• De sleutel

    De sleutel

    Ik lees graag over schrijvers, hoe ze het doen, of ze van wandelen houden bijvoorbeeld. Willem Brakman vertelde in de jaren tachtig in een interview dat hij gaat wandelen als hij vastzit met schrijven. Brakman schreef ondoorgrondelijke boeken. Dat wandelen maakte hem zo menselijk dat ik mij er nog eens aan waagde. De menselijke kant van een schrijver bepaalt hoe ik zijn werk lees. Elk menselijk gedrag brengt mij iets dichter bij de schrijver die ik wil zijn.

    Maar eerst dit. Ik zat in de trein naar Amsterdam. Er was een boekpresentatie aan het Haarlemmerplein. Het was er druk, gezellig. Het boek werd ten doop gehouden met muziek, wijn, hapjes, speeches, meer muziek.  Wacht, ik zit nog in de trein. Het was druk in de coupé, er kwam een vrouw naast me zitten met nog bredere heupen dan ikzelf. Ik was blij dat ik De Parelduiker bij me had. Het begon gelijk al goed. Met een artikel over W.G. Sebald. Als ik aan Sebald denk, denk ik aan hoe hij is omgekomen bij een auto ongeluk. Dramatische dingen vergeet ik niet. Hoe jong hij was.

    Reinjan Mulder heeft Sebald eens ontmoet, daar schrijft hij over in De Parelduiker. Een stuk waar je al lezend door het leven van Sebald, en dat van Mulder wandelt. De vader van Mulder had ooit een maisonnette in het zuidoosten van Engeland gekocht, bij Harwich, ze brachten er hun vakanties door. Ook Sebald verhuist vanuit Duitsland daarheen. Aanvankelijk kon Mulder niet zo goed uit de voeten met de boeken van Sebald, pas door De ringen van Saturnus, een beschrijving van het Britse kustlandschap, werd hij enthousiast. Als Mulder in 1995 ‘die ik traditiegetrouw weer in Engeland doorbreng’ is, gaat hij Sebald thuis opzoeken voor een interview, maar ook om ‘langs wat geliefde locaties uit het boek te gaan.’ De schrijver kennen, betekent zijn werk begrijpen.

    Terwijl ik ingeklemd zit tussen de dame naast mij en de harde wand van de trein, lees ik dat Mulder genoot van, ‘zijn prachtige, zangerige Duits’. Maar ook dat Sebald na anderhalf uur plots het interview stopt. En terwijl Sebald door de weilanden met zijn labrador ging wandelen, werd Mulder door zijn vrouw, die hem over de stemmingswisselingen van haar man sprak, naar het station van Norwich gebracht. Mulder schrijft: ‘Na dat voortijdig beëindigde bezoek heb ik nooit meer heel lang niet aan die wonderlijke man in Engeland met zijn wonderlijke boeken gedacht.’ En hoe hij schrok toen op 14 december 2001 Sebald op zevenenvijftigjarige leeftijd in zijn auto overleed aan een aneurysma. Geen verkeersongeluk dus, hoe hardnekkig de flapteksten dit ook blijven vermelden.

    Dat Mulder zijn liefde voor Sebald nooit verloren heeft getuige het feit dat hij na zijn dood nog een paar keer is teruggegaan naar ‘East Anglia, ook toen onze maisonnette al was verkocht’. Hij begon Sebalds boeken in de oorspronkelijke Duitse versies te verzamelen. ‘Kocht te hooi en te gras secundaire literatuur.’ En dan. Tien jaar na Sebalds overlijden hoort hij Patty Smith op een literatuurfestival ter ere van Sebald in Aldeburgh, het gedicht Nach der Natur van Sebald zingen. ‘de zangeres [vertelde] ons aan het ontbijt hoe ze door haar vriendin Susan Sontag op Sebalds werk was gewezen.’ Ik las het allemaal gretig weg daar in de trein.

    Na Utrecht begon ik aan ‘Stukjes van mezelf’, over de usb-sticks van Anton Valens (1964-2021) – nog zo’n schrijver die veel te jong is overleden – door Johannes van der Sluis. Over de stukken tekst, onaffe verhalen, aanzetten tot een verhaal die hij op de usb-sticks vindt, geïllustreerd met prachtig werk van Valens zelf.

    Na de boekpresentatie liep ik door de Buiten Oranjestraat naar de Haarlemmerhouttuinen, tot het punt waar mijn broer verongelukte. Als je schrijft over wie gestorven is, dan komen ze voor even weer terug. Thuis begon ik te bladeren in De wereld in 48 stukken het boek dat die middag ten doop was gehouden.

    Ik zocht op schrijversnamen in het register, stuitte op Paul Léautaud (p. 143). Waar ik lees, ‘Het was met deze kennis dat ik de werkkamer van Hillenius (ook al decennia dood) betrad, en het was met deze kennis dat ik de rij Léautaud-titels, de opgezette kiwi en de piano en vele andere zaken kon bekijken. (..) in zekere zin is de manier waarop Hillenius naar een omgeving kijkt de sleutel geworden waarmee ik reis.’ Waarmee ik meten iets te pakken heb over de schrijver, dit boek, al weet ik niet helemaal wat het is. Daarvoor zal ik eerst het voorwoord dat Tijs Goldschmidt schreef bij de verzamelbundel Ademgaten. Denken over dieren, van Hillenius lezen. En verder dwalen door dit boek, ontdekken waar die sleutel allemaal op past.

