• Met dank aan de koning

    Met dank aan de koning

    In zijn inleiding bij de vertaling van Het boek van honderd-en-een nacht geeft Richard van Leeuwen een verantwoording voor deze uitgave. Daarin verwijst hij naar De vertellingen van duizend-en-een-nacht, waaraan dit boek duidelijk verwant is, gezien de overeenkomstige vertelstructuur.

    Een koning ontdekt dat zijn vrouw hem bedriegt met een brute, zwarte man en dat zij van plan is hem te doden. De koning brengt daarop zijn vrouw, haar slavinnen en de zwarte man ter dood en besluit om in het vervolg elke ochtend het meisje te vermoorden met wie hij de nacht heeft doorgebracht. Elke nacht een ander meisje tot er nog maar twee meisjes over zijn in zijn rijk, de zusjes Dinarzaad en Sjahrazaad. Sjahrazaad weet de koning, die erg van mooie verhalen houdt, zover te krijgen het leven van haar zusje, na de nacht met haar, te sparen door hem een verhaal te vertellen dat zij vóór het aanbreken van de dageraad afbreekt om het de volgende nacht voort te zetten. Zo gaat het honderd-en-één nachten door tot Dinarzaad zwanger blijkt te zijn van de koning. Daarop belooft de koning hen te sparen en komt er een einde aan de vertellingen van Sjahrazaad.

    Werk aan de winkel voor cultuurhistorici

    Terwijl Duizend-en-een-nacht een schijnbaar oneindige stroom verhalen bevat die alle kanten uitwaaiert, is Honderd-en-een nacht veel compacter en strakker gecomponeerd. Dat roept de vraag op naar de relatie tussen beide verhalencycli. Daar zijn de geleerden echter niet uit, aangezien de ontstaansgeschiedenis van beide teksten in nevelen gehuld is. Wel is duidelijk dat de oorsprong van beiden gezocht moet worden in de mondelinge verteltraditie, die samenhangt met de expansie van de islam naar Perzië en Zuidoost-Azië. Vanaf de dertiende tot de zestiende eeuw, tijdens de Mammelukkendynastie in Egypte en Syrië, werden dit soort verhalen pas opgetekend in het Arabisch. In de archieven liggen nog talloze manuscripten in alle denkbare talen van Azië en het Midden-Oosten te wachten om ontsloten te worden.

    Een meesterwerk met kanttekeningen

    De invloed op de Europese literatuur is evident. In de Middeleeuwse ridder- en liefdesromans zitten steevast episodes die zich afspelen in een oosterse toverwereld. Toen in de zestiende eeuw Constantinopel werd veroverd door de Ottomaanse Turken en er een einde kwam aan het Grieks-Romeinse Byzantijnse rijk, begon men in Europa, het begin van de Renaissance, systematisch oosterse manuscripten te verzamelen en vertalen. De achttiende-eeuwse Franse vertaling van Duizend-en-een nacht is onmiddellijk een groot succes en heeft zich definitief een plaatsje verworven in de Europese literatuur en cultuur met in haar kielzog Honderd-en-een nacht.

    Van Leeuwen wijst erop dat het karakter van deze verhalen niet altijd meer strookt met onze huidige normen en waarden en fatsoensnormen. Ze zitten vol stereotyperingen. Alle prinsessen zijn bloedmooi, moeten veroverd worden door knappe en dappere prinsen om tenslotte, na een feestmaal met uitgelezen spijzen van ettelijke weken of maanden, ontmaagd te worden en masculien koninklijk nageslacht te baren. In zijn algemeenheid zijn vrouwen handelswaar dat cadeau gegeven wordt aan ieder die de koning behaagt. Een goed voorbeeld van dit vrouwvijandige karakter van veel verhalen is het verhaal van de ‘Prins en de zeven viziers’, waarin vrouwen zelfs als een bedreiging van de sociale orde worden gezien. Waarom dan toch deze vertaling?

    Zoveel moois!

