thematische anthologieën van werk van dichters over de hele wereld. Het nieuwste boekje heet Hoop met als thema ‘grenzen’. Daarin veel mooie regels van vluchtelingen. Het kan in de binnenzak van een colbertje en ik heb het soms bij me als ik de kans loop ergens te moeten wachten, bij de kapper, op het station, bij de dokter.

    Ik lees er willekeurig in. Het gedicht Vluchtelingen van de Bulgaarse Kapka Kassabova begint zo:

    Kijk: de armoede van regen
    dat we hem opvangen in een vingerhoedje van geduld
    en uitgieten in de modder

    en eindigt met:

    Kijk: dit is de wereld die we hebben
    te arm om je te verbergen,
    te donker om te begaan, te alleen om te vergeten

     

     

     

  • Recht op drie orgasmen en zes keer hoofdpijn

    Recht op drie orgasmen en zes keer hoofdpijn

    ‘Misschien wel het moeilijkste van vertellen over het leven in het AZC is om de tijd te laten bewegen’.
    Met die zin begint hoofdstuk 58 van Hoe ik talent voor het leven kreeg, een schrijnend, maar ook wonderlijk relaas van een verblijf van negen jaar in een Nederlands asielzoekerscentrum. Auteur Rodaan Al Galidi weet waar hij het over heeft. Hij is een bouwkundig ingenieur die in 1998 in Nederland asiel vroeg nadat hij Irak ontvlucht was om te ontkomen aan de dienstplicht onder Saddam Hoessein. Zijn verzoek werd afgewezen, maar hij mocht uiteindelijk toch blijven omdat hij in 2007 kon profiteren van het generaal pardon. Dat werd in 2007 verleend aan asielzoekers die geen strafblad hadden en sinds 1 april 2001 (op die datum was een nieuwe Vreemdelingenwet ingevoerd) ononderbroken in Nederland verbleven.

    De genoemde data en feiten kloppen met die van de hoofdpersoon uit Hoe ik talent voor het leven kreeg. Toch noemt Al Galidi zijn boek nadrukkelijk een roman: ‘De verteller in dit boek ben ik niet zelf. Het is iemand die ik Semmier Kariem heb genoemd. Zo kon ik de schrijver blijven, zonder hoofdpersoon te zijn. Misschien zal mij gevraagd worden of dit mijn verhaal is. Dan zeg ik: nee. Maar als mij gevraagd wordt: Is dit ook jouw verhaal? Zeg ik volmondig: ja.’

    Semmer Kariem verbleef alles bij elkaar negen jaar in een Nederlands AZC. Daarvóór had hij er al een jaar omzwervingen door Zuidoost-Azië op zitten. Die zijn in flashbacks door het AZC-verhaal geweven.

    Wachten
    Inderdaad: ‘de tijd te laten bewegen’ is een heksentoer in negen jaar wachten, wachten, wachten. Dagelijks wachten op de tijd dat je aan de beurt bent om je te melden; wachten, soms jaren lang, op post van de Integratie- en Naturalisatie Dienst (IND) die beslist of je asiel krijgt. En dat wachten dan met drie anderen op een klein kamertje. Het wachten is je hoofdbezigheid, want werken mag je niet. Nederlandse les volgen evenmin. Daarom leerde Al Galidi zichzelf de taal door kinderboeken te lezen. Het heeft intussen geleid tot diverse gedichtenbundels, romans en verzamelingen van columns, waarin hij er blijk van geeft een scherpe observator te zijn van Nederland en zijn bevolking. Des te wonderlijker is het dat hij, kort na in 2011 te zijn gelauwerd met de Literatuurprijs van de Europese Unie, zakte voor zijn inburgeringstoets.

    Evenzeer verwonderlijk is dat Hoe ik talent voor het leven kreeg geen zwaarmoedig boek is. Integendeel: het is in al zijn tragiek van miscommunicatie, verlies van identiteit en zin van het leven, vernederingen en onvermogen tot werkelijk contact óók een erg licht en humoristisch boek.

    Post
    Om met die tragiek te beginnen: onmiddellijk bij binnenkomst in ons land is er al de cultuurclash die de asielzoeker in zekere zin een kunstmatige identiteit opplakt. Zo krijgt Kariem zijn naam van de IND tijdens het eerste verhoor (Al Galidi gebruikt de term ‘gehoor’). Er wordt hem naar zijn achternaam gevraagd, maar in Irak heet iemand naar zijn vader en grootvader; in dit geval Semmier Hamza Kariem (respectievelijk zijn voornaam, de naam van zijn vader en die van zijn opa). Daar maakt de IND dan de achternaam Kariem van. Ook zijn geboortedag krijgt hij toegewezen door de IND (geboortedagen worden in Irak niet geregistreerd; wel is er een ‘officiële verjaardag’). Maar het kan erger. Kariem vertelt in de roman het verhaal van een medebewoner van het AZC die al jaren lang elke ochtend controleert of er post is van de IND. Voortdurend is er een ‘nee’ van de postkamer. Zonder toelichting. Ten prooi aan twijfel begint hij na te vragen of zijn naam nog wel ‘in het systeem’ staat. Maar er is niemand van het AZC-personeel die op onderzoek uit gaat. Hij moet gewoon geduld hebben. Geduld. Wachten. Wachten tot je zelfs begint te twijfelen of je voor de overheid nog wel bestaat.

