• Taal moet swingen

    Taal moet swingen

    Jean Rhys schreef buitenstaanders literatuur; haar overwegend vrouwelijke personages zijn outsiders op Dominica, in Engeland, Parijs en Midden-Europa. In swingende stijl worden hun verhalen verteld.
    Rhys kreeg bekendheid door haar roman De wijde Sargassozee (1966). Lang daarvoor schreef ze echter al kortverhalen, waarvan de eersten werden gepubliceerd in 1927. Op dat moment leidde de geboren Dominicaanse een bohemien bestaan in Parijs. Gedurende haar leven trouwde ze driemaal en woonde op verschillende plekken in Europa. Alle verhalen verzamelt het werk uit drie verschillende bundels, aangevuld met enkele losse teksten, en is daarmee de eerste integrale uitgave van Rhys’ kortverhalen in het Nederlands. Naast haar debuut The left bank and other stories (1927) gaat het om Tigers are better-looking (1968) (beide nu vertaald door Lisette Graswinckel) en Sleep it off, lady (Mens, slaap je roes uit) (1976) (al eerder vertaald door W.A. Dorsman-Vos).

    Europese dromen

    De vroegste verhalen tellen doorgaans maar enkele pagina’s en spelen zich voornamelijk af in Parijs, of preciezer; Montmartre en Montparnasse. Het gaat vaak over jonge vrouwen die, op zichzelf aangewezen, het hoofd boven water proberen te houden. Ze dansen voorzichtig op het slappe koord boven een afgrond van financiële onzekerheid maar moeten ook bedacht zijn op het kleinburgerlijke oordeel. Deze precaire balansoefening wordt met veel inzicht op papier gezet. Voor hen die falen is de wereld meedogenloos. Opvallend genoeg wordt de burgermoraal meestal belichaamd door een personage uit Engeland, met vaste wortels en overtuigingen. De protagonisten daartegenover zijn nergens thuis en moeten hun eigen denken en handelen vormgeven.

    Indruk maakt het langste verhaal uit dit deel, getiteld ‘Vienne’, gesitueerd in midden-Europa. Uit de opening blijkt dat het om een terugblik gaat, de beschreven tijd is vervlogen, zelfs bijna uit het geheugen verdwenen. Frances verkeerde met haar geliefde, Pierre, in de betere kringen van Wenen. Het is de tijd dat Japanse officieren als militair attaché de stad bevolken begin 1920, zodat een vrij bonte verzameling karakters de revue passeert. Al vrij snel blijkt dat dit leven op grote voet slechts van tijdelijke aard kan zijn omdat de financiële basis van Pierre niet zo solide is als hij voorwendt. Het paar ziet zich uiteindelijk gedwongen om uit te wijken naar Boedapest. Maar de echte vraag moet nog aan bod komen: kunnen ze met z’n tweeën ook slechte tijden het hoofd bieden? ‘Vienne’ is, met z’n dertig bladzijden, een rijk verhaal dat de lezer betovert en meevoert door een verdwenen Europa. De vloeiende stijl van Rhys komt helemaal tot z’n recht dankzij de gevarieerde setting en het vrije plot.

    Benauwend Engeland

    De tweede verhaalverzameling is geschreven in de vijftiger jaren van de 20e eeuw, toen Rhys teruggetrokken leefde op het Engelse platteland, waar zich ook enkele verhalen situeren. In ‘Al noemen ze ’t jazz’ volgen we Selina, die haar huurhuis wordt uitgezet wanneer ze het voorschot op een dag niet kan betalen. Ze ontmoet een man die haar, naar het lijkt met kwestieuze motieven, een vervallen woning aanbiedt. Hele dagen op zichzelf aangewezen, grijpt ze naar de drank en krijgt al snel ruzie met een stel kleingeestige buren. Dit komt haar uiteindelijk op een gevangenisstraf te staan. Onderweg naar de cel wordt ze begeleid door een vrouwelijke agent: ‘Ik pak haar hand vast want ik ben bang. Maar ze trekt ‘m weg. Koud en glad glipt d’r hand weg en haar gezicht is van porselein, glad als ’n poppengezicht en ik denk: dit is de laatste keer dat ik iets van wie dan ook vraag. Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’
    Tijdens het luchtuur in de gevangenis hoort ze een vrouwenstem zingen. Het is een lied van moed en hoop, het Hollowaylied zoals ze later ontdekt, en betekent een ommekeer in haar gemoedsgesteldheid: ‘Ik ijsbeer op en neer en ik denk: ooit hoor ik dat lied met trompetten en dan vallen deze muren om, voorgoed. Ik wil hier zo graag vandaan dat ik wel op de deur kan beuken, want ik weet nou dat niks onmogelijk is en dat ik niks meer wil missen doordat ik hier opgesloten zit’.

