• Oogst week 27 – 2023

    Ideeën – Het boek Le Grand

    Welke passage over de liefde zou beroemder zijn: Korintiërs 1 vers 13 of ‘Es ist was es ist, sagt die Liebe’? De laatste zin komt van dichter Heinrich Heine, de geestelijk vader van onder andere Die Lorelei. Als vertegenwoordiger van de Romantiek vermengt hij in zijn oeuvre bittere ernst met zwartgallige humor, mislukking met triomf, liefde voor kunst met maatschappijkritiek. Hij waarschuwt zelfs voor regimes die boeken verbranden, want zulke regimes zullen hetzelfde met mensen doen. Dat hij tijdens het Derde Rijk logischerwijs zélf onder ‘entartete Kunst’ viel, heeft zijn status allerminst bezoedeld. Eén van zijn vroegste prozawerken uit 1827, Ideen – das Buch Le Grand, kent eindelijk een Nederlandse vertaling van Ria van Hengel. In dit boek toont Heine zich de humorist én criticus van wie Duitsland zo veel houdt.

    In Ideeën – het boek Le Grand vertelt Heine over zijn jeugd en eerste liefdes, zijn bewondering voor revolutionair Napoleon én een bijzondere trommelaar. Even beroemd als Oskar uit Die Blechtrommel van Günter Grass is deze monsieur Le Grand weliswaar niet, maar de drummende tamboer-majoor dicteert wel de cadans waarin Heine schrijft. Zo blijft de dichter Heine altijd aanwezig in de bij vlagen polemische, journalistieke teksten. Het verbaast overigens niet dat talloze schrijfsels van Heine postuum tot lied zijn omgetoverd. Uiteindelijk kiest de romanticus voor een leven (en levenseinde) in Parijs. De opmaat naar deze zelfgekozen emigratie klinkt al door in Ideeën – het boek Le Grand. Weggaan doet zeer, maar hoe zit dat met weten dat je ooit weg zult gaan?

    Ideeën - Het boek Le Grand
    Auteur: Heinrich Heine
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. van Oorschot

    Het volle leven

    De ultieme inspiratiebron van Charles Bukowski heet John Fante (1909 – 1983). Dat belooft wat. Deze zoon van een Italiaanse immigrant maakt in de jaren ’30 furore met de boeken Wait until spring, Bandini en Ask the Dust. Aangezien Fante uitwijkt van Colorado naar Los Angeles, wordt één aantrekkelijk scenario bewaarheid: hij mag filmscripts gaan schrijven. Maar waar zijn eerste twee romans zeer geschikt zijn voor het witte doek, zit dat anders met de biografische roman Het volle leven, origineel Full of Life (1952). Het blijkt een romcom, zonder dat er echt iets te lachen valt. Niettemin wordt het boek een gigantisch commercieel succes. Zonder gêne kiest Fante voor de Amerikaanse droom van financiële onafhankelijkheid: “My business in life is to save myself. (…) I shall not dirty my hands trying to save the masses.” Scoren dus.

    Deze lelijke waarheid, waarover Fante altijd eerlijk is geweest, verweeft hij in al zijn boeken. In het voorwoord van Het volle leven noemt Jaap Scholten John Fante de grootmeester van het verlangen. Inderdaad is verlangen de drijvende kracht achter de American Dream, waar Full of Life aan appelleert: nooit is het genoeg, altijd lonkt de belofte naar meer. Tegelijk laat Fantes carrière zien hoe gewoontjes en toevallig het leven van een schrijver in een stroomversnelling raakt. Pas als filmscenarist begint hij de successen te boeken die hem uit de armoede van zijn jeugd sleuren. Het volle leven is zo Amerikaans als wat: ene John krijgt vrouw en kind, maakt ruzie met zijn bemoeizuchtige Italiaanse ouders én worstelt zich omhoog in de arena van Los Angeles. Want net als nu, was het toen flink sappelen voor de broodschrijvers in Hollywood…

    Het volle leven
    Auteur: John Fante
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    De amuletten van de liefde en van de wapenen – een trilogie

    Kort na de Tweede Wereldoorlog verschijnen drie liefdesverhalen van Andreas Embirikos. Hij is Griekenlands beroemdste psychoanalyticus en surrealist. Argo of de Ballonvaart, Zemfyra of het Geheim van Pasiphaë en Beatrice of de Liefde van Buffalo Bill komen pas in 2012 als drieluik samen tot De amuletten van de liefde en van de wapenen. In deze trilogie verkent Embirikos de grens tussen lust en liefde en kiest hij voor een vrijzinnige ondertoon. Dit deed hij overigens al eerder in het erotische O Megas Anatolikos. Anders gezegd: niet voor niets kent het fenomeen ‘porneia’ zijn oorsprong in het oude Griekenland. Argo speelt zich af in Zuid-Amerika, Zemfyra in Parijs en Beatrice in de VS. De liefde komt voorbij in respectievelijk goede vs. slechte lust, relatietherapie en ware liefde.

    Vertaler Hero Hokwerda merkt op dat moderne Griekse literatuur allang niet meer hoofdzakelijk doordrenkt is met de mythologie uit de Klassieke Oudheid. Deze ontwikkeling dankt zij mede aan modernisten als Andreas Embirikos. Toch dringt de associatie met een zwaarwegende, eeuwenoude traditie zich op in De amuletten van de liefde en van de wapenen. Argo is de boot waarop Iason en de Argonauten koers zetten naar Het Gulden Vlies. Pasiphaë bevalt van de beroemde Minotaurus na gemeenschap met een witte stier. En Beatrice is de muze van niemand minder dan Dante Alighieri, de schrijver van De Goddelijke Komedie. Je zou haast denken dat er alleen over erotiek geschreven mag worden, zolang de grote namen een eervolle vermelding krijgen. Rode oortjes vallen niet op onder het schijnsel van een aureool.

     

    De amuletten van de liefde en van de wapenen - een trilogie
    Auteur: Andreas Embirikos
    Uitgeverij: Ta Grammata
  • Socialere context in autobiografische novellen

    De kelder

    Alle boeken van Thomas Bernhard (1931-1989) lijken op elkaar, alleen is het ene nog beter dan het andere. De autobiografische reeks van vijf novellen over de eerste twintig jaar van zijn leven waaraan Bernhard midden in zijn schrijverscarrière begon te schrijven, heeft binnen zijn oeuvre een speciale status verworven. De auteur doorbrak met deze novellen de lijn van een reeks romans en verhalen met geïsoleerd levende zonderlingen als hoofdpersoon. Alsof hij zich wilde verantwoorden waarom hij tot dusver altijd voor zonderlingen als personages had gekozen. Maar wellicht was er ook de drang om een gevoel van vernedering, van schaamte van zich af te schrijven. Want afgezien van de crisisjaren en de oorlog verliepen de vroege levensjaren van de als ongewenst geboren en door zijn moeder verstoten jonge Thomas Bernhard niet eenvoudig.

    Resoluut rechtsomkeer

    Met de verhaallijn van zijn eigen leven ontstond vanzelfsprekend een socialere context in plaats van de eendimensionaal uitgetekende figuren die tegen een geabstraheerd decor in een nagenoeg plotloos proza verzinken in hun eigen gedachtenspinsels. Deze novellen over zijn jeugd – alle vijf verschenen bij uitgeverij Vleugels – kunnen tot zijn meest toegankelijke werk gerekend worden. De sociale betrokkenheid die er bij tijd en wijle doorheen schemert, is uitzonderlijk in Bernhards oeuvre. De novellen De Kelder (1981) en De Kou (1978) gaan over de sociale misère en grauwheid die het naoorlogse Salzburg in zijn greep hield. Er wordt de existentiële kern van leven en dood in aangeboord. De ontgoocheling en nooddruft in het naoorlogse, verscheurde Oostenrijk gaven daartoe aanleiding. Daarbij heeft Bernard zijn talent voor zwarte humor niet onbenut gelaten.

