• Het ultieme loslaten

    Het ultieme loslaten

    Overlijden op de dag dat je nieuwe roman verschijnt, misschien heeft dat iets poëtisch: het eeuwige terugtrekken op het moment van de grootste verwachting, het ultieme loslaten. Ach, waar heb ik het over, mijn eerste roman komt bijna uit en dat zou ik voor geen hemel willen missen. En toch. Toen mijn oma destijds op 31 december overleed, het was 2004, troostten wij ons met wat er op de rouwkaart stond: ‘Op de laatste dag van het oude jaar begon zij aan een nieuw leven.’ Je boek loslaten, misschien is dat ook een nieuw begin. Poëzie verzacht de pijn, maar geneest hem niet. Dat mijn boek eraan komt en oma daar niet bij is, vind ik na al die jaren nog steeds eeuwig zonde.

    Met de Boekenweek voor de deur is het wellicht een idee om mijn favoriete roman van Robert Anker onder de aandacht te brengen, een die mijns inziens perfect aansluit bij het komende boekenweekthema – verboden vruchten. Als tiener geloofde ik hartstochtelijk in het idee dat de ware liefde altijd verboden moest zijn, ik kon niet wachten om mezelf in een dergelijk romantisch ravijn te storten. Een van mijn lievelingsromans destijds was Hajar en Daan, een liefdessprookje tussen geschiedenisleraar Daan Hollander en zijn Marokkaanse leerling Hajar Nait Sibaha. Deze gecompliceerde liefde, dit taboe, vond ik waarachtiger dan Nabokovs Lolita – al was het maar om de doodsimpele reden dat die kleine nimf een behoorlijk vervelende meid was.

    Gek genoeg kwam ik Hajar en Daan onlangs weer tegen, een dag voor Ankers overlijden begon ik er weer in te lezen. De tiener in mij had daar wellicht een boodschap in gezien, een teken, de volwassene die ik ook ben dacht vooral: ach, wat zonde. Was het slim om die roman opnieuw te lezen? Wat als het tegenviel?
    Dit is hoe het begon: ‘Toen Daan Hollander, leraar geschiedenis aan het DataCare college in Amsterdam, Hajar Nait Sibaha, uit vijf vwo, voor de eerste keer neukte, hield zij haar hoofddoek om – op zijn verzoek.’ En net als toen – ik vijftien of zestien, snel verveeld, vlug boos en altijd hopeloos verliefd – vond ik het ook nu, bij herlezing, weer fantastisch. Natuurlijk, die Daan was een beetje een ei en op Hajar was ook wel een en ander aan te merken (die liefdesbrieven bijvoorbeeld, niet te verteren zo zoet), maar o, de onvermijdelijkheid van deze liefde! Opnieuw genoot ik van de beschrijvingen van het schoolleven, de vrolijke manier waarop het wezen van lesgeven werd gefileerd – god, wat moet Anker een plezier hebben gehad in het schrijven van deze roman! En hoe knap is het wanneer je dit plezier als een verfbom in het gezicht van je lezers weet te smijten, pagina na pagina.

    Als sterven het ultieme loslaten is en je je boek loslaat op het moment dat het de wereld in gaat; als liefde overgave is en niets anders, dan schreef Anker destijds een van de mooiste slotzinnen die ik ooit in een roman las: ‘Overweldig me en maak me vrij.’ Hulde.

     

     

  • In memoriam Robert Anker 1946-2017

    In memoriam Robert Anker 1946-2017

    Op vrijdag 20 januari, de dag dat zijn nieuwste boek In de wereld uitkwam, overleed Robert Anker na een kort ziekbed in zijn woonplaats Amsterdam. Anker publiceerde met grote regelmaat en werd geroemd om zijn schrijfkunst en zijn lust tot schrijven die – volgens een recensent in Trouw – van de bladzijden afspat. Hij hield ervan zichzelf steeds opnieuw uit te vinden, zijn hele oeuvre kent dan ook een grote verscheidenheid in taal en thematiek. Toch was er een ding dat zijn werk kenmerkte en dat was zijn fascinatie voor de ontreddering van de mens. Hij voelde zich aangetrokken tot de verloedering van de mens, in al zijn vormen. Ook zijn nieuwe (historische) roman gaat over een gegoede burger die uit de samenleving wordt gestoten omdat hij aan lepra lijdt.