    Cadans van de zin

    In het titelverhaal ‘Tijgers zijn aantrekkelijker’ worstelt de hoofdpersoon, een schrijver, met het vinden van de juiste toon voor zijn werk. Want ‘taal moet swingen, zoals iedereen weet’. Jean Rhys zal deze opvatting vast delen met haar personage: er valt praktisch geen stroef lopende zin te vinden in de eerste twee verhaalbundels. Het proza van Rhys kent veel snelheid en een fijne cadans. Nergens is haar formulering formeel, de korte zinnen zijn niet puntig en de lange nooit wollig. De laatste verzameling verhalen (Sleep it off, lady) maakt wat minder indruk qua stijl, wellicht dat dit samenhangt met de oudere vertaling. Een erg aardige tekst hier is ‘Troebel water’, dat zich afspeelt op Dominica. Het beschrijft de geschiedenis van een zekere heer Longa, die beschuldigd wordt van kindermishandeling. De verdedigers van Longa beweren echter dat er sprake is van een complot tegen hem vanwege zijn socialistische sympathieën. Het debat wordt deels uitgevochten in de krantencolommen van de Dominica Herald. Voor de rechter noch voor de lezer valt de waarheid van het gebeurde te achterhalen. Zuivere koffie wordt er door Rhys zo’n vijftig jaar na haar debuut nog steeds niet geschonken.

    De integrale uitgave van Alle verhalen van Jean Rhys is een aanwinst voor ons taalgebied en biedt een laagdrempelige mogelijkheid kennis te maken met deze auteur. De verhalen laten zich goed los lezen omdat ze zeer trefzeker zijn opgeschreven, maar door de thematische samenhang is het geheel ook meer dan de som der delen. Van een outsider wordt Rhys langzamerhand vanzelf literaire canon.

     

  • De natuur in verweer

    De natuur in verweer

    Eens in de zoveel jaar duikt er een literaire parel op in het Nederlands die tot dan toe raadselachtig onder de radar bleef. Bekende voorbeelden zijn Gloed (van Sándor Márai) en Stoner (John Williams), waarvan prompt tientallen herdrukken verschenen. Het zou mooi en terecht zijn als het ook zover komt met De grote angst in de bergen, een boek uit 1926 dat dit voorjaar voor het eerst in vertaling verscheen bij Van Oorschot. Weinigen slaagden er zo goed in om de Alpenwereld levensecht op papier te krijgen als hier de Zwitserse schrijver Charles-Ferdinand Ramuz.

    Exploitatie van de alm
    De handeling begint in een klein bergdorpje, waarvan de bewoners beraadslagen over wat te doen met de hooggelegen alpenweide Sasseneire, die al twintig jaar niet meer gebruikt wordt. Vreemde verhalen doen de ronde over wat zich eertijds heeft voorgedaan; er zouden mensen zijn omgekomen, de bergen daar lijken menselijke aanwezigheid niet te tolereren. Zo zeggen de ouderen het, maar de jongeren lachen de praatjes weg en het besluit wordt genomen om de alm weer in gebruik te nemen en er in de zomer vee te hoeden. Een van de mannen die zich aanmeldt om voor enkele maanden naar boven te gaan is de jonge Joseph. Hij hoopt zo zijn trouwplannen met Victorine te kunnen bekostigen.

