• Ziel te koop

    Ziel te koop

    Wie zegt dat hij niet bijgelovig is, liegt. We zijn het allemaal. En dan heb ik het niet over de traditionele, overgeleverde superstities die het kwaad moeten afweren, zoals het mijden van een zwarte kat, niet onder een ladder doorlopen en geen zout morsen. Zulke bijgelovigheden waarvan niemand meer weet wat de herkomst is. Ik bedoel de persoonlijke rituelen die juist het geluk dichterbij moeten halen, zoals de voetballer die voor de wedstrijd een kruisteken slaat, de leerling die op het examen een mascotte op zijn tafeltje zet of de gokker die zijn gelukssokken aantrekt voordat hij gaat pokeren. Zoals ik bij drie bevallingen hetzelfde lievelingsboek op mijn tafeltje had liggen en elk van de baby’s in dezelfde zachte kleertjes hulde. Het gevolg was wel dat we later, toen we eraan toekwamen om de foto’s in een album te plakken, niet meer wisten welk kind er was afgebeeld. 

    Het af te dwingen geluk eist echter grote offers. Ik vond dat de doorstane bevallingen op zich voldoende waren. Maar Doctor Faust verkocht zijn ziel aan de duivel in ruil voor kennis van de wetenschap, Paganini om de beste violist aller tijden te worden, Tommy Johnson de beste blueszanger. Ook Rob Schouten heeft er zijn gedachten over laten gaan:

    Ziel

    Ik zou liever een kwaliteitsziel hebben
    die ik niet kende; niet dit inruilding
    uit mensen die ik maar bekeken heb,
    dat het alleen doet als ik ernaar kijk.

    Mijn ziel zou ouderwets onzichtbaar zijn
    en in mij zitten. Alles wat ik zweeg
    en riep zou er duurzaam vervuld van zijn.
    Ik zou er niet aan denken haar te wensen.

    Zo’n ziel die je nog eens verkopen kunt.

    In het boek The Ceremonies uit 1984 van T.E.D. Klein, die een klein, maar huiveringwekkend oeuvre op zijn naam heeft staan, bespreekt universitair docent Jeremy Freirs het onderwerp bijgeloof met zijn studenten. Moderne, rationele jonge mensen, die met geamuseerde scepsis aangeven dat zij zich niet bezighouden met flauwekul als vrijdag de dertiende en gebroken spiegels. Freirs besluit tot een test en zwaait met een dollarbiljet dat hij aan een student wil geven die de meeste minachting tentoonspreidt. In ruil voor een vel papier, ondertekend en voorzien van de datum, waarop geschreven staat dat de jongeman hem voor altijd zijn onsterfelijke ziel verkoopt. Maar zelfs deze ongelovige student waagt de gok niet. 

    In het verhaal van Franz Werfel, Géza de Varsany, oder: wann willst du endlich eine Seele bekommen, voelt Freddie, de lompe tienerzoon van zogenaamd verfijnde aristocraten, dat hij eindelijk de ziel heeft die zijn ouders hem ontzeggen, als hij het wonderkind Géza op de viool hoort spelen. ‘Freddies ziel was door de plotselinge, verbijsterende bewondering voor het hogere, het onbereikbare, verschrikt uit haar pop tevoorschijn gekomen.’ 

    Wie net als Freddie voelt dat hij een ziel heeft als hij schoonheid ontmoet, in welke vorm dan ook, gaat die echt niet verpatsen aan de duivel, al zou je alle talen ter wereld mogen spreken. Zonder schoonheid is het leven zielloos. 