    Nadat er enkele gedichten van hem in De Revisor en Tirade verschenen waren, debuteerde hij in 1979 met de bundel Waar ik nog ben, gebaseerd op zijn jeugd in het West-Friese Oostwoud waar hij geboren was.
    Voor zijn tweede bundel Van het balkon (1983) ontving hij de Jan Campertprijs en voor Nieuwe veters (1987) de Herman Gorterprijs. In 1993 kreeg hij de F. Bordewijkprijs voor De thuiskomst van kapitein Rob, (Twee novellen en een brief). Met zijn roman Een soort Engeland (2001) won hij de Libris Literatuur Prijs. Ook werd hij twee keer genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en stond hij met De vergever op de longlist van de ECI Literatuurprijs 2016.

    Anker was eind jaren tachtig, begin jaren negentig redacteur van Tirade en tot zijn zestigste combineerde hij zijn schrijverschap met zijn leraarschap Nederlands op een middelbare school. Ook was hij jarenlang poëzierecensent bij Het Parool.

    Anker schreef veelal registrerend waarmee hij diverse werelden kon oproepen en door zijn zelfspot (vooral in zijn poëzie) ontstaat er vaak een stil soort humor die je doet glimlachen.

    Plotseling begon iemand van ons onbedaarlijk
    te vloeken is het godverdomme
    alweer vier jaar geleden
    dat Bert stierf en wanneer Hans
    wanneer is Hans verdomme en Dian?
    We konden hem niet kalmeren
    daarvoor was zijn woede te groot
    terwijl het toch zo eenvoudig is.

    Uit: Nieuwe veters. Verzamelde gedichten 1979-2006

     

    Bibliografie:

    Poëzie
    Waar ik nog ben 1979)
    Van het balkon (1983)
    Nieuwe veters (1987)
    Goede manieren. Een episodisch gedicht (1989)
    In het vertrek (1996)
    De broekbewapperde mens (2002)
    Heimwee naar (2007)
    Nieuwe veters. Verzamelde gedichten 1979-2006 (2008)
    De dichter en de stad (2009)
    gemraad slasser d.d.t (2009)
    Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd (2015)

    Romans en verhalen:
    De thuiskomst van kapitein Rob. Twee novellen en een brief (1992)
    Volledig ontstemde piano (1994)
    Vrouwenzand (1998)
    Een soort Engeland (2001)
    Hajar en Daan (2004)
    Negen levens (2005)
    Alpenrood (2007)
    Nieuw-Lelievelt (2007)
    Fortuyn en Liefde (2009)
    Oorlogshond (2011)
    Schuim (2014)
    De vergever (2016)
    In de wereld (2017)

    Essays:
    Olifant achter blok (1988)
    Vergeten licht (1993)
    Innerlijke vaart. Zomerdagboek (autobiografie, 2005)
    Negen levens. Een dorp als zelfportret (autobiografie, 2005)

     

    Zijn laatste boek In de wereld wordt woensdag 25 januari gepresenteerd in het Cultureel Studentencentrum CREA van de Universiteit van Amsterdam.

     

     

  • We leven heel ons leven fout

    We leven heel ons leven fout

    Sander Schwartz heeft een jaar besteed aan ‘de intensieve ombouw van (zijn) persoonlijkheid’ en schrijft nu zijn memoires. Hij schetst zijn leven zoals hij dat, met nieuw verworven inzicht, eindelijk onder ogen durft te zien. Zegt hij. Hoe kon het toch zo verkeerd gaan? Hoe is hij aan zijn heilloze levensweg ontkomen? En wat voor man is hij geworden, hij die nu deze biecht opschrijft?

    Lezer, heeft u zin in in een bekeringsverhaal? De vergever is weliswaar geen traditioneel christelijk verhaal van zonde, val en verlossing, maar in seculiere termen volgt het boek wel degelijk dit schema, dat al minstens sinds Augustinus gangbaar is. Het citaat van Borges dat aan het boek vooraf gaat, formuleert de hoofdzaak: ‘Ik heb de vreselijkste zonde begaan die een mens maar begaan kan. Ik ben niet gelukkig geweest’.