    Tandarts
    Zoals gezegd: de roman staat ook bol van de humor. Zoals de kromme conversaties in wat Kariem ‘het Asielzoekers’ noemt, een brabbeltaal die een mix is van begrippen en woorden die men van elkaar opvangt en van krakkemikkig Nederlands en Engels: ‘een AZC is namelijk één groot misverstand tussen de asielzoekers onderling en tussen de asielzoekers en de Nederlanders die er werken.’

    Humoristisch verteld zijn ook de trucjes die asielzoekers onderling uithalen om de verveling te verdrijven of te ontsnappen uit Nederland. Inderdaad: ‘ontsnappen’, want als je hier geregistreerd bent kun je niet meer naar een ander land waar asielprocedures sneller werken.

    De regels van het AZC werken al evenzeer op de lachspieren. Zo word je met een ontstoken tand pas naar een tandarts gestuurd als er tenminste drie patiënten zijn. Dus zoekt de man met kiespijn een lotgenoot en nog een derde. Iemand met een puik gebit die niettemin bereid is een pijnlijk gezicht te trekken maakt het trio compleet.

    In het AZC wordt overigens paracetamol verstrekt als een panacee tegen alle klachten. Er geldt een rantsoen voor, net als voor condooms: drie condooms per dag en twee paracetamol per acht uur. Wat Kariem tot de cynische conclusie brengt: ‘Dat houdt dus in dat een asielzoeker het recht heeft op drie orgasmen per dag en zes keer hoofdpijn.’

    Jezus
    In de roman maken we uiteraard ook kennis met de handel in mensen en paspoorten, vooral als we Kariem volgen op zijn weg door Azië. Maar de handel is er ook voor de poort van het AZC. Daar worden voetbaltalenten en prostituees geronseld. En er is de hilarische passage van het kerkgenootschap dat Bijbels in alle talen slijt om de asielzoekers tot Jezus te brengen, waardoor bij veel van hen het idee ontstaat dat bekering je sneller aan een verblijfsvergunning helpt.

    Tussen de regels door krijgen we als Nederlanders in Hoe ik talent voor het leven kreeg ondertussen een spiegel voorgehouden. Over onze gewoontes (ook de goedaardige trouwens) en over onze vermeende tolerantie en hulpvaardigheid. Een mooie passage daarover: ‘Laat de Hollander zelf bedenken wat je nodig hebt. Dan doet hij zijn best het voor je te regelen en heeft hij het gevoel dat hij jou gered heeft. Dat hij het opgelost heeft voor jou. Als je hem vertelt wat je wilt, dan wordt hij geïrriteerd dat hij voor jou werk moet doen en twijfelt hij of je eerlijk bent of niet.’ Al Galidi heeft niet alleen een inkijk in een AZC gegeven, maar ook een leerzaam boek geschreven.

     

     

  • Olympiërs – verhalenbundel over de poëtische kant van topsport

    Gesignaleerd door de redactie

    Omdat de sportjournalist anno nu slechts op zoek is naar oneliners, records en schandalen, vroeg Literair Productiehuis Wintertuin negen schrijvers en dichters de magie van een Olympische sport te beschrijven. Wat maakt een wedstrijd op de Olympische Spelen zo bijzonder? Of, zoals Marcel Rözer in de inleiding van de bundel schrijft:  “Wie speelt heeft dromen. Dit is een bundel vol dromen, ver weg van de sportverslagen van gisteren en de voorspellingen voor morgen. Dromen over een gevecht zonder wapens, tegen een mens, een ploeg, de zwaartekracht. Met een winnaar en veel verliezers. In het besef dat verhalen in de sport altijd over de grote thema’s van het leven gaan, vullen jonge én ervaren auteurs deze bundel met de meest uiteenlopende verhalen.”

    In Olympiërs vraagt Ernest van der Kwast zich af wat schoonspringen tot een Olympische sport maakt, beargumenteert Jan van Mersbergen waarom wielrennen op de Spelen niet het praalstuk van de sport is en geeft Marcel Rözer een inkijkje in het Olympisch dorp. Ook Vrouwkje Tuinman, Frank Heinen, Nyk de Vries, Martijn Brugman, Rodaan Al Galidi en Elfie Tromp brachten de beeldende kracht van de topsport onder woorden.

    De bundel ligt voor € 10 in de boekhandel en is tevens te bestellen op wintertuin.nl/shop.