    Volgens Van Leeuwen zijn deze verhalen, hoe onaangenaam de stereotyperingen ook zijn voor de hedendaagse lezer, onlosmakelijk verbonden met het mondiale culturele erfgoed. Van Leeuwen hoopt dat een beter inzicht in het functioneren van dit soort stereotyperingen in de literatuur door de tijden en culturen heen uiteindelijk zal bijdragen aan ‘een genuanceerde en verdraagzame vorm van inclusiviteit en algemene erkenning van menselijke waardigheid’. Voorwaar een mooie gedachte. Of dat werkelijk zo uitpakt, valt te bezien, maar dat ze behoren tot ons culturele erfgoed is zeker. Er valt trouwens nog heel wat te genieten van al die verhalen, bijvoorbeeld van het verhaal ‘De druppel honing’, waarin te zien is hoe een kleinigheid kan leiden tot een grote ramp. Een pareltje. Prachtig is ook ‘Leeuwenspoor’. Daarin wijst een deugdzame echtgenote de avances van de koning af, die zijn zinnen op haar had gezet en daarvoor haar man heeft uitgezonden op een of andere missie. Dit verhaal doet denken aan het Bijbelverhaal van koning David en Bathseba. Maar het mooiste verhaal is ‘Het verhaal van de vier vrienden’, een schelmenverhaal waarin vier vrienden, een dief, een spoorzoeker, een timmerman en een boogschutter strijden om het bezit van ‘een meisje zo mooi als de rijzende volle maan’. Uiteindelijk is het natuurlijk de dief die er met de buit vandoor gaat.

    Het is al met al een heerlijk boek geworden, vol sprookjesachtige elementen met boze geesten en tovernarij, prinsen en prinsessen, die wonen in schitterende paleizen. Fijn dat Richard van Leeuwen deze verhalen voor ons toegankelijk heeft gemaakt.

     

     

  • Leven in een mengsel van dromen en werkelijkheid

    Leven in een mengsel van dromen en werkelijkheid

    De fluistering van de sterren (vertaald door Djûke Poppinga) is een postuum verschenen verzameling van achttien korte verhalen van de Egyptische auteur Nagieb Mahfoez (1911-2006). In 1988 kreeg Mahfoez de Nobelprijs voor Literatuur, als eerste Arabische schrijver. De verhalen doken op uit zijn nalatenschap en waren bedoeld voor publicatie in 1994. Wat Mahfoez ervan heeft weerhouden om ze toen daadwerkelijk te publiceren, is niet bekend. Misschien was het de moordaanslag die er in dat jaar door moslimextremisten op hem werd gepleegd. Zij beschouwden hem een afvallige vanwege een boek uit 1959, dat in 1999 in het Nederlands verscheen als Kinderen van Gabalawi.

    Jeugd

    De sfeervolle verhalen in De fluistering van de sterren zijn een soort schetsen of impressies, vol wonderlijke gebeurtenissen, van meestal maar een paar bladzijden lang. De verhalen kennen vaak een abrupt begin en een open einde. Ze spelen zich allemaal af in een oude, arme volkswijk van Caïro, in de tijd dat Mahfoez zelf in zo’n wijk opgroeide. Mahfoez heeft bij het schrijven dus kunnen putten uit ervaringen in zijn eigen jeugd. Alle buurtbewoners kampen met ‘alledaagse’ ellende als diefstal, gokverslaving, armoede, moord en zelfverbranding.

    In de verhalen kom je tal van kleurrijke figuren tegen, zoals de alleenstaande moeder Zakiyya die de vader van haar baby blijft confronteren met hun kind. Of de ongelukkige Hasan die telkens hertrouwt met een meisje uit de buurt nadat zijn vorige vrouw is overleden. En de beeldschone Tauhieda die in de levendige verbeelding van veel buurtbewoners maar niet ouder wordt. In veel verhalen komt ook een ‘buurtsjeik’ voor, die als een soort vaderfiguur probeert het gepeupel en gedoe in de wijk in toom te houden.

    Wat de korte verhalen van Mahfoez zo bijzonder maakt, is vooral de voortdurende vermenging van werkelijkheid en bijgeloof waarin de personages leven. Voor hen is de wereld van geesten en magie even werkelijk als hun volksbuurt vol bedelaars en dieven. In bijna alle verhalen is sprake van voorspellingen, geheimen, duivels, djinns (geesten), voorgevoelens, wonderen, ceremoniën, dromen, mysteries en waarzeggers die gespecialiseerd zijn in het ‘ontsluieren van het onzichtbare’.

    De titel van het boek is dezelfde als die van het eerste verhaal. Je kunt ‘de fluistering van de sterren’ zien als een metafoor voor het web van geruchten, sprookjes, verzinsels en bijgeloof dat de bewoners van de volkswijk in zijn greep houdt. Voor elke onverwachte, vreemde of kwade gebeurtenis in hun buurt zoeken zij een verklaring in het bovennatuurlijke. De geraadpleegde waarzeggers draaien overuren.