    Robert Anker werkt dit gegeven doeltreffend uit, in mooi hedendaags Nederlands en met, binnen de beknoptheid van zo’n 150 bladzijden, toch genoeg ruimte voor uitweidingen en kleurrijke details. Die beknoptheid leidt tot een hoog verteltempo en een keuze van gebeurtenissen die vol betekenis zijn. Dat maakt dit boek tot een klassieke roman zoals W.F. Hermans die voorstond.

    De doeltreffendheid leidt tot geloofwaardigheid, wat op zijn beurt, houdt u vast, een stichtelijk verhaal oplevert. Wat dat betreft doet het aan de vrome verhalen van Tolstoi denken, maar dan met een minder ondubbelzinnige strekking. Schwartz weet eindelijk hoe een mens behoort te leven en richt zich vol ernst tot de ‘vrienden’, de ‘jongens’ – en daar mogen de lezers van het boek zich vast ook toe rekenen.

    Wat is er gebeurd? Dat laat zich raden in een boek als dit: het leven bestaat uit vallen en opstaan, en Schwartz valt steeds dieper en het opstaan is uiteindelijk slechts een opkrabbelen en leren leven met de opgelopen averij. Alle slagen van het leven doen afbreuk aan zijn zelfbeeld en zijn levenshouding, hoe hardnekkig zijn ‘oude vormen en gedachten’ zich aanvankelijk ook handhaven. Dat hij niet al in een vroeg stadium van zijn leven vastloopt, komt door de vrouwen in zijn leven, reddende engelen die hem steunen en op de been helpen.

    De levensloop
    Na een idyllische plattelandsjeugd volgt een studie in Amsterdam die hij niet afmaakt. Hij heeft succes in de journalistiek en krijgt een burn-out. Hij verzet de bakens en wordt, aanvankelijk weer met succes, schrijver van romans en verhalen. Als zijn uitgever hem niet langer wil uitgeven – hij geldt inmiddels als een ouderwets auteur – volgt grote woede, ja, rouw, en hij wreekt zich op zijn lot door grote namen in de literatuur te gaan ‘ontmaskeren’ (in essays die hij in portefeuille houdt; de uitweidingen over de schone letteren zijn boeiend maar dragen aan het eigenlijke verhaal weinig toe; ze vormen een, soms erg geestig, essay dat op eigen benen kan staan). Aan het eind van het levensverhaal zit hij hulpbehoevend in een rolstoel. De zoveelste vrouw is aangetreden, eentje die past bij zijn verlichte staat. De zoveelste ‘reddende engel’. U begrijpt, de successen en de overige voorspoed waren maar schijn, doordat ze Schwartz bevestigden in de dwalingen zijns weegs. Althans, gezien in het licht van zijn latere ‘bekering’. De tegenslagen daarentegen zijn ‘blessings in disguise’.

    Schuld
    Dat Schwartz de ontoereikendheid van zijn leven – zijn weigering te leven, zijn ‘absenties’, zijn gebrek aan betrokkenheid, zelfs in de liefde – allengs weet kwijt te raken, komt onder meer doordat een zekere Wennekes, die hij lang geleden als journalist ernstig gedupeerd heeft, hem min of meer begint te stalken. Deze man, een ‘beate’ (niet het enige woord in dit boek met een christelijke klank) verschijning, werpt hem zijn schuld voor de voeten maar zegt hem reeds te hebben vergeven. Naar hem verwijst ogenschijnlijk de titel. Hij wil dat Schwartz zijn vergeving accepteert.

    Deze vertikt dat, want ‘schuld’ bestaat niet, ‘shit happens’ nietwaar, en vergeving accepteren staat gelijk aan schuld bekennen: ‘Ga weg, halve Jezus!’ (Sander Schwartz is natuurlijk zélf ‘half’: zijn voornaam is de helft van ‘Alexander’, hij is een gemankeerde wereldveroveraar. En zijn achternaam deelt hij met de alchemist Berthold Schwartz, de monnik die goud wilde maken en het buskruit uitvond. Er zijn meer namen in dit boekje die ‘significant’ zijn).

    Later, als de omvorming van de hoofdpersoon al flink gaande is, verdwijnt deze katalysator van Schwartz’ metamorfose even plotseling als hij was opgedoken. Is ook hij een ‘reddende engel’? Intussen is Schwartz dan al zijn eigen ‘vergever’ aan het worden. Zegt hij.