    Na een eerste verkenningstocht gaan uiteindelijk zeven mannen naar boven om zich met zeventig koeien te installeren op Sasseneire. Beide keren dat de route naar de alpenweide volledig belopen wordt staan gedetailleerd opgetekend, in dichtbeschreven pagina’s en vrijwel zonder onderbreking. Het meeste oog heeft Ramuz bij iedere bergtocht voor kleur en licht, dat continu verandert. Ook andere waarnemingen krijgen een plaats: het wisselende geluid van een bergbeek, het gevoel van een voet op de ondergrond of van de temperatuur op het lijf. De dag dat de zeven naar boven trekken is het mooi weer, zo staat het er met nadruk. De mannen worden uitgeleide gedaan door naasten en belangstellenden, een feestelijke tocht. Aan het eind van de middag, wanneer er iets te laat afscheid is genomen, kijkt Joseph Victorine na die afdaalt naar het dorp: ‘Alles was leeg, alles was verlaten, terwijl het tegelijk koud begon te worden en er een grote stilte intrad’.

    Geen weg terug
    Al snel zal blijken dat de oudere dorpsbewoners gelijk hebben gehad met hun waarschuwingen. Zo breekt er een gevreesde ziekte uit onder het vee. Vanwege het grote besmettingsgevaar is er geen  contact meer toegestaan met het dorp, langs het smalle pad worden wachtposten geïnstalleerd. Dit leidt vooral bij Victorine en Joseph tot wanhoop. Van beide kanten worden pogingen ondernomen om elkaar te zien of tenminste een bericht over te brengen. Hieruit ontstaat ook de mooiste alpiene passage die in het boek gevonden kan worden: Joseph bedwingt in zijn eentje de Gemzenpas, een veeleisende route die langs de gletsjer omhoog voert en dan door sneeuw en rots over de bergkam, om zo via een omweg het dorp te bereiken. Deze eenzame tocht, bijna een roes, wordt schitterend beschreven door Charles-Ferdinand Ramuz, met veel kennis van de natuur. De grote angst in de bergen bereikt in deze en navolgende gedeelten een intensiteit waar ook Sándor Márai zich niet voor zou hoeven te schamen.

    Vormvrijheid en een aloud thema
    Naast de zintuiglijke toonzetting valt er nog iets op aan de stijl. Ramuz houdt zich namelijk niet aan de regels met betrekking tot perspectief of werkwoordstijden. Alles loopt door elkaar heen in een vrije vorm, die in dienst wordt gesteld van de lezer. Over de klim van Joseph: ‘Waar gaat hij naartoe? Opnieuw vroeg je je af: ‘Waar mag hij dan naartoe op weg zijn?’, want het leek er niet op dat er op deze plek ook maar enige doorgang kon zijn, toch ging Joseph nog altijd voort. En een ogenblik later begrijpen we het inderdaad […]’. Deze vrijheid, die rotsvast overeind blijft in de soepele vertaling van routinier Rokus Hofstede, is verfrissend en geeft een innovatief accent aan het proza. Daarmee past het werk goed in de twintiger jaren, waarin vormexperimenten eerder regel dan uitzondering waren. De thema’s anderzijds zijn juist heel klassiek: uiteindelijk handelt het boek over de mens die zijn plaats moet kennen ten opzichte van de natuur.

    De grote angst in de bergen is een bijzonder fraaie vertelling die de natuur laat zien van een ongrijpbare en onverbiddelijke kant. Uiteindelijk valt de miserie die plaatsvindt in hoofdzaak toe te schrijven aan menselijke zelfoverschatting. De besognes van mensenwezens lijken binnen het imposante decors dat Ramuz oproept nietig maar de tragische liefdesgeschiedenis van Joseph en Victorine weet desondanks te ontroeren. Een prachtige ontdekking dus, deze oude maar tegelijk fonkelnieuwe Alpenroman.