    De kelder (1976) gaat over Bernhards ervaringen in een kruidenierszaak waar hij in 1947 als zestienjarige ex-gymnasiast belandde. Op de eerste pagina maakt de ik-verteller op weg naar school, resoluut rechtsomkeert om in ‘tegengestelde richting’ naar het arbeidsbureau te gaan. Daar kiest hij voor een – niet voor de hand liggende – betrekking bij de levensmiddelenwinkel van buitenstaander Karl Podlaha, gelegen in de Salzburger achterstandswijk Scherzhauserfeld, die in Bernhards hyperbolische vocabulaire als ‘wanhoopsgetto’ en ‘voorhel’ wordt aangeduid. Deze abrupt genomen beslissing om zijn gehate school te verlaten voor een simpel baantje, loopt als een terugkerend Leitmotiv door deze novelle. ‘Twee mogelijkheden heb ik gehad, dat besef ik ook nu nog, de ene was zelfmoord, waarvoor me de moed ontbrak, en/of het gymnasium verlaten, van het ene moment op het andere, ik had geen zelfmoord gepleegd en was leerjongen geworden.’ 

    Afwijken van het aanvaardbare

    De ondertitel van De kelder luidt: een onttrekking. Een onttrekking aan de stroming, aan het algemeen aanvaardbare, op basis van een intuïtief genomen besluit blijkt uiteindelijk levensreddend en typeert de naamloze ik-persoon. De alwetende verteller permitteert zich hier en daar af te wijken van de werkelijke levensloop van Bernhard en stuit de lezer op verschillende passages waarin de taal wordt beschouwd als een ontoereikend instrument om de waarheid te dienen. De tekening van het verhaal is realistischer dan we van hem gewend zijn, maar de focus ligt op de uitvergroting van de geestelijke processen van de ik-persoon die een zelfbewuste groei in autarkische richting doormaakt.

    Diens daad om het gymnasium te verlaten en een burgerlijke carrière inruilt voor een betrekking in de armoedigste buurt van Salzburg wordt uitzonderlijk belicht. Het verhoudt zich onweerlegbaar tot de tegendraadse geesteshouding van de controversiële schrijver zelf. Om de uittekening van zulke geestelijke processen ruimte te geven, neemt het verhaal groteske vormen aan en wordt de omgang van de ik-persoon met de buiten de sociale orde geplaatste outcasts sterk geïdealiseerd. Dat hij na een jaar het baantje even makkelijk vaarwel zegt om zijn roeping in de muziek te volgen, is verhaaltechnisch wat minder geloofwaardig. Maar toont des te meer de geestelijke ontwikkelingslijn in zijn levensverhaal. Het levensreddende, het ontkomen aan de dood, is in feite één lange aanzet tot creativiteit, zijn rijping tot kunstenaar. 

     

    Bestel hier het boek.

     

    De kelder
    Auteur: Thomas Bernard
    Uitgeverij: Vleugels

    De kou

    De novelle De kou; een isolement (1981) begint met de verpleging van de ik-persoon als gevolg van een aan het einde van De Kelder opgelopen kou. Opgenomen in het sanatorium valt hij buiten de groep omdat hij de enige blijkt zonder open tuberculose. Hij moet zijn uitzonderingspositie, tegen de stroom in, bevechten. In een grimmige, sarcastische toon tekent Bernard het verblijf in het sanatorium onder de hoede van een regime van nationaal-socialistische geneesheren. Het is een vijandige omgeving, waar iedereen is gekomen om te sterven. Maar de ik-persoon wil genezen in plaats van sterven. Maar voor zijn eigen bestwil moet hij die wens geheim houden en zijn omgeving, met name de artsen, misleiden. Voor de schijn doet hij mee met de zieken. 

    Voortjagende stijl

    In deze tijd komt hij voor het eerst in aanraking met een boek dat hem raakt: Demonen van Dostojevski. Dat Bernard is beïnvloed door Dostojevskis stijl blijkt zonder meer uit de meeslepende, bijna koortsachtig voortjagende stijl, de drang te overleven in deze wereld, dit waanzinnig doolhof. De ik-persoon neemt zich voor belangrijke zaken te noteren op kaartjes, om ze niet te vergeten: ‘Ik dacht dat ik alles van de vergetelheid moest redden, uit mijn hersenen op de kaartjes, wat er ten slotte honderden waren, want ik vertrouwde mijn hersenen niet, ik was het vertrouwen in mijn hersenen kwijtgeraakt, (…).’ Meer dan in zijn andere boeken wordt met de herhaling van bepaalde sleutelwoorden – zeer typisch voor Bernhard – een existentiële noodzaak blootgelegd. 

    Temidden van al zijn potentiële tegenstanders is er één rots in de branding: ‘mijn grootvader, mijn privéfilosoof’. De ik-persoon – in wie toch echt niemand anders dan de jonge Thomas Bernhard kan worden gezien – schrijft zich hier duidelijk in de voetsporen van zijn grootvader die eveneens auteur was, ‘Tegen de zinloosheid in opstand komen en beginnen, werken, denken in louter zinloosheid.’ 

    Enkel leven voor de kunsten

    De appel valt niet ver van de boom. ‘Mijn grootvader had mij de waarheid verteld, niet slechts zijn waarheid, ook mijn waarheid, de waarheid überhaupt, en daarbij ook meteen de totale vergissing van die waarheden (…) Mijn grootvader heeft altijd de waarheid gezegd en zich volkomen vergist, net zoals ik, net zoals iedereen. We zitten in de vergissing als we denken in de waarheid te zitten, en omgekeerd. Absurditeit is de enige mogelijke uitweg. Ik kende die weg, de weg waarlangs je verder komt.’ De weg die hem tegen de gangbare richting in stuurt. Alleen daar zijn antwoorden te vinden op vragen als: ‘waar kom ik vandaan, waar ben ik thuis?’ 

    Symbolisch voor het geestelijke groeiproces in De kou is dat de ik-persoon eerder opkeek naar een kunstzinnige en eigenzinnige kapelmeester,maar aan het eind de rollen zijn omgedraaid: de ik-persoon is opgeklommen tot voorbeeld voor de kapelmeester. Het ‘ja’ zeggen tegen het leven en het kiezen voor het kunstenaarschap blijken twee loten aan dezelfde stam. De kunstenaar immers, is ‘de van het leven bezetene, de kunstenaar, de verder willende’. Aan het slot is de ik-persoon tot inzicht gekomen dat hij zichzelf beter geneest door weg te blijven van de artsen en dat slechts kunst, met name muziek, hem ware genezing kan bieden.

    Levenslessen

    Nadat Bernhard met deze autobiografische verhalen zijn levensweg had uitgetekend en zijn uitzonderingspositie rechtvaardigde, sneed hij in de daaropvolgende boeken een luchtiger soort nihilisme aan met meer ruimte voor het impliciet komische in de clash tussen waan en werkelijkheid. Meer speelruimte voor de lachfilosoof en de levenskunstenaar. Hoofdpersonen uit zijn latere werk blijken een stuk levensvatbaarder. Ze hebben zich bevrijd uit hun zelfbedrog en lopen zich niet langer te pletter in blinde wanen. Alsof ze zich hebben laten inspireren door de levenslessen uit de autobiografie van Thomas Bernard, hun geestelijke vader. 

     

    Bestel hier het boek.