    Schuld, spijt, schaamte, vergeving – Schwartz’ gedachtenleven krijgt een uitgesproken christelijke kleur, ook al blijft alles seculier. Oude wijn in nieuwe zakken, zou je kunnen zeggen. Anker heeft een hedendaagse, levende vorm gevonden om een oermenselijke ervaring te presenteren. Deze mooie kleine roman laat zich lezen als de geschiedenis van een individu én als een parabel, een gelijkenis over de hardleerse mens en het onverbiddelijke leven. Stof tot nadenken te over. Geen boek om vrijblijvend te lezen als ‘slechts literatuur’.

    Of Schwartz werkelijk vrede heeft gevonden? Laten we niet vergeten dat we enkel en alleen zijn eigen verhaal hebben om op af te gaan, en dat zijn Werdegang blijk geeft van een groot talent voor zelfbedrog. Is hij aan het eind een spirituele overwinnaar? Of is hij de machoman die verblind door zelfbedrog zijn echec als een overwinning afschildert? Anker wil ons denkelijk de eerste interpretatie doen geloven, maar door de memoire-vorm en daarmee het ik-perspectief te kiezen, laat hij de lezer ruimte voor twijfel en argwaan. Dat maakt het boek des te boeiender.

     

     

  • Oogst week 5

    Onheil over Taitara

    De Braziliaanse schrijver José J. Veiga (1915-1999), schreef zestien romans en verhalenbundels en wordt gezien als één van de belangrijkste schrijvers van Brazilië. Sinds vorig jaar wordt zijn werk dan opnieuw uitgegeven en zijn eerste boek De drie plagen van Manirema, werd in het Nederlands vertaald. Veiga debuteerde in 1958 met de verhalenbundel Os cavalinhos de Platiplanto (De kleine paardjes) dat als eerst werd heruitgegeven (nog niet vertaald). Zijn verhalen kennen een surrealistische wending nadat ze doorgaans rustig en wat gewoontjes begonnen zijn. Onheil over Taitara is zijn tweede roman (ook de tweede die vertaald is) schrijft de jongen Lu over de vreemde gebeurtenissen die in de stad Taitara waar hij woont, voorkomen. Een rijke oom van hem begint een bedrijf maar wordt eruit gewerkt door zijn vennoten. Waarna het stadje strenge regels krijgt opgelegd. Er worden controleurs opgesteld, in de straten verschijnen hoge scheidsmuren en er heerst een dictatoriale sfeer. Gieren cirkelen rond en nemen bezit van het stadje. Dat belooft wat.

    Onheil over Taitara
    Auteur: José J. Veiga
    Uitgeverij: Athenaeum

    De vergever

    Robert Anker (1946), debuteerde als dichter en ontwikkelde zich in de loop der jaren tot romanschrijver. De vergever is zijn twaalfde roman en gaat over de succesvolle onderzoeksjournalist Sander Schwartz bij een weekblad als een burn-out hem overvalt. Als hij er weer bovenop is ontpopt hij zich tot een gewild schrijver. Dan komt de dag dat hij zijn nieuwe roman niet uitgegeven krijgt en zijn leven opnieuw instort. Dat gebeurt hem vervolgens nog een paar keer (na een ongeluk, na het vertrek van een geliefde), en hij besluit zijn memoires te schrijven om erachter te komen waarom hij de kern van zijn leven steeds lijkt te missen. De vergever gaat in wezen over het moeizame proces om tot zelfkennis te komen en hoe je je leven kunt veranderen.

    De vergever
    Auteur: Robert Anker
    Uitgeverij: Querido

    Een toon die in de stilte zoemt

    Uit 10.243 inzendingen werd woensdag 3 februari bekend gemaakt dat het gedicht, En of het zo door kan gaan van de twintigjarige Else Kemps uit Malden, bekroond werd met de hoofdprijs van € 10.000. Uit diezelfde 10.243 inzendingen werden al eerder 100 gedichten gekozen en gebundeld tot de zevende editie van de Turing gedichtenwedstrijd. De onderwerpen variëren van vluchtelingen in Heumensoord, breekbaarheid van familierelaties, verzorgingstehuis perikelingen en natuurlijk de liefde. Ook het winnende gedicht van Else Kemps staat erin. Waarvan hier, als voorproefje, de eerste zes strofen: Het verschil tussen wachten en verwachten leerde je/van een kat die twee keer van huis wegliep en maar één keer terugkwam.//Je denkt aan de zuurstoffles die je opa kunstmatig in coma hield./Of het zo door kon gaan, vroeg je tante steeds, en op Google Maps// heeft zijn fiets nog drie jaar voor de deur gestaan. Daarna was er S, de man die zei niet verder te willen en daarom al die tijd gebleven is.