     

     

    De Parelduiker hier te besellen. De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep vind je hier


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Ode aan een onverbeterlijke optimist

    Ode aan een onverbeterlijke optimist

    In 2009 – kort na zijn debuut als schrijver – kreeg  Thomas Heerma van Voss een telefoontje van zijn vriend Daniel van der Meer: of hij redacteur wilde worden bij de net opgerichte uitgeverij Babel & Voss. Het betaalde niet, maar het zou plezierig en zinvol werk zijn. De oprichters van de uitgeverij waren van plan alleen boeken uit te geven die ze zelf mooi vonden. Thomas ging graag in op het verzoek, zijn broer Daan was mede-oprichter en naast Daniel van der Meer was de andere vennoot Reinjan Mulder, de vader van een jeugdvriend. Mulder was lang werkzaam geweest als redacteur literatuur bij NRC en daarna tien jaar als uitgever bij uitgeverij De Geus.

    Vol enthousiasme meldde Thomas, 19 jaar en student Nederlands, zich op het kantoor van de uitgeverij. Dat zag er anders uit dan het imponerende pand van de uitgeverij van zijn debuut: ‘Het kantoor van Babel &Voss lag boven in een vervallen pand op de Wallen. Op de begane grond bevond zich een medisch hulpcentrum, waar achter een dikke glasplaat altijd een paar sjofel geklede jongvolwassenen, soms zachtjes kreunend, zaten te wachten op een dokter.’

    Incasseren van tegenslagen

    Het uitgeven viel tegen, de stapels manuscripten die andere uitgeverijen ontvingen, waren hier heel klein en uit de kwaliteit kon hij opmaken dat ze kennelijk al door die andere uitgeverijen geweigerd waren. Maar af en toe kwam er toch een manuscript langs dat publicabel was. En toen merkte Thomas dat er een groot tweede probleem was: kleine uitgeverijen blijken veel moeite te hebben hun boeken in de boekhandel te krijgen. En boeken die niet zichtbaar zijn bestaan eigenlijk niet en worden dus  niet gekocht. Ook enthousiaste deelname aan de jaarlijkse Beurs voor kleine uitgevers hielp niet. Maar het leek Reinjan Mulder niet te deren. ‘Hoe weinig we ook verkochten, hoe moeizaam een titel vaak ook liep, onze tweewekelijkse vergaderingen bleven goedmoedig, aangenaam. Dat was misschien wel een van de opvallendste eigenschappen van Reinjan, iets waar ik met verwondering en toenemende jaloezie naar keek: zijn vermogen om tegenslagen te incasseren met dezelfde glimlach waarmee hij weken eerder hardop droomde van een grootse gebeurtenis. Alsof in alles een positieve boodschap verscholen lag die hij als enige kon ontcijferen.’

    Thomas’ broer gaf het al na twee titels op. Reinjan die de onderneming financierde en alle tekorten blijmoedig aanvulde uit een blijkbaar ongelimiteerde voorraad geld, constateerde pas na vijf jaar dat het tijd werd te stoppen. Maar dat einde moest niet onopgemerkt plaats vinden, vond hij. Over hun vruchteloze pogingen de uitgeverij te laten slagen had Thomas een stuk geschreven voor  het blad Ons ErfdeelDat verslag moest in boekvorm de laatste uitgave van Babel & Voss zijn, vond Reinjan Mulder. Dat hij er in beschreven werd als een wat naïeve en onverbeterlijke optimist deerde hem niet. Onder de titel Onzichtbare boeken verscheen in 2015 de geschiedenis van hun mislukking. 

    Boekje ter afsluiting

    Thomas Heerma van Voss heeft er geen jammerverhaal van gemaakt. Integendeel, het is een ode aan de Ausdauer en het vaak onbegrijpelijke goede humeur van Reinjan Mulder. Zijn eigen ervaringen beschrijft hij met opgewekte gelatenheid. En er gebeurde een wonder: het boekje werd een succes. Zo groot zelfs dat Babel & Voss er nog vijf jaar mee voort kon. Weliswaar op een steeds zachter pitje, maar toch…

    Tot uiteindelijk Reinjan Mulder zijn Waterloo vond bij het uitbrengen van het boek Melancholicaman. Na het verschijnen van deze titel had de auteur enkele dozen exemplaren meegenomen en deze vervolgens bij veel boekhandels tegen betaling aan de man gebracht met recht van retour. En retour kwamen ze, zodat Reinjan zich blauw betaalde aan terugkerende exemplaren waarvan hij nooit het verkoopbedrag had kunnen innen. Dat was zelfs voor de eeuwige optimist niet te pruimen. Maar ook nu wilde hij dat het einde van de uitgeverij met enige tam-tam zou gebeuren. Thomas, vond hij, moest een vervolg schrijven op ‘Onzichtbare boeken’.  Hij bood aan een verblijf te betalen in het badplaatsje Dovercourt, waar – wist  hij – Thomas goede herinneringen aan had. Daar kon hij vast wel wat schrijven.

    Thomas hield de uitnodiging af. Maar toen zijn vriendin liet weten dat ze de relatie wilde beëindigen was voor hem het moment gekomen om toch maar op pad te gaan. Het resultaat is Verdwenen boeken, dit jaar inderdaad verschenen als laatste uitgave van Babel & Voss.