    De kou
    Auteur: Thomas Bernard
    Uitgeverij: Vleugels (2021)
  • De mens staat niet boven het dier

    De mens staat niet boven het dier

    Is De wand van Marlen Haushofer een feministisch boek? In het voorwoord bij de recent verschenen heruitgave van de Nederlandse vertaling vindt Marja Pruis dat er niet dik bovenop liggen, ‘of het zou de lichte ondertoon moeten zijn die rept van een ongelukkig gezinsleven dat achtergelaten is en vervreemding van ouder wordend nageslacht. En het feit van een sterke vrouw die overleeft, en alle angst, passiviteit en ijdelheid achter zich laat. Maar zo valt alles wel tot de baarmoeder te herleiden’. Pruis voegt er niettemin de opmerking van Doris Lessing aan toe ‘dat dit boek in elk geval alleen door een vrouw geschreven [had] kunnen worden, omdat alleen een vrouw met zoveel toewijding het dagelijks bestaan kan beschrijven als een strijd tegen al die elementen die uit zijn op ondermijning en vernietiging’. Dat lijkt Lessing goed gezien te hebben. Uit tal van analyses van De Wand die sinds de oorspronkelijke publicatie van de roman zijn verschenen, blijkt dat de feministische inslag wel degelijk meer dan oppervlakkig herkend kan worden.

    De wand is het verslag dat een niet bij naam genoemde vrouw tussen 5 november en 25 februari van niet nader genoemde jaren schrijft over een periode van tweeënhalf jaar waarin ze veroordeeld is tot een solitair bestaan na een mysterieuze ramp.

    Gladde, koude weerstand

    De vrouw is op 30 april door haar nicht Luise en haar man Hugo uitgenodigd om drie dagen in hun jachthuis te verblijven. De vrouw is dan twee jaar weduwe en moeder van twee volwassen dochters. Hugo en Luise vertrekken kort na haar aankomst nog even met de hond Luchs naar het dorp in de buurt, maar de volgende morgen ontdekt de vrouw dat ze ’s nachts niet zijn teruggekeerd. Alleen Luchs heeft zich weer gemeld. Met hem gaat ze op zoek naar de twee vermisten en stuit onderweg naar het dorp op ‘een gladde, koude weerstand op een plaats waar zich toch niets anders kon bevinden dan lucht’.  Ze noemt die onzichtbare blokkade de wand. Aan de andere kant ervan lijkt alle leven weg. Ze ziet bijvoorbeeld hoe een man bij een pomp wel zijn hand naar zijn gezicht strekt maar in die houding versteend is. Alle leven achter de wand is dood, behalve de vegetatie, zoals later zal blijken. Die zal op den duur alles overwoekeren.
    Vanaf het moment dat ze op de wand botst aanvaardt ze langzaam dat ze de enige overlevende mens is. Toch is ze niet alleen. Er zijn dieren waarmee ze zich omringt. Luchs natuurlijk, maar later ook een moederkat met de kittens Tiger en Perle, en de koe Bella en haar kalf dat door de vrouw Stier wordt genoemd. Ze ontwikkelt met deze dieren een relatie die steeds gelijkwaardiger wordt.

    Dreiging

    De roman is van aanvang af geladen met een dreiging die het verhaal voortstuwt. Doorlopend is dat de vraag hoe de vrouw en haar dieren het redden, hoe ze aan voldoende eten komen, de motivatie om door te leven en de onzekerheid of ze echt alleen zijn. De dreiging is er ook door de vraag hoe de wand ontstaan kan zijn. Af en toe zinspeelt de vrouw op een vijand die hem gewild heeft en vraagt ze zich af waar de vliegtuigen van de overwinnaars blijven. In de tijd dat ze Hugo en Luise bezocht was ‘er voortdurend sprake van kernoorlogen en de gevolgen ervan’. In de auto van Hugo zit een radio waaruit alleen wat geruis komt, zodat ze van elke informatie verstoken is. Maar vooral wordt de spanning opgevoerd door de herhaalde meldingen in het verslag die beginnen met: ‘Sinds Luchs dood is’. Het wordt duidelijk dat diens dood de reden is waarom de vrouw aan haar verslag is begonnen, maar de oorzaak ervan komt de lezer pas laat te weten in een dramatische climax.

    Het is bij dit alles interessant om te zien wanneer de Oostenrijkse Haushofer De wand schreef. Dat was in 1963. De Koude Oorlog was een feit, in Berlijn was de Muur gebouwd en er was de dreiging van gebruik van kernwapens. De toespelingen op een kernoorlog en de wand zelf lijken daarnaar te verwijzen. Een ander aspect is de opkomst in de jaren 60 van het ecofeminisme. Het wordt in Wikipedia omschreven als ‘het idee dat de maatschappelijke mentaliteit die leidt tot de overheersing en onderdrukking van vrouwen in direct verband staat met de maatschappelijke mentaliteit die leidt tot het misbruiken van het milieu’. Het legt de ‘nadruk op het belang van wederzijdse relaties tussen mensen, dieren en de aarde’. In Oostenrijk was die visie in 1963 nog nauwelijks doorgedrongen, zodat Haushofer in zekere zin als een wegbereider beschouwd kan worden.

    Zwakke bokken

    Het is dat ecofeminisme waarmee De wand doordesemd is. De relatie tussen de vrouw en haar dieren wordt steeds gelijkwaardiger. De vrouw zorgt niet eenzijdig voor de koe en het kalf, de katten en de hond, maar die hebben ook zorg voor elkaar en voor de vrouw. Dat strekt zich uit tot de dieren in het wild. Natuurlijk moet er, alleen al voor Luchs, vlees zijn. Daar beschikt de vrouw over door wild te schieten met het in het jachthuis aanwezige geweer, maar ze kiest er daarbij nadrukkelijk voor om alleen zwakke bokken te doden of stervende dieren te slachten. ‘Het enige wezen in het bos dat werkelijk recht of onrecht kan doen, ben ik’, beseft ze. ‘Liefhebben en voor een ander wezen zorgen is een uiterst moeilijke zaak, en veel moeilijker dan doden en vernietigen’. De twee moordlustigen waarmee zij in het begin van de roman te maken heeft waren de jagers Hugo en Luise; de laatste was zelfs een ‘hartstochtig jaagster’. Maar ze zijn verdwenen achter de wand.
    Het is niet vreemd dat de mannenwereld, maar ook de mensheid als zodanig, het in De wand moeten ontgelden. Mannen die een liefdeloze technocratische wereld hebben gecreëerd die zichzelf boven de natuur plaatst.

    Drie uur

    Haushofer geeft haar visie niet expliciet een christelijke connotatie. Toch is er reden om die te vermoeden. Het lijkt er namelijk op dat het getal drie in de roman een bijzondere betekenis heeft. Ze is van plan drie dagen te blijven bij Hugo en Luise. Als ze voor het eerst tegen de wand stoot staat ze drie keer op om te voelen wat zich er bevindt. Terug in het jachthuis rookt ze haar drie laatste sigaretten op.  Aan deze en tal van andere voorbeelden mag misschien niet te veel gewicht worden toegekend, maar een symboliek lijkt toch zeker te liggen in de vermelding dat het laatste middel om de tijd bij te houden, de wekker in het jachthuis, stuk gaat om drie uur ’s middags. Hij blijft voortaan die tijd aangeven. En het is eveneens drie uur ’s middags als de vrouw aan haar verslag begint. Dan dringt zich toch erg het beeld op van de kruisdood van Jezus om drie uur ’s middags (na een duisternis die drie uur aanhield).