     

     

    Uit: Tevoorschijn stommelt het heelal / Rob Schouten, Arbeiderspers (1988)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Grote thema’s op luchtige wijze verwoord

    Grote thema’s op luchtige wijze verwoord

    Rob Schouten is behalve literair criticus, columnist en schrijver ook zijn hele leven al dichter. Zijn nieuwste bundel Dit moet dus de werkelijkheid zijn, draagt de titel waaruit twijfel, bevreemding en ongeloof spreekt. In deze bundel staat de afstand centraal die de ‘ik’ ervaart tot de werkelijkheid. Op zich niet zo bijzonder, zou je zeggen. Belangrijk is evenwel het perspectief vanwaaruit deze gedichten zijn geschreven, namelijk van iemand op oudere leeftijd. Hoewel je het lyrische ik en de dichter volgens de boekjes dient te scheiden, zou dat in dit geval flauw zijn. In toegankelijke, ritmische regels betrekt Schouten de lezer bij alles wat hem zoal bezighoudt. 

    In de eerste van vijf afdelingen,‘Uit het leven’, gaat het om gevoelens van nietigheid en vergankelijkheid die de dichter in deze fase van zijn leven ervaart. Openingsgedicht ‘Innocent’ beschrijft het verlangen naar jeugdige onschuld. Hoe graag zou de dichter zich weer in deze toestand bevinden: ‘mij lijkt het grandioos, / het nieuws nietszeggend springliedje, / links rechts en van je brexit trump’. Het was tijd van de ‘extase van het ik’. ‘Nu heb ik gevoel voor proporties’, schrijft hij in de laatste strofe. Maar wat heeft hij daaraan? ‘Geen idee waarom dit alles, / o rijke geest, o zoete dood, o niets!’ In een volgend gedicht vraagt hij zich af of niet onze ‘beschaving’, maar de ‘wit uitgeslagen wereld’ van de Noordpool de echte werkelijkheid is. Gelukkig heb je ook nog de intieme, beheersbare wereld van de literatuur. Het lezen wordt in ‘Lust’ op een erotische manier beschreven.

    ‘Maar het grootste genot vind ik
     uitstekende titels
     en toeschietelijke teksten;
     met mijn vingers duw ik pagina’s van elkaar
     en dring de zinnen binnen,
     roodgloeiend van de endorfine.’

    Vergankelijkheid en eeuwigheid

    Schoutens gedichten zijn zeer bespiegelend. Je leest over beide kanten van de thematische medaille. Zo denkt Schouten in het sonnet ‘Porties’ terug aan zijn overleden vader, om hier vervolgens zijn eigen sterfelijkheid aan te verbinden: ’tot op een dag ook ik oplos voordat / ze weer besmet raken en torens vallen’. De geschiedenis – corona, 9/11 – zal zich in enigerlei vorm herhalen. Zodra je denkt dat de dichter met het cyclische karakter van de geschiedenis vrede heeft, lees je na het octaaf – de klassieke wende – dat hij het onverteerbaar vindt dat een nieuwe generatie, ‘al dat nieuwbakken en frisse spul’, straks met zijn intellectuele erfenis aan de haal zal gaan.   

    Vergankelijkheid staat nadrukkelijk tegenover eeuwigheid. Dat de wereld buiten vergaat heeft de ‘ik’ te verdragen, maar wat als er ook geen eeuwigheid bestaat: ‘is de kosmos bij nader inzien misschien overdekt?’ De ‘ik’ laat zich regelmatig door onlustgevoelens meeslepen. In het gedicht ‘In het verkeer’ wil de ‘ik’ er zelfs de brui aan geven, om vervolgens te ervaren dat hem hiervoor de moed ontbreekt. Bovendien duiken meteen schuldgevoelens op.

    ‘Ben ik het spoor bijster of niet
     als ik denk: laat het over zijn?
     die twintig, dertig jaar schenk ik
     de miljardair die kosmos heet.

     dan toetert er een van opzij
     die vindt dat ik te krap bemeet.
     en haastig schuif ik in de rij,
     oneeuwig als een schuldig kind.’