    Herinneringen aan gezamenlijke vakanties

    Het is een wat melancholisch relaas geworden over het bezoek van Thomas aan Dovercourt, in een poging de gelukkige zomervakanties te herbeleven die hij hier elk jaar met Reinjan en zijn gezin mocht doorbrengen. Want Reinjan’s zoon was zijn boezemvriend en hij mocht daarom elk jaar mee naar het appartement dat Reinjan had geërfd van zijn vader, de schilder Piet Mulder die hier de zee portretteerde. Maar Dovercourt is niet meer wat het was, het plaatsje is leeggelopen, het hotel waar hij zou logeren wordt net op dat moment gesloopt. Hij herinnert zich de snackbar  ‘waar Reinjan vroeger elke vakantie vier porties fish-and-chips haalde, die hij naar huis droeg als een trofee. ‘Nu ik hier sta zie ik zijn opgetogen gezicht weer, lopend over de boulevard, goed zichtbaar door de ramen van zijn vaders flat. Verwilderd grijs plukjeshaar, onbehouwen grijns, haastige bewegingen, precies zoals hij jaren later Babel & Voss bestierde.’

    Veel lezers van Onzichtbare boeken zullen zich hebben afgevraagd waar Mulder de hoeveelheden geld vandaan haalde die hij zonder enige bekommernis in de uitgeverij stak. Dat wordt in Verdwenen boeken onthuld. Reinjan was in 2009 op zijn 60ste een nieuw leven begonnen. ‘Hij ging weg bij de uitgeverij waar hij werkte, hing een FOR SALE-bordje op zijn Engelse appartement, ontfermde zich over de piepjonge  Milan Kundera, schreef met zijn nieuwe geliefde het filosofische boek Opnieuw beginnen en stortte zich bezield op een eigen uitgeverij waarmee hij alles veel beter zou aanpakken dan bij de uitgeverijen waar hij eerder werkte.’

    Een late midlife crisis en de verkoop van het Engelse appartement waren dus de basis voor het mislukte uitgeef avontuur dat uiteindelijk toch nog deze twee aardige, vlot geschreven boekjes heeft opgeleverd. Met een fraai portret van Reinjan Mulder en een kijkje in de ziel van de schrijver. Ze zijn nu in één band herdrukt door DAS MAG, de uitgeverij die Daniel van der Meer oprichtte toen hij vertrok bij Babel & Voss. En zo kwam de cirkel toch een beetje rond.

     

     

  • Bruno Schulz en de kleur van de herinnering

    Bruno Schulz en de kleur van de herinnering

    De Joods-Poolse schrijver Bruno Schulz (1892-1942) was een meester van de mythische herinnering. Zijn verhalen, zijn beschrijvingen, zijn impressies, gehoorzamen niet aan de natuurwetten. Hij verzet zich in de dunne verhalen roman De kaneelwinkels en andere werken tegen de rationaliteit van de moderne tijd met zijn verwetenschappelijking, technologisering en vooruitgangsgeloof. Locaties kunnen van plaats veranderen in het universum van Schulz, hij koppelt geuren aan kleuren, feeëriek licht aan de jeugd. Schulz’ proza is poëtisch tot in het extreme. Wie houdt van een strakke plot of van uitgebeende taal, zal niet vatbaar zijn voor de bekoring van Schulz’ beeldspraak. Zijn taal is taal uit een wereld die verdwenen is, een wereld die te lokaliseren is in Drohobycz, een Poolse provinciestad (nu gelegen in Oekraïne), maar vooral ook in het hoofd van de literator. De schrijver zelf noemde De kaneelwinkels een autobiografisch werk.  De lezer beleeft de stad van Schulz’ jeugd, ervaart zijn herinnering en vooral de vervorming van deze herinnering.

    ​‘Life imitates art’ schreef Oscar Wilde ooit. Zo ervoer men in de negentiende eeuw mistflarden pas werkelijk toen deze waren vastgelegd op de doeken van schilders, of toen ze in literatuur werden beschreven. Daarvoor werden ze als het ware niet waargenomen. Wie het verleden door de bril van Schulz beziet, ziet schoonheid die mogelijk meer in diens geest zat dan in de stad van zijn jeugd. Tijd en ruimte zijn in deze teksten ondergeschikt gemaakt aan wat literatuurwetenschapper Karin Dulaimi de ‘Schöpfungsordnung’ van Schulz noemt. In het oeuvre van Schulz domineert het fantastische, hij herschiep het verleden van de provinciestad van zijn jeugd net zolang totdat het voldeed aan zijn wensen.

    Symbolist en expressionist

    Schulz is weleens een symbolist genoemd, maar ook een expressionist, een magisch realist of een auteur horend bij de brede stroming van het modernisme in de eerste helft van de twintigste eeuw. Het modernisme was een reactie op het moderne leven, de moderniteit. Modernisten hadden aandacht voor zaken als het onvolmaakte aspect van de moderniteit, voor de vervreemding ervan. De literator en politicus André Malraux stelt dat er in moderne kunstvormen sprake is van het scheppen van een alternatieve wereld door afwijzing van de werkelijkheid. Dit mechanisme is aanwezig in Schulz’ proza. De afwijzing zit hem in de vervorming, in het herscheppen van het verleden, van de kindertijd, als reactie op de onvrede over het leven in en om de volwassen schrijver, die onder meer kampte met eenzaamheid.