    Besef

    De vermenging van de werkelijkheid (het alledaagse leven in stegen, koffiehuizen en illegale bordelen) en fictie (de wereld van geesten en geheimen) krijgt in een paar verhalen een bijzondere vorm. Dat is het geval op de schaarse momenten dat de buurtbewoners lijken te beseffen dat er wel degelijk een verschil bestaat tussen feiten en fictie. In bijvoorbeeld het verhaal ‘Jouw lot in het leven’, waarin verschillende buurtbewoners zonder duidelijke aanleiding in tranen uitbarsten, constateert een opgetrommelde gezondheidsinspecteur: ‘Het probleem is dat jullie het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid niet kennen’. In ‘De storm’, waarin onheilspellende kreten in de buurt een plotseling opstekende storm lijken te ontketenen, roept een buurtbewoner: ‘Behoed ons voor dromen. De werkelijkheid is al erg genoeg!’ En ‘Het einde van meester Sakr’ begint met: ‘Die nacht sloeg de werkelijkheid toe als een droom.’

    Nawoord

    Het informatieve nawoord van Mahfoez-kenner Richard van Leeuwen vormt een kwart van het boek. Daarin is te lezen dat Mahfoez, in al zijn bescheidenheid en eenvoud, in zijn land werd gezien als een groot schrijver, die zijn landgenoten met zijn werk ‘een spiegel voor de ziel’ voorhield. Hij was een grondlegger van de Egyptische romankunst en had in zijn werk altijd veel aandacht voor de ‘menselijke tragiek’. Van Leeuwen schrijft over Mahfoez’ romans: ‘Er is ook meestal een spanningsveld tussen schijn en werkelijkheid, tussen smetteloze uiterlijkheid en het verderf dat erachter schuilgaat, tussen een hoogstaand menselijk ideaal en onbedwingbare ‘lagere driften’, en tussen het streven naar integriteit en onverbloemd opportunisme.’ Hij kenschetst de nagelaten verhalen in De fluistering van de sterren dan ook als ‘onmiskenbaar mahfoeziaans’. Ze vormen dus een mooie inleiding tot de rest van het oeuvre van Mahfoez, dat slechts voor een deel in het Nederlands is vertaald.

     

  • Libanese galgenhumor

    Libanese galgenhumor

    Mazen Maarouf (1978) werd in de Libanese hoofdstad Beiroet geboren. Zijn ouders waren Palestijnse vluchtelingen die van de regen in de drop terechtkwamen: Maaroufs jeugd speelde zich af tegen de achtergrond van de Libanese burgeroorlog (1975-1990), die naar schatting een kwart miljoen mensenlevens kostte. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat oorlogsgeweld altijd aanwezig is in dit boek, zij het op een ongebruikelijke manier. Het wordt namelijk op een haast achteloze manier vermeld, in de woorden van een kind dat er letterlijk mee is opgegroeid en blijkbaar nooit iets anders heeft gekend: ‘We hoorden van tijd tot tijd geweerschoten buiten, maar daar waren we net zo aan gewend als aan het toeteren van voorbijkomende auto’s.’

    De ik-figuur in het verhaal waar deze bundel naar werd genoemd en meteen ook het langste in dit boek – loopt elke dag met zijn tweelingbroertje naar school in een Beiroet dat vergeven is van rivaliserende milities. Zijn vader heeft een wasserij en wordt regelmatig in elkaar geslagen en vernederd door militieleden. Om de gewelddadige realiteit op afstand te houden, vlucht hij in zijn kinderlijke fantasiewereld. Poëzie en diepe ellende liggen in dit boek dan ook zeer dicht bij elkaar. Het verhaal is stevig gekruid met morbide galgenhumor. Zo is er een passage waarin het hoofdpersonage overweegt om zijn broertje te verkopen:
    Ik had er mijn hoop op gevestigd dat de schutters liefhebbers van orgaanvlees waren, want ik zag mijn dove broertje als profijtelijke handelswaar.’

    Humor is een geducht verdedigingswapen in dit boek: wie erin slaagt om een militielid te amuseren met een goede grap, hoeft zich even geen zorgen te maken. Al neemt dat niet weg dat totale willekeur ook een einde aan je leven kan maken: wie op het verkeerde moment op de verkeerde plaats is, kan zomaar worden getroffen door een verdwaalde mortiergranaat.