    Zelfironie en de liefde

    Schouten schrijft over zichzelf met veel zelfironie. In ‘Het dure schrijverschap’ neemt hij zijn eigen betekenis als dichter op de korrel: Ik ben die oorlog misgelopen / opdat ik ongestoord kon puberen / richting gesubsidieerd dichterschap, / en nu, ondanks de verkoopcijfers, / legt mij mijn uitgever geen strobreed in de weg.’ Het maakt allemaal niet meer uit als de dichter er niet meer is: ‘Wie zegt iets zwaars als straks Bach klinkt / en ik het zorgeloze middelpunt ben…’ 

    Na het persoonlijke eerste deel gaat het volgende deel, ‘Aarde’, om de mens in het algemeen, waarbij Schouten vaak een kritische toon aanslaat. Bijvoorbeeld hoe ‘leugenaars en mythomanen’ de natuur in natuurseries menselijk maken, ‘er hun buiksprekerspraktijk op stillen’. In een ander gedicht beschrijft hij hoe de mens zichzelf overgeeft aan dierlijke instincten: ‘Auto’s in bermen tot voorbij mijn huis, / achter de beukjes wordt gebarbecued, / volvette lucht van hecatomben, / boven de baritons giert een sopraan het uit, / kinderen springen op iets, glijden er weer af.’ Maar: ‘Iets moet dit toch gewild, samengespannen om het voor elkaar te krijgen.’ 

    Als een vlucht uit de werkelijkheid is er, behalve muziek en literatuur, ook nog de liefde. De derde afdeling bestaat geheel uit liefdesgedichten (‘Minneliederen’). In de liefde laat de vergankelijkheid zich minder gelden, want ondanks zijn gevorderde leeftijd is de dichter nog goed tot liefde in staat. Wel heeft hij meer haast om er iets goeds van te maken. 

    ‘Ik maak er werk van tegenwoordig,
     korven vol hartjes, kussende lippen
     en liedjes die ik vroeger links liet liggen;
     ze ruist en gretig kom ik aangesneld.’

    De tijdgeest

    De vierde afdeling ‘Tijd’, beschrijft Schouten beurtelings ironisch en cynisch de tijdgeest. Het zijn gedichten waarin de columnist doorklinkt. Over moderne fenomenen als tattoos en viagra, maar ook over de zoönose die ons getroffen heeft, zoals in ‘De kroon op de schepping’:

    ‘Ik kijk corona want er is niks anders.
     Maken wij ook wat mee; ik dacht al zonder
     gebeurtenis te moeten sterven maar
     gelukkig zie ik artsen en agenten.’

    Schouten is een dichter van rake observaties, zijn gedichten zijn realistisch en eerlijk. Zoals in ‘Agnitio’ waarin Schouten zijn ambivalente gevoelens over zijn scheiding verwerkt: ‘Hoe simpel daalt ze af in mijn onderbewuste, / of het haar eigen ziel betreft: / je kunt je eigen ex niet echt afschudden / omdat je nog van haar aandacht geniet.’ 

    Het losstaande gedicht ‘Pompejisch’, waarin hij zijn bestaan tot enkele kale feiten reduceert, vormt een passend en ironisch slot. In Dit moet dus de werkelijkheid zijn snijdt Rob Schouten op originele wijze grote thema’s aan zonder zwaar op de hand te worden. De werkelijkheid is zorgelijk en dramatisch, maar je hebt het ermee te doen.

     

  • Vooruitkijkend naar de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020

    Vooruitkijkend naar de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020

    Komende maandag, 22 juni, wordt de Libris Literatuurprijs 2020 bekend gemaakt. Daarop vooruitlopend las criticus Rob Schouten de zes genomineerde boeken en deed daar verslag van in Letter & Geest, de weekendbijlage van dagblad Trouw, en komt met een winnaar.

    Schouten vraagt zich eerst af, en terecht waarom Otmars zonen van Peter Buwalda er niet opstaat en vindt ook dat de jury behoudend is geweest wat betreft de keuze van de genomineerden, want geen schrijvers van rond de dertig op de shortlist. Helemaal gezien het feit dat er de de laatste jaren ‘een enorme hausse’ aan talent is opgestaan. Hij mist dan ook schrijvers als Jamal Ouariachi, Ninã Weijers, Maartje Wortel en de ‘broertjes Heerma van Voss’.