    ​Veel bewonderaars worden geroerd door wat Schulz zijn ‘spirituele genealogie’ en ook wel een ‘mythologisch delirium’ noemt. De aandacht voor Schulz in het proza van diverse auteurs, van John Updike tot Jonathan Safran Foer en David Grossman is niet onopgemerkt gebleven. Men mijmert erover wat Schulz nog meer had kunnen betekenen in de Europese literatuur als zijn leven anders was gelopen.
    In dit stuk wil ik twee aspecten van Schulz’ oeuvre die nog niet veel besproken zijn onderzoeken: zijn gebruik van kleuren om sfeer te scheppen en, daarmee verband houdend, de kwestie of zijn teksten over een jeugd, die in relatie staat tot de zijne, nostalgisch zijn, of dat men deze teksten anders moet typeren.

    Mythisch oerland met een historische laag

    De literatuurwetenschapper Krzystof Stala gaat (erg) beknopt in op het gebruik van kleuren door Schulz en scheert in zijn panoramische dissertatie over representatie in het oeuvre van Schulz langs het begrip nostalgie.
    Zoals opgemerkt zal een liefhebber van objectieve natuurwetenschappelijke duiding van het leven mogelijk problemen hebben met Schulz’ teksten. Wetten, grenzen en hiërarchieën worden volgens Dulaimi aan de laars gelapt.  Neem de volgende passage waarin het jonge hoofdpersonage door zijn ouders om een boodschap is gestuurd:

    ‘Nadat ik een paar stappen had gedaan, merkte ik dat ik zonder jas was. Ik wilde omkeren, maar even later leek dat onnodig tijdverlies, aangezien de nacht helemaal niet koud was, integendeel, zij was geaderd in stroompjes wonderlijke warmte, die ademtocht van een onechte lente. De sneeuw was samengetrokken in witte schapenwolkjes, in een onschuldig en lieflijk vlies dat naar viooltjes rook. In net zulke schapenwolkjes was de hemel opgelost, waarin de maan zich verdubbelde en verdrievoudigde en in die vermenigvuldigingen al haar fasen en standen toonde. De hemel legde die dag de constructie van zijn innerlijk bloot in vele, als het ware anatomische preparaten, die de spiralen en nerven van het licht, de doorsneden van de bleekgroene nachtmassa’s, het plasma van de ruimte, het weefsel van de nachtelijke dromerijen toonden.’

    Universele herinneringen

    Het gaat Schulz veel meer om een beschrijving van zijn kneedbare werkelijkheid dan om het uitdiepen van de persoonlijkheid van de personages, die als fantastische creaturen worden neergezet. Het zou gaan om antipsychologisch proza (Dulaimi 193) In die zin sluit zijn werk meer aan bij de mythische, archetypische wereld van tijdgenoot Carl Gustav Jung, dan bij die van Sigmund Freud. Schulz schrijft: ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat de wortels van de individuele geest, indien ver genoeg achtervolgd, uiteindelijk in een soort mythisch oerland verdwijnen. Dat is de laatste bodem en verder kan men onmogelijk komen.’

    Het verschil met de archetypische oerbeelden van Jung, die zonder culturele beïnvloeding zouden worden overgeërfd, is dat het mythisch oerland van Schulz wel een soort historische laag van het persoonlijk ervarene kent. Het oerland van Schulz is strikt individueel, alleen hij had het zo kunnen beschrijven als hij deed, terwijl  er bij Jung sprake is van universele herinneringen van heel de mensheid, die in zekere zin tijdloos en ahistorisch zijn. Volgens Dulaimi wordt iemand pas werkelijk mens in het oeuvre van Schulz als de ‘Seinsituation’ van de werkelijkheid wordt overschreden. (62) Met zijn kunst vormt Schulz de natuur tot schoonheid, dwingt hij zijn woorden tot symboliek. Toch zijn er ook auteurs die zelfs de strikt persoonlijke mythologie van Schulz als iets universeels zien. De Russische filosoof Nicolas Berdyaev meende dat iedere mens een microkosmos is, waarin een schat van mythisch materiaal verborgen gaat. In iedere mens is als het ware een ahistorische ‘geschiedenis’ van heel de mensheid terug te vinden, als men er maar diep genoeg naar zou graven. Het werk van Schulz wijkt van dergelijke universele mythevormen af omdat hij het verbindt met een Heimat die daadwerkelijk op de kaart is terug te vinden: een ingeslapen provinciestad.

    Reservoir van indrukken

    ​Schulz beschrijft een wereld die verdwenen is en die hij niet zozeer tot leven wil wekken, als wel aanpassen aan zijn behoeften tijdens het schrijven. Zijn jeugd is voor hem het reservoir van indrukken, die hij als volwassene steeds opnieuw vormgeeft:

    ‘Ik weet niet hoe we in onze jeugd tot bepaalde beelden komen die voor ons van beslissende betekenis zijn. Ze spelen de rol van die draden in een oplossing waaromheen voor ons de betekenis van de wereld kristalliseert’ Hij schrijft verder: ‘Zulke beelden vormen een programma, ze leveren ons het kapitaal van de geest, dat heel vroeg in de vorm van intuïties en halfbewuste gewaarwordingen wordt gegeven. Mijns inziens zijn we de rest van ons leven bezig die inzichten te interpreteren, ze in de gehele inhoud die we verwerven te ontrafelen, ze in ons intellect te verwerken, in alles wat we kunnen omvatten. Die vroege beelden geven de grenzen van de creativiteit van de kunstenaar aan.’