    Haushofer roert veel meer elementen aan dan hierboven genoemd. Ze reflecteert in kernachtige zinnen over persoonlijke verantwoordelijk, angst, vrijheid en verantwoordelijkheid voor je eigen verleden bijvoorbeeld. De wand is echter vooral een roman die onder de dreiging van de grenzen waar onze omgang met de aarde oploopt nog steeds bijzonder actueel is.

    Witte kraai

    Toch blijft schrijver dezes een slotvraagje door het hoofd spoken. Als zich het drama rond de dood van Luchs heeft afgespeeld duikt een witte kraai op, die is verstoten door de zwarte soortgenoten. De vrouw weet dat deze kraai een beroep op haar doet. ‘Hij zit al op me te wachten’ staat er als laatste zin, net zoals bijvoorbeeld in voorgaande versies. In de eerste drukken luidde die slotzin (door dezelfde vertaalster)  ‘Ze wacht al op mij’, geheel conform het Duitse origineel ‘Sie wartet auf mich’. Waarom zou de witte kraai van geslacht zijn veranderd?

    De wand is terecht opnieuw uitgegeven en de uiterlijke verzorging door uitgeverij Orlando is fraai. Toch valt er in bibliografische zin wel wat op aan te merken. In het colofon wordt als Duits verschijningsjaar 1968 genoemd (het was 1963), er wordt niet vermeld dat het een herdruk is (er zijn eerder zeker al acht drukken verschenen bij drie verschillende uitgevers van dezelfde vertaling door Ria van Hengel) en bij het voorwoord van Marja Pruis valt niet te lezen dat het de letterlijke tekst is van haar recensie in De Groene van 24 februari 2010.

     

  • Er staat veel op het spel in de verhalen van Stefan Zweig

    Er staat veel op het spel in de verhalen van Stefan Zweig

    In 1942 publiceerde Stefan Zweig zijn laatste en beroemdste verhaal, Schaaknovelle. Datzelfde jaar voltooide hij zijn memoires en aansluitend pleegde hij samen met zijn vrouw zelfmoord. Uitgave van de novelle vond plaats in Buenos Aires, waarnaar ook de personages uit het verhaal per oceaanstomer op weg zijn en waarheen de schrijver zelf was uitgeweken terwijl de Nationaal-Socialisten de ‘wereld van gisteren’ en zijn droom van een verenigd Europa aan diggelen sloegen. Alle ingrediënten die Zweig tot een geliefd schrijver maken zijn in dit krachtige werkje aanwezig: een gedegen plot, sterke contrasten en veel psychologische spanning. Ria van Hengel vertaalde het opnieuw en plaatste het helemaal achteraan in een verzameling van 18 bekende en minder bekende korte verhalen van de Oostenrijkse succesauteur.

    Aan zet

    Opvallend veel teksten laten zich lezen als een schaakspel, een mentale krachtmeting tussen twee of meer opponenten. De handeling bestrijkt bijna zonder uitzondering een scharnierpunt in het leven van de beschreven personages. Dit geldt bijvoorbeeld meteen al voor het eerste stuk, ‘De gouvernante’, waarin Stefan Zweig een tweetal jonge kinderen ruw laat kennismaken met de hardvochtige wereld der volwassenen. Op een complexere manier doet hij dat later nogmaals in ‘Brandend geheim’, een echt coming-of-age verhaal over een jongen die de strijd aanbindt met de man die zijn moeder wil verleiden. Het kind ziet alles op het spel gezet; moederliefde, zijn wereldbeeld en de onbezoedelde toekomst, en hij vecht met een verbetenheid waaraan het de volwassenen ontbreekt. Zoals vaak bij Zweig culmineert de worsteling in een nieuwe geestelijke balans, die een rijker maar eveneens duurzamer gevoelsleven mogelijk maakt.

    Naast inhoudelijke overeenkomsten tussen de diverse stukken, geschreven in een tijdsbestek van ruim veertig jaar, is ook de stijl van Stefan Zweig heel consistent. Dit zit onder meer in het barokke taalgebruik, dat soms passend maar soms ook wat ‘too much’ is. Zoals hier: ‘En toen is die knaap de hoge kasteeltrap weer afgegaan naar de tuin, die donkere kring waar de hemel matglanzend omheen ligt als een aureool en waar een volle, door vele onzichtbare bloemen uitgeademde geur hem lokkend tegemoet trilt (uit ‘Verhaal in de schemering’). De beelden die worden gebruikt, bijvoorbeeld om de natuur te beschrijven, zijn accuraat maar een tikje uitgesleten. Zweig gebruikt vrij veel woorden en moduleert weinig in het tempo waarin een plot zich ontwikkelt. Qua structuur gaat het meer dan eens om een verhaal in een verhaal of raamvertelling, maar een experimenterend karakter krijgt de vertelwijze nooit.

    Onbeantwoorde liefde

    Door de thematische en stilistische verwantschap binnen de verzameling laat Fantastische nacht en andere verhalenzich lezen als variaties op een thema, met een opmerkelijk constante kwaliteit. Binnen dit aangename landschap is ‘Brief van een onbekende’ één van de beste stukken. Het heeft een eigen reputatie, mede door de klassieke verfilming van Max Ophüls (Letter from an unkown woman, 1948). Een man ontvangt een brief waar als opdracht boven staat; ‘Voor jou, die mij nooit gekend heeft’. Hij pakt de brief op en de lezer leest rechtstreeks mee.

    Aan het woord is een vrouw die in haar vroege puberjaren verliefd wordt op de nu aangeschreven man en hem haar hele leven trouw blijft. Hij heeft haar nooit herkend als degene die hij een vriendelijke blik schonk, noch de grootsheid van haar gevoelens nadien gepeild. Zonder wrok schrijft ze haar levensverhaal op en lucht ze haar hart, deze ene keer en louter op papier. Het beschreven fenomeen doet wat denken aan de Bieber-mania die menig tienermeisje de afgelopen jaren in z’n greep had. (Het achttienjarige popicoon Billie Eilish, inmiddels zelf een aanbeden superster en nog met reden ook, was zo’n meisje. Ze vertelt daarover dat dit voor haar een reële liefde was, die ze als perfect heeft ervaren zonder dat ze Justin Bieber ooit sprak of ontmoette.) De onbekende briefschrijfster kwam haar liefdesideaal wel in levenden lijve tegen, maar wachtte vergeefs op (h)erkenning. Deze vrouw bracht het ene offer na het andere en zette zichzelf uiteindelijk schaakmat in een voor haar opponent onzichtbaar gebleven partij. Ook na het uitlezen van de brief herinnert de man zich de vrouw niet.

    De gehele verzameling van Fantastische nacht en andere verhalen overziend wekt het geen verbazing dat Stefan Zweig, zelf zo geworteld in het eerste deel van de 20e eeuw, nog steeds een geliefd auteur is. De korte verhalen die hij schreef zijn zeer toegankelijk en gaan over situaties die er echt toe doen in een mensenleven, momenten die om een beslissende zet vragen. Intense emoties of ervaringen worden ontrafeld en zo gepresenteerd dat ze, al is het maar als concept, herkenbaar zijn. Een literaire vernieuwer was Zweig niet en hij bespeelt vooral stilistisch een beperkt register, wat des te duidelijker wordt wanneer de achttien verhalen in deze fraaie uitgave achter elkaar worden gelezen. Toch blijven ook dan pareltjes als ‘Brief van een onbekende’ en ‘Schaaknovelle’ indruk maken.