     

  • Zomerlezen – drie topboeken

    De jaren

    Sommige boeken maken een onuitwisbare indruk wanneer je ze leest als tiener of jongvolwassene. Klassiek werk van schrijvers als Dostojevski, Tolstoj, Kafka en Camus. Later wordt het lezen van een boek dat een blijvend stempel drukt op je literaire ervaring zeldzamer. Het is dan ook extra bijzonder om nog eens zo’n boek te ontdekken dat een onuitwisbare induk op me maakte, zoals De jaren van Virginia Woolf, recent opnieuw in het Nederlands vertaald.  De lezer volgt de Engelse familie Pargiter vanaf het einde van de negentiende eeuw tot in het interbellum, maar een traditionele familiehistorie is dit niet. Elk hoofdstuk speelt zich af in een ander jaar en beslaat slechts één of enkele dagen terwijl ondertussen de geschiedenis op de achtergrond verstrijkt en de meeste mijlpalen uit het leven van de personage resoluut overgeslagen worden. In het verglijdende perspectief en de weergave van de inwendige belevingswereld van de karakters toont de auteur haar absolute meesterschap. Ze maakt zo de zoektocht van de telgen Pargiter in het doolhof van hun eigen bewustzijn op ongeëvenaarde wijze inzichtelijk. Sommige scènes zijn hartverscheurend mooi, bijvoorbeeld in het slotdeel. Woolf slaagt er in het gerijpte De jaren optimaal in om het menselijke en het experimentele van haar proza tot een eenheid te smeden, waarmee ze zich bewijst als een van de grootste romanschrijvers van alle tijden.

     

    De jaren
    Auteur: Virginia Woolf
    Uitgeverij: Athenaeum – Polak & van Gennep

    Wij houden van Tsjernobyl

    Door de populaire HBO-serie Chernobyl die op dit moment speelt, neemt het toerisme in de streek die door het rampzaligste kernongeluk uit de geschiedenis werd getroffen sterk toe, maar Aleksijevitsj drijft er al de spot mee in haar schitterende boek Wij houden van Tsjernobyl, dat in een eerste versie verscheen in 1997. Later volgde uitbreiding van het materiaal. Balancerend op het snijvlak tussen geschiedschrijving, journalistiek en literatuur, laat Svetlana Aleksijevitsj een stoet van ooggetuigen aan het woord komen. Dit levert een veelstemmig document op dat de huiveringwekkende reikwijdte laat zien van de Tsjernobyl-ramp. Het boek geeft niet alleen inzicht maar eert tegelijkertijd de rampenbestrijders en hun nabestaanden: elk levensverhaal is een novelle bij deze Nobelprijswinnaar. Je weet niet wat je leest.

     

    Wij houden van Tsjernobyl
    Auteur: Svetlana Alexijevitsj
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Pereira verklaart

    Na het zware literaire geschut tot slot een fijnzinnige roman gesitueerd in het Portugal onder dictator Salazar, opvallend genoeg geschreven door een Italiaan. Protagonist Pereira, apolitiek redacteur van de literatuurbijlage in de krant, leidt een onopvallend bestaat totdat hij in contact komt met een mysterieuze student die rebelleert tegen het regime. Om hem van enig werk te voorzien laat Pereira de jongeman necrologieën schrijven van nog levende schrijvers, die stuk voor stuk onbruikbaar blijken door hun sterk politieke toon (maar daarin wel heel grappig zijn). Geleidelijk dringt de vraag zich op hoelang hij zich nog afzijdig kan houden van het leven zoals dat zich onder zijn neus afspeelt. Tabucchi brengt een fraaie samenhang aan in deze compacte roman door een handvol motieven en stijlelementen, waaronder die van de opzet als ‘verklaring’. Una testimonianza, is de ondertitel dan ook. Een parel van een boek, veel beter kom je ze in een leesjaar doorgaans niet tegen.

    Pereira verklaart
    Auteur: Antonio Tabucchi
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Het sektarisch gezelschap van Jacob Frank

    Het sektarisch gezelschap van Jacob Frank

    ‘Voor de wijzen pro memorie, voor mijn landgenoten ter reflectie, voor de leken tot lering, voor de melancholici evenwel tot vermaak’, zo stelt het titelblad van De Jacobsboeken, dat verhaalt over de merkwaardige geschiedenis van Jacob Frank en zijn volgelingen.
    Olga Tokarczuk kreeg voor eerder werk zowel de Poolse Nike-prijs als de Man Booker International toegekend. Ook vertaler Karol Lesman is gelauwerd; hij ontving de Martinus Nijhoff-prijs in 2017. Met De Jacobsboeken verschijnt nu de vierde titel van Tokarczuk in het Nederlands. Rijk geïllustreerd en ruim 900 pagina’s lang vergt het weinig verbeelding om van een ambitieus boek te spreken. ‘Verteld door de doden’, staat op de achterflap.

