• Oogst week 7 – 2025

    Oogst week 7 – 2025

    Postkamer

    Ingmar Heytze (1970) schrijft brieven in zijn nieuwe bundel Postkamer. De dichter richt zich tot alle mogelijke wezens, dingen en begrippen. Het resultaat is een verzameling brieven in dichtvorm aan de mist, presentatoren, het stotteren, halfvergeten feestdagen, dasspeldmicrofoons en zo verder. Zelden kroop een dichter in één bundel in zoveel verschillende huiden, want wie je een brief schrijft ben je zelf. Het resultaat is een even breed als bont brievenboek in gedichten; Postkamer is de meesterproef van een van de vitaalste dichters van Nederland. Echtgenote en dochters spelen een prominente rol in zijn gedichten, evenals het dagelijkse leven, de dood en het kleine geluk.

    Heytze begon met dichten toen hij vijftien was. Zijn debuut De allesvrezer dateert van 1997 en sindsdien heeft hij een groot aantal dichtbundels gepubliceerd en enkele prozawerken. Bovendien was hij sportcolumnist, is medewerker van de Eenzame Uitvaart en trad op een een band. In 2009 werd hij de eerste officiële stadsdichter van Utrecht. Hij kreeg in 2008 de C.C.S. Croneprijs toegekend, de literatuurprijs van de stad Utrecht voor zijn gehele oeuvre, en in 2016 de Maartenspenning.

    ‘Ik denk wel dat ik van je hou, regen,
     omdat je nu al zolang valt en niemand
     raapt je op. Het stormt vandaag. Zojuist
     veranderde je mijn geschminkte dochters

     in verlopen clowns. Ze huilden, ze begrepen niet
     wat voor geschenk je bent geweest, de avond
     dat hun moeder maar bleef slapen
     toen jij viel en viel en viel

     tot na de laatste trein.

    Uit: Liefdesbrief

     

     

    Postkamer
    Auteur: Ingmar Heytze
    Uitgeverij: Van Oorschot

    De weg naar huis

    Juliën Holtrigter (1946), pseudoniem van Henk van Loenen) is dichter en schilder. Tot 2007 was hij leraar Beeldende Vorming in het middelbaar onderwijs. Hij publiceerde gedichten in Maatstaf, Tirade, Liter, Awater en de Poëziekrant en debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij Mozaïek. Daarna volgden zes dichtbundels die in toenemende mate getuigen van zijn melancholie, zijn hang naar mystiek en zijn gevoel voor humor en ironie, samengebracht in lucide, beeldrijke taal die bij het lezen meteen beelden oproept. Gedichten van hem werden in meerdere bloemlezingen opgenomen.

    In De weg naar huis schrijft Juliën Holtrigter met humor en zelfspot over zijn dagelijks leven. Met verwondering maar ook met steeds meer verbijstering kijkt hij naar de wereld. Daarbij refereert hij aan Bijbelse figuren: ‘We hebben de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.’ Jeugdherinneringen moeten de dolende dichter thuisbrengen, maar de weg daarnaartoe zit vol gaten.

    ‘Van alles wat je onthoudt weet je dat het voorbij is,
     vergeeld, achterhaald. Wat je vergeet kom je
     onverwacht tegen: de donkere kant van jezelf.

     Schrijf het allemaal op voordat het verdwijnt.
     Wat al staat geschreven, heeft plaatsgevonden:
     in een stad, in een straat, in je hoofd.’

    Uit: Wat geschreven staat

     

    De weg naar huis
    Auteur: Juliën Holtrigter
    Uitgeverij: De Harmonie

    René Huigen

    In Noem mij David biedt René Huigen aan de meest uiteenlopende personen een podium, waaronder de Chinese dichter Yu Jian en John Milton. Ook klinken het lied van de o’O, de uitgestorven honingvogel, en de stem van David, niet de Bijbelse koning met zijn lier, maar het standbeeld dat Michelangelo van hem maakte. Verlangen naar onsterfelijkheid als opstap naar het tegendeel, zo worden we aangeraakt door het paradoxale bewustzijn dat in de bundel tussen de regels waart. De toon van de gedichten van Huigen zijn wisselend: soms grappig, soms anekdotisch, af en toe filosofisch, bespiegelend of ernstig.