    Wat geeft de doorslag, buiten dat het een goed boek is, wie er zal winnen? Zo overpeinst Schouten dat het eigenlijk gek is dat Oek de Jong, nu genomineerd met Zwarte schuur, nog nooit een echt grote prijs heeft gekregen. Wat doet vermoeden dat het dit jaar wel eens zou kunnen gebeuren. Maar ook dat elke jury graag een onderbelichte schrijver in het zonnetje wil zetten, en doelt daarbij op Sander Kollaard en zijn boek Uit het leven van een hond, een roman die volgens Schouten het zeker waard is de prijs te winnen. Zo neemt hij elke genomineerde titel onder handen en besluit dat het zes zeer geslaagde en verhalen vertellende boeken zijn die gaan over het mensbeeld van mannen en vrouwen. ‘Dat is kennelijk wat de literatuur nu vraagt: goeie verhalen.’

    Om te besluiten met een pleidooi dat de prijs naar Manon Uphoff moet gaan, ‘die van iets verwerpelijks in deze soms wel erg moralistische MeToo-tijden een subliem en spetterend vuurwerk heeft gemaakt. Echt heel erg goed.’

    De genomineerden zijn:

    Saskia De Coster met Nachtouders
    Sander Kollaard met Uit het leven van een hond
    Marijke Schermer met Liefde, als dat het is
    Oek de Jong met Zwarte schuur
    Manon Uphoff met Vallen is als vliegen
    Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar

    Lees hier het artikel op Trouw online.

     

     

  • Literair spel van de schrijver

    Literair spel van de schrijver

    Soms associeer je de hoofdpersoon van een roman onwillekeurig met diens schepper. Dat kan komen doordat op de achterkant een foto staat van de auteur die je brein koppelt aan het personage in de roman. Wat ook voorkomt, is dat het er zo dik bovenop ligt dat een personage het alter ego van de schrijver is. Zo voerde Philip Roth regelmatig in zijn boeken een schrijver op van joodse komaf – zie daar dan maar eens niet het gezicht van de schrijver aan te koppelen. Dat alles pleit eigenlijk voor het lezen van boeken zonder dat de lezer weet wie de auteur is; dan staat slechts nog de tekst centraal. De opvattingen van een personage worden dan in elk geval nooit ten onrechte aan de auteur toegeschreven. Dichter, romancier, recensent en columnist Rob Schouten speelt in deze roman met die spanning tussen auteur, verteller, hoofdpersoon, personages én de lezer.

    Alter ego

    Ook de verteller en hoofdpersoon van De groene gravin, Titus Orbaan, die vertelt over de neergang van zijn huwelijk, ga je als vanzelf verbinden met de man die op de achterflap van het boek is afgebeeld. Niet helemaal ten onrechte trouwens, want Schouten vertelde in een interview aan Trouw dat het autobiografische elementen bevat – hij is zelf recent gescheiden. Uiteindelijk treedt hij ook expliciet naar voren als auteur, al erkent hij dat de Rob Schouten van papier nooit dezelfde is als de Rob Schouten die de pen hanteert.

    Orbaan is getrouwd met een Duitse van verarmde adel, Else. Het boek begint met hun scheiding. Vervolgens spoelen we terug naar Amerika waar ze elkaar hebben ontmoet toen ze allebei aan de universiteit aldaar werkten, hun huwelijk in Las Vegas, hun wittebroodsweken en hun gezamenlijke huis vlak over de grens bij Groningen. De lezer volgt de neergang van het huwelijk op de voet, vanuit Titus’ perspectief. Of beter gezegd vanuit zijn brein, waarin hij van de hak op de tak springt: van referentie naar literatuur naar banale grappen, de ene associatie na de andere passeert de revue. Hij denkt en denkt, maar hij wordt ook gek van zichzelf: ‘het zijn allemaal gedachten die ik niet wil denken maar die ik niettemin wél denk, misschien juist des te harder omdat ik het niet wil.’