    De andere verhalen die na ‘Grappen voor de schutters‘ volgen, zijn veel korter en van wisselende kwaliteit. Zo blijkt hier weer dat het korte verhaal een zeer veeleisend literair genre is, want terwijl een vuistdikke roman niet meteen ten onder gaat aan een minder geslaagde passage, kan een schrijver het zich echt niet permitteren om steken te laten vallen als hij voor de korte baan kiest en zich op een stuk of vijf bladzijden moet bewijzen. Sommige verhalen in deze bundel komen dan ook niet helemaal van de grond of zijn eigenlijk maar probeersels.

    Een uitschieter is ‘De grammofoon, waarin de vader van de ik-figuur aan de kost komt door in een ondergronds café een mechanische grammofoon aan te zwengelen. Beiroet wordt immers voortdurend geplaagd door elektriciteitspannes. Plichtsbewust volbrengt de vader zijn taak: ‘Soms draaide mijn vader wat langzamer omdat hij moe werd, en soms verloor hij zijn concentratie, omdat er dicht in de buurt een granaat viel, en draaide hij sneller, waardoor het lied werd vervormd.’
    Als de bar door een bom wordt getroffen, wordt de vader levend vanonder het puin gehaald. De armen waarmee hij de grammofoon bediende, moeten geamputeerd worden. Het weinige wat gewone mensen nog hebben in de oorlog, de kleine dingen waar ze zich aan vastklampen, verliezen ze vaak nog.

    Soms gaat Maarouf volledig de absurde toer op, zoals in ‘Biscuit’, een verhaal waarin een oude man auto’s ‘in biscuit verandert’. Dat is even amusant, maar volstaat niet om een verhaal te redden dat verder niet veel om het lijf heeft. Zo merk je dat deze schrijver eigenlijk nog wat aan het zoeken is en deze bundel misschien te vroeg heeft gepubliceerd: hij heeft veel in zijn mars, maar zijn beste werk moet duidelijk nog komen. Naar verluidt is Maarouf aan een roman aan het werken. Misschien kunnen we deze weliswaar niet helemaal geslaagde, maar toch veelbelovende verhalenbundel met een paar sterke momenten als een voorproefje beschouwen.

     

     

  • Oogst week 2 – 2020

    Vanuit het duister stralend licht

    De oogst van dit nieuwe jaar bevat twee titels uit het oude jaar, waaronder een literair tijdschrift, een nieuwe uitgave van de duizend-en-één-nacht vertellingen en de deze week verschenen roman over David Livingstone.

    Toen de Schotse ontdekkingsreiziger David Livingstone in 1873 in een klein gehucht in West-Afrika overleed, besloten zijn rouwende bedienden zijn lichaam naar de dichtsbijzijnde havenstad te brengen om hem te verschepen naar zijn thuisland voor een waardige begrafenis. Een tocht van tweeënhalf duizend kilometer wordt te voet afgelegd, het ontzielde lichaam van Livingstone op schouders gedragen. Met dit gegeven, en na veel onderzoek naar de feiten, schreef de in Zambia geboren schrijfster en advocate Petina Gappah de roman Vanuit het duister stralend licht. Ze heeft voor deze roman meer dan tien jaar historisch onderzoek gedaan, maar benadrukt dat het een roman is. In de proloog wordt op de geschiedenis vooruit gelopen: ‘Tijdens de lange, gevaarlijke tocht om hem naar huis te brengen, verloren tien leden van ons gezelschap het leven.’ Het verhaal van de tocht wordt verteld vanuit twee perspectieven, de mondige Halima en de diepgelovige Jacob.

    Vanuit het duister stralend licht
    Auteur: Petina Gappah
    Uitgeverij: AtlasContact

    De vertellingen van duizen-en-één-nacht

    De verhalen uit Duizenden-en-een-nacht zijn zo oud als de mensheid. Aanvankelijk dacht men dat de verhalen oorspronkelijk Perzisch waren. Later ontdekte men dat deze verhalen afkomstig zijn uit verschillende Arabische landen, deels van het Indiase subcontinent en uit Afrika. Het verhaal gaat dat het meisje Sjarazaad zich vrijwillig aanmeldt als een van de meisjes die koning Shahriaar elke nacht uit het volk kiest om met haar te slapen, de volgende ochtend wordt het meisje van die nacht omgebracht. Dit, omdat de koning eens bedrogen werd door zijn vrouw, wat hem niet weer zal gebeuren als hij ze steeds ombrengt. Maar Sjarazaads vertelt hem elke nacht zo’n mooi verhaal dat hij hongert naar meer. Ze houdt dit 1001 nachten vol, waarna de koning zoveel van haar houdt dat hij haar tot zijn definitieve vrouw maakt. Wat een mooi sprookje, en al haar verhalen zijn over de hele wereld heen vertaald. Richard van Leeuwen vertaalde al in de jaren negentig deze erotische sprookjes. Voor deze uitgave koos Van Leeuwen de mooiste passages die Floris Tilanus met prachtige pentekeningen illustreerde.