    René Huigen (1962) is naast dichter ook romancier en in de jaren negentig doceerde hij aan de Schrijversvakschool ’t Colofon Amsterdam poëzie en proza. In 1999 doceerde hij poëzie aan de universiteit van Michigan. Hij maakte oorspronkelijk deel uit van de groep De Maximalen, maar verliet deze al snel. Hij concentreerde zich steeds meer op de vraag wat poëzie eigenlijk is en waarom poëzie betekenis heeft.

    Tussen 2013 en 2019 verscheen het poëtisch drieluik Steven!, in 2021 gevolgd door de roman De man die alles zag. De bundel Geen muziek & geen mysterie (2003) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.



    René Huigen
    Auteur: Noem mij David
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Roman over de oude en nieuwe elite

    Roman over de oude en nieuwe elite

    Je ziet het voor je: een familie met een spraakmakend verleden herbergt op de bovenetage van een patriciërswoning een menigte archivalia, waarnaar lang niet is omgekeken. De huidige generatie heeft nog slechts een vaag vermoeden van de inhoud, die in de loop der jaren is gecondenseerd tot geruchten. En dan dient zich ineens iemand aan die het graafwerk op zich neemt.

    Een scenario dat door Geert Mak werd ingevuld voor de levens van de Sixen en recent door René Huigen voor het geslacht De Mol van Otterloo. Waar Mak koos voor een beschouwend chronologisch verslag van zijn vondsten, volgt René Huigen een geheel andere weg. Hij goot zijn speurtocht in romanvorm.

    Net als Geert Mak buiten de familie Six stond, is ook Reinard, de onderzoeker in Geloof mij steeds, niet een telg uit de familie. Toch staat hij er in emotioneel opzicht dichtbij omdat hij getrouwd is met een De Mol van Otterlo, Elsje. Ze zijn samen de sleutelbewaarders van het verkommerende pand aan de Keizersgracht in Amsterdam, dat eigenlijk als een molensteen om de nek van de tot Amerikaan genaturaliseerde Eijk de Mol van Otterloo hangt, maar waarvan hij vooralsnog moeilijk afstand kan doen. Hij verblijft er als hij weer eens in Amsterdam is. Eijk is een broer van Elsjes vader Pim.

    Tabak
    In dat Amsterdamse pand spreekt Reinard hem in een hoofdstuk dat de opmaat is voor de historie van een familie die ooit behoorde tot het patriciaat, maar zijn rijkdom kwijtraakte om die vervolgens in de 19de eeuw weer op te bouwen in de tabakscultuur in Indië. Totdat het ook daarna mis ging.

    Eijk heeft zich in zijn leven ten doel gesteld de oude roem weer op te vijzelen. Hij wil het geslacht in de terminologie van zijn overgrootvader Justus (de man van de tabakscultuur) ‘weder tot dien stand (…) brengen waarin wij geboren zijn’.

    Huigen vertelt de historie van ‘de Mollen’ niet in chronologische volgorde. Hij veroorlooft zich alle mogelijke vrijheden die de romancier tot zijn beschikking heeft. Zo gebruikt hij diverse invalshoeken. Met Eijk voert hij een lang gesprek om diens herinneringen op te tekenen, in een verhaal over een vroegere generatie voert hij een denkbeeldige interviewer op, op een reünie van de familie spreekt hij met de jongste generatie en in één hoofdstuk neemt hij brieven van Justus uit Indië letterlijk en zonder commentaar over. Die eindigen vaak met de zinsnede ‘Geloof mij steeds’, die door Huigen tot de titel van zijn roman is verheven. Voor Reinard ‘zijn deze drie woorden uit het archief het inmiddels vervlogen verlangen gaan uitdrukken dat afstand ooit in het hart van mensen achterliet. Het verlangen naar de ander, die onvoorstelbaar ver weg is.’