    Grote denkwereld

    Zulke stille observaties zijn soms ook erg geestig. Zoals wanneer Titus op een mondain feestje van een collega in diens veel te grote Amerikaanse mansion genadeloos de inrichting van zijn Amerikaanse collega-academicus fileert: ‘(…) de witte vleugel die met nietsontziende smakeloosheid ergens in de hoek als een enorme zwaan stond te wachten op begaafdere spelers (…) de metallic ijskast had iets weg van een klein huisje op zich, een woning waarin Holle Bolle Gijs zich had laten invriezen om tot in de lengte der dagen te kunnen schransen.’ Tegelijkertijd kunnen dit soort woordenstromen een beetje te veel van het goede zijn: je zou Orbaan wel willen adviseren om eens wat minder te denken. Maar dat zou waarschijnlijk averechts werken.

    Ondanks de onderdompeling in zijn brein leert de lezer Orbaan niet écht kennen. Hij blijft toch een beetje een vreemde kwast wiens drijfveren een mysterie blijven. Ook Else blijft in de hele roman een wat plat, onpeilbaar figuur. Maar wie weet is dat nu juist wat Schouten probeert te thematiseren. ‘Probleem is natuurlijk dat Else helemaal niet weet wat er in mij omgaat en ik weet trouwens ook niet wat er in haar omgaat. (…) Wie kent elkaar nou helemaal? Ha, de fundamentele onkenbaarheid van de mens, W.F. Hermans. Je ziet iemand, hoort degene praten, luistert, gaat met hem of haar naar bed, deelt je leven samen en toch kom je er niet achter. (…) Het probleem is helemaal niet dat we elkaar allicht niet kennen of doorgronden maar dat ik er eigenlijk niet over kan nadenken.’ Toch doet hij niet anders.

    Uiteindelijk kennen we niemand

    Ook de lezer kan de hoofdpersonen niet volledig leren kennen. Het is misschien eigenlijk maar goed ook dat de ander toch altijd in meer of mindere mate een onbekende blijft, simpelweg omdat je diens gedachten niet lezen kan. Daardoor ontstaan weliswaar misverstanden (zoals tussen Titus en Else), maar dat is te prefereren boven een situatie als die van ‘the Borg’, de wezens in de serie Star Trek die geen eigen gedachten bezitten en daardoor altijd uitstekend op elkaar zijn afgestemd. Blijven daarom Orbaans wegen zo ondoorgrondelijk, is dat wat Schouten met zijn alter ego duidelijk wil maken?

    Hoe het ook zij, het is knap dat de lezer zover wordt meegenomen in iemands gedachten dat je begrijpt dat die Else niet begrijpt. Orbaan is wat dat betreft uit het leven gegrepen: hij twijfelt, is inconsequent, flauw, piekerig en onredelijk. Eerlijk is eerlijk: wie is dat alles niet? Toch heeft het ook iets onbevredigend dat iemand, in wiens hoofd de lezer zich bij wijze van spreken bevindt en hem dus goed zou moeten kennen, een onbekende blijft – al is dat misschien inherent aan het bestaan en menselijke relaties.

     

  • Troost gezocht

    Troost gezocht

    Ik zat op een rode driezitsbank in een van de gefingeerde woonkamers bij Ikea en dacht aan Leo Vroman. ‘Bij zijn leven kon hij zo over de dood schrijven dat je er bijna zin in kreeg’. Een zin waarmee Rob Schouten de dichter Vroman op treffende wijze memoreerde in een van zijn columns. Een tijd geleden zag ik met Mijn lief, die nu even Mijn lief niet is maar morgen vast weer wel, naar de documentaire over het leven van het echtpaar Vroman. We keken in gezegende stilte. Alsof we weer kind waren en een sprookje voorgeschoteld kregen waarin dingen gebeuren die je niet voor mogelijk houdt. En na afloop verzuchtten we: ‘Zo oud te worden.’