    Een toon die in de stilte zoemt
    Uitgeverij: Van Gennep
  • Gemengde gevoelens

    Gemengde gevoelens

    Schuim van Robert Anker (1946) gaat over Dirk Wagenaar, een Rotterdamse havenbaron, zijn dochter Lisette, een wereldberoemde violiste, en Dirks schaakvriend Niels, een getrouwde dominee met wie Lisette een verhouding krijgt.

    Stilistisch heeft Anker, die de Libris Literatuur Prijs won met Een soort Engeland, heel wat in zijn mars. Toch lijkt hij lak te hebben aan sommige schrijfregels; op bladzijde 60 laat hij Lisette zichzelf in de spiegel bekijken om haar te beschrijven, wat toch wel een cliché genoemd mag worden. Anker werkt veel met uitroeptekens en vraagtekens en hij schendt hier en daar het aloude schrijversadagium: ‘show, don’t tell’. Zo is op bladzijde 46 het volgende over Lisette te lezen: ‘ze was eigengereid, koppig, driftig en impulsief, ze dacht nooit lang over een beslissing na.’ Sommige critici zouden hierbij opmerken dat ze Lisette in actie willen zien, dat ze willen ervaren wie zij is, niet het al ingevuld krijgen door de auteur. De schrijfster Francine Prose heeft echter opgemerkt dat in veel gevallen ‘telling’ effectiever is dan ‘showing’ (Reading like a writer, 25)  Anker legt veel uit met zijn karakterbeschrijvingen en weet zo afgeronde personages te scheppen.

    De auteur voert in deze roman ook een soort gesprekken met deze personages. Over de relatie van Lisettes broer Maarten met Fatima valt te lezen: ‘Is hij een beetje verliefd op haar? Soms. Begint hij al eens om zich heen te kijken? Heeft hij altijd gedaan. Geconsumeerd? Een paar keer. Fatima heeft er niet veel zin meer in, in seks, vandaar.’ (76)  Zo staat het boek vol met vraagtekens, wat door schrijfadviseurs soms wordt afgeraden (bijvoorbeeld: Noah Lukeman, The First five pages). Er zullen lezers zijn die liever zelf de dialoog met tekst en personages voeren, dan dat de auteur dit voor hen doet. Als de schrijver zich te veel op de voorgrond plaatst gaat er een deel van de magie van het lezen verloren. (Zo geeft Simon Vestdijk in Ivoren wachters op gegeven moment plots zijn persoonlijke, onbarmhartige visie op een van de door hem geschapen personages. Hiermee verbreekt hij even de betovering van goede literatuur, wat meer bijblijft dan iets anders uit deze roman).

    Hier en daar is de stijl van Anker irritant. Zo schrijft hij het volgende over de stotterende Lisette als hij ingaat op een traumatische jeugdherinnering: ‘Maar het was wel toen dat je begon te stotteren, Lisette. Een b-beetje maar.’(50) Dat is flauw. Net zoals het flauw is om naar Barbra Streisand te verwijzen als ‘Barber Spreidstand’ (52) De woorden van een Marokkaanse vrouw worden als volgt weergegeven: ‘wat izze dat meffrou, Moussie doete nooit kwaad.’ (95). Dan spreekt bijvoorbeeld de sketch met het typetje van Kees van Kooten van de perfect Nederlands pratende migrant en de hem in babytaal toesprekende autochtoon Wim de Bie toch meer aan.

    Anker verwijst in Schuim veel naar eigentijdse situaties en bekende Nederlanders. Dit maakt het boek tot een waardevol tijdsdocument, maar het heeft ook iets provinciaals. Misschien leent dit boek zich niet voor verspreiding in het buitenland. (Hoe leg je daar uit wie Jort Kelder is?) Op pagina 188 heeft de auteur het over de rol van de LPF in de Rotterdamse gemeenteraad. Zou hij Leefbaar Rotterdam bedoelen? Het bevreemdt ook dat Dordrecht de oudste stad van Nederland wordt genoemd (64), terwijl dit toch Nijmegen is.