    ​Wie het werk van Schulz leest, waarin elke zin een kunstwerk op zich is, waant zich een archeoloog van de geest, die betekenislaag na betekenislaag opdiept, de verborgen oerbetekenis, de essentie van woorden en beelden. Werelden worden woorden en woorden worden werelden (Stala 81). Dit doet je vergeten dat het beschrevene ook een relatie heeft met de geografie van de werkelijkheid.

    Galicië en Kakanië 

    De landstreek Galicië (niet te verwarren met de Spaanse regio), waarin Drohobycz ligt maakte gedurende de jeugd van Schulz deel uit van de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Dit was geen eenvormige natie maar een samenraapsel van vele volkeren die met wisselend succes bestuurd werden. Het rijk werd door Robert Musil in zijn Der Mann ohne Eigenschaften ‘Kakanië’ genoemd. Er was sprake van een kakofonie van talen, religies en gemeenschappen.

    ​Galicië, dus deel van ‘Kakanië’ is een land van wonder en betovering in het proza van Schulz, het is een imaginair land, veel eerder dan dat de historische realiteit wordt getoond.  De beschrijving van de Galicische nacht en rijke vegetatie zouden voor een regionale sfeer zorgen (Budurowycz), maar het is toch vooral de kleuring door de geest van Schulz die het landschap bijzonder maakt.

    Een anoniem en tragisch leven

    Schulz’ psyche werd gevormd en steeds opnieuw hervormd door zijn band met deze Heimat. Het was de stad van zijn jeugd die de grondstof van zijn neiging tot vertekende herinnering leverde.
    Schulz was naast schrijver ook beeldend kunstenaar. Hij was een vereenzaamde tekendocent aan een plaatselijk gymnasium en begaf zich niet veel in literaire contreien, maar kreeg wel erkenning van zijn vakgenoten. Schulz was zijn leven als Jood niet zeker toen de nazi’s zijn geboorteplaats bezetten. Hij werd uiteindelijk vermoord door een SS’er.

    ​Het werk van Schulz maakt duidelijk dat een gevoel van persoonlijke onvolkomenheid en eenzaamheid kan worden gekanaliseerd tot schoonheid. Freud zou het over sublimatie hebben.
    Schulz’ magnum opus, dat bijna voltooid was, heeft, net als hij zelf, de oorlog niet overleefd. Als er meer van Schulz’ werk bewaard was gebleven en hij ook langer had kunnen scheppen, had hij mogelijk behoord tot de allergrootsten van de Europese literatuur. Dit gegeven, gevoegd bij zijn niet vervulbare seksuele wensen en fantasieën maken van hem een tragische figuur.

    ​Dulaimi ziet diverse tegenstellingen die naar voren komen in de psyche van Schulz. Ze spreekt van de begrippenparen: eenheid-veelheid, ik-wereld en tijdelijkheid-ruimtelijkheid. De grenzen ertussen worden in het proza van Schulz steeds overschreden. De werkelijkheid neemt volgens haar in Schulz’ werk slechts schijnvormen aan, als scherts of spel. Of als aanpassing van het individu aan de werkelijkheid (80). En omgekeerd: een aanpassing van de werkelijkheid aan het individu. Stala onderscheidt nog andere tegenstellingen, te weten ‘subject-object, truth-fiction, imitation-creation, repeatability-unchangeability, matter-form, matter-idea’ (9). Hier is vooral het verschil tussen materie en vorm en idee interessant: de geest van Schulz betovert objecten en de natuur tot meer dan ze zijn.

    De rol van de vader

    ‘Wanneer vader in grote ornithologische compendia las en de kleurige tabellen ombladerde, leek het of die gevederde fantasmata daaruit opvlogen om de kamer met hun fleurige fladderen te vullen, met vlokken purper, flarden saffier, groenspaan en zilver. Onder het voeren vormden ze op de vloer een kleurig en golvend bloembed, een levend tapijt dat uiteenviel als iemand onvoorzichtig binnenkwam, dan uiteenvloog in bewegende bloemen, klapwiekend in de lucht, om vervolgens in de hoogste regionen van de kamer een plekje te vinden’, zo lezen we in De kaneelwinkels. Het boek leest, onder meer, als een lofzang op de fantasie van de vader die de saaiheid van het leven in een Poolse provinciestad net zolang verkleurde voor het hoofdpersonage en zijn familie tot er wonderlijke schoonheid ontstond. In de beschrijving van Schulz is sprake van mythische herinneringen aan een verleden dat nooit werkelijkheid is geweest, maar dat een betoverend effect heeft op de lezer. De vader is of wordt vogel, schorpioen en  magiër. De fixatie op de vaderfiguur toont mogelijk dat de hoofdfiguur zich niet heeft los kunnen maken van diens invloed en in zekere zin in zijn jeugd is blijven hangen. Er is ook een soort vermenging van de psyche van de hoofdfiguur (die in verband staat met Schulz als kind) en de vader.

    ​Schulz wordt weleens vergeleken met Kafka, niet alleen omdat transformatie een rol speelt in het werk van beiden, maar ook om de betekenis die wordt toegekend aan de vaderfiguur. Het verschil tussen de twee zit hem in het deels ophemelende karakter van Schulz’ werk, als hij de jeugd uitvergroot en wonderlijk maakt. Kafka zal niet snel met nostalgie in verband worden gebracht.