    Een behoefte sterker dan mezelf had me naar Ikea gedreven. We gingen samen onderweg, ik en Mijn lief, die nu even Mijn lief niet is, want we belandden in een belachelijke woordenwisseling. Ik visualiseerde me een plaatje uit de catalogus van Ikea. Een bank en plafondhoge boekenkasten met glazen deuren, een keuken met wit porseleinen spoelbakken en glimmende kranen. Ik liet me afzetten op de parkeerplaats en keek niet meer om. Bij de ingang stuitte ik op een bak vol met langwerpige witte plastic dingen met gekartelde ronde openingen; een organizer voor plastic zakken. Dat iemand daarover had nagedacht vond ik opmerkelijk.

    Thijs Wolzak zoekt wekelijks, voor de fotorubriek Binnenkijken in het NRC, naar design uit ‘de woonwinkel die een oplossing weet voor alle woonproblemen’. Er is weleens een lamp, een eettafel of staande afwasborstel op een aanrecht gespot. Op de standaardvraag: ‘Wat van Ikea’, wordt niet zelden ‘Niets’ ingevuld. En dat staat er dan, zo trots als een pauw. De verleiding steeds weerstaan. Waarbij soms, als opnieuw naar het plaatje gekeken wordt, het vermoeden rijst, dat er heimelijk iets weggeborgen is, voordat Wolzak zijn foto kwam nemen.

    Ondertussen zat ik nog steeds op die rode bank en zag aan de andere kant van het gangpad hoe een man de rugleuning van een eettafelstoel stevig vastpakte en eraan begon te duwen en te trekken. Waarna hij erop ging zitten, wiebelde met zijn bovenlijf woest heen en weer. Een vrouw, wat wel zijn vrouw moest zijn, probeerde hem ervan af te houden. Gegeneerd liep ze achter hem aan een volgende eethoek binnen. Ik kan me niet voorstellen dat Vroman en zijn Tineke ooit ruzie hebben gemaakt, of zich voor elkaar geschaamd hebben. Steeds zag je dat lieve tussen hen, dat krachtige zachtmoedige dat nooit wee werd.

    Vorig jaar waren ze, via skype, te zien tijdens de Nacht van de Poëzie. De hoofden naar elkaar toegenegen, dicht op de webcam, terwijl hij haar liet kiezen welk gedicht hij zou voordragen. Over en moordenaar ging het, die het leven niet gekend had, en over een levensvrije toekomst en ‘mijn dood ligt veilig achter mij’. Waarop gevraagd werd ‘hoe het dan met het leven moest’. En Vroman licht schouderophalend  zei: ‘Nou, gewoon. Leven.’ Troost was wat ik nodig had.

     

     

  • De rijkdom van het menselijk tekort

    Zware Pijnstillers, de nieuwe en elfde bundel van Rob Schouten brengt weinig nieuws, of het moet zijn dat ditmaal het menselijk tekort in al z’n grimmigheid net iets minder monter voor het voetlicht wordt gebracht dan voorheen. Er wordt echter in ieder geval weer als vanouds losgegaan op fantasieën die van banaal tot verheven variëren in soepel uitgebalanceerde, een natuurlijke toon treffende zinnen. De goed getroffen stijl houdt de meeste van Schoutens gedichten behoorlijk overeind, al lijkt niet ieder van de 42 gedichten even geïnspireerd geschreven. De soepele tred van zijn zinnen wordt allerminst verstoord wanneer een enkel goedbekkend, zelfgemaakt woord als ‘pakkenpastaprak’ opduikt. En waar een adjectief zich tot een zelfstandig naamwoord (‘stomtoevalligen’) heeft vermomd, komt zoiets de zeggingskracht ten goede. De toegankelijkheid van zijn gedichten is er niet minder om. Een enkel Duits woord als ‘Irrenanstalt’ of ‘Originalfassung’ kan men eveneens aantreffen. Niet zo opmerkelijk echter als men bedenkt dat het eerste gedicht, ‘Huisvriend’, over niemand  minder dan Adolf Hitler gaat. En hoe het derde gedicht ‘Durch Dickicht und Gestrüpp’ aan z’n Duitse titel komt legt Schouten zelf uit: ‘De titel komt trouwens uit Strauss, Richard, / Mooi toch, vooral dat Dickicht maar / het valt wel mee’. Een beetje flauw misschien? In het vijfde gedicht richt de dichter zich dan ook rechtstreeks tot zijn lezer: ‘Of bevalt m’n toontje je niet?’ De lezer doet er echter verstandig aan niet af te haken, want er zijn dan nog 37 gedichten te gaan en,  alles bij elkaar, wel degelijk de moeite van het verder lezen waard.