    Van de personages is de dominee Niels het meest aansprekend. Hij is een dominee die niet in God gelooft, wat voor interessante verwikkelingen zorgt. Op het einde van het boek neemt Niels een drastische beslissing die niet helemaal aannemelijk wordt gemaakt door Anker. De andere personages spreken minder tot de verbeelding. Dirk Wagenaar is een zakenman en dus niet zo interessant (het blijft een raadsel waarom mensen een biografie van Steve Jobs willen lezen). Lisette interesseert zich alleen voor muziek en is dus ook beperkt. De wisselwerking tussen deze personages is echter goed uitgewerkt en de beschrijving van de opbloeiende relatie tussen Lisette en Niels is het sterkste stuk in het boek.

    Al met al een boek dat veel oproept bij de lezer: irritatie, bewondering om de niet spaarzame sterke passages en allerlei interessante observaties, maar uiteindelijk geen ontroering. Je sluit de personages niet in je hart, wat natuurlijk niet verplicht is in een roman, maar het had wel wat toegevoegd.

     

     

  • Een leven als een roman

    Een leven als een roman

    ‘Wat een ontzettend leuke tante moet dat geweest zijn’, schrijft Robert Anker na het lezen van het dagboek van Eefje Jonker, overigens niet zijn tante maar een achternicht. Na lezing van het dagboek kun je het alleen maar met hem eens zijn.

    Eefje Jonker begint met het opschrijven van haar levensverhaal op de dag dat ze hoort dat haar echte naam niet Eefje de Zeeuw is, maar ……. inderdaad: Eefje Jonker. Het is haar achttiende verjaardag en ze krijgt te horen dat haar ‘ouders’ niet haar ouders maar haar pleegouders zijn. Hoewel het haar vanzelfsprekend overvalt, is ze er niet echt ondersteboven van: het is een nuchter West-Fries meisje, dat niet snel uit haar evenwicht raakt. Om de opzienbarende onthulling te verwerken, schrijft ze op wat ze te weten is gekomen:

    ‘Jeetje, wat een toestand allemaal. Dat moest ik echt gaan opschrijven en blijkbaar denk ik dat er nog meer komt want ik schrijf dit in een leeg schoolschrift dat ik nog overhad van de ulo. We zullen zien. Misschien ben ik wel aan een dagboek begonnen.’

    Het dagboek beslaat, met onregelmatige tussenpozen, een periode van ongeveer dertig jaar, te beginnen op 11 mei 1928. De laatste aantekening is niet gedateerd, de voorlaatste is echter van 9 mei 1956.

    Zo kunnen we Eefje volgen tijdens de meest roerige perioden van haar leven en we zien haar ontwikkeling van een puberend meisje, op zoek naar wie en wat ze nu eigenlijk is, tot een vrouw die, uiteindelijk, haar bestemming heeft gevonden. Op dat punt eindigt het dagboek: de noodzaak om alles op te schrijven was er niet meer.

    Wat meteen opvalt, is hoe goed ze schrijft. Ze heeft belangstelling voor literatuur en taal en hecht duidelijk belang aan de wijze waarop ze formuleert. Ze brengt haar twijfels en onzekerheden, haar emoties bij goede en slechte ervaringen op indrukwekkende en boeiende wijze onder woorden. Regelmatig vraag ze zichzelf af waarom ze dit doet, schrijven in een dagboek: zelf weet ze immers alles al en het is niet de bedoeling dat anderen het lezen. Toch blijft ze schrijven: hoewel het niet altijd leidt tot beter begrip van en meer controle over haar handelen en gevoelens, laat het haar wel nadenken over zichzelf en biedt het haar daardoor af en toe inzicht in haar motieven. Als lezer zie je haar volwassen worden en haar schrijfstijl groeit mee. Helaas ontbreekt er, zoals we vernemen van Eefje zelf, een periode: de schriftjes waarin ze toen heeft geschreven is ze kwijt geraakt.