     

     

  • Fotosynthese 15 – Op zoek naar een verborgen verleden

    Fotosynthese 15 – Op zoek naar een verborgen verleden

    Eén van de beelden uit mijn jeugd dat me is bijgebleven is het verschraalde hout van de knielbanken in onze kerk toen ik na een afwezigheid van enkele maanden in mijn geboortedorp terugkeerde. Ik verliet het dorp  voor het eerst op mijn twaalfde, een klein, in zichzelf gekeerd plaatsje in een katholiek landschap. De terugkeer in de herfstvakantie van mijn kostschool voelde vervreemdend. Alles was kleiner dan ik me herinnerde, de boerenerven, de school, de straten, de afstanden. In de kerk zag ik ineens dat het hout van de knielbanken verschraald was. Wat ik mij als glanzend gelakt herinnerde, was verdroogd en verweerd. Dat beeld van die kerkbanken komt terug als ik leegstaande oude huizen zie, het rottende hout, de scheef hangende deuren, een verweerde geschiedenis. Het overkomt me ook bij foto’s. 

    Toen er eind 2019 vier heruitgaven verschenen van het werk van W.G. Sebald met nieuwe omslagillustraties, pakte ik mijn exemplaar van Austerlitz uit de kast waarop de op mij dierbare stofomslag de kleine ‘Jacquot’ te zien is, gekleed voor een gemaskerd bal. Het boek viel open op pagina 215 en de daarop volgende pagina’s, waarop foto’s staan van dichtgetimmerde gevels en verrotte deuren. Als verwijzingen naar wat Jacques Austerlitz aantrof in zijn geboortedorp toen hij er na tientallen jaren terugkeerde, op zoek naar sporen van zijn kindertijd en zijn moeder.
    Eén van die foto’s deed me denken aan hoe Georges Perec zijn vroegste jeugd en zijn moeder zocht in de rue Vilin in Parijs. En plotseling drongen zich allerlei parallellen aan mij op tussen de verhalen van Perec en Austerlitz. 

    Joodse wortels

    Austerlitz kwam op zijn vierde jaar met een kindertransport vanuit Praag naar Engeland en werd opgevoed in een (streng) domineesgezin in Wales. Pas veel later in zijn leven, als hij zich afvraagt waar zijn achternaam vandaan komt, ontdekt hij dat zijn Joodse wortels in Praag liggen. In die stad op zoek naar het verleden van zijn vader en moeder en komt onder andere in het vestingstadje Terezín (Theresiënstadt). Hij beschrijft op indrukwekkende wijze de sfeer van het stadje: ‘het afwijzende karakter van de zwijgende gevels, waar achter de blinde ramen nergens een gordijn bewoog (…) Maar het luguberst vond ik de deuren en poorten van Terezín, die naar mijn gevoel allemaal de toegang versperden tot een duisternis waarin nog nooit iemand was doorgedrongen en waarin (…) niets anders meer bewoog dan de van de muren afbladderende kalk en en de spinnen die hun draden weefden’ (vertaling Ria van Hengel). Dat is een taal die de onbeschrijfelijke diepte van gemis onder woorden weet te brengen. Sebald doet dat niet alleen in woorden. Hij illustreert zijn boeken vaak met zelfgemaakte foto’s om zo dicht mogelijk bij de echtheid van wat hij beschrijft te komen. Daarmee benadrukkend dat we het verhaal achter de zwijgende gevels nooit ten diepste zullen kennen. 

    Jacques Austerlitz is een fictief personage, maar zijn verhaal is dat tot op zekere hoogte niet. Geïnspireerd door een documentaire uit 1991 over de Joodse Susi Bechhöfer, schreef Sebald Austerlitz. Susi en haar tweelingzus Lotte kwamen, drie jaar oud, in 1939 met een kindertransport vanuit München naar Cardiff, Engeland en werden opgenomen in een streng domineesgezin. Treffend detail is dat de zusjes en Sebald op dezelfde dag, 18 mei, jarig waren. Lotte overleed op haar tiende. Susi had een gruwelijke jeugd en mede daardoor ging ze pas laat op zoek naar haar afkomst. In 1996 verscheen van haar Rosa’s Child: The True Story of One Woman’s Quest for a Lost Mother and a Vanished Past. (Dat Sebald haar verhaal gebruikte zette overigens kwaad bloed bij Susi Bechhöfer).

    Huis aan de rue Vilin

    Georges Perec had geen fictie nodig om een dergelijke zoektocht te beschrijven, bij hem ging het om vaag bekende gegevens. Hij wist waar hij geboren was, en wie zijn (Pools-Joodse) ouders waren en toch was hij zijn afkomst kwijt. De in 1936 geboren Georges werd al vroeg wees. Zijn vader kwam om door een granaat in 1940. Toen de razzia’s tegen vooral buitenlandse  Joden in Parijs begonnen, werd Georges eind 1942 ondergebracht bij een oom en tante in Villard-de-Lans en kort daarna in een kindertehuis aldaar. Zijn moeder, een kapster, bleef achter in Parijs. Hij zou haar nooit meer zien. Op 2 februari 1943 werd ze op transport gezet naar waarschijnlijk Auschwitz. Georges was toen zeseneenhalf jaar. Die eerste zes jaar van zijn leven bracht hij grotendeels door in een huis aan de rue Vilin. In 1969 zou hij schrijven dat hij daaraan geen enkele herinnering heeft, ‘noch aan de plek, noch aan de gezichten’. 

    Het bracht hem ertoe in datzelfde jaar die straat op te zoeken om deze heel precies te beschrijven. Die exercitie herhaalde hij tot 1975 nog enkele keren. Het verslag daarvan (opgenomen in Ik ben geboren) laat in al zijn kaalheid zien hoe het verleden, dat hij niet kende, zich steeds verder verwijderde, de notities worden steeds korter.

    Weergave van de tragiek

    In 1969 schrijft hij (vertaling Rokus Hofstede), ‘Op nr 24 (het huis waar ik eens woonde), Eerst een gebouw met één verdieping en op de begane grond een deur (niet meer in gebruik), helemaal rondom nog verfsporen en erboven, nog niet helemaal uitgewist, is het opschrift ‘DAMESKAPSALON’ nog te lezen. 

    In 1970: ‘Op nr. 24 zit er op het binnenplaatsje een kat op een kolenbunker. Het opschrift DAMESKAPSALON is nog leesbaar.
    In 1971 : ‘Op nr. 24: dameskapsalon (niet de winkel, alleen het spoor van de op de muur geschilderde winkelnaam)’.
    In 1972: ’24 nog steeds intact’.
    In 1974: ‘Nrs 18 en 22 zijn hotel-cafés die nog overeind staan, net als nrs. 20 en 24’.
    In 1975 noteert Perec na zijn bezoek opnieuw maar één regel. Over nr 24 niets. Een weergave van de tragiek dat ook Perec in een poging dichterbij zijn kindertijd te komen, in de woorden van Sebald, ‘het afwijzende karakter van de zwijgende gevels’ ervaart.

    Ik heb mijn ouders – anders dan Jacques Austerlitz, Susi Bechhöfer en Georges Perec, tot aan hun dood gezien. Ik ken mijn afkomst. Ik mag mijn jeugd totaal niet vergelijken met de hunne. Toch is de verschraalde kerkbank een sleutel om de schrijnende verschijning van hun deuren en gevels beter te begrijpen als ‘versperde toegangen tot een duisternis’. 