    Juist die combinatie van verheven en banaal zorgt voor optimaal leven in de brouwerij en voor elk wat wils. De toon varieert soms van cabaretesk, lamlendig, banaal, melig, verheven, groots, ironisch binnen één en hetzelfde vers. Zo zet het gedicht ‘De ware Oekumene’ in:

    ‘O Prins der Parken, long om niet, joggrond!
    Thans breek ik graag uw paden aan, uw lanen open
    en wens u een behouden dagdoorbloeding;
    dat doggen rond P’s stiervisvogel grazen,
    de gek op adem komt en liefjes zich gedragen.

    In duifdoorscheten, weldoorkuierd groen
    drinken wij ongedwongen roddelkoffie’

    Schouten verlustigt zich even graag aan het platvloerse: ‘de nieuwe borsten en haar kut’, als dat hij een religieuze bespiegeling ruim baan geeft: ‘Veel lijkt me mensenwerk, tijdens diners / bijvoorbeeld warme kreeft in snot / en de kalkoen, maar dan opeens zie je / van die overweldigende hoogovens / en is de brug over de Rijn geopend. Dan denk je toch weer: God!’ De ironie druipt er van alle kanten van af. Reve, denk je dan. Maar Schouten is concreter dan Reve. Het roept hier en daar ook het vroege werk van Kees Ouwens in herinnering, al ontbreekt bij Schouten het bezwerende taalgebruik en de bijbehorende hoge inzet.

    Als de Apocalyps is aangebroken, verbaast het de dichter, want ‘mij is daar niks van verteld / en ik probeer er nog wat van te maken / met mijn onsterfelijke ziel. (…) Mij niet gezien, dit eind der tijden. / Fluks jaag ik mij een kogel door de kop.’ Ach, zolang Schoutens zinnen niet uit het lood gaan hangen, valt weinig te vrezen dat het de dichter ernst is met deze gedachten. Zelfs in zijn onbarmhartige zelfbespiegelingen lopen de zinnen in zelfde vaart even moeiteloos voort. In ‘Wie ik ben’ het langste gedicht van de bundel en een van de beste, dicht Schouten zich van kleine jongen tot volwassen man: ogenschijnlijk een leven waarin kortstondige triomfen het altijd hebben moeten afleggen tegen de onvermijdelijke deceptie, maar Schouten bakt er met tevredenheid een goedlopend en vlotlezend gedicht van. Als hij daarin halverwege wat uitweidt, roept hij zichzelf tot de orde: ‘En toen, waer bestu bleven o verlegene, / ontsporend kleptomaan, afgrondelijke / catacombe van mijn tuchteloze ik? / rondde ik onverwacht mijn studie af / en lag in bed met de aanbedene, / bezocht het tuincentrum met de bezwangerde, / te midden van zoveel welkome leeghoofden, / die het straatbeeld niet ten goede kwamen.’ In de laatste strofe belandt hij aan in het heden: ‘Nu dan (…) ondanks gebruikssporen redelijk onbedorven, / heb ik de indruk, eigenlijk best geschikt / om er dan nu een einde aan te maken / voordat de tweede helft zich helemaal ontvouwt / en je het lekker jonge ding wenst, eerst om / wie weet nog een geboorteakte voort te brengen / en je dan voort te karren richting zwarte gat’.