    De verlosser

    Het onderwerp van Tokarczuk is een cultus die eind 18e eeuw ontstaat binnen de gemeenschap van Joodse Polen. Beschreven wordt hoe de charismatische Jacob Frank uit verschillende landen aanhangers trekt die hem beschouwen als de Messias, de door Joden verwachtte verlosser. Wat hij hiervan zelf gelooft, blijft onduidelijk: het ene moment spiegelt hij zich aan de Bijbelse Jakob en diens bedriegerij (door zich voor te doen als een ander), later gaat hij steeds meer op in zijn rol en ontwikkelt hij despotische trekken. Twee van zijn trouwste volgelingen projecteren in het prille begin van zijn opkomst hun eigen verwachtingen vrij letterlijk op zijn hoofd tijdens een spiritueel ritueel. Gedurende vele decaden blijven ‘rechtgelovigen’ hem navolgen, geven ze have en goed, lichaam en geest, voor Frank. Een van de markerende gebeurtenissen is de doop die de frankisten ondergaan, waarmee ze ingelijfd worden bij de katholieke kerk, een onherstelbare breuk met de Joodse traditie.

    Sektarische gemeenschappen

    Een opmerkelijk verhaal, hoewel de essentie niet onbekend voorkomt: de mechanismen van godsdienstwaanzin en hiërarchisch geleide gemeenschappen zijn uiteraard al vaker gedocumenteerd. Tokarczuk blinkt vooral uit in gedetailleerde beschrijvingen en de volledigheid van haar verslag. De Jacobsboeken is daarom een geschiedenis in de ware zin, minder een roman. Personages worden nauwelijks ingekleurd, hoewel de levensloop van velen wordt beschreven. De narratieve ontwikkeling beperkt zich tot een aaneenschakeling van gebeurtenissen. Inhoudelijke thema’s, anders dan die inherent zijn aan de stof, met name een geïntegreerde visie van de auteur zelf, vallen moeilijk te ontwaren.

    Telkens nieuwe verhaallijnen

    Sowieso is het niet al te gemakkelijk om deze geschiedenis te volgen. Dit heeft te maken met de gehanteerde mozaïekstructuur, waarin telkens nieuwe (maar wel op elkaar lijkende) namen worden geïntroduceerd. Een deel daarvan verandert halverwege ook nog eens, na de omdoping van Joden tot Poolse katholieken. Zo blijft er maar een handjevol personages over die je als lezer goed kan plaatsen van begin tot eind. Eén van de eigenaardigheden waarmee Tokarczuk komt is de rol van ene Jenta, die als oude vrouw in het begin van het verhaal sterft maar door een bezwering een niet aan tijd en plaats gebonden bewustzijn blijft houden. Gedurende de rest van de geschiedenis duikt ze met onregelmatige tussenpozen op. Dit staat in schril contrast met de onnadrukkelijke manier waarop andere bijfiguren doodgaan, vooral de vrouwen die het kraambed niet overleven zijn talrijk.

    Er zijn in De Jacobsboeken interessante dingen te vinden. Met name voor lezers die houden van een historische inbedding zullen aan hun trekken komen. Ontwikkelingen als de groeiende invloed van de boekdrukkunst en de Verlichting komen op de achtergrond voorbij. De centrale geschiedenis had echter geen negenhonderd bladzijden nodig om zich te laten vertellen. Of kon beter vanuit enkele personages uitgewerkt worden, om meer binding te creëren. Nu is het wel een wat lange zit.

     


    Wie meer wil lezen over de ontstaansgeschiedenis van De Jacobsboeken, lees hier het interview van Literair Nederland met Olga Tokarczuk.