    De vertellingen van duizend- en-één-nacht zijn veelal liefdesverhalen, erotische passages, (imaginaire) reisverhalen en zelfs schelmenromans.

    De vertellingen van duizen-en-één-nacht
    Auteur: Gekozen en vertaald door Richard van Leeuwen
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Terras

    Het halfjaarlijkse literaire tijdschrift Terras bevat net zoveel pagina’s als waarin een goede roman verteld wordt. Deze zeventiende editie draagt het thema ‘Theater’. De redactie onderzocht wat er met een tekst gebeurt als je hem in het theater brengt. En wat je moet doen met een tekst om er theater van te maken. En vervolgens: wat gebeurt er als een toneeltekst in een literair tijdschrift verschijnt? Van Terras is bekend dat het de literaire grenzen opzoekt, eroverheen gaat, zo ook met het thema ‘Theater’. Met een niet eerder vertaalde theatertekst van schrijver Roland Barthes, De kracht van de klassieke tragedie, in vertaling van Walter van der Star. Een stuk uit 1968 van de Italiaanse auteur en filmmaker Pier Paolo Pasolini, Manifest voor een nieuw theater, vertaald door Piet Joostens, is gericht aan ‘De lezers’ en begint zo:
    ‘ 1) Het theater waar jullie op zitten te wachten zal, ook al is het volkomen nieuw, nooit het theater kunnen zijn waar jullie op zitten te wachten. Immers, als jullie op een nieuw theater zitten te wachten, dan doen jullie dat onvermijdelijk in de context van de ideeën die jullie al hebben, meer nog, iets waar jullie op zitten te wachten is iets wat op een bepaalde manier al bestaat.’ Wat een meesterlijke gedachte is en waarmee de redactie van Terras voortschrijdend uit de voeten kan; niets is volgens de verwachting in dit tijdschrift, maar des te prikkelender als je je erin verdiept. En wie verdieping zoekt, komt terecht bij Terras.

    Verder bevat dit nummer onder meer bijdragen van de Cubaan Carlos A. Aguilera, de Noor Johan Harstad, de Zwitser Jürg Federspiel en de Oostenrijkse Kathrin Röggla. Binnen het Nederlands taalgebied haalden ze toneelauteurs Bruno Mistiaen en Dounia Mahammed uit de literaire schaduw.

     

    Terras
    Auteur: Onder redactie van Kim Andringa, Tommy van Avermaete, Herman van Bostelen, e.a.
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Een disharmonisch tegengeluid

    Een disharmonisch tegengeluid

    Ali Bader is columnist en (oorlogs-)verslaggever voor Arabischtalige nieuwsmedia en heeft een tiental fictiewerken geschreven met Papa Sartre (2001) en The Tobacco Keeper (2008) als bekendste titels. Hij komt uit Irak en woont in België. Vanuit zijn unieke positie is hij een breed georiënteerde opiniemaker die zich bezighoudt met de grote geopolitieke kwesties die Oost en West allebei bezighouden. In deze tragikomische novelle neemt Bader een heet politiek hangijzer – de globale verspreiding van islamistische ideologieën -en behandelt het aan de hand van een simpel maar doeltreffend uitgangspunt: een Iraakse jongeman wil mensen inspireren met zijn cello.

    Met conservatoriumdiploma’s in zowel cello als ballet, ziet ik-verteller Nabiel zijn muziektalent als een machtig educatiemiddel om de onwetende massa te bewegen tot verzet. Zijn diploma’s behaalde hij in het tijdperk van Saddam Hoessein, toen het islamisme nog niet haar weg had gevonden naar de universiteiten en er meer ruimte was voor westerse invloeden (hoewel er natuurlijk anderszins censuur plaatsvond). De val van Saddam maakte daar een einde aan. Het is voor de jongvolwassen idealist simpel, zoals hij zelf zegt: ‘Als ik je een muziekinstrument geef, maar je kunt er niet op spelen, dan komen er onbegrijpelijke klanken uit. Maar na goed oefenen klinkt het prachtig en samenhangend.’  Ontwikkeling, eruditie en geestelijke groei zijn voor hem de basis van een progressieve cultuur – op westerse leest geschoeid- die uiteindelijk een fijnere en leefbaardere wereld oplevert voor iedereen. Zijn moeder ziet het scherper en repliceert: ‘Mensen zijn geen muziekinstrumenten.’