    Schildering in woorden

    De dichter W.B. Yeats heeft ooit een verband gelegd tussen vorm en kleur en emoties: ‘Because an emotion does not exist, or does not become perceptible and active among us, till it has found its expression, in colour or in sound or in form, or in all of these, and because no two modulations or arrangements of these evoke the same emotion, poets and painters and musicians, and in a less degree, because their effects are momentary, day and night and cloud and shadow, are continually making and un-making mankind.’  Dit proces van herscheppen en emotionaliseren zien we ook in het oeuvre van Schulz, die veelal kleurwoorden gebruikt om een sfeer te creëren van bonte schoonheid. Hij beschrijft bijvoorbeeld een tuin uit het domein van de jeugd als volgt:

    ‘Daar was een grote verwilderde, oude tuin. Hoge perenbomen, wijd vertakte appelbomen stonden hier en daar in imposante groepen, gehuld in zilveren geritsel, in een schuimend net van witte schitteringen. Het gras, welig, wanordelijk en ongemaaid, bedekte het golvende terrein met een donzige mantel. Er groeiden gewone weidegrassen met vederpluimpjes als aren, de fijne filigreinen  van wilde peterselie en wortel, ruwe gerimpelde blaadjes van hondsdraf en dovenetels ruikend naar munt, taaie, glanzende weegbree met spikkels roest en oprijzend in trossen van dikke rode grutten. En dit alles, vervlochten en donzig, was doordrenkt van een milde lucht, gevoerd met blauwe wind en verzadigd van hemel. ‘

    Schulz spreekt van ‘zilveren geritsel’, ‘witte schitteringen’, ‘dikke rode grutten’ en ‘blauwe wind.’ (59) De kleurenwereld van Schulz moet men in kleine dosissen tot zich nemen. Wie er teveel van achterelkaar leest, wordt meegevoerd in een werveling van gevoelstinten die imponeren, maar door zijn bontheid te overdadig kan werken. Misschien komt een dergelijke leeservaring voort uit een cultuur van dedain voor kleur. Volgens de kunsthistoricus John Gage was in westerse samenlevingen een veelheid aan kleur een teken van weinig raffinement; zwartwit fotografie wordt nog altijd als meer kunstzinnig gezien dan kleurenfotografie.

    Pigmentbeeld en kleurwoord

    Dat neemt niet weg dat veel schrijvers bewust met kleur spelen. Zo wilde Gustave Flaubert de kleur paars uitwerken in Salammbo en grijs in Madame Bovary. De plot was daaraan ondergeschikt. Het ging hem om het oproepen van beelden en sfeer in de hoofden van de lezers. ‘The image is the poet’s pigment’ schreef Ezra Pound ooit. En wanneer het pigmentbeeld wordt verbonden met een kleurwoord is er sprake van dubbele kleuring. Er is dan in zekere zin sprake van het plaatsen van een hyperbolisch uitroepteken bij de gekozen beelden, wat sobere stilisten als een ‘te veel’ zullen typeren. Als men de volgende passage leest, raakt men zowel doordrongen van de kracht en pracht van het proza van Schulz, als van de tekortkomingen, doordat hij geen maat lijkt te kunnen houden in zijn kleurimpressies:

    ‘Door de diepblauwe bekleding met het gouden patroon was het donker en fluweelachtig in de kamer, maar in het koper van de lijsten van de schilderijen, de deurklinken en gouden sierranden trilde ook hier nog een echo van de vurige dag, hoewel gefilterd door het dichte groen in de tuin.’

     

    Recensent Reinjan Mulder brengt de sfeer van het werk van Schulz in verband met de schilderijen van de Joodse voormalige shtel-schilders Caïm Soutine en Marc Chagall. Met name de kleurige vervormde landschappen van Soutine roepen inderdaad een sfeer op die vergelijkbaar is met die van Schulz’ bonte beschrijvingen waarin de werkelijkheid tot iets anders wordt gemaakt dan ze was, waarin vooral gevoel en sfeer belangrijk zijn en waarin alles vertekend is, niet uit onvermogen, maar omdat deze vertekening voor de schepper zowel essentieel als persoonlijk is. Ook in het werk van Chagall gaat het duidelijk niet om naturalisme, denk aan het niet-perspectivische karakter ervan, maar wel om nostalgie naar een verloren Joodse cultuur. Anders dan Soutine en Chagall liet Schulz zijn roots niet achter zich; hij begaf zich niet veel buiten zijn geboortestad en stond enigszins los van de Poolse en literaire traditie, al correspondeerde hij wel met diverse schrijvers, onder wie Thomas Mann. Waar Soutine en Chagall nostalgisch waren naar hun geboorteland na emigratie (het ging dan mede om een afstand in plaats), blikt Schulz, die niet veel reisde, terug op het andersoortige verleden (een afstand in tijd).