    Whatsappjes
    Impliciet is Geloof mij steeds ook een reflectie op de omgang met het verleden en de verwerking daarvan in onze tijd. Aan het citaat hierboven voegt Reinard even verder toe: ‘in het verlengde daarvan heb ik mijzelf meer dan eens afgevraagd of de roman begrepen als open brief aan de lezer, waarin zijn geduld in diezelfde mate op de proef wordt gesteld, nog wel bestaansrecht heeft, en of zij niet beter een schier oneindige verzameling whatsappjes behelst, om het weinige verlangen dat ons resteert zo snel mogelijk te bevredigen.’

    Reinard zegt dat op een moment dat zich een verwijdering voordoet tussen hem en zijn vrouw Elsje, naar aanleiding van wat hij wel en niet in zijn boek wil vertellen. Ook elders in de familie is er scepsis over wat hij zal vinden. Voor de lezer blijft echter onduidelijk wat hier precies de reserve is, of het zou de familietrots moeten zijn. Al in het begin van de roman zegt Eijk immers naar aanleiding van een bankroet van zijn vader Willem Frederik: ‘Verlies betekende gezichtsverlies voor alle verwanten, ja, zelfs voor de ongeborenen, en met terugwerkende kracht ook voor de doden, wier eer en goede naam je had geschonden.’

    Oude en nieuwe elite
    De vele vertelstandpunten maken Geloof mij steeds niet altijd even genietbaar. Het sterkst is Huigen als hij loskomt van de documenten en Reinard laat navertellen wat er gebeurd kan zijn. Het verhaal wordt dan meer ingeleefd dan in bijvoorbeeld het gesprek met Eijk of het afdrukken van brieven uit Indië.

    De familiearchieven bestrijken bovendien totaal verschillende ‘werelden’ als een verblijf van kinderen op Texel tijdens de Tweede Wereldoorlog, gedoe over patenten tussen Philips en zijn vader en de effectenhandel van Eijk zelf, de al genoemde tabakshandel in Indië, huwelijksperikelen en opnames in inrichtingen. Daartussendoor figureren bovendien de poging tot verkoop van het pand aan de Keizersgracht en de komst van een buurman uit de amusementsfabriek van John de Mol die ‘onophoudelijk onbenul miezert’. De lezer raakt in die veelheid af en toe even de grote lijn kwijt.

    Het levert daarnaast qua toon verschillende hoofdstukken op waarin je onwillekeurig gaat zitten bladeren hoe lang ze nog duren. Dat is het geval als de meligheid hoogtij viert (over de Housewarmingparty van de buurman, waarin overduidelijk  Jeroen van Koningsbrugge is te herkennen – wat niet zo moeilijk is want alle bezoekers worden met hun voornamen genoemd) of als het verhaal een afstandelijke zakelijkheid krijgt (over de aandelenhandel van Eijk). Natuurlijk is het er Huigen om te doen onze tijd te vergelijken met het door hem bestudeerde verleden. Over de ‘Romertjes, Van Erven Dorentjes en Krabbeetjes’ enzovoort, schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Onwillekeurig vraag ik mij af welke kolonie zíj mogen leegzuigen en wie in hun ogen de beestachtig luie Javaan is die ze daarbij eens goed kunnen uitpersen, tot ik mij realiseer dat het om het wingewest tussen de oren moet gaan van de vermaledijde, met reclame doodgegooide mediaconsument.’

    Zo gaat deze roman niet alleen over de oude elite, maar ook over de nieuwe. Maar om over de hele linie te blijven boeien, was meer eenheid in structuur en stijl misschien dienstig geweest.