    De verwesterde opvattingen van een gecultiveerd mens vinden geen aansluiting meer in de leemte van het naoorlogse Irak. Buurtgenoten beletten hem om zijn klassieke muziekstukken te oefenen terwijl islamisten hem zelfs bedreigen en protectiegeld afdwingen. Te midden van deze antiwesterse, anti-intellectuele atmosfeer wordt klassieke muziek eerder als een bedreiging gezien dan als een verrijking. Zelfs zijn ouders zien liever dat hij zijn verzet staakt en in ieder geval niet naar het westen gaat, want daar zijn al talloze andere Iraki’s gestrand in desillusie en teleurstelling

    Werkloos en gefrustreerd trekt Nabiel zich terug in zijn appartement. Het onvermogen om zijn creatieve energie te delen met anderen brengt hem in een geestelijke stilstand. Of doet hem verzanden in neurotisch navelstaren waardoor hij pietluttige observaties intellectualiseert en verzonken raakt in filosofieën en theorieën over ‘het lompenproletariaat’ en ‘de ideale stad’. Of hij zapt langs de vele plastic blondines op pornokanalen, die oogluikend worden toegestaan door de islamisten, omdat er voor de ongelovige actrices andere regels gelden dan voor hun moslimzusters. Het westen lonkt als een mythische plek waar deze ik-verteller intellectuele én fysieke gratificatie denkt te kunnen vinden, anders dan in de verstikkende omgeving van het naoorlogse Irak.

    Ali Bader plaatst twee schurende contradicties in zijn vertelvorm tegenover elkaar. Aan de ene kant existentiële beschrijvingen van alledaagse, ordinaire handelingen als boodschappen doen, een pizza in de oven doen en pornografisch materiaal bekijken. (‘Zijn’.). Aan de andere kant intellectualistische overpeinzingen waarmee het ik-personage probeert zijn eigen leefwereld te kaderen en van betekenis te voorzien. Nabiel is als een eigentijdse Don Quichote, een intellectualistische binnenvetter die grootse hervormingen voor zich ziet, terwijl de banaliteit van zijn eigen leven hem steeds op de feiten drukt en hem wijst op zijn onvermogen om maatschappelijke veranderingen te beïnvloeden.

    Het breekpunt komt als de islamisten Nabiels cello kapotsmijten op de straatstenen. Het wordt tijd voor hem het thuisland te verruilen voor zijn westerse droom.
    Anders dan in veel vluchtelingenverhalen is Nabiels reis naar het westen bijzaak. Geen onmenselijke misère of schrijnende onmenselijkheid, maar een relatief veilige overtocht van een financieel bevoorrechte vluchteling. Ali Bader accentueert de cultuurclash tussen Nabiels hoge sociale positie in Irak tegenover de armoedige volkswijk waar hij zijn nieuwe bestaan opbouwt. En dan blijkt dat het conformisme en de kleinburgerlijkheid waarvoor de Irakees ooit wegvluchtte uit Irak, ook te bestaan in de Brusselse volkswijk waar hij zijn nieuwe bestaan opbouwt. De cyclus van klagende buren en islamistische knokploegen herhaalt zich weer, met nog een andere buitensluitende macht: rechtspopulisme.

    De ik-verteller, Nabiel, is een personage in de traditie van de Bildungsroman, waarin de morele, intellectuele en filosofische verwording van een jonge intellectueel wordt onderzocht. Handelingen van andere personages of verwikkelingen in het plot zijn minder belangrijk; het gaat uiteindelijk om de geestelijke rijping van de hoofdfiguur. Is de westerse cultuur ‘superieur’ omdat het mogelijkheden biedt tot zelfverwezenlijking, zelfontplooiing en individuele vrijheid? Of is die vrijheid een ideaalbeeld voor iemand met zijn achtergrond en gelden de verheven waarden, waar hij voorheen prat op ging, niet meer in een gepolariseerd klimaat van racisme, stigmatisering en uitsluiting?