    Nostalgie een veelvormig verschijnsel

    ​Ik wil de omgang met grenzen, belangrijk in het werk van Schulz, in verband brengen met nostalgie. De behoefte aan begrenzing kennen veel nostalgische mensen, zij willen hun ervaringswereld beperkt houden, omdat de wereld in zijn totaliteit hen teveel prikkels toezendt. In het werk van Schulz worden grenzen overschreden, er is sprake van een bewuste transformatie van het verleden en van de mensen die dit verleden bevolkten. In die zin lijkt zijn oeuvre in eerste instantie niet nostalgisch. Ook het gegeven dat de geheugensporen in de geest van Schulz in diens artistieke verwerking ervan worden overgroeid met nieuwe betekenissen en fantasieën, zoals Stala laat zien (69), lijkt daarop te wijzen.

    ​Maar misschien is het schijn die bedriegt.  Nostalgie is een veelvormig verschijnsel met vele varianten en definities. Ik onderscheid vier, deels overlappende, nostalgische wijzen van het op je in laten werken en herwerken van het verleden: in sommige nostalgische omgang met ‘vroeger’ is ten eerste sprake van het reduceren tot de geïdealiseerde ‘essentie’door het schrappen van storende elementen. Ten tweede worden soms zaken toegevoegd om tot een vervolmaakte ‘verbeterde’ versie van ‘vroeger’ te komen. Een derde vorm is het vervormen of het maken van iets andersoortigs op basis van wat echt geweest is. Een vierde nostalgische manier om te ‘nostalgiseren’ is hercontextualiseren, waarin elementen uit het vroegere een nieuwe samenhang wordt gegeven (denk aan een museum). In het werk van Schulz is, mijns inziens, sprake van het derde type: het gaat bij hem om een extreme vervorming of vertekening van het verleden, in de vorm van hallucinaties, fantasieën, droombeelden, uitingen van quasirealiteit en poëtisering (Stala 98). Het is een strikt persoonlijk ‘vroeger’ waarover Schulz niet had kunnen schrijven als hij er geen herinneringen aan zou hebben. Het gaat om individuele nostalgie, die meer over de psyche van Schulz zegt dan over het leven van de Joden in de Shetl.

    Het verleden inkleuren

    Bij Schulz is volgens Dulaimi het liquideren van een gebrek in het heden door middel van vervormende herinnering belangrijk, iets wat ze ‘Gegenwartsverdrängung’ door  transformatie van het verleden noemt. Deze zou anders functioneren dan bij Proust die vooral tot herinterpretatie zou komen. Bij Schulz had zijn poëtische proza een functie in het omgaan met eenzaamheid, verveling en het alledaagse.

    Het als onvolkomen ervaren van het eigen heden is een van de factoren die tot nostalgie kan leiden. Deze onvolkomenheid kan teruggaan op veranderingen in de leefomgeving, waar in Drohobycz sprake van was, maar er kan ook sprake zijn van onvolkomenheden in het karakter van een nostalgicus met een neiging tot regressie. Schulz transformeert en voegt kleur toe aan het verleden, eerder dan dat hij het terug wil brengen tot zijn essentie. Ook dat is nostalgie. Schulz is een schepper die de werkelijkheid van het verleden in het heden aanpast aan zijn eigen noden. In artistiek opzicht is zijn visie op zijn Heimat belangwekkender dan de verleden werkelijkheid van de Poolse stad zelf. In alle literatuur is sprake van vertekening, maar voor Schulz’ proza geldt dit in extreme mate.

    Kleurenrijkheid

    In het werk van Schulz is het visuele heel belangrijk, hij was niet voor niets ook beeldend kunstenaar. In stijlhandboeken heeft men het bij het beschrijven van auteurs als Schulz wel over ‘word painting’ of men spreekt van (met een meer negatieve lading): ‘bloemrijk taalgebruik.’ Deze kleurenrijkheid, zowel letterlijk als figuurlijk, staat, naast het mythische aspect, centraal bij mijn typering van het oeuvre van Schulz. In heel het verzameld werk in de rijke vertaling van Gerard Rasch, wordt naar mijn smaak een interessante koppeling gemaakt tussen mythologie en nostalgie, tussen collectieve, universele en individuele herinnering. Er is mij geen andere auteur bekend die precies die koppeling zo overtuigend maakt als Schulz.

    ​Zintuiglijkheid en vertekening, het compenseren van een onvolkomen heden en het putten uit esthetiserende jeugdherinneringen, maken zijn teksten nostalgisch. Maar Schulz heeft zijn werk ook een fantastische lading meegegeven, die op het eerste gezicht niet nostalgisch is. Toch spreekt ook uit dit kleuren van het verleden, een verlangen naar de wereld van het kind, het kind dat nog irrationeel mocht zijn. Het stilistisch arsenaal van de volwassen Schulz is natuurlijk veel rijker dan dat van een kind. Zo ontstaat een complexe mengvorm van herinnering en verbeelding, van persoonlijke geschiedenis en persoonlijke mythologie, van regressie en schoonheid.

     

    Olivier Rieter promoveerde in 2018 op onderzoek naar nostalgie. Hij is nu onder meer bezig met het schrijven van een essaybundel over de relatie tussen literatuur en nostalgie. Dit essay is daar onderdeel van.