    Het is allesbehalve een alledaags meisje, dat we uit dit dagboek leren kennen, en ook later, als ze volwassen is, blijkt ze een bijzonder mens. Ze is vrijgevochten, zelfstandig en eigenzinnig. Bovendien is ze creatief begaafd: ze schildert niet onverdienstelijk. Hoewel ze talent heeft, is dit niet voldoende om in haar onderhoud te voorzien. Haar pleegouders stellen haar voor een opleiding tot kapster te volgen en haar daarna te helpen met het opzetten van een eigen kapsalon. De opleiding tot kapster volgt ze in Amsterdam en daar gaat een wereld voor haar open. Ze voelt zich direct aangetrokken tot het artistieke bohemienachtige leven waarmee ze daar kennismaakt. Bovendien raakt ze bevriend met een meisje dat ook de kappersopleiding volgt, Elsa. Hun gevoelens voor elkaar overstijgen het vriendschappelijke, maar dat herkennen ze vooralsnog niet.

    Eefje rondt de opleiding af en start, zoals de bedoeling was, met behulp van haar pleegouders, een kapsalon. Ze blijft schrijven in haar dagboek, weliswaar met grotere tussenpozen. De salon loopt goed maar ze ontmoet een man, trouwt en vertrekt met hem naar Ursem, waar hij boer is. Ze blijft echter zelfstandig werken als kapster, ook als ze moeder wordt.

    De provincie, het platteland en het huwelijk werken niet voor haar. Zelfs het moederschap brengt haar geen rust. Ze maakt keuzes die niet alleen in die tijd op z’n minst opzienbarend genoemd konden worden, maar die ook vandaag de dag nog tot opgetrokken wenkbrauwen zouden leiden.

    De manier waarop het dagboek bij Robert Anker terecht is gekomen, is een roman op zich, te meer daar hij nooit op de hoogte is geweest van haar bestaan. De Amerikaan Chris Lewis vond na het overlijden van zijn moeder de schriften waarin haar moeder (zijn oma dus) een dagboek bijhield. Hij kon zelf geen Nederlands lezen, maar schakelde een Nederlandse branchegenoot in, Liesbeth van Dongen. Zij herkende de naam Eefje Jonker uit een autobiografisch boek van Anker, dat ze kort daarvoor gelezen had, en ze nam contact op met de schrijver. Toeval bestaat (niet)..?

    Natuurlijk, er worden grote periodes van het leven van Eefje Jonker overgeslagen en we kennen slechts de “ingedikte” versie van haar levensverhaal; belangrijke relaties, bijzondere ontmoetingen en beslissende keuzes: alleen de spannende episodes zijn opgeschreven en bewaard gebleven. En toch is dat voldoende om te constateren dat het leven van deze bijzondere vrouw moeiteloos model zou kunnen staan voor een boeiende roman. Het is zeker de moeite waard om, via dit dagboek, kennis met haar te maken.

     

    Het dagboek van Eefje Jonker

    Bezorgd en van een nawoord voorzien door: Robert Anker
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 18,95

     

  • Recensie door: Claudia Kerssemakers

    Recensie door: Claudia Kerssemakers

    Recensie door: Claudia Kerssemakers

    Anker (1946) is een taalvirtuoos, zijn meeslepende stijl en ongebruikelijke woordgebruik laten dit duidelijk zien. Zijn soms lange dan weer staccato zinnen zorgen voor een ritme, evenals zijn willekeurige gebruik van Engelse, Latijnse, Franse en soms Duitse woorden midden in een Nederlandse zin. Hij heeft een originele manier van vertellen; het boek begint bij de biograaf van de (fictieve) hoofdpersoon, hij volgt hem het hele boek door en een enkele keer wordt er een stukje boek vanuit het perspectief van de biograaf verteld. De echte naam van de hoofdpersoon wordt niet onthuld, maar op de vraag van de biograaf hoe hij hem moet noemen in zijn boek antwoordt de hoofdpersoon: ‘Michiel de Ruyter’, naar de beroemde zeeheld.