    De dichter lijkt het gelukkig geen punt te vinden dat hij niet positief in het leven staat. Wekt anderszins ook niet de indruk een oude knorrepot te zijn. De wereld is precies wat die moet zijn. En het past de mens even goed zich er soms niet en dan weer wel in thuis te voelen. De mens is immers de maat van alle dingen, en die mens heet in dit geval Rob Schouten: ‘Logny-les-Aubenton, Aisne / is overigens een dorp van drie keer niks, / ook niet met mij, Rob Schouten, erdoorheen.’ Vanzelfsprekend valt er bij zo’n dichter geen antwoord op de grote levensvragen te verwachten: ‘Of de schepper bestaat dan wel bestond, / ik durf het niet te zeggen’. Die twijfel weerhoudt hem echter niet enige hoop op redding, zie de laatste regels van het fraaie, aan Remco opgedragen gedicht ‘Roersel’:

    ‘Ik heb wel iets tegen te veel om op te noemen
    maar zo’n klein beetje dat het vaak niet loont
    en ik gewoon maar ergens anders ga zitten.

    Mijn ouders zijn inmiddels goed gestorven,
    behalve dan mijn moeder, wier aquarellen ik
    vriendelijk afsla en maar weer eens ga,

    en ook het docentencorps is definitief
    afgemarcheerd, tezamen met
    de moeders van mijn kinderen.

    Het nodige al naar de bliksem en
    dan blijf je in je kooitje over,
    goed afgeschermd en geen groot ongemak.

    Wie weet komt ook de Heilige van de Nacht
    me ongevraagd nog eens redden
    van alles waar ik ooit iets, niet veel tegen had.’

    Zoals gezegd leest Zware Pijnstillers als vertrouwd. Opnieuw heeft de dichter hier, al dan niet autobiografisch, uit de rijkdom van het menselijk tekort kunnen putten. En ook in deze bundel ontbreken die paar vertalingen van John Berrymen, de huisdichter binnen Schoutens oeuvre, niet. Hoewel Zware pijnstillers ook wat mindere gedichten telt, sommige wat flauw zelfs, trekt zijn stijl je met gemak door de bundel heen. De woorden in de poëzie van Schouten zijn niet gekozen ter versiering van gedachten, maar omdat ze nu eenmaal ter zake doen in wat ermee gezegd wil zijn. Alle gedichten achter elkaar lezen is wellicht wat teveel van het goede. Zijn stijl mag bewondering wekken, het gevaar van eentonigheid ligt wel degelijk op de loer. Indien gedoseerd gebruikt kunnen deze gedichten echter bewerkstelligen dat men weer tegen een stootje kan.

     

     

     

     

  • Alleen in mijn gedichten kan ik wonen – Menno Wigman en Rob Schouten

    Gesignaleerd door de redactie:

    Evergreens in de poëzie blijken niet van alle tijden te zijn. De jongste generatie dichters leveren werk dat bijblijft en van de vorige generatie dichters blijkt dat gedichten hun werk gedaan hebben. Wat doe je daar mee?

    In dit beweeglijke landschap van de poëzie hebben Menno Wigman en Rob Schouten de canon opnieuw tegen het licht gehouden, met oog voor traditie, maar vooral met oog voor het nieuwe. En zo komt men in Alleen in mijn gedichten kan ik wonen het repertoire tegen van Marsmans ‘Herinnering aan Holland’ en J.C. Bloems ‘De Dapperstraat’, maar ook de meest gelezen en geciteerde verzen van relatief nieuwe dichters als K. Michel, Tonnus Oosterhoff en Esther Jansma, die hier hun eerste sporen in de canon van onze tijd nalaten.
    Alleen in mijn gedichten kan ik wonen is een overzicht van het mooiste wat de Nederlandse poëzie te bieden heeft, zowel voor poëziekenners als voor hen die nog nooit eerder een gedicht lazen.

    Menno Wigman (1966) is dichter, vertaler en essayist. Rob Schouten (1954) is dichter, literatuurcriticus en columnist van o.a. Dagblad Trouw. Eerder stelden ze de veelgelezen bloemlezingen A Thing of Beauty en Tell Me the Truth about Love samen.

     

    Allen in mijn gedichten kan ik wonen

    Menno Wigman en Rob Schouten
    Blz: 312
    Prijs: € 15.00
    Uitgeverij Prometheus