     

     

     


    Gebruikte literatuur

    69. Adams, ‘Intertextuality and the trace of the other: specters of Bruno Schulz’, in Symbolism 12/13, 49-69.
    70. Budurowycz,  ‘Galicia in the Work of Bruno Schulz’
    71.  Van Campen, Gekleurd verleden. Verhalen over het geheugen van de zintuigen(Utrecht 2012)
    72.  Van Deel, ‘Eeuwig op zoek naar het mytisch oerland’, www.trouw.nl
    73.  Dulaimi, Der Mythosbegriff im Werk von Bruno Schulz(München 1975)
    74.  Ellmann en Ch. Feidelson jr, The modern tradition. Backgrounds of modern literature(New York 1965)
    75.  Gage, Colour and meaning. Art, science and symbolism(1999)
    76   Lukas, ‘Mythos, Archetyp und Translation. Die Prosa von Bruno Schulz im Kontext der Ideen von Thomas Mann und Carl Gustav Jung,’
    77.   Mulder, ‘Het ijzeren kapitaal van de geest; De zelfverloochenaar Bruno Schulz’ (nrc.nl/nieuws/1992)
    2.   Müller-Funk, P. Plener en C. Ruthner ‘Kakanieen revisited: das eigenen und das fremde (in) der Osterreichischen literatur,’
    3.   Schulz, Verzameld werk. Vertaald door Gerard Rasch (Amsterdam 1995, vierde druk 2006)
    4.   Stala, On the margins of reality. The paradoxes of representation in Bruno Schulz’s fiction (Edsbruk 1993)
    (wikipedia)

     

  • In memoriam Theo Sontrop 1931 – 2017

    Uitgever en dichter Theo Sontrop is zondag 3 september overleden op Vlieland, het eiland waar hij zich in 1991 terugtrok nadat hij jaren in de uitgeverswereld had gewerkt. Hij was een meester met de Nederlandse taal, al kwam zijn dichtwerk zeer traag tot stand. Volgens uitgever Peter Nijssen laat hij ‘een klein, maar zeer fijn dichterlijk oeuvre na.’ Langzaam kromgroeien (1962) en Marmerkijker (1971). In 1996 resulteerde dat in de uitgave van zijn Verzamelde gedichten. Maar voor alles was hij een lezer.

    Sontrop was bijna twintig jaar uitgever bij De Arbeiderspers. Hij werkte in die periode nauw samen met hoofdredacteur Martin Ros, met wie hij de prestigieuze serie Privé-domein initieerde. Deze reeks, met namen als Paul Léautaud, Konstantin Paustovskij, Gustave Flaubert, Fernando Pessoa en Elias Canetti, waardoor de autobiografie als brief of dagboek als belangrijk literair document zijn weg vond en inmiddels meer dan vijftig jaar bestaat. In zijn tijd haalde hij onder meer J.M.A. Biesheuvel, Rudy Kousbroek, Joost Zwagerman, F.B. Hotz en Geerten Meijsing naar de uitgeverij en startte een succesvol poëziefonds met dichters als Ed Leeflang, Jan Eijkelboom, Anna Enquist, Rob Schouten en Eva Gerlach.

    Dat Sontrop niet altijd in zijn eigen dichtkunst geloofde, toont de volgende anekdote, door Reinjan Mulder opgehaald in een nagedachtenis op Das Zahngold. Op een gegeven moment kreeg Sontrop een brief van uitgever Geert van Oorschot, met daarbij een contract voor een dichtbundel. ‘Of ik dat maar even wilde tekenen.’ Sontrop dacht aanvankelijk aan een practical joke. Hij was achterdochtig en maakte de brief zoek in een stapel kranten. Na een paar weken werd hij door Van Oorschot gebeld die hem vroeg: ‘Waarom beantwoordt u nooit brieven?’

    Theo Sontrop figureerde in het boek Jagtlust van Annejet van der Zijl als een van de bewoners. Hij huurde daar begin jaren zestig de voorkant van de benedenverdieping bij Fritzi ten Harmsen van der Beek. Het was de tijd dat hij toetrad tot de literaire wereld, zijn eerste dichtbundel uitkwam en zijn carrière in de Amsterdamse uitgeverswereld een start maakte. In Jagtlust wordt Sontrop omschreven als ‘zo’n typische oorlogspuber, die in de jaren vijftig kringen had trachten te maken in het toen nog zeer stille water Utrecht. “Behept met een ongebreidelde intellectuele vraatzucht” was de middenstanderszoon tijdens zijn studietijd betrokken geraakt bij de oprichting van Tirade en vervolgens bij Propria Cures in de redactie gekomen. Daar ging hij de geschiedenis als ‘de luiste redacteur ooit’ – samen met Joop van Tijn.’

    Wanneer hij in de vroege ochtend bij helder weer op Jagtlust zijn tuindeuren opende, kon hij helemaal uitkijken over de weilanden tot aan de toren van Eemnes. Waarop hij dichtte:

    Gezwinde dame die uw rad bepopelt
    als ik nog droom en iemand mij citeert
    ‘op mijn kop in de grond verwacht ik de mol’
    als onder een deken van hanegeschrei
    de eerste brommer zijn fabrike besluipt
    een peer op het hoofd van de hengst ploft;
    u weet, mevrouw, uw rad, hun galg,
    is feilloos, maar u trilt onzeker als u ziet
    hoe traag de hand uw draden nadert
    waarin de laatste atalanta van het jaar

    (Uit: ‘Spin’)

     

    In de jaren tachtig las Theo Sontrop columns voor in het VPRO radioprogramma Borát.

     

     

    Foto: Beeldbank stadsarchief Amsterdam

    Lees ook: de Volkskrant – Onno Blom; NRC – Kees Freriks en lees interview – Chrétien Breukers (2014).