    Ali Bader geeft geen sluitende antwoorden, maar schetst de identiteitszoektocht van één disharmonisch individu in verschillende maatschappijen. Hij maakt het politieke persoonlijk en het persoonlijke politiek. De wolkenmuzikant (2017) gaat net zo goed over een vermenging van oosterse en westerse ideeën – en de raakvlakken- als over het pijnlijke integratieproces van één jongeman. De kluchtige én tragische Nabiel is een antiheld van deze tijd, waarin het de extremen (islamisme, rechtspopulisme) zijn die dwingen om een kant te kiezen. Zoals de schitterende coverfoto verraadt, waarop het hoofd boven een jongenslichaam bestaat uit een anonimiserende verfvlek, is het een verhaal over iemand wiens eigen gedachtegoed wordt uitgevlakt, vernietigd of verkeerd begrepen. Fijnzinnig en nuancerend legt Bader met deze novelle de pijnpunten bloot waardoor integratie bemoeilijkt wordt door grote maatschappelijke krachten. Het zijn de disharmonische individuen die er uiteindelijk het meeste onder lijden.

     

     

  • De schoonheid van oorlogsgruwelen

    De schoonheid van oorlogsgruwelen

    In deze bundel met twaalf korte verhalen tekent de Fins-Iraakse Hassan Blasim fictieve getuigenverslagen op van psychisch getraumatiseerde Iraakse mannen. Het zijn gewone mannen in ongewone tijden, die allen genoodzaakt zijn (of zijn geweest) om onmenselijke keuzes te maken in oorlogstijden. Hun overlevingsdrift is sterker dan hun rechtvaardigheid, hun moraliteit en hun medemenselijkheid, maar het oorlogsgebeuren dwingt hen tot een dog eat dog-mentaliteit. Overleven tegen elke prijs, met een blijvende identiteitsschade tot gevolg.

    Blasim laat twaalf verschillende ik-vertellers aan het woord met incoherente, fragmentarische gedachtestromen, waarin ze proberen vat te krijgen op hun getroebleerde geestesgesteldheid. Anekdotes verglijden met mythes en fantasieën, terwijl de rauwe oorlogswerkelijkheid vreemder blijkt dan elke fictie.

    Soms sijpelt het oorlogsgeweld sluipenderwijs binnen in de alledaagse realiteit van de personages. Zoals in Het konijn van de Groene zone, waarin een man zich in een afgesloten villacomplex voorbereidt op de instructies voor een eerwraakliquidatie, terwijl zijn voornaamste zorg het mysterie is rond een kippenei dat opeens in zijn konijnenhok is verschenen. Verveling, landerigheid en morele twijfel gaan gepaard met een drukkende, psychische spanning over de onduidelijke situatie waarin hij terecht is gekomen.
    Nog minder rust is de politieagent in ‘Het Dossier en de Werkelijkheid’ vergund, als hij betrokken raakt bij de vondst van zes afgehakte hoofden van belangrijke religieuze leiders. Hij wordt de inzet van een getouwtrek tussen allerlei verschillende facties – met als enige overeenkomst de bloeddorstigheid waarmee ze hem martelen en hem zijn basisbehoeftes ontzeggen.

    De ik-vertellers in de bundel hebben aan den lijve de verscheurdheid in Irak meegemaakt na twee golfoorlogen en een machtsvacuüm na Saddam Hoessein, waardoor het islamitisch fundamentalisme aan kracht won. Hierdoor komen de personages terecht in een hels labyrint van verschillende strijdende facties en een botsende strijd der ideologieën. De oorlogslogica ontneemt hen echter de mogelijkheid om existentiële, morele vraagstukken te beantwoorden over wie of wat ze zelf nog zijn, of waar ze goed aan doen in de gegeven omstandigheden. Ze volgen alleen nog hun primitieve instinct, een impuls die uiteindelijk de grootste twijfels en angsten oproept bij de Irakezen die wél wisten te ontsnappen aan de oorlog.

    Ook de overlevenden, die soms zelfs hun weg hebben gevonden naar het Europese vasteland, hebben het zwaar te verduren. In De Wolf duikt er plotseling een wolf op in de flat van een Iraakse asielzoeker in Finland. Het is een gewelddadige fantoomverschijning – bijna een sprookjesfiguur- die voor de doodsbange man echter is dan de banale gebeurtenissen in zijn troosteloze bestaan. Alleen zijn seksuele verlangen naar twee aantrekkelijke tienermeisjes (jehova’s getuigen) houdt hem op de been als hij zich angstvallig verstopt in z’n badkamer.
    In De Mestkever heeft een ik-verteller innerlijke monologen met een (al dan niet ingebeelde) dokter. Deze figuur wil gered worden van de pijn die ‘als een reusachtige, goedaardige mestkever’ hem voortsleept alsof hij gevangen zit in een mestbal.

    De overlevenden lijden het meest onder psychische machteloosheid. Ze zijn niet in staat om te reageren op de spookverschijningen die hun trauma’s levend houden. Alleen al omdat zij, in tegenstelling tot zoveel mede-Irakezen, het geweld hebben overleefd en de kans hebben gekregen om hun leven in het buitenland op te bouwen. Het is de onmogelijke, schuldbewuste positie van Hassan Blasim zelf, die ook moest vluchten voor het oorlogsgeweld, die resoneert in de zoektocht van deze ik-vertellers. Aan de ene kant voelen deze overblijvers ergens een morele verantwoordelijkheid en een noodzaak om hun gestorven landgenoten waardig te eren, maar aan de andere kant is juist hun beeld vertroebeld omdat zij erop terugkijken als migranten. Ze moesten hun identiteit opnieuw vormgeven om verder te kunnen. Het gevolg is een extra gevoel van controleverlies en innerlijke pijn, omdat ze niet alleen hun oorlogstrauma moeten verwerken maar ook te maken krijgen met vervreemding als ze zich aanpassen in een nieuwe leefomgeving.

    Misschien is het titelverhaal ‘Lijkententoonstelling’ het meest exemplarisch voor de schrijfstijl van Hassan Blasim. Zoals veel van de andere verhalen is het opgezet als een schuldbekentenis van een onbetrouwbare ik-verteller. Een ondergeschikte luistert naar de instructies die een hogergeplaatste geeft over een zogenaamde lijkententoonstelling, waarbij de overblijfselen van ontzielde mensenlichamen worden omgebouwd tot macabere kunstobjecten. De gruwel wordt kunst en de kunst wordt een propagandamiddel om angst en verwarring te zaaien. Blasim geeft vooral het woord aan de geperverteerde lijkenkunstenaar, terwijl de ik-figuur niks anders kan doen dan meegaan in het retorische overwicht van iemand die hem kan (en zal) vermoorden bij enige tegenspraak.

    Hassan Blasim schrijft stilistisch knap proza. Zoals bijvoorbeeld in het eerder genoemde  titelverhaal, waarin hij met minimale middelen – namelijk een simpele dialoog tussen een ik en een tweede spreker- de onmachtige positie van zijn antihelden uiteenzet. Het kale taalgebruik in ‘Lijkententoonstelling’ spreekt tot de verbeelding, omdat het in haar gepresenteerde soberheid evenzoveel vragen oproept als beantwoordt. In de beste verhalen gaat de auteur onverbiddelijk naar de kern toe, zonder een mooie zin of een dromerige sfeerbeschrijving te veel. En toch weet Blasim ook een lyrische, poëtische schoonheid te vinden in de wanstaltige lelijkheid die hij schetst. Het vertelritme is namelijk onverminderd opzwepend en hallucinant, als een absurdistische koortsdroom die een vervreemdende afstand schetst tot het afgrijselijke menselijke leed dat wordt beschreven.

    De kracht van Hassan Blasim schuilt in zijn vermogen om de identiteiten van zijn personages te laten verglijden met de oorlogsmachinaties waar ze in terecht zijn gekomen. Hun egocentrische motieven worden niet verklaard, gepsychologiseerd of met sentimentele clichés onschadelijk gemaakt. Blasim oordeelt namelijk niet over de schuldvraag van zijn personages, die laat hij voor de lezer open. De huurmoordenaar en de politieagent handelen omdat de oorlog hen daartoe aanzet, hun eigen wil is daarbij uitgevlakt. Voor de migranten die het overleefd hebben, is de schuldvraag irrelevant omdat zij niks terug kunnen draaien en alleen nog hun spookverschijningen hebben. En Blasim is daarin zelf als de morbide ‘lijkenkunstenaar’: een wreedaard die in gelijke mate parasiteert op het leed van anderen en daaruit schoonheid schept, terwijl hij tegelijkertijd de lezer impliceert om voorbij eenduidige hokjes te denken als dader en slachtoffer.