     

    Afbeelding: Perec voor Rue Vilin 24 (Filmstill uit ‘Rencontres avec Georges Perec’| Archive INA)


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • Als kind in voortdurende angst geleefd

    Als kind in voortdurende angst geleefd

    Christine Lavant geldt als een van Oostenrijks belangrijkste schrijvers. Nochtans belandde haar werk in een vergeethoekje. Pas recentelijk is de belangstelling weer opgebloeid en inmiddels wordt gewerkt aan een uitgave van haar verzameld werk. Das Kind is een van haar eerste prozawerken, en tevens ook het eerste in het Nederlands vertaalde werk van Christine Lavant. Het leven en werk van deze schrijfster wordt gekenmerkt door heel wat tegenstrijdigheden, maar veel daarvan zijn terug te leiden naar haar precaire gezondheidstoestand die haar hele leven beïnvloedde.

    Lavant werd in 1915 als Christl Thonhauser geboren in het Lavantdal in Karinthië, vandaar haar pseudoniem, in een zeer arm gezin. Vanaf haar geboorte leed ze aan de ‘armeluisziekte’ scrofulose, een ontstekingsziekte van de halsklieren, die ook haar huid en ogen aantastte. Door haar ziekte kon ze nauwelijks naar school en had weinig sociaal contact. Als twaalfjarige werd ze in Klagenfurt opgenomen in de oogkliniek. Het Kind is het autobiografische relaas van de traumatische ervaringen in die instelling. Haar toestand was zo ernstig dat de artsen besloten tot een zeer riskante röngtenbestraling.

    Isolement door ziekte

    De scrofulose werd hierdoor wel aangepakt, maar de neveneffecten waren minstens even erg: ernstige brandwonden aan hals en gezicht, ernstige gehoorschade en blijvende helse zenuwpijnen. Haar ogen, oren en hals zaten constant in het verband, waardoor ze zich van de wereld afgesloten voelde. Haar situatie leidde opnieuw tot pesterijen en isolement binnen de muren van het koude, afstandelijke hospitaal. Ze beschrijft in een poëtische taal de ervaringen vanuit het oogpunt van een kind dat het moeilijk heeft. Een kind dat worstelt met zichzelf, met haar ziekte, met het geloof en de afwezigheid van enige vorm van affectie. Haar familie zocht haar tijdens haar verblijf in de instelling nooit op.

    Dit alles leidde tot een voortdurende angst waarin het kind leefde. Deze werd versterkt door de koude omgeving: hoge ziekenhuisgangen, afstandelijke zusters, steriele omgevingen, vijandige andere kinderen. Op bijna elke bladzijde van deze novelle staat het woord ‘bang’ of ‘angstig’. Veiligheid vindt het kind enkel in de hoeken, want dan is het langs twee kanten beschermd. Af en toe probeert het te ontsnappen aan de realiteit door in een droomwereld van sprookjes weg te vluchten.
    Een belangrijke rol wordt ingenomen door de godsvrees van het kind. Dat is op zijn minst tegenstrijdig te noemen. Lavant keerde zich in haar latere leven af van de godsdienst, maar hier weegt ze nog alles af wat ze doet, bang om zonden te begaan. Het kind bidt tot God om haar te helpen, maar vervloekt tegelijk de onmacht waarin het zich bevindt. Wordt ze gestraft omdat ze niet voldoet aan de eisen?

    Ambivalentie en moeilijke relaties

    Die ambivalentie blijft Lavant haar hele leven aanhangen. Zo staat ze bekend als notoir tegenstander van het nationaalsocialisme, bang voor haar situatie als psychiatrisch patiënte, maar tegelijk laat ze zich helpen door vooraanstaande nazi’s. Ook in haar gedichten trekt ze fel van leer tegen God en de kerk, maar anderzijds is ze voortdurend op zoek naar houvast, troost en verlossing bij een god. Ook streefde ze naar roem als dichteres, maar eenmaal bekend wie achter haar pseudoniem schuilging, was ze helemaal niet tevreden. Haar leven en werk vol tegenstrijdigheden uitte zich ook in haar moeilijke mentale en lichamelijke toestand, en meerdere problematische relaties. Meermaals liet ze zich opnemen in klinieken en behandelen door psychiaters. 

    Als dichter bezit Lavant de natuurlijke gave om te spelen met taal. Korte en lange zinnen wisselen elkaar af en vaak ontdekt de lezer meer door wat er niet gezegd wordt. De angsten van het kind schuilen achter en onder iedere frase, uit het geheel spreekt broosheid en kwetsbaarheid. De pijn die Lavant haar hele leven meedroeg, krijgt een vooraanstaande rol in dit korte, maar krachtige verhaal.
    Ondanks dit gevecht tegen en met het leven bouwde Christine Lavant een bijzondere schrijfcarrière op. Vooral voor haar dichtwerk viel ze regelmatig in de prijzen. Ze ontving tweemaal de Georg-Trakl-Prijs en in 1970 kreeg ze zelfs de Grote Oostenrijkse Staatsprijs voor Literatuur. In 1973 stierf ze na een beroerte. Haar werk raakte ondergesneeuwd in de vergetelheid, maar wordt nu weer als vaandeldrager van de Oostenrijkse literatuur geprezen.

     

     

  • Oogst week 14 – 2020

    Het kind

    Christine Lavant (1915-1973), pseudoniem van Christl Thonhauser, was een Oostenrijkse schrijver. Vanaf haar geboorte kampte ze met verschillende gezondheidsproblemen. Toen ze aan longtuberculose en als gevolg daarvan scrofulose leed, werd ze behandeld met röntgenbestraling. De tuberculose genas, maar ze hield er afschuwelijke verbrandingen in haar hals en gezicht aan over. Onder meer haar ogen en oren waren beschadigd en daarnaast werd ze na de behandeling gekweld door zenuwpijnen.

    Deze ervaringen vormden de inspiratie voor Lavants novelle Het kind, nu naar het Nederlands vertaald door Ria van Hengel. Ondanks Lavens fysieke en later ook psychische problemen was ze gelukkig zolang ze schreef en dat geluk maakt deze novelle heel levendig.

    Het kind
    Auteur: Christine Lavant
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Sensorium etc.

    De eveneens Oostenrijkse auteur Friederike Mayröcker (1924) publiceert proza en poëzie. Daarnaast werkt ze mee aan hoorspelen en schreef zelfs een libretto. In het Duitse taalgebied won ze talloze prijzen en in 2001 kreeg ze een eredoctoraat van de Universiteit van Bielefeld. Ze staat bekend als de grand dame van de Oostenrijkse literatuur.

    In Sensorium etc. is voor het eerst een groot aantal gedichten van haar hand gebundeld het Nederlands. Annelie David en Lucas Hüsgen waren verantwoordelijk voor de vertaling. Het oeuvre van Mayröcker, en dus ook deze poëzie, wordt gekenmerkt door haar liefde voor het leven en de wereld. Zelf beschrijft ze haar werk als afbeeldingen die ze in taal verandert door in de afbeelding te klimmen en erin rond te lopen tot die taal wordt.

    Sensorium etc.
    Auteur: Friederike Mayröcker
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Het land van de handen

    Luuk Gruwez (1953) schrijft proza, poëzie, korte verhalen en columns. Deze columns werden onder meer gepubliceerd in De Standaard en De Morgen. Eén van de bekendste werken van Gruwez is het in 1998 verschenen Het land van de wangen. In dit autobiografische verhaal staat het Oosten van Vlaanderen centraal.

    Nu, meer dan twintig jaar later, schrijft hij over de plaats waar zijn wortels liggen: het Westen van Vlaanderen. Het resultaat hiervan is Het land van handen, een mengeling van brieven, dromen en dagboekaantekeningen, allemaal geschreven met een nostalgische ondertoon. Critici loven Gruwez’ stijl, compositie, humor en mededogen.