    (…)’De geschiedenis van Michiel de Ruyter begon toen hij een aanstelling kreeg als leraar klassieke talen aan het Heinsius College, een kleine scholengemeenschap in het westen van onze stad. Of moet je zeggen dat zij pas echt begon op de dag dat hij op legerkistjes en in een camouflagepak in de klas verscheen en eiste dat men hem met ‘doctor’ aansprak? Nee, al was dat ook een begin – van het einde, het einde van een episode.'(…p.17)

    Het boek is verdeeld in drie delen: Het Heinsius, Oorlogshond en Saumerland. Naarmate het boek vordert leren we Michiel beter kennen, maar van begin af aan is al duidelijk dat hij een harde kerel is. Hij blijft in het begin een wat mysterieus personage, aggressief, sterk en mannelijk. Michiel geeft in het eerste deel les in klassieke talen op een middelbare school, waar hij al gauw een clubje leerlingen om zich heen verzamelt die hem zien als hun voorbeeld. Hij is een vrije intellectueel (een niet-vrije intellectueel bestaat überhaupt niet, zegt hij), hij knokt, hij vloekt, hij neemt af en toe een snuif coke en heeft sex met de 6-vwo leerlingen uit zijn klas. Regelmatig blijven er een paar leerlingen slapen en hebben dan sex met hem, met elkaar of met z’n allen; het maakt niet uit. De activiteiten waar hij zich het meest mee bezig houdt (vechten en sex) lijken hem alleen niet gelukkig te maken.

    (…)’Toen hij zich de volgende morgen stond te scheren, verbaasde hij zich er weer eens over dat hij zich altijd zo leeg voelde na de liefdesdaad, eigenlijk meteen al, hij was nog niet klaargekomen of het was al abstract geworden, onbelangrijk, zijn gedachten richtten zich onmiddellijk op iets anders, iets triviaals, alsof na de opvlucht alleen de neerval in de alledaagsheid mogelijk was. Na een gevecht had hij dat trouwens ook (…p.59)’

    Hij houdt zijn leerlingen voor dat het slecht is verliefd te worden en dat je er niet eens over zou moeten denken kinderen te nemen.

    (…)”’Ja maar jezus!” roept Tulp, “hoe kun je je nu afsluiten voor de liefde, dat overkomt je toch gewoon? Wat kun je daar nou aan doen?”
    “Je niet openstellen, bijvoorbeeld,” zegt Michiel. “Je kunt je er gewoon voor afsluiten, dat doe ik al jaren.”
    “Maar dan mis je het belangrijkste in jet leven!”
    “Als je zo nodig verliefd wilt worden, mis je je vrijheid – wat is belangrijker?”‘ (…p. 95)

    De ironie is, dat hij een paar hoofdstukken na dit gesprek zelf stapelverliefd wordt op een van zijn leerlingen. Het overkomt hem dus ook gewoon. Als zij hem vervolgens afwijst en er overlijdt ook nog een ander meisje dat regelmatig bij hem sliep, is hij zichzelf volkomen kwijt. Vervolgens vlucht hij naar Afrika en vecht daar als contractsoldaat in deel twee van het boek.

    Het is  jammer dat er in deel twee en drie  zoveel gevochten wordt. Daardoor is het soms lastig om de draad niet kwijt te raken.

    Alle delen hebben overeenkomsten met elkaar. Elke keer vecht Michiel ‘voor de goede zaak’, hoewel het duidelijk wordt dat hij het meer doet om het vechten dan om de goede zaak. In het eerste deel verzet hij zich tegen de invoering van een nieuwe manier van lesgeven, in deel twee vecht hij ergens in Afrika als contractsoldaat, en in deel drie zorgt hij voor een enorme opstand in een fictieve Nederlandse regio (Saumerland) die onafhankelijkheid wil. Hij gaat daarbij zover dat hij de leider wordt van het guerillaleger van Saumerland. Er ontstaat een enorme opstand waarbij vele doden vallen. Hij geeft niets om de onafhankelijkheid van Saumerland, hij is er niet opgegroeid en was er voorheen nog nooit geweest. Hij wil alleen zijn vechtlust kwijt.

    Conclusie: Een goed geschreven boek, leuk en interessant voor de liefhebber van politiek en taal maar je moet ervan houden. Toch heeft het ook wel wat voor diegene die geïnteresseerd is in psychologie, de hoofdpersoon is moeilijk te doorgronden en heeft een complexe persoonlijkheid. Dit maakt het toch wel een boeiende ‘biografie’.

     

    Oorlogshond

    Auteur: Robert Anker
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 280
    Prijs: € 18,95