    Het land van de handen
    Auteur: Luuk Gruwez
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 48 – 2019

    Duizelingen

    Voor de mensen die nog nooit kennis gemaakt hebben met het werk van de Duitse W.G. Sebald, is de recente heruitgave in een reeks van vier titels nu misschien aanleiding om dat te gaan doen. De reeks is verschenen in een opvallend en herkenbaar ontwerp door Moker Ontwerp.
    U kent misschien Austerlitz, het meest bekende boek van deze auteur, omdat u het gelezen of er toch op zijn minst van gehoord heeft. Deze nieuwe reeks moedigt aan om ook in de andere boeken van Sebald te duiken.
    De boeken van Sebald werden door Ria Hengel vertaald en verschijnen bij De Bezige Bij.

    De Duitse W.G. Sebald (1944-2001) was hoogleraar Duitse letterkunde aan de Universiteit van East Anglia. Belangrijk thema’s in zijn werk zijn de Tweede Wereldoorlog, emigranten en buitenstaanders, herinneringen en geheugen. Zijn boeken worden gekenmerkt door melancholie en weemoed en zijn vaak half fictief, voorzien van foto’s die de indruk wekken dat ze overeenkomen met de vertelde werkelijkheid, maar dat lang niet altijd doen.
    Bij uitzondering besteden we in deze Oogst aandacht aan vier boeken van één uitgeverij.

    Duizelingen was het debuut van Sebald. Het werd in het begin van de jaren 90 voor het eerst in Nederlandse vertaling bij Van Gennep uitgegeven onder de mooie titel Melancholische dwaalwegen.

    In Duizelingen (oorspronkelijk verschenen in 1990) maakt een naamloze verteller een reis door Europa, van Wenen naar Venetië, van Verona naar Riva en via de Alpen uiteindelijk naar zijn geboorteplaats, een klein dorpje in Beieren. De melancholische verteller reist niet alleen in het heden, maar ook in het verleden. Zijn hallucinaties, misselijkheid en angsten zijn symptomen die hem verbinden met vroegere reizigers als Stendhal en Kafka. De verteller spint een duizelingwekkend web van geschiedschrijving, biografie, autobiografie, legendes, literatuur en – het onbetrouwbaarst van allemaal – herinneringen.

     

    Duizelingen
    Auteur: W.G. Sebald
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij

    De emigrés

    De emigrés (1992) is een verhalenbundel waarin W.G. Sebald schrijft over een aantal migranten, de meesten van Duits-joodse afkomst en uit hun land verdreven, die heimwee hebben naar hun vaderland. Sebald zelf was ook een migrant, hij koos echter vrijwillig voor een leven buiten Duitsland.

    De hoofdpersonen in De emigrés vertrekken naar Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten, bouwen een geslaagd leven op maar worden op het eind van hun leven gekweld door heimwee naar hun jeugd. Tegelijkertijd realiseren zij zich dat het Duitsland uit hun jeugd niet meer bestaat en dat de nazi’s er een heel ander land van gemaakt hebben.

    Volgens de uitgeverij ‘schildert Sebald – in een oorspronkelijke literaire vorm, die misschien nog het best te omschrijven valt als documentaire fictie – een onvergetelijk portret van vergeten en verdwenen mensen.’

     

     

    De emigrés
    Auteur: W.G. Sebald
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij

    De ringen van Saturnus

    De ringen van Saturnus (1995) wordt het meest Engelse boek van Sebald genoemd. Daarin maakt een man een (denkbeeldige) wandeltocht door het graafschap Suffolk, een dunbevolkt gebied aan de Engelse oostkust dat getuigt van Engelands vergane glorie en vergankelijkheid. De omgeving leidt tot filosofische bespiegelingen over de mensen en culturen die hem voorgingen.
    De ringen van Saturnus houdt het midden tussen rapportage en fictie, autobiografie en geschiedschrijving.

    PatienceAfter Sebald (2012) van de Engelse regisseur Grant Gee is een filmische weergave van de melancholische sfeer van De ringen van Saturnus.

    De ringen van Saturnus
    Auteur: W.G. Sebald
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij

    Austerlitz

    Tot slot Austerlitz uit 2001, het jaar waarin de auteur als gevolg van een auto-ongeluk om het leven kwam. Austerlitz betekende Sebalds internationale doorbraak.
    Het vertelt het verhaal van een Duitse joodse jongen die in 1939 met een kindertransport, zonder zijn ouders, in Engeland aankomt en daar opgroeit bij een ongezellig en weinig warm domineesechtpaar.
    Hij voelt zich ontheemd. Als hij jaren later op zoek gaat naar zijn wortels, zijn naam, zijn familie en zijn vaderland, vindt hij wel iets maar helaas maar weinig.

     

    Austerlitz
    Auteur: W.G. Sebald
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij
  • Vluchten voor de uitbarsting

    Vluchten voor de uitbarsting

    Nobelprijswinnaar Thomas Mann, bekend van onder meer De toverberg en De dood in Venetië, is natuurlijk geen onbekende voor literatuurliefhebbers. Maar wist u dat ook zijn zoon Klaus (1906-1949) geen onverdienstelijke schrijver was? Een omvangrijk oeuvre schreef hij niet, maar hij was wel verantwoordelijk voor een belangrijke gebeurtenis in de Duitse Exilliteratuur van auteurs die na Hitlers machtsovername in 1933 naar het buitenland vluchtten. Daarin werd een aanzienlijke rol gespeeld door de Amsterdamse uitgever Emmanuel Querido, die de oorspronkelijke Duitse uitgave van De vulkaan in 1939 voor zijn rekening nam. Kort na de invasie in 1940 namen de Duitsers echter de volledige oplage in beslag. Het is een heuglijk feit dat de Nederlandse vertaling bijna tachtig jaar later bij dezelfde uitgeverij verschijnt.

    In 1936 schreef Klaus Mann al in zijn dagboek over zijn plannen voor ‘een grote compositie van emigratielotgevallen’. Research hoefde hij daar niet voor te doen: de openlijk homoseksuele en antifascistische schrijver kende het milieu van de emigranten maar al te goed. Na een tussenstop in Amsterdam vertrok hij in 1938 naar de Verenigde Staten, wat wellicht zijn leven heeft gered. De kritiek op De vulkaan was verre van onverdeeld positief: niet iedereen kon de decadente sfeer van de roman, die volgens sommigen wordt bevolkt door ‘louter homo’s en morfinisten’, in even hoge mate appreciëren. In 1949 overleed Mann, pas jaren later was er hernieuwde aandacht voor zijn werk.

    Zelfs naar de hoge normen van de Exilliteratuur, waarvan schrijvers als Joseph Roth, de lat altijd torenhoog hebben gelegd, is De vulkaan geslaagd. Het werd een breedvoerige, gedetailleerde roman die wat tijd en moeite vraagt van de lezer, maar daar staat tegenover dat die een caleidoscopisch, gelaagd beeld krijgt van de vele vormen die het migrantenleven kon aannemen. Mann zette daarvoor een aanzienlijk aantal personages in die allemaal de tijd kregen om tot volle wasdom te komen in dit boek.

    Zo is er de jonge schrijver Martin Korella, openlijk homo en bovendien heroïnegebruiker (of ‘morfinist’, zoals dat destijds heette), een personage dat Mann op felle kritiek kwam te staan. Maar net zo goed bevindt zich onder de ballingen in De vulkaan eveneens Siegfried Bernheim, een steenrijke Joodse bankier, die in feite veeleer een reactionair type is. De situatie gaf zelfs aanleiding tot een vorm van naijver tussen ballingen die door hun ideologische overtuiging weg moesten uit Duitsland, en anderen die werden gedwongen door de omstandigheden, meer bepaald de rassenwetten en het antisemitisme:

    ‘Hoeveel Duitse Joden zouden er niet prima kunnen leven met het hele verschijnsel “nationaalsocialisme” als het nationaalsocialisme niet antisemitisch zou zijn?’ De redenaar stelde die vraag met een onheilspellende strengheid. ‘De absolute barbarij die het nationaalsocialisme is, en waarvan het antisemitisme alleen maar een bijzonder kras, ik zou bijna zeggen pittoresk symptoom is: hoeveel Duits-Joodse bankiers, theaterdirecteuren of hoofdredacteuren zouden daar werkelijk aanstoot aan nemen als ze er niet toe gedwongen werden?!’

    Dit soort passages stemt tot nadenken over de complexiteit van het hele migratievraagstuk en de houding die mensen moesten aannemen ten aanzien van het nazisme, getypeerd met rake zinnen als ‘de tolerante houding tegenover het absoluut slechte komt nooit alleen uit edele motieven voort, maar altijd ook uit lafheid’.  

    Wat de migranten ondanks hun verschillen wel gemeen hadden, was heimwee naar ‘het land van Goethe en Kant’, een voortdurend gevoel van desolate ontreddering, ‘de monotonie en de rusteloosheid van het ontheemde leven’. In het licht van het huidige migratievraagstuk is het boek zelfs verrassend actueel en kan het misschien zelfs tot meer begrip leiden voor mensen die nu nog hun land met tegenzin ontvluchten voor oorlog en vervolging.

    In feite is er niets veranderd: ook in de jaren dertig zag niemand de berooide Duitse ballingen graag komen en moesten ze hun toevlucht nemen tot schijnhuwelijken, luizige baantjes enzovoort. En ook zij werden allemaal over dezelfde kam geschoren, zelfs al ging het om een zeer heterogeen gezelschap van intelectuelen, kunstenaars, communisten, Joden enzovoort. Toch was hun ballingschap geen keuze, ze moesten vluchten voor hun leven terwijl ze de ‘gloeiende adem’ van de rommelende vulkaan voelen, al koesterden velen nog de ijdele hoop dat Hitler niet zo hard van stapel zou lopen:

    Nu vroegen ze zich bezorgd af: hoe ver kunnen de nazi’s gaan voordat Engeland en Frankrijk hun geduld verliezen? Ergens moet toch een grens zijn, dat dachten ze allemaal. Zal Hitler voor die grens terugdeinzen? Durft hij tot het uiterste, het afschuwelijkste te gaan?

    Mann kon zoals gezegd zelf op tijd ontkomen naar de Verenigde Staten, maar keerde na de oorlog terug naar Europa. In 1949 kwam hij om door een overdosis slaappillen. De wereldbrand had hij dan wel overleefd, maar zoals hij al in De vulkaan had geschreven, waren alle problemen daarmee niet van de baan: ‘Het leven stagneert niet, gaat verder, brengt verrassingen, veranderingen, sensaties, pijn, klein geluk, heftig verdriet, verveling, lust, vermoeidheid, honger, angst, teleurstelling.’

    Tot slot nog iets over de vertaling van dit boek, die Ria van Hengel met veel vakmanschap tot een goed einde heeft gebracht. Het is aan haar te danken dat we onder meer W.G. Sebald en Elfriede Jelinek zo soepel kunnen lezen in het Nederlands, en ook in het geval van Klaus Mann zorgt zij met haar trefzekere woordkeus, lenige stijl en feilloos gevoel voor ritme en register voor een superieure leeservaring. Het belang daarvan kan niet worden overschat. Vergeet het cliché dat vertalers onzichtbaar moeten zijn: elke vertaler doet het anders en De vulkaan is een meesterstuk van het vertalersambacht.

     

     

  • De man die wachtte

    De man die wachtte

    Misdaadromans zijn onwaarachtig en doen de werkelijkheid geweld aan. De handeling die de misdaadauteur creëert gaat uit van strikte logica en een wereld die behapbaar is. ‘Maar’, zo betoogt politiecommandant H. in de eerste hoofdstukken van De belofte, ‘als jullie verder willen komen, bij de dingen, bij de werkelijkheid, zoals dat mannen past, moeten jullie die volmaaktheid laten varen, anders blijven jullie vastzitten, bezig met nutteloze stijloefeningen’.

    Het verhaal van deze korte roman is een omwerking van het filmscenario dat de Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt (1921-1990) eerst afleverde, leidend tot de bioscoopfilm Es geschach am hellichten tag(1958). Er zouden van dit scenario later nog meer films worden gemaakt, in de bekendste daarvan speelt Jack Nicholson de rol van rechercheur Matthaï (The pledge, 2002). Grote troef van de roman echter is de raamvertelling die Dürrenmatt hanteert en waarmee hij het plot rondom de onfortuinlijke politieman min of meer deconstrueert. Hiermee doet hij de ondertitel ‘requiem voor de misdaadroman’ eer aan.

    De auteur voert zichzelf in het kaderverhaal op. Hij houdt namelijk een lezing over het schrijven van misdaadromans. Achteraf raakt hij aan de boemel met een oud-politiecommandant, die hem een lift aanbiedt voor de volgende dag. Tijdens de autoreis doet commandant H., vanaf dan als ik-persoon aan het woord, de treurige geschiedenis uit de doeken van zijn meest geniale rechercheur, die zich vastbeet in de moordzaak op een jong meisje.

    Voor die moord op klaarlichte dag, jaren geleden alweer, werd destijds al snel een schuldige aangewezen. Het bewijs was niet helemaal sluitend maar de verdachte legde onder zware druk een bekentenis af en pleegde kort daarna zelfmoord. Zaak gesloten. Rechercheur Matthaï trekt de officiële versie echter in twijfel en besluit zelfstandig verder te speuren. Hij verklaart ergens: ‘Ik kon de aanblik van dat meisje verdragen, maar toen ik voor haar ouders stond, hield ik het plotseling niet meer uit, toen wilde ik opeens weg van die vervloekte boerderij van hen, en dus gaf ik mijn erewoord dat ik de moordenaar zou vinden, alleen maar om het leed van die ouders niet meer te hoeven zien.’

    Tijdens zijn onderzoek stuit hij op het feit dat er in de jaren daarvoor twee vergelijkbare moorden zijn gepleegd, in andere kantons. Ook achterhaalt hij een kindertekening van het gedode meisje, op basis waarvan hij een profiel kan opstellen van de dader. Vervolgens loopt het spoor dood. Matthaï ziet maar één mogelijkheid: een val opzetten en afwachten tot de moordenaar weer opduikt.  Zijn plan lijkt feilloos, maar hij heeft geen grip op ‘het toevallige, onberekenbare, onmeetbare’. Terwijl de maanden verstrijken, wordt het wachten hoe langer hoe meer een obsessie voor hem.

    Het moord- en rechercheverhaal dat voormalig politiecommandant H. vertelt is op zich al behoorlijk boeiend en origineel, wars van overdrijving (geen gruwelijke scènes bijvoorbeeld) en opgetekend in een prettige stijl. Dit plot vormt de kern van de diverse films. Maar nog interessanter is het effect van de literaire compositie. Enerzijds geeft de raamvertelling meer geloofwaardigheid aan de fictie, het maakt het misdaadverhaal dus sterker, anderzijds ontstaat een kader waardoor de clichés die in het genre woekeren aan de kaak kunnen worden gesteld.

    De belofte kan daarom, net als andere bekende titels van Friedrich Dürrenmatt (zoals De rechter en zijn beul en De verdenking), gekarakteriseerd worden als intelligent leesvoer. Het gaat inderdaad om een misdaadroman in de ware betekenis, waarbij de benaming roman geen